De Regeering stelt zich voor, dat bij de uitvoering van de in deze wet
genoemde werken in hoofdzaak zullen gevolgd worden de daarvoor in het
verslag der Staatscommissie aangegeven plannen, behoudens de wijzigingen
die, ook in verband met de adviezen der in artikel 3 bedoelde commissie,
gedurende de voorbereiding en uitvoering noodig zullen blijken. Voor
eene uitvoerige beschrijving der ontworpen werken, waarvan in het
onderstaande een overzicht wordt gegeven, zij daarom verwezen naar het
Verslag der Staatscommissie.
#1º. De afsluiting.#
Met de afsluiting der Zuiderzee over Wieringen moet worden begonnen.
Daartoe moet een dijk worden gelegd van de Noordhollandsche kust bij de
van Ewijcksluis tot Wieringen en een dijk van Wieringen naar de Friesche
kust bij Piaam.
De gezamelijke lengte dezer dijken is ongeveer 29,3 K.M.
De afsluitdijk zal eene gemiddelde kruinshoogte van 5,40 M. + N.A.P.
verkrijgen, oploopende van 5,20 M. aan de westzijde tot 5,60 M. aan de
oostzijde, en eene kruinsbreedte van 2 M.
De 17 M. breede binnenberm biedt gelegenheid aan tot aanleg van een
kunstweg voor gewoon verkeer benevens een spoorweg met dubbel spoor,
tusschen Noordholland en Friesland.
Voor de uitwaterings- en scheepvaartsluizen in de afsluiting is geen
betere plaats aan te wijzen dan de oostpunt van Wieringen bij het dorp
Den Oever, tegen welke plaats ook ten aanzien van de belangen der
militaire verdediging geen bedenking bestaat.
De uitwateringssluizen, met eene gezamenlijke wijdte van 300 M., zullen
worden aangelegd in vijf groepen, elk van zes sluizen. Elke sluis
verkrijgt eene wijdte van 10 M. en eene slagdorpeldiepte van 4,40 M.
- N.A.P.
Naast deze sluizen worden twee schutsluizen gebouwd, waarvan één wijd
10 M. en de tweede, in het bijzonder voor visschersschepen bestemd,
wijd 6 M. De sluizen zijn door buiten- en binnen-toeleidingskanalen in
verbinding te brengen met de open zee en met het IJsselmeer.
Voor het IJsselmeer is een peil aan te nemen van 0,40 M. - N.A.P.,
dat bij droogte des zomers, in verband met de meerdere behoefte tot
waterinlating van de aan het IJsselmeer gelegen provinciën, tijdelijk
is te verhoogen tot ongeveer 0,20 M. - N.A.P.
#2º. De droogmaking.#
Om boven aangegeven redenen wordt in dit wetsontwerp voorgesteld het
droogmaken van twee der vier door de Staatscommissie aangegeven
inpolderingen.
De kruinshoogte van de dijken dezer droogmakerijen zal zijn 2,50 M.
boven N.A.P.
Wegens het belangrijk verschil in hoogte van den bodem, is het
wenschelijk elke droogmakerij in verschillende afdeelingen te verdeelen
en deze afzonderlijk te bemalen. Met het oog op de hoogteligging van den
bodem is eene verdeeling van den Wieringerpolder in vier en van den
Hoornschen polder in drie afdeelingen doelmatig te achten.
De vaarten der verschillende polderafdeelingen zijn door schutsluizen
met elkander in verbinding te brengen.
Van veel belang is eene krachtige en diepgaande bemaling voor de
droogmakerijen, ook met het oog op eene spoedige ontzilting van den
drooggelegden grond. Tot voorkoming van teleurstelling is voor den bodem
op eene inklinking van 1 M. te rekenen, en het toekomstige polderpeil
voor elke polderafdeeling aan te nemen op 1 M. beneden de laagste
gedeelten van het maaiveld, na de inklinking. Het polderpeil wordt dus
op die wijze aangenomen ter diepte van 2 M. onder de laagste gedeelten
van den bodem van elke polderafdeeling, zooals deze zich vertoont
onmiddellijk na de droogmaking.
