Als de regent van Lebak al iets op zijn kerfstok had, dat

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

VAN BATAVIA NAAR ATJEH

DWARS DOOR SUMATRA.

Naar het Fransch van F. Bernard.

Batavia, 7 April.

Morgen zullen wij uit Batavia vertrekken. Ik heb bijna den geheelen dag

in de stad rondgeloopen, want ik wil het beeld van deze plaats diep in

mijn geheugen prenten. Later zal ik onder den donkeren europeeschen

hemel in den winter 't schitterend vizioen oproepen; dan zal ik de

wandeling van vandaag nog eens overdoen en in de gesloten huiskamer,

beschut voor den scherpen wind en den ijskouden regen, zal ik het

indolente leven van dit schoone land opnieuw genieten.

Ik kom zoo juist na het gewone zware middag-maal uit het hôtel. De

straten zijn ledig. De copieuse rijsttafel maakt de Europeanen suf;

ieder gaat slapen of rusten in de ruime slaapkamers met een minimum van

kleeding. De Maleiers zelf zoeken ook de schaduw en spelen of babbelen,

neergehurkt aan den voet der boomen of op de steenen der verlaten

galerijen. Een dos-à-dos, het ongemakkelijke, javaansche rijtuigje,

voert mij zachtjes aan door de lanen. Hier is het Koningsplein;

de groote grasvlakte breidt haar groen tapijt uit tot aan de lijn

van mooie boomen vóór en rondom het Museum. De huizen zijn in 't

groen verscholen; men ziet maar nauwelijks hier en daar een stukje

witten muur of een groot, ingedeukt dak. Zelfs de winkels verbergen

bescheiden hun uitstallingen in tuinen aan den weg.

Boven op een begroeiden heuvel ziet men de citadel van prins Frederik

met de oude wallen en de steenen bijgebouwen, verscholen weer als een

kostbaar sieraad in een étui van groen fluweel. De Tji Liwong slaat

er een band omheen van rood oker. Dat riviertje, waarin kokospalmen,

zich vooroverbuigend, spiegelen en waar prachtige bamboezuilen naast

oprijzen, is zeer ongelijk van stemming. Wanneer de geweldige regens

neerstorten op de flanken van den Salak en den Gedeh vullen plotseling

de snelvlietende wateren de nauwe bedding. Oudtijds werden bij zoo'n

aanval de benedenwijken van de stad met slijkerige golven overstroomd;

maar thans is 't grillige riviertje beteugeld en tot rede gebracht; de

sluis van pasar Baroe houdt 't niveau op behoorlijke hoogte; kanalen

stellen de Tji Liwong bovendien met de Kali Baroe in gemeenschap

en met de Krokot, en een wijde doorgang voert het heftig stroomende

water rechtstreeks naar de zee.

Al die kanalen, natuurlijke en kunstmatige waterwegen, loopen door

de stad. Dat van Rijswijk wordt ingesloten tusschen twee roode muren,

en 's avonds gaan de javaansche vrouwen en meisjes er baden. Zij gaan

langzaam langs de trappen naar beneden, de sarong, reikend tot onder

de armen, bedekt de borst, en als de kabaja eenmaal is afgelegd, komen

fijne, ronde schouders te voorschijn en fraaie, gevulde vormen. De

Hollanders, die, als de zon onder is, lui langs den weg flaneeren,

wijden niet veel aandacht aan het schouwspel, en amusant is het,

de tegenstelling op te merken tusschen die wandelaars met hun bleeke

gelaatskleur en flegmatieke bewegingen, in hun toegeknoopte europeesche

kleêren, en de gebronsde inboorlingen, die, luidruchtig spelend,

't slijkerige water op doen spatten.

Nu, na den middag, is alles verlaten en stil. Boven de sluis breidt de

rivier haar klaren, stillen spiegel uit. Het weêr is drukkend en de

warmte hinderlijk. De schitterende zon werpt onbewegelijke schaduwen

neer; de glinsterende bladeren bewegen zich niet en 't koeltje,

dat strakjes naar de verre vulkanen melkwitte nevels voor zich uit

zal stuwen, is nog niet opgestoken. Zacht word ik voortgereden, als

door een tuin, tot Meester Cornelis. Dat is een voorstad van Batavia

aan twee zijden van een weg, omzoomd met de prachtigste boomen. Hier

ziet men de laatste uitloopers van de bergen. Verderop en tot aan

Buitenzorg rijst de grond gestadig; men ziet geen scherpe kammen, geen

vooruitspringende rotsen, geen indrukwekkende kloven, maar afgeronde,

zachte vormen en lange hellingen, waar de rijstvelden als op groene

terrassen tegen aan liggen.

Dit kalme land heeft nochtans tragische dagen gekend. Hier had in

1811 de beslissende slag plaats, waardoor de Engelschen met één slag

het gansche eiland veroverden. De nieuwe stad Weltevreden, pas door

Daendels in het leven geroepen, moest worden ontruimd, en men moest

zich haasten, om in Meester Cornelis een versterkt kamp op te slaan,

dat door zijn gebrekkige, voorloopige inrichting niet hardnekkig kon

worden verdedigd.

Nu wij die herinnering hebben opgeroepen, doemt er een heldenhistorie

uit het verleden op. Op dit wonderschoone land hebben allerlei

veroveraars bij beurten het oog laten vallen.

Eerst waren het de Hindoes in de duistere tijden, door legenden aan

de vergetelheid onttrokken.

Hadji Saka, vorst van Astina, komt aan wal op een woest eiland,

Noesa Kindang, waar Raksasa's wonen, en fabelachtige zegepralen

volgen hem op zijn weg. En plotseling verrijst het rijk Brambanan;

prachtige steden komen als uit den grond op, en de "Duizend Tempels"

verkondigen de grootheid van de nieuwe goden.

Het rijk valt uiteen bij den dood van den held; elk zijner zonen

regeert over een provincie, en weldra zetten bloedige oorlogen tusschen

de broeders heel Java in vuur en vlam. Zij duren door verschillende

geslachten voort. Eens zocht Tandoeran, koning van Papajaran, door

zijn broer verslagen en verjaagd, een schuilplaats in 't onmetelijk

woud, dat groeit in de vallei van Kediri; drie trouwe dienaars

hebben hem gevolgd; zij zullen voor hem de bittere vruchten van den

modjoboom plukken en de vorst, door een orakel plotseling terecht

gewezen, sticht op die verlaten plek de nieuwe hoofdstad Modjopahit,

d.w.z. bittere boom. Dan volgt de snelle ontwikkeling; van alle zijden

komen avonturiers zich scharen onder 't vaandel van den balling,

het jonge koninkrijk breidt zich door schitterende triomfen uit,

het reikt tot ver over de straten, die Java scheiden van de andere

eilanden, tot aan Palembang zelfs en op de Menangkabo, en de vloten

van Modjopahit zullen Singapore, de Leeuwenstad, zelfs gaan veroveren.

