Wij stijgen langzaam en komen weldra buiten de schaduw, door de

hooge boomen geworpen. Aan onze voeten breidt zich een bosch van

kokospalmen uit, en met een regelmatige beweging wiegelen zich de

lange palmboomen. Het is helder weêr; de zon bestraalt de bergen en

het meer. Nu ziet men de watermassa in haar volle uitgestrektheid. De

zuidelijke oever schijnt woest en eenzaam; de bergen en het bosch

sluiten onmiddellijk aan bij het meer, dat hier het diepst is, en

waarin vooruitspringende deelen van 't gebergte kapen vormen.

Tegenover ons opent zich een spleet, alsof men met een bijlslag een

opening in 't gebergte had geslagen en daar, op die plek, vloeit het

overtollige water in watervallen naar beneden. Aan beide zijden van

den nauwen doorgang liggen twee eilandjes als wachters. In het Noorden

daarentegen breiden zich gouden velden uit langs zachter hellingen tot

aan den zoom van het woud. Het meer ligt in de bergen gevat als een

saffier in een juweelkistje, waarin verscheiden kostbare steenen. Op

de oppervlakte van het water tintelen enkele gouden strepen. Hier

en daar wekt de zon een weerschijn op het metalen dak der huizen,

die verspreid liggen in 't groen.

De weg loopt soms langs zulke steile hellingen, dat men vlak onder zijn

voeten den afgrond ziet, waarin het blauwe water dartelt. De gansche

omgeving spiegelt zich in den helderen hemel. Maar op eens beginnen

witte nevels te rijzen; er gaan schaduwen over de oppervlakte van het

meer, welks wateren een zwarte tint aannemen, 't Is of zij beven onder

de vurige liefkoozing der zon. Als wij boven op den top van den berg

zijn aangekomen, stralen in 't schitterend licht nog de heldere kleuren

van de rijstvelden, terwijl in het Zuiden alles ligt gedompeld in een

geheimzinnigen nevel, contrast van zeldzame, indrukwekkende schoonheid.

Wij schenken nog een laatsten blik aan dit onvergelijkelijk heerlijk

beeld; dan blaast een gure wind over de randen van den krater, en wij

spoeden ons terug naar Matoea en naar Fort-de-Kock. Het onweêr dreigt,

en op den steilen weg, die opgaat boven de Si Anoq, zetten wij onze

paarden aan, om de stortbui nog te ontgaan.

Bij onze aankomst te Fort-de-Kock vinden wij in het hôtel een

inlandsch hoofd, den laras van Soengai Poear, die op verzoek van een

onzer vrienden de taak op zich heeft genomen, ons uitstapje naar den

Merapi voor te bereiden en gidsen en dragers te huren.

Den volgenden dag zijn wij tegen den middag naar Soengai Poear

vertrokken en hebben daar een déjeûner gebruikt. De laras zet ons een

uitstekenden maaltijd voor, waarbij wij wel speciaal melding mogen

maken van de geurige gerechten, bereid van gedroogd hertenvleesch en

op de aangenaamste wijze gekruid.

Een mijner medereizigers is te Fort-de-Kock gebleven. Hij heeft

een wonde aan den voet gekregen, en daar die nogal ernstig lijkt,

heeft hij zichzelven rust opgelegd. Dus zijn we maar met ons tweeën,

en wij ondernemen de bestijging om drie uur in den namiddag. Wij

zijn op 1100 M. hoogte, en wij moeten den nacht doorbrengen in een

hut op een hoogte van ongeveer 2000 M. De weg is eerst vrij goed;

maar weldra hebben wij het eind ervan bereikt, en nu gaat het verder

over een wreedaardig moeilijk, steenachtig pad, dat al steiler wordt,

naarmate wij hooger komen. Om half zes hebben we eindelijk het doel

bereikt en gevoelen ons doodmoe. De nevel heeft zich verspreid, en wij

zien onder ons lange gelijkmatige, kale hellingen en dan, nog lager,

koffie-aanplantingen rondom Soengai Poear en in de verte Fort-de-Kock.