Voor de bemaling van de beide polders zijn in het geheel acht
stoomgemalen ontworpen, met een gezamenlijk vermogen van 4330
paardekrachten, de reserve inbegrepen.
* * * * *
De drooggelegde grond dient zoodanig te worden verkaveld, dat op ruime
schaal wordt voorzien in de eischen van afwatering en tevens zooveel
mogelijk in alle richtingen gelegenheid aanwezig is tot aan- en afvoer
te land en te water van landbouwbenoodigdheden en producten.
Aan deze eischen wordt in ruime mate voldaan door het plan van
verkaveling dat door de Staatscommissie is opgemaakt, volgens welk plan
kavels zullen worden gevormd van 1000 M. lengte bij 200 M. breedte,
alzoo groot 20 H.A., door eene hein- of tusschensloot verdeeld in twee
helften van 100 M. breedte en door drie dwarsslooten in vier gelijke
deelen van 250 M. lengte. De kavels worden aan de beide lange zijden
begrensd door twee slooten, aan één der korte zijden door een hoofdweg
en aan de andere korte zijde door een hoofdtocht. Hoofdwegen en
hoofdtochten doorsnijden op die wijze de polders haaks op de richting
der kavelslooten voor ieder hunner op onderlinge afstanden van 2000 M.
_Wijze van uitgifte der drooggemaakte gronden._
In het verslag der Staatscommissie alsmede in de studie van de heeren
van der Houven van Oordt en Vissering komen uitvoerige beschouwingen
voor omtrent de wijze van uitgifte der drooggemaakte gronden.
De ondergeteekenden stellen zich voor om, geleid door het nadere advies,
dat hieromtrent van de in art. 3 bedoelde Staatscommissie wordt
verwacht, de uitgifte in het algemeen in den geest van de bedoelde
beschouwingen te doen plaats vinden.
_Invloed van de droogmaking op den gezondheidstoestand._
Met betrekking tot de gevolgen van de droogmaking uit hygiënisch oogpunt
is op grond van de door de Staatscommissie daaromtrent geleverde
beschouwingen, het volgende op te merken:
Gedurende de droogmaking zal de droogvallende, moerasachtige bodem
aanleiding kunnen geven tot de ontwikkeling van malaria-ziekten.
Hetzelfde zal het geval zijn in de eerste jaren na de droogmaking,
gedurende het verkavelen en zwart maken van den grond. Het met deze
werkzaamheden belaste werkvolk staat aan malaria-invloed bloot.
De wijze, waarop het werk wordt uitgevoerd, zal echter van grooten
invloed zijn op de hygiënische toestanden waaronder het werkvolk
verkeert. Door de droogmaking te bewerkstelligen van achtereenvolgende,
niet te groote oppervlakten en de drasperiode daarvan zooveel mogelijk
te beperken, verder door het waterpeil zoo snel mogelijk te doen dalen
en zooveel doenlijk op konstante hoogte te houden, heeft men het in
handen de malaria-periode te verkorten. Bovendien is men heden ten dage
tegenover malaria, zoowel preventief als curatief, beter geneeskundig
gewapend dan vroeger.
De waarschijnlijkheid, dat malaria-ziekten zich op eenigszins
aanzienlijken afstand van de broedplaatsen zouden uitbreiden, is uiterst
gering. De mogelijkheid van door malaria te worden aangetast zal beperkt
blijven tot de drooggemaakte polders zelf en de naaste omgeving langs
de Zuiderzeeoevers. Is echter de schadelijke periode voorbij, dan mag
de toestand der oeverlanden beschouwd worden als hoogst waarschijnlijk
hygiënisch gunstiger dan thans.
De vraag kan gesteld worden of de overgang van zout- tot zoetwater geen
schadelijke gevolgen zal hebben voor de oeverbewoners.
De ervaring leert toch in het algemeen, dat lagere organismen niet
blijven bestaan wanneer zij van zout- in zoetwater worden overgebracht.
Het afsterven van zulke organismen op groote schaal zou leiden tot
rotting en derhalve tot vorming van stinkende producten, vooral dan, als
het water stil staat en hoogere temperatuur de rottingsprocessen
begunstigt.
