bergen rijzen kloek omhoog, en hoe dichter wij bij Padang komen,
des te smaller wordt het strand, waar boschjes groen de dorpen
aanwijzen. De hooge Barisanketen is als een wal, die uit zee zich
verheft. Zij zendt naar het strand steile uitloopers, roode rotsen,
met groen bekleed en plotseling afdalend in de golven. Hier en daar
treedt de berg achteruit en laat een blauwe, bochtige baai vrij, en
men ziet het estuarium met de zandige landtong en de stille lagune;
reeksen palmen wuiven in den wind, en de soepele bladeren glinsteren
in de zon. Mooi wisselen de tinten in het landschap van het blauw
der zee tot dat des hemels.
Eerst komen bamboeboschjes en kokospalmen, dan groote boomen met
hun donker loof en de groote brokken geheimzinnige schaduw; het
gordijn, door 't bosch gevormd, waarachter een zware violette tint
zich uitbreidt. Het land lijkt wonderschoon, en de ongeloofelijke
groeikracht der natuur trekt den Europeaan bijzonder sterk. De natuur,
die ons zulke tooneelen te zien geeft, oefent een onweerstaanbare
bekoring uit. Ik kan mij voorstellen, dat in zulk een land 't
bestaan van dichter of van wijsgeer in een voortdurenden toestand van
contemplatie kan verloopen; dat pantheïsme ten grondslag ligt aan al
de godsdiensten en dat men dan als 't eind van alles en als hoogste
belooning gaat beschouwen de oplossing in het niet.
Wij zijn niet ontscheept te Padang, maar in Emmahaven, in een ronde
baai die wijd naar 't Zuiden open is en naar het Westen door een
uitlooper van het gebergte wordt beschut. Op de plaats, waar nu de
lange kaden liggen, zag men weinige jaren geleden niets dan een moeras
met wortelboomen en pandanuspalmen. Lichte, gele en witte vlekken
ziet men op de hellingen; dat zijn de steengroeven, en noordwaarts
laat een opening den spoorweg door. Een hoog gebouw van ijzer steekt
met scherpe lijnen tegen de lucht af en strekt tot boven de zee een
langen arm uit, alsof die bij een reuzenbalans behoorde. Daar gaan
de treinen over, getrokken door kleine locomotieven, en door lange
kokers van plaatijzer worden dan de schepen er beneden gevuld met
steenkool te midden van een dicht, zwart stof.
Enkele minuten sporens hebben ons in Padang gebracht. Is dit een
stad? Zeker, en nog wel de belangrijkste van Sumatra, maar hoe
verschillend is zij van wat wij gewoon zijn. Evenals Batavia is het
een park vol lange lanen. De huizen zijn van hout, staan op palen
en worden met riet gedekt. Maar ze zijn geriefelijk en niet al te
warm. De lucht blaast er vrij doorheen onder het hooge dak; de zon,
door een bladerdak teruggehouden, schijnt niet al te fel op den met
dicht gras begroeiden grond. Aan zee ziet men de bloemperken van een
engelschen tuin.
De niet zeer diepe rivier van Padang loopt langs de chineesche wijk;
de lichte bootjes kunnen er varen, terwijl de wind de bruine zeilen
bolt. Zij leggen aan en brengen vruchten, hout en visch. Zij wagen
zich op zee ook langs de gevaarlijke kust, terwijl de zwaarbeladen
schuiten stroomaf worden geboomd in het riviertje. Een kleine heuvel
aan de kust is de Apenberg, waar aan den mond van de rivier veel
schepen dansen op de golven.
Den 16den April vertrokken wij naar het binnenland, de Padangsche
Bovenlanden. Twee wegen leiden erheen, één recht naar 't Oosten
over den Soebangpas en naar 't Singkarameer, en een andere, die
eerst langs de kust gaat, dan het dal der Anei volgt en uitkomt te
Padang-Pandjang. De spoorweg volgt die tweede route en wij gingen
dien op de heenreis.
De trein gaat eerst 40 K.M. lang door een vlak land, waar groote
rivieren stroomen, de zee is dichtbij, en men kan haar zien door
openingen van het dichte gordijn van boomen. Weldra naderen wij de
bergen en rijden langs hooge rotsen van donkere kleur. De dorpen liggen
alle dicht aan de rivier, en de vlakke uitgestrektheid der onder water
gezette rijstvelden weerkaatst de ronde bergtoppen en het woud, dat
zij dragen. Evenals op den dag van onze aankomst worden we verrukt
door de weelderigheid van den plantengroei. Er is een eindelooze
verscheidenheid van vormen en kleuren.