In de 15de eeuw had het rijk zijn hoogtepunt bereikt; maar de

onderworpen volken sluiten zich aaneen tegen den overheerscher. Een

sterke band, die van den Islam, sluit de bondgenooten vast aaneen,

en het gebouw begint te wankelen, stort in en uit de versnipperde

deelen ontstaan een aantal rijken, als het koninkrijk Bantam, het

sultanaat Demak, 't beroemde rijk Mataram. Doch daar verschijnt een

geduchte vijand ten tooneele, de vloot van Albuquerque heeft Malakka

gebombardeerd en Maghelaens is op de Molukken ontscheept. Het verre

Europa neemt bezit van de nieuw ontdekte wereld, en paus Alexander

verdeelt het land tusschen de Spanjaarden en de Portugeezen. Dag op dag

zetten stoutmoedige zeevaarders koers naar de wondereilanden. Op het

eind der 16de eeuw sluit admiraal Houtman een verdrag met den koning

van Bantam, en weldra verrijst Batavia op de ruïnen van 't in brand

gestoken Jakatra. Dadelijk vestigen de nieuwe heeren, de Hollanders,

zich er en nemen er blijvend bezit van. Ondanks allerlei aanvallen,

oorlogen en opstanden zal Insulinde hun niet weer ontsnappen.

Sporen van dit oude, grootsche verleden bedekken hier en daar den

grond; boeddhistische en brahmaïstische tempels zijn nog aanwezig en

worden ook nog opgericht, want de Islam heeft de oude goden niet geheel

doen vergeten. Te Singosari, te Brambanan en bij den Boroboedoer heb ik

vóór verminkte beelden en omgeworpen basreliefs Javanen zien knielen,

en beschroomd legden zij er offers neer, die den hemel gunstig moeten

stemmen en de aarde vruchtbaar moeten maken. Bij den Tjandi Brambanan

hebben Siva en Doerga nog hun vereerders en hun priesters, en niemand

zou de hand durven slaan aan de steenen die verweeren, om het werk

des tijds tegen te gaan of herstellingen aan te brengen. Ondanks alles

zien deze ruïnen er niet somber uit; de zon beschijnt ze en zorgt voor

een mooie belichting; de doffe kleur van het gesteente smelt weg bij

't helder licht van den stralenden dag.

De gewone landbouwer hanteert zijn ploeg en verplant zijn rijst tot

vlak bij de heilige plaatsen, waar oudtijds pelgrims zich verdrongen

of de triomphators kwamen danken. De Tjandi Kalassan spiegelt zich

in 't stille water van de natte rijstvelden; de tempel is omslingerd

door lianen en klimplanten, die liefkoozend vertrouwelijk zich om de

godenbeelden leggen.

De kolossale ruïnen van den Boroboedoer liggen op een heuvel achter

een gordijn van boomen, en van het hoogste punt ziet men het mooie dal

der Progo zich uitbreiden; de dorpen onder kokospalmen schuilgaand,

de groene velden, waar de waterplassen fonkelen als schilden; aan

den horizon de mooie, hooge bergen, de zuivere, afgeronde vormen

van den Soembing en den Merapi, met bosch bedekt, oprijzend in de

zonnige lucht. Al dit land is te zeer levend en vruchtbaar, dan dat

het lang de wreede herinnering zou kunnen bewaren aan de vroegere

rampen. Als 't menschenwerk te niet gaat, neemt de natuur er bezit

van. In het oude paleis van Djokjokarta kost het moeite de vormen

en de inrichting van het gebouw te onderkennen tusschen den wirwar

van bamboes en van palmen. Hier en daar hangt nog een stuk muur over

een esplanade, ziet men een poort, die gapend toegang geeft tot een

kronkelende gang, en naakte kinderen spelen en dartelen in de felle

zon op de opeengehoopte steenen. Hoe zou men kunnen stilstaan bij

vroegere tragische tooneelen te midden van zoo schitterende décors.

Mijn rijtuig heeft mij langzaam weder in de oude stad

teruggebracht. Wij rijden langs een kanaal, pas gegraven en in een

rechte lijn verloopend, waaraan huisjes staan onder kokospalmen. Nu

en dan verdwijnen de huisjes, en er komt een zwijgend bosch, waar uit

den met gras bedekten grond veel slanke zuilen opgaan. Het lijkt, of

men zeer ver verwijderd is van een moderne stad, maar de rails en de

draden van de electrische tram maken spoedig een eind aan die verkeerde

gissing. Hier, in deze lage vlakte, kampeerden tot tweemaal toe de

legers van Mataram; tweemaal hebben de stoere verdedigers van Batavia

hun vijanden zien vluchten, door het moorddadig beleg geheel uitgeput.

De inhalige kooplieden uit vroeger tijden wisten ook door andere

middelen hun veroveringen te behouden. Aan den weg ziet men nog een

monument van hun barbaarsch recht, namelijk het huis van Pieter

Eberfeld. Een gepleisterd doodshoofd, grijnzend en doorboord

met een ijzeren staaf, met een opschrift in het Hollandsch en 't

Maleisch, roept de verschrikkelijke geschiedenis in de herinnering

terug. Een oostenrijksch avonturier had met inlandsche hoofden een

complot gesmeed, om de Hollanders te verdrijven; zijn dochter,

die een hollandsch officier beminde, maakte het geheim bekend,

en de afschuwelijke straf werd voltrokken; Eberfeld werd gespietst

en in den muur van zijn eigen huis ingemetseld, welk huis niet mag

worden aangeraakt en dat, door de planten geheel en al bedekt, aan

den eenzamen weg ligt sedert de stichting van Weltevreden.

Door de gapende, scheef hangende deur kan men den tuin zien, waar in

het wild wat boomen groeien en waar de Maleiers uit den omtrek vrij de

vruchten komen plukken. Aan één dier boomen werd misschien de dochter

van den ongelukkige opgehangen, en ik stel mij voor, hoe het drama daar

is afgespeeld, nu 150 jaar geleden onder den brandenden zonneschijn,

onverbiddelijk als de menschen van toen. Ik denk aan Eberfeld, die

door de geschiedenis als een verrader is gebrandmerkt, en die, zoo

het succes zijn daad bekroond had, de gevierde stichter zou geworden

zijn van een tweede paradijs; aan die heftige en tragische liefde en

het geheim, dat haar ontrukt werd; aan de straf, de onverschillige

of wreede rechters, die een plicht volbrachten of hun wraak koelden,

terwijl ze de een oogenblik bedreigde schatten beschermden.