De koude nacht gaat rustig voorbij. Vóór het dag is, ben ik op en

begeef mij weer op weg. In langen tijd is er niemand door deze jungle

getrokken, vol varens, en verraderlijke slingerplanten, vol ook van

grassen, die snijdend scherp, en van struiken, die zwaar gedoornd

zijn. Hier en daar is het voetpad geheel verdwenen, en de gidsen gaan

het terugzoeken; sluipen, plat op hun buik liggend, onder de struiken

door en maken met hun kapmessen een smallen doorgang. Verraderlijke

kuilen gapen onverwacht, en telkens zinkt de voet in 't ledige weg,

waarna men een buiteling maakt in het natte gras. Het is nog geen dag,

en er schitteren nog enkele sterren. Als wij omkijken, zien we achter

ons boven de vlakte witte wolken hangen.

Eindelijk, na anderhalf uur, verlaten wij het bosch en de struiken. Er

ligt niets anders vóór ons dan de 200 M. hooge helling, waarlangs

de puimsteen en de zwarte lavastroomen zijn gevloeid, die nu onder

onze voeten in beweging komen. De bestijging gaat toch nog al snel,

en wij zijn gekomen op een plateau, weer door een wal omgeven. Een

tweede hoogte verrijst iets verder, en als men die over is, ziet men

in een ondiepe kom, in het midden waarvan de opening is van den krater.

Het is een zwarte put met een middellijn van 200 à 300 M., en waaruit

zonder geraas dikke dampen opstijgen. Ik loop er omheen. Naar het

Zuiden is de kraterrand wat hooger en dunner, en een scherpe punt

steekt boven de gapende diepte uit. Men komt daar langs een smalle

trap, in het gesteente uitgehouwen, zoo smal, dat men zijn handen

te hulp roept bij het stijgen, en vóór ik boven ben, houd ik even

op. Aan weerszijden gaapt de afgrond; zwavelige dampen doen iemand

bijna stikken. De enkele treden, die nog moeten worden afgelegd,

zijn pas breed genoeg, dat ik er mijn voet kan plaatsen, en de

vochtige kleverige grond biedt in 't geheel geen stevigheid. Ik ga

weer eenige meters naar omlaag en rust uit op een smal plateautje,

van waar ik een heerlijk panorama kan overzien.

Al spoedig breekt de dag aan. Een bleek schijnsel neemt bezit van den

hemel. Een windzuchtje voert de laatste wolkjes weg; de vlakte richt

zich op uit de schaduw, en 't is of zij bij 't lichter worden tot ons

nadert. Dit is 't ontwaken. Verwarde geluiden worden al duidelijker

en duidelijker, en de wind, die uit zee komt, voert de klanken van

de diepe dalen tot ons. De hooge top, het hoogst gelegen punt van den

Merapi, verbergt naar het Oosten dat deel van den horizon, waar de zon

rood schittert. Het lijkt, of een smalle purperen band licht wordt,

en op den top van den Singgalang tegenover ons teekenen de boomen

zich tegen de lucht af.

Het licht neemt toe, het blonde licht; het neemt bezit van de

dalen, terwijl beneden ons nog groote, zwarte schaduwen de bosschen

vullen. In de verte zien we de zee haar kalme golven voortrollen,

en al duidelijker worden de lichttintelingen, die erover spelen. Wij

zien de bochten van het strand; en de schitterend witte lijn van zand

wordt duidelijk zichtbaar vóór de donkere massa's groen. De bergen

rijzen met hun groenen last van bosschen naar den hemel op.