De slanke, bewegelijke stam en de elegante pluim van den kokospalm
wisselen af met sagopalmen, arengpalmen, en het fijne, lichte
kantwerk van de bamboeboschjes. Tusschen de groote, satijnzachte
bananenbladeren ziet men honderden onbekende boomen met lichte of
donkere, doffe en glanzende, groote en kleine bladeren. Daar hecht
het bosch zich aan de hellingen met rechte en bochtige stammen,
kolossen met uitgespreide bladeren en reuzenwortels, geplant in
de weerspannige rots, als wonderlijke krabben grijpend, en lianen,
als slingers afhangend en alles omstrikkend.
Aan den voet der rotsen in 't moeras staan waterplanten en in 't
bosch overheerschen de varens en mossen, tegen takken en stammen
hun bleeke tinten spreidend, terwijl orchideeën leven op de hen
voedende schorslaag. Tallooze parasieten ziet men er; iedere plant
heeft haar eigen woekerplanten, van welke ieder weer de voedster is
van een andere.
Zoo'n dichte plantengroei bezet geheel Sumatra en vormt om 't eiland
als een gordel van leven. Daarin snijden de rivieren diepe groeven,
't Verraderlijke water ondermijnt de rotsen, want elke druppel werkt
aan die taak, en op den tijd der hevige regens, storten er groote
watervallen neer van de hooge plateaux in wolken van schuim, omhoog
en weer omhoog springend; zilveren linten hangen langs de hellingen
en in de spleten en kloven, verdwijnen hier en komen daar weer te
voorschijn. De berg stort bij stukjes en beetjes in; brokken van
bosschen hangen scheef op de hellingen, en reuzenboomen vallen om met
donderend geweld, terwijl het water vroolijk zich voortspoedt met de
overblijfselen, ze opneemt en weer liggen laat, om ze daarna weer op te
nemen. En te midden der ruïnen van een bosch gaan de verborgen zaden
opnieuw ontkiemen, op den bij uitstek vruchtbaren grond ontstaat een
nieuwe boschvegetatie, en 't woud zal alle sporen van de afschuiving
bedekken, zooals de rivier weer in het dieper wordend bed zal vloeien
tusschen muren van groen.
Zoo heeft zich ook de Anei een weg gebaand, en de spoorweg maakt van
zijn dal gebruik. Men komt even voorbij Kajoetanam in de Kloof. De
tandradspoorweg knarst tegen de hoogte op, en de locomotief rookt en
blaast met luid geraas. Zij bevindt zich achter aan den trein, dien zij
vooruit duwt, en van 't balkon van den wagen zien we den kronkelenden
weg vóór ons. De lenige rivier slingert en kronkelt van den eenen kant
naar den anderen door het smalle dal. Het heldere, schitterende water
liefkoost vele steenen en vloeit met zangerige muziek al voort, tot
het plotseling bij eenig beletsel, dat in den weg komt, hoog opbruist
en zich onderdoor een uitweg baant. Watervallen storten van de rotsen,
dertig of veertig meter boven ons hoofd, en de wind zendt ons het fijn
verdeelde water als stof toe. De spoorweg gaat eenige malen over den
stroom, dan ziet men onder den trein het witte schuim, en bij elke
nieuwe bocht verandert het prachtige landschap. Het eerste station
binnen de Kloof bestaat uit twee of drie huisjes tusschen palmen en
bananen. Een andere halte staat tusschen steile wanden ingesloten als
in een put, en men vraagt zich af, hoe men erbinnen is gekomen en hoe
men er weer uit zal raken. Dan komen bruggen en een kleine tunnel en
altijd het bruisen van den stroom en de wirwar van boomen, die zich
buigen over 't water. De zon werpt op de natte bladeren glansen als
van metaal en doet de schuimwolken fonkelen.
Hier en daar zijn de sporen te zien der woede van de Anei. Instortingen
en resten van bruggen, door den stroom meegesleept en andere
bewijzen, dat de stroom 't geduld werk van de menschen in één slag
vernielde. Een jaar na de inwijding van de lijn waren de nadeelen,
door een plotselinge overstrooming teweeggebracht, zoo ernstig, dat
de herstellingen een som van f 600 000 eischten. Ik heb te Padang
photografieën gezien, genomen op den morgen na de ramp. Zij zouden
elken europeeschen ingenieur van schrik ontzet doen staan. De weg is
meegesleurd over honderden meters lengte; de berg is onder de lijn
weggegleden tot in de bedding der rivier. Rails en dwarsliggers hangen
scheef of overdekken nog leêge ruimten en afgronden, stations in puin
en afgebroken bruggen, zoo ziet het er uit. Men is heel spoedig aan
het werk der herstelling begonnen, en al is men den stroom niet gansch
en al meester geworden, men heeft in zekere mate zich toch weten te
beveiligen tegen zijn kuren.
