het voor zijne jongen zoo lang zorgde, totdat deze zelven in staat zijn
voor hunne eigene instandhouding te waken, op den met rede begaafden
mensch rust de meer gewigtige pligt om insgelijks voor de zedelijke
opvoeding zijner kinderen, voor de ontwikkeling des geestes, zorg te
dragen en hen in datgene te onderrigten, waarin de hoogste kracht
des menschen ligt: in kunst en wetenschap.--Bij de opvoeding der
kinderen moeten wij twee hoofdgrondregelen tot rigtsnoer nemen; ten
eersten moeten wij door voldoende zorg, eenvoudige opvoedingsstoffen
zonder prikkelende middelen, doelmatige wijde kleeding, zindelijkheid,
later door allengs toenemende oefening van alle spieren door middel
van de verschillendste ligchaamsbewegingen, door hen te gewennen aan
de vrije lucht en de afwisseling van het weder--voor de krachtige
ontwikkeling des ligchaams zorg dragen, en ten tweede moeten wij het
kind, na voorafgaand onderrigt in de taal, datgene leeren, hetwelk als
eene onbetwiste en zekere waarheid algemeen is aangenomen en erkend,
namelijk: wiskunde en de verschillende takken der natuurwetenschappen,
benevens de geschiedenis van het menschelijk geslacht; dit als de
hoofdzaak behandeld wordende, mag gepaard gaan met het onderrigt
in de algemeene zedeleer. Wij behooren echter zorgvuldig te waken,
dat het kind, hetzij jongeling of meisje, geene vooroordeelen,
geene godsdienstige begrippen of leerstellingen worden ingeprent,
alvorens het zelfstandig denken en onderzoeken kan, en wij moeten
derhalve elke handelwijze ten stelligste afkeuren, die, gelijk de
doop en de besnijdenis, reeds het kind in de wieg met een kruis,
een toekomstigen Messias of ander dogma stempelt, waardoor de geest
van het kind reeds aan banden gelegd, in ketenen geklonken wordt,
alvorens hij volkomen is ontwaakt, waardoor elke vrije ontwikkeling
belet en de mensch gedwongen wordt zijn gansche leven door tot deze
of gene bepaalde sekte te behooren. Aan den tot man opgewassen, met al
de vereischte kennis der stellige wetenschappen toegerusten jongeling
(zoo mede aan de jonge dochter) moet de keus worden overgelaten om
zich voor eene der veelvuldige geloofsbelijdenissen te verklaren
of, indien hem geene van allen bevredigend voorkomt, den Schepper
der natuur op eigene wijze, naar eigene overtuiging, te aanbidden,
maar nimmer moet men het kind geloofsstellingen leeren of inprenten,
alvorens het rijp geworden is om zelf daarover te oordeelen.
Het tegenover gestelde van dezen grondregel is sedert vele eeuwen en
wordt nog op den huidigen dag in praktijk gebragt. Deze omstandigheid
alleen maakt het verklaarbaar, dat op dezen oogenblik nog vele
millioenen van menschen aan leerstellingen hechten, die als heilig
vereeren, waarover de latere nakomelingschap zich in dier voege
zal verwonderen, dat zij zal vragen: "Hoe toch was het mogelijk,
dat millioenen van menschen gedurende duizende jaren konden gelooven,
hetgeen tegen het gezond verstand, ja, volkomen in strijd is met alle
wetten der natuur?--Waren zij, die vóór ons deze aarde bewoonden,
nog niet met verstand begaafd?"--waarop welligt een bearbeider van
de ontwikkelingsgeschiedenis der menschheid zal antwoorden:
"Wel degelijk waren zij met verstand begaafd of, juister gesproken,
de kiem er van was in hen gelegd; maar op dezen kiem entten zij
met geweld het onverstand, zij zetteden een stempel op het kind en
prentten het weeke, voor elken indruk vatbare kinderlijke gemoed
gedurende zestien of meer jaren dagelijks en onophoudelijk in:
datgene als een onaanrandbaar heiligdom, zoowel voor het tijdelijke
als eeuwige geluk te vereeren en te aanbidden, hetwelk wij heden, nu
de komeet van 1807 wederom zigtbaar is, welks omloop Bessel, op een
verschil van 25 jaren na, tamelijk juist berekende, reeds lang als
eene groote dwaling hebben leeren beschouwen. Want slechts weinigen
van onze toenmalig levende voorvaderen konden zich in hunnen rijperen
leeftijd weder vrijmaken van de indrukken, ontvangen in hunne jeugd,
die zoo lange jaren hadden geduurd; bij de meesten bleef de vorm des
stempels, waarmede zij reeds bij den doop, even als jonge schapen,
werden geteekend, hun gansche leven door zigtbaar, (al was die ook
door verloop van tijd meer of min onduidelijk geworden). [11]--Danken
wij derhalve den Heer der Schepping! dat wij de waarheid en den
eersten en voornaamsten hefboom van alle ontwikkeling, van alle
wetenschap, van alle maatschappelijk geluk, in zijne volle waarde
hebben leeren erkennen en in zijn zuiveren vorm aangewend hebben:
het schoolonderwijs, de opvoeding onzer jeugd."
Ons zelven moeten wij echter het meest liefhebben,--meer dan andere
menschen. Dit is niet alleen regtmatig, maar dit is onze pligt,
namelijk, de pligt van zelfbehoud. Ons ligchaam toch, waarin de ziel
woont, werd ons door den algoeden Schepper der natuur geschonken,
opdat wij zouden leven, en geen ander mensch kan of zal in zulk eene
mate--zoo goed--voor ons zorgen als wij zelven in staat zijn zulks
te doen. Onze grondregel, met betrekking tot de liefde jegens onze
naasten (zie vroeger bladz. 160), luidde aldus: Wij behooren anderen,
die minder bezitten dan zij noodig hebben, mede te deelen van hetgeen
wij meer hebben dan wij behoeven.--Dezen grondregel moeten wij in
overeenstemming trachten te brengen met de pligten jegens ons zelven.
Wanneer wij zien, dat iemand in nood verkeert en er hoop bestaat,
dat hij door ons kan geholpen worden, zonder dat wij zelven er door
verloren gaan, dan moeten wij trachten hem hulp te verleenen, al is
zulks van gevaar vergezeld.
Wij moeten ons echter ook zelven in eere houden en ons door niemand
laten beleedigen of beschimpen. Indien iemand u een slag in het
aangezigt geeft en uw geweten u zegt, dat gij deze beleediging
of deze bestraffing hebt verdiend, ga dan beschaamd heen naar eene
afgezonderde plaats en--verbeter u. Draagt gij echter in uw binnenste
het bewustzijn om, dat gij die oorveeg niet hebt verdiend, eisch dan
van den beleediger, dat hij u vergiffenis vrage en weigert hij zulks:
geef hem die oorveeg terug en een andere tot zijne straf er bij.
Wij moeten alle menschen liefhebben en onze vijanden zelfs niet
haten. Grootmoedigheid verheft en veredelt den mensch. Wij behooren
pogingen aan te wenden om onzen vijand te overtuigen, dat hij
onregtmatig heeft gehandeld. Ziet hij het begane onregt in, gevoelt hij
er berouw over, dan moeten wij hem vergevensgezindheid betoonen en hem
op die wijze tot vriend trachten te maken. Gelukt dit echter niet en
gaat hij voort met ons te verontrusten, dan moeten wij hem onschadelijk
trachten te maken. Kunnen wij dit niet, wordt hij gevaarlijk voor
ons, dan behooren wij hem met alle magt te bestrijden en, indien hij
ons dooden wil en wij niet in staat zijn ons leven op eene andere
wijze te redden, dan hebben wij het regt hem te dooden. (Zie over de
practische toepassing dezer grondstellingen in het midden der 19de
eeuw, den krijg tusschen Rusland en de westersche mogendheden.)
Veronachtzaming van ons eigen ligchaam is zonde, en zelfmoord de
grootste zonde.
Wij behooren zorg te dragen voor ons ligchaam, wij moeten het
behoorlijk voeden met spijs en drank en wij moeten ons--op eene
geoorloofde, deugdzame wijze--al dat genot pogen te verschaffen,
hetwelk wij tot ons ligchamelijk welzijn behoeven en waartoe wij de
middelen bezitten.
Daar echter onmatigheid den mensch tot een dier verlaagt, en zij
hare eigene straf medebrengt, namelijk, tegenzin, berouw, uitputting
of ziekte, moeten wij in alles matig zijn. Het genot, dat wij door
elk onzer zinnen kunnen smaken, verandert door onmatigheid in het
tegendeel, ja, de toonen der welluidendste muziek zouden eindelijk ons
oor vermoeijen, zelfs pijnlijk aandoen, indien wij ze den ganschen dag
en onophoudelijk moesten hooren. Houden wij daarentegen de matigheid
in het oog, dan oefenen alle ligchamelijke genietingen--het genot
des gevoels, van het gehoor, des gezigts, van den reuk en van den
smaak--niet slechts een weldadigen en bevredigenden invloed uit op het
ligchaam, maar insgelijks op het gemoed; zij verzwakken den geest niet,
maar versterken hem en stellen hem in staat nog edeler genot te smaken:
om de diepzinnigste wetenschappelijke vraagstukken te kunnen bepeinzen.