De Anei-kloven openen zich, en de rivier trekt er een schitterende

streep van schuim doorheen. De huizen van Padang-Pandjang liggen wit te

midden van bloemperken. Het Singkarameer vertoont zich in het Zuiden,

en de hoogten aan den rechteroever worden bestraald door de heldere

zon, terwijl die aan den linkeroever in de schaduw blijven met hun

scherpe kammen. De vlakte van Fort-de-Kock, bezaaid met dorpen,

ligt uitgespreid vóór ons, met haar rijstvelden en haar kloven met

hun witte wanden. Het stilstaand water op het land weerkaatst het

licht als een metalen spiegel en beekjes schitteren met vluchtige

heldere lichtjes. Een krans van bergen doet zich voor, de Tandikat,

de Singgalang, waarop dunne, teêre boomen rondom een kleinen vijver

staan; zoo lijkt de grillig omrande schelp, die het Manindjoemeer

omvat houdt. Dan volgen de Ophirberg en de kalkbergen en wonderlijk

gevormde rotsen van Pajacombo, en in het Zuiden in de verte de

glorierijke Indrapoera, de reus van het eiland, die de groote vallei

van Korintji beheerscht.

Aan mijn voeten daalt de donkere helling met violette tinten

duizelingwekkend snel tot de eerste boomen van het woud. Er

raken blokken los; zij rollen, springen voort en verdwijnen onder

't schaduwrijke boschgewelf. Aan den anderen kant opent zich de

schrikwekkende muil van het monster; hij braakt geluidloos witte dampen

uit, en de wanden van den krater zijn gestreept met gele lijnen van

een zwavelkleur. Deze berg is heilig en wordt hoog vereerd. Hier,

zegt de legende, verborgen zich de eerste menschen, toen ze vluchtten

voor de wateren, waarmee de zondvloed de aarde overdekte. De woede van

den Merapi heeft iets profetisch en iets goddelijks in zich. Als het

"roode vuur" (Merah api = rood vuur) op den top van den berg ontstoken

is, als de stroomen lava vloeien en de dorpen met de aanplantingen

verwoesten, dan worden andere ongelukken, nog veel zwaarder rampen,

voorbereid. In den tijd van den Padri-oorlog waren de uitbarstingen

voor de Maleiers zekere voorteekenen van een nederlaag.

Er is nauwelijks een uur verloopen, nog maar zeven uur, en in den

zonneschijn merkt men al, hoe het dagelijksch onweêr dreigt. Een nog

onmerkbare nevel doet de omtrekken vervloeien en verzacht de tinten;

een ongrijpbare damp breidt zich over het landschap uit. Plotseling

ontstaan er dichte wolkenbrokken, alsof ze zoo op eenmaal, met één

slag, geboren worden, geheel en al afgerond als reuzenblokken wit

marmer. Zij breiden zich uit en stooten tegen elkaâr, om zich tot

een geheel te vereenigen. De machtige adem van het woud roept hen in

het leven.

Zoo ver het oog reikt, vloeien de wolkengolven, witter dan de

onbevlekte sneeuw, en met den windstoot komen donkerder golven

opzetten en vloeien op hun beurt met andere samen. Te midden van deze

schitterende zee steken de toppen der bergen als eilanden omhoog;

de aarde daar beneden is verdwenen, en de zon schittert nog voor

ons alleen.

Dit schouwspel is niet nieuw voor mij. Ik herinner mij het uitstapje

naar den Bromo en de witte nevels, uit den reuzenbeker van den Dasar

opstijgend, evenals den krater, waarover ik mij heen gebogen heb

en waaruit ik het doodsgerochel van het monster tot mij heb hooren

opstijgen.

Maar wij moeten weg, ons in den nevel dompelen. Het dalen gaat nog

moeilijker dan het stijgen. Op den gladden grond, bedekt met natte

bladeren, kunnen de knieën bijna niet voort van inspanning. Wij komen,

met slijk overdekt, in de schuilhut aan, waar mijn reismakker rustig

op mij zit te wachten, en wij vervolgen den tocht naar beneden met

onzekere schreden; soms vlug, door ons eigen gewicht getrokken,

om eindelijk te Soengar Boeloe den trein te vinden, die ons naar

Fort-de-Kock terugvoert.

Siak, 10 Mei.

