gelukt het, de orde te handhaven in een beperkt gebied rondom enkele
dorpen, als Telok Semaweh, Edi, Melaboe. Het onmetelijke grondgebied
van 't rijk Atjeh, dat een vierde van het eiland Sumatra beslaat, is
eigenlijk nog voor 't grootste gedeelte onbekend. Over een lengte van
500 K.M. is alles woest buiten een smalle strook lands langs de zee
en de straat van Malakka. De kaarten vertoonen slechts enkele hooge
toppen, die van de kust af te zien zijn op grooten afstand, en in de
geheimzinnige valleien, die naar het binnenland voortloopen, zullen
de opstandelingen nog langen tijd een veilige schuilplaats vinden.
Wij zijn slechts twee uren te Segli gebleven, en we zijn per spoor
naar Padang Tidji vertrokken. Wij reizen met een detachement, dat
van een verkenningstocht terugkeert. De officieren en ook de dokter
dragen allen een ontbloote sabel in de hand, want in dezen oorlog van
hinderlagen is elke ontmoeting een gevecht, dat beslist moet worden in
een strijd van man tegen man. Hoewel de Atjehers met geweren gewapend
zijn, houden ze zich graag aan de tactiek, die hun vroeger zoo dikwijls
de overwinning bezorgde. Zij werpen zich na een eersten aanval verwoed
op den vijand, en als die laatste een geoefend krijger is, met goede
geweren gewapend, is zulk een methode vernietigend voor wie er zich
van bedienen. In dit land met zijn vele bezwaren, met dicht struikgewas
begroeid, zoo geschikt voor hinderlagen, zou een voorzichtige vijand,
zooals bij voorbeeld de vroegere zeeroovers uit Boven Tonkin, aan de
Hollanders spoedig onherstelbare verliezen toebrengen.
Padang Tidji is een voorloopige post op de plek, waar vroeger
Panglima Polem woonde. Men ziet nog midden in het kamp de graven van
de voorvaderen van dezen heftigen Europeanenvijand. Het garnizoen
bestaat gewoonlijk uit één bataljon; maar op dit oogenblik zijn drie
compagnieën op verkenning uit. De inrichting is dood eenvoudig. Enkele
simpele hutten staan regelmatig in een vierkant met zijden van 150
M. lang en zijn omgeven door een palissade met prikkeldraad. Daar de
meeste soldaten getrouwd zijn, vindt men op dit oogenblik in den post
ongeveer 150 mannen en 470 vrouwen of kinderen, wat wel een origineel
verschijnsel mag heeten.
Er wordt ons verteld, dat een troep van tweehonderd Atjehers den weg
naar Selimoen dien morgen is overgetrokken.
Een detachement infanterie en een peloton cavalerie zijn hun te gemoet
getrokken. Om drie uur keeren de ruiters terug; de Atjehers hebben
zich, zonder tegenstand te bieden, teruggetrokken, na eenige schoten
te hebben gelost. Twee gevangenen, wier handen gebonden zijn aan het
zadel van een paard, loopen in trotsche houding, met kalm, uitdagend
gezicht. Men schrijft aan de Atjehers graag allerlei ondeugden toe;
men zegt dat ze liegen en spelen, dronkaards en luilakken zijn;
maar het zijn stellig en zeker dappere kerels.
Den volgenden morgen vertrekken wij om zeven uur te paard naar Selimoen
onder het geleide van een peloton cavalerie. De tocht is nog al lang,
ongeveer 42 K.M. Wij hebben in 't geheel geen berichten uit Selimoen,
want de telegraaflijn is in het ongereede. Zulke ongevallen komen
dikwijls voor. Niet alleen werpen de Atjehers de palen soms omver;
maar de olifanten, die hier nog al talrijk zijn, maken zich er
ook aan schuldig. De luitenant, die bij ons was, vertelt, dat hij
nooit dien weg aflegt, zonder zulk een tweebeenigen of vierbeenigen,
hardnekkigen vijand van de telegraaf te ontmoeten. Dezen keer echter
gingen wij door een verlaten streek, waar niets eenige afwisseling
bood, en tot zijn groote spijt kon de luitenant ons geen staaltje
laten zien van het werken der hollandsche cavalerie.
Van Padang Tidji af loopt de weg in rechte lijn door de vlakte, drie
kilometers ver. Hij volgt dan een langen, kronkelenden bergkam, en
wij dalen en stijgen bij afwisseling over een steenachtigen grond,
met hoog gras bedekt. Rechts en links is het terrein ontboscht, en
laat een vrij uitzicht toe. Alleen in de diepte der kloven is een
mooie plantengroei te zien, en wij houden dikwijls stil onder hooge
boomen, waar de paarden zich aan een riviertje kunnen laven. Rechts
verrijst een alleenstaande piek, links een keten van blauwe bergen
en boven stort zich, schitterend in de zon, een groote waterval neer
in de bosschen. Het is buitengewoon warm; de kale hellingen zenden
ons de zonnestralen terug; maar de luitenant schijnt er weinig last
van te hebben. De paarden zijn vermoeid, en wij moeten den gang
wat inhouden. Het land is geheel verlaten; de Atjehers zijn totaal
verdwenen, naar het schijnt. Zij verschijnen, hoor ik, alleen nog
op dezen weg, om de gemeenschap tusschen Kota Radja en Segli te
bemoeilijken. Men ziet geen spoor van eenige cultuur; al lang moet
ieder dorp hier verdwenen zijn; er zijn geen levensmiddelen te krijgen
in dit verlaten oord.
