tijd kwamen zij over de straat van Malakka, voeren de rivieren op en
stichtten over het geheele eiland een oneindige menigte koninkrijkjes,
die door de moeilijkheden van het terrein en de bezwaren van 't verkeer
ieder op zichzelf bleven staan. Hier heerschten langen tijd de vorsten
van Menangkabau. Hun bestuur was nooit dat van een geweldenaar en de
oude staatsinrichting is nog niet verdwenen. De inboorlingen vormen
verschillende stammen, ieder met zijn eigen hoofd, wien een raad ter
zijde staat. De stammen sluiten zich aaneen tot een gemeenschap, en
die kleine confederaties worden aangeduid met het aantal der dorpen,
die ertoe behooren. Zoo heeft men de 50 Kota's, de 12 Kota's, de 5
Kota's. Die kleine staten worden bestuurd òf door een radjah òf door
een Raad, waarin de invloedrijke hoofden der verschillende stammen
zitting hebben. Elke stam beheert nauwgezet zijn eigen rijkdommen en
tracht die te behouden. Deze Maleiers leven onder het stelsel van
het matriarchaat, en geen man mag een vrouw nemen van buiten het
gebied zijner Kota; de kinderen behooren aan de moeder en moeten
hare goederen erven. Als een man zijn dorp verlaat, behooren zijn
bezittingen aan de kinderen zijner zuster.
De Islam is de eenige godsdienst; maar de Maleiers zijn geen
dwepers. De godsdienstoorlogen hebben intusschen 't land niet
gespaard. In 1803 gaven drie uit Mekka teruggekeerde hadji's voor,
dat zij op Sumatra de heilige leer in haar oorspronkelijke zuiverheid
moesten herstellen. Spoedig verzamelden zij om zich de geloovigen,
die zij door woorden en beloften voor zich wisten te winnen. Zij
droegen witte kleederen, zooals vroeger de portugeesche zendelingen
van Malakka droegen, en het volk gaf hun den naam van Padri's of Orang
poetih, d.i. witte menschen. Binnen weinige jaren hadden ze een leger
van aanhangers gevormd, en een hunner hoofden begon als Mohammed met
het zwaard het geloof uit te breiden. De vorsten van Menangkabau
werden vermoord; Bondjol werd de heilige stad, en de zegevierende
Padri's waren meester van de geheele Bovenlanden. In 1820 kwamen
eenige maleische hoofden te Padang de bescherming der nederlandsche
troepen tegen de Padri's vragen, en toen begon een bloedige strijd,
die bijna dertig jaren heeft geduurd.
Gedurende die periode bepaalden zich de vijandelijkheden tot een vrij
beperkt gebied rondom Padang-Pandjang, Fort van der Capellen, Fort
de Kock, Bondjol en Rau. 't Zou moeilijk zijn, de geschiedenis van
dien tijd te boek te stellen. Er viel niet een leger te overwinnen,
maar een geheel volk; soldaten kwamen als uit den grond op. De dorpen
waren vestingen met hooge verschansingen en ondoordringbare heiningen
van doornstruiken en toegespitste bamboeversperringen. Tusschen de
verschillende dorpen vond men dikwijls lange reeksen van afsluitingen;
op bepaalde afstanden waren palissadeeringen aangebracht en scherpe
randjoes staken overal uit den grond op.
Diepe kuilen lagen veelal vóór zulke versperringen en deden zich
plotseling voor in verschillende hoeken van het gevechtsterrein. Achter
heiningen scholen de Padri's en richtten van daar door lange
bamboekokers hun geweren op de vijanden. Het gansche vernuftige
verdedigingssysteem, dat de zeeroovers uit Indo-China tegen ons,
Franschen, hebben gebruikt, was misschien een erfdeel van hun
annamitische voorouders, dat dezen ontleend hadden aan de maleische
overweldigers uit de achtste eeuw.