Wij hebben Fort-de-Kock den 26sten April verlaten en zijn naar

Pajacombo gegaan, over Padang-Pandjang en Fort Van der Capellen, dus in

't Zuiden om den Merapi heen trekkend. Onze tocht is zonder incidenten

afgeloopen en liep langs uitstekende wegen, waarover onze karretjes

rolden zonder eenigszins te stooten, hoewel de snelheid buitengewoon

groot was. Koffietuinen breiden zich uit op de hellingen der bergen;

rijstvelden en dorpen liggen, zoo ver het oog reikt, over de vlakte

verspreid, en altijd hebben we tot Pajacombo hetzelfde eentonige,

maar altijd schoone landschap voor oogen.

Wij hadden uit Pajacombo den eersten Mei moeten vertrekken, maar hebben

er nog één dag langer moeten blijven. De reis, die wij willen doen,

is, naar men zegt, nog al lastig en wij hebben niet zonder moeite ten

slotte machtiging gekregen, om haar te ondernemen. Wij moeten door

streken trekken, die nog niet geheel onderworpen zijn. De staatjes

aan de oostkust zijn nog bijna alle onafhankelijk, en de Hollanders

willen hun niet met geweld een gezag opdringen, waarvan ze niet gediend

zijn. Zij beweren echter, dat men hun zoo duidelijk de voordeelen van

het europeesch bestuur zal doen begrijpen, dat alle stammen één voor

één uit vrije verkiezing zullen vragen, om ervan te mogen genieten.

Dit laatste nu gebeurt werkelijk dikwijls. Op dit oogenblik heeft zoo

juist de radjah van Goenoeng Sahilan zijn onderwerping aangeboden aan

den adsistent-resident van Bengkalis. De Nederlandsche regeering heeft

die nog niet aangenomen. In alle dingen vermijdt zij overhaasting,

die zou kunnen uitloopen op een langen, moeilijken oorlog in streken,

die ongezond en dun bevolkt zijn. De aanbieding van den radjah schijnt

onvoldoende; men wil buitendien nog de toestemming van het volk. Binnen

enkele dagen zal de adsistent-resident van Bengkalis een bezoek gaan

brengen aan den stam der Goenoeng Sahilan; hij zal dan de dorpshoofden

bezoeken, zal hun ware bedoelingen trachten te leeren kennen en zal

geen besluit nemen dan na rijpe overweging. Het zijn weer nieuwe

kinderen, die men gaat aannemen, geen vijanden, die men onderwerpt.

De methode van zachtheid is echter niet altijd voldoende. Er zijn

oproerige stammen, die soms op hollandsch grondgebied invallen

doen. Zulk een feit heeft nog voor eenige maanden plaats gehad. De

inwoners der Lima Kota hebben het huis van een Europeaan overrompeld,

een prospector, en hebben den eigenaar vermoord. Men heeft toen

een expeditie moeten ondernemen, te eerder wijl het slachtoffer

een Engelschman was, en de bestraffing der schuldigen kon worden

geëischt. Een sterke kolonne, uit Siak vertrokken, heeft de Lima

Kota in de vorige maand November afgeloopen en legde een post aan te

Bengkinang aan de Kampar.

Van de bovenlanden leiden vele natuurlijke wegen naar de oostkust. Van

't Zuiden te beginnen, heeft men eerst het dal der Batang Hari,

welke rivier zich met de Korintji vereenigt, om de Djambi te vormen;

dan de Indragiri, waarvan de Ombilien, die uit het Singkarameer komt,

de voornaamste arm is; vervolgens de Kampar en dan ten slotte de beide

Taboengs, de Taboeng Kanan en de Taboeng Keri, die zich vereenigen

en de rivier, de Siak, vormen.