In een zwak of ziekelijk ligchaam kan geen sterke of gezonde geest
wonen. Van onze vroegste jeugd af moeten wij ons derhalve er op
toeleggen om het ligchaam te versterken en alle mogelijke zorg
aanwenden om het volkomen te ontwikkelen. Het nuttigen van spijs en
drank onderhoudt het leven, maar oefening der krachten maakt ons
sterk. Aan elke school zonder onderscheid behoorde eene inrigting
te worden verbonden voor ligchaamsoefening, alwaar de jeugd in de
gelegenheid werd gesteld door loopen, springen, klauteren, schommelen,
werpen, kaatsen, kegelen, worstelen, zwemmen, paardrijden--in één
woord, door de verschillendste ligchaamsbeweging de spierkracht te
oefenen. Deze ligchaamsbewegingen moeten op rijperen leeftijd op eene
doelmatige wijze worden voortgezet. Wij behooren veel beweging te
nemen in de vrije lucht, en niet voor elk windje of elke regenvlaag
te gaan schuilen. Wij moeten pogingen in het werk stellen om eene
meer doelmatige wijze van kleeden in te voeren, die de natuurlijke
schoonheid van den ligchamelijken vorm voordeeliger doet uitkomen,
zoomede om de naauw sluitende, stijve keurslijven bij de vrouwen in
onbruik te doen geraken.--Reinheid des ligchaams is een der meest
geschikte middelen ter bevordering van de gezondheid. In elke stad,
in elk dorp behoorde een badhuis te zijn. Indien, bij voorbeeld, van
een viertal kroegen, dat menigwerf in één klein dorp wordt gevonden,
er twee gesloten en door een badhuis werden vervangen en het geld,
daar vroeger aan genever verdronken, nu werd besteed tot het nemen
van een koud of warm bad, dan zou zulks niet slechts nuttiger zijn
voor de maatschappij, maar tevens aangenamer genot opleveren aan ieder
afzonderlijk lid er van. Indien gij iemand ziet, die in een prachtig
huis woont en fraai en zindelijk gekleed gaat, maar ten opzigte
van zijn eigen ligchaam de reinheid uit het oog verliest, waarmede
vergelijkt gij hem?--Wanneer het den Mohammedaan in zijn wetboek wordt
voorgeschreven zich herhaaldelijk te wasschen, behoorden de bewoners
van het koudere noorden, zelfs van den geringsten stand, hieraan
een voorbeeld te nemen en het als een hunner godsdienstige pligten
te beschouwen, minstens éénmaal per dag die deelen des ligchaams
te wasschen, welke naar de voorschriften der zindelijkheid zulks
het meest behoeven en zich althans eens per week te baden. Daardoor
zouden vele ziekten voorgekomen worden en het opkomende geslacht een
krachtigeren wasdom verkrijgen.
Wij moeten ons ligchaam niet verloochenen, maar het in eere houden
en God den Heer danken, dat hij het zoo fraai en doelmatig heeft
gevormd. Wij mogen ons ligchamelijk genot verschaffen; want dat wij
zouden genieten, lag in de bedoeling des Scheppers, toen hij ons
het aanzijn schonk, dewijl hij alle organen onzes ligchaams zoodanig
heeft zamengesteld, dat alle natuurlijke verrigtingen, welke strekken
moeten tot instandhouding, zoowel der individuen als der soort,
waartoe zij behooren, met een behagelijk gevoel gepaard gaan. Hij
schiep ons tot het smaken van geluk en genot, zoowel naar het ligchaam
als naar den geest. Degenen, die zeggen: "verloochent u zelven, doodt
alle zinnelijke lusten en begeerten, arbeidt aan uwe heiligmaking,
legt u ontberingen op, bestrijdt uw vleesch door onthouding, door
vasten en kastijden, opdat uwe onsterfelijke ziel des te vlekkeloozer
worde en het goddelijke licht des te helderder in u schijne"--zijn of
huichelaars of dweepers, die zondigen tegen de weldadige bedoeling des
Scheppers, want zij dienen toch te weten, dat in een door vasten en
kastijden verzwakt ligchaam geen krachtige en gezonde geest kan wonen.
Indien gij honger hebt, u voedsel kunt verschaffen en u toch er van
onthoudt, dan zondigt gij. Alleen de arts, niet de priester, heeft
het regt u de onthouding er van voor te schrijven.
Het is de pligt der overheid om openlijke volksspelen en
volksvermakelijkheden, gepaard met doelmatige ligchaamsoefeningen, met
alle krachten aan te moedigen. Het volk zou dan tevredener zijn, zijne
pligten met meer vreugde nakomen en niet zoo dikwerf, gelijk thans het
geval is, verstrooijing zoeken in de geneverflesch, die, helaas, in
vele oorden, onder vele klassen der maatschappij, zijn eenige troost,
zijn eenig geluk is!--Wanneer toch de arme man zes dagen lang heeft
gewerkt om zich "in het zweet zijns aanschijns zijn dagelijksch brood"
te verschaffen en de zevende dag komt eindelijk aan, welke vreugde
biedt hem deze dag?--Vooreerst de vreugde in de kerk te gaan, om
treurige, droefgeestige geloofsstellingen te belijden en predikatiën
aan te hooren over onbegrensde, alles ten offer brengende Christelijke
liefde; ten tweede de vreugde in de kerk te gaan, om treurige,
droefgeestige geloofsstellingen te belijden en predikatiën aan te
hooren over onbegrensde, alles ten offer brengende Christelijke liefde;
ten derde de vreugde om uit de kerk te gaan en--reeds bij de eerste
schrede, die hij buiten de kerkdeur doet, de onmogelijkheid in te zien
om eene enkele dier voorschriften na te komen en eindelijk--ten vierde,
gedurende de vier of vijf uren van den dag, die nu nog overblijven,
het genoegen om onbevredigd in zijn binnenste te zijn en nergens iets
te vinden, dat het ledige in zijn gemoed vervullen en genoegdoening
kan geven aan eene onbestemde, maar niettemin duidelijk gevoelde
behoefte!--Zou die behoefte ook misschien de genever zijn?--Neen;
waarheid is het in plaats van dwaling, natuurlijke godsdienst die
voor het gezond verstand begrijpelijk is en het gemoed vervrolijkt,
waaraan hij in de kerk behoefte heeft--en gezellige vreugde, openbaar
vermaak, spel met ligchaamsoefening, genot is het, dat hij buiten de
kerk wenscht te smaken, en aan het smaken van zulk maatschappelijk
genoegen, vooral der lagere volksklassen, die dit het meest noodig
hebben, behoorde minstens de tweede helft van elken zondag te worden
gewijd.--De mensch is door God geschapen om te genieten en het volk
heeft er behoefte aan. Gij, die de kermissen hebt afgeschaft, gij hebt
het goede met het kwade te gelijk weggenomen en, indien gij het heil
des volks werkelijk zoekt, dan zijt gij nu verpligt iets beters er voor
in de plaats te stellen. Het ware te wenschen, dat het veelzijdig nut,
't welk de schouwburg kan verspreiden, meer algemeen werd erkend en
gewaardeerd, en dat zelfs in de kleinere steden volksschouwburgen
werden opgerigt. Of zou iemand durven beweren, dat er een krachtiger
middel gevonden wordt tot verheffing van het zedelijke gevoel bij het
volk, dan het opvoeren van tooneelstukken, waarin zedelijke waarheden
worden ontwikkeld?--Want daarbij is toch het nuttige vereenigd met
het vermakelijke, met een aangenaam tijdverdrijf!
Het instinkt tot voortplanting zijner soort, dat elk dier is ingeplant,
gaat bij den mensch gepaard met het veel edeler gevoel van liefde--en
bindt op die wijze de beide geslachten zamen. Deze liefde, welke ons
verheft boven het dier, dat slechts geslachtsdrift gevoelt, moeten
wij rein bewaren en haar heiligen door eerbaarheid.
De band, welke kinderen aan ouders, ouders aan kinderen, zoo mede
zusters en broeders onderling verbindt, zou verbroken worden,
de reinste vreugde, welke de mensch in den kring van zijn eigen
huisgezin,--aan eigen haard,--geniet, zou verloren gaan, de teedere
zorg voor de jeugd en hare opvoeding ontaarden in onverschilligheid,
de band der trouw tusschen de verschillende geslachten en te gelijk
daarmede vele van de schoonste bloemen der beschaving, der edelste
deugden, zouden ophouden het menschelijk leven te sieren, zij zouden
vervangen worden door zedelijke ruwheid, ja, de geslachtsliefde zou
eindelijk worden verlaagd tot bloote dierlijke lust en de orde en tucht
in de maatschappij worden vervangen door een woesten chaos,--indien wij
het voorschrift der wet "een man en eene vrouw" niet in acht namen. Om
die reden moet het genot der geslachtsliefde het geheim van twee
personen zijn, de zaamgeknoopte band der liefde--het huwelijk--moet ons
heilig blijven en de jeugd zal dezen band veredelen door kuischheid.
Die staat echter zal het welzijn des volks bevorderen, die de wettige
vereeniging ook onder de onvermogenden met alle onder zijn bereik
staande middelen vergemakkelijkt, en die priester zijn pligt vervullen,
die het niet beneden zijne waardigheid acht de waarschuwende stem te
verheffen tegen de nadeelige gevolgen van te vroegtijdig geslotene
huwelijken, indien de materiële middelen der beide partijen niet
toereikend zijn voor hunne behoeften,--maar die, in plaats van de
"verloochening des vleesches" te prediken, den armen liever toeroept,
dat de mensch slechts door den band der trouw zich boven het dier
kan verheffen en dat zij dezen band moeten aaneenhechten, alvorens
het genot der liefde te smaken.