Van die onverbiddelijke rechters slapen enkelen hier zeer dichtbij,

rondom de oude kerk, onder de grafsteenen en de zware metalen

platen, waarop de woorden herinneren aan het gedane werk. Dit is

de oude stad. Een menigte grachten loopen erdoor en er omheen. In

de Europeesche wijk staan de massieve huizen langs de Kali Besar en

aan de overzij is de kampong, de chineesche wijk. De koelies en de

kooplieden rusten uit op de stoepen. De zon begint reeds te dalen en

de hollandsche kooplieden zijn naar Weltevreden teruggekeerd. Elken

avond houdt na vijf uur alle werk op, en het leven van arbeid wordt

eerst hervat tegen morgen acht of negen uur.

Hier is, evenals te Singapore en Bangkok, alle handel in 't groot

en in 't klein in handen van Chineezen. Zij zijn al sinds de tiende

eeuw trouwe bezoekers dezer streken. Toen Batavia pas gebouwd was,

vestigden zij er zich in menigte. Zij waren niet altijd zoo vreedzaam

gestemd als tegenwoordig. Zij verdroegen niet lijdzaam de vele

onrechtvaardigheden en verkozen niet, de grillen en de heftigheden

der veroveraars te verdragen.

In 1737 sloten zich een groot aantal Chineezen aaneen en wapenden

zich in een naburig dorp, waarna het leger van de opstandelingen de

stad aanviel. De rustige Chineezen hadden hun kantoren niet verlaten;

toen het bevel daartoe gegeven werd, hadden zij zich in hun huizen

opgesloten. Door hun aantal scheen het, dat zij wel gevaarlijk konden

worden, en men besloot, zich van hen te ontdoen. De gouverneur-generaal

Valckenier gaf, radeloos van angst, bevel tot den moord. Terwijl de

opstandelingen, teruggedrongen na den eersten aanval, op den terugtocht

waren, voltrok het garnizoen van Batavia, versterkt met ontscheepte

matrozen, het vonnis. Er had een ganschen nacht en een geheelen dag

een afschuwelijke, laffe slachting plaats. In het hospitaal zelfs

werden vijfhonderd zieke Chineezen geworgd. Bijna negen duizend

ongelukkigen werden gedood.

In de stad, die in een slachthuis was veranderd, riepen het vergoten

bloed en de opeengehoopte lijken wrekende epidemieën in het leven. De

oorlog breidde zich uit, bereikte de naburige provincies, en in 't

verlaten Batavia stond alle handel stil. Dit wekte, meer misschien

dan afschuw van de misdaad, de verontwaardiging van de Oost-Indische

Compagnie. Valckenier werd gevangen genomen en veroordeeld; maar

het dossier van de zaak en het vonnis, dat de doodstraf verlangde,

gingen verloren in 1744 bij de schipbreuk van de Streyer. Valckenier

stierf eenige jaren daarna vóór het einde van het proces.

Sedert dien tijd zijn de Chineezen teruggekomen. Op het eiland

overtreft hun aantal tegenwoordig het cijfer van 250 000; alleen te

Batavia telt men 28 000. Op dit late uur geven zij alleen nog eenige

levendigheid aan de oude straten, die mij tot aan de citadel voeren, al

sinds jaren ontmanteld. De groote poort staat nog overeind, zorgvuldig

wit geverfd met vier zwarte urnen er op, en in de nissen twee beelden

van woeste krijgers. In het gras, op de plek der geslechte wallen

liggen nog enkele oude kanonnen van gietijzer. Een ervan, van vrij

groot kaliber, geniet hier een zekere vereering. Het stuk heeft, naar

't schijnt, wonderbaarlijke eigenschappen; 't geeft den vrouwen, die

geen kinderen hebben, kans op nakroost, en maleische dames vervullen

er haar godsdienstplichten. Voor 't oogenblik echter heeft het oude

kanon rust en is door de geloovigen verlaten.

Hier en daar verrijzen tusschen de boomen groote, stille, gesloten

gebouwen, die echter goed zijn onderhouden. Dat zijn de oude kazernes,

die nu als winkels in gebruik zijn. En dan, voorbij de citadel, volgt

de haven. In die nauwe en vuile kom legden vroeger de schepen aan,

die in zoo grooten getale het oostersche Venetië bezochten. Zij gingen

door tusschen de beide havenhoofden, die tot in zee voortloopen te

midden van moerassen. Daaruit rijzen de bladeren van de palmen, die

in 't water groeien, op onder de kanonnen van de batterijen, wier

vormen men nog onder 't groen terug kan vinden. Tegenwoordig gaan

alle booten naar Tandjong Priok, de nieuwe haven, en hier is alles

dood, somber en stil in het flauwe licht van een regenachtigen avond,

en ik keer met voldoening terug naar Weltevreden, de levende stad.

Aan boord van de Speelman, 9 April.

Gisteren om vier uur zijn wij uit Tandjong Priok vertrokken. Enkele

vrienden, landgenooten, met wie wij hier kennis hebben gemaakt en die

wij, hoop ik, in Frankrijk zullen weerzien, hebben ons vergezeld trots

de drukkende hitte. Ik heb Java zonder al te veel smart vaarwel gezegd,

en ik gevoel volstrekt niet dien weemoed bij het scheiden, dien vele

anderen hebben gevoeld. Ik hecht mij aan de menschen, niet aan de

dingen. Aan landen, waar ik gewoond heb, maar waar ik geen menschen,

die mij dierbaar zijn, achterlaat, gevoel ik mij slechts door zwakke

banden gebonden. Het ontroert mij niet, als ik een eenmaal afgelegden

weg weer betreed of bekende plaatsen terugzie, en als ik er een nieuwe

vreugde vind, komt dat niet uit gevoelsoorzaken. Ik ben geen slaaf

van mijn gewoonten; ik heb de ziel van een vagebond. Reizen opent de

poort der droomen voor mij, omdat ik het onbekende zal binnengaan.

Die liefde voor verandering en voor iets nieuws verleent aan ieder

afscheid een zekeren glans. En daarbij ben ik op Java min of meer

teleurgesteld geworden. Ik heb mij het land dikwijls voorgesteld

als een geheimzinnig en gevaarlijk oord; en ik vond er integendeel

de vriendelijkste, zonnigste landschappen, een vreedzame, onderworpen

bevolking, die een kalm, eentonig leven leidt, juist als de veroveraars

ook doen.

Toch heeft mijn jongste uitstapje een diepen indruk op mij gemaakt. Er

was mij een geestdriftige beschrijving gegeven van de baai van

Palaboean Ratoe, en ik heb van enkele vrije dagen gebruik gemaakt,

om dat wonder te gaan zien, vóór het vertrek der Speelman.

