Wij vertrekken den volgenden dag in booten. Het opbreken vordert

langzaam. Het zal moeilijk gaan, ergens wezens aan te treffen,

die slapper en trager en langzamer zijn dan de Maleiers uit deze

streken. Zij schijnen de indolentie van de Oosterlingen te voegen

bij het phlegma van de Hollanders, en men vindt in deze landen buiten

kijf de nonchalantste kleurlingen en de luiste inboorlingen. Wij zijn

reeds op bij het aanbreken van den dag; maar het is acht uur eer wij

kunnen vertrekken en de bijeengebrachte bagage eindelijk in de booten

is gebracht.

De rivier is een zestigtal meters breed en stuwt in diepe bedding een

snelvlietenden stroom voort tusschen verlatene, met bosch begroeide

oevers. Van tijd tot tijd doet een plotselinge vernauwing of een

rotsmassa in den stroom een versnelling ontstaan. Het kookt en bruist

daar, en de stuurman heeft moeite de boot door den nauwen doorgang

te voeren; de voorsteven plonst in het schuim, nevels stijgen op, en

onze roeiers zetten de beweging der riemen voort in een stille kom,

waar 't kalme water vreedzaam sluimert tusschen de rotsen.

Wij dalen vlug door het woud; de laatste boomen buigen hun takken

naar de rivier, waarin hun wortels zich baden. Men ziet niet anders

dan dit eerste gordijn, niets dan lianen, die zich om elkander heen

strengelen, en de rijzige stammen, die loodrecht oprijzen. Troepen

apen springen vroolijk van tak op tak en zien ons komen; maar dan,

door een plotselingen schrik overmand, springen ze weg en vluchten in

het dichtste kreupelhout. Het is mooi weêr en in de groene galerij,

waar wij door varen, verfrischt ons een aangename koelte. De blauwe

lucht straalt over de boomen op den top der rotsen, en groote, roode

arenden vliegen op met breeden vleugelslag, beschrijven cirkels in

de lucht en blijven boven onze hoofden zweven.

Tegen half één komen wij te Moeara Mahé bij de samenvloeiing van de

Soengai Mahé met de Kampar. Er wordt ons verteld, dat wij dienzelfden

avond te Bengkinang zullen kunnen zijn, om daar te logeeren, maar de

schatting van de afstanden is zeer uiteenloopend en verschilt van een

enkelen tot een drievoudigen afstand. Er zijn er, die beweren, dat

wij er in drie uren kunnen zijn, en anderen zeggen, dat we tien uren

noodig hebben. In die omstandigheden is het verstandiger, tot morgen

te wachten. Bovendien is onze bagage nog niet aangekomen; wij hebben

niet gegeten, en die ceremonie mag toch niet worden overgeslagen.

Op den oever der rivier staat een ellendige hut, omringd door een

hooge bamboe-palissade. Er zijn een rieten dak, een houten vloer

en wanden van boomschors. Binnen rusten een paar ruwe bedden van

gezaagde planken op schragen, een dikke laag stof bedekt de muren en

den vloer, en er kruipen verschillende insecten rond, die wij eerst

moeten verwijderen. Ieder doet mee aan die jacht, en wij gaan op een

klopjacht tegen een monsterachtigen duizendpoot, waarvan het lijk,

toen wij de maat namen, 22 c.M. lang is.

Ik beproef, 's avonds op de echte jacht te gaan, hoewel de kneuzingen

van mijn val van gisteren nog zeer pijnlijk zijn. Achter het huis

gaat de weg langs, die naar Batoe Bersoerat leidt en verder naar Batoe

Gadjah aan de Taboeng Keri; dien volgde ik eenige kilometers ver. Dicht

jungle bedekt de streek, en ik kan nergens een pad vinden en geen

enkel spoor, dat er binnen leidt. Ik weet niet, of het wild schaarsch

is of dat het er zich overvloedig ophoudt; mijn gidsen beweren, dat

er herten zijn en wilde zwijnen in grooten getale. Ik tref het dan

al heel ongelukkig, of brengen ze mij niet op de plaatsen, die het

best geschikt zijn voor de jacht? Ik hoor noch zie iets. Een diepe

stilte zweeft over het woud, en ik kom druipend van zweet thuis,

zonder één schot gelost te hebben.