De tallooze episoden uit den Padri-oorlog gelijken zeer veel op
elkander, 't Zijn altijd vermoeiende marschen en verkenningstochten,
een plotselinge aanval uit een hinderlaag, bestormingen van stellingen,
die met de artillerie van dien tijd niet te nemen waren en die men in
een bloedig gevecht van man tegen man moest vermeesteren. De overwonnen
vijand vluchtte, verscheen weer en bleek onvermoeibaar. Dan weer
volgde een periode van rust, die op vrede scheen te zullen uitloopen,
en de Maleiers keerden tot hun rijstvelden terug.
Intusschen deden geheimzinnige woorden en spreuken de ronde; er werden
verraderlijke plannen gemaakt, en opnieuw weerklonk de oproep tot
den oorlog. In een oogwenk stond alles weer in vuur en vlam.
Op het eind van 1832 scheen alles afgeloopen. De in het dal van
Bondjol gevestigde posten en die bij Rau schenen voldoende te zijn
om de verdragen te doen eerbiedigen, zooals ze met de maleische
vorsten gesloten waren. Eenige maanden gaan voorbij, en plotseling
verspreidt zich het gerucht, dat eenige soldaten, die uit Bondjol
waren vertrokken, verdwenen waren.
De gouverneur der Bovenlanden begeeft zich naar Pisang, 20 K.M. ten
noorden van Fort-de-Kock, om een onderzoek in te stellen. Bij zijn
nadering nemen de bewoners de vlucht. In den nacht zien de soldaten aan
alle zijden op de hoogten vuren ontsteken; het zijn signalen, die van
't eene punt naar het andere worden overgebracht. Des morgens ging
een vreeselijke tijding rond; de post van Bondjol en die van Loeboe
Sikaping zijn verwoest en de beide garnizoenen vermoord. Rondom de
kleine colonne rijzen plotseling ontelbare vijanden op, en de kolonel
moest stap voor stap van Pisang tot Agam een gedenkwaardigen terugtocht
doen uitvoeren, waarbij van de 110 man 71 op het terrein bleven.
De kommandant van het fort Amerongen, kapitein Engelbert, naar Priaman
geroepen, had zonder argwaan zich op weg begeven. In de dorpen vroeg
hij levensmiddelen en dragers. De onbewegelijke gezichten van de
bewoners gaven in 't geheel geen vijandige gezindheid te kennen. In
één dorp weigerden echter de notabelen koelies te leveren; zij gaven
Engelbert den raad, naar Loeboe Sikapin te gaan, waar hij ze zeker
wel zou kunnen krijgen. Hij haast zich erheen; de post ligt in puin,
en de grond is overdekt met verminkte lijken. Engelbert verliest den
moed niet. Hij wijkt in de bergen, en acht dagen lang dwaalt hij er
met weinige soldaten door de bosschen rond. Dicht bij een dorp wordt
hij opgemerkt door een vrouw, die de Padri's waarschuwt. Een wolk van
vijanden gaat op de Europeanenjacht; een woeste bende omringt hem en
één voor één vallen verscheiden inlanders. Als door een wonder werd
Engelbert niet gewond; de Padri's deinzen terug, stom van verbazing,
hem onkwetsbaar achtend. Zonder dichtbij te durven komen, werpen zij
hem uit de verte met steenen en assegaaien, en toen hij eindelijk
gewond ineenzinkt, treedt een der hoofden naar voren en doodt hem.
Binnen enkele dagen had de opstand zich over de geheele Bovenlanden
uitgebreid; er verliepen meer dan tien jaren, vóór hij voor goed
gedempt was. Rondom Fort-de-Kock en in het geheele district van
Agam ontmoet men bij elke schrede herinneringen aan vroeger bedreven
heldendaden. Bij Padang-Pandjang roept u een monument den heldendood
te binnen van de verdedigers van Goengoer Malintang. Het garnizoen
van dien post bestond uit een vijftigtal soldaten onder bevel van
luitenant Banzer. Het was in het begin van 1833, toen op een morgen
bij het aanbreken van den dag een menigte Padri's, die zich in den
nacht verzameld hadden, den post vermeesterden, vóór zelfs nog hunne
nadering bemerkt was. Ondanks de verwarring bij zulk een onverwachten
overval, was de kleine colonne zoo gelukkig, binnen de vesting zich
te verschansen. Alle andere bouwwerken werden in brand gestoken,
en de vlammen beletten de Maleiers onmiddellijk tot den aanval over
te gaan en dus een beslissing uit te lokken.