De spoorweg bracht mij naar Tji Badak, tusschen Buitenzorg en

Soekaboemi, en van daar gingen we per rijtuig langs een steenachtigen

weg tot aan den oever der zee. Dit is, naar 't schijnt, het nog

woeste Java, en de Indische Oceaan bespoelt hier een met bosch bedekte

rotsachtige kust. Wij hebben den nacht doorgebracht in de pasangrahan,

en zoodra het dag was, begaven we ons op weg om weer te Soekaboemi

te komen door Pasawahan en Bodjong Lopang. Wij staken eerst op een

primitief vlot een rivier over, de Tji Mandiri, en volgden daarna

den linkeroever tot de monding.

De weg loopt daarna door een nauw dal en stijgt dan snel tot meer

dan 1000 M. hoogte. Naarmate men hooger komt, krijgt men de geheele

baai te zien, en weldra doet zich een prachtige aanblik voor, de

mooiste stellig, dien ik op Java heb genoten. Eerst ziet men het

dal, dat we pas zijn doorgegaan en de met bosch bedekte hellingen,

de dichtbebladerde boomen van zoo verschillende soort, de lianen,

die ze verbinden en er zich omheen slingeren; dan lager een gehuchtje

tusschen palmen, slanke boomen, die hun pluimen wuiven in den wind

en verderop de diepe en blauwe zee. Nauwelijks wordt de oppervlakte

door een enkel rimpeltje bewogen, en de zachtgeronde kust vloeit samen

met het witte schuim, dat het zand omzoomt; dan treft de lichtgroene

tint der rijstvelden, en andere landen, geel reeds en gereed om te

worden geoogst, en heuvels weer, gekroond met wouden. Aan hun voet

stroomt de rivier, die rood en troebel water voert en zich niet wil

vereenigen met het kristalheldere water van de zee, en eindelijk op

den achtergrond de blauwe bergen, welker toppen zich aaneensluiten tot

den horizon. En dat alles onder een prachtigen hemel, schitterenden

zonneschijn en onbewogen, doorschijnende lucht, zonder een spoor van

nevel of damp en zonder dat toch 't een of ander hard en onafgerond

schijnt. 't Is een kalm en vredig stemmend landschap, een tooneel,

dat men zich telkens voor den geest roept en dat eigenlijk niet door

een beschrijving is weer te geven.

Het vertrek van Tandjong Priok biedt niet zooveel moois aan. Dikke

nevels verbergen den horizon, en een laag wolken verbergt de beide

tweelingvulkanen, Salak en Gedeh, waarvan wij eenige maanden geleden op

den morgen onzer aankomst de zuivere omtrekken mochten bewonderen. De

Speelman is uit de haven vertrokken. Het schip vaart op korten afstand

langs een lage kust, waarvoor een rij van eilandjes liggen. Een dicht

plantenkleed loopt tot aan zee. Op dezen vruchtbaren grond is er geen

brokje slijk en geen hoekje steen, of de plantengroei legt er beslag

op. Het is, of Java uit den oceaan is opgestegen in den ouden tijd,

geheel met groen en bloeiend leven overtogen.

De residentie, welker kust wij zien, is toch niet een der schoonste

van Java; het is integendeel de armste en de minst bevolkte;

't is Bantam, waar de Hollanders zich het eerst vestigden. In

de vlakte zijn bijna alle gronden, en wel de allervruchtbaarste,

aan Europeanen en Chineezen verkocht, een manier van Daendels en

Raffles om de schatkist te vullen. Ofschoon zij op die wijze over

directe hulpmiddelen beschikten, hebben ze de taak van hun opvolgers

bemoeilijkt, want de toestand, zooals hij nu is, drukt zwaar op de

bevolking. Waarom den grond te bewerken, als de opbrengst een vreemden

meester moet verrijken? De landbouwer van Bantam kan zich niet daarin

schikken. Hij trekt ergens anders heen en zoekt in andere residenties

gronden, die nog vrij zijn. Diegenen, die achterblijven, hebben niet

het zorgelooze karakter der andere Javanen; zij zijn heftig van aard,

en hun godsdienst is strenger. De mohammedaansche dweepzucht, die niet

veel op Java voorkomt, wordt hier aangetroffen, en nog pas weinige

jaren geleden werd een resident er het slachtoffer van.

Vroeger trachtten de inlandsche hoofden, die zelf arm waren te midden

van een uitgeputte bevolking, door allerlei middelen, wettige en

onwettige, hun rang op te houden. Toen het stelsel der gedwongen

cultures in zwang was, trok de Javaan, die meedoogenloos geplunderd

werd door zijn hoofden en door een onverzadelijke regeering,

de Soendastraat over en zocht een schuilplaats in de Lampongs;

er vormden zich benden, troepen arme wanhopigen, die, naar wraak

dorstend, het land verwoestten.

Sedert dertig jaren is intusschen alles anders geworden. In deze

ongelukkige residentie heeft een bewonderenswaardig man gediend,

en zijn geest, die het goede zocht, waagde zich aan een ongelijken

strijd, waarin hij niettemin overwinnaar bleef. Men heeft mij

eenige dagen geleden te Rangkas Betoeng het huis laten zien,

waarin Multatuli woonde. Douwes Dekker was vijf-en-veertig jaren

geleden assistent-resident van Lebak. Hij was een onbevreesd en

gevaarlijk ambtenaar, omdat zijn beginselen in strijd kwamen met wat

de administratie eischte. Hij meende, dat zijn plichten als ambtenaar

en zijn plichten als mensch niet met elkander in tegenspraak konden

zijn, en op den dag, dat het onrecht, begaan door den regent van Lebak,

hem bekend werd, stelde hij zich er niet mee tevreden, het eenvoudig

te berichten aan zijn superieur in de hiërarchie. Hij zou vóór alles

recht erlangen, niet om het recht alleen, maar omdat menschen leden

en hij hun ellende wilde doen ophouden. Men verzocht hem te zwijgen;

de plicht van een ambtenaar was dood eenvoudig; die bestond in

't laten verbouwen van koffie en die zoo goedkoop mogelijk te doen

betalen. De inlandsche hoofden waren bij die verheven taak helpers,

die men moest ontzien.