Het vertrek den volgenden morgen gaat wat vlugger dan den eersten

dag. Wij steken de Kampar over, om dadelijk aan den overkant onzen weg

te vervolgen. Er is bij de samenvloeiing zelve een stroomversnelling

of liever een waterval, waar de roeiers niet door willen gaan, zonder

dat ze eerst de lading aan wal hebben gebracht. Dus moeten we onze

pakken en kisten transporteeren tot beneden aan de watervallen. Wij

vinden er een alleraardigst bootje met een dek en met een lichte

zonnetent aan de achterzijde. De controleur van Bengkinang heeft

het ons toegezonden. De andere booten, met kracht geroeid, schieten

als pijlen tusschen de rotsen door, waar het woedende water schuimt

en opspringt; ze scharen zich daarna langs den wal en wij zetten

den tocht voort. Het is hetzelfde landschap als gisteren; dezelfde

opeenvolging van vernauwingen en verwijdingen. Spoedig wordt echter

het geheele dal breeder; de stroom krijgt een rustiger karakter; maar

er verrijst weer een lijn van heuvels vóór ons, en daarna nog een,

en de rivier, die er zich een weg doorheen baant, rijst en schuimt

en slaat met kracht tegen de rotsen.

Dit zijn de laatste golven van den oceaan van bergen, die hier dichtbij

zijn einde vindt, daar waar de aanvang is der oneindige vlakte. Wij

krijgen te Poeloe Gedang andere roeiers. Er was daar bij het dorp een

post, die er gevestigd werd ten tijde van de expeditie tegen de Lima

Kota, en dien men opgegeven heeft na de stichting van Bengkinang. Er

is niets van over dan enkele ellendige hutten en aan den oever der

rivier een koepeltje, waar de commandant waarschijnlijk des avonds

een hypothetisch koeltje ging opvangen. Dichtbij Poeloe Gedang woonde

de Europeaan, dien de menschen uit Lima Kota verleden jaar hebben

vermoord. Hij was prospector en werd uitgezonden, om te onderzoeken of

er goudmijnen waren. Hij gedroeg zich, naar het schijnt, wreedaardig

en leidde een losbandig leven, hetgeen de Hollanders eenvoudig hieraan

toeschrijven, dat hij een Engelschman was. In zijn woning werd hij

's nachts overvallen en met bijlslagen letterlijk doodgehakt.

Boven Poeloe Gedang volgen wij nog één of twee kilometers ver den voet

der heuvels en komen dan op de vlakte uit. Ik wacht noch voortdurend op

het echte oerwoud, dat woeste, majestueuse, dat mijn voorkeur heeft;

maar ik vind langs de oevers slechts kleine, grazige hoogten en de

grens van het bosch wijkt aan beide zijden ver terug, zoodat men maar

nauwelijks hier en daar de toppen van de boomen kan onderscheiden. Wij

overschrijden de grenzen van de Lima Kota, en bereiken het eerste dorp.

De Lima Kota zijn een samenvoeging van vijf districten, Koeok, Salo,

Bengkinang, Air Tiris en Roembio. Het grootste van die districten,

dat van Bengkinang, wordt bewoond door ongeveer 4 à 5000 inwoners. In

ieder gehucht zijn de huizen geplaatst langs de rivier en liggen

verspreid over een smalle strook gronds, die met kokospalmen beplant

is. Daarachter verbouwen de Maleiers rijst op hun niet al te goed

verzorgde rijstvelden, en verderop strekt zicht eindeloos ver het

bosch uit. Er zijn in ieder dorp een zeker aantal datoes of edelen,

die maar over betrekkelijk weinig invloed beschikken, en als er niet

voortdurend strijd was tusschen de naburige kota's, zouden de menschen

hier in een staat van zorgelooze anarchie kunnen leven.