Welligt zou op die wijze veel zedelijke ellende worden verhoed. Hebt
uwen naaste lief! Want God is goed en alle deelen der schepping
getuigen van zijne liefde.
22.
God is regtvaardig: wij moeten pogen regtvaardig te zijn.
Slechts hij kan regtvaardig zijn, die wijsheid paart aan
goedheid. Regtvaardigheid is die deugd, welk het moeijelijkst te
beoefenen valt, maar zij is daarentegen het schoonste sieraad, vooral
van hen, die hoog geplaatst zijn--der magtigen en vorsten--onder
de stervelingen.
Wanneer gij een handwerksman nevens den weg ziet liggen, waar hij in
de schaduw van het geboomte zijn stukje droog brood nuttigt om later
op nieuw zijn arbeid te hervatten--en tegenover hem zit een rijk
man aan den disch, waarop een dozijn schotels met groenten, gebraad
en fijne pasteijen van allerlei soort hunne geuren verspreiden,
waarvan hij niet in staat is de kleinste voor zijn maaltijd te
nuttigen, zegt dan niet: "dat is onregtvaardig;" want den arbeider
smaakt welligt zijnen maaltijd beter dan gindschen rijkaard zijne
pasteijen, en deze behoeftige man, die des avonds naar huis keert en
in den kring der zijnen uitrust van de vermoeijenissen des daags,
ondervindt stellig meer genot dan de rijke, die nog nooit vermoeid
was. Ontneemt gij echter den rijke, die in overvloed is groot geworden,
zijne schatten, dwingt gij hem eensklaps droog brood te eten zoo als
gindsche handwerksman, dan handelt gij onregtvaardiglijk; want dan
zal de rijke zeer ongelukkig en beklagenswaardig zijn, dewijl hij
niet gewoon is droog brood te eten,--en indien gij den handwerksman,
die, ten gevolge van ziekte of duurte van levensmiddelen, minder
verdient dan voor zijne behoefte vereischt wordt, niet mededeelt van
hetgeen gij meer hebt dan gij behoeft, dan handelt gij insgelijks
onregtvaardiglijk en zondigt tegen de wet der menschenliefde.
Om regtvaardig te zijn, moeten wij er naar streven om aan ieder te
geven naar gelang van zijne persoonlijke behoeften. De mate nu van
behoeften hangt af van voormalige gewoonte. De grondregel, waarnaar wij
ons moeten gedragen in onze handelwijze jegens anderen, is dezelfde die
Jezus van Nazareth zoo schoon heeft vervat in de navolgende woorden:
"gelijk gij wilt, dat u de menschen doen zullen, doe hun desgelijks."
Niet alles echter is ellende, dat ons als zoodanig toeschijnt. Wie
zou durven beweren, dat de gier, die in de dorre, van alle boom-
en struikgewas verstokene woestijnen van Egypte op de rottende
overblijfselen van kameelen aast, minder gelukkig is dan de kolibri,
welke in het bloesemrijkste boschje rondfladdert en den zoetsten
honig uit de bloemen zuigt? of dat de bedelaar, die, in lompen gehuld
op den openbaren weg de hand uitstrekt om eene aalmoes te vragen,
ellendig is, wanneer hij met een vijftigtal penningen des avonds
huiswaarts keert en zijne aardappelen, met zout en vet toebereid,
nuttigt? Hetgeen hij meer dan vijftig penningen heeft verkregen,
zal hij besparen, maar niettemin op nieuw den volgenden dag gaan
bedelen; zijne lompen heeft hij lief gekregen, het bedelen is hem tot
behoefte geworden, hij gevoelt zich gelukkig. De rijke man daarentegen,
die, met ridderorden behangen, daar ginds in dat groote huis woont,
feesten aanrigt, waarop alle fijne wijnen paarlen, terwijl de tafel
onder den last der spijzen buigt, zegt niet, dat hij gelukkiger is
dan de bedelaar!--hij weet hoedanig hij de schatten heeft verworven,
waarmede hij pronkt, hoe hij aan de veêren is gekomen, waarmede hij
zich heeft gesierd; benijdt hem niet, het aangename bewustzijn van
pligtsvervulling en tevredenheid kruiden zijne spijzen niet op den
rijk voorzienen disch,--de wroeging van een boos geweten vervult
zijnen boezem! God is regtvaardig!
En wanneer wij een koopman zien, die gedurende 20 jaren op een grooten
voet leefde, maar bankroet is gegaan en nu als klerk op een kantoor een
sober loon verdient, wachten wij ons hem voorbariglijk te beklagen;
wij kunnen niet in zijn binnenste zien en weten niet, welke daden
hij in het geheim heeft gepleegd. De ontbering kan nuttig voor hem,
het ongeluk eene school van wijsheid voor hem zijn, waaruit hij,
naar den geest en het verstand gelouterd, kan te voorschijn treden
en gelukkiger worden dan hij te voren was.
Hieruit moeten wij deze leering trekken, dat wij nimmer den moed
behooren te verliezen, wanneer ons een ongeluk overkomt, dewijl wij
niet kunnen weten, waartoe het nuttig is. Met geduld moeten wij ons
onderwerpen aan hetgeen onvermijdelijk is, maar wakker en werkzaam
zijn, want "God helpt, die zich zelven helpt."--Heeft het ongeluk
vooraf zijne komst niet aangekondigd, ook het geluk kan onverwacht
komen!
Orde houdt de maatschappij te zamen. Het wetboek is daar om voor hare
instandhouding te waken, terwijl de wereldlijke arm des geregts de
plaatsbekleeder is der goddelijke geregtigheid in den staat.--Gelijk
in de natuur steeds vele kleinere dingen zich om een grooter scharen
en vele planeten om eene zon draaijen, ja, alle zonnen, met alles
wat leeft en zich om haar beweegt, ook weder gezamenlijk om eene nog
oudere, grootere zon moeten draaijen en ten laatste alle dingen naar
eene enkele grondoorzaak leiden, zoo heeft zich ook in de maatschappij
reeds van oudsher het beginsel van eenheid doen gelden. De beste
regeringsvormen zijn die, waarin de schepping zoo veel mogelijk is
nagevolgd.--Een God, een Koning!--Maar God regeert de wereld niet
willekeurig. Zijne ministers en staatsbeambten zijn de natuurkrachten,
die hij schiep, en zijne grondwet zijn de onveranderlijke, vaste
wetten, waarnaar hij de natuurkrachten laat werken. Wij moeten
ordelievend zijn, de wetten des vaderlands gehoorzamen en onzen
koning eerbiedigen.
Wij moeten er naar streven om deugdzaam te zijn, zonder op eenige
andere belooning te rekenen dan die, waarmede de deugd, de getrouwe
pligtsvervulling, zich zelve beloont: een goed geweten.
Dan zullen wij zien, dat de deugd nimmer ongelukkig is, maar in
tegendeel dikwerf door de menschen geëerd en met wereldsche goederen
gezegend wordt.
Wij moeten de ondeugd haten en de zonde vlieden, maar geene straf zoo
zeer vreezen als die, waarmede elke slechte daad zich zelve straft:
een kwaad geweten.--Een kwaad geweten brengt de begane zonden aan
den dag en dan wordt de ondeugd, de misdaad gestraft door den arm
der wereldlijke geregtigheid.
Indien wij eene zwakheid hebben begaan, indien ons beter zedelijk ik
door de gebreken, die ons ligchaam aankleven, is verwonnen geworden,
indien wij eene onregtvaardigheid gepleegd en gezondigd hebben, maar
berouw gevoelen over onze overijling of slechte handelwijze, innig,
waarachtig berouw er over gevoelen: dan is de zonde ons vergeven.
Indien wij berouw gevoelen over het onregt door ons gepleegd en het
vaste voornemen opvatten, voortaan regtmatig te handelen, dan mogen
wij met het volste vertrouwen de toekomst te gemoet gaan, ook dan
wanneer de wereldlijke straf der wet daarvoor op ons is toegepast. De
orde in den staat eischt, dat de wet voltrokken worde.
Indien de orde en zekerheid in den staat daardoor niet op het spel
zijn gezet, zal een goede vorst den misdadiger genade schenken,
en daardoor het schoonste bewijs geven van de magt, die hij
bezit.--Dewijl alle misdaden deels haren grond hebben in aangeboren
ligchamelijke onvolmaaktheden of gebreken, hoofdzakelijk echter in
verkeerde opvoeding en gebrek aan beschaving en--bij een dergelijken
aanleg--door ongelukkige uiterlijke omstandigheden ligt veroorzaakt
worden, behooren wij medelijden te hebben met de misdadigers en
trachten hen te verbeteren of te genezen.
Wij moeten echter nimmer gelooven, dat een sterfelijk wezen, al zet
hij eene driedubbele bisschopsmuts op het hoofd, in staat is ons eene
enkele zonde te vergeven.
God alleen kan ons de zonden vergeven en zijn eenige plaatsbekleeder
op aarde is: het geweten, dat in den boezem van elk mensch woont.
De goeden en de boozen dragen hunnen hemel en hunne hel met zich
om. Zij zullen hunnen hemel en hunne hel met zich nemen; want hunne
ziel is onsterfelijk.
Laat ons niet droomen van een anderen hemel of eene andere hel. Wat
aan gene zijde des grafs ligt, is voor ons verborgen. Stellen wij
ons vertrouwen op den Onvergankelijke en dragen wij hiervoor zorg:
dat wij een hemel in onzen boezem hebben! en zeggen mogen, dat wij
voortdurend er naar gestreefd hebben om regtvaardig te zijn! Want
God is volkomen regtvaardig.
