"Wat ieder mensch moet gelooven, behoort ook voor ieder mensch
begrijpelijk te zijn."
"Van elke leerstelling moet, door mondelinge voordragt of in
geschrifte nader ontwikkeld, het bewijs harer waarheid uit de natuur
en de geschiedenis geleverd en zij door voorbeelden aanschouwelijk
gemaakt worden."
"Im Anfang war das Wort.
Ich kann das Wort so hoch unmöglich schätzen,
Ich muss es anders übersetzen.
"Im Anfang war die That."
(Göthe.)
1.
De levende mensch is aan de aarde verbonden door de zwaartekracht. Door
de longen, waarmede hij adem haalt, is zijn aanzijn verbonden aan
de atmospherische lucht. Zijn spijsverteeringstoestel maakt hem
afhankelijk van de gansche overige natuur. Hij bestaat en leeft slechts
door omzetting van reeds aanwezige organische stoffen in het planten-
en dierenrijk, die onophoudelijk in zijn ligchaam opgenomen en er
weder uit verwijderd worden.--Van zijn aanwezen verkrijgt hij het
bewustzijn door middel van zijne vijf zintuigen, door het vermogen,
't welk hij bezit, om te zien, te hooren, te ruiken, te smaken en
te gevoelen. Door middel van deze vijf zinnen staat zijn innerlijk
geestelijk wezen in verband met de hem omringende schepping. Berooft
den mensch van het zintuig des gezigts, en voor hem heeft het licht
opgehouden te zijn, ontneem hem het gehoor en het geluid bestaat voor
hem niet meer. De mensch is slechts een gedeelte van een groot geheel,
de schakel van eene oneindige keten van oorzaken en werkingen en als
een alleen staand wezen niet denkbaar.
2.
Onze vijf zinnen staan in verhouding tot ons binnenste als vijf
draden, die in eenen draad uitloopen, aan eenen inwendigen knoop
zijn vastgehecht. Naar dezen knoop wordt de indruk, dien wij door de
zintuigen van de buitenwereld ontvangen, als in een brandpunt van
vereenigde lichtstralen geleid en komt aldaar tot voorstelling,
tot begrip. Indien de voorstellingen lang aanhouden of dikwerf
worden herhaald, dan laten zij een blijvend beeld na: wij hebben
geheugen. Verscheidene of vele begrippen leveren de stof tot de
gedachten: wij hebben denkvermogen. Onze gedachten deelen wij aan
andere menschen mede door middel van gearticuleerde geluiden, klanken:
wij hebben spraakvermogen en ten dienste van de klanken hebben wij
teekenen uitgevonden, om die in geschrifte tot volgende tijden over te
brengen.--Op gelijke wijze als de verschijnselen in de buitenwereld
komt datgene, hetwelk andere menschen zich voorstellen en denken of
(welligt reeds vóór duizende jaren) zich hebben voorgesteld en gedacht,
op nieuw tot onze voorstelling, namelijk, door middel van ons gehoor
en gezigt, indien het in geschrifte tot op ons is overgekomen of door
overlevering is bewaard gebleven. Wij hebben voorstellingskracht,
begripsvermogen. Wij kunnen denken.
3.
Al hetgeen wij weten, hebben wij aan deze vijf zinnen te danken. Alle
kennis, die wij bezitten, is een gevolg der indrukken, welke de
voorwerpen en verschijnselen in de buitenwereld door middel onzer
vijf zintuigen op ons hebben voortgebragt. Andere eigenschappen der
ligchamen, die zich niet door middel dezer vijf zinnen of door een of
meer derzelven aan ons kenbaar maakten, kunnen wij ons niet voorstellen
en een zesde zin is voor ons geheel ondenkbaar. Al hetgeen wij denken
en weten, komt of is slechts door middel van onze vijf zinnen tot
ons gekomen. Er bestaat geen andere weg langs welken voorstellingen,
denkbeelden in ons binnenste zouden kunnen geraken.
4.
De zintuigen echter zijn lichamelijke organen, die bij alle individuën
niet een gelijken graad van volkomene ontwikkeling bereiken. Buitendien
kan aanhoudende oefening hunne verrigtingen bij eenige menschen in eene
hooge mate scherpen, terwijl daarentegen gebrek aan oefening of ziekte
hunne werkzaamheid bij anderen zeer kan verzwakken of wijzigen. Wij
zijn derhalve menigwerf aan vergissing of dwaling onderhevig en mogen
niets van hetgeen menschen leeren of leerden, onvoorwaardelijk als
waarheid beschouwen, indien wij het niet vooraf getoetst hebben en het,
na gedaan onderzoek, niet is gebleken proefhoudend te zijn.
5.
De mensch kan een of meer zintuigen ontberen, zoo als dit b. v. bij de
doofstommen het geval is, zonder dat daardoor aan het innerlijk leven
eenige hinder wordt toegebragt. Met het ophouden van de werkzaamheid
van al de vijf zintuigen echter houdt tevens de mogelijkheid op
te bestaan eener uiting van eene innerlijke voorstelling, en een
dergelijke toestand kan niet lang blijven voortduren, zonder dat het
ligchamelijk leven wordt uitgebluscht. Wanneer de mensch slaapt, leeft
zijn ligchaam, wel is waar, voort; de longen, het hart, de lever, de
maag, het darmkanaal en alle andere innerlijke werktuigen des ligchaams
houden niet op hunne gewone verrigtingen voort te zetten, maar de vijf
zinnen zijn als het ware schijndood. De slapende hoort en ziet niet,
ruikt niet, smaakt en gevoelt niet;--de vijf draden zijn afgesneden,
de voortplanting der indrukken van buiten naar binnen en omgekeerd
heeft opgehouden. Slechts onze vijf zinnen maken het ons mogelijk
ons in betrekking te stellen met de buitenwereld en doen ons onze
gewaarwordingen uitdrukken door gebaarmaking, door spreken en handelen.
6.
Maar de slapende kan droomen, in den droom denken, ja, zich op de
levendigste en duidelijkste wijze voorstellen datgene, of wel iets
daarmede overeenkomende, hetwelk hij vroeger in wakenden toestand
heeft gedacht of zich voorgesteld. Hieruit volgt, dat de leiddraden
gewoonlijk, wel is waar, den indruk van buiten, den prikkel
overplanten, waardoor de inwendige knoop der gedachten ontvlamt,
maar dat er echter in 's menschen binnenste iets aanwezig moet zijn,
hetwelk ontstoken kan worden en dat, zelfs wanneer de voortplanting
der indrukken van buiten tijdelijk geheel heeft opgehouden te
bestaan, denkbeelden zich in ons binnenste kunnen ontwikkelen. Het
denkvermogen kan geene eigenschap zijn noch der vijf zintuigen, noch
van hunne gemeenschappelijke werking, maar moet tot eene bijzondere,
zelfstandige kracht behooren, die werkzaam wordt, zoodra die prikkel
zijnen invloed er op uitoefent.
7.
Wij hebben het vermogen, in den innerlijken knoop dier vijf draden
vele denkbeelden te gelijk op te vatten, die onderling te verbinden, te
vergelijken. Wanneer wij den regelmatigen terugkeer van verschijnselen
waarnemen, leiden wij de wet, waarnaar zulks plaats grijpt, daaruit af;
wij nemen waar hoedanig het eene verschijnsel afhangt van het andere
en leeren de werking van de oorzaak onderscheiden; wij onderzoeken
den bouw van ons eigen ligchaam en de krachten, welke het leven er
van voortbrengen; wij streven er naar om al hetgeen wij waarnemen,
te begrijpen;--wij bepeinzen dit alles,--lossen de moeijelijkste
vragen op, berekenen en geven honderde jaren vooruit het tijdstip op,
waarop natuurverschijnselen zullen plaats hebben, ja, wij trachten
het wezen te doorgronden van datzelfde innerlijke denkvermogen,
dat ons in staat stelt tot al de opgenoemde overwegingen; wij
hebben het duidelijke bewustzijn van deze kracht, zoo als van ons
gansche aanwezen;--en al zien wij ook, dat deze kracht aan aardsch,
vergankelijk (spoedig wederom tot zijne elementen terugkeerend) stof,
de hersenen, is verbonden, wij bezitten niet te min deze met verstand
begaafde, van zich zelf bewuste kracht en noemen haar geest of ziel.
In den nog ongeboren mensch, in de embryo, in de foetus, sluimert deze
kracht, die zich in het jong geboren kind eerst dan begint te uiten,
wanneer de ligchamelijke organen en zintuigen een hoogeren graad van
ontwikkeling hebben bereikt door de levensaandrift, welke zij aan
de stof mededeelt. Maar niettegenstaande het vermogen om die kracht
te uiten gedurende zeker tijdperk niet bestaat, het aanwezen dier
kracht van den oogenblik af dat aan de voorwaarden, vereischt tot het
doen ontstaan van een nieuw individu, voldaan is, mag evenmin worden
betwijfeld als het geloochend kan worden, dat de slapende, die daar
voor ons ligt, denkvermogen bezit, al is het dat hij gedurende den
slapenden toestand niet het geringste bewijs er van geeft.
