ontgonnen gebieden; het zijn nieuw aangelegde aanplantingen van
sagoboomen. Booten liggen aan de oevers gemeerd en langs lichte
ladders worden ze bestegen. Kinderen schreeuwen en vermaken zich
aan den waterkant, zonder zich om de kaaimannen te bekommeren, of
zitten in hun primitief costuum op 't eind van de planken bruggen
ons verwonderd aan te kijken.
Wij hebben ons twee uren te Bengkalis opgehouden; de stad is gebouwd
op de westkust van het eilandje en kijkt dus in de richting van het
groote eiland. De chineesche wijk is nog al uitgestrekt, en enkele
fraaie huizen toonen aan, dat de handel er nog belangrijk is. Het
eiland ligt geheel in een wieg van groen. In het binnenland heeft men
enkele aanplantingen van gutta-perchaboomen, en rondom de woningen
staan langs den weg, dien wij volgen, reusachtige sagopalmen. Die
zijn een kenmerk voor het eiland, en nergens hebben wij die palmen
zulke afmetingen zien aannemen.
Onze overtocht over de straat van Malakka is hoogst onaangenaam
geweest. Wij hebben er een hevige bui gehad. Onze boot, die ingericht
is voor 't varen op rivieren, meet slechts 90 ton, en den geheelen
nacht wordt zij hevig geslingerd door de golven; zij helt onder den
aanval van den wind onrustbarend over en richt zich met moeite weer
op, zoodat men elk oogenblik bang moet zijn voor een kanteling. Er
zijn geen hutten, en wij brengen den nacht op het dek door, terwijl
beneden de Chineezen en Maleiers, opeengehoopt in de drie rijen boven
elkaâr gelegen kooien, den ellendigen strijd tegen zeeziekte voeren.
Wij nemen te Singapore de boot, die de oostkust van Sumatra bedient,
en den 18den Mei om vijf uur 's morgens leggen we aan te Belawan,
in de baai van Deli.
De staten Serdang, Langkat en Deli hebben zich in de laatste dertig
jaar buitengewoon snel ontwikkeld en hebben dien bloei alleen aan de
tabakscultuur te danken. De plantages beslaan tegenwoordig meer dan
300 000 hectaren. Degenen, die het initiatief hebben genomen voor
deze cultuur, waren Franschen, de gebroeders Guigné, zooals ook aan
den overkant van de straat van Malakka Franschen in den staat Perak de
eerste tinmijnen hebben ontdekt en geëxploiteerd. Het voorbeeld, door
onze landgenooten gegeven, heeft bij ons geen navolgers gevonden; maar
het heeft voor de Nederlanders als voorbeeld wonderen gedaan. Bijna
alle ondernemingen behooren aan maatschappijen, die te Amsterdam
gevestigd zijn, en waarvan één, de Delimaatschappij, reusachtige
winsten heeft gemaakt. Het woud bedekte vroeger de geheele streek;
het beslaat nog heel wat ruimte in de buurt der zee, waar de bodem
te laag is, om in cultuur te worden gebracht. De aanlegplaatsen en
entrepôts van Belawan zijn gebouwd aan den rechteroever van een breede
rivier, welker oevers onder een dichten plantengroei verdwijnen.
Achter de magazijnen staat het station van den spoorweg. Wij nemen
den trein van negen uur en zijn om tien uur te Medan, hoofdstad van
den staat Deli en zetel van de regeering van 't Gouvernement van
Sumatra's Oostkust.
De stad gelijkt op alle andere, die wij reeds op Java en Sumatra hebben
gezien. De huizen, bijna alle van hout, staan op ongeveer twee meter
hooge massieve en gemetselde palen; de straten zijn breed, met mooie
boomen beplant, en, wat iets bijzonders is in Indië, hebben electrisch
licht. Maar zoo al de aanblik van buiten af dezelfde is als in die
steden van luiheid en ledigheid, het voorkomen van de bewoners en de
wijze van leven zijn totaal verschillend.
In het hôtel, dat het meest in trek is bij kolonisten en reizigers
van allerlei nationaliteiten, heeft men engelsche gewoonten
aangenomen. Geen "rijsttafel", geen lange siësta's na den middag;
de Europeanen zijn altijd bezig, verteerd van ijver; de energieke
gezichten zijn verbrand van de zon, de koortsig haastige bewegingen
wijzen op een leven vol ambitie. Hier niets van de zachte traagheid,
de vreedzame kalmte der kleurlingen van Batavia. Op enkele terreinen
ziet men tennis spelen, en groote velden vereenigen des avonds bij
lamplicht de jongelui, die zich in 't voetbalspel oefenen. In de
straten ontmoet men inboorlingen uit aller heeren landen, Maleiers,
Javanen, Chineezen, Tamilen, Bengalen, allen druk bezig, lasten
dragend of zware wagens geleidend.