Maar de Hollanders waren er slecht aan toe; zij hadden patronen, doch
geen levensmiddelen en geen water. Een inlandsch soldaat wilde zich
opofferen, door een telegram naar Fort-de-Kock te brengen. Nauwelijks
buiten de verschansing, werd hij ontdekt door de opstandelingen;
men herkende eenige dagen later zijn verminkt lijk.
Vier dagen lang hield de bezetting tegen alle aanvallen stand. Op den
avond van den vijfden dag besloot de commandant, den post op te geven
en zich een doortocht te banen. Er waren slechts 33 man meer over,
bijna allen gewond, hongerig en, wat den toestand zeer verergerde,
vier-en-veertig vrouwen en kinderen waren met de verdedigers van
den post opgesloten. Toen de avond gekomen was, verlieten allen hun
schuilplaats en waagden zich in de duisternis. Twee dagen later nam
een sterke colonne, die hun te hulp gezonden was, de overlevenden in
haar armen op, één officier, zeven of acht man en eenige kinderen; de
overigen waren in handen gevallen van de Padri's of waren door tijgers
verscheurd. Drie gewonden, te ernstig gekwetst, om hun kameraden te
volgen, waren op den post gebleven. Zij heetten Schelling, Marten
en Sosmito. Op het oogenblik, toen de zegevierende opstandelingen de
vesting binnen gingen, staken de drie helden den brand in het kruit
en werden met hun vijanden begraven onder de ruïnen van het fort.
Sedert lang is er een eind gekomen aan dien ruwen oorlog. De Hollanders
hebben den overwonnenen geen te zware voorwaarden gesteld. De Maleiers
hebben hun instellingen behouden, alsook hun hoofden en hun grond. Ze
zijn vrije mannen; dat verkondigen zij luide, en zij spreken Javaansch,
maar met minachting in hun stem. De verdragen leggen hun geen andere
verplichting op, dan het onderhoud der wegen en het planten van
koffie. Zij onderwerpen zich daar gracelijk aan en weten er partij
van te trekken.
Het zijn bekwame landbouwers en slimme kooplieden, zóó zelfs, dat de
Chineezen niet wagen, met hen in concurrentie te treden. Op marktdagen
ziet men lange rijen inboorlingen zich langs de wegen voortspoeden. De
mannen hebben een fiere, opgerichte houding en zij slaan den blik
niet neer; er spreekt in 't minst geen nederigheid uit hun wezen,
als zij een Europeaan ontmoeten. Enkelen hebben een vogelkooitje in de
hand met een doek erover, waaraan zijden eikels hangen. Daarin hebben
ze hun kati-tiran, den gelukaanbrengenden vogel van de grootte eener
duif, den beschermgeest, in bijna elke woning te vinden. Hij doet de
ondernemingen slagen, behoedt de gezinnen voor ziekten en den oogst
voor droogte. Zijn deugdelijkheid duurt intusschen niet eeuwig. Na vier
jaren verliest hij al zijn macht, en vóór dien fatalen termijn geeft
zijn meester hem den dood en beweent hem. Het stoffelijk overschot
wordt gebalsemd en in het dak van de woning vastgemaakt boven den
huiselijken haard dien hij beschermde, en men haast zich op den
volgenden passerdag een anderen goeden genius te koopen.
