MEMORIE VAN TOELICHTING.

#Inleiding.#

De oplossing van het Zuiderzee-vraagstuk, waartoe het hierbij aangeboden

wetsontwerp moet strekken, biedt twee voordeelen aan die sterk op den

voorgrond treden: de verbetering van den waterstaatstoestand der om den

zeeboezem gelegen landstreek door de _afsluiting_, en de vergrooting van

de bebouwbare oppervlakte des lands door de _droogmaking_.

Bij de phasen die het vraagstuk in de laatste halve eeuw heeft

doorloopen, is nu eens het eene, dan weder het andere voordeel meer op

den voorgrond geplaatst.

Toen de Ingenieur van den Waterstaat B. P. G. van Diggelen in 1849 zijne

studie »de Zuiderzee, de Friesche Wadden en de Lauwerzee, hare bedijking

en droogmaking", in het licht gaf, waarin een plan werd ontwikkeld tot

afsluiting van de geheele Zuiderzee achter de eilanden, met insluiting

alzoo van den IJssel, liet de ontwerper in de eerste plaats het licht

vallen op de verbetering van den vaderlandschen bodem, die zou worden

verkregen door de bedijking, welke, zoo schreef hij, »inderdaad zal

voeren tot eene geheele herziening van den binnenlandschen waterstaat

der omliggende gewesten".

Eerst in de tweede plaats noemde de ontwerper de geleidelijke

droogmaking van de binnengedijkte watervlakte, waardoor eene

gedeeltelijke vergoeding zou worden verkregen voor de aan de bedijking

verbonden uitgaven.

De insluiting van den IJssel, welke rivier volgens het plan van Diggelen

door breede stroombanen langs en door de droogmaking zou worden geleid

naar de bij Terschelling en te Petten te bouwen uitwateringssluizen,

werd evenwel toen ter tijde een onoverkomelijk bezwaar tegen de

onderneming geacht, en dit was oorzaak dat het plan langen tijd bleef

rusten.

De Inspecteur van den Waterstaat J. A. Beijerinck, die in 1866 op

uitnoodiging van de Maatschappij voor Grondkrediet een nieuw ontwerp

opmaakte, dat onder den titel »Proeve van een ontwerp tot afsluiten,

indijken, droogmaken en in cultuur brengen van een gedeelte der

Zuiderzee" in het licht verscheen, liet dan ook den IJssel buiten de

bedijking, en stelde voor een afsluitdijk te leggen van Enkhuizen over

Urk naar den Ketelmond, waarachter de geheele afgesloten watervlakte zou

worden drooggemaakt.

Het plan Beijerinck, omgewerkt door den ingenieur T. J. Stieltjes,

vormde den grondslag voor eene concessie-aanvraag, die in 1870 werd

ingediend door de in de plaats van de Maatschappij voor Grondkrediet

getreden Maatschappij tot droogmaking van het zuidelijk deel der

Zuiderzee.

Uit den aard der zaak stond bij dit plan de wensch naar vermeerdering

van grondbezit op den voorgrond, en was _verbetering_ van den

waterstaatstoestand der omliggende landstreek niet het doel van de

concessie-aanvrage; in het plan waren dan ook slechts werken opgenomen

om te voorzien in de _nadeelen_, die voor afwatering en scheepvaart

uit de droogmaking zouden voortvloeien. De concessie-aanvraag werd

onderzocht door een Staatscommissie, die in 1873 verslag uitbracht,

in welk verslag, door de meerderheid der commissie het gevoelen werd

uitgesproken, dat het indijken, droogmaken en in cultuur brengen der

Zuiderzee op de in het verslag aangegeven wijze technisch mogelijk zou

zijn, en dat er in het algemeen belang geen aanleiding bestond om het

uitgeven der onderneming in concessie aan eene maatschappij in beginsel

te ontraden, mits van Rijkswege krachtige hulp en medewerking werd

verleend, welke hulp met het oog op het algemeen belang alleszins

gerechtvaardigd werd geacht.

De Regeering kwam echter, na langdurige onderhandelingen met de

concessie-aanvragers, tot het besluit dat de indijking en droogmaking

van de Zuiderzee meer vatbaar was om van Staatswege dan bij wijze van

concessie te worden uitgevoerd, en nam zelf de zaak ter hand, door in

1877 een wetsontwerp in te dienen tot bedijking en droogmaking van het

zuidelijk deel der Zuiderzee.