Het stelsel, waarnaar men hier te werk gaat bij het exploiteeren
en kolonizeeren van provincies, die armoedig en verlaten waren, is
niet hetzelfde als dat, waarvan ik op Java de uitwerking heb kunnen
gadeslaan. Op Java maakten de dichtheid der bevolking en de snelle
toeneming bijzondere maatregelen noodig. Na de treurige periode
der gedwongen cultures hebben de Hollanders onder den edelmoedigen
invloed van de liberale partij vóór alle dingen den inboorlingen
zijn eigendom willen waarborgen en zijn bestaan willen verzekeren,
door ook voor toekomstige geslachten grond beschikbaar te houden,
waar de nieuwe dorpen later kunnen worden gebouwd. De rijstcultuur is
op Java, als in het uiterste Oosten overal, de hoofdcultuur, en men
heeft die niet willen bemoeilijken, noch tusschen den grond, die het
kostbaar graangewas voortbrengt, en den inboorling, die oogst en eet,
een parasietisch tusschenpersoon plaatsen.
Het systeem der vrije concessies, in onze koloniën zoo algemeen
verspreid, bestaat nergens in Nederlandsch-Indië. De Europeanen
kunnen alleen gronden in huur krijgen, en die gronden worden alleen
verstrekt in erfpacht voor ten hoogste 75 jaren. Er zijn buitendien
nog op Java belangrijke restricties in het stelsel aan te wijzen;
zoo bijvoorbeeld, dat alle landen in de vlakte en alle, die zich
uitstrekken langs de zachte hellingen der bergen, alle, die onder
water gezet kunnen worden, in één woord alle, waarop rijst kan worden
verbouwd, voor Javanen beschikbaar blijven en nooit door een Europeaan
bezet kunnen worden. De kolonist kan alleen een concessie krijgen voor
de hooggelegen landen, de met bosch begroeide bergen en kloven, de
districten, waar de maagdelijke bodem geschikt is voor de ontwikkeling
van speciale gewassen, als de koffie-, de thee- en de kinaplant.
Toch zijn er culturen, die enkel in het laagland kunnen worden
ondernomen, en die de Javaan alleen niet in staat zou zijn, op
rationeele wijze te bebouwen, die van suikerriet bij voorbeeld en van
tabak en indigo. De Hollanders hebben dit probleem op zeer vindingrijke
en besliste wijze opgelost, zonder van hun beginselen iets te laten
varen en zonder de belangen der inlanders te schaden, noch afbreuk te
doen aan die der Europeanen. De kolonisten sluiten overeenkomsten met
de javaansche eigenaars, die beloven om gedurende één of meer seizoenen
suikerriet of tabak te verbouwen onder toezicht van den industriëel,
die het geoogste product in zijn fabriek verwerkt. Gewoonlijk ontvangt
de Javaan een vaste som, die de huur voor zijn gronden voorstelt en
verkoopt zijn oogst aan den hollandschen planter tegen een vastgesteld
tarief, dat bij contract geregeld wordt. Het is dan een soort van
commanditaire vennootschap, en het stelsel biedt het voordeel, dat
het tegelijk den inboorling iets leert en hem behoedt voor verarming.
In die omstandigheden heeft de Europeaan, zooals men ziet, zich niet
te bekommeren om de ontginning van den maagdelijken grond, noch om
de indienstneming van arbeiders. Het is echter niet overal op Java
aldus. Bij de boschexploitatie bij voorbeeld, moet men arbeiders in
daghuur nemen, en in streken, waar een dichte bevolking woont, kan
daar nooit moeilijkheid mee komen, op voorwaarde dat de werklieden
goed worden behandeld en behoorlijk worden betaald. Ik heb bij Blora
groote djatibosschen gezien, die teakhout leveren, waar de koelies
allen Chineezen waren, die zonder moeite te Semarang waren te krijgen.