Te Salo ontmoeten we den controleur en den kapitein van de troepen

te Bengkinang, die ons te gemoet zijn gereisd, en om één uur komen

we bij den post aan. Op den oever staan, op een rij, het huis van den

controleur, dan dat van den dokter, den kapitein, den luitenant. Alle

woningen, op palen gebouwd, twee meter ongeveer boven den grond,

zijn vrij geriefelijk ingericht, maar de soldaten zijn in zeer

treurige hutjes ondergebracht. De inlandsche soldaten wonen in

maleische hutten, en daar er onder hen getrouwden zijn, heeft men

voor hen onder de woningen op den grond kleine verblijven ingericht,

afschuwelijk laag en nauw, waar zij toch met genoegen schijnen te

huizen; maar die verscheiden dieren hardnekkig zouden weigeren te

betrekken. Het is echter slechts een voorloopige maatregel, en men

gaat er weldra verbetering in brengen.

Bijna alle officieren zijn getrouwd, en ondanks de eenzaamheid van

dezen post en den primitieven toestand van het land, hebben hun vrouwen

hen vol heldenmoed gevolgd. Het leven is er niet vroolijk, dat is waar;

maar ieder aanvaardt het zonder zich te beklagen, en daar men er goede,

moreele toestanden heeft, is de gezondheidstoestand ook voldoende.

Onze komst is nog al een gewichtige gebeurtenis. Men heeft ons

huisvesting aangeboden, zoo goed en zoo kwaad als het ging in een klein

vertrekje, en te recht heeft men ons geen geriefelijker, prettiger

kamers afgestaan, want wij zijn slechts doortrekkende reizigers,

terwijl de anderen hier blijvend zijn. Onze beide bedden, geplakt

tegen den wand van boomschors, vullen onze geheele ruimte, en de zon,

die door breede spleten binnenschijnt, maakt er een gloeienden oven

van, waar wij bij de siësta op de matten liggen met brandend hoofd

en kloppende aderen, door ons oververhitte bloed.

Des avonds brak er gelukkig een onweêr los van ongehoorde hevigheid;

de wolken, door den stormwind voortgedreven, barstten en goten een

waren zondvloed uit. De door de bui verlaagde temperatuur staat ons dan

toe, zonder al te groote vermoeidheid deel te nemen aan den copieusen

maaltijd, ons door het garnizoen van Bengkinang aangeboden.

Den volgenden en den daarop volgenden dag gaan wij verder de Kampar

af. De rivier beschrijft veel bochten door een vlakke streek van

hopelooze eentonigheid. Yan tijd tot tijd beschut een boschje van

palmen op den oever eenige verspreide hutten, en dan volgt het bosch,

niet dicht hier, maar nogal schraal en afgebroken door moerassige

vlakten, waar buffelkudden grazen. Het traagvloeiende water loopt om

zandbanken heen, waar krokodillen lange sporen hebben achtergelaten;

maar te vergeefs tracht ik die leelijke dieren te zien te krijgen en

te schieten. Toen de roeiers vroegen, of ze een weinig rust mochten

nemen, legden wij aan bij een dorp. De Maleiers zien ons nieuwsgierig

aan, maar leggen in het minst geen vijandelijke stemming aan den dag.

Het is ons intusschen niet mogelijk, levensmiddelen te koopen. Wij

hadden gehoopt kippen en eieren te krijgen; maar wij moeten ons

tevreden stellen met rijst en ingemaakte dingen. Onze bedienden maken

een afschuwelijk smakend maal gereed, waarvan rijst en kokosolie

hoofdbestanddeelen zijn en dat wij toch maar inzwelgen, gekruid

met een massa specerijen. Zoo geeft iedere maaltijd aanleiding tot

hevigen dorst, dien wij niet durven lesschen met het slijkerige water

der rivier.