Wij konden noch het dal der Djambi, noch dat der Indragiri nemen, want

men had ons op ons verzoek een formeele weigering doen toekomen. Het

Kampardal werd als te gevaarlijk beschouwd, en te Batavia had men

gemeend, ons geen machtiging te mogen verleenen voor een reis door een

gebied, waarvan de pacificatie nog slechts weinige weken oud was. Bij

gevolg hadden wij moeten besluiten, rechtstreeks naar de Taboeg Keri

te gaan bij Batoe Gadjah en dan daarna naar Siak te reizen. Maar

de adsistent-resident van Pajacombo gaf ons omtrent de toestanden

in de Lima Kota zulke geruststellende berichten, dat wij besloten,

nog eens weer ons reisplan te veranderen.

Pajacombo ligt aan de Sinamar, een zijtak van de Ombilien. De weg,

dien wij zullen volgen, moet ons te Kota Baroe brengen, 45 K.M. ten

noorden van Pajacombo en aan de oevers van de Soengai Mahé, zijtak

van de Kampar. Van daar moeten wij in een prauw de Soengai Mahé,

af varen en daarna ook de Kampar tot Bengkinang en Teratak Boeloe,

dan over land naar Pakan Baroe gaan aan de Siakrivier en die laatste

volgen tot Bengkalis.

Om dien tocht ongehinderd te kunnen volbrengen, hebben wij natuurlijk

de inlandsche hoofden moeten verwittigen van onze komst, en tevens

daarvan kennis geven aan den commandant van den post Bengkinang. Door

een ongelukkig toeval, zooals er zich trouwens nog al eens voordoet,

was de telegraaflijn, die Pajacombo met Bengkinang verbindt, gebroken

en daardoor waren wij genoodzaakt, ons vertrek één dag te verschuiven.

Pajacombo is een zeer groot dorp, gelegen midden in een vrij

uitgestrekte vlakte, waar kokospalmen groeien en waar rijstvelden zijn

aangelegd. Hoewel de hoogte nauwelijks 500 M. bedraagt, is het klimaat

er verrukkelijk. Rondom verheffen zich hooge bergen, en op de hellingen

van den 2240 M. hoogen Sago heeft men te midden der koffietuinen

een pasangrahan gebouwd, waar de inwoners van het plaatsje, als het

noodig is, een koelere-luchtkuur kunnen doormaken. Zoo'n door de zorg

van de regeering gestichte en door haar onderhouden pasangrahan is,

wat in de engelsche koloniën het dak bungalow of het resthouse is.

De Europeanen zijn er niet zeer talrijk. Buiten den adsistent-resident

heeft men er den luitenant-commandant van 't kleine garnizoen,

een dokter en een veearts. De regeering heeft dichtbij de plaats

een stoeterij laten aanleggen, een zeer eenvoudige inrichting, waar

men geen dure gebouwen heeft gesticht zooals in andere landen. Alles

heeft te zamen f 3000 gekost, maar de gebouwen zijn dan ook van hout

en met riet gedekt. Er zijn twee-en-twintig hengsten van verschillend

ras, sandelhouts van 't eiland Soemba, de grootste en de beroemdste,

dan makassars en bataks, gekozen uit de beste dieren, en toch is hun

gemiddelde prijs niet meer dan f 300. De hengsten zijn verspreid in de

aan Pajacombo grenzende districten, en de plaatsen zijn zóó gekozen,

dat de inspectie gemakkelijk in een paar dagen kan afloopen. De

eigenaars der merriën ontvangen een premie, als de jonge veulens mooi

en goed verzorgd zijn.

Er is slechts één Europeaan, een veearts, aan de stoeterij

verbonden. De geheele inrichting en het personeel, dat erbij is

aangesteld, kosten den staat niet meer dan f 800 per maand. De

inrichting heeft uitstekende resultaten opgeleverd; zij bestaat nog

slechts twee jaar en reeds zijn er rondom Pajacombo 270 uitstekende

veulens geboren. 't Is waar, de Maleiers uit deze streken hebben

altijd aan veeteelt gedaan, en hier is men niet op het dwaze denkbeeld

gekomen, om een stoeterij te organiseeren in het land, waar noch

weiden, noch paarden zijn, 't geen tegen alle gezond verstand in,

wel eens geprobeerd is in andere, niet-hollandsche koloniën.