Op Deli zouden de planters veel ernstiger bezwaren ontmoeten, en zij
hebben die kunnen overwinnen door hun bewonderenswaardige volharding,
een associatiegeest, dien men bij ons ver moet zoeken, en door de
macht van het geld. De bodem was er van den voet der bergen tot de zee
bedekt met moerassige bosschen; hij is bijna overal drooggelegd en in
cultuur gebracht. Reusachtige concessies zijn uitgegeven; de sultans
van Deli, Langkat en Serdang, hebben de gronden verhuurd tegen een
eerste storting van 4 à 5 dollars de bouw en een jaarlijksche pacht
van 1 dollar. De regeering bemoeide zich met niets dan met het innen
der belasting en de rechtsspraak en liet verder alles over aan het
particulier initiatief. Dat laatste heeft er alles in het leven
geroepen, wegen, bruggen, aanlegplaatsen en de nog niet voltooide
haven van Belawan, den spoorwegen de stad zelve, die gebouwd is op
moerassige terreinen, nu ontgonnen en drooggelegd.
De maleische bevolking, die er dun gezaaid was en daarenboven lui
was van aard, weigerde te werken. Er is niet aan gedacht, haar
daartoe te noodzaken, zooals in zooveel andere koloniën gebeurt;
niemand heeft de invoering van een vermomde slavernij voorgesteld;
geen heeft de roeping gevoeld, als moralist op te treden en den
inboorling te verbeteren, door hem te zetten aan een werk, waarvan
de Europeaan de vruchten zou hebben geplukt; omdat er geen arbeiders
waren, heeft men ze ingevoerd. De planters hebben zich vereenigd,
riepen een bureau van emigratie in het leven en huren nu de koelies
in Swatow en in Canton. Vroeger sloten zij daar contracten door
tusschenkomst van europeesche agenten, die in genoemde havensteden
woonden; nu zenden zij zelf naar China mandoers, vroegere chineesche
bedienden, die zich op beter voorwaarden met de recruteering belasten.
De koelies worden bij hun aankomst ingeschreven op de hoofdplaats;
hun signalement wordt genoteerd, en de administratie verschaft hun een
pas. Eerst worden zij voorloopig gehuisvest in loodsen en later over
de plantages verdeeld. Zij teekenen een contract voor den tijd van drie
jaren in het bijzijn van den resident of controleur en den chineeschen
kapitein. Zij hebben bij 't vertrek uit China enkele dollars handgeld
ontvangen; de planters geven hun nog 15 of 20 gulden en reiken
kleederen en gereedschap uit. De werver ontvangt van zijn kant een
premie van 12 à 15 dollars per koelie. Neemt men daarbij de kosten
van vervoer in aanmerking, dan komt elke chineesche arbeider aldus op
75 dollars. Men sluit zonder moeite zulke contracten af, en de meeste
arbeiders blijven op Sumatra en hernieuwen hun verbintenis. Er zijn
in dit vrije land geen heeren en slaven, er zijn patroons en arbeiders.
De secretaris-generaal van de Delimaatschappij, de heer de C., heeft
ons alle inlichtingen gegeven, die wij hem hebben gevraagd en heeft
ons rondgeleid met onuitputtelijke welwillendheid. Wij hebben de
magazijnen met hem bezocht en 't hospitaal en ook het huis voor de
koelies die aan ongeneeslijke ziekten lijden, en daarna hebben wij
een wandeling over een tabaksplantage gemaakt.
Het goed heette Helvetia. Het ligt op den oever der Delirivier en
beslaat een oppervlakte van 6000 bouws, dus van 6000 maal 7091 M2. Aan
het hoofd staat een administrateur, die zes europeesche ambtenaren
onder zich gesteld ziet. Het terrein is in tien perceelen verdeeld,
en jaarlijks wordt één dier perceelen in cultuur gebracht; de andere
worden aan hun lot overgelaten en worden weer gebruikt, als ze aan
de beurt zijn. Op enkele stukken wordt djati geplant, die na vijf of
zes jaar mooie boompjes levert voor den bouw der droogschuren. Een
weg doorsnijdt de plantage en loopt door alle perceelen. Elk daarvan
is in secties verdeeld, die onder het toezicht van de Europeanen staan.
Men begint eerst met het bosch te kappen één jaar te voren; dan bewerkt
men den grond met den stoomploeg en keert de kluiten tweemaal met de
spade. Het zoo voorbereide terrein wordt door diepe geulen verdeeld,
voor den afvoer van het water en voor een splitsing in stukken van
ongeveer 1 bouw. Elk deel wordt aan een Chinees toegewezen, die het
zaad ontvangt, het laat uitzaaien, toezicht houdt op de kweekbedden,
op het uitplanten en de verzorging, om na zeventig dagen te laten
oogsten, blad voor blad, en de administrateur koopt de opbrengst
tegen tarieven, die in het arbeidscontract zijn opgenomen.
