ART. 3.

Het ligt in de bedoeling de uitvoering van de werken, met uitzondering

natuurlijk van die ter voorziening in de defensiebelangen, te doen

geschieden onder toezicht van de ambtenaren van den Waterstaat.

Dit corps zal daartoe tijdelijk eene uitbreiding moeten ondergaan, daar

de gewone dienst zijne eischen blijft doen gelden.

Het is evenwel, met het oog op de velerlei belangen van uiteenloopenden

aard, die bij de uitvoering van het geheele werk betrokken zijn,

wenschelijk dat er een centraal lichaam besta, dat de achtereenvolgens

op te maken ontwerpen aan die verschillende belangen kan toetsen, ten

einde die, met het geldelijk belang van den Staat, zooveel mogelijk tot

hun recht te doen komen.

De samenstelling van dat centrale lichaam, dat als eene commissie wordt

bedoeld, waarin deskundigen op verschillend gebied zitting zullen

hebben, zal nader bij Koninklijk besluit zijn te regelen. Ook zal

op die wijze voor de commissie een algemeene instructie moeten worden

vastgesteld, waarbij nader valt te overwegen of de taak der commissie

zal worden beperkt tot het geven van advies aan de Hoofden der betrokken

Departementen, dan wel of aan haar ook deel zal worden gegeven aan de

onmiddellijke leiding van de voorbereiding en uitvoering der werken,

bijv. door haar op te dragen de voorbereiding van overeenkomsten en

regelingen, die aan de uitvoering der werken moeten voorafgaan of

daaruit moeten voortvloeien, de voorbereiding van de uitgifte der

drooggemaakte gronden, en meer andere bemoeiingen.

Eene dergelijke commissie werd ingesteld bij Koninklijk besluit van

22 Mei 1839 om het speciaal beheer en toezicht uit te oefenen over

de bedijking en droogmaking van het Haarlemmermeer. Zij bleef tot de

voltooiing van het werk in 1852 in functie, al werd hare samenstelling

meermalen gewijzigd.

De leden dezer commissie genoten geen bezoldiging. Zij was verplicht

alle voordrachten, door haar omtrent de werken te doen, aan het

Departement van Binnenlandsche Zaken te doen toekomen, en kon geen

werken doen uitvoeren zonder daartoe te zijn gemachtigd.

In het wetsontwerp voor de bedijking en droogmaking van het zuidelijk

gedeelte der Zuiderzee, dat in 1877 werd ingediend, was bepaald dat de

uitvoering der werken zou worden opgedragen aan eene door den Koning te

benoemen bezoldigde Staatscommissie, wier instructie bij Koninklijk

besluit zou worden vastgesteld.

Het volgen van den laatsten weg komt der Regeering minder

aanbevelenswaardig voor, daar hierdoor als het ware een college van

Staatsambtenaren zou worden in het leven geroepen, onafhankelijk

van de betrokken Ministers. Veel meer aanbeveling verdient het, de

eenheid tusschen de verschillende werkzaamheden te bevorderen, door de

instelling eener centrale commissie, wier taak in de eerste plaats zal

zijn der Regeering van advies te dienen, aan welke commissie dan ook een

deel der werkzaamheden, de uitvoering betreffende, zal kunnen worden

opgedragen, onder de betrokken Ministers evenwel, die voor den gang van

zaken verantwoordelijk blijven.

Het komt der Regeering niet wenschelijk voor, in de wet te bepalen of

de leden der commissie als zoodanig al dan niet bezoldigd zullen worden;

eene beslissing hieromtrent kan bij de instelling der commissie worden

genomen.

ART. 4 en 5.

In deze artikelen zijn bepalingen voorgesteld, geheel overeenstemmende

met die, welke bij de wetten van 22 December 1861 (_Staatsblad_ no. 149)

en 3 December 1874 (_Staatsblad_ no. 193) werden vastgesteld ten aanzien

van het beheer der gelden, bestemd voor den aanleg der Staatsspoorwegen

en voor de voltooiing van het vestingstelsel.

Zij brengen mede, dat de voor het werk benoodigde gelden jaarlijks

zullen worden aangevraagd, en verzekeren dus, dat de Staten-Generaal

ieder jaar gelegenheid zullen hebben om den voortgang van het werk te

beoordeelen en alle daarmede verbandhoudende aangelegenheden in gemeen

overleg met de Regeering te overwegen. Die bepalingen zullen tevens

ten gevolge hebben, dat wat er in eenig jaar van de toegestane sommen

ongebruikt mocht blijven, niet in het saldo der algemeene Staatsrekening

zal opgaan, maar tot het doel blijft voorbehouden, daar volgens art.

5_b_ het saldo der rekening van iederen dienst steeds in de rekening der

volgende zal overgaan.

_De Minister van Waterstaat,

Handel en Nijverheid_,

C. LELY.

_De Minister van Financiën_,

PIERSON.

_De Minister van Oorlog_,

A. KOOL.

_De Minister van Binnenlandsche Zaken_,

H. GOEMAN BORGESIUS.

[Illustratie: ONTWERP VOOR DE AFSLUITING EN GEDEELTELIJKE

DROOGMAKING DER ZUIDER-ZEE.

Schaal 1 à 400.000.

_Lith. Gebrs. J & H v. Langenhuysen, Den Haag._]

+---------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De volgende correcties zijn in de tekst |

| aangebracht: |

| |

| Bron (B:) -- Correctie (C:) |

| |

| B: in de _meedere veiligheid_ |

| C: in de _meerdere veiligheid_ |

| B: van ruim 3.5 milioen gulden, |

| C: van ruim 3.5 millioen gulden, |

| B: eener aardenbaan bespaard |

| C: eener aarden baan bespaard |

| B: dat de meedere opbrengst van |

| C: dat de meerdere opbrengst van |

| B: afsluiting ten uitvoer te leggen. |

| C: afsluiting ten uitvoer te leggen." |

| B: door de Staatcommissie een tijdvak |

| C: door de Staatscommissie een tijdvak |

| B: zijn de ongeteekenden uitgegaan bij |

| C: zijn de ondergeteekenden uitgegaan bij |

| B: landbouwbedrijf het gunstigt gelegen. |

| C: landbouwbedrijf het gunstigst gelegen. |

| B: waarvan 46520 H.A vruchtbaar land. |

| C: waarvan 46520 H.A. vruchtbaar land. |

| B: jaar voltooid worden, In het |

| C: jaar voltooid worden. In het |

| B: van brak of zoutwater verovert. |

| C: van brak- of zoutwater verovert. |

| B: inpoldering; |

| |

| _d._ de middelen tot |

| C: inpoldering; _d._ de middelen tot |

| |

+---------------------------------------------+

Ontwerp van wet tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee met toelichtende memorie · 第 9 / 9 题