Gaat men echter na, hoe thans de toestand is van de Zuiderzee, dan staat
vast dat daarin zoowel in zoet- als in brak- of zoutwater levende lagere
organismen verblijven. Immers nabij den IJssel komen plaatsen voor,
waar het water slechts weinig van zoetwater verschilt en terwijl in
eene breede strook langs de Utrechtsche, Geldersche, Overijsselsche en
Friesche kust tot nabij Stavoren het soortelijk gewicht minder is dan
1,008, verschilt het in het Noordelijk gedeelte niet veel van dat van
zeewater. De lagere organismen in de Zuiderzee moeten zich dus reeds
hebben gescheiden in die, welke enkel in zoet-, enkel in brak- of enkel
in zoutwater kunnen gedijen, terwijl sommige hunner het zoover moeten
gebracht hebben, dat zij minder gevoelig zijn voor wisselingen in het
zoutgehalte van de hen omgevende middenstof.
Waarschijnlijk mag men het derhalve achten, dat de Zuiderzee voorwaarden
levert om aan lagere organismen gelegenheid te geven, geleidelijk hun
woongebied te verplaatsen naar mate het minder zoute water het terrein
van brak- of zoutwater verovert.
#3º. De voorziening in de belangen van waterkeering, afwatering en
scheepvaart.#
1º. als een gevolg van de afsluiting.
a. _de waterkeering._
Het ligt in de bedoeling, den Frieschen zeedijk bij den afsluitdijk te
verhoogen tot het peil, waarop de kruin van den afsluitdijk zal komen te
liggen, en die verhooging noordwaarts geleidelijk te niet te doen loopen
bij Zurig. Voor deze verhooging kan ten deele worden gebruik gemaakt
van den uit de ontgraving voor het kanaal Harlingen-Piaam voortkomenden
grond.
Evenzoo is eene verhooging van den Balgdijk in Noordholland, beginnende
bij den afsluitdijk en noordwaarts te niet loopende, ontworpen.
b. _de afwatering._
Zooals in het bovenstaande reeds werd opgemerkt, worden in verband met
de afsluiting geen andere werken tot voorziening in de belangen der
afwatering vereischt, dan de uitwateringssluizen op Wieringen, die in
het plan van de afsluiting zijn opgenomen.
c. _de scheepvaart._
Het kanaal Harlingen-Piaam dient zoo dicht mogelijk bij Harlingen uit te
monden in het kanaal van Koetille naar Harlingen, en kan voor een groot
gedeelte worden gevormd door verruiming van de bestaande dijkvaart.
De bodem moet eene breedte van 20 M. bij eene diepte van 2.40 M. onder
Friesch zomerpeil verkrijgen, terwijl voor de onteigening is te rekenen
op eene latere verbreeding van het kanaal met 10 M.
Te Piaam is eene schutsluis te bouwen van 8 M. wijdte met 2.50 M. diepte
op den slagdrempel en 50 à 60 M. schutlengte.
De verbetering van het Zwolsche diep zal bestaan in het uitbrengen van
nieuwe, verder buitenwaarts reikende, leidammen en het baggeren van eene
vaargeul van voldoende diepte tusschen die dammen.
De verbetering van de Zuiderzeehavens zal bestaan in het verdiepen
van die havens, zoodanig dat daarin onder het peil van het IJsselmeer
dezelfde diepte wordt aangetroffen als thans bij dagelijksch hoogwater
aanwezig is. Deze verdieping is noodig voor alle havens, daar deze toch
zoowel tijdens als ná de afsluiting toegankelijk moeten blijven. Voor
die havens, welke niet spoedig na de afsluiting door de droogmaking van
de rechtstreeksche gemeenschap met het IJsselmeer afgesloten worden, zal
wellicht ook eenige verlenging van de havendammen noodig blijken.
2º. Als een gevolg van de droogmaking.