De huizen der opzichters en die der koelies worden elke twee jaren
afgebroken en elders weer opgebouwd. Zij liggen altijd op de grens van
twee perceelen, die na elkander in bewerking moeten worden genomen. De
loodsen of droogschuren zijn vervaardigd van hout en bamboe en zijn
met riet gedekt. Men gebruikt bij het bouwen gewoonlijk òf Bataks òf
inboorlingen van Borneo uit de buurt van Banjermasin. Javanen moeten in
't bijzonder voor het draineeringswerk zorgen; Klings of Klingaleezen,
dat zijn Tamilen van de kust van Malabar, rijden de wagens en verzorgen
de trekossen, die in Siam of Birma worden gekocht.
Na den oogst worden alle koelies saâmgeroepen naar het midden der
plantage, waar zich het groote gebouw bevindt, van hout en steen
opgetrokken en wel 150 M. lang en met plaatijzeren dak, waar de tabak
behandeld wordt. De koelieverblijven zijn afzonderlijke gebouwen, waar
de menschen naar ras en godsdienst bijeengevoegd zijn. De Chineezen
wonen in ruime barakken in groepen van dertig à vijf-en-dertig,
onder toezicht van een mandoer, geboortig uit dezelfde provincie,
die 1/30 of 1/35 van hun totaal salaris ontvangt. Elke Chinees
beschikt over ongeveer 8 vierkante meters en kan zich daar zelf van
licht materiaal, als hout en bamboe, dat te zijner beschikking wordt
gesteld, een afgesloten ruimte timmeren. Achter de woningen liggen de
keukens, de putten en de badvijvers, tenzij de rivier onmiddellijk
in de buurt is. De hoofdopzichter der Chineezen woont bij hen in
een eigen paviljoen en ontvangt 1/30 van alle salarissen. Er zijn op
de plantage enkele pagoden, één of meer, naar het aantal Chineezen,
en de administratie zorgt ervoor, die uitstekend te onderhouden.
De plantage, die wij bezoeken, geeft werk aan ongeveer 550 Chineezen,
200 Javanen, 30 Klingaleezen; de grond brengt gemiddeld 12 pikols
tabak per bouw, dat is ongeveer 1000 K.G. per hectare, en de prijs
daalt nooit onder 100 gulden per pikol of 1.75 franc per pond.
Wij hebben eenige dagen doorgebracht in de omstreken van Medan,
en we hebben verschillende; plantages bezocht, die in ongelijke
omstandigheden verkeerden, maar welker algemeene organisatie bijna
overal dezelfde is. Een dier ondernemingen, nog van jongen datum,
ligt te Koeala Bingei. De dit jaar beplante secties zijn pas op
het bosch veroverd. Overal zien wij verkoolde stammen; er zijn
ook veel boomen geveld en de Chineezen zijn ijverig in de weer,
er de wortels van op te ruimen en de resten te verbranden. Aan den
overkant van den weg, waarlangs mijn gastheer mij per automobiel
een ritje laat maken, is nog het maagdelijk woud onaangetast. De
leemhoudende grond staat onder water; het is een moeras, waar de
rivier in tijden van hoogen waterstand zich in ontlast; maar reeds
zijn er afvoerkanalen gegraven. Het afvloeiende water is zwart of
rood en sterk tanninehoudend. Langzamerhand zal, als de regens den
grond hebben uitgewasschen, het water helderder worden. Weldra zal
dan het drooggelegde moeras geschikt zijn als bouwgrond; het dichte
woud zal verdwijnen, en nieuwe velden zullen op de overblijfselen
zich uitbreiden.
Te Koeala Besilan, waarheen wij ons vervolgens hebben begeven, is
de administrateur, de heer Cosnac, een Franschman; hij ontvangt ons
met open armen. Twee andere landgenooten van ons wonen in de buurt,
en wij brengen in hun gezelschap twee prettige dagen door. Ze zijn
vol werklust en energie. Zij rekenen alleen op eigen kracht en vragen
niets van het bestuur, en mijn eenige ergernis is, dat dergelijke
kolonisten op deze wijze aan onze eigen bezittingen ontrouw worden.