Aan dat wetsontwerp lag ten grondslag het door de Staatscommissie

onderzochte plan Beijerinck-Stieltjes, ofschoon zoowel in de richting

van den afsluitdijk als in de inrichting van de afwaterings- en

scheepvaartkanalen verschillende wijzigingen waren gebracht.

Ook bij het Regeerings-ontwerp van 1877 stond de landaanwinning op den

voorgrond, zóó zelfs, dat in de Memorie van Toelichting omtrent de

voorziening in de waterstaatsbelangen van de omliggende landstreek

nagenoeg niets werd vermeld.

Bij uitvoering van dat ontwerp zou dan ook voorzeker geen algemeene

verbetering van den waterstaatstoestand zijn verkregen, en zouden zelfs

sommige belangen, o. a. die der scheepvaart van Amsterdam naar den

IJssel en het Zwolsche diep, in niet geringe mate zijn geschaad.

Ook zou de provincie Friesland geheel van de verbetering zijn

uitgesloten, en werd zelfs meerder gevaar voor de zeedijken van die

provincie en van Overijssel niet onmogelijk geacht, een reden waarom de

afsluiting van het Eijerlandsche gat tusschen Texel en Vlieland in het

plan was opgenomen.

Het wetsontwerp werd intussen den 19den November 1877 door het inmiddels

opgetreden Ministerie ingetrokken, zonder in behandeling te zijn

geweest.

Het was de heer A. Buma, lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,

die de Zuiderzee-vraag, nadat zij eenige jaren was blijven rusten, weder

op den voorgrond bracht, en wel in den geest waarin de eerste ontwerper,

de heer van Diggelen, haar had opgevat. De _afsluiting_, het sluiten van

de Noordzee buiten de landpalen, was bij hem hoofdzaak.

Nadat een door den heer Buma ingediend wetsvoorstel, om van

Staatswege een nieuw onderzoek in die richting in te stellen, door

hem was ingetrokken, werd naar aanleiding van zijn initiatief de

Zuiderzee-vereeniging opgericht, die zich ten doel stelde het instellen

van een technisch en financieel onderzoek omtrent de afsluiting, mede

ter voorbereiding eener latere geleidelijke drooglegging, van de

Zuiderzee, de Wadden en de Lauwerzee.

De Zuiderzee-vereeniging heeft in de jaren 1887-1892 de uitkomsten van

haar onderzoek openbaar gemaakt in een achttal technische nota's en in

eene nota, bevattende economische en financieele beschouwingen, terwijl

in 1898, nadat het verslag der hieronder te vermelden Staatscommissie

was openbaar gemaakt, in het licht verscheen eene, in opdracht van het

bestuur, door den secretaris, den heer H. C. van der Houven van Oordt,

met medewerking van Mr. G. Vissering geschreven studie, getiteld: »De

economische beteekenis van de afsluiting en droogmaking der

Zuiderzee"[1].

[1] Van dit werk zal eene nieuwe uitgave verschijnen. Een exemplaar

dezer uitgave zal aan de leden der Staten-Generaal worden toegezonden.

Het onderzoek leidde tot het plan voor de afsluiting van de Zuiderzee

van de Noordhollandsche kust bij de van Ewijcksluis over Wieringen naar

de Friesche kust bij Piaam, dus meer binnenwaarts dan door den heer

Buma was bedoeld, en voor het achtereenvolgens droogmaken van vier

inpolderingen in de afgesloten watervlakte, waarbij een binnenmeer

overblijft, dat de wateren van den IJssel en van de andere op de

afgesloten kom afwaterende rivieren, boezems en polders opneemt en, voor

zooveel noodig, door op Wieringen te bouwen sluizen naar zee voert.

Naar aanleiding van den arbeid der Zuiderzee-vereeniging werd bij

Koninklijk besluit van 8 September 1892, no. 21 eene Staatscommissie

ingesteld, met opdracht om te onderzoeken of eene afsluiting en

eene droogmaking van de Zuiderzee, op eene wijze als door de

Zuiderzee-vereeniging is voorgesteld, in 's lands belang behoort te

worden ondernomen, en zoo ja, op welke wijze dit werk tot uitvoering

moet worden gebracht.