De markt te Pajacombo is een der drukste uit de geheele Padangsche

Bovenlanden; wij kochten er wat proviand voor onderweg. Men ziet

er een dichte menigte menschen, die veel leven brengt in de stad en

veel vroolijkheid. Pajacombo is dan ook de meest gezochte post van

heel Sumatra. Het klimaat had ik al te voren hooren roemen, evenals

de schoonheid en beminnelijkheid der vrouwen.

Den 2den Mei om zes uur 's morgens, zijn we van Pajacombo

vertrokken. In het Noorden wordt de vlakte afgesloten door een wal,

die 1500 M. hoog is en dien wij moeten over trekken, om het bekken

van de Kampar te bereiken. Verscheiden dalen dringen in het bergland

door en voeren naar den top der bergen. Wij hebben eergisteren

een tocht gedaan naar de Harran-kloven, een zeer nauwen doorgang

tusschen hemelhooge bergwanden, waar schuimende watervallen zich

langs nederstorten. Wij gaan vandaag door het dal der Ajer Poetih.

In rijtuigen worden we eerst naar Loeboek Bengkoeang gebracht, 12 palen

van Pajacombo verwijderd (een paal is 1500 M.); daar stijgen we te

paard en beginnen het steile pad te beklimmen, dat langs de zijden van

het dal slingert. De grond bestaat uit ruwe conglomeraten en steile

hoogten rijzen boven de rivier omhoog. Een menigte watervalletjes

vallen dartelend neer in den helderen zonneschijn, en hun geraas,

dat door de rotsen wordt weerkaatst, vult heel het dal. Hier en daar

is een lichte hangende brug over de Ajer Poetih geslagen.

Een vrij dicht plantenkleed bedekt de hellingen, van de oppervlakte

van het stroompje af tot op den top der hoogten. Wij komen langzaam

vooruit op het pad, dat door de regens veel geleden heeft, en nu door

ploegen Maleiers hersteld wordt. Na een uur komen we aan den top van

den berg. Wij zien neer in de laagte, waar de rivier haar water uit

ontvangt, een ronde kom, waardoor de Ayer Poetih grillig slingerend

voortglijdt. Daar heb ik de dwaasheid, mijn paard op den slechten weg

te laten galoppeeren! Het glijdt uit en valt op den houten vloer van

een bruggetje. Mijn been komt onder het dier, mijn hoed rolt ver weg

in de diepte van de kloof, en ik sta op met ernstige kneuzingen en

een lange snede over den arm en het been.

Wij houden ons eenige oogenblikken op in een hut aan den kant van

den weg. Het heet hier Oeloe Ayer. Wij zijn op een hoogte van 950

M. De pas, dien wij over moeten trekken, is op niet meer dan eenige

honderden meters afstands, en wij zullen vlug dalen naar Kota Baroe

op 20 K.M. van hier; we zijn daar slechts 66 M. boven het oppervlak

der zee dus midden in den oven. Van af de pashoogte zien wij eerst

vóór ons lijnen van achtereenvolgende heuvelreeksen, die langzamerhand

lager worden, dan in de verte een zee van gebladerte, een oceaan van

groen, donkergroen, dat in breede golven zich uitbreidt verder en

verder tot aan den horizon.

Dit is het reuzenwoud, dat de vlakte bedekt en waar wij door zullen

trekken. Van de helling der bergen te beginnen, gaat het voort tot

op 250 K.M. afstands van hier, tot de oevers, die aan de straat van

Malakka grenzen. Wij blijven eenige oogenblikken boven. Dit woeste,

donkere landschap maakt diepen indruk op ons. Nergens is eenig spoor te

ontdekken van de aanwezigheid of van de werkzaamheid der menschen. Geen

stukje ontgonnen land, geen nog zoo klein rookkolommetje. Dicht

opeengedrongen staan de boomen, die den ongebruikten, onontgonnen

bodem bedekken en zonder twijfel zullen in hun schaduw gevaarlijke

en dreigende dieren huizen. De dorst naar avonturen; de begeerte en

't verlangen naar nieuwe ervaringen; de drang naar het onbekende,

zooals ieder dien in zich voelt; herinneringen van vroegere lectuur; de

droomen, in de kindsheid gedroomd, alles wordt in ons wakker en dreigt

ons te doen stikken. In de voorbijgegane eeuwen heeft dit trotsche woud

domein veroverd, en niemand heeft het nog een voetbreed gronds betwist.