23.
God is eeuwig dezelfde, onveranderlijk getrouw en waarachtig:
ons streven moet zijn in al onze handelingen getrouw en waarachtig
te wezen.
Wij moeten waarachtig zijn in woorden en daden, en nimmer
huichelen. Hetgeen wij doen, moeten wij ook leeren kunnen, en
overeenkomstig onze leer behooren wij ook te handelen.
Wij behooren ons niet zoodanig te gedragen, noch te kleeden (behalve
wanneer dit geschiedt uit scherts), dat wij iets schijnen te zijn,
dat wij werkelijk niet zijn; want nemen wij den schijn aan van iets,
't geen wij niet zijn, dan bedriegen wij de menschen.
Wij behooren ons woord te houden en derhalve niet ligtvaardig te
beloven, zonder vooraf te overleggen of wij onze belofte kunnen houden.
Den band der vriendschap en der liefde, dien wij hebben gesloten,
behooren wij heilig te bewaren.
Wij moeten den leugen haten als de verachtelijkste zonde, die ons in
onze eigene oogen vernedert.
Wij moeten niet leeren: andere menschen even lief te hebben als ons
zelven; elken dag, ja, elken oogenblik zien wij, dat wij niet in staat
zijn om zulks te doen; geven wij niettemin voor, dat wij dit doen,
dan maken wij ons schuldig aan huichelarij.
Wij moeten leeren alle menschen lief te hebben en ons zelven meer dan
anderen. Leeren wij dit, dan kunnen wij zulks nakomen en wij zijn
waarachtig.--Ik ken een bekwamen, braven man, die door ongelukken
tot armoede en ellende is vervallen, en sedert vele jaren te vergeefs
alle pogingen heeft beproefd om zich weder te herstellen. Niets heeft
echter kunnen baten. Om voor goed geholpen te zijn, behoeft hij 2000
gulden; eene geringere som kan hem niet redden. Ik ben in het bezit
van dergelijke som, maar indien ik haar aan hem afsta, stort ik mij
zelven in het ongeluk. Ik houd derhalve mijn geld in kas of bezig
het in mijne eigene zaken. Heb ik nu mij zelven niet meer lief dan
genen?--Indien iemand mij met de wapenen in de hand aantast, en ik
mijn leven alléén redden kan door den aanvaller te dooden en ik redde
mijn leven: heb ik mij zelven dan niet meer lief gehad dan genen?--Of
wordt er iemand onder ons gevonden, die zich zelven in het verderf
wil storten om een ander te helpen? die zich wil laten vermoorden,
opdat een ander het leven zal behouden?--En indien zoo iemand onder
ons werd gevonden, welk nut zou hij gesticht hebben door zich zelven
op te offeren, dewijl toch één van beiden verloren gaat? Daardoor
had hij immers niet getoond den andere even lief te hebben als zich
zelven, maar in tegendeel dat hij zich zelven minder lief had dan
genen! Zou hij op die wijze niet zondigen tegen den eersten pligt,
die ieder mensch is voorgeschreven, den pligt van zelfbehoud?
Wij moeten derhalve de vroeger opgegeven grondstellingen der liefde
tot onze naasten opvolgen, maar de leer "onze naasten lief te hebben
als ons zelven" verwerpen, omdat het opvolgen van dit voorschrift eene
natuurlijke onmogelijkheid is, en dewijl eene leer, die onophoudelijk
van elken kansel gepredikt, in alle Christelijke geschriften wordt
aanbevolen, maar die nog nimmer opgevolgd kon worden en ook nooit,
zoo min nu als in het vervolg, nagekomen zal worden,--slechts leiden
kan tot schijnheiligheid, huichelarij en valschheid.--Zijt waarachtig
en getrouw aan u zelven!
De afschuwelijkste en verachtelijkste soort van huichelarij is
de schijnheiligheid, welke iemand pleegt wanneer hij degenen, die
hem zien, wil diets maken, dat hij in het gebed tot God spreekt,
terwijl hij inderdaad aan niets hoegenaamd denkt of geheel andere
gedachten koestert dan hij voorwendt, ja, met onheilige denkbeelden
is vervuld;--dit is eene soort van schijnheiligheid, die, helaas! bij
de Christenen veel algemeener wordt gevonden, dan bij de belijders van
eenige andere godsdienst. De reden daarvan is: 1o. de zoo even genoemde
omstandigheid, dat de Christen in zijn binnenste de onmogelijkheid
gevoelt (die zijn mond weigert te bekennen) om de eerste grondregelen
des Christendoms in het leven na te komen, zoo als: zijn naaste lief
te hebben als zich zelven, zijne vijanden wel te doen en hen van harte
te vergeven, zich op heiligmaking toe te leggen, alle aardsche lusten
te dooden, zich zelven geheel en al te verloochenen, enz., en 2o. dat
de Christenpriesters een herhaald, lang en vurig bidden, bidden,
bidden! als het krachtigste hulpmiddel ter bevordering van tijdelijk en
eeuwig geluk voortdurend aanprijzen. Daar het echter eene uitgemaakte
waarheid is, dat de mensch slechts zeer zelden zoo diep geroerd is, in
zulk eene heilige stemming verkeert, dat hij zich opgeheven gevoelt tot
God, en hij niettemin een half dozijn malen daags behoort te bidden,
vouwt hij de handen zamen, slaat aandachtig de blikken nederwaarts,
zet een onnoozel gezigt--en houdt zich als of hij bidt.
Die een medebelijder is der natuurlijke godsdienst en zedeleer van
den regtzinnig geloovigen mensch, moet het werktuigelijk aframmelen
van vooraf geleerde gebeden onvoorwaardelijk afkeuren en slechts dan
God bidden, wanneer hij een wezenlijken, innerlijken aandrang daartoe
gevoelt, onverschillig of deze zich zelden of menigwerf, elken dag,
elke week of slechts eens in de veertien dagen openbaart.
De Eeuwige en Onvergankelijke kent al onze behoeften en wenschen en
geen enkele onzer gebeden--ja, al baden wij op onze knieën drie weken
lang zonder ophouden, en bij honderd duizenden te gelijk,--is in staat
om te bewerken, dat hij een haar breedte afwijkt van de eeuwige wetten,
waarnaar hij de wereld regeert.
Alleen dan is het bidden nuttig, wanneer de biddende daartoe de
aandrang bespeurt in zijn gemoed, wanneer hij zich tot den Eeuwige
opgeheven gevoelt, en rust en troost in zijn geloof zoekt. Bezielt
hem die zucht, is dit gevoel waar en innig, dan ook zal hij troost
in het gebed vinden.
Het opzeggen van gebeden, die men van buiten heeft geleerd en die
op vastgestelde tijden worden gepreveld, zoo als, bij voorbeeld,
bij het opstaan, naar bed gaan, voor het eten, na het eten, een
dozijn keeren in de kerk, enz., waarbij aan niets wordt gedacht,
waarbij men niets gevoelt, dit heeft volstrekt geene nuttigheid in
zich, baart in tegendeel het vroeger opgenoemde nadeel, namelijk,
huichelarij, het aannemen van een valschen schijn. Dit wordt eene
gewoonte en deze gewoonte spiegelt zich onwillekeurig in alle andere
verrigtingen der menschen af.
Handelt naar behooren, leidt een deugdzaam leven, maar waant niet,
dat gij aan uwen pligt voldoet, indien gij menigwerf ter kerk gaat of
uren lang op uwe knieën gebeden opzegt. Het is waar, naar kerkelijke
uitspraken, kunt gij dan vrome menschen heeten, inderdaad echter
misschien zeer slechte menschen zijn.
De ervaring leert, dat zij, die het veelvuldigst ter kerk gaan,
het langst en het vurigst in het openbaar bidden, veelal de meest
gewetenlooze menschen zijn. Sommigen hunner doen zulks alléén, dewijl
zij weten, dat zij hunne ondeugden het zekerst achter schijnheiligheid
kunnen verbergen, en anderen dewijl zij werkelijk gelooven, dat zij
zich met God kunnen verzoenen, indien zij des zondags ter kerk gaan,
vurig bidden, belijden dat zij ellendige, diep gezonken schepselen
zijn, ja, van berouw vervuld zich ter aarde buigen, weeklagen en
"genade! genade! erbarming! voor mij armen verworpen zondaar"
roepen;--dan zijn hun (zoo wanen ze) de zonden, die zij in de
afgeloopene week hebben begaan, kwijt gescholden; zij hebben immers
"God gediend" en--zullen daarvoor gedurende de aanstaande week hunne
medemenschen des te slechter dienen en hen op alle mogelijke wijze
bedriegen, waarvoor zij dan op den aanstaanden zondag door nieuwe
en bitterder jammerklagten, door vernieuwd vertoon van berouw en
herhaalde bekentenis, dat zij arme "onverbeterlijke" zondaars zijn,
op nieuw vergeving vinden. Deze zullen zich stellig niet verbeteren,
maar in hunne berouwvolle jammerklagten steeds nieuwen moed scheppen
tot vernieuwde slechte daden.
Niet met bidden--slechts door goed te handelen kan men God dienen.
Indien gij echter bidt, dan zij uw gebed u heilig, gelijk de
eerbaarheid aan de jonge maagd. Ontheiligt het heilige niet, door
het aan ieders oog bloot te stellen. Bidt in eenzaamheid.
Wij moeten aan de bestendige onveranderlijkheid der natuurwetten
gelooven en naar waarheid trachten. Deze waarheid moeten wij hoogachten
en beminnen.