Als de regent van Lebak al iets op zijn kerfstok had, dat

beteekende weinig; hij bewees diensten, en dat was waarborg genoeg

van moraliteit. Douwes Dekker hield vol, werd verplaatst, viel in

ongenade, moest zijn ontslag vragen en ging heen. Gedurende vele

jaren heeft hij in Nederland ellende en honger gekend, en erger,

het sarcasme en het beleedigende medelijden. Multatuli, "ik heb

veel geleden", dat is wel de rechte naam voor een apostel. Niets

heeft hem ontmoedigd. Onvermoeid heeft hij geroepen; hij heeft het

stelsel van roof en onderdrukking blootgelegd, en zijn adem heeft het

trotsch gebouw van onrechtvaardigheid ter neer geworpen. Hij had alle

menschelijke machten tegen zich, de ijdelheid der staatslieden, de

hebzucht der handelaars, de hatelijke inertie van de administratieve

machine, de lafheid van de eerlijke menschen, maar hij heeft

gezegevierd. In geheel Nederland heeft iedereen medelijden gekregen

met den ongelukkigen en zoo lang reeds onderdrukten inlander. Niemand

wilde meer iets weten van een kolonisatiesysteem, waarbij de rijkdommen

betaald werden met de tranen der Javanen. Ik heb het voltooide werk

aanschouwd. Wat tegenwoordig de hollandsche bestuurswijze kenmerkt en

haar een edelmoedig karakter verleent, is de aanhoudende zorg voor

den inboorling, den kleinen man, die zoowel tegen anderen als tegen

zichzelven beschermd moet worden.

Aan dien onbuigbaren man moet ik telkens denken. Hij zag vóór zich

de beide wegen, den eenen rustig, kalm en zachtkens dalend naar de

lage landen, den anderen steil en moeilijk naar de hoogten van het

leven, en hij heeft den tweeden gekozen. Als hij geleden heeft, hij

heeft toch ook bovenmenschelijke blijdschap gesmaakt; hij heeft zijn

ideaal verwezenlijkt gezien. Over dat voorbeeld moet ik nadenken,

een tooverdrank, waarvan ik kracht en beteekenis begin te begrijpen.

Het is nacht geworden, en de boot glijdt voort in de dikke

duisternis. Enkele passagiers luisteren naar de schreeuwerige tonen

van een grammophoon. Op het dek hurken inlanders. Onder hen is ook een

troep reizende muzikanten; zij gaan naar Padang en zijn de houders

van den schat der oude melodieën en der legendarische gedichten. Op

ons verzoek gaan ze spelen. Het orkest, de gamelang, bestaat uit

instrumenten van allerlei vorm en allerlei soort. Een ervan, een

reeks van gongs, op muzikale tonen gezet, geeft aardige muziek, nu

en dan afgebroken door het heftige en brutale geroffel der trommen

van vel of hout. Meisjes zijn aan het dansen. Zij hebben een costuum

van doorschijnende stof aangetrokken met gouden pailletten en dragen

een uitgebreid kapsel, waaronder ze als gebukt gaan, met een diadeem,

van achteren als een helm opstaand.

Ook hebben ze een masker voor, blauw, rood of zwart, met spitsen

neus en gebogen wenkbrauwen, welks trekken eenvoudige gevoelens,

vreugde of smart te kennen geven. Zij dansen, en de muzikanten zingen;

onbekende woorden vliegen heen en weer, de stemmen rijzen en dalen bij

beurten. De danseressen wiegen zich rechts en links, met de voeten

dicht bijeen of gekruist; met uitgespreide armen bewegen zij het

hoofd, buigen het lichaam, verroeren handen en vingers in zonderlinge,

stijve gebaren en dan leggen ze van tijd tot tijd een paar passen af

met theatrale groote stappen en uitdagend opgeheven hoofd.

Wat verbeeldt dit alles? wat zeggen ze? De stemmen worden zachter,

sterven weg. Dezelfde zuivere, melancholieke toon keert geregeld terug

en wordt door een slag op een metalen gong voortgebracht. Het lied,

dat er wordt gezongen, het tooneel, dat ze opvoeren, 't zij kwijnend

of hartstochtelijk, ieder van ons mag het uitleggen naar zijn eigen

fantazie. De koddige schaduwen, die daar zich bewegen in 't onzekere

licht van eenige lantaarns, schijnen zich op te lossen in niets;

het lijken spoken, getuigend van een verdwenen verleden, van doode

koninkrijken en voorbijgegane liefde, van heldendaden en nutteloos

vergoten bloed. Zij wekken in ons atavistische herinneringen, duistere

gedachten, onduidelijke wenschen en terwijl de danseressen buigen en

ons groeten, terwijl de duisternis al dieper wordt en de muziek zwijgt,

word ik nog gewiegd door den droom, dien het dansen en zingen opriep.

Aan boord van de Speelman, 10 April.

De Speelman haast zich niet. Gisteren zouden wij te Telok Betong

hebben moeten aankomen om zes uur in den morgen; averij aan de machine

deed ons de vaart vertragen, en we zijn pas om tien uur op de reede

aangekomen. Wij hebben geen tijd, aan wal te gaan en moeten ons

tevreden stellen met uit de verte de kust te beschouwen. Wij liggen

achter in een driehoekige baai, in 't Zuiden afgesloten door een rij

eilandjes. De met bosch bedekte bergen dalen rechtstreeks neer in zee;

hooge toppen van 1000 à 1200 M. schijnen den ingang van de haven te

bewaken. In het Zuiden kan men door de opening, die wij juist zijn

doorgegaan ten westen van het eiland Sebesi, een alleenstaanden kegel

zien van grijze kleur, dat is de Krakatau.

Deze rustige berg, boven stille wateren oprijzend, heeft zeventien

jaren geleden een der vreeselijkste catastrophen veroorzaakt. Sinds

1680 had de vulkaan niet gewerkt. De zeelieden, die uit Europa kwamen,

begroetten altijd reeds van verre den eenzamen berg; hij kondigde hun

't einde aan der reis. In Maart 1883 is plotseling het monster wakker

geworden. De inboorlingen uit het land in de buurt zagen met verbazing

den vederbos van rook, die wuifde door de lucht. Zij waren aan zoo'n

schouwspel wel gewend, en het boezemde hun geen schrik meer in.

Van de eene naar de andere zijde over Java en Sumatra strekken zich

twee rijen van vulkanen uit; elk van die heeft zijn eigen legende,

zijn lange perioden van rust en zijn uitbarstingen van woede. De

woede van den Krakatau leek niet zoo erg verschrikkelijk. Er

lagen op zijn hellingen geen dorpen en geen aanplantingen, en de

beschermende zee isoleerde dezen vulkaan. Maar met iederen nieuwen

dag namen de verschijnselen in hevigheid toe. In de maand Augustus

wierp de berg dikke wolken asch uit; lavastroomen vloeiden over den

kraterrand; het eeuwenoude bosch op de hellingen begon te branden

als een reuzentoorts. Een planter, die toen op Java woonde in de

Preanger Regentschappen, vertelde mij van den schrik en den angst,

die gedurende enkele dagen allen vervulden.

Men had in de richting van Batavia een dichte wolk zien opkomen,

die langzamerhand grooter werd en al het land overdekte. Het leek,

of zij niet door den wind werd voortgedreven. De zware rookkolommen

stapelden zich op, en het werd donker, donkere nacht met een fijne,

ongrijpbare asch, die onophoudelijk neerdaalde. De menschen hadden

zich, bevend van angst, in hun huizen opgesloten.