Na den dood houdt de zigtbare uiting des geestes weder op. Daaruit
volgt echter niet, dat de geestelijke kracht, welke het stoffelijke
ligchaam zoo lang bezielde, niet meer aanwezig is. Wij kunnen niet
meer waarnemen of en hoedanig deze zich uit, om de eenvoudige reden,
dat wij niets anders kunnen waarnemen, dan hetgeen op onze vijf
zinnen werkt. Een geestelijk wezen, of eene verrigting des geestes
daarentegen, b. v. een zeker denkbeeld, eene gedachte, welke bij
een ander mensch opkomt, valt noch onder het zintuig des gezigts,
des gevoels, noch onder dat van het gehoor, van den smaak en van het
reukzintuig, uithoofde zulks onligchamelijk is.--En al brengen algemeen
in de natuur verbreide chemische en physische krachten, ten gevolge
van hare vereenigde werking, in het dierlijk ligchaam dat aanhoudende
omzettingsproces te weeg, dat wij leven noemen, waarbij ligchamelijke
stoffen in drie- en viervoudige verbindingen worden zaâmgehouden,
waartoe zij zich overigens in de natuur nimmer vereenigen en welke
in het doode ligchaam zeer spoedig weder uitéén gaan, zoo kunnen
echter deze chemische en physische krachten de levenskracht zelve
niet zijn. Zij gehoorzamen immers aan eene nog sterkere kracht,
die ze, tegen hare gewone neiging, dwingt in het organisch ligchaam
bijeen te blijven en vereenigd te werken. Wij gelooven derhalve aan
eene onvergankelijke kracht, die, als een met rede begaafde geest,
als ziel in ons leeft.
8.
Door ons verstand weten wij al het overige tot ons doel te gebruiken,
en het gedierte der wildernis hebben wij aan onze heerschappij
onderworpen.--Wij hebben ons echter niet zelf geschapen; eene
geringe hoeveelheid organische stof, die, van twee verschillende
polen herkomstig, zich vereenigde, werd de aanleidende oorzaak tot
ons ontstaan; langzaam ontwikkelde zich onze groei; wij namen toe in
grootte en sterkte, de geestelijke kracht, die ons bezielt, verkreeg
eene steeds grooter wordende volkomenheid van uitingsvermogen;--maar
weldra zullen wij weder terugzinken in het stof, waaruit wij zijn
voortgekomen, wij zullen vergaan en ons thans levend ligchaam zal in
zoo vele bestanddeelen worden gescheiden, dat na eenige tientallen van
jaren ter naauwernood nog een enkel stofje er van ter plaatse zal zijn
verbleven, waar het zich vroeger bevond; wij zullen in aarde, water
en lucht verspreid worden; andere planten en dieren zullen uit het
stof ontstaan, dat thans de deelen van ons ligchaam uitmaakt en--tot
dit alles zullen wij niet in het geringste hebben bijgedragen! Wij
waren de oorzaak van ons worden niet, wij kunnen ons vergaan niet
eene enkele seconde tegenhouden; wij gevoelen ons geheel afhankelijk
van eene allergeduchtste kracht, die buiten ons is--en toch zijn wij
van ons zelven bewust, eene redelijke ziel leeft en denkt in ons:
er moet derhalve eene nog hoogere redelijke ziel zijn dan de onze,
welke de oorzaak is van ons aanwezen, zoo mede van dat der gansche
schepping. Wij gelooven aan een onzigtbaren, grooten en redelijken
geest in de natuur en noemen dien God.
9.
Al hetgeen in de natuur aanwezig is, staat met elkander in het
innigste harmonische verband. Hoe naauwkeuriger wij de verschijnselen
onderzoeken, des te eenvoudiger worden zij en laten zij zich tot
een steeds geringer wordend tal van krachten terugbrengen, die,
gelijk de electrieke en magnetische kracht, ja, misschien het licht
en de warmte daar onder begrepen, insgelijks weder zamenloopen in
eene eeuwige, alom verbreide kracht.--In het uitspansel draaijen
kleinere om grootere wereldbollen en deze grooteren om nog grooteren,
maar ook deze grootsten kan men zich niet voorstellen als stil of in
rust staande; ook zij moeten zich wederom draaijen om nog grootere
bollen, - - - er moet een allereerst of allerlaatst middelpunt
zijn, waarom alles zich wentelt en zich beweegt.--De opgaande zon
doet dagelijks duizenden van werkingen ontstaan in het luchtruim,
op de oppervlakte der aarde, in het dieren- en plantenrijk, welke
toch allen gezamenlijk slechts kinderen zijn van een eenige oorzaak:
der op de aarde vallende lichtstraal.--Alle planten en dieren zijn
geschapen naar eene gelijkvormige type, naar een plan, dat de gansche
schepping door is gevolgd. Ja, door alle tijdperken der aardvorming,
door alle op elkander gevolgde, onderscheidene formatiën kan men, in de
fossile fauna's, en flora's, aanvangende met het overgangsgebergte en
voortgaande tot aan de hedendaagsche schepping, dezelfde harmonische
wet naspeuren. Een alles omvattend plan van ontwikkeling is zigtbaar
in al de onderscheidene plant- en diervormingen, waarvan de eene uit
de andere is voortgesproten, totdat de mensch, het toppunt van al
het bewerktuigde, in wiens ligchaam al die honderd duizend andere
of vroegere uitgaven van die type tot een meer volkomen geheel
zijn vereenigd, bezield met een vonkje van het goddelijke licht,
op het tooneel trad.--De overeenkomst in geestelijken aanleg van alle
menschen, de overeenstemming, welke wordt opgemerkt in de eigenschappen
huns gemoeds, zij wijzen ons op eene oorzaak. Er bestaat slechts Eene
grondoorzaak van alle dingen, slechts Een ondeelbare God.
10.
Dewijl God de grondoorzaak van al het bestaande is, de maker der
oneindige schepping,--dewijl hij eenig is, kan zonder hem niets
ontstaan, kan zonder hem niets zijn, niets worden. God is almagtig.
11.
Alle dingen in de natuur, die wij met behulp onzer zintuigen waarnemen,
dragen den stempel eener zoo doelmatige innerlijke inrigting,
dat hun voortbestaan verzekerd is gedurende tijdperken, wier duur
onze verbeeldingskracht niet in staat is te bevatten. Reeds bij
het onderzoeken van onzen aardbol en van zijne gebergten kunnen wij
millioenen van jaren terugtreden, zonder ooit de teekenen van steeds
voortgaande ontwikkeling uit het oog verloren te zien gaan en zonder
iets te ontdekken, dat grond geeft om te zeggen: hier staan wij aan
den aanvang der dingen.--In de hemelsche spheren bewegen zich, naar
onveranderlijke op de zwaartekracht berustende wetten, trawanten om
planeten, planeten om zonnen en daar tusschen liggen de loopbanen van
kometen, onder welke er gevonden worden, waarvan een enkele omloop
1500, ja, 3000 jaren vordert. De zonnen bewegen zich op hare beurt
rondom centraalzonnen, welke toch evenmin als de anderen stil staan
kunnen, maar weder om andere hemelligchamen of zwaartepunten moeten
draaijen. Zij staan echter op zulk een verbazenden afstand van onze
aarde, dat zij zich aan ons oog slechts voordoen als kleine lichtende
punten (vaste sterren), die gedurende den loop van een jaar deels
volstrekt niet van plaats veranderen, denzelfden stand ten opzigte
van andere naburige sterren behouden, deels slechts eenige weinige
seconden in den boog voorwaarts gaan. Millioenen van jaren moeten
gevorderd worden, alvorens dergelijke sterren eenen enkelen kring om
hare centraalster kunnen beschrijven; en wie zou durven beweren, dat
zij in het wezen zijn geroepen om hare baan slechts eenmaal en niet
millioenen malen af te leggen?--Waar ons ongewapend oog aan den hemel
niets meer zag dan blaauwe lucht, daar ontdekten wij, met behulp van
telescopen, nog sterren en nevelvlekken en ter plaatste waar ons oog,
met deze telescopen gewapend, niets dan eene ledige ruimte scheen te
zien, ontdekten andere waarnemers met hunne reusachtige telescopen,
nog verder van ons verwijderde nevelvlekken en sterregroepen, welke
zich op zulk een verbazenden afstand van onze aarde bevinden, dat het
licht, hetwelk van de 20 millioen mijlen van ons verwijderde zon toch
binnen den tijd van 8 minuten tot ons komt, honderd duizenden van
jaren noodig heeft om van daar onze aarde te bereiken. Wij zouden,
deze verwijderde hemelligchamen derhalve thans niet kunnen zien,
indien zij niet reeds voor honderd duizenden van jaren aanwezig waren
geweest.--Even grenzenloos als ons de uitgestrektheid der ruimte
aan den hemel toeschijnt, zoo grenzenloos doet zich insgelijks de
verdeelbaarheid van de ruimte vullende stof in kleinere deelen voor,
die wij zoo fijn niet kunnen verdeelen om--zelfs met de sterkste
vergrootingswerktuigen--de kleinste, de oorspronkelijke deeltjes,
de atomen waar te nemen. Indien wij in de schepping noch aanvang,
noch grenzen kunnen ontdekken, geen einde daarvan kunnen bedenken,
moet hij, die de schepping in het aanwezen heeft geroepen, zonder
aanvang, zonder einde--oneindig, eeuwig, onvergankelijk zijn.