Tegen half één houden wij stil bij een gehuchtje, nadat we door
een breede rivier hebben moeten waden. Er is geen mensch te zien
in de huizen. Een paar vrouwen op den weg zien ons vijandig aan en
verwaardigen zich niet, te antwoorden op de vragen, die haar worden
gedaan. Een inlandsch soldaat klimt in een kokospalm en doet een
regen van noten vallen, zoodat wij onzen dorst kunnen lesschen. Een
uur later zijn we, doornat van zweet, te Selimoen.
Deze post ligt uitstekend, hoog aan den oever der rivier. De gebouwen
zijn van steen opgetrokken en zijn ruim en geriefelijk. Het garnizoen
bestond verleden jaar uit een bataljon infanterie, een sectie
artillerie, en een peloton cavalerie; dit jaar bepaalt het zich tot
een divisie marechaussee. Dat is een bijzonder corps, gerecruteerd
uit de inlandsche soldaten, die zich onderscheiden hebben door hun
dapperheid, hun kracht, hun weerstandsvermogen tegen vermoeienis
en hun behendigheid in het schieten. Elke divisie staat onder het
bevel van een kapitein en omvat twaalf brigades. Elke brigade wordt
gevormd door een europeeschen en een inlandschen onderofficier, een
korporaal en zeventien man. Een luitenant heeft vier brigades onder
zijn bevel. De mannen zijn gewapend met een karabijn en een korte
sabel. Hun oorlogskreet, die bij de Atjehers zeer gevreesd is, luidt:
"Potong kapala!" (De hoofden af!) Die divisies vormen speciale troepen,
bestand tegen lange marschen, gewend aan den hinderlagenoorlog, zooals
die hier gevoerd wordt; zij bestaan nog niet lang, maar bewijzen
uitstekende diensten.
Ze zijn onafgebroken op marsch en beschermen doeltreffend de streken,
waar ze werkzaam zijn, tegen invallen van den bij uitstek mobielen
vijand, maar dien zij in bewegelijkheid op zijde streven.
Om half drie hebben wij den trein naar Kota Radja genomen. De spoorweg
is door de genie gebouwd en volgt voortdurend den linkeroever der
rivier. Het vrij breede dal wordt begrensd door bergen, welker eerste
hellingen ontboscht zijn. De zeer talrijke dorpen liggen in het groen
verscholen, te midden van palmen en bamboeboschjes, en de rijstvelden,
die ze van elkaâr scheiden, zijn op die wijs omgeven door levende,
ondoordringbare hagen. De troepen, die zich vroeger in die doorgangen
waagden, kregen een geweervuur op korten afstand van een onzichtbaren
vijand, weggedoken in 't moeras en beproefden te vergeefs, aanvallend
op te treden. Bij het dorp Lambaroe en het rijstveld van Kajoe Leh
werd een detachement van zestig man overvallen en geheel vernietigd,
en de luitenant, die het bevel voerde, hoewel maar licht gewond,
kwam te vallen en verdronk in het slijkerige water. Op dit oogenblik
geniet de Atjehvallei een bijna volkomen rust. Toch zijn er nog wel
schermutselingen, en wij zien te Indrapoera een brigade marechaussee,
die uit den trein stapt en zich vlug op weg begeeft, om dezen nacht in
't bergland te patrouilleeren.
Wij betreden te Lambaroe de ruimte, waar zoo langen tijd de hollandsche
troepen opgesloten moesten blijven. De post Lambaroe, omgeven door een
hooge, ijzeren palissade, wordt met de naburige posten verbonden door
een spoorweg, die rondom Kota Radja den boog van een cirkel beschrijft
en uitkomt aan de zee, aan den eenen kant te Lamtih, aan den anderen
te Pakang Kroen Tjoet. Op die lijn waren veertien posten gevestigd,
en andere spoorwegen, als stralen er van uitgaande, sloten zich bij
de hoofdlijn aan.
Aan de stations langs de lijn zien we slechts een klein aantal
inboorlingen. Het zijn vooral vrouwen; de mannen, die onverzoenlijker
zijn, vertoonen zich bijna niet, en halfnaakte kinderen schelden de
reizigers uit en voeren met gebalde vuisten woeste, dreigende dansen
uit. Al is er dan rust, een echte pacificatie kan men dit niet noemen.
Wij zijn slechts twee dagen te Kota Radja gebleven. Het is een
uitsluitend militaire stad, aan beide oevers der rivier gebouwd,
rondom den ouden kraton. Het is er verstikkend warm, en niets houdt er
ons terug. Niet hier is het interessante leven van Atjeh te zien. Men
zou de posten moeten kunnen bezoeken, het leven leeren kennen van de
troepen, binnen in het onbekende land doordringen, en dat alles is
ons verboden. Een boot, de Maha, vertrekt van Olehleh den 30sten Mei
en wij nemen daarop passage. Wij vertrekken van Kota Radja om vijf
uur 's avonds. Een zeeofficier, dien wij bij aankomst in de haven
ontmoeten, noodt ons zeer vriendelijk, met hem te dineeren. Zoo is
onze laatste herinnering aan Sumatra er een van gastvrijheid.
Wij zijn na den maaltijd aan boord gegaan. In de haven, die volkomen
open is, schommelt onze boot op de golven. Wij varen langs de
kust en langs 't eiland Poeloe Weh, zien op de steile, met bosch
bedekte hellingen, die de kleine Sabangbaai beschermen, waar men
op het kleine eilandje een kolenstation heeft gevestigd. Achter ons
blinkt melancholiek de vuurtoren en blijft lang zichtbaar. De maan,
pas opgekomen, beschijnt de trage golven, die zachtjes deinen op
en neer. De hooge bergen staan scherp geteekend tegen den helderen
hemel. Daar stijgen fijne nevels omhoog; de horizon schijnt te wijken,
en het wonderland, waar ik zonder twijfel nooit meer den voet zal
zetten, verdwijnt langzaam uit ons oog.