Die marktdagen zijn altijd in maleische landen dagen van drukte. Er
komt dan een woelige, dichte menigte samen. De karren, met buffels of
ossen bespannen, blijven op den weg of aan de rivier staan. Onder de
groote, veelkleurige parasols zijn schitterende vruchten uitgestald,
dan aardewerk, katoenen stoffen, koek en sieraden. Die reuzenvrucht,
welker leelijke geur onder de boomen blijft hangen, is de doerian;
onder de ruwe, geheel met puntige stekels bezette schil ligt het witte,
roomige vruchtvleesch; er behoort moed toe, om ervan te proeven. Een
allerdwaaste gril schijnt het van de natuur, dat uitgezocht lekkere,
sappige vruchtvleesch te hebben voorzien van dien verschrikkelijken
geur. Stoutmoedige lekkerbekken vinden al bij de eerste poging om te
proeven, voldoende belooning; ik heb het zoo ver niet kunnen brengen.
Daarnaast liggen manggostans. In den bruinrooden schotel ligt iets,
wat op een stuk sneeuw lijkt, en in den mond smelt en vervliegt het
fijne, ijskoude goedje, om er een eigenaardigen, geurigen smaak achter
te laten. En dan zijn er de zware trossen bananen, de pompelmoezen
met de breede sneden, waaruit roze zaden te voorschijn komen, de
gebroken kokosnoten, waarin het parelmoer van den inhoud blinkt en de
vuurroode spaansche pepers, als stukken glanzig koraal. Onder een boom
kijken gehurkte mannen naar kati-tirans, welker groote macht door den
koopman luide wordt geprezen. Vrouwen verkoopen vreemde dranken en
stukken kleverige waar, die zwart of rood gekleurd is; zij schenken
koffie van afgetrokken koffiebladeren, die aan bamboe zijn geregen
en waarvan de stukken overal op den grond verspreid liggen. Pakjes
lichtbruine tabak, in banaan- of pisangbladeren gewikkeld, worden
verkocht en kinderen knippen smalle, dunne reepjes, waarin de rookers
hun sigaretten rollen. Op de wegen krioelt het van Maleiers, en velen
ziet men met groote apen aan een touw, die gehoorzaam in de hooge
kokospalmen klimmen, om de rijpe noten te plukken.
Langzaam bewegen zich de vrouwen door de volte. Zij dragen de lange
kabaai en den sarong, met goudgalon afgezet. Op het hoofd hebben
ze een grooten tulband of hoofddoek, die opzij breed uitslaat als
twee vleugels; de beide einden hangen van achteren neer; een sjerp
is op den rechterschouder vastgemaakt en om de borst geslagen, en
allen dragen lasten op het opgeheven hoofd. Ze loopen vlug langs
de buitenwegen, met hun zware sieraden om de armen en op de borst,
dunne, maar talrijke gouden ringen, diademen, oorringen in den vorm
van schijven, colliers van bonte kralen, opengewerkte ceintuurs
en mooie, vlakke gouden sieraden. Sumatra is het land der kundige
goudsmeden, waar Victor Hugo de lamp van Zim Zizim liet versieren. Bij
Fort-de-Kock, op de eerste hellingen van den Singgalang, ciseleeren
de bewoners van het dorp Kota Gedang geduldig allerlei sieraden; zij
maken ook wondermooie stoffen, waarop met filigraanwerk borduursels
zijn aangebracht, en hun subtiele kunst vervult de aardige meisjes
van dit mooie land met bewondering en begeerte naar 't bezit.
Fort-de-Kock ligt op 930 M. hoogte en heeft een zeer aangename
temperatuur. Toch is de gezondheidstoestand er ver van volmaakt;
koortsaanvallen komen veelvuldig voor. De nederlandsche dokters
schrijven die toe aan de tallooze muskieten, die rondvliegen boven de
plassen der rijstvelden, rondom de stad een reusachtig, kunstmatig
moeras vormend. Uit dat oogpunt is Padang-Pandjang, ofschoon veel
lager gelegen, veel meer begunstigd. De steilte van de hellingen
bevordert er den afloop van het water, en dank zij den overvloedigen
en geregeld vallenden regen heeft men er geen groote afwisseling
van temperatuur. Ondanks de muggen hebben echter de Europeanen van
Fort-de-Kock de gebruinde tint en den veerkrachtigen gang, die op
een krachtige gezondheid wijzen.