Nadat het ontwerp van de Zuiderzee-vereeniging door de technische

afdeeling dezer commissie, onder voorzitterschap van den Inspecteur van

den Waterstaat W. F. Leemans, onderzocht en op verschillende punten

nog eenigszins gewijzigd was, en de economische en financieele zijde

van het vraagstuk door eene andere afdeeling, onder voorzitterschap

van Mr. C. J. Sickesz, nauwkeurig was nagegaan en uiteengezet, kwam

in het op 14 April 1894 vastgestelde verslag de groote meerderheid

der Staatscommissie (een en twintig van de zeven en twintig leden)

tot het besluit dat de vraag, of eene afsluiting en eene droogmaking

van de Zuiderzee, op eene wijze als door de Zuiderzee-vereeniging

is voorgesteld, in 's lands belang behoort te worden ondernomen,

bevestigend moet worden beantwoord, behoudens de wijzigingen, in het

verslag aangegeven. Het antwoord op de vraag »op welke wijze dit werk

tot uitvoering moet worden gebracht" behoorde, volgens de meening van

alle leden, te luiden: door den Staat op den voet, in dit verslag

vermeld.

Het plan van de Zuiderzeevereeniging, zooals het door de Staatscommissie

is aangevuld en gewijzigd, vormt den grondslag voor het wetsontwerp

dat hierbij wordt aangeboden. In overeenstemming met de grondgedachte,

waarvan de vereeniging uitging, bedoelt het wetsontwerp eerst

_afsluiting_ en daarna _geleidelijke droogmaking_ van de Zuiderzee.

Voor eene juiste beoordeeling van het voorstel moet worden gelet op de

beide zijden van het vraagstuk, en wel niet minder op de afsluiting

waardoor de waterstaatstoestand van een aanzienlijk deel des lands zal

worden verbeterd, dan op de droogmaking, waardoor de oppervlakte des

lands met een groot aantal hectaren vruchtbaren grond zal worden

vergroot.

In het onderstaande zullen daarom eerst de afsluiting en de daarmede

samenhangende belangen nader worden beschouwd.

#De afsluiting.#

Aan de richting van den afsluitdijk, waardoor de IJssel binnen de

afsluiting valt, ontleent het voorgestelde ontwerp zijn bijzonder

karakter.

Ofschoon reeds van Diggelen het denkbeeld als uitvoerbaar had erkend, en

ook in den boezem der Staatscommissie van 1870 op een nieuw onderzoek in

die richting was aangedrongen, werd de binnensluiting van den IJssel,

welke rivier in gewone omstandigheden ongeveer een negende van het water

van den Boven-Rijn afvoert, en bij dijkbreuk langs de bovenrivier in

Pruissen zelfs een nog grooter aandeel in dien afvoer ontvangt, toch

vrij algemeen voor een onoverkomelijk bezwaar gehouden.

Het denkbeeld van een achter den afsluitdijk gelegen groot binnenmeer,

dat de wateren van den IJssel met die van de overige binnengesloten

rivieren, boezems en polders opneemt, en gedurende enkele dagen, waarop

de loozing door de uitwateringssluizen wegens hoogen zeestand belet

wordt, kan bergen, zonder dat, ook bij het grootste waterbezwaar, de

waterstand van het meer tot een nadeelige hoogte stijgt, is, hoewel ook

vroeger ter sprake gekomen, voor het eerst ernstig onderzocht door de

Zuiderzeevereeniging, waarbij de uitvoerbaarheid van het denkbeeld

duidelijk aan het licht trad.

Hierdoor was de zaak van de droogmaking der Zuiderzee eene groote

schrede verder gebracht. Terwijl het toch eenerzijds mogelijk bleek de

afsluiting uit te voeren langs eene veel korter lijn dan met vrijlating

van den IJssel het geval kan zijn (volgens het Regeeringsontwerp van

1877 zou de afsluitdijk eene lengte verkrijgen van ruim 48 K.M.), konden

anderzijds door middel van het IJsselmeer aan de omringende gewesten

zulke belangrijke voordeelen verzekerd worden, dat in de waarde daarvan

de kosten van de afsluiting, zooal niet geheel dan toch voor een

aanzienlijk deel, teruggevonden worden, waardoor deze niet voor hun

volle bedrag op rekening van de droogmaking behoeven te worden gesteld.