Menschen kunnen gedurende langen tijd in bijgeloof en dwaling
voortleven, zonder dat zij om die reden juist ongelukkig zijn, maar
elk toeval, 't welk de waarheid aan den dag brengt, zal hen doen
ontwaken, en dit ontwaken zal te onaangenamer zijn, naar mate de
dwaling langer heeft voortgeduurd. Wij behooren derhalve hier naar
te streven, om ons zoo vroegtijdig mogelijk met de eeuwige waarheden
der natuur bekend en vertrouwd te maken.
Tot de klasse van dwaling en bijgeloof behoort het geloof aan
goddelijke openbaring en wonderen, dat wil zeggen, aan dergelijke
(hypothetisch aangenomen of op overlevering berustende) gebeurtenissen,
die in strijd zijn met de natuurwetten. Er bestaat geene regtstreeksche
goddelijke ingeving of openbaring in het binnenste des menschen.--Het
is waar, somtijds rijzen denkbeelden bij ons op, wier oorsprong
wij niet verklaren kunnen, ten gevolge waarvan het ons toeschijnt,
dat zij voortvloeijen uit eene innerlijke, regtstreeksche bron
van kennis, zonder in eenig verband te staan met de omringende
natuur.--Onderzoeken wij de zaak echter grondiger, dan zien wij,
dat ook deze denkbeelden slechts eene terugkaatsing, als het ware de
nagalm zijn van hetgeen wij vroeger te eeniger tijd door onze zinnen
ervaren hebben,--onverschillig of wij deze ervaring regtstreeks hebben
geput uit de levende natuur of uit een boek, dat de gedachtenwereld
bevat van een nog levend of vóór langen tijd door den dood van deze
aarde gescheiden mensch.--Zeer zeldzaam echter kan iemand iets denken,
dat niet reeds andere menschen vóór hem hebben gedacht.
Het geloof aan eene regtstreeksche, goddelijke openbaring is
verderfelijk, dewijl het de kritiek van het gezond verstand uitsluit
en de zoogenaamde geinspireerden verlangen dat zij en hunne leer voor
onfeilbaar worden gehouden.--Want gaat men uit van de mogelijkheid van
eene dergelijke goddelijke openbaring, dan moet ook toegegeven worden,
dat deze openbaring Gods in ieder mensch kan plaats hebben, dewijl wij
niet weten kunnen welken sterveling--hetzij bedelaar of koning--God
de Heer waardig gekeurd heeft of zal keuren om zijne openbaring te
ontvangen. Nu echter kan slechts een van beide gedaan worden: of
ieder moet op zijn woord worden geloofd, die voorgeeft goddelijke
openbaringen te hebben ontvangen, welke nu door hem als "Gods word"
worden verkondigd, aan wier heiligheid geen criticus de roekelooze
hand mag slaan; doet gij dat, dan heeft Joe Smith--de stichter van
de sekte der Heiligen van den jongsten dag (der Mormonen)--even goed
als Mohammed of ieder ander mensch, die later welligt zal optreden,
het regt om te zeggen: "ik ben een waarachtig Godsgezant, gelooft aan
mijne woorden;" en gij moogt er niet aan twijfelen;--of gij moet de
kritiek toelaten en de leeringen dergenen, die voorgeven openbaringen
van God ontvangen te hebben, eerst dan als zekere waarheid (als
Gods woord) erkennen, wanneer zij (even als alle andere leeringen,
welke door den mond eens menschen verkondigd of door 's menschen hand
te boek zijn gesteld) door u vooraf onderzocht zijn geworden en gij
bevonden zult hebben, dat zij de vuurproef der kritiek van het gezond
verstand kunnen doorstaan.--Het is derhalve natuurlijk, dat dan ook
de bijbel op dergelijke wijze moet worden onderzocht en zulks doende
zult gij de overtuiging erlangen, dat de daarin vervatte leeringen
niet slechts hoogst onvolkomen zijn, maar ook openbare en zeer groote
dwalingen bevatten, waaruit volgt, dat zij Gods geopenbaard woord niet
kunnen zijn.--De leeringen van vele andere menschen daarentegen hebben
deze proef werkelijk en met glans doorgestaan, hunne ontdekkingen zijn
gebleken waar en juist te zijn, en deze leeringen en ontdekkingen moet
gij derhalve, indien gij de vroeger genoemde tweede grondstelling tot
rigtsnoer neemt, als goddelijke openbaring beschouwen. Maar het gevolg
hiervan zou zijn, dat elke natuurkundige ontdekking, die deze proef
glansrijk doorstond, ja, al hetgeen de mensch ooit waars en goeds
heeft beleden, uitgevonden of ontdekt, eene goddelijke openbaring
zou genoemd moeten worden!--Waarheen voert u dit geloof!
Zegt derhalve niet: "Jezus van Nazareth was het, aan wien God zich
heeft geopenbaard; deze openbaring is hier in dezen bijbel vervat
en dit is Gods woord;"--want daarop kan ieder te regt antwoorden:
"ook aan mij heeft God zich geopenbaard, zoo mede aan dezen, aan
genen en aan duizend anderen te gelijk, die hunne vijf zinnen openden
om de openbaring te ontvangen en hun verstand gebruikten om haar te
verstaan. Hierdoor heeft God sedert eenige honderde jaren,--vooral
sedert uwe magt zoo ver gebroken was, dat gij uw starren geloofswaan
niet meer iedereen tot een onveranderlijken rigtsnoer voor het gansche
leven kondt opdringen, sedert gij geen ketters meer verbranden
en niemand meer beletten kondt, de bewonderenswaardige werken der
schepping na te vorschen, de levende natuur te onderzoeken,--sedert
dien tijd heeft God den mensch zaken geopenbaard, waarvan in uwen
bijbel zelfs geen enkele letter wordt gevonden--zoo groot, zoo schoon,
zoo heerlijk!--en waarvan gij tot heden niets zoudt vernomen hebben,
indien er niet waarlijk godvruchtige mannen waren geweest, zoo als
Kopernicus, Galilei, Kepler, Huyghens, Newton, Halley, Linnaeus,
Benjamin Francklin, Laplace, Blumenbach, Gay-Lussac, Alexander von
Humboldt, Leopold von Buch, Oersted, Berzelius, Humphry Davy, Faraday,
Arago, Johannes Müller, Liebig, Elie de Beaumont, G. I. Mulder,
Ehrenberg en duizend andere even bekwame natuuronderzoekers, indien
deze niet getracht hadden in het ware boek der openbaringen te lezen.
De ontdekking van de ware beweging der planeten, der wetten van Kepler,
van de drukking der dampkringslucht door Torricelli,--de ontdekking
der undulatie-theorie van het licht, der waarschijnlijkheidsrekening,
van de wet der zwaartekracht, welke de beweging der hemelligchamen
aan vaste berekening onderwerpt,--de ontdekking der wet van Mariotte:
dat de digtheid der lucht evenredig is aan het gewigt, dat er op
drukt, of aan de zamenpersende kracht,--de ontdekking der elektrieke
hoedanigheid des bliksems, der isothermische lijnen, van het bestaande
verband tusschen alle verschijnselen in de natuur, van de indentiteit
der electrieke en magnetische kracht, welke den weg heeft gebaand
tot het uitvinden der electrieke telegraphen,--de ontdekking der
nieuwe classificatie en nomenclatuur der scheikundige verbindingen,
der metalen van de alkalien en aardsoorten, van het electrieke licht,
van de wijze om electrieke werkingen uit den magneet te voorschijn
te brengen, van het diamagnetismus, van het rotatie-magnetismus,
der polarisatie van het licht,--de ontdekking der theorie van de
opheffing der gebergten en van de betrekkelijke verheffingstijdperken,
van de gemeenschappelijke basis (van het proteïne) der eiwitachtige
ligchamen,--de ontdekking der galvanoplastiek door Jacobi, even zeer
als de ontleding van het witte licht in zijne kleuren, de berekening
der loopbaan van kometen, de uitvinding der spiegelsextanten, of de
leer over de gisting en over de metamorphosen in de bewerktuigde natuur
in het algemeen,----al deze en andere gewigtige ontdekkingen moet gij
dan (naar de grondregelen van uw geloof) beschouwen als waarheden,
die God aan de opgenoemde mannen heeft geopenbaard,--even goed als gij
aanneemt, dat God de zedelijke wet: "gij zult uwen naaste liefhebben,"
aan Jezus van Nazareth--of dergelijke wetten reeds vroeger aan Mozes
openbaarde, welke laatstgenoemde onder anderen de ontdekking maakte,
dat het onregtvaardig is te stelen en te dooden.
Dan moet gij insgelijks de werken, waarin de vroeger genoemde
ontdekkingen zijn ter neder gesteld, bij voorbeeld, de Libri VI
de orbium coelestium revolutionibus, Linnaeus Systeem der drie
natuurrijken, Blumenbach's werk de generis humani varietate nativa,
het Lehrbuch der Chemie van Berzelius, Humboldt's Kosmos, de Mécanique
céleste van Laplace, Newton's philosophiae naturalis principia
mathematica en duizend andere voortreffelijke geschriften even zeer
als "Gods woord" beschouwen, als uw oud en nieuw testament--en dan
behoort gij tevens aan genoemde mannen gelijke eer te bewijzen als
aan gene oud-Joodsche schrijvers der christelijk godsdienstige boeken
en behoort hen "apostelen, door God bezielde en verlichte profeten"
te noemen.--Er behoeft, waarlijk, geen engel uit den hemel te komen
om ons te leeren, dat een goede God in de schepping leeft, en dat
wij menschen deugdzaam behooren te zijn en onze medemenschen moeten
liefhebben om gelukkig te kunnen leven,--die wet staat diep in ons
gemoed gegriffeld; ja, dat deze en dergelijke waarheden zoo vroeg
werden erkend, strekt juist ten bewijze, dat zij zeer natuurlijk,
zuiver menschelijk zijn. God zal zich aan ieder openbaren, die het
vooroordeel aflegt, die zijn ontvankelijken geest naar de natuur wendt
en met ijver er naar streeft de eeuwige schriftteekenen der schepping
te ontcijferen.--Aan die dwazen echter, die hun gezond verstand aan het
blind geloof ten offer hebben gebragt, zal God zich nimmer openbaren.