Dit geheele gedeelte van Sumatra geeft ons aldus een merkwaardig
voorbeeld van een woest en zoo goed als verlaten oord, door
menschelijke werkzaamheid binnen het vierde van een eeuw veranderd
in een grooten tuin, zonder een van die heftigheden of misbruiken,
die op koloniale ondernemingen vaak een zwarte vlek werpen. Wij zullen
in de aangrenzende provincies een geheel tegenovergestelden toestand
vinden, een oorlog, die nu al 27 jaren met onverbiddelijke strengheid
gevoerd wordt tegen het rijk van Atjeh.
Reeds herhaalde malen zijn wij bij vorige reizen langs deze gevaarlijke
kust gevaren; dezen keer zullen wij in het land binnendringen. Wij
hebben vergunning gevraagd, om te Segli aan wal te gaan op de oostkust
en over land Kota Radja en Olehleh te bereiken. Een klein adviesjacht
haalt ons 26 Mei af en zet ons den volgenden morgen om tien uur aan
wal bij den post te Segli.
Het koninkrijk Atjeh heeft oudtijds 't Oosten met zijn glorie
vervuld. In de 17de eeuw verjoeg sultan Ibrahim, veroveraar van Pasei
en van Pedir, de Portugeezen uit Sumatra en bracht den krijg over
naar hun bezittingen op Malakka. In de tijdruimte van veertig jaar
bombardeerden de atjehsche vloten vijfmaal de stad Malakka. In 1739
namen zij in de haven zeven portugeesche schepen, en de sultan zond
als een bespotting de matrozen en de soldaten van de bemanning terug
met afgesneden neuzen en ooren. Engeland en Frankrijk zonden toen
gezantschappen naar Iskender Moeda, den nieuwen Alexander. Admiraal
de Beaulieu heeft de pracht van het paleis, waar hij ontvangen werd,
beschreven en de reusachtige citadel, welker omtrek meer dan een
halve mijl groot was. Ook troffen hem de fabelachtige schatten
van den sultan, de danseressen, behangen met edelgesteenten, de
geweldige artillerie en cavalerie, de tweehonderd strijdolifanten en
de driehonderd goudsmeden, die onafgebroken bezig waren, onschatbare
gesteenten voor den vorst te ciseleeren. In het midden van die eeuw
waren de atjehsche zeelieden de stoutmoedigste zeeroovers, die ooit de
zeeën onveilig hebben gemaakt. Lang weifelden de Hollanders eer zij
een oorlog begonnen, waarvan zij zich de moeilijkheden en bezwaren niet
ontveinsden. Herhaaldelijk zonden zij naar Kota Radja gezantschappen,
die door den sultan met beleedigende hoogheid werden ontvangen. Jaar
op jaar werden handelsvaartuigen aangevallen en uitgeplunderd. In
1873 moest men den weg van vrede en overreding verlaten; de oorlog
werd den 26sten Maart verklaard.
De eerste expeditie was niet gelukkig. De Nederlandsche troepen
bestonden slechts uit vier bataljons en één batterij. Zij landden
op 6 April te Kota Tjermin ten noorden van Olehleh, nauwelijks 3 1/2
KM. van Kota Radja verwijderd. Het terrein, door smalle, moerassige
wegen doorsneden, lag vol dorpen, die beschermd werden door hooge
heiningen van toegespitst bamboe. Den 10den stieten de Hollanders
na een reeks bloedige gevechten op de versterkingen rondom de groote
moskee en maakten zich er van meester. Toen ze genoodzaakt werden die
te ontruimen, kwamen ze den 12den terug en drongen er opnieuw binnen,
maar de hoofdbevelhebber, generaal Köhler, werd gedood, en den 17den
April namen de Hollanders den terugtocht aan en scheepten zich weer
in, nadat ze te vergeefs beproefd hadden, den omtrek van den Kraton,
de citadel, te verkennen.
Den 7den December daaraanvolgende ging een geheele divisie, van 7000
man ongeveer, aan land op het Atjehsche kustgebied, niet ver van de
monding der Atjehrivier. Er waren 45 dagen noodig voor de verovering
van het terrein, dat zich tot den kraton uitstrekte. Men trok als
blinden voort over den met hindernissen overdekten grond, met hoog
gras of suikerrietvelden begroeid. Den 26sten December ontstaat er een
verwoed gevecht. Het middelpunt der stelling, waartegen de Hollanders
hardnekkig vochten, was een hooge verschansing, waarvan men den top
flauw tusschen het struikgewas kon onderscheiden. Het bleek echter,
dat de rivier er den voet van bespoelde en de sterkte scheidde van
de aanvallers, op wie een vernietigend vuur werd gericht.