Het rijden door de Kloof gaat langzaam. Van Kajoetanam tot
Padang-Pandjang is de afstand slechts 15 K.M.; maar de weg gaat
omhoog en stijgt zelfs 640 meter op dat korte traject. Het wordt
al gauw koeler, en op open plekken in het bosch zien we dorpen. Wij
rijden over de Anei een laatste maal over een hooge brug met bogen;
de hellingen worden minder steil; plantages liggen aan de lijn en
wij zijn te Padang-Pandjang.
Dat is een stadje, op een smallen bergkam, die juist de waterscheiding
is tusschen de beide hellingen van Sumatra. In vogelvlucht zijn
we niet meer dan 30 K.M. van de kust en nog op den rand van het
plateau. Eigenlijk is die naam plateau of hoogvlakte hier niet
juist. De Bovenlanden hebben een onregelmatige oppervlakte, sterk
golvend en doorsneden door diepe dalen, waarnaast zich hooge toppen
verheffen. Drie mooie bergen heeft men boven Padang-Pandjang,
den Tandekat en den Singgalang in het Westen, den Merapi in het
Noordoosten. Het klimaat zou hier op dit plekje volmaakt zijn,
als het niet zoo verbazend veel regende. De morgens zijn zeer mooi;
maar van negen uur af komen nevels op en vereenigen zich alle in de
Anei-kloof. Zij kruipen tegen de helling der bergen op en onttrekken
langzamerhand alles aan het oog, ook de zee, die men nog even te voren
in de verte zag glinsteren. De massa wordt zwaarder, en weldra rust
een zware deken op het land, die tegen den middag zich in stroomen
van regen oplost. Het duurt niet zoo heel lang; maar de zon vertoont
zich niet weer, en in het grijze licht biedt de landstreek met haar
afgeronde vormen en 't eentonig groen der weiden en der bosschen een
vervelend en eenvormig schouwspel aan. Ik zou bijna vergeten, dat ik
mij op Sumatra bevind, als ik niet vóór mij te midden van palmen en
bamboes de maleische huizen zag met hun zoo karakteristieke daken.
Die huizen staan op hooge palen; ze zijn gemaakt van hout en bamboes en
aan elke punt zijn de randen opgewipt, zooals de voor- en achtersteven
van een schip. Ze zijn gekroond met een gebogen dak, dat twee hooge,
scherpe punten naar den hemel richt als reuzenhorens. In den voorgevel
zijn vensters zonder luiken en vóór de deur is een klein afdak, op
licht houtwerk rustend. De muren zijn wit of rood gekalkt en dragen
zwarte teekeningen en ruwe ornamenten, versieringen van stukken glas
of koper. Aan elke zijde van het hoofdgebouw staan lagere bijgebouwen,
symmetrisch tegenover elkander en alle op dezelfde wijze gebouwd,
terwijl het lagere dak onder het hoogere wegschuilt als de eene schub
onder de andere. In de buurt staan ook nog de rijstschuren, dat zijn
kleine vierkante gebouwtjes op palen en met een dak als dat der huizen.
Van Padang-Pandjang af ziet men overal die aardige huizen met hun
torens. Wij hebben er ons slechts eenige uren opgehouden en vertrokken
weer na het déjeûner. De weg blijft voortdurend stijgen. Zij rijst tot
1154 M., om den pas over te gaan, die den Singgalang en den Merapi
scheidt. Rechts van ons daalt de bodem snel, en in de diepte strekt
zich het meer van Singkara uit, door nevels omsloten.
Van Kota Baroe af dalen wij weer naar Fort de Kock, dat wij tegen vijf
uur bereiken. Het regent en wij kunnen niet anders dan een schuilplaats
zoeken in het hôtel. Men is er niet naar wensch gelogeerd. Ook waren
nu de prettigste kamers bezet en wij werden ondergebracht in een
bijgebouw, dat vergiftigd was door ratten. Den heelen nacht maakten de
beesten een helsch spektakel. Wolken muggen gonsden in dit paradijs,
dat een ver van liefelijken indruk op mij maakte.