In die duisternis, die volle vijftig uren duurde, hoorde men

ontzettende ontploffingen. Te Singapore meende men, dat de vulkaan

van de Karimon Java-eilanden werkte; te Saigon geloofde ieder,

dat in de Golf van Siam de eskaders elkaâr een donderend gevecht

aandeden. Op de kusten van Java en Sumatra wachtten de doodelijke

verschrikte bewoners op de ontknooping. Hoe zou het gevaar zich

ten slotte voordoen? Stortte de grond onder hen in en zouden nieuwe

kraters worden gevormd? Niemand durfde vluchten in de duisternis; de

opgehoopte asch lag hier en daar als een bed van een meter hoogte; de

onzichtbare vulkaan ging maar voort met donderen; woedend sloeg daarna

de regen neer. Het gevaar leek nog dreigender in het binnenland dan

hier aan het strand, waar de vastgemaakte booten nog op het uiterst

oogenblik redding mogelijk zouden maken--en toch, juist uit zee is de

ramp opgestegen. Plotseling stortte de krater van den Krakatau in;

reuzengolven stoven op en kwamen dreigend op de kust aan. In den

trechter, door de baai van Telok Betong gevormd, kwam een dertig

meter hooge muur van water breken op de kust. Tot aan den voet der

bergen veegde de vloedgolf dorpen weg en tuinen; zij nam schepen op en

smeet ze neer op het land, en als het water zich had teruggetrokken,

liet het in de verwoeste streek duizenden dooden achter. De vulkaan

was van vorm en van plaats veranderd; waar vroeger zijn hoogste top

verrees, gaapte nu een afgrond in de zee van 300 M. diepte, en nieuwe

eilanden waren ontstaan tusschen de ruïnen van den berg.

Wij zijn slechts weinige uren te Telok Betong gebleven en gingen van

daar naar Engano. Zonder ons te haasten, voeren we door tusschen de

eilanden, die de baai afsluiten; het waren pyramiden van groen en van

den top tot den voet spiegelt al dat gebladerte zich in de zee. Toen

daarna de laatste kaap was omgezeild, volgden wij verder op korten

afstand de kust. De zee is hier om dezen tijd van het jaar zoo stil

als in een meer. Links wijken de laatste toppen van Java in den grijzen

nevel. En vreemd, eerst op dat oogenblik speet het mij, dat de zoo snel

volbrachte reis was afgeloopen. Dat land, dat ik zoozeer had gewenscht

te zien en dat ik zeker nooit weer zal aanschouwen, mijn verbeelding

begon het nu te vervormen tot iets wonderschoons. Misschien heb ik de

vriendelijkste of treffendste punten niet gezien, mogelijk ook had ik

er langer moeten blijven en er moeten leven op een andere manier. Java

fluistert haar geheimen en geeft haar zoete bekoring slechts voor

diegenen, die er trouw aan zijn en zich geheel willen geven.

Het wordt avond; de grijze lucht en de zee smelten samen; enkele

zachtrood gekleurde wolken drijven door de lucht; andere komen

op aan den horizon. Ieder ondervindt den invloed van dit heerlijke

uur. Geluidloos klieft het schip de golven, en een parelmoeren schuim

volgt het op zijn weg.

In zulk een lauwe atmosfeer en 't uniforme licht beginnen droomen

zich weer van den geest meester te maken. De straat daarginder

is de Soendastraat en zij roept duizend machtige beelden op. In

deze zee, waar zooveel groote schepen in de jaren van de eerste

ontdekkingsreizen zijn vergaan, moet men wel denken aan de heldhaftige

expedities, door avonturiers van vroeger op 't getouw gezet. Mooie

verzen over de conquistadores spelen door mijn brein. Hier was het

land van goud en specerijen, het land, dat geurig en welriekend

was als geen; de wondereilanden, die hun schatten slechts voor de

stoutmoedigen beschikbaar hadden. Naar deze stranden zetten koers die

heldenkapiteins, wier uren van triomf ik tracht mij voor den geest te

roepen. Hier, op den nu zoo rustigen bodem, stapten zij aan wal bij

't bulderen der verouderde kanonnen, en bij 't verlaten van hun schepen

zagen zij de volken vluchten. Koningen bogen zich voor deze toovenaars,

die onverschrokkenen, gekomen uit het Westen, uit die verre streken,

waar de zon des avonds schuilgaat.

Het komt mij voor, dat in dien tijd de natuur met nog veel machtiger

bekoring op de helden moet hebben gewerkt. Zij zagen er niets leelijks

en niets kleins, en toen de verovering voltooid was en de buit was

meegevoerd, toen togen de avonturiers op nieuwe tochten uit, op wankele

schepen over onbekende zeeën, weer op de zoek naar nieuwe stranden,

waar hen nieuwe zegepralen wachtten.

Ik weet wel, dat de meeste dezer helden niet meer waren dan bandieten,

ruw en wreed, dat niet van poëzie hun ziel vervuld was, noch hun

hart van medegevoel. De menschelijke inhaligheid kwam toen met zeer

naïeve felheid aan den dag; recht, menschelijkheid en al die groote

woorden, die ons aangenaam in de ooren klinken, vielen in de stilte

neer en wekten in 't geheel geen echo's. De wereld behoorde aan de

christenvolken; de grond met zijn rijkdommen en met de ongeloovigen,

die er woonden. Er bestond geen zedelijke band; de veroveraar bezat

de macht, en hij was in 't bezit der waarheid.

Ieder wenschte voor zich een aandeel aan 't onmetelijke gebied, waarvan

men bij elken stap, dien men deed, de grenzen zag terugwijken. Bij

deze jacht naar winst, waarop de volken van Europa elkander de

aarde betwistten, hield ieder zijn deel angstvallig vast door alle

mogelijke middelen. De wegen, leidend naar de nieuwe landen, waar de

zware galjoenen zich langs bewogen, moesten een geheim blijven. De

ruwe kaarten, waar de schippers, zoo goed en zoo kwaad als het ging,

hun gang op afteekenden, waren nationaal eigendom, en 't was verraad,

ze aan vreemdelingen af te staan of bekend te maken.

Met zweep en brandmerk en verbanning werden de schuldigen of de

onvoorzichtigen gestraft. Die blanke menschen, die de volken van het

Oosten elken dag zagen aankomen in hun landen en die de zonen schenen

van een zelfde ras, leverden elkander op alle zeeën de verwoedste

gevechten, en voor hun schreden zonken koninkrijken in het niet en

oude beschavingen vielen tot stof ineen.