Tot op den laatsten dag was men niet zeker van de juiste ligging der
versterking. De verkenningen, die werden gedaan, leidden er slechts
toe, dat de uitgezonden manschappen in het dichtste kreupelhout
plotseling besprongen werden door wilden met kris en klewang. Als
woeste dwepers sloegen ze op de soldaten, en lagen ze geveld ter aarde,
dan nog waren hun laatste stuiptrekkingen van bedreigingen vergezeld.
Generaal van Swieten had getracht, onderhandelingen met den sultan aan
te knoopen. Een Javaan, Mas Soemo Wikidjo, offerde zich op, door zich
met het overbrengen van een brief te belasten. Afschuwelijk gemarteld,
werd hij begraven, vóór hij nog geheel dood was; met bovenmenschelijke
inspanning werkte hij zich los uit zijn graf en sleepte zich naar
de hollandsche linie, waar hij, bij de voorhoede aangekomen, den
geest gaf.
Toen eenmaal de citadel vermeesterd was, dacht men den oorlog ten
einde. De sultan was aan de cholera gestorven, zonder een erfgenaam na
te laten. Generaal van Swieten geloofde, dat het verzet in 't vervolg
geen aanvoerders zou kunnen vinden. Hij lokte de terugroeping van
een groot deel der troepen uit. Zijn opvolger, kolonel Pel, behield
slechts 3000 man. De verovering van Kota Radja had aan de Hollanders
gekost acht-en-twintig officieren en duizend vier-en-twintig soldaten,
die gedood waren of gestorven aan hun wonden.
De weinige troepen, in den kraton achtergebleven, werden er weldra
belegerd. De Hollanders hadden gehoopt, slechts een hoogmoedig vorst
te moeten vernederen; zij vonden tegenover zich een wanhopig, tot
het uiterste gedreven volk, dat hartstochtelijk op zijn vrijheid was
gesteld. Eén man, Panglima Polem, was de ziel van het verzet, maar
de organisatie bij de Atjehers was toch zóó, dat zijn verdwijning
niets aan de zaak zou hebben veranderd. Het land is in provincies
of sagi's verdeeld, door een panglima bestuurd, en deze provincies
worden op hun beurt door districten gevormd, die genoemd worden naar
het aantal dorpen of moekims, waaruit ze bestaan. De districtshoofden
hebben over hun onderdanen en hun vazallen een onbeperkt gezag,
en men zou met elk van hen afzonderlijk hebben moeten onderhandelen.
Weldra verrezen er in de omstreken van Kota Radja een menigte bentings
of forten, en de gemeenschap met de kust werd nog voortdurend
bedreigd. Elken dag hoorde men van nieuwe gevechten; nauwelijks
had men een taak ten einde gebracht en een nieuwe versterking doen
verrijzen, of een eind verder moest weer worden opgetreden, zoodat het
terrein voet voor voet moest worden veroverd. In Juni 1875, achttien
maanden na den val van den kraton, besloeg het door de Hollanders
bezette grondgebied nauwelijks een dertigtal vierkante kilometers,
en de troepen hadden er, om zich te verdedigen, acht-en-dertig
posten moeten vestigen. De vijandelijkheden duurden voort, en de
oorlog had een karakter, van zoo groote verbittering blijk gevend,
dat er voortaan geen overleg tusschen beide volken mogelijk was,
en de breuk onherstelbaar moest heeten.
Tegen het midden van 1877 gelukte het generaal Pel, eindelijk een
serie posten in 't leven te roepen en die onderling te verbinden,
zoodat er rondom Kota Radja tot aan de zee een beschermende gordel van
versterkingen ontstond. In dien kring, waarvan de grootste middellijn
niet langer was dan tien kilometer, zijn de Hollanders gedurende
twintig jaren opgesloten moeten blijven.
Sedert eenige jaren zijn nu echter de troepen versterkt, en onder
hun energieken leider, den opperbevelhebber generaal Van Heutsz,
is de verovering van het dal der Atjehrivier voltooid. Tegenwoordig
leidt een spoorweg naar Selimoen op 40 K.M. afstands van de zee. Een
andere, beginnend bij Segli, loopt naar het binnenland voort tot
Padang Tidji, en een derde lijn loopt langs de kust en moet later op
Medan aansluiten.