Wij hebben den nacht van den 5den Mei gesleten in de woning van den

radja van Tambang. Dat hooge personnage is afwezig; hij is sinds

eenige dagen op reis naar Siak; maar te oordeelen naar het paleis,

dat hij bewoont, is hij niet een van die pompeuze opperhoofden,

waarmee de verhalen uit het Oosten opgesmukt zijn. Zijn huis is in

niets verschillend van die zijner onderdanen. Het is een nauwe en

vuile hut. Onze vier legersteden, want de controleur van Bengkinang is

met ons gegaan, staan in het eenige vertrek, dat er geheel door wordt

ingenomen, zoodat wij om beurten naar bed moeten gaan en opstaan. Vóór

het huis staat de baleh-baleh, een lange bank, waar, op de dagen van

den Grooten Raad, de datoes van Tambang voor hun beraadslagingen

samenkomen. Op den oever staan op een plank, tegen een kokospalm

gespijkerd, in 't Maleisch de naam en de titel van dit oord te lezen.

Den 6den Mei, om één uur in den namiddag, zijn we te Teratak

Batoe gekomen. Van dat dorp gaan alle booten uit, die de Lima

Kota en de Goenong Sahilan van levensmiddelen moeten voorzien. Het

binnenvaren van de Kampar is zeer moeilijk voor de jonken, komend

uit Singapore. De rivier ligt vol zandbanken, die bewegelijk zijn

en zich snel verplaatsen en bij vloed is het er een zeer gevaarlijk

vaarwater. Zelden waagt een boot het, de bank over te varen. Alle

handel gaat langs de rivier de Siak, die beter bevaarbaar is en wel

tot aan de samenvloeiing van de beide Taboengs.

Gewoonlijk worden de goederen ontscheept te Pekan Baroe en daarna

op den rug van koelies naar Teratak Batoe gebracht. Wij zullen

morgen denzelfden weg in tegenovergestelde richting volgen. Het is

een vrij druk dorp en wij kunnen er zonder bezwaar ons van dragers

voorzien. Den 7den nemen wij bij het aanbreken van den dag afscheid

van den controleur van Bengkinang, die weer naar zijn post terugkeert

en wij maken ons tot het vertrek gereed. De etappe is niet bijzonder

lang, slechts 20 KM., maar wij willen graag ter plaatse zijn vóór

het te warm is. Wij doen ons best, de koelies bijeen te krijgen. Ze

komen één voor één aanzetten, zonder zich te haasten, en ieder kiest

zijn pak. Er komen daar eindelooze twistgesprekken uit voort, en niet

eerder dan acht uur zijn ze er mee gereed.

Eindelijk zien wij den laatsten man verdwijnen, die op zijn hoofd al

pruttelend het zwaarste van onze valiezen draagt, hem door de anderen

overgelaten. Wij gaan op onze beurt uit Teratak Batoe. Om wat tijd

te winnen, gaan we eerst per boot op weg. Wij volgen in zeer kleine

bootjes een arroyo, dat is een soort van smal kanaaltje, dat zich in

het onder water staande woud verliest. Zoo varen wij vijf kilometer

ver door een berceau van boomen en slingerplanten. De doorgang is

nauwelijks drie of vier meter breed. Knoestige stammen reiken over het

water, en wij buigen de hoofden en de ruggen, om ons niet te stooten.