Het zijn meest menschen met verlof, en er gaan en komen ook veel
officieren uit Atjeh. Er is een nog al talrijk garnizoen, en de troepen
hebben het er geriefelijk en eenvoudig, met het comfort en de zorg voor
een doelmatige leefwijze, die ik reeds op Java heb waargenomen. De
kazernen zijn kleine, lage gebouwen, die niets gemeen hebben met
de reuzentabernakels, door ons met groote kosten in Saïgon, Hanoï,
Dakar en Saint-Louis opgericht. Men is in onze koloniën nog onder
den invloed van oude ideeën, die vroeger bij tropische hygiëne den
toon aangaven. Men meende toen, dat de moeraskoorts te wijten was aan
kiemen, die uit den grond kwamen, en dat men dus de benedenverdiepingen
altijd moest bestemmen voor winkels, magazijnen of kantoren, om op de
bovenverdiepingen te slapen en te wonen. Tegenwoordig is men het er
over eens, dat het overbrengen van de moeraskoortskiemen plaats heeft
door een soort van mug, en dat het er weinig toe doet, of men één of
vijf meter boven den grond slaapt; men kan in beide gevallen malaria
krijgen. Die waarheid schijnt door hollandsche dokters en ingenieurs
reeds lang te zijn geraden. Men kan zoowel op Java als op Sumatra de
huizen met meer dan één verdieping tellen, en, wat merkwaardig is,
juist in de oude wijken van het oude Batavia, die als zeer ongezond
te boek staan, en in de thans verlaten straatjes van Samarang en van
Soerabaya vindt men nog hooge huizen.
Hier vindt ieder, dat er niets zoo afkeurenswaardig is als zich op te
hoopen in de nauwe ruimte van een gemetseld gebouw. Ieder wil vóór
alle dingen een eigen huis hebben met lucht en ruimte en een tuin,
waarin men kan gaan wandelen, zonder dertig trappen af te gaan en
lastige medehuurders te ontmoeten.
De grond kost hier haast niets, en er is geen reden, om alles
in de hoogte te bouwen, zooals in de europeesche steden. In
Nederlandsch-Indië beslaan de kazernen altijd een groote oppervlakte;
zij liggen niet binnen in de steden, zooals te Saïgon of te Hanoï,
maar buiten. De zeer talrijke gebouwen zijn gewoonlijk opgericht langs
een zacht hellend terrein, dat goed gedraineerd is en doorsneden
wordt door diepe geulen van cement, waar steeds overvloedig water
door vloeit. Er zijn groote bloemperken, boomgroepen en overvloed
van frissche lucht, en achter ieder paviljoen heeft men een voldoend
aantal badkamertjes. Die hokjes, waar bij ons zoo weinig werk van
wordt gemaakt, worden hier en in de engelsche koloniën als zaken van
groote beteekenis beschouwd. Er is geen huis of huisje, hoe klein
ook, of het heeft het kamertje, met witgekalkte muren, waar men een
gemetselden bak met helder water vindt en een emmertje of schep,
om zich een overvloedige douche te geven.
Buiten de kazernen heeft men de societeit of liever de societeiten,
die van de onderofficieren en die der soldaten. De officieren zelf
gaan naar de Club, de Harmonie, waar ook de civiele ambtenaren der
plaats lid van zijn; maar de soldaten hebben ook hun eigen kring. Ze
hebben hun lees- en speelzalen en restauraties; hun velden voor
balspel en lawntennis en ze hebben nog veel meer, dat onzen soldaten
wordt onthouden, en waaruit het zich misschien laat verklaren, dat de
gezondheidstoestand in Nederlandsch-Indië beter is dan in Indo-China,
en dat de europeesche soldaten er gaarne zes jaar blijven, terwijl
in Cochinchina men onze troepen maar met moeite tot een tweejarig
verblijf kan dwingen.