Den volgenden morgen al vroeg zetten wij onzen tocht voort naar
Pajacombo. Wij gingen voorloopig maar eens op verkenning uit en
wilden later hierheen terugkeeren, om meer in 't bijzonder de
détails te bestudeeren van de vragen, die ons interesseeren. Wij
gaan eerst over een plateau, dat zich naar het Oosten uitstrekt
in zachte hellingen. Het land is bewonderenswaardig goed bebouwd,
en de rijstvelden strekken zich uit tot op de zijden van den
Merapi. Daarachter verrijst de Singgalang; van boven is de berg met
bosch bedekt; maar aan den voet en tot halverhoogte volgen dorpen en
plantages elkaâr op. Op een deel van het traject volgde de spoor den
gewonen weg; de rails en de tandraderen liepen langs een der zijden,
en wij passeerden heele rijen inlanders met ossenkarretjes, op weg
naar de markt.
Daarna daalden we in een rechte lijn, 7 K.M. lang, een geleidelijke
helling, zonder twijfel in overoude tijden ontstaan bij een geweldige
lava-uitstorting. Links en rechts hebben steile kalkbergen en
zandsteenrotsen den nu vastgelegden stroom beteugeld. Zwarte brokken
steen lagen overal verspreid. Aan den voet dier helling zagen we een
smallen doorgang tusschen twee rotsen, en deze brachten ons in de
vlakte van Pajacombo.
Wij gingen naar die plaats, om er den assistent-resident te spreken en
met zijn hulp een programma samen te stellen voor onze reis. Toen ons
bezoek was afgeloopen, hebben wij dadelijk weer den trein genomen en
zijn naar Padang-Pandjang teruggekeerd. Op die plaats splitst zich de
spoorweg, en een tak gaat naar Solok en van daar naar de kolenmijnen
van Sawah-Loento. Die waren het hoofddoel van ons eerste uitstapje. De
trein daalt langzaam langs een zeer steile helling; aan de stations
wachten kolentreinen, die op hun beurt op den weg worden gebracht en
met moeite door zware locomotieven worden gesleept.
Beneden lag het mooie dal der Soempoer, vol dorpen en
rijstvelden. Links van ons liep het terrein geregeld omhoog,
doorsneden met diepe kloven, en tot zoo ver het oog reikt zien we
koffie, aangeplant rondom de woningen. De regen, de hardnekkige
regen, is weer begonnen; de wolken kruipen tegen den Merapi op
en een dichte sluier overdekt de rijstvelden, omhult en verbergt
den top der bergen. Nu rijden wij langs het meer van Singkara. De
groote watermassa ligt daar onbewegelijk in een somber en eentonig
licht. De regen houdt op; maar de mist wischt alle omtrekken uit,
en 't landschap, dat onder een helderen zonneschijn er opgewekt en
vroolijk moet uitzien, schijnt ingeslapen, somber en doodsch als een
noordelijk landschap in den nevel.
De hoogten rondom het meer laten tusschen hun voet en het meer slechts
een smalle ruimte over; krachtige waterstroomen hebben de rotswanden
uitgehouwen, en een eindelooze menigte kloven vertakken zich in
allerlei richtingen. Wat door het water van de bergen meegevoerd is,
hoopt zich op tot reuzenkegels van puin, kegels, die 50 of 60 M. hoog
worden en zich langzaam verplaatsen. Bij iedere regenbui komt er een
stroom van zand en steenen neer tot op den spoorweg en bedekt dien
soms geheel. Een lage brug is over de Ombilienrivier gelegd bij den
uitgang van het meer. Het prachtige water is onvergelijkelijk helder,
blauw als saffieren en volkomen rein. Zwarte rotsen verheffen zich
en bij hun aanraking gaan de golven hoog; de gansche oppervlakte
van het meer plooit zich en krijgt metaalglansen met veranderlijken
weerschijn. Aan het uiteinde van het meer komen we in een dal met
vlakken bodem en gaan dan, ongemerkt weer stijgend, naar Solok.
Oudtijds strekte het meer zich uit tot daar. Het had zijn afvloeiing
over de terreinplooi, die even boven het stadje merkbaar is, en
het water stroomde weg door de Lassi, voordat nog eenige schok of 't
geregelde werk der erosie later de bres had gemaakt of langzaam die had
uitgehold, waar nu de Ombilienrivier zich voordoet. Tegenwoordig is de
Lassi niet meer dan een helder beekje, kronkelend in een bochtig dal,
waar afgeronde heuvels aan de kanten staan, met aanplantingen bezet;
die er een gestreept aanzien aan geven.