De roeiers bewegen kalmpjes de pagaaien naar rechts en links; het

oog dringt door onder een donker gewelf, waarin dicht opeenstaande

zuilen van allerlei afmeting en allerlei vorm uit den grond oprijzen,

waar een vaal, rottend plantenkleed gespreid ligt. Een volkomen stilte

heerscht in het woud. Men hoort noch het lied van een vogel, noch 't

geluid van een insect. De boot glijdt zonder moeite over het zwarte

water. Bijwijlen verlicht een plotselinge helderheid de veelkleurige

kleedingstukken van de roeiers der eerste boot, en de bedding der

arroyo, met groen mos bedekt, verspreidt glanzen als van fluweel. Dan

op eens zijn we weer in de schaduw. Dezelfde fantastische omgeving

volgt ons een heelen tijd en 't is, of we in een tooverwereld zijn,

waar alle echte leven ontbreekt. Het komt ons voor, dat het dorp,

dat we nog zoo kort geleden hebben verlaten, nu van ons gescheiden is

door een onmetelijk wijde vlakte. Dit is een wereld buiten ons; domein

der plant, en de menschen, eenzaam en alleen in deze groene wereld,

komen zwijgend onder den indruk der souvereiniteit van het woud.

Nu gaan wij in den brandenden zonneschijn verder. Het harde gras

breekt bros af onder onze schreden en slaat ons nu en dan in het

gezicht. Aan beide kanten hebben herhaalde branden den grond bedekt

met zwarte resten van boomen. De vlammen hebben hun verwoestingen niet

zeer ver uitgestrekt. Zij hebben hun eind gevonden aan den voet van den

groenen muur in de laagte, daar, waar de sappen door de takken dringen

en van de groene twijgen in lange slingers de lianen afhangen. Het

voetpad, dat zachte golvingen vertoont, stijgt over een heuvel en

loopt dan verder 't woud in. Omgevallen boomstammen liggen op den

weg, half ondergedompeld in het dikke, vuile slib. Men loopt hier

angstig en aarzelend en zoekt van boom tot boom naar vaste steunsels

voor den voet. Het is zwaar werk, zulk een tocht in de overweldigende

hitte. Geen enkel zuchtje beweegt de bladeren en een warme wolk hangt

boven den grond.

Inboorlingen komen ons tegen, moeilijk loopend met zware lasten

op het hoofd. Wij nemen wat rust bij een hut aan den rand van het

bosch, onder hooge palmen. Onze gidsen brengen ons kokosnoten. Met een

enkelen slag van hun mes slaan zij er een stuk van de groene schil af,

ontblooten het hout en in het inwendige doet zich het doorschijnende

vocht nog helderder voor, doordat het witte ivoor van 't vruchtvleesch

zich er in spiegelt, en wij drinken met lange teugen den heerlijken,

frisschen drank.

Wij vertrekken; bij een bocht van het pad zien we tusschen 't hooge

gras een troep reizigers haastig op ons afkomen. Een van hen draagt

den witten helmhoed van de Europeanen, 't Is de controleur van Siak,

die ons tegemoet komt. Wij zijn dichtbij het doel, en van een kleine

hoogte overzien we de rijstvelden rondom Pekan Baroe. Het dorp is niet

anders dan een straat, die loodrecht op de rivier staat. De palen,

die de laatste huizen schragen, staan met hun voeten in het natte

slijk, dat bij hoog water overstroomd is; de straat zelve is met een

houten vloer bedekt, die tot de aanlegplaats door loopt.

Pekan Baroe is een belangrijke marktplaats. Er wordt een vrij levendige

handel gedreven in boschproducten, en die handel is bijna geheel in

handen der Chineezen. Men vindt die menschen overal, in alle huizen,

sommigen rustig hun lange pijp rookend, anderen druk, bewegelijk en

met duizend kleinigheden bezig. Enkelen van hen zijn aan de rivier

bezig, met hun hielen ballen guttah percha te kneden; ze houden zich

met beide handen vast aan touwen, bevestigd aan de zoldering van een

loodsje en balanceeren op lachwekkende, gehaaste manier.

Een stoomsloep brengt ons naar Siak. De vloed komt op, en wij varen

langzaam tegen den stroom. De rivier biedt een treffende tegenstelling

aan met de Kampar; zij heeft niet de grillige bochten en zandbanken en

de gele leemen wanden van de bedding, aanhoudend ondermijnd door den

stroom. Neen, de rivier, de Siak, vloeit recht naar zee; het zeer diepe

water is sterk bruin gekleurd door de tannine van de vele wortels,

die erin ondergedompeld zijn. Bosch bedekt de oevers en daalt tot het

water af, waar het zich even in waagt, en een lijn van rietstengels en

pandanen is vooruitgeschoven, half onder water staande. De onvruchtbare

en gele grond is nergens te zien; er is geen rots, geen eiland te

bespeuren; de rivier opent door het bosch een statigen weg.