's Avonds komt men overal knappe militairen tegen in bruine uniformen,
met een aardig javaansch meisje aan de hand of om het middel gevat,
zij met een schitterenden, bonten hoofddoek en pronkend met haar
lichtgekleurde parasol. In de kazerne gaan de vrouwen vrij uit en in
naar hunne "mannen", en er is een aparte keuken voor haar, waar ieder
van haar eigenhandig den maaltijd voor haar heer en meester bereidt. De
slaapruimten zijn in tweeën gescheiden, die voor de vrijgezellen en
die voor de gezinnen. De officieren, die mij rondleidden, prezen hoog
die vrijheid, die zij aan hun soldaten toestonden en die zij onmisbaar
achtten, om het heimwee te keeren en al die andere treurige dingen,
en ik geloof dat zij gelijk hebben.
Niet dat ik juist zulk een systeem zou wenschen toegepast te zien in
onze koloniën. Men moet rekening houden met karakter en temperament. De
Hollanders stellen zich hier tevreden met een zeer rustig en eentonig
leven. Ik heb te Magelang een groot aantal officieren ontmoet, die
er nooit aan hadden gedacht, op eenige kilometers afstands de ruïnen
van Boroboedoer te gaan bekijken. Ook te Fort-de-Kock, te Batavia
en elders gaat men weinig uit. Toch zijn de omstreken prachtig. Wij
zijn er op gesteld geweest, het Manindjoemeer en den krater van den
Merapi te bezoeken.
We vertrokken te paard, den 22sten April in de vroegte. Bij 't
verlaten der stad daalden wij eerst af in een diepe kloof, waardoor
een zijtak van de Masang vloeit, de Si Anoq. De rivier kronkelt in de
diepte van een 2 à 300 M. breed dal, door witte wanden omsloten, die
loodrecht 100 M. hoog oprijzen. Dit dal heet het Karbouwengat. Wij
waden door den stroom naar de overzij en volgen den oever tot de
samenvloeiing met een ander riviertje, dat op dezelfde manier wordt
overgestoken. In den morgennevel maken die lichtgekleurde rotsen met
hun scherpe kammen en als gebeeldhouwde vormen een diepen indruk. Elk
waterstraaltje heeft in den zachten zandsteen een diepe gleuf gegroefd,
waar allerlei planten in groeien. Hier en daar staan afzonderlijke
blokken, met boomen gekroond.
Boven van het plateau overzien we de grillige kloof, een nauwe,
bochtige engte, zooals er hier zoovele zijn. Zij vormen voorgebergten
en eilandjes met groene hoogvlakten, waar buffels loopen te grazen. Wij
dalen weldra af in het dal der Masang. Bamboes en struikgewas wijst
nog de plek aan, waar vroeger zware versterkingen aangebracht waren,
nu door de vele regens met den grond gelijk gemaakt.
Er is bij het dorp Matoea een pasangrahan, waar we onze bagage
achterlaten, en waar wij zullen logeeren. De inlandsche mantri
of opzichter wachtte er ons; hij heeft versche paarden voor ons
gehuurd en na eenige minuten rust zetten we den tocht voort. Het
land is bekoorlijk. Rechts en links van den weg stijgt de grond
geleidelijk, en er doen zich afgeronde heuvels voor, op hun top
met bosch bedekt. Beneden liggen kampongs met huizenrijen langs de
rijstvelden, en overal zien we lichte daken met opgewipte randen, die
zoo aanstonds schijnen te zullen wegvliegen. Achter den onregelmatigen
bergkam, die den horizon dicht bij ons afsluit, stijgen dampen op en
verspreiden zich naar alle kanten. Wij gaan steeds hooger; 't is of
het doel voor ons terugwijkt, en plotseling zinkt dan de grond als
onder onze voeten weg, we zien het Manindjoemeer.