_Voordeelen van de afsluiting._

Door de afsluiting met insluiting van den IJssel, op de wijze als in het

ontwerp is aangegeven, wordt niet alleen de tegen de zee te verdedigen

kustlijn belangrijk verkort, doch wordt midden in het land in plaats

van een met de Noordzee gemeen liggende _zoutwaterplas_, waar onder

den invloed van de standen der Noordzee sterk afwisselende waterstanden

voorkomen, een _zoetwatermeer_ verkregen met een veel meer standvastigen

waterspiegel, laag genoeg voor eene behoorlijke afwatering van de

omringende landstreek, uit welk binnenmeer de provinciën Friesland

en Noordholland, die tot dusver steeds leden onder het gemis eener

behoorlijke waterverversching, op overvloedige wijze van zoetwater

kunnen worden voorzien.

De voordeelen, welke uit deze verandering voortspruiten voor de

waterverversching, de waterloozing en de waterkeering van de omringende

gewesten, alsmede voor het verkeer te water en te land, zullen

achtereenvolgens nader worden beschouwd.

a. _de waterverversching._

De boezem der provincie Friesland ontvangt geen ander water dan het

hemelwater, dat op den boezem zelf en in de polders valt en het weinige,

dat van de hooge gronden in het oosten der provincie afstroomt.

In droge zomers houdt de aanvoer nagenoeg geheel op, en lijdt de boezem

groot gebrek aan water, waarin niet door inlating van buiten kan worden

voorzien, daar het zoute zeewater dat de provincie van drie zijden

omringt, hiertoe niet geschikt is. Deze toestand brengt mede een te

lagen boezemstand in den zomer, waarvan uitdroging der graslanden,

gebrek aan drinkwater voor het vee en bezwaren voor de scheepvaart het

gevolg zijn.

Een tweede, indirect, gevolg van de onvoldoende aanvulling van den

boezem is dat, uit vrees voor te groote daling van den boezemstand, de

uitwateringssluizen, waardoor de boezem op de zee wordt afgestroomd,

vaak vroeger moeten worden gesloten dan met het oog op eene goede

afwatering wenschelijk is, waardoor bij ongunstige verandering van

weersgesteldheid overlast van water kan ontstaan.

In het algemeen heeft men in Friesland de regeling der hoogte van het

boezemwater niet in de hand, wat veel meer het geval zou zijn indien

eene behoorlijke gelegenheid tot inlating van versch water aanwezig was.

Hetzelfde doet zich, ofschoon in eenigszins mindere mate, voor in het

deel der provincie Noordholland benoorden het IJ. De verversching van

het boezemwater kan hier slechts geschieden door inlating van water uit

het Noordzeekanaal, en deze verversching is zeer gebrekkig, daar het

water van het Noordzeekanaal brak is tengevolge van de schuttingen te

IJmuiden en te Schellingwoude en de inlating van Zuiderzeewater te

Zeeburg ten behoeve van de waterverversching van Amsterdam, terwijl

de boezem bovendien nog verontreinigd wordt door de loozing van het

vervuilde grachtwater van Amsterdam.

In dezen toestand zal een geheele omkeer worden gebracht door de vorming

van een met zoet water gevuld IJsselmeer, waaruit een ruime hoeveelheid

zoet water tot verversching van de boezems kan worden afgetapt.

Reeds tijdens de uitvoering van de afsluiting wordt de toevoer van

zoutwater naar het zuidelijk deel der Zuiderzee beperkt, terwijl na

de voltooiing van den afsluitdijk niet anders dan zoet water in het

IJsselmeer zal worden aangevoerd, ter vervanging van het brakke water

dat met elk gunstig tij door de sluizen te Wieringen wordt geloosd.

Het meer zal dus op den duur een zoetwatermeer worden. Hoewel het

niet mogelijk is, te bepalen hoeveel jaren moeten verloopen eer al

het zoute water door zoet water zal zijn vervangen, zoo mag toch met

de Staatscommissie, die zich daarbij ook grondde op de uitkomsten van

de door haar medelid, den hoogleeraar J. M. Telders, genomen proeven,

worden aangenomen, dat het water van het IJsselmeer reeds korten tijd

na de voltooiing van den afsluitdijk voldoende ontzilt zal zijn, om te

dienen tot boezemverversching van Friesland en Noordholland en, wat het

zoutgehalte betreft, tot drinkwater voor mensch en vee, althans voor

vee.