Dorpen liggen aan de oevers te midden van weelderigen plantengroei,
en rijstvelden vormen er reuzentrappen tegen de bergen op. Hoog
boven steken kalkbergen 't hoofd omhoog, bedekt met struikgewas. Aan
alle kanten springen watervallen, hier en daar zich vereenigend tot
kleine meertjes, om dan weer voort te stroomen in een smalle bedding
en vervolgens met donderend geraas naar beneden te storten.
Wij hebben te Solok gelogeerd en zijn in den vroegen morgen weer
vertrokken. Enkele kilometers ver dalen we langs de Lassi, maar dan
gaat de weg weer omhoog, een nauwe kloof opent zich, wordt nauwer,
en een tunnel, 800 à 900 M. lang, is door den berg gegraven. Zoo
komen wij in het dal van Sawah Loento.
De steenkoollagen breiden zich over een zeer groote oppervlakte uit,
en het dal van de Ombilienrivier loopt er in zijn geheele lengte
door. Alleen het zuidelijk gedeelte wordt geëxploiteerd. De kool
ligt een honderdtal meters boven de bedding der Loento in drie
evenwijdige lagen, waarvan de laagste 6 à 8 M. dik is. Er wordt
gewerkt in galerijen, en de steenkool, uit de mijn gehaald, wordt
eerst op een Decauvillespoor gebracht in wagentjes, door buffels
getrokken, tot op een afstand van ongeveer 1500 M., naar de loods,
om te worden geschift. Daarna gaat zij rechtstreeks in de waggons,
waarin het vervoer naar Emmahaven plaats heeft.
Wij stijgen met moeite langs het smalle, naar de mijn voerende
pad. Boven bedekken plassen zwart slijk den grond, en de buffels, die
de wagentjes trekken, plassen er met genoegen in rond. Zij staan bij
onzen aanblik stil, verschrikt en dom uit hun oogen starend. Hun kop is
gebogen en spoedig hervatten zij den langzamen gang, terwijl de breede
pooten, zwaar op den grond gezet, het slijkerige water doen opspatten.
Wij hebben een tochtje door de mijn gedaan tusschen de schitterend
zwarte wanden. Het was in de gangen verstikkend heet ondanks de
ventilatoren, en wij waren blij; toen we het daglicht terugzagen. De
mijnwerkers, meest Chineezen en Maleiers, werken stil voort. De meeste
Maleiers zijn dwangarbeiders, en het zware werk, waaraan ze niet
gewend zijn, valt hun zwaar. Zij verlangen naar de zon en de wijde
velden. De andere, de Chineezen, in stukwerk betaald, doen hun best
bij den lucratieven arbeid. De loodsen, waar de werklieden wonen,
liggen op den linkeroever van de Loento. De dwangarbeiders werken
onder toezicht van opzichters, die zelf ook tot de veroordeelden
behooren, maar wier overwicht door allen wordt erkend. Daarbij zijn de
arme drommels van werklui niet moeilijk te leiden; de ballingschap,
waartoe ze zijn veroordeeld, dooft hun energie, en de koorts, die in
dit weinig bebouwde dal veel voorkomt, sloopt hun krachten ondanks
de zorg voor de hygiëne, en slechts een enkele maal heeft er eens
een vechtpartij plaats, die meestal met een misdaad eindigt.
Groote drukte heerscht er op de terreinen der maatschappij. Ofschoon
de kool van vrij slechte hoedanigheid is, vermeerderen de productie
en de verkoop met elken dag. Tegenwoordig bereikt de hoeveelheid,
die gewonnen wordt, per maand 18 000 ton en bijna 3000 mijnwerkers
vinden werk in de mijnen. Die laatste behooren aan den staat,
en deze exploiteert tevens den spoorweg, terwijl een ingenieur
belast is met het toezicht op de werkzaamheden en op de werken in de
Emmahaven. Wij zijn te Sawah Loento 156 K.M. van de haven verwijderd;
in vogelvlucht bedraagt de afstand echter niet meer dan 58 K.M. Ook
had men eerst gedacht, Solok rechtstreeks met Padang te verbinden
door den Soebangpas; maar men heeft er de voorkeur aan gegeven,
langs Padang-Padjang te gaan, om zoodoende tegelijk de streek van
Fort de Kock en Pajacombo te helpen. Na ons bezoek aan de mijn,
zijn wij naar Solok teruggegaan, om er te logeeren.