Maar in onze herinnering blijven wij niet toeven bij de begane

wreedheden. Hoe komt het toch, dat die ruwe klanten uit de historie

voor ons oprijzen, omstraald door een helder licht? Dat is, omdat

elk van ons hun iets van zijn eigen ziel geeft. Wij wenschen te

gelooven, dat zij door een ideaal werden geleid. Als wij, bewoonden

zij sombere landen, waar 't banale leven niet genoeg was voor hun

ziel. Zij stikten in de enge gevangenis, waarin het lot hen had

geplaatst, waar vooroordeelen en allerlei belangen hen vasthielden;

zij scheurden zich los, gingen heen, verder en altijd verder, om

nieuwe landen te zoeken en krachtiger, vuriger zonnen. Ze hadden

hun ketenen verbroken, en de verworven vrijheid steeg hun naar het

hoofd. Wie onzer zou zoo'n schoonen droom niet willen leven?

Aan boord van de Speelman, 10 April.

Hedenmorgen zijn wij tegen tien uur te Engano aangekomen. Wij hebben

in een kalme baai het anker uitgeworpen, waar drie eilandjes ons

tegen de hooge zeeën beschutten. Een kring van brekers, waar de

zee geweldig bruist en schuimt, omringt ons in een nauwen cirkel,

en slechts met moeite kunnen we nog de doorvaart herkennen, die ons

den toegang heeft verleend.

Pas hadden we het anker uitgeworpen, of van elk eiland staken booten

van wal, met roeiers bemand. De inboorlingen, die erin waren gezeten,

moedigden elkander aan met schelle kreten. Ze zijn halfnaakt en

vertoonen ons stevige lichamen met sterke spieren. De gelaatstrekken

zijn energiek en woest; de diepliggende oogen fonkelen onder zware

wenkbrauwen, die het smalle voorhoofd begrenzen; de jukbeenderen

steken vooruit, en de benedenkaak is zwaar en vierkant. Een lap stof

houdt het haar in bedwang en omgeeft het voorhoofd als een hoofddoek,

en aan den achterkant vallen krullen neer in den nek.

Dit zijn mooie, forsche kerels, die men zou willen zien, getatoeëerd

voor den oorlog en met lans of knots gewapend. Ze zijn aan boord

gekomen, op een manier, die denken doet aan de vermeestering van een

gemakkelijke prooi. Met zulke lenige bewegingen moeten indertijd,

als Cook en La Pérouse een nieuw eiland ontdekten, de inboorlingen

vol nieuwsgierigheid hun schepen hebben bestormd. Deze wilden hebben

intusschen in 't minst geen booze bedoelingen; zij komen eenvoudig

maar copra tegen rijst inwisselen. Zij brengen ook vruchten mee,

visschen die er vreemd uitzien, vol stekels, en prachtige schelpen,

met parelmoer belegd. Achterop elke schuit staat een Chinees,

de onvermijdelijke tusschenpersoon in deze streken, en leidt de

bewegingen van het vaartuig.

Vroeger waren de Eugano-eilanden sterk bevolkt. Vijftig jaar

geleden woonden de inboorlingen er nog vreedzaam en van de wereld

afgezonderd. Ze leefden van jacht en vischvangst, kenden nog niet de

bewerking van het ijzer en wisten niets van het bestaan van tabak

en alcohol. Als er een schip vóór hun dorpen verscheen, gedroegen

zij zich gastvrij en vriendelijk. Maar de menschen van Sumatra

minachtten hen als wilden, en ze zijn dan ook sedert dien tijd in

beschaving vooruitgegaan. Ze kunnen flink drinken en zijn jaloersche

echtgenooten geworden. Een jonge contrôleur, die een tournée er heeft

gedaan, vertelt mij, dat hij van geen vrouw het aangezicht te zien

heeft gekregen. Toch zijn de meisjes van Engano mooi en flink gebouwd.

De veldwinnende beschaving heeft nog andere gevolgen gehad. De

bevolking vermindert onrustbarend in aantal. Ziekten hebben zoo erge

verwoestingen aangericht, dat er niet veel meer dan 600 inwoners

zijn. Welke kwaal decimeert hier de menschen, die er toch zoo sterk

en flink uitzien? Niemand kan het mij zeggen. De inboorlingen meenen,

dat booze geesten hen met hun haat vervolgen. Zij hebben het groote

eiland verlaten en hebben een schuilplaats gezocht op de kleinere,

minder ongezonde eilanden. Dat zijn manden van groen, even slechts

zich verheffend boven het doorschijnend heldere water. Eerst ziet men

een dun zandlijntje, dat als goud schittert, dan een hoopje struiken,

afgeronde groepen en daarachter de dicht bijeen staande stammen en de

groene vederbossen van de kokospalmen. Ik zie nergens andere boomen,

en onder palmen staan ook de huizen aan het strand.

Links van ons breidt het grootste eiland zich uit, geheel met bosch

bedekt. Hier en daar op het strand wijzen boschjes kokospalmen nog de

plek der vroegere dorpen aan. Als ik zulke streken zie, zoo mooi en zoo

woest, krijg ik lust, mij naar land te laten roeien, aan wal te gaan

op die smalle zandige kust, die een gordel vormt om het woud heen en

mij op goed geluk diep in het bosch te wagen. Ik weet wel, dat ik er

moerassen zal vinden en planten met scherpe dorens en verraderlijke

lianen, die u tegenhouden en u de voeten binden, en weerzinwekkende

insecten, en toch wordt het een lastige kwelling, dat men aan zulk

een wensch niet kan voldoen. Zou 't zijn, doordat ik ben geboren in

een dor en door de zon verschroeid land? Ik weet het niet; maar ik heb

een hartstochtelijke vereering voor het woud. Die zware mantel die den

grond verbergt, die massa's donker gebladerte, de smalle, donkere paden

lokken mij aan door hun geheimzinnigheid. Ook heb ik vroeger reeds

een tijd lang in het bosch geleefd, een vrij en ongebonden leven,

en ik heb daarvan, geloof ik, iets ziekelijks behouden, dat mij van

tijd tot tijd er altijd naar zal doen terugverlangen.

Wij hebben Eugano zooeven verlaten en zetten koers naar Benkoelen,

welks hooge kust wij weldra langzaam uit de wateren zien oprijzen.

Padang, 20 April.

Wij zijn te Padang al sedert den 12den. We hebben reeds een

eerste uitstapje gedaan en zijn gisteren hier teruggekomen, om de

voorbereiding voor een tweede te houden, een langer en bezwaarlijker

tocht.

Van Eugano tot Padang had de reis een zeer alledaagsch verloop. Het

was een kalme vaart over een slapende zee met eenige uren oponthoud

te Benkoelen. Dat is een klein, zeer stil stadje, waar een weg begint

dwars door Sumatra bij Palembang uitkomend. De huizen der chineesche

wijk staan tot dicht aan zee, en de dikke palen, die de balkons en

de veranda's dragen, worden door het water bespoeld. Daarachter zijn

het residentiehuis en de woningen der Europeanen door groote tuinen

omgeven, aan beide zijden van de stille straten.