Ter voorziening in de afwaterings- en scheepvaartbelangen van de
landstreken, die door de droogmakerijen van het af te sluiten deel der
Zuiderzee worden afgesneden, zijn de volgende werken ontworpen:
_Voor den Wieringerpolder._
_a._ Een kanaal van Kolhorn naar Geestmerambachtsluis en van daar
tot Medemblik, waar het wordt afgesloten door eene schut- en
uitwateringssluis, waarbij een stoomgemaal;
_b._ een kanaal door den Anna Paulownapolder, van de duikersluis van
den Wieringerwaard tot de van Ewijcksvaart, tot afwatering van den
boezem van den Wieringerwaard op de van Ewijcksvaart;
_c._ een kanaal van de van Ewijcksluis langs en door Wieringen
tot nabij het dorp den Oever, waar het met eene schut- en
uitwateringssluis is af te sluiten. Tijdens den aanleg van dit
kanaal kan in de afwatering en scheepvaart door de van Ewijcksluis
voorzien worden, door het kanaal langs den Balgdijk tusschen de van
Ewijcksvaart en het Noordhollandsch kanaal daarvoor in te richten.
Op die wijze wordt eene scheepvaartverbinding binnendoor tusschen het
Nieuwediep en het IJsselmeer verkregen, welke ook voor de militaire
defensie van belang is.
Elk der onder _a_ en _c_ bedoelde kanalen is door een schutsluis in
verbinding te brengen met de watergangen in den nieuwen polder.
_Voor den Hoornschen polder._
Langs de geheele inpoldering van Blokkershoek tot Monnikendam is een
uitwaterings- en scheepvaartkanaal ontworpen, dat te Lutje-Schardam door
eene uitwaterings- en schutsluis in twee panden is verdeeld.
Het noordelijk pand komt in den regel gemeen te liggen met het
IJsselmeer. Alleen bij buitengewoon hooge of lage waterstanden van het
meer moet dit pand kunnen worden afgesloten, waartoe bij Blokkershoek
eene uitwaterings- en schutsluis is te bouwen.
Het zuidelijk pand komt in open gemeenschap met den Schermerboezem.
Het loost te Monnikendam door een schut- en uitwateringssluis op het
IJsselmeer en te Lutje-Schardam op het noordelijk pand.
Het zuidelijk pand is bij Edam en Schardam en het noordelijk pand bij
Hoorn door eene schutsluis in verbinding te brengen met de watergangen
in den nieuwen polder. Voorts zijn op twee plaatsen schutsluizen
ontworpen tot verbinding van den nieuwen polder met het IJsselmeer.
Daar door de verlaging van den waterstand op het zuidelijk deel der
Zuiderzee na de afsluiting, de thans reeds ongunstige toestand van
den toegang tot de haven van Monnikendam nog zal verergeren, is in het
belang der scheepvaart de vaart van Monnikendam naar Ilpendam langs de
ringvaart van de Purmer, te verbeteren, en op laatstgenoemd punt door
eene schutsluis in verbinding te brengen met het Noordhollandsch Kanaal.
#4º. De voorziening in de belangen der defensie.#
Het ligt in de bedoeling, de in de begrooting opgenomen post van 10
millioen gulden voor voorzieningen in de belangen der defensie te
besteden voor de navolgende werken:
1º. verdedigingswerken bij de sluizen te Piaam en op Wieringen,
derwijze aangelegd, dat het gebruik dezer sluizen aan den vijand
wordt ontzegd en aan ons wordt gewaarborgd;
2º. voorzieningen aan de stelling van den Helder of wel tot afsluiting
der Vliegaten;
3º. voorzieningen ten behoeve van de inundatiën der stelling
van Amsterdam, als: _a._ het maken van de noodige sluiswijdte te
Monnikendam tot aanvoer van inundatiewater; _b._ verbetering en
desgevorderd vermeerdering van waterwegen voor de wegvoering van dat
water; _c._ het maken van een zestal damsluizen in de boezemwateren
van Noordholland, ter voorkoming van aftapping van het inundatiewater
in de te vormen diepe zuidwestelijke inpoldering; _d._ de middelen tot
het inundeeren van de zuidwestpunt der zuidwestelijke inpoldering;
4º. de noodige forten van Edam tot nabij Monnikendam.