De boomen spiegelen zich in het kalme water met verrassende

duidelijkheid. Het geheele landschap vertoont slechts drie kleuren,

't roodachtig bruin van 't water, het donkergroen van 't woud, het

diepe blauw van de lucht. Het is zeer helder weder. De zon gaat snel

onder; de maan komt op; een streep van vlammend licht loopt over de

rivier, waar wij een spoor doorsnijden, dat met vreemde lichtsprankels

flikkert. In den maneschijn dreef de rivier zilveren golfjes voort;

er hangt een lichte nevel, die de boomen teeder omhult, terwijl die

laatste even huiveren onder het lauwe koeltje, dat uit zee komt. Tegen

elf uur worden in de verte enkele lichten zichtbaar, roode punten op

de hoogte van het water. Wij gaan in een wit, eentonig licht verder,

dat rustig de stad, de rivier en het slapende woud beschijnt.

De sultan van Siak was oudtijds een machtig souverein. Twee eeuwen

geleden strekte zijn gezag zich uit over Asahan, Langkat en Deli. De

afstammeling van die doorluchtige vorsten heeft ons onder een soort

van loods de graven van zijn voorouders laten zien, van wie één,

Achmed de Groote, zelfs het machtige koninkrijk Atjeh onderworpen

heeft. Hij bestuurt tegenwoordig niet anders dan de armoedige, bijna

verlaten streek, die besproeid wordt door de beide Taboengs.

Hij woont in een paleis, dat in moorschen stijl is gebouwd en op

eenigen afstand der rivier in een tuin staat. De meubels, door de

eene of andere duitsche firma geleverd, zijn van een formidabel

slechten smaak; in den grooten salon ziet men kristallen fauteuils

met kussens van rood fluweel, en alles weerkaatst het felle licht,

dat binnenstroomt door breede vensters, waar zware gordijnen naast

hangen. Portretten van den sultan hangen aan de muren; hij is in

europeesche costumes voorgesteld. Op deftige ontvangdagen draagt hij

de uniform van generaal met zeer veel goudborduursel. Hij is eenige

jaren geleden naar Europa gegaan en heeft zijn portret laten maken

in elke hoofdstad, die hij met een bezoek vereerde.

Aan Parijs heeft hij een ontroerende herinnering behouden. Hij vertelt

mij van de wandelingen en rijtoeren, die hij er gedaan heeft en van

de mooie vrouwen, die hij er heeft ontmoet, en zonder twijfel zijn de

vrouwelijke bekenden, die hij er heeft gekregen, door zijn raadgevers

in groote naïveteit gekozen, want hij beklaagt zich erover, dat hij ze

niet altijd belangeloos heeft bevonden. Ik vraag den sultan, of hij

niet binnen kort weer een reis naar 't Westen gaat ondernemen, maar

hij zucht eens en legt mij uit, in hoe slechten staat zijn financiën

zijn, die hij vergelijkt met de verbazend hooge inkomsten zijner

neven, de vorsten van Langkat en Deli. Hij hoopt, dat eens een paar

op avonturen uitgaande kolonisten uit den ondankbaren grond, dien hij

bezit, heerlijke plantages zullen tooveren of ongehoord rijke mijnen,

en op dien dag zullen zijn opgestapelde schatten hem vergunnen het

leven te leiden, dat hij wenscht. Hij begunstigt dan ook uit al zijn

macht de ondernemingen en de proeven der nederlandsche regeering.