Boven het strand verrijst een oude citadel en enkele ouderwetsche

kanonnen kijken melancholiek in zee. Het is 't fort Marlborough,

reeds meer dan een eeuw geleden gebouwd door de Engelschen. Zij

waren er in 1796 in getrokken en hielden zich er lang staande. De

verdragen van 1814 hadden hen verplicht, aan Nederland Java en wat

er bij behoorde, terug te geven. Men wist toen in Europa nog niet,

welk een kostbaren schat sir Stamford Raffles voor zijn land veroverd

had. Evenals Clive had hij gedroomd, het rijk uit te breiden en als

Clive was hij in de functie van eenvoudig ambtenaartje begonnen op de

kantoren der Indische Compagnie en als Clive had hij met zijn genie de

hooge ambtenaren voor zijn idee gewonnen. In 1807 droeg lord Minto,

gouverneur-generaal van Britsch-Indië, hem op, zich in verbinding te

stellen met de maleische vorsten op Sumatra en Java. In 1811, op het

oogenblik dat admiraal Stapford op Malakka een expeditie naar Batavia

voorbereidde, onderhandelde Raffles met den sultan van Palembang, de

radja's van Bali en Lombok en den regent van Madoera. De nederlaag

van 't fransch-hollandsche leger werd kort daarna gevolgd door de

onderwerping aan Engeland van alle inlandsche vorsten.

Benoemd tot luitenant-gouverneur van Java, begon Raffles het land

te organiseeren. Hij ging langs nieuwe wegen met een energie en

een ijver, die verwonderlijk waren, en zette het werk voort, dat

door Daendels was begonnen. Den 24sten Mei 1814 werd hij als door

een bliksemslag getroffen; de val van het keizerrijk in Frankrijk

gaf aan Nederland zijn onafhankelijkheid terug, en Engeland gaf

aan het nieuwe koninkrijk alle koloniën weer, die het op 1 Januari

1803 in bezit had gehad, behalve Kaap de Goede Hoop en Demerary. De

terugkeer van Napoleon van Elba deed op onverwachte wijze Raffles'

moed herleven. Hij richtte tot de engelsche Indische Compagnie een

vurige smeekbede, trachtte aan te toonen, welke rijkdommen men uit den

heerlijken bodem van Insulinde halen kon; maar 't was te vergeefs. Hij

moest buigen en met een bloedend hart het door hem voor zijn vaderland

gewonnen terrein opgeven.

Toch deed Raffles nog geen afstand van zijn droom. Benkoelen en

Padang waren bezet geweest van 1796 af, en Raffles weigerde die

terug te geven. Het gansche zuidelijke deel van Sumatra was nog niet

in handen van de Nederlanders of behoorde hun ten minste slechts in

naam. Nauwelijks op 40 K.M. afstands van Benkoelen begon het dal der

Moesi. Van Kepahang tot aan de Bankastraat strekte zich een prachtig

net van waterwegen uit, dat bevaarbaar was en rechtstreeks door het

koninkrijk Palembang de tallooze booten met specerijen, tambangangs

en bidars met acht roeiers, en pantolans met dertig roeiers kon

vervoeren. Reeds in 1811 was de radja van Palembang tegen de Hollanders

opgestaan; drie jaren lang had ook Engeland zonder vrucht gestreden

tegen het rebellenhoofd Mahmoed Badder Eddin. Nu zouden de rollen

omgekeerd worden, Raffles zou, als hij te Benkoelen gevestigd was,

in 't geheim de opstandelingen kunnen steunen. De Hollanders zouden

een oorlog moede worden, die maar niet wilde eindigen. Misschien zou

men tot een overeenkomst besluiten, waarbij Engeland een vergoeding

krijgen kon voor het verlies van Java.

Het had niet veel gescheeld, of het plan van Raffles zou geslaagd

zijn. In Juni 1819 viel Badder Eddin Palembang aan, en het garnizoen

ontkwam slechts aan een uitmoording, door zich overhaast in te

schepen. Twee expedities werden uitgerust van Batavia uit, maar

leden een nederlaag tegen de versterkingen, op 't eiland Gambora

opgericht. De oproerlingen zonden tegen de hollandsche vloot veel rakit

api uit, vlotten, beladen met ontvlambare stoffen, en de oorlogsschepen

stieten op de versperringen, in de rivier aangebracht. Om Palembang te

hernemen, moest men een vloot van 118 schepen uitrusten en vierhonderd

vuurmonden op de kust richten. Ondanks de onderwerping van Badder

Eddin brak de opstand weldra weder uit; maar in 1824 werd een nieuw

verdrag tusschen Engeland en Nederland gesloten. Het laatste land

herkreeg Benkoelen en Padang en deed afstand van Malakka en van

zijn laatste bezittingen in Voor-Indië. Voor de tweede maal vielen

de plannen van Raffles in duigen; de onbuigbare man scheen bestemd,

om wreed door het lot te worden behandeld. Toch is niet alles weg van

wat hij heeft willen in het leven roepen; in de maand Februari 1819

had Raffles op een eilandje, dat bij het sultanaat Johore behoorde,

de engelsche vlag geplant op de moskee van Singapore.

Aan al die dingen denk ik vóór de wallen van 't fort Marlborough,

waar nederlandsche soldaten mij wantrouwig aanzien. Op het strand zijn

chineesche koelies bezig, waren te lossen. De zee is laag; de sloepen

zitten op eenigen afstand van den wal vast, en de arbeiders, tot het

middel in het water, nemen bij het werk een gedwongen bad. Maleiers

zien, in gehurkte houding, onverschillig naar de gele heeren, die het

zich druk maken en voorzichtig de zware kisten sjouwen. Zij zijn vrije

mannen, en zoo'n slavenbestaan schijnt hun verachtelijk. Op den oever

dringt een dichte menigte samen. Een jonge, te Padang wonende Chinees

heeft zich van hier een vrouw gehaald, en de bruiloftstoet doet hun

uitgeleide. De vrouwen dragen een kleeding, half chineesch en half

maleisch, met een overvloed van groote sieraden, en de mannen pronken

in alpacajasjes en vilthoeden. Uiterst voorzichtig neemt het paartje

plaats in onze sloep en parasols en zakdoeken worden ten afscheid

gewuifd. De jonge vrouw, met haar gepoederd gezichtje, lange fijne

wimpers en geverfde lippen, neemt met een gedwongen glimlachje de

goede wenschen in ontvangst.

Van Batavia naar Atjeh, dwars door Sumatra De Aarde en haar Volken, 1904 · 第 1 / 7 段