12.
Maar een geest, die eenig, almagtig, zonder begin en einde, dat wil
zeggen, eeuwig is, de maker van al dat aanzijn heeft, moet ook alom
tegenwoordig zijn en voor hem kan niets verborgen wezen. God is alom
tegenwoordig en alwetend.
13.
Wanneer wij de wijze gadeslaan, waarop de natuur voor de instandhouding
zorg draagt, zoowel van de afzonderlijke wezens, als van de soorten
(waartoe deze behooren), is de bewondering, welke ons vervult,
niet geringer dan die de harmonie van het geheel ons inboezemde,--de
band, welke alle dingen in de natuur verbindt, het een van het andere
afhankelijk maakt of met duizend andere dingen in betrekking stelt. Wij
weten niet wat meer onze verbazing moet wekken, de eenvoudigheid
der middelen, waardoor de menigvuldigste gevolgen te weeg gebragt
worden, of de doelmatigheid van alle inrigtingen, die wij ontwaren,
en die de voortdurende instandhouding van al het bestaande ten doel
hebben.--Elk orgaan van een levend schepsel, elk afzonderlijk wezen,
elke soort is zoodanig ingerigt en zoowel met de andere organen,
afzonderlijke wezens en soorten, als met alle andere deelen van het
geschapene in verband gebragt, dat het doel, dat is, de instandhouding
der soort door levensgenot van elk afzonderlijk wezen, volkomen
wordt bereikt. Dezelfde doelmatigheid, welke de ontleedkundige en
physioloog bewondert bij de beschouwing van den inwendigen bouw van
het menschelijk en dierlijk ligchaam, zoo mede van de wederkeerig op
elkander invloed uitoefenende verrigtingen der verschillende organen,
diezelfde doelmatigheid vindt de sterrekundige in de hemelsche spheren;
ja, de feiten, welke opgeteld kunnen worden om de wet der doelmatigheid
in de schepping aan te toonen, zijn even talloos als de dingen in de
natuur, even onuitputtelijk als de natuur zelve, want elk plantje,
elk wormpje, elk vogeltje, gelijk de mensch en elk deel, elk orgaan
des menschen levert daartoe de menigvuldigste bewijzen. Ten einde de
waarheid hiervan aan te toonen, zullen wij slechts een paar voorbeelden
aanhalen uit de vele duizenden, die daarvan voorhanden zijn.
In het planetenstelsel bewegen zich de vaste (digte) hemelligchamen,
de planeten, in bijna kringvormige ellipsen en op zoodanige afstanden
van elkander om de zon, en in de ligging harer banen wordt zoo groote
overeenstemming waargenomen (het vlak, waarin zij zich elk afzonderlijk
bewegen, helt niet te zeer naar dat van anderen), dat eene botsing
dier ligchamen onderling niet mogelijk is.--De kometen echter bewegen
zich in zoodanig in de lengte uitgestrekte parabolische ellipsen,
zij doorkruisen het planetenstelsel in zoo vele verschillende, ja,
in alle mogelijke rigtingen, dat zij de planetenbanen doorsnijden
kunnen, of gelijk het geval was met de Bilasche komeet ten opzigte
van den loopbaan der aarde, die zeer nabij kunnen komen. Dewijl nu
het aantal kometen zoo groot is, dat nog voortdurend nieuwen zigtbaar
worden, die men vroeger nimmer had gezien, zoo behoort eene botsing
eener komeet met de aarde of met eene andere planeet niet tot de
onmogelijkheden. Velen zijn van eene buitengewone grootte.--Welk eene
vreesselijke gebeurtenis zou het zijn, indien eene dergelijke botsing
plaats greep! welke de vernieling van een der beide, welligt van
beide hemelligchamen onvermijdelijk ten gevolge zou hebben,--namelijk,
indien de komeet een digt, hard ligchaam ware gelijk onze aarde. Maar
daarvoor is zorg gedragen; want juist deze kometen, welke de ruimte,
besloten tusschen de zon en de banen der om de zon draaijende planeten,
in zoo vele verschillende rigtingen doorsnijden, zoodat eene botsing
met een derzelven plaats hebben kan, zijn de minst gevaarlijken
van alle hemelligchamen! De massa, waaruit zij bestaan, verzwakt en
breekt zelfs niet het licht eener daar achter staande ster, is nog
dunner dan de dunste lucht, zoodat wij ons te midden van den staart
of de kern eener komeet zouden kunnen bevinden, zonder zulks in het
minst te kunnen bespeuren.--Nog duidelijker bewijs voor de wet der
doelmatigheid zien wij in die inrigting van het planetenstelsel, welke
de massa der hemelligchamen in verhouding tot hunne afstanden en den
tijd van omloop zoodanig regelde, dat hare storingen (perturbatien),
dat wil zeggen, de afwijkingen die zij, ten gevolge der wederkeerige
aantrekking, van de ware elliptische loopbaan maken, zich van zelf
weder moeten herstellen. Dit is gebleken uit de onderzoekingen van
Laplace, die de analyse van het oneindige (waarvan Newton en Leibnitz
het eerst de regelen hebben vastgesteld) toepaste op de storingen
der beide planeten, die het grootst van massa zijn, namelijk, Jupiter
en Saturnus. Deze, op zich zelf beschouwd, geringe storingen, nemen
in den loop der eeuwen steeds toe en zouden eindelijk, indien zij,
gelijk Newton geloofde, voortdurend grooter werden, op eene onfeilbare
wijze de vernietiging der genoemde hemelligchamen, ja, van het gansche
planetenstelsel ten gevolge hebben, of wel "de scheppende almagt moest
door buitengewone maatregelen de begane fout verbeteren." Later echter
bleek het uit de analyse, dat de scheppende almagt haar werk van den
aanvang af zoodanig had ingerigt, dat er niets aan veranderd behoefde
te worden en dat die storingen (de veranderingen der groote assen,
derhalve de gemiddelde afstand dier planeten van de zon) niets anders
zijn dan slingeringen binnen bepaalde grenzen, dat echter het totaal
der seculaire veranderingen van de groote assen gelijk nul is, zoodat
het instandblijven dezer hemelligchamen voor eeuwig verzekerd schijnt.
De doelmatigheid, waarmede het dierlijke en menschelijke ligchaam
in al zijne deelen en organen is zamengesteld, wekt onze hoogste
bewondering. B. v. De armslagader (arteria brachialis) splitst zich,
aan de buiging van den elleboog, in twee hoofdtakken: in de spaakbeen-
en ellepijpslagader (a. radialis & ulnaris). Zij ligt zeer oppervlakkig
en kan--ook bij aderlatingen--ligtelijk gekwetst worden. Ver boven
het punt van verdeeling zet zij echter dieper liggende neventakken
af, die zich met terugloopende vertakkingen van de spaakbeen-
en ellepijpslagader vereenigen. Het nut van dergelijk zamenstel
loopt niet terstond in het oog. Heeft er echter eene kwetsing
van den hoofdtak, der brachialslagader, plaats of ontstaat er een
slagadergezwel (aneurysma), waardoor het onderbinden van den hoofdstam
gebiedend wordt gevorderd, ten einde eene doodelijke bloedstorting
te verhoeden, dan komt de bestemming dier zij- of neventakken in het
helderste licht! Want waren zij niet aanwezig, dan zou de gansche
benedenarm verloren zijn en ten gevolge van gemis aan bloedstoevoer
moeten versterven,--nu echter heeft er eene langzame verwijding
dier neventakken plaats, de toevoer van bloed naar de spaakbeen- en
ellepijpslagader geschiedt nu door middel der neventakken, die derhalve
den voormaligen hoofdtak vervangen en de arm kan behouden blijven.
Deze bewonderenswaardige doelmatigheid, die wij in de gansche
schepping, zoowel in het groote geheel als in elk afzonderlijk deel
er van ontwaren, getuigt van een goed geordend, diep doordacht plan;
zij bewijst, dat het verstand van het wezen, hetwelk deze schepping
in het aanzijn riep, den hoogst mogelijken graad van volkomenheid
heeft bereikt, zij bevestigt de Alwijsheid Gods.
14.