Maar daar hoor ik eenigen van u zeggen: "God heeft zich niet aan een
mensch geopenbaard, volstrekt niet; hij heeft zijn zoon gezonden om
ons zijn woord, dat in den bijbel is vervat, te verkondigen en Jezus
Christus was geen mensch, neen, God!--Want de menschen waren slecht en
zondig geworden en hadden zich strafschuldig gemaakt; maar God erbarmde
zich over hen en teelde derhalve (4 of 6000 jaar na de schepping van
den mensch) een zoon, dien hij op de aarde zond. Door de kracht des
Heiligen Geestes verwekte hij hem in de onbevlekte maagd Maria. Hij
redde het menschelijk geslacht van zijn ondergang, want door zijn
onschuldig lijden en sterven droeg hij de straf weg, die de menschen
hadden moeten lijden. Hij bragt zich ten offer aan God en God was nu
verzoend en schonk den mensch genade en vergeving van zonde."
Daarop antwoord ik u: 1o. Hoe kan dat gebeuren? God is eenig en
ondeelbaar, hoe kan hij een zoon hebben?--2o. God is alwetend; hoe was
het mogelijk, dat de menschen zondig werden en hij zulks niet vooraf
zag?--3o. God is almagtig en alwijs; hoe kon het geschieden, dat hij
de zonde toeliet en den mensch niet reeds van den aanvang af zoodanig
inrigtte, dat de zonde werd verhoed?--4o. God is regtvaardig; maar hoe
kan hij gezegd worden regtvaardig te zijn, indien hij al de millioenen
van menschen, die reeds vier of zes honderd eeuwen vroeger op aarde
geleefd hadden, uitsloot van de weldaden, die hij nu vóór 1854 jaren
den mensch door zijn zoon liet aanbieden?--5o. God is eeuwig dezelfde,
onveranderlijk getrouw en waarachtig; maar hoe kan dat mogelijk zijn,
indien hij 1854 jaren vóór heden andere maatregelen nam dan die,
welke hij gedurende duizenden van jaren te voren had genomen? indien
hij naar geheel verschillende plannen dan vroeger en geheel en al in
strijd met de wetten der natuur handelde, die hij zelf in het wezen
had geroepen?--6o. Welk regt meent gij dan toch wel te hebben om te
gelooven, dat Jezus van Nazareth een God was? Is zulks welligt op
grond hiervan, dat onder het Joodsche volk eene overlevering bestond,
dat vóór zoo of zoo veel jaren de leerlingen van Jezus het zoo verhaald
hadden en dewijl deze overlevering later te boek gesteld en nog later
"Nieuw Testament" genoemd werd? Worden dan in nog oudere schriftelijke
gedenkstukken der Hebreërs, zoo mede in die van vele andere volken niet
nog wonderbaarlijker verhalen gevonden. Moet dan alles worden geloofd,
hetgeen menschen hebben uitgedacht, al was het dan ook, dat zij door
vromen ijver waren bezield?--7o. Dewijl God almagtig en alwijs is:
hoe laat het zich dan verklaren, dat de buitengewone maatregelen,
die hij (naar uwe bewering) vóór 1854 jaren heeft genomen, zoo weinig
hebben geholpen, ja, het doel (waartoe zij, naar uw vermeenen, moesten
leiden) geheel en al hebben gemist? Of zoudt gij durven beweren,
dat de menschen gedurende de 18 1/2 eeuwen, die sedert dien tijd zijn
verloopen, gelukkiger waren dan vóór dien tijd? of dat zij tegenwoordig
minder zondigen dan destijds?--8o. Indien gij welligt mogt zeggen: "ja,
zij zondigen nog evenzeer als destijds, maar God is door het gebragte
offer verzoend en wij kunnen nu zalig worden," dan vraag ik u: hoe is
het toch mogelijk, dat gij u zulk een onheilig begrip kunt vormen van
den Eeuwige, den Onvergankelijke, om te gelooven, dat hij in staat
zij een bloedig offer aan te nemen, dat een aangeboden zoenoffer hem
kon bevredigen of omkoopen?--9o. Naar uwe leer heeft God de zoon het
bloedige offer,--namelijk, zich zelven--aan God den Vader aangeboden;
God de Vader heeft dit (--menschen- of goden-?--) offer aangenomen
en het zondig menschelijk geslacht is nu gered! En dewijl nu God
de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest slechts een God zijn
(naar uw geloof), heeft God zich zelven--aan zich zelven--om onzent
wille (die hij met zijnen alvoorzienenden, alwetenden en almagtigen
wil schiep) ten zoenoffer gegeven!--Ik vraag het u: Wat is dat?
Deze vraag heb ik mijn gezond verstand gedaan en daarop een antwoord
gekregen, dat uit vijf letters bestaat, met eene o begint en eene
n eindigt. Ik zou echter zeer onbescheiden handelen, indien ik
dit antwoord alhier ter nederschreef, want ik zou daardoor als het
ware te verstaan geven van oordeel te zijn, dat zij, die dit lezen,
geen gezond verstand bezitten! Dit zij verre van mij. Ik houd mij in
tegendeel overtuigd, dat ieder, die dit leest, gezond verstand bezit,
hetwelk zoodanig op het mijne gelijkt, als het linker- op het regteroog
of de hersenen van den eenen mensch op die van den anderen. Ik wend
mij derhalve aan al die lezers, die deze vraag beantwoord wenschen te
zien, met het vriendelijk verzoek, haar aan hun eigen gezond verstand
te doen en ik houd mij overtuigd, dat van honderd lezers honderd een
antwoord zullen ontvangen, dat, eensluidend met het mijne, uit niet
meer en niet minder dan vijf letters bestaat, met eene o begint en met
eene n eindigt. Slechts in het geval dat er onder de honderd lezers
eenigen mogten gevonden worden, die hun gezond verstand geheel en al
ten offer hebben gebragt aan het blinde geloof, zou het mogelijk kunnen
zijn, dat het antwoord op de vraag verkregen bij hen uit drie letters
bestond, beginnende met eene z en eindigende met eene n. Ik neem de
vrijheid deze heeren met betamelijke bescheidenheid onder de aandacht
te brengen, dat de grootste schat, welken de Eeuwige den mensch heeft
geschonken, die hem boven alles dierbaar moet zijn, zijne redelijke
ziel, zijn gezond verstand is, dewijl hij alles, waardoor hij zich
boven het dier verheft, met inbegrip van zijn heilig geloof aan God,
uitsluitend aan zijn verstand te danken heeft.
Tot zulke tegenstrijdigheden komt gij door aan te nemen, dat eene
menschwording Gods of eene regtstreeksche goddelijke openbaring in
den mensch tot de mogelijkheden behoort. Het is de EENIGE bron van
alle dwaling en bijgeloof, welke de Christelijke godsdienst aankleeft,
zoo mede van de vreesselijke misbruiken, die, in den loop der laatste
achttien honderd jaren, met wereldsche bedoelingen, zijn gemaakt van
de behoefte der menschen aan godsdienst. Niemand toch zou zich hebben
durven schuldig maken aan dergelijke misbruiken, indien hij zich niet
op de woorden des bijbels (die buitendien voor zeer verschillende
uitlegging vatbaar zijn), als op Gods woord, had kunnen beroepen;
nimmer zou hij echter den bijbel voor Gods woord hebben kunnen
uitgeven, indien hij niet het geloof aan de menschwording Gods of de
regtstreeksche goddelijke openbaring in den mensch als eene vaste en
algemeen erkende waarheid op den voorgrond had kunnen stellen.--Bewijst
hem nu, dat God zich op geene andere wijze aan den mensch openbaart
dan door zijne schepping, dan moet noodzakelijkerwijze, met het vroeger
genoemde bijgeloof, tevens al het misbruik verdwijnen en de bijbel van
dien oogenblik af ophouden meer te zijn dan het gebrekkige werk van
menschen, die voor dwalingen bloot staan. (In het voorafgaande ligt
echter niet de strekking om te beweren, dat niet zeer veel schoons,
goeds en voortreffelijks in den bijbel wordt gevonden.)--Blijft gij
echter vasthouden aan het bijgeloof, dan kunt gij, met den bijbel in
de hand, alles bewijzen, dat gij wilt;--dan staat de aarde stil;--de
dooden herrijzen;--goede en booze engelen zweven in het rond;--al,
dat wonderbaar en in strijd is met de natuur, wordt mogelijk;--gij
behoeft den bijbel slechts open te slaan om iets te vinden, dat voor
uw doel past,--om dezen als ketter te vervloeken of aan gindsch boek
een steen te binden en het, aldus bezwaard, in het diepste der wateren
te laten zinken; ja, kon het nog twee duizend jaren op denzelfden voet
voortgaan, zoo als thans het geval is, dan zoudt gij de woorden des
bijbels zoo lang ginds en herwaarts draaijen, verzetten, verklaren en
uitleggen, totdat--uwe Christelijke kerk in zoo vele sekten verdeeld is
als er menschen op aarde wonen of als er woorden in den bijbel staan!