De cirkel, waarin rustig het meer ligt, is een oude krater van
reusachtige afmetingen. Het meer zelf is 16 KM. lang en 8 KM. breed. De
wal er omheen, door het water afgebrokkeld, rijst 11 à 1200 M. hoog
boven de oevers van het meer. De bres, waar de weg doorheen gaat en
waarlangs wij zullen dalen, is een der laagste punten en toch baadt het
dorp Manindjoe in het heldere water zijn laatste huizen 700 M. boven
ons. De hellingen zijn aan den kant van het meer verbazend steil, met
diepe kloven er in, en de weg slingert zich om bergen heen, waar op
verschillende hoogten rijstvelden gelegen zijn, met tuinen er omheen.
Ongelukkig is de lucht donker en dreigend. Over het meer ligt een dikke
nevelsluier. Men ziet in 't Zuiden slechts een zwarten muur, oprijzend
boven nog zwarter water, waar vaalwitte dampen over slieren. Nu en dan
verlichten bliksemstralen de wanden van de kloof, en men stelt zich het
schrikwekkend tooneel voor, dat deze omgeving zou vertoonen, wanneer
eens gloeiende lavastroomen er hun dreigende golven door mochten
storten. Naar het Noorden verlicht een bleeke lichtstraal gouden
rijstvelden, palmbosschen, daken van wit plaatijzer en het woud, dat al
dichter wordt en zich tot in onze nabijheid voortzet. Wij dalen snel
langs zeer steile, afkortende paden, waar trots den glibberigen grond
de paarden snel voortgaan; ze zijn behendig en vlug als geiten. Er is
geen wind; men ziet nauwelijks enkele rimpeltjes op de oppervlakte
van het water, waarboven rook hangt; dan plotseling beginnen enkele
druppels te vallen. Wij zijn in het bosch in een smalle kloof, waar
de bladeren ons in 't voorbijgaan in het aangezicht slaan. Op eens
stort de zware regen neer, een diluviaansche stortvloed, en wij komen
druipend van het water te Manindjoe aan.
De contrôleur van Manindjoe had vooruit bericht gekregen van
onze aankomst. De buitengewone vriendelijkheid van zijn ontvangst
doet ons al heel spoedig onze minder aangename ervaring vergeten,
en daar wij het betreuren, dat we van het mooie landschap door den
mist slechts zoo weinig hebben kunnen waarnemen, haalt hij ons over,
tot den volgenden dag te blijven. Bij het opgaan der zon zullen wij
van een helderen hemel genieten, en dan zullen wij dus het meer in
verschillenden tooi kunnen zien. Wij nemen het vriendelijk aanbod
aan. Een bediende wordt naar Matoea gezonden, om onze bagage te
halen. We brengen den namiddag door in een aangenaam dolce far niente,
waarop de lange rit van des morgens ons ook wel eenig recht geeft. Het
heeft opgehouden met regenen. Wij doen een klein roeitochtje op het
meer. Het diepe, onbewegelijke water opent zijn afgronden onder ons,
en het is zoo helder, dat, als men zich over den rand van 't bootje
buigt, men diezelfde lichte, niet onaangename duizeling gewaar wordt,
die men ervaart bij 't neerzien in de diepte vanaf een groote hoogte.
De avond valt, een heerlijke avond van een uitgezochte stilte;
slechts enkele roodachtige strepen kleuren 't effengrijze kleed van
den hemel. Het meer slaapt in, en zijn rust wordt door niets gestoord;
geen zuchtje wind, geen kreet, en alleen een paar beschroomde lichtjes
stralen langs de oevers onder de hooge palmenzuilen.
Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag hebben wij
Manindjoe bijna met een gevoel van leedwezen verlaten. Wat zou men
in dit rustig stralend paradijs, deze welriekende, zachte lucht een
liefelijk en zoet bestaan kunnen leiden! Geen enkel hoekje van de
wijde wereld heeft mij nog ooit zoo sterk het gevoel gegeven van een
vredig geluksbestaan en volmaakte rust.