Siak viert op dit oogenblik feest. De sultan huwt twee zijner nichtjes

uit, en talrijke bezoekers zijn gekomen uit alle kleine staten,

die verspreid zijn langs de kusten van Malakka en Sumatra. De stad

is gebouwd op den linkeroever der rivier; het is een groot dorp,

welks bewoners enkel leven van de boschproducten en de mildheid van

den vorst. De controleur en de luitenant die bevel voert over het

kleine garnizoen, zijn gevestigd op den rechteroever, en de rivier

stuwt haar golven tegen de smalle reeks van woningen.

Wij hebben bij den controleur de vriendelijkste ontvangst gevonden,

en na de dagen van onze bezwaarlijke reis zijn de beleefdheden en

attenties der lieve, jonge vrouw des huizes een verkwikking en doen

ons de rust, die wij zoo noodig hebben, nog te meer waardeeren. Wij

moeten hier drie dagen blijven en zijn letterlijk gevangenen; er is

geen andere weg dan de rivier en wij moeten op de eerstvolgende boot

wachten, die ons naar Bengkalis en naar Singapore zal brengen.

Onze drie dagen worden gebruikt voor het in orde brengen van

onze reisnotities. We gaan 's avonds naar den schouwburg van den

sultan. Een troep, uit Penang gekomen, speelt perzische stukken,

waarin peri's strijden om de liefde van een vorst. De woorden

worden in 't Maleisch gezegd; maar de muziek is voor een groot deel

ontleend aan het zigeuner-répertoire, en het is verrassend, hier,

in dit achterafhoekje van Sumatra, te luisteren naar walsen, welke

wij den vorigen zomer maar al te dikwijls hoorden in de cafés op den

boulevard en in de tenten van het Bois de Boulogne.

Het orkest, bestaande uit één piano en twee violen, wordt gedirigeerd

door een Pers, gekleed in witte broek en lange jas, karikatuurachtige

persoonlijkheid van zeer bijzondere magerheid. Hoewel wij nu nog

maar vijf maanden in Indië hebben vertoefd, kunnen wij gemakkelijk

de ontwikkeling der intrige volgen; zoo gemakkelijk leert men het

Maleisch. Het publiek is mild met zijn toejuichingen voor de min of

meer onkiesche grappen van den eersten acteur. Dicht in onze buurt

lacht de radja van Tambang, bij wien wij gisteren gelogeerd hebben, dat

hem de tranen over de wangen vloeien, en neemt op den grooten stoel,

waarop hij gehurkt zit, houdingen aan van een oestiti. De vorst van

Goenong Sahilan, een nog zeer jonge man met een ziekelijk uiterlijk,

kijkt met een begeerigen blik naar de blijken van een weelde, die

hij ook spoedig zal leeren kennen, als zijn onderdanen de bewondering

deelen, die hij gevoelt voor de administratie der Hollanders.

Morgen vroeg verlaten wij Siak; de boot, die ons zal meenemen, is

zoo juist gepasseerd, stroomopvarend naar Pekan Baroe. 't Is een

chineesche stoomboot, de Pekang, akelig vuil. Wij zullen het er niet

te best hebben; maar wij moeten wel besluiten, er toch maar gebruik

van te maken, om niet nog weer vier dagen hier te blijven wachten.

Penang, 2 Juni.

Nu loopt onze reis op het eind. Wij zijn gisteren te Penang aangekomen

uit Olehleh, en wij zullen naar Singapore terugkeeren, om daar op de

paketboot te gaan, die ons naar Frankrijk moet terugbrengen.

Den 11den Mei zijn we uit Siak vertrokken, om tien uur 's morgens en

we zijn allereerst naar Bengkalis gegaan. De rivier biedt tot aan haar

monding denzelfden aanblik aan als boven Siak. Het woud blijft overal

de oevers volgen in doodsche, sombere rust, en 't bruine water golft en

trilt bij het voorbijvaren van onze boot tot aan het zwaar gebladerte,

dat zich spiegelt in het water, waar het door bespoeld wordt.

Van Batavia naar Atjeh, dwars door Sumatra De Aarde en haar Volken, 1904 · 第 5 / 7 段