Wanneer wij ons eigen ligchaam beschouwen en onzen onderzoekenden blik
in de overige ruimte der schepping werpen, dan ontwaren wij, dat alle
levende wezens zoodanig zijn geformeerd, dat het aanzijn hun genoegen,
geluk verschaft. Wanneer wij spijs en drank nuttigen, waarvan de
instandhouding van het menschelijk leven afhangt, dan genieten wij. Aan
elke andere natuurlijke verrigting onzes ligchaams is het behagelijke
gevoel van genot verbonden. Ziekte kan stoornis te weeg brengen in deze
wet, maar het tal dergenen, dat gezond is, 't welk geniet, is oneindig
grooter dan dat der zieken en lijdenden. Het herstel der gezondheid,
het ophouden der ellende is een nieuw genot. Het kontrast toch, dat
tusschen een smartelijk en een aangenaam gevoel bestaat, verhoogt
het genot van het laatstgenoemde. Om die reden genieten de armen
dikwijls meer dan de rijken, die in overvloed leven.--Wanneer wij,
door inspanning uitgeput en door dorst gekweld, ons door middel van
een koel bad verfrisschen of met een koelen drank laven, dan genieten
wij; wanneer wij, vermoeid zijnde, ons op onze legerstede nederleggen,
dan genieten wij, terwijl wij uitrusten of inslapen. En wanneer wij
gesterkt weder ontwaken en de gansche schepping als op nieuw geschapen
ons tegenlacht, dan genieten wij. Elk dier, ja, zelfs het kleinste
wormpje, naar gelang van zijnen aard en zijne bewerktuiging, verheugt
zich in zijn aanwezen, het geniet. De kikvorsch, die gedurende een
warmen zomeravond in het water kwaakt, geniet; de nachtegaal ondervindt
genot, wanneer hij in de takken van het geboomte zit en zingt, en gij,
die hem hoort, gij luistert met verrukking naar den zilverklank zijner
stem en geniet. De vogel, die zijne jongen voedert, het hondje, dat
zijne kleinen zoogt, geniet en de moeder, die haren jeugdigen lieveling
toelacht en op haren schoot wiegt, ondervindt het zaligste genot.
God schonk den mensch de heerschappij over al het gedierte en gaf aan
zijn ligchaam schoonheid van vormen, waarvan de aanblik insgelijks
genot verschaft. Ter voortplanting der soort koos Hij de scheiding
des geslachts en verbond aan de zinnelijke drift, welker bevrediging
aan het dier slechts eene aangename gewaarwording verschaft, in
den mensch den band der vriendschap en der trouw. Daardoor, schonk
hij aan de stervelingen het edelste genot: de liefde. Wij kunnen
den blaauwen hemel niet aanschouwen, ons oog kan niet weiden over
de groene beemden, over de bergen met hunne watervallen, rotsen en
wouden, zonder te genieten, ja, wij weten niet aan welke der vele
duizende van bloemen, die wij in den tuin, in het woud en op het veld
aantreffen, wij de voorkeur zullen geven, allen vinden wij ze schoon,
het aanschouwen er van geeft ons genot. Veel zeldzamer komt ons
iets onder de oogen, hetwelk wij leelijk vinden of dat ons afschuw
inboezemt. De overgroote meerderheid der dingen in de natuur is in
harmonie met ons schoonheidsgevoel, hetwelk de Schepper zoodanig
heeft ingerigt, dat het beschouwen der natuur ons genot verschaft.
En nog edeler, onbaatzuchtiger in haren aard is de vreugde, welke de
beschaafde mensch zich bereidt, wanneer hij de goddelijke vonk, die
in hem is gelegd, voedsel geeft, wanneer hij zijn verstandsvermogen
aankweekt en oefent;--de dichter verheugt zich, wanneer het hem
mogt gelukken, zulke toonen aan zijne citer te ontlokken, die, het
schoone en ware bezingende, duizende harten roeren;--de sterrekundige
gevoelt, dat de triomf der wetenschap zijn boezem doorgloeit,
wanneer de komeet wordt gezien, welker verschijning vooraf door hem is
aangekondigd of de planeet ontdekt wordt, waarvan hij door berekening
de standplaats aan het hemelgewelf heeft aangewezen;--de geoloog,
die licht verspreidt over de donkerste ruimten der aarde, ja, die
het gansche ontwikkelingsverhaal des aardbols in het binnenste der
gebergten leest,--gelijk mede de scheikundige, die een ligchaam in
zijne bestanddeelen ontbindt, hetwelk vroeger steeds als enkelvoudig
werd beschouwd, of die aantoont, dat twee ligchamen op gelijke wijze
zijn zamengesteld, hoewel zij uiterlijk zeer verschillend van elkander
zijn, zij ondervinden genot, even als de physicus, die de identiteit
der electrieke en magnetische kracht het eerst door proefnemingen
aantoonde, of die de wet ontdekte, welke het hemelgewelf zweven
en draaijen doet, welke planeten aan zonnen, en zonnen aan zonnen
verbindt; - - ja, zelfs den oogenblik zijns verscheidens van deze
aarde maakte de Schepper den mensch gemakkelijk,--want die mensch,
die goed en regtvaardig was, draagt het bewustzijn met zich zijnen
pligt te hebben vervuld en geeft zich op zijn sterfbed vol vertrouwen
over aan den eeuwigen bestuurder der natuur, want van Hem toch alleen
kan het licht, dat zijn aardsch omkleedsel zoo lang bezielde en het
nu dreigt te verlaten, herkomstig wezen,--het ligchamelijk gevoel
wordt bij het sterven meer verstompt, alle smarten verminderen,
maar des te levendiger ontwaakt de zielehoop in zijn binnenste,
en deze hoop wordt hem in zijn stervensuur nog tot genot.
Waarheen wij onze blikken wenden, overal zien wij, dat alle levende
wezens, met den mensch aan het hoofd, bestemd zijn tot genot, zoowel
ligchamelijk als geestelijk genot. God is goed; uit alle deelen der
schepping, boven en beneden ons, van verre en van nabij, straalt ons
de goddelijke liefde te gemoet.
15.
Goed te zijn, zonder tevens regtvaardig te wezen, kan men van een
alwijs, alwetend en alomtegenwoordig wezen onmogelijk aannemen. Wij,
beperkte menschen, kunnen goed zijn jegens dezen, terwijl wij daardoor
tevens eene onregtvaardigheid begaan jegens genen. Schijnt het nu,
dat zoodanig iets menigwerf het geval is of geweest is in het leven
der menschen en in de geschiedenis, wij moeten gelooven, dat zulks met
enkelen of tijdelijk het geval was of ons slechts zoodanig toescheen,
dat zulks echter in het algemeen en op eene uitgebreide schaal niet
zijn kan en dat het ons in enkele gevallen alléén om die reden zoo
toescheen, dewijl wij de wet, waarnaar de ontwikkelingsgeschiedenis
der menschheid zich regelt, nog niet konden doorgronden. In de
schepping echter erlangt het eene door het andere zijne volkomenheid,
en alle deelen van het groote heelal staan wederkeerig tot elkander
in betrekking. Gebeurt het nu, dat een goed, regtschapen mensch,
na zijn leven in kommer en ellende doorgebragt te hebben, van deze
wereld scheidt met het bewustzijn het goede te hebben gewild,
met een onwankelbaar vertrouwen op zich zelven en met het vaste
geloof, dat de geest, welke zijn ligchaam van den aanvang bezielde,
slechts een straal van het eeuwige licht is,--hoe durven wij ons
dan vermeten om te zeggen, dat God eene onregtvaardigheid jegens
dien mensch beging? Hoe kunnen wij weten, waartoe hij uitverkoren
was? Wij zijn slechts schakels eener keten en een ieder van ons heeft
zijne roeping!--En zien wij niet in de meeste gevallen, dat de goede
beloond, de booze gestraft wordt door 's menschen hand? Draagt de
heimelijke booswicht zijne straf niet in zijn boezem met zich? foltert
hem niet de geheimzinnige innerlijke stem, die hij nimmer geheel het
zwijgen kan opleggen, het geweten, dat vroeger of later ontwaakt, ja,
hem menigwerf nog in zijn stervensuur tot bekentenis der gepleegde
misdaden brengt?--Het geloof staat derhalve bij ons onwrikbaar vast:
dat, dewijl de gansche schepping luide Gods algoedheid verkondigt,
God ook regtvaardig is.
16.