Geen weg voert door het woud, dan enkel de diepten, die de rivieren

zich er hebben uitgeslepen; de zon, de moerassen en de koortsen zijn de

schutsengelen van het woud. Zijn uur heeft nog niet geslagen, 't uur,

waarop de menschen er met bijl en hakmes zullen binnendringen of met

brandende toortsen. Ik zie in mijn verbeelding een nauwe, donkere, lage

gang van groen, waarin de booten in de schaduw wegglijden. Morgen zal

zoo'n boot ons meevoeren. Zoo droom ik, en mijn verbeelding maakt

den droom aangrijpend en steeds indrukwekkender, misschien om de

werkelijkheid te bederven.

Wij dalen eindelijk door korte valleien naar een terrein van leisteen,

waar het pad afschuwelijk glad is. Het land is verlaten. In de diepten

en op de bergtoppen groeit het woud met volle kracht. Maar ter halver

hoogte ziet men hier en daar een voetpad; vuren of woudbranden,

ontstoken door de inboorlingen, hebben er niets overgelaten dan

struiken en hoog gras. Onze achterste dragers steken in 't voorbijgaan

die jungle in brand. De roode vlam loopt langs de hellingen; de

dikke rook stijgt in groote kringen op, het bamboes knapt, als of

het ontploft, en onze Maleiers leggen eene kinderlijke vreugde aan

den dag, als zij de verraderlijke doornstruiken zien verdwijnen,

waarin des avonds zich de tijger verschuilt, om van daar uit zijn

prooi te beloeren.

Tallooze apen van verschillende soorten bevolken de kleinste boschjes,

en hun geschreeuw gaat ons voor en vergezelt ons. Wij komen te Kota

Alam, een onder palmen verscholen dorpje aan een mooie rivier, die met

ondiepe bedding over steenen dartelt. Wij zijn bijna juist onder den

evenaar. Het dal wordt afgesloten door bergen, die de zonnestralen

terugkaatsen. Wij rusten in de hitte dan ook eenige oogenblikken in

een hut en drinken met graagte het heldere, frissche, suikerhoudende

water van de kokosnoten.

Weer volgt er, als wij het gehucht hebben verlaten, een pas. De

Soengai Alam heeft zich in den zachten zandsteen een diep dal

uitgegraven. Reuzenblokken, keurig afgeslepen naar regelmatige

vormen, brengen afwisseling in de loodrechte lijnen der rotsen;

de zwarte schaduwen, die zij werpen, lijken op zware, kolossale

architraven. Gapende spleten geven toegang tot galerijen in het

gebergte. Een groep van titanische bouwwerken is hier onder een

schitterende zon geheel met een groen kleed behangen. Bij 't verlaten

van het dal komen we op een golvende hoogvlakte, met struikgewas

bedekt, en een vrij goede weg over een rooden, harden bodem brengt

ons te Kota Baroe.

Kota Baroe ligt aan de Soengai Mahé. Een controleur had er zijn

standplaats vóór de expeditie der Lima Kota, en zijn huis, dat zeer

geriefelijk is ingericht, staat 5 à 600 M. van de rivier verwijderd

op de eerste heuvels aan den rand der jungle, buiten het bereik der

overstroomingen. De tijger zwerft 's avonds in den omtrek rond, en

zoodra de zon achter de bergen ondergaat, hoort men in de verte de

rauwe kreten van het jagende roofdier.

Van Batavia naar Atjeh, dwars door Sumatra De Aarde en haar Volken, 1904 · 第 4 / 7 段