Ten einde de gelegenheid tot waterinlating nog gemakkelijker te maken,

zal de waterstand van het IJsselmeer, die als regel op 0.40 M. - N.A.P.

is aangenomen, in droge tijden tijdelijk kunnen worden opgezet tot

0.20 M. - N.A.P., hetgeen alsdan zonder hinder voor de afwatering zal

kunnen geschieden, indien slechts gezorgd wordt, dat bij te verwachten

waterbezwaar de boezem tijdig tot de normale hoogte wordt afgestroomd.

b. _de waterloozing._

Voor het afgesloten deel der Zuiderzee, het latere IJsselmeer, is een

peil aangenomen van 0.40 M. - N.A.P., welke hoogte nog iets blijft

beneden den gewonen laagwaterstand in het zuidelijk deel van den open

zeeboezem.

De aangenomen hoogte is natuurlijk niet meer dan eene gemiddelde, daar

eenerzijds de waterstand van den afgesloten boezem in verband met de

verhouding tusschen afvoer door de sluizen en aanvoer van den IJssel en

van de andere rivieren, de boezems en de polders, steeds zal afwisselen,

anderzijds de waterspiegel van het meer onder den invloed van den wind

een hellenden stand zal kunnen aannemen, door afwaaiing aan de eene en

opwaaiing aan de andere zijde.

De door de Zuiderzeevereeniging en de Staatscommissie ingestelde

berekeningen hebben doen zien, dat met de aangenomen sluiswijdte van

300 M. de gemiddelde stand van 0.40 M. -N.A.P. in normale omstandigheden

zonder moeite zal kunnen worden gehandhaafd.

Indien echter de loozing door de sluizen op Wieringen door stormvloed

gedurende eenige achtereenvolgende tijen wordt belet, en in het algemeen

indien gedurende eene eenigszins langere periode de afvoer van de

sluizen door den aanvoer van den IJssel en de andere bronnen van

waterbezwaar wordt overtroffen, zal de gemiddelde waterstand van den

afgesloten zeeboezem boven het aangenomen peil kunnen rijzen, en wel

hooger naarmate de ongunstige verhouding tusschen aanvoer en afvoer

sterker is of langer aanhoudt.

Voorts zal door opwaaiing de waterstand langs een deel van de kust

eene grootere hoogte dan de gemiddelde kunnen bereiken, en wel hooger

naarmate de wind krachtiger en langduriger op den waterspiegel inwerkt.

De ingestelde berekeningen toonen echter aan, dat ook onder die

omstandigheden de waterstand van het IJsselmeer nog belangrijk zal

blijven beneden de laagwaterstanden die thans bij menigen stormvloed in

den open zeeboezem voorkomen, zoodat de afwatering op de Zuiderzee, ook

al ondervindt die dan tijdelijk bezwaar, toch niet in die mate en zoo

langdurig zal worden belemmerd als thans menigmaal het geval is.

Ofschoon bij uitvoering van de vier door de Staatscommissie aangegeven

inpolderingen de oppervlakte van het IJsselmeer van 360.000 H.A. tot

145.000 H.A. zal worden teruggebracht, en dan een gelijk waterbezwaar op

den zooveel kleineren boezem een sterker rijzing zal veroorzaken, zoodat

onder ongunstige omstandigheden hoogere waterstanden op het IJsselmeer

te verwachten zijn dan zonder inpoldering zullen voorkomen, zoo zal

toch, naar de Staatscommissie aantoonde, ook dan nog eene verbetering

worden verkregen in vergelijking met de thans voorkomende hooge

waterstanden, terwijl in normale omstandigheden de verbetering van de

waterloozing, door het constante lage peil verkregen, even groot zal

zijn als zonder inpoldering.

De afsluiting der Zuiderzee zal dus over het algemeen eene belangrijke

verbetering ten gevolge hebben van de waterloozing op het afgesloten

gedeelte.

Hierdoor worden verschillende voordeelen verkregen:

Vooreerst wordt eene betere afwatering verzekerd aan de polders en

uiterwaarden langs het benedengedeelte van den IJssel, alwaar de lagere

waterstanden van het IJsselmeer hun invloed nog zullen doen gevoelen, en

aan de kleine rivieren en boezems die thans op de open zee loozen, als

Schermerboezem, de Vechtboezem in Utrecht en Noordholland, de Eem, het

Zwartewater met de Overijsselsche Vecht, de Sallandsche Weteringen en

het Meppelerdiep, de boezem van het waterschap Vollenhove en de Linde.

De loozing van deze wateren is thans verre van voldoende, en

onderscheidene, deels zeer kostbare, plannen tot verbetering zijn

ontworpen, die nog niet tot uitvoering kwamen.