Elk voorwerp in de natuur is, hetgeen het schijnt te zijn. [9]
De zon bedriegt ons niet, wanneer zij des morgens opgaat; zij
verspreidt licht en warmte, gelijk zij voormaals deed. De spijs, die
wij nuttigen verkwikt ons, de koele drank laaft ons, gelijk wij zulks
verwachten.--Alle verschijnselen in de natuur keeren regelmatig weder
en de bewegingen der hemelligchamen herhalen zich met nimmer falende
zekerheid. De maan draait zoo regelmatig om de aarde, de aarde om de
zon, dat wij de standplaats dezer drie hemelligchamen, zoo mede van
alle andere planeten en trawanten ten opzigte van elkander, voor elken
dag, ja, voor elken oogenblik van den dag vele jaren vooruit berekenen
en opgeven kunnen. De regelmatige terugkeer van deze en van alle andere
verschijnselen wordt door ons natuurwet geheeten en de ervaring heeft
ons geleerd, dat sedert duizenden van jaren of, beter gezegd, sedert
menschen aanwezig waren om de natuur waar te nemen, geen enkele dezer
wetten ons bedrogen,--dat geen wereldligchaam ooit in het geringste
van zijne baan afweek en geene enkele minuut vroeger of later kwam,
dan de wet eischte. [10] Geen vogeltje verloochende ooit zijnen aard,
geen insektje zijn instinct: elke plant begint ter zelfder tijd uit
te botten en doet elk jaar weder dezelfde bloemen ontluiken, waarmede
zij velden en beemden reeds vóór eeuwen sierde.--De zee rijst bij
het vloedgetijde, zakt bij de ebbe en gehoorzaamt zoo onveranderlijk
getrouw aan de wetten der zwaartekracht (de aantrekkingskracht der
maan), dat voor elke plek des aardbols het uur, waarop dit verschijnsel
zal plaats grijpen, vele jaren vooruit met naauwkeurigheid kan berekend
worden.--Geen ligchaam daalde ooit uit de lucht naar de aarde, dat
ligter was dan de hoeveelheid van deze lucht, welke het verplaatst,
en geen ligchaam, 't welk zwaarder was dan zij, rees ooit opwaarts
in de lucht; nog nimmer bevroor het water bij eenen geringeren graad
van koude dan die van nul graad Réaumur; nimmer verloor de kleiaarde
de eigenschap om zich met zwavelzuur te vereenigen en aluin te vormen;
ligtelijk wordt goud opgelost in een mengsel van zout- en salpeterzuur;
ten allen tijde smolt keukenzout in water,--maar nimmer heeft iemand
gezien, dat goud in alcohol werd opgelost of dat water zich met olie
verbond. Godgeleerden hebben, wel is waar, aan "wonderen" van deze
en dergelijke soort geloof geslagen, maar niemand heeft nog ooit de
geringste afwijking van eene natuurwet waargenomen.--Dezelfde fouten
en gebreken, die den mensch aankleefden ten tijde van Mozes, zij zijn
nog heden zijn erfdeel; maar hetzelfde godsdienstige gevoel, dat onze
blikken hemelwaarts trekt en ons heden aanspoort de hoedanigheden van
den Schepper des heelals te doorgronden en de zedelijke wet voor ons
en ons maatschappelijk leven daar uit af te leiden, datzelfde gevoel
bezielde den mensch op gelijke wijze reeds vóór anderhalf duizend
jaren.--Werwaarts wij onze blikken wenden, wij zien dat aan den hemel
en op aarde alles wat daar is,--in het water, in de lucht, in het
planten- en in het dierenrijk, in ons zelven,--bestaat en zich beweegt
naar onwankelbaar vaste wetten, die nimmer de geringste afwijking
toelaten. Alles keert met onveranderlijke trouw weder terug. God is
eeuwiglijk dezelfde, onveranderlijk getrouw en waarachtig.
17.
Men moet zich God niet voorstellen als eene kracht, welke van de
natuur gescheiden, buiten haar gelegen is, maar in tegendeel als eene
kracht in haar aanwezig, als de algemeene geest in de natuur--als de
wereldgeest. Op het eerste gezigt zal het velen kunnen toeschijnen,
dat deze geestelijke kracht uitsluitend in 's menschen verbeelding
bestaat, eene bloote hersenschim is, zonder inderdaad te zijn--dat zij
niets anders is dan een denkbeeld, dat ons voorstellingsvermogen zich
heeft gevormd door het afleiden van gevolgen uit de verschijnselen in
de natuur, waarvan wij den oorsprong en het voortbestaan niet kunnen
verklaren, en dat wij om die reden onze toevlugt nemen tot eene nog
onverklaarbaarder oorzaak, welke wij God noemen. "Deze oorzaak echter
ligt," naar het beweren der atheisten, "in de natuur zelve en onze God
is niets anders dan het abstracte denkbeeld der werkelijke natuur in
onzen geest." Naar deze wijze van beschouwen zouden wij zelven even
zeer een deel zijn der Godheid als de trouwe hond, die ons op onze
wandeling vergezelt, of als de woeste, bloeddorstige wolf, die ons
dreigt te verslinden,--even zeer als de koe, die in gindsche weide
graast, of als de bliksem, die uit de wolken te voorschijn komt,
of de planeet, die, door eene onzigtbare hand gedreven, rondom de
zon draait.--Met andere woorden: "de natuur heeft hare oorzaak in
zich zelve en er bestaat niets buiten de stof en de krachten, welke
daaraan onafscheidelijk zijn verbonden en waardoor deze stof tot
verschillende onbewerktuigde en bewerktuigde ligchamen vervormd wordt."
Maar deze bewering is niet slechts in strijd met het verstand, dat
zegt: "ik ben, ik denk, ik heb mijzelven echter niet geschapen, er moet
derhalve een nog hooger verstand, eene nog hoogere, denkende kracht
zijn dan ik"--er wordt buitendien nog een regtstreeksch bewijs gevonden
voor het bestaan van God, namelijk, zulk eene uiting der algemeene
oorspronkelijke kracht, welke zich aan ons op eene regtstreeksche
wijze te kennen geeft.
Deze regtstreeksche uiting der oorspronkelijke kracht zullen wij nu
pogen te verklaren, nadat wij alvorens die hoedanigheden Gods hebben
opgenoemd, welke wij door gevolgtrekking uit de verschijnselen in de
natuur afleiden.--Deze regtstreeksche uiting doet zich aan ons voor als
eene allerhoogste kracht, die alle andere krachten beheerscht, waaraan
al, dat overigens bestaat, onderworpen is en niets zich kan onttrekken,
ja, zonder welke niets gedacht kan worden, dewijl het denken zelfs
alleen in en door deze kracht mogelijk wordt gemaakt. Zonder de immer
wakende, nimmer ophoudende aandrift dezer kracht zou de gansche wereld
ophouden te zijn. Is de aanwezigheid van ruimte eene voorwaarde om
het bestaan eener ligchamelijke wereld mogelijk te maken, maar welke
de geest niet behoeft, wij kunnen ons noch ligchaam, noch geest
voorstellen zonder deze kracht.--Deze kracht is met den bliksem,
welke de lucht doorklieft, zij begeleidt den mensch in het graf, zij
kruipt vóór den worm op den bodem heen, zij ijlt den klank vooruit,
ja, zij is sneller dan het licht en moge de lichtstraal, die van de
zon uitgaat, 42000 mijlen in ééne seconde doorloopen om, zoo snel
mogelijk, de oppervlakte der aarde te bereiken, deze kracht echter is
nog acht minuten voor hem aldaar.--Ofschoon deze magtigste van alle
krachten zuiver geestelijk, ja, onligchamelijker is dan eene gedachte,
wij zien niettemin elken oogenblik het bewijs, dat zij aanwezig is;
zij rust nooit, ja, staat nimmer het duizendste deel eener seconde
stil. Hoort gij de klok slaan?--Een,--twee. Tusschen beide slagen
verliep tijd;--elke slag vordert tijd en de vlugtigste gedachte,
die bij ons opkomt, doet nog tijd verloopen. Niets kan buiten den
tijd treden en niemand kan zich zelfs het geringste gedeelte van
een oogenblik aan den invloed des tijds onttrekken.--De tijd brengt
alle krachten eerst aan het werken en stuwt alles, dat bestaat,
onwederstaanbaar voort. Men kan zich hem niet anders voorstellen,
dan voortijlend; hij beleeft en overleeft alles.
De tijd is de onzigtbare drijfveer, welke God aan de zigtbare schepping
mededeelt. Alleen door tusschenkomst van den tijd is het mogelijk,
dat nog iets anders dan God bestaat. De tijd is de overgang Gods in
de wereld.
Groot derhalve is de dwaling dergenen, die zich voorstellen, dat God
rust, dat hij werkeloos is, sedert hij de wereld heeft geschapen,
dewijl hij, gelijk zij beweren, "de natuurkrachten en wetten in zijne
plaats laat regeren";--deze krachten en wetten toch zijn geschapen,
zijn derhalve niet zelfstandig, zouden niet kunnen blijven bestaan,
indien de eeuwige, oorspronkelijke kracht niet aanwezig ware,
waaruit zij voortvloeijen. God is de geest, de ziel in de natuur,
welke elk oogenblik des tijds, gisteren gelijk heden, onophoudelijk
voortgaat de schepping te bezielen, tot beweging en werkzaamheid op
te wekken. De tijd staat geen oogenblik stil. God rust nimmer. God
is voortdurend werkzaam.
Het voorafgaande bevat in algemeene en korte trekken de leer der
kennis van God geput uit de natuur. Het volgende is de kennis van
God toegepast op het menschelijk leven of de zedeleer, waarvan
hier insgelijks slechts de hoofdgrondstellingen in algemeene korte
bewoordingen medegedeeld kunnen worden.
Er is geen bewijs tegen de waarheid dezer leer, noch in den hemel,
noch op de aarde.
Gelijk er slechts Een God is, kan er slechts eene waarheid,--slechts
eene ware godsdienst en zedeleer zijn en dit kan geene andere wezen,
dan die uit de natuur en hare verschijnselen--de voortdurende
openbaring Gods,--is afgeleid. Hierop berust het evangelie van den
regtzinnig geloovigen mensch.
18.
Door de beschouwing van ons zelven en van de schepping, die ons
omringt, zijn wij tot de kennis gekomen, dat eene denkende, met rede
begaafde kracht, een geest, eene ziel in ons ligchaam woont, in staat
om de taal der schepping te verstaan. De schepping sprak tot ons door
middel onzer vijf zinnen, als door den mond van even zoo vele tolken;
zij gaf ons te kennen, dat wij slechts een klein, van alle zijden
afhankelijk lid in de groote, oneindige schepping zijn en dat de Maker
dezer schepping één almagtig, eeuwig, alomtegenwoordig, alwetend,
alwijs, goed, regtvaardig, onveranderlijk waarachtig en voortdurend
werkzaam God is.--Hij is de eeuwige, die noch een begin had, noch
een einde zal hebben, de denkende en alles bezielende kracht in de
natuur, waarvan onze eigene, denkende geest een flaauw afschijnsel,
als het ware een twijgje van den boom des levens, een straal van het
algemeene, groote, geestelijke licht is.--Kunnen wij nu het eigenlijke
wezen dezer goddelijke kracht, die wij ons onligchamelijk, als geest
moeten voorstellen, niet begrijpen, wij gevoelen niet te min, dat
onze menschelijke geest met den goddelijken geest verwant moet zijn,
dewijl wij overigens in de gansche schepping niets vinden, waarmede wij
onze redelijke ziel zouden kunnen vergelijken. Onze geestelijke natuur
staat derhalve in betrekking tot God, is met hem verwant en het streven
van geheel ons leven moet daarheen zijn gerigt om op Hem te gelijken.
19.
Hij echter is almagtig; dat kunnen wij niet zijn, want wij zijn
slechts eene kleine schakel in de groote keten der schepping,
die hij aaneenverbindt. Hij is eeuwig en ons leven omvat eene zoo
korte, ons vooraf zelfs geheel onbekende handbreedte tijds. Hij is
alomtegenwoordig en wij zijn slechts op eene enkele plek te gelijk
aanwezig en hebben maanden tijds noodig om slechts een vierde gedeelte
van den omvang dezer kleine aarde te doorreizen. Hij is alwetend en
wij weten slechts hetgeen wij door middel onzer vijf zinnen ervaren
en in ons geheugen ingeprent hebben; hetgeen nevens ons voorvalt op
eene plaats, die door een enkelen wand van ons is gescheiden, kunnen
wij niet weten; den dag van gisteren kenden wij eergisteren niet;
de dag van morgen is voor ons een geheim en hetgeen ons de dag van
overmorgen baren zal, blijft ons heden en morgen nog onbekend.--Maar
God is mede alwijs, algoed, regtvaardig, onveranderlijk waarachtig en
voortdurend werkzaam en deze vijf hoedanigheden zijn het, die ons den
weg aanwijzen, dien wij behooren te bewandelen. Vijf woorden vatten
den inhoud zamen der zedeleer, die wij behooren te volgen. Wij moeten
er naar streven om wijs, goed, regtvaardig, getrouw en waarachtig en
werkzaam te zijn.
20.
God is alwijs: Wij moeten er naar streven om wijs te zijn.
Bij dit streven moeten wij vier algemeene grondstellingen tot rigtsnoer
nemen.--1o. Wij moeten ons gewennen, over al hetgeen wij waarnemen,
zelf na te denken en dit te onderzoeken.--2o. Wij moeten niets zeggen,
niets bedrijven, zonder vooraf de gevolgen van hetgeen wij zeggen of
doen zullen, naauwkeurig te hebben overwogen.--3o. Wij moeten elke
zaak van hare beide zijden beschouwen. Wordt, b. v., iets goeds van
iemand verhaald, wordt een geschrift als een voortreffelijk werk
geprezen, dan behooren wij ons te verheugen, dewijl wij iets goeds
hebben vernomen, zonder het daarom onvoorwaardelijk te gelooven;
wij behooren het eerst dan als waar aan te nemen, wanneer de persoon
of het boek ons een genoegzaam belang inboezemde, zoodat wij ons
geneigd gevoelden door eigen onderzoek ons van de waarheid van het
gezegde te overtuigen. Wordt echter iets kwaads van iemand verhaald,
of wordt een geschrift als slecht en verderfelijk veroordeeld, dan
moeten wij zulks niet gelooven, wij moeten eerst de verdediging van den
beschuldigden persoon hooren, wij moeten het geschrift eerst lezen en
dan besluiten.--4o. Wij moeten alle onvoorwaardelijk of blind geloof
verwerpen, als zijnde zulks den redelijken mensch onwaardig. Wij
moeten geene voorschriften en leerstellingen, onverschillig of zij
gezegd worden te moeten doorgaan als goddelijke openbaring of niet,
aannemen en opvolgen, indien zij niet vooraf, onder het voorzitterschap
van het gezond verstand, zijn onderworpen geworden aan de vuurproef der
natuurwet; komen zij ons, na dit onderzoek, redelijk, dat wil zeggen,
begrijpelijk voor en in overeenstemming met de wetten der natuur,
eerst dan moeten wij er geloof aan hechten, ze als waar aannemen
en opvolgen.--Die deze vier grondregelen niet tot rigtsnoer zijner
handelingen neemt, zal zijn gansche leven door een dwaas blijven,
die aan den leiband zal loopen van ieder, die meer verstand heeft of
sluwer is dan hij.
Niet alle menschen bereiken een gelijken graad van volkomenheid, wat
betreft hunne ligchamelijke en geestelijke ontwikkeling. Terwijl vele
menschen dom voortleven en sterven, verheft zich bij anderen de kennis
van het ware en schoone tot geestdrift; terwijl eenige menschen den
tijd in eene logge rust doorbrengen, gevoelen anderen zich voortdurend
aangespoord tot werkzaamheid; terwijl velen de uitgebreidste kennis,
die zij bezitten, zelfs bij de beste bedoelingen, welke hen bezielen,
niet kunnen mededeelen, hebben anderen de gaaf verkregen hetgeen zij
weten zoodanig in te kleeden en voor te dragen, dat het snel den weg
naar het hart der menschen vindt. De mededeelingen, door dergelijke
begaafde personen gedaan, hetzij deze mondeling of in geschrifte
geschieden, moeten wij in eere houden--onderzoeken en--indien zij
blijken proefhoudend te zijn, als waarheid aannemen en opvolgen.
Gij begaafden echter, die vermeent waarheden te hebben ontdekt, welke
andere menschen niet algemeen genoeg kennen; zoo mede gij die door
meerdere ervaring of door eene betere opvoeding meer kennis hebt
vergaderd dan andere menschen, gij zijt verpligt van het uwe aan
anderen mede te deelen. Dit is eene zedelijke wet, welke Jezus van
Nazareth reeds voor meer dan 1800 jaren voor waar erkende en leerde,
toen hij sprak: "Laat uw licht schijnen voor de menschen, opdat zij uwe
goede werken zien en uwen vader, die in de hemelen is, verheerlijken."
De redelijke geest, welke de mensch bezit, verheft hem boven alle
dieren, doet hem op God gelijken. Nevens de zorg, welke wij voor ons
ligchaam behooren te dragen, moeten wij derhalve er naar streven om
onzen geest met kennis te verrijken en trachten om wetenschappelijke
ontwikkeling onder alle standen der maatschappij te bevorderen. Wij
behooren zorg te dragen, dat die wetenschappen, welke ons tot zekere
(positive) kennis brengen, de natuurwetenschappen, na voorafgaande
beoefening der taal- en wiskunde, benevens de geschiedenis der
menschheid, bij voorkeur in alle scholen worden onderwezen en dat
elke burger van den staat door de uit zijne godsdienst afgeleide
wet verpligt zij, zich bekend te maken met den hoofdinhoud van de
verschillende takken der natuurwetenschappen, opdat hij in de inrigting
van het zonnestelsel even zeer als in de organen van het menschelijk
ligchaam, gelijk mede in het planten- en dierenrijk de doelmatigheid
van alle gemaakte inrigtingen leere bewonderen en daaruit de wijsheid
en goedheid des Scheppers in zijne werken leere kennen. De eigenlijke
natuuronderzoekers echter--de mineraloog, botanicus, zoöloog,
de ontleedkundige, physioloog, geoloog, scheikundige, physicus,
meteoroloog en de sterrekundige--zouden het niet beneden hunne
waardigheid behooren te achten, met allen ijver er naar te streven
om hunne wetenschap in eene steeds eenvoudiger en meer algemeen
verstaanbaar wordende taal te verklaren en meer of minder volledige
en grondig behandelde opstellen daaromtrent te leveren, op zulk eene
leest geschoeid, dat zij onder het begrip vallen van de verschillende
meer of min beschaafde klassen der maatschappij;--hierbij zou steeds
het oog moeten worden gehouden op de voornaamste uitkomsten door het
natuuronderzoek verkregen, met aanwijzing van het nut, 't welk uit de
toepassing er van in het praktisch leven zij te trekken, opdat ook de
minder ontwikkelden, de handwerksman en de daglooner, den weldadigen
invloed der verlichting zouden gevoelen en niet langer, tot nadeel der
meer verstandigen, bijgeloof en dwaalbegrippen zouden aankleven. Voor
de verspreiding van dergelijke werken, zoo veel slechts immer mogelijk
verrijkt met afbeeldingen ter opheldering der behandelde onderwerpen,
behoorde de staat zorg te dragen.
Gelijk elke wetenschap en elke tak van wetenschap zijne geestdriftvolle
beoefenaars heeft gevonden, die meer dan anderen geschikt waren om
den bloei er van te bevorderen, ditzelfde is insgelijks het geval
geweest op het gebied der godsdienst en zedeleer. Abraham, die voor
meer dan 3800 jaren, Mozes, die 400 jaren later in Egypte en Syrië,
Zoroaster, die voor ongeveer 2700 jaren in noordoostelijk Persië en
Gautama (Boedha), die voor 2400 jaren in Indië, zoo mede Kong foe tse,
die slechts 100 jaren na dezen in China predikte, waren mannen die
met geestdrift dit gebied van kennis hebben bewandeld, evenzeer als
Jezus van Nazareth, die vóór 1830 jaren onder de Joden en Mohammed,
die vóór 1240 jaren onder zijne landslieden in Arabië optrad en hen
leerde. Vele andere minder algemeen beroemd gewordene mannen zijn
na hen gekomen. Hetgeen van de leer dezer vroegste godsdienst-
en zedeleeraren tot op ons is overgekomen, zult gij met vrucht
lezen, indien gij den inhoud der vroeger medegedeelde, tot leiddraad
strekkende grondstellingen niet uit het oog verliest en het kaf van
het koorn weet te onderscheiden. Indien gij daartoe in staat zijt,
zult gij zelfs in de oudste godsdienstige geschriften, even als in den
bijbel, menige goede zedeles en voortreffelijke leefregelen vinden,
die gij met voordeel kunt opvolgen. Jezus van Nazareth beval boven
alles luide en schoon aan het betrachten der menschenliefde en hij
ijverde tegen de schijnheiligheid der toenmalige priesters. Gij kunt
deze leer met vrucht toepassen op de hedendaagsche priesters. Nadeelig
echter is het voor uwe vorming, indien gij geen ander boek leest dan
den bijbel; op die wijze wordt gij eenzijdig van oordeel, bijgeloovig,
onverdraagzaam, schijnheilig-vroom, gij verliest zelfs den goeden smaak
en in het gezellige leven wordt gij voor anderen onuitstaanbaar.--Is
dan de wereld, sedert Jezus zijne leer verkondigde, niet meer dan
1800 jaren ouder geworden? Bevat deze achttien honderd jaren lange
geschiedenis van het menschelijke geslacht niet vele gewigtige lessen
en ervaringen? Is de beschaving der menschheid sedert dien tijd niet
vooruitgegaan en heeft het onderzoek der natuur niet tot ontdekkingen
geleid, zijn niet waarheden aan het licht gebragt, waarvan destijds
nog niemand zich eenig denkbeeld kon maken? En wat is nu het geval;
van al deze uitkomsten en vruchten der nasporing, der beschaving en
der gansche 1800 jaren lange geschiedenis vindt men in den bijbel
niets.--Maar ook niet alle godsdienstleeraren, welke in verschillende
tijden zijn opgetreden, of die nog heden bij duizenden leven, zijn
mannen door de waarheid met geestdrift vervuld. De leer, welke velen
belijden, wijkt zoodanig af van alle natuurwetten, zij druischt zoo
zeer in tegen het gezond verstand, dat de verkondigers van dergelijke
leerstellingen niet anders kunnen zijn dan a. dweepers, dat wil zeggen,
kranken naar het gemoed en den geest, of b. bedriegers; meestal gaan
zij aan beide kwalen te gelijk mank: of wel zij pleegden bij hun
optreden reeds bedrog en de opgang, dien zij maakten, vervoerde hen
tot geestdrijverij, of zij waren aanvankelijk dweepers, die zich later
tot het plegen van bedrog lieten overhalen. Tot de eerstgenoemde soort
behoorde onder anderen Joe Smith, de profeet der Mormonen.--Leest gij
nu geen ander boek dan dien eenen bijbel en zwelgt gij buitendien
nog met volle teugen fanatiek-narcotische dranken in, zoo als,
bij voorbeeld: "de Opstanding der dooden, het Boek der toekomst,
het Brood des levens, de Kruisiging, de Christusregering voltooid,
het Visioen der opstanding, de Verschijning aan meer dan vijf honderd,
de Slaande engel!" enz., enz.,--niets dan heldendichten, ingegeven
door eene koortsachtige phantasie, die zich van alle banden heeft
ontslagen, dan ontvlamt het koude vuur der dweepzucht in uwen boezem
en uwe ziel verdroogt gelijk eene mummie, gelijk het groene veld,
waarover de sirocco waait, door den droogen adem "van het woord,"
dat gij eeuwiglijk en eeuwiglijk op nieuw op denzelfden oudjoodschen
Prophetentoon verneemt;--gij zijt dan gelijk een schaap op de dorre
heide; een booze geest, die u aan den leidband heeft gebonden en
u tot zijn doel wil gebruiken, voert u gedurig rond in een kring
en--aan alle kanten ligt de schoonste groene weide! namelijk,
de schepping, de levende openbaring Gods, maar waarin gij o, arme
schapen! nimmer zult grazen, indien een goede geest zich niet over u
erbarmt en u haalt uit den kring op de dorre heide.--Ik zal u eenige
der goede geesten opnoemen en raad u aan hunne geschriften te lezen;
daarin zult gij zekere waarheden vinden, welke nuttig voor u zijn,
u zullen verkwikken en die op elke bladzijde de hoedanigheden van den
algoeden Schepper der natuur uit zijne werken verkondigen. Algemeen
verstaanbare geschriften in onze taal zijn onder anderen de
volgende.--De volmaaktheden van den Schepper in zijne schepselen
beschouwd, ter verheffing van God en tot bevordering van nuttige
natuurkennis. Nieuw bewerkt door F. Kaiser, C. I. Matthes, J. van
der Hoeven, H. C. van Hall en E. A. Beima. 1849-1852.--F. Kaiser,
de sterrehemel. 1853.--F. Kaiser, populair sterrekundig jaarboek voor
1854.--Album der Natuur, een werk ter verspreiding van natuurkennis
onder beschaafde lezers van allerlei stand. 1852-1853.--Practische
Volksalmanak of jaarboekje ter verspreiding van kennis der toegepaste
wetenschappen onder allerlei standen der Maatschappij. 1854--P. van
der Burg, eerste grondbeginselen der natuurkunde. 1853.--D. Lubach,
eerste grondbeginselen der natuurkunde van den mensch (over het
zamenstel des menschelijken ligchaams en de verrigtingen van zijne
deelen). 1853.--C. I. Matthes, de lucht en de verschijnselen van
onzen dampkring.--Handleiding tot de kennis der natuur; schoolboek;
uitgegeven door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. 1851;
benevens vele andere natuurkundige werken door diezelfde Maatschappij
uitgegeven, bij voorbeeld, Volks wis- en werktuigkundig lees- en
leerboek, Volks-meetkunde, Volks-scheikunde, het kind in zijne eerste
levensjaren, enz.--P. Harting, de magt van het kleine, zigtbaar in
de vorming van onze aarde. Utrecht, 1849.--Sommer, beschrijving
van 't Heelal.--M. I. Schleiden, populaire voorlezingen over de
plant en haar leven. Amsterdam, 1853.--Sporen van de natuurlijke
Geschiedenis der Schepping. Uit het engelsch door van den Broek, met
een voorwoord van G. I. Mulder. Utrecht, 1849.--J. L. de Bruijn Kops,
Beginselen der Staathuishoudkunde. Leiden, 1850.--F. W. Hoffmann,
overzigt der Algemeene Aardkunde, een leer- en leesboek voor alle
standen. 1853. Buitendien bestaan er nog vele andere populaire,
bevattelijk geschreven werken over de natuurwetenschappen, die
elk geleerde, ieder in zijn vak, den onderzoeklievende gaarne zal
opgeven. Leest die; zij zijn door goede geesten geschreven.
Andere menschenvrienden leidden uit de geschiedenis en hunne eigene
ervaring lessen van levenswijsheid af, en verzamelden zedespreuken,
die zij in verschillende werken mededeelden. Ook dergelijke geschriften
moeten wij in eere houden en hunnen inhoud in ons geheugen prenten. Ik
zal uwe aandacht hier slechts op een derzelven bij uitnemendheid
vestigen. Leest Benjamin Francklin's "spreekwoorden van den ouden
Hendrik of de Wijsheid van den goeden Richard," die onder anderen
in onze taal zijn uitgegeven als "Leerrijke keur uit B. Francklin's
zedekundige schriften. Uitgegeven door de Maatschappij tot Nut van 't
Algemeen" (1843. Amsterdam), een boek, hetwelk in weinige bladzijden
een schat van waarheid en levenswijsheid bevat.
De beste en onuitputtelijke bron van wijsheid echter voor iedereen is
zijn eigene geest en de levende schepping, die hem omringt en waarmede
hij door middel zijner vijf zinnen in betrekking staat. Indien wij de
vier eerste onzer algemeene grondstellingen aan het stuurrad plaatsen
en de natuur gadeslaan met den mensch, die zich daarin rondom ons
beweegt, dan zullen wij in korten tijd in staat zijn zelven de regelen
vast te stellen, die wij op ons levenspad, in den omgang met andere
menschen moeten opvolgen, ten einde ons voor struikelen te behoeden,
ja, bij dit onderzoek kunnen vele dieren der wildernis ons leeren
en ons beschamen, indien wij zondigden tegen de voorschriften der
spaarzaamheid, der matigheid, der voorzigtigheid, der werkzaamheid
en der vlijt, of indien het mogt gebeurd zijn, dat eene moeder de
liefde jegens haar jong geboren kind uit het oog verloor.
De roeping der priesters echter moet deze zijn: het ware, het schoone,
dat de gezamenlijke krachten van alle menschen op het vereenigd gebied
der natuurwetenschappen door onderzoek hebben ontdekt, den volke mede
te deelen, op eene wijze, die voor ieder verstaanbaar is en daarbij
zoowel in de onderdeelen als in het groote geheel de heerlijkheid
des Scheppers aan te toonen; vervolgens te verklaren hoe in al
het geschapene, in de verschijnselen en in de wetten der natuur, de
hoedanigheden Gods--zijne oneindige wijsheid en goedheid--doorblinken,
en hieruit af te leiden de deugden, naar welker bezit wij moeten
streven, de zedelijke wet, die wij behooren op te volgen.--De levende
natuur in al hare deelen, de geschiedenis der menschheid in al hare
verschillende tijdperken, zijn zoo onuitputbaar rijk in bouwstoffen
van dezen aard, dat een priester, die dagelijks twee voorbeelden
er van wilde uitkiezen, om ze tot tekst voor zijne leerrede, als
onderwerp zijner voordragt te bezigen, gelijk zulks thans met één
per week het geval is, niet zou behoeven te vreezen, dat de stof zou
worden uitgeput, al werd hij 500 jaar oud!
Aan dit doel behoorde de eerste helft van elken zondag te zijn
gewijd, en de kerken zouden steeds blijven, hetgeen de school was
voor het kind, den jongeling: een tempel der wijsheid en der kennis
voor iedereen, maar bovenal voor de middel- en lagere klassen des
volks, die het meest behoefte hebben aan onderrigt. De priesters
behoorden hunne eigenlijke, schoone roeping: "volksleeraren te zijn,"
te beseffen en bovenal naar wijsheid en kennis te streven en die den
volke leeren! Want God is alwijs!
21.
God is goed; uit alle deelen der schepping straalt ons de goddelijke
liefde te gemoet: Wij moeten er naar streven om goed te zijn.
Wij moeten geen dier kwellen, maar in tegendeel goedaardig zijn jegens
alle levende wezens en elk diertje het genot zijns levens gunnen. Wij
mogen geen onschadelijk dier dooden, welks bestanddeelen--gedood
zijnde--ons geen nut aanbrengen.
Wij moeten onze medemenschen liefhebben en welwillend zijn jegens
iedereen. Wij moeten het lijden en de ellende, overal waar wij zulks
ontwaren, pogen te verzachten en de armen ondersteunen. Wij behooren
anderen, die minder bezitten dan zij noodig hebben, mede te deelen
van hetgeen wij meer hebben, dan wij behoeven.
De stem van het goddelijk bewustzijn in ons binnenste,--het
geweten,--zegt ons duidelijker, dan wij in leerstellingen kunnen
zamenvatten, hetgeen regt en hetgeen onregt is; volgen wij de stem van
het geweten, die reeds vóór duizende jaren, even goed als nog heden,
den mensch toeriep: "Gij zult niet begeeren eens anderen goed, niet
echtbreken, niet dooden, niet stelen, niet bedriegen, geen valsche
getuigenis afleggen, het verhevene en heilige niet bespotten en
u zelven, uw eigen, van God herkomstigen geest niet beschimpen en
vernederen door afgoden te aanbidden."
Menschenliefde jegens iedereen--indien zij werkelijk ons gemoed
doorgloeit--verheft ons hoog boven de dieren; zij veredelt ons in onze
eigene oogen en verschaft ons, wanneer wij haar beoefenen, de reinste
vreugde, meer dan aan dengene, die het voorwerp er van is. Dat toch
deze bloem geen enkel oogenblik van ons gansche leven in ons verwelke!
Die ons het leven gaven, ons voedden, liefhadden en verzorgden,
toen wij nog jong en hulpeloos waren,--onze ouders,--moeten wij
beminnen tot aan hunnen dood en steeds blijven eeren. Zijn onze
ouders behoeftig en hebben wij rijkdommen verworven, zijn wij tot
waardigheden opgeklommen, dan behooren wij hen met ons gelijk te
stellen, hen tot ons op te heffen en hen te ondersteunen. Hij is een
verachtelijk mensch, die zich schaamt te belijden, wie zijne ouders
zijn. "Een oog, dat den vader bespot en de moeder veracht, zal door
de raven uitgehaald en door de jonge arenden verslonden worden." Dat
leerde bijna negentien honderd jaren geleden de man uit Nazareth,
wiens boezem zoo warm voor waarheid en deugd gloeide en datzelfde
staat nog heden geschreven in het geweten van elken mensch.
Wij zijn groot gebragt en opgevoed door onze ouders of, indien
zij vroegtijdig zijn gestorven, door menschenvrienden, die hen
vervingen. Wij zijn in zoo verre ons bestaan verschuldigd aan de
liefde en zorg onzer ouders en behooren derhalve ook onze kinderen
lief te hebben, te verzorgen en op te voeden.--Wanneer gij hoort,
dat eene moeder haar jong geboren wicht van het leven heeft beroofd,
houdt haar dan geen geschreven woord, bijbel, gebeden- of wetboek voor,
spreekt niet van verloochening des vleesches,--want juist daardoor
hebt gij haar tot zondares gemaakt; gij hebt haar huichelarij en
schijnheiligheid geleerd, hetgeen haar bewoog hare zwangerschap voor
het oog der wereld te verbergen, totdat zij eindelijk doof werd voor
de stem der natuur;--neen, hangt een nest met jonge vogelen voor hare
gevangenis op, dan zal de kindermoorderes zien met welk eene liefde de
dieren der wildernis voor hunne jongen zorgen, hoe zij ijlend naar hen
toevliegen, hoe zij zelfs de schuwheid voor den mensch hebben afgelegd
en rondom de kooi fladderen, waarin hunne jongen zich bevinden,--hoe
zij hun in den snavel voedsel toevoeren, dat zij in veld en beemd
hebben bijeenvergaard:--welligt zijn zij zelven hongerig, maar zij
voeden er zich niet mede, zij houden het onaangetast in den snavel en
brengen het van eene verwijderde plek derwaarts om het hunne jongen te
geven;--zij vliegen weg, maar ziet, zij komen weder,--zij verlaten
hunne jongen niet, zelfs toen het nest door menschenhanden werd
weggeroofd, zij hebben het toch gevolgd;--zij steken hunnen snavel
tusschen de tralien door, ten einde hunne jongen te voederen, ja, zij
zouden gaarne in de kooi trachten binnen te dringen om bij hunne jongen
te blijven, die nog zoo naakt en hulpeloos zijn, - - heeft nu uwe leer
der "heiligmaking, van de verloochening des vleesches, verloochening
van de stem der natuur," nog niet het laatste overblijfsel van dit
gevoel, dezer stem, in het gemoed der kindermoorderes verstikt,
dan zal zij zich voor de vogelen schamen en--weenen.