Solok is geen stad, maar een groot dorp; het land eromheen is nog
weinig bebouwd, en de beschaving heeft er nog niet haar taak verricht,
zooals op Java. De wilde dieren zijn er nog niet verdwenen; wij zagen
in de societeit een jongen tijger, die twee dagen te voren gevangen
was. Hij is achter in den tuin in een zware kooi geplaatst, en zoodra
hij ons ziet, werpt hij zich met een enkelen sprong naar voren tegen
de tralies en ontvangt ons dus op zijn gewone vriendelijke manier. De
honger en de opium hebben hem nog niet veranderd in den grooten,
kalmen lobbes, dien men weldra in den een of anderen europeeschen
dierentuin zal bewonderen. Hij is lenig, en zenuwachtig rekt hij
zijn spieren; de oogen vlammen en de lip wordt opgetrokken, terwijl
een dof gebrul uit den open muil komt, en de neusgaten trillen van
begeerte bij den reuk van het levend menschenvleesch, dat de klauwen
zouden willen verscheuren.
Wij hebben acht dagen in de Padangsche Bovenlanden doorgebracht
en zijn nu gereed om te vertrekken. Na ons eerste uitstapje zijn
wij te Padang slechts één dag gebleven. Het is er niet vroolijk,
ten minste niet voor vreemdelingen. De beide hôtels, het Atjeh- en
't Oranjehôtel, zijn ellendige hokken, waar alle comfort ontbreekt
en de keuken armzalig is.
Wij waren afgestapt in het Atjehhôtel. Een groot vierkant gebouw
op hooge palen staat midden op een met boomen beplant plein. Een
reuzenveranda, met wat tafels en schommelstoelen neemt het vóórgedeelte
in. De eetzaal is aan de andere zijde en een gang leidt erheen,
waar de kamers op uitkomen. Aan een der zijden van het plein staat
een langgerekt gebouw met smalle kamertjes; daar logeeren wij. De
wanden en de beschotten zijn van hout en dus dringt de warmte overal
door, terwijl men de stemmen van het eene eind tot het andere kan
hooren. De ratten wandelen er rond en schijnen verlekkerd op het
leder van mijn laarzen en het linnen onzer kleeding. Den geheelen dag
is het hôtel doodstil en als ingedut. Alleen tegen vijf uur komt er
eenige beweging. Ieder stapt in nonchalant costuum langzaam de steile
trappen af en begeeft zich naar de badkamers. Het is een belachelijke
optocht. De mannen dragen een korte, witte jas en een wijde broek van
javaansche stof met groote, zwarte teekeningen op bruinen of blauwen
grond. De vrouwen zijn gedrapeerd in veelkleurige sarongs, die in
oprechtheid de vormen weergeven en laten zich door hun echtvriend
naar de badkamer geleiden. Hij draagt den handdoek voor haar en ziet
met welgevallen op haar neer.
Maar zulke tooneeltjes waren niet voldoende om ons te Padang terug
te houden, en wij voltooiden haastig onze toebereidselen voor het
vertrek. Wij hebben besloten, hier niet terug te komen. Wij willen
naar Deli en Atjeh gaan; doch wij zouden niet anders kunnen nemen
dan de boot van 10 Mei, en dus geven we er de voorkeur aan, onze reis
recht naar het Oosten te vervolgen en zoo te Bengkalis uit te komen
aan de oostkust van Sumatra.
Wij zijn den 21 sten April uit Padang vertrokken en kwamen op den
middag te Fort de Kock. Dat is de hoofdstad van de Bovenlanden, en het
grootste gedeelte van de troepen is er in garnizoen. De stad is midden
in een kom gebouwd, een laagte, eertijds door een meer gevuld; in 't
Westen, Zuiden en Noorden sluiten hooge bergen den horizon af. Naar
het Oosten daarentegen scheidt een lichte golving in het terrein het
bekken van de Masang van dat der Sinamar en der vlakte van Pajacombo.
De vruchtbare grond bestaat uit betrekkelijk jongen, zachten zandsteen,
waar de beken diepe gleuven in uithollen, en vooral naar het Noorden
ziet men overal groote kloven met steile wanden. In 't begin van de
vorige eeuw bedekten nog dichte wouden de bergen en de zijden van
de dalen, en dit land was meer dan eenig ander gunstig gelegen voor
den wreeden guerilla-oorlog met zijn hinderlagen en zijn verraad,
die hier zoo langen tijd heeft gewoed.