Sommige van die ontworpen werken zullen bij afsluiting van de Zuiderzee

onnoodig worden, andere kunnen met minder kosten tot uitvoering worden

gebracht. De afsluiting van de Zuiderzee vertegenwoordigt dus eene

belangrijke _besparing_ op deze, zeker eenmaal noodige, werken.

Eene jaarlijksche besparing zal voorts door de afsluiting worden

verkregen op de kosten van waterloozing der boezems en polders, die door

stoombemaling op de Zuiderzee en op de daarmede gemeen liggende wateren

loozen, als het Noordzeekanaal, de polders Mastenbroek, Oosterwolde,

Arkenheem, enz., doordat de stoomgemalen, in plaats van op den

afwisselenden Zuiderzeestand, op een meer standvastigen lageren

waterstand zullen kunnen uitslaan.

Een dergelijk voordeel zal ook kunnen verkregen worden ten aanzien van

Frieslands boezem. Onder de middelen om de schadelijke hooge

waterstanden op dien boezem te voorkomen, komt ook in aanmerking de

invoering eener stoombemaling, waartoe o. a. aan de zuidkust eenige

stoomgemalen zouden zijn te stichten. Indien deze stoomgemalen in plaats

van op de open Zuiderzee op het IJsselmeer kunnen uitslaan, zal het

vereischte stoomvermogen, en zullen dus ook de bemalingskosten,

belangrijk kleiner kunnen zijn.

c. _de waterkeering._

Door het leggen van den afsluitdijk wordt de tegen de zee te verdedigen

kustlengte van 320 K.M. teruggebracht tot ongeveer 40 K.M., zijnde de

lengte van den afsluitdijk met de noordkust van Wieringen.

Stormvloeden uit de Noordzee, die thans het Zuiderzeewater tot eene

groote hoogte opzetten, kunnen na de afsluiting op het IJsselmeer hun

invloed niet anders doen gelden, dan door gedurende enkele tijen de

loozing te Wieringen te beletten.

De opwaaiing door den wind blijft echter ook op den afgesloten waterplas

mogelijk; evenwel zal, doordat de gemiddelde hoogte van den waterspiegel

steeds veel lager zal zijn dan thans gewoonlijk bij stormweder het geval

is, het opgewaaide water langs de kust ook een veel geringere hoogte

bereiken.

Dit geldt zoowel de afgesloten Zuiderzee zonder inpoldering, als het

IJsselmeer, dat na uitvoering van de door de Staatscommissie aangegeven

inpolderingen overblijft.

De thans langs de Zuiderzee aanwezige bedijkingen behoeven dus na de

afsluiting slechts als binnendijken te worden onderhouden, voorzoover

zij aan het IJsselmeer blijven liggen, terwijl die welke achter de

bedijking van een der inpolderingen vallen, niet meer dan slaperdijken

zullen zijn, en als zoodanig behouden kunnen worden.

Ook de dijken langs den Beneden-IJssel tot Wijhe zullen door de

afsluiting worden ontlast, daar de hooge waterstanden, die op dat deel

der rivier thans voorkomen indien de afvoer van hoog opperwater

samenvalt met de opzetting van de Zuiderzee door stormvloed, in het

vervolg worden voorkomen.

Op het onderhoud van de dijken en zeeweringen zal dus eene aanzienlijke

besparing worden verkregen.

Voorts zal, in verband met de geringere hoogte, die de waterspiegel ook

onder de ongunstigste omstandigheden zal verkrijgen, belangrijk worden

bespaard op het onderhoud van de zee- en havenwerken langs de afgesloten

Zuiderzee en op de eilanden Schokland, Urk en Marken.

De jaarlijksche besparing, die op deze wijze zal worden verkregen, is

niet met juistheid te berekenen, doch zal zeker ver overtreffen, het

bedrag der onderhoudskosten van den nieuwen afsluitdijk, met inbegrip

van de werken op Wieringen en het kanaal Harlingen-Piaam, die door de

Staatscommissie op ruim f90.000 's jaars werden geraamd.

Daarbij komt nog dat de waterkeeringen langs de Zuiderzee thans lang

niet overal in een voldoenden toestand verkeeren, en dat bij stormvloed

op verschillende plaatsen door overstrooming schade wordt geleden ten

gevolge van het ontbreken eener behoorlijke waterkeering, o. a. langs

de Eem, in den omtrek van Kampen en langs het Zwarte Water tot boven

Zwolle.