Dewijl er slechts eene waarheid zijn kan, vertoont uwe Christelijke
kerk, met hare honderden van verschillende sekten, wier aantal nog
dagelijks toeneemt, reeds naar het uitwendige--wanneer wij haar
uitsluitend van een praktisch standpunt, als geschiedkundig feit
beschouwen, gelijk zij daar staat,--het bewijs, dat zij niet in de
waarheid is.--Ga ik die kerk binnen: welk eene duffe lucht komt mij
te gemoet! alles is vermolmd en ondermijnd; de grondslagen zijn
weggebroken en de muren rusten op dunne planken, welke over deze
gaten zijn gelegd,--de planken zelven zijn echter ook reeds sedert
langen tijd vermolmd en het gansche gebouw moet onfeilbaar vroeger
of later instorten!
De waarheid kan onmogelijk in tweeën worden verdeeld of anders worden
uitgelegd, dan zij werkelijk is. Zij is één en ondeelbaar en vertoont
zich gelijk zij is: als waar. De NATUURLIJKE GODSDIENST EN ZEDELEER
VAN DEN REGTZINNIG GELOOVIGEN MENSCH kan nooit meer dan eene kerk,
eene sekte vormen, en de zuilen des tempels, welken zij zal stichten,
zijn op een hechten grond gebouwd: de gansche schepping is haar
grondslag. Het binnenste dezes tempels is voor niemand gesloten,
het altaarblad verbergt geene mysteriën. Uit de met groene bloesems
gesierde natuur waaijen eeuwiglijk welriekende geuren den tempel
binnen, en zoo lang het vriendelijke licht van zon, maan en sterren
niet verbleekt, zal ook de waarheid in deze kerk niet ophouden te
schijnen.
Gij echter, die aan openbaringen gelooft, gij bevindt u in een doolhof
met oneindig lange gangen, die zich in allerlei bogten uitstrekken
en elkander in de verschillendste rigtingen doorkruisen. Deze gangen
splitsen zich tot in het oneindige in nevengangen, en gij treedt ze
binnen en doorloopt ze dagen lang, nachten lang;--gij dwaalt er in
rond, zonder een uitweg te vinden, gij hebt geen kompas, waarnaar
gij uwe schreden kunt rigten;--hoe verder gij op deze bogtige paden
voortgaat, des te donkerder wordt het rondom u,--geen schijnsel van
verlichting dringt daarin door,--slechts dwaallichten flikkeren hier
en daar voor u op;--in plaats van opbeurenden troost maakt angst zich
meester van uwe ziel,--maar gij volgt het bedriegelijke spoor der
dwaallichten, gij begeeft u immer verder en--ten laatste staat gij aan
den rand eens afgronds, die zich voor uwe voeten opent--onpeilbaar
diep en somber;--uwe verhitte verbeeldingskracht ziet allerlei
bedriegelijke gestalten, die in den afgrond rondwaren, ja, op den
achtergrond ontwaart gij den rossen gloed van hel en vagevuur.
Een letterlijk geloof aan de woorden des bijbels dwingt u niet alleen
aan te nemen, dat er vroeger wonderen zijn geschied, maar dat er in
de toekomst wonderen zullen plaats hebben, zoo als de ligchamelijke
opstanding der dooden.
Volgens de natuurwet zijn alle bewerktuigde ligchamen onderhevig aan
eene voortdurende verandering, en ondergaat de materie, waaruit zij
bestaan, eene onophoudelijke omzetting.--De ligchamelijke stoffen,
welke door de levenskracht in drie- en viervoudige verbindingen worden
zaâmgehouden, scheiden zich na den dood des ligchaams spoedig vanéén,
de zuurstof der lucht oefent hare werking uit en andere, eenvoudiger
verbindingen worden gevormd. Het ligchaam gaat tot verrotting
over, er ontstaan luchtvormige, druipbaar-vloeibare en aardachtige
stoffen. Eenige dezer stoffen blijven voorloopig ter plaatse waar
het lijk verrot; zij bemesten den bodem, groeijen op als gras en
moeskruiden en worden door mensch en dier gegeten; anderen geraken
verstrooid, worden door water weggespoeld en kunnen door winden en
waterstroomingen in alle deelen der aarde, en van de noord- tot aan
de zuidpool geraken!--Eenige stofdeelen of moleculen van menschen,
die voor duizend jaren in Friesland zijn begraven geworden, vielen
welligt met den regen in lateren tijd in de Chinesche zee uit de lucht
neder; anderen kwamen door stroomingen of met schepen aan de kusten
van Amerika of naar Engeland;--zij werden door visschen opgeslokt, deze
visschen zwommen verder,--werden door Chinezen of Nieuw-Zeelanders of
door Franschen en Engelschen gevangen, opgegeten en kwamen op die wijze
in menschelijke ligchamen;--deze menschen stierven; gras wies op hunne
grafplaats; dieren aten dit gras, gaven melk en kaas;--menschen aten
deze kaas of het vleesch der dieren en stierven;--nieuw gras groeide
op, nieuwe dieren aten het gras en strekten aan andere menschen tot
spijs; deze stierven en andermaal groeide er gras of er verhieven
zich wouden boven de overblijfselen dezer dieren en menschen.--Het
hout dezer wouden werd deels tot den scheepsbouw gebezigd en eenige
der daaruit getimmerde schepen beploegden de zeeën van de zuidelijke
helft des aardbols; zij strandden op de koraalriffen van het eiland
Malicolo en leverden de stof, waaruit met pijl en boog gewapende
Polynesiërs ontstonden;--anderen voerden Sir John Franklin naar de
IJszee, waar hij met man en muis verging; deze schepen waren, even goed
als de anderen, ruim geproviandeerd met Hollandsche boter en kaas,
waarvan de officieren en het overige scheepsvolk hadden gegeten,
die nu door ijsbeeren en visschen, zoo als deze laatsten weder door
zeehonden verslonden werden, die op hunne beurt aan Eskimo's tot
voedsel strekten;--een ander gedeelte van het hout werd verbrand,
de asch werd gebezigd om den grond te bemesten, waarop weldra weder
nieuw gras en groentesoorten wiessen, die de stof hielpen leveren
tot verschillende na elkander opgroeijende geslachten van menschen
en dieren.
Het is derhalve zeer wel mogelijk, dat eenige stofdeelen (of
der grondbestanddeelen of van hunne verbindingen d. i. atomen
of moleculen) van de menschelijke ligchamen, welke vóór duizend
jaren in Friesland zijn begraven, thans zich bevinden in Engeland
en behooren tot het ligchaam van een lid van het Parlement, die
lord Aberdeen interpelleert over het Turksche vraagstuk,--anderen
aan de kusten der Hudsonsstraat of van de Baffinsbaai ronddwalen
in de gedaante van Eskimo's, die zich aan robbenvet vergasten, of
thans rollen in de aderen van een Papoea op Nieuw-Guinea;--het is
mogelijk, dat anderen tot een mandarijn zijn geworden, die thans voor
Peking het zwaard in de hand houdt om de regten van zijnen keizer
te verdedigen;--anderen hebben welligt gedurende eenige geslachten
een stam van Noord-Amerikaansche wilden helpen vormen en zijn thans
in Californië, alwaar deze wilden zijn begraven geworden, tot hooge
boomen opgegroeid--en het kan wel waar zijn, dat nog andere moleculen
der stoffen, waaruit voor duizend jaren de oude Friezen bestonden,
zich thans bevinden in de tweede kamer der Staten-Generaal te 's Hage,
in het hoofd van een der volksvertegenwoordigers, die oppositie voert
tegen het ministerie,--of dat eenige dezer deelen, nadat zij reeds
door vele tientallen van andere menschelijke ligchamen zijn gegaan,
en achtereenvolgens aan eenige schoenmakers, kleêrmakers, doodgravers,
schouwspelers of dominé's hebben behoord,--nu kortelings weder door de
koeijen in de weide zijn opgegeten en op dezen oogenblik in den vorm
van boter en kaas of een rundergebraad op een van uwe tafels staan,
die morgen (wanneer gij die spijzen genuttigd hebt) in uwe aderen
rollen, overmorgen echter reeds wederom op een andere plaats zich
zullen bevinden.
Gesteld, dat nu heden de "Jongste dag" ware aangebroken en de voor
duizend jaren begraven oude Friezen wederom moesten opstaan uit hunne
graven, welk een onbeschrijfelijk schouwspel van opstanding zou zich
dan aan uwe blikken voordoen!--Hoe zouden de ligchamelijke deelen (de
stoffen waaruit de Friezen vóór duizend jaar bestonden), die thans
allerwege op de aardoppervlakte verspreid zijn, zich moeten haasten
om--uit den arm van den mandarijn in China, uit Engeland, Malicolo,
van de kusten der Baffinsbaai, uit Nieuw-Guinea, Californië, uit de
tweede kamer der Staten-Generaal te 's Hage, uit de kaas of uit het
rundergebraad, die nog op uwe tafel staan, en uit duizend andere
ligchamen, uit gras, boomen, koeijen in de weide, visschen in het
water, menschen in de stad en op het platte land,--hoe zouden zij zich
haasten om zoo snel mogelijk naar Friesland te komen, hoe zouden zij
van verre en van nabij door de lucht vliegen, om nog te regter tijd
aan het oude graf te kunnen zijn!--Eenigen moeten slechts 5, anderen
30 en er zijn er die 3000 mijlen moeten afleggen,--maar alle deelen
en atomen (waterstof-, zuurstof-, stikstof-, phosphorus-, kalkaarde-,
ijzer- en andere atomen) allen reizen even snel,--geen atome kan
zelfs één enkel oogenblik op het andere wachten,--de kalkaarde
toch heeft den phosphorus noodig en de phosphorus verlangt naar de
zuurstof.--Atomen, haast u! haast u!--maakt onderweg geene kennis met
elkander, wanneer gij daar dooreen snort in de lucht,--verloochent
voor heden uwe verwantschap,--in Friesland! is uw rendez-vous,--daar
moogt gij u verbinden, maar houdt u nu niet op, elke seconde is
kostbaar,--draagt zorg, dat gij aan het graf komt!--Hoort gij het luide
"geschal der bazuin?"--spoedt u voort!--"de dag van het wereldgerigt
is aangebroken! de ure der opstanding heeft geslagen!"--Ziet hoe zij
ijlen, hoe zij vliegen, hoort hoe zij snorren!--zij komen!--daar zijn
zij!--Ja, het goddelijke magtwoord heeft uitgewerkt, dat zij allen,
allen te regter tijd aan het graf zijn bijéén gekomen, opdat--de
doode zou kunnen opstaan.
Goed. De doode rijst op. Daar staat de Fries!
Hoe zonderbaar dit alles ook moge toeschijnen, het is echter denkbaar
en zou derhalve mogelijk zijn voor de goddelijke almagt.--Maar wacht
eens! halt!--Wat moet er gebeuren met het lid van het parlement,
die lord Aberdeen interpelleerde? Wat moet er worden van den braven
John Franklin en van de Eskimo's,--van den ongelukkigen Lapeyrouse
en van zijne matrozen,--van de Papoea's, van den mandarijn in
China, van de Noord-Amerikaansche wilden, van het oppositie lid der
Staten-Generaal te 's Gravenhage,--van de schoenmakers, kleêrmakers,
professoren, doodgravers, schouwspelers, en bovenal wat moet er van
de dominé's worden? die zullen toch ook gaarne willen herrijzen en
hebben even billijke aanspraken op de goddelijke geregtigheid!--Hoe
moet daarmede nu gehandeld worden?--De ligchamelijke stof, waaruit
zij--ten deele--bestonden, is immers naar Friesland teruggekeerd,
en aldaar gebezigd geworden tot eene hernieuwde daarstelling van de
ligchamen der oude Friezen!--voor de menschen, die later uit deze
stof zijn gevormd geworden, is toch niets meer overig gebleven of
er ontbreekt althans iets aan!--deze hebben een arm, genen een been
te weinig, aan den één ontbreken 95 atomen stikstof, bij den anderen
1000 atomen waterstof, en aan het oppositie lid der Staten-Generaal te
's Hage ontbreekt welligt het gansche hoofd!--Zonder hoofd kan men
toch niet uit den dood opstaan!--Neen, dat gaat niet.
Dezelfde stof heeft toch achtereenvolgens, op verschillende tijden,
zeer vele ligchamen van menschen gevormd,--de materie loopt immers in
een eeuwigdurenden kring en gaat onophoudelijk van het onbewerktuigde
rijk in het bewerktuigde, in planten, dieren en menschen over en
keert uit deze weder in het onbewerktuigde rijk terug!--De stof neemt
nimmer toe, noch af, maar ondergaat eene voortdurende omzetting en
een en hetzelfde atome zal tot aan den "jongsten dag" welligt tot een
millioenen ligchamen of meer hebben behoord, welke het achtereenvolgens
hielp daarstellen! - - - Gemakkelijk laat het zich bevroeden, dat het
zelfs voor de goddelijke almagt volstrekt onmogelijk zou zijn, dat
millioen menschen in eens in hunne vroegere ligchamelijke gestalte te
voorschijn te doen komen, dewijl toch hetzelfde atome slechts aan een
hunner te gelijker tijd kan toebehooren en, zoo lang het aan dezen
eenen behoort, natuurlijkerwijze aan de overige 999999 ontbreken
moet!--Maar wat meer zegt, zelfs gedurende het leven bestaat het
bewerktuigde ligchaam geen twee dagen lang uit dezelfde stof, dewijl
het onophoudelijk nieuwe stofdeelen opneemt en de ouden uitwerpt.--De
gansche schepping van dieren en menschen, welke uit vele millioenen
van individuen kan bestaan hebben, en vóór 3000 jaren op de aarde
leefde,--vervolgens stierf en begraven werd, zij ligt thans niet meer
in de aarde, maar is reeds sedert lang opgestaan!--Dezelfde stof,
waaruit zij bestond, bevindt zich in dezen oogenblik misschien in
ons,--in de thans levende schepping van dieren en menschen,--nadat
zij intusschen gedurende de verloopene 3000 jaren door talrijke andere
levende geslachten is gegaan.
"Het ligchaam zal tot stof wederkeeren, waaruit het genomen is;"
dat wil zeggen, de stof is, wel is waar, onvergankelijk,--maar
veranderlijk van gedaante; zij is onophoudelijk in beweging en de
stoffen scheiden zich vaneen of gaan nieuwe verbindingen aan zonder
ophouden. De geestelijke kracht, de ziel alleen, is onveranderlijk
en eeuwig. Wij behooren derhalve de ligchamelijke opstanding der
dooden als een schadelijk bijgeloof te verwerpen en slechts aan
een wonder te gelooven, dat is, aan HEM, dien wij aanbidden en niet
begrijpen, van wiens aanwezen echter wij zelven, zoo mede de gansche
schepping en de eeuwige onveranderlijke wetten, die haar beheerschen,
de getuigen zijn. Want God is eeuwig dezelfde, onveranderlijk getrouw
en waarachtig.
24.
God is voortdurend werkzaam: wij moeten arbeidzaam en vlijtig zijn.
In de natuur blijft niets, zelfs niet gedurende een enkelen oogenblik
onveranderd, staat niets gedurende een enkelen oogenblik stil; de
tijd gaat onophoudelijk voort.--Laat ons een nuttig gebruik maken
van de handbreedte tijds, welke de maat is van onzen levensduur en
verslapen wij dien niet. Wij moeten vlijtig zijn en, indien wij ons
doel willen bereiken, volhardend in vlijt.
Wij zullen het genot der rust eerst dan leeren schatten, wanneer wij
vermoeid zijn van den arbeid. Wij moeten arbeiden, elk in zijn vak,
totdat wij vermoeid zijn. Wij moeten nimmer ledig gaan, indien wij
niet vermoeid zijn.
God heeft ons geschapen, opdat wij op hem zouden gelijken en
leven. Indien wij langer slapen dan noodig is, indien wij zonder
vermoeid te zijn, ons op de rustbank nederleggen, dan handelen wij
ondankbaar jegens de weldadige bedoeling van God, wij verkorten
ons leven en leven dan slechts half. Lediggang is zonde. Wij moeten
vlijtig en arbeidzaam zijn, want God is voortdurend werkzaam.
25.
Wanneer wij bij het nadenken over het geschapene en zijn oorsprong
aan de grens zijn genaderd, alwaar ons begripsvermogen ophoudt, dan
verrijst de hoop voor onze blikken.--Uit de beschouwing der natuur en
van ons zelven zijn wij tot de erkentenis gekomen, dat een eeuwige,
verstandige geest in deze schepping leeft. Zijn wezen, zoo mede
onze bestemming en toekomst kunnen wij niet doorgronden. Maar uit de
verschijnselen en wetten der natuur hebben wij de hoedanigheden Gods
afgeleid, en hierin de voorschriften onzer godsdienst en zedeleer
gevonden.--Dit zijn de hemelsche sterren, die het aardsche leven
vriendelijk beschijnen. Bij deze helderblinkende sterren voegde
de Onvergankelijke nog eene zachte maan en hij gebood, dat haar
weldadig licht nimmer zou worden uitgedoofd in het gemoed van den
deugdzamen mensch: hoop is haar naam.--Nergens kunnen wij waarheid,
nergens duurzame bevrediging des harten vinden, dan in de beoefening
der natuur,--in de beschouwing harer ligchamen, harer stille, eeuwig
zich gelijk blijvende krachten; want hierin zien wij de sporen van den
Onvergankelijke, die zich weder in onze eigene ziel afspiegelen.--Wij
moeten het verhevene, het groote, dat zich in de natuur openbaart,
niet bespotten. God moet ons heilig zijn.--God is wijs, goed,
regtvaardig, onveranderlijk getrouw en werkzaam. Wij moeten er naar
streven dit insgelijks te zijn. Dit geloof moeten wij gedurende ons
gansche leven geen oogenblik laten varen; wij zullen er vertrouwen op
ons zelven uit putten en het zal ons sterken in de wederwaardigheden
onzes levens, ja, het zal ons troosten, wanneer wij twijfelen of aan
iets onbegrijpelijks komen.
Het schip, waarmede wij den oceaan des levens beploegen, die zoo vol
landen, klippen en eilanden is, moet dit geloof zijn;--liefde moet de
kracht wezen, die onze zeilen doet zwellen; wijsheid behoort aan het
stuurrad te staan en--ons plegtanker, dat vóór aan den boeg hangt,
't welk men steeds gereed moet hebben om het elken oogenblik in de
oneindige zee te kunnen uitwerpen, dat den deugdzamen nimmer verlaat,
dit moet zijn--de hoop.