ART. 2.

Op de Zuiderzee bestaat eene levendige visscherij, voornamelijk op

haring, bot, ansjovis, spiering, aal en garnaal.

Er zijn gemeenten, vanwaar uitsluitend op de Zuiderzee gevischt wordt,

andere waarvoor de Zuiderzeevisscherij hoofdzaak is, doch vanwaar ook

gedeeltelijk op de Noordzee gevischt wordt en eindelijk zulke, waarvoor

de Noordzeevisscherij hoofdzaak is, doch vanwaar gedurende een gedeelte

van het jaar ook op de Zuiderzee gevischt wordt. Afziende van de

laatste, blijven voor de beide eerste categorieën 18 gemeenten over,

met eene vloot van meer dan 1500 vaartuigen, bemand met 3000 koppen,

waarmede uitsluitend of voornamelijk op de Zuiderzee gevischt wordt.

Die opbrengst van de Zuiderzeevisscherij is aan zeer groote

wisselvalligheid onderhevig. Voor een ongunstig jaar als 1888 wordt

de waarde die de gevangen visch aan de visschers opbrengt, op ruim 1

millioen gulden geschat; gewoonlijk echter is de opbrengst aanzienlijk

meer. Eene overvloedige ansjovisvangst kan alleen reeds in een jaar

meer dan 1 millioen gulden afwerpen. Dooreen genomen bedraagt de

bruto-opbrengst van de Zuiderzeevisscherij waarschijnlijk ongeveer

2 millioen gulden per jaar.

Na de afsluiting zal het gedeelte der Zuiderzee benoorden die afsluiting

voor de visscherij, uitgenomen die van schelpdieren, van geen beteekenis

zijn, hetgeen mag worden afgeleid uit het feit, dat daar ook thans

nagenoeg geen andere visscherij plaats grijpt, en de natuurlijke

omstandigheden aldaar door de afsluiting geen beteekenende wijzigingen

zullen ondergaan.

Hoewel het zoetwatermeer achter den afsluitdijk en zoetwatervisschen

zal kunnen voeden, zoo zal daarin van eene visscherij op dergelijke

groote schaal als thans in de Zuiderzee moeilijk sprake kunnen zijn.

Afsluiting van de Zuiderzee maakt dus, reeds tijdens den aanleg van

den afsluitdijk, aan de visscherij op die zee als groote industrie een

einde.

Niet alleen wordt door de afsluiting aan hen, die thans uitsluitend

van de Zuiderzeevisscherij leven, het middel van bestaan ontnomen, maar

ook hun materieel, dat ongeschikt is voor de Noordzeevisscherij, wordt

nagenoeg waardeloos gemaakt. Aan het nadeel dat de afsluiting voor

de Zuiderzeevisscherij te weeg zal brengen, behoort dan ook zooveel

mogelijk te worden te gemoet gekomen.

Dit zou in de eerste plaats kunnen geschieden door die visschers,

welke thans hun bedrijf uitsluitend of voornamelijk op de Zuiderzee

uitoefenen, op Rijkskosten in het bezit te stellen van vaartuigen,

geschikt en uitgerust voor de visscherij op de Noordzee. De

Staatscommissie geeft nog andere vormen van schadeloosstelling aan de

hand en raamt de kosten, die de voorziening in de visscherijbelangen

voor het Rijk zal veroorzaken, op f4500000. Het schijnt der Regeering

niet noodig, thans reeds in bijzonderheden vast te stellen, hoe aan

het verlies, dat de afsluiting aan de Zuiderzeevisschersbevolking

zal berokkenen, zal worden te gemoet gekomen; zulks kan later worden

geregeld, nadat daarover het advies van eene deskundige commissie zal

zijn ingewonnen. Intusschen is in de begrooting van uitgaven op de door

de Staatscommissie noodig geoordeelde tegemoetkoming gerekend.

Ontwerp van wet tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee met toelichtende memorie · 第 8 / 9 题