Verschillende werken tot verbetering der waterkeering zijn dan ook

ontworpen, welke bij afsluiting van de Zuiderzee kunnen worden gemist,

zooals de bedijking van Dronthen, de watervrijmaking van Zwolle en

omstreken en de verbetering van de bedijking langs de Eem. Ook door het

onnoodig worden van deze werken zal de afsluiting eene besparing

vertegenwoordigen.

Het grootste voordeel van de afsluiting ten aanzien van de waterkeering

echter, hoewel de waarde daarvan niet onder cijfers is te brengen, is

gelegen in de _meerdere veiligheid_ bij stormvloeden van de om de

Zuiderzee gelegen landstreek.

Hoewel de zeeweringen langs de Zuiderzee in de latere jaren belangrijk

versterkt zijn geworden, en doorbraken als in 1825, en hoewel van minder

omvang o. a. nog in 1877 plaats hadden, thans minder te vreezen zijn,

zoo behooren dergelijke rampen ook thans nog geenszins tot de

onmogelijkheden.

Na de afsluiting zal elk gevaar in dat opzicht kunnen geacht worden te

zijn buitengesloten.

Ook zullen dan de geregeld terugkeerende overstroomingen van de niet of

niet voldoende bedijkte oeverlanden langs de Zuiderzee, den IJssel en

het Zwarte Water, die herhaaldelijk groote schade hebben veroorzaakt,

tot de geschiedenis gaan behooren.

d. _de scheepvaart._

In verband met de blijvende verlaging, die de waterspiegel der Zuiderzee

bij afsluiting zal ondergaan, zullen de binnen den afsluitdijk vallende

havens, ook die welke later achter de inpolderingen vallen, zoodanig

moeten worden verdiept, dat daarin onder het peil van het IJsselmeer

dezelfde diepte wordt aangetroffen als thans bij dagelijksch hoog water

aanwezig is. De kosten van deze verdieping zijn in de begrooting van de

afsluiting opgenomen.

Daarmede zal echter een voordeel voor de scheepvaart worden verkregen,

daar de genoemde Zuiderzeehavens na de uitdieping, in plaats van alleen

met hoogwater gelijk thans, ten alle tijde eene voor de scheepvaart

bruikbare diepte zullen aanbieden, en dus ophouden tijhavens te zijn.

In verband met de afsluiting en de verlaging van den waterspiegel wordt

een afdoende verbetering van het Zwolsche Diep noodig, waarvan de

kosten, tot een bedrag van ruim 3.5 millioen gulden, in de begrooting

van de afsluiting moeten worden opgenomen. Maar daarvoor wordt dan ook

een veel verder strekkende verbetering verkregen dan reeds in 1878 voor

dien waterweg was ontworpen, en zal aan alle bezwaren dienaangaande voor

goed een einde worden gemaakt.

Een algemeen voordeel voor de scheepvaart is verder gelegen in de

meerdere veiligheid van de vaart bij den meer standvastigen waterstand,

die na de afsluiting is te wachten.

e. _het landverkeer._

Het landverkeer zal door de afsluiting worden gebaat door de

gelegenheid, die wordt geopend voor den aanleg van een weg over den

afsluitdijk, alsmede voor eene rechtstreeksche spoorwegverbinding

tusschen Friesland en Noordholland, waardoor de afstand langs den

spoorweg tusschen Leeuwarden en Amsterdam met 56 K.M. zal worden

verkort.

De spoorweg zal een plaats kunnen vinden op den berm van den afsluitdijk

en zal, daar hierdoor de uitgaven voor onteigening en voor den aanleg

eener aarden baan bespaard worden, met belangrijk minder kosten kunnen

worden aangelegd dan andere spoorwegen.

* * * * *

Uit het bovenstaande blijkt duidelijk dat de afsluiting van de

Zuiderzee, zooals zij thans is ontworpen, belangrijke wijzigingen zal

brengen in den toestand van de omliggende gewesten, dat is van niet

minder dan vijf provinciën, wijzigingen zóó veelomvattend en ingrijpend

als nog bij geen enkel tot dusver uitgevoerd openbaar werk, ook niet bij

de verlegging van den Maasmond, het geval is geweest.

Met recht mag dan ook hier van eene geheele herziening van den

waterstaatkundigen toestand van Nederland worden besproken.

Dat de wijzigingen vele voordeelen voor de betrokken streken zullen

opleveren, is in het bovenstaande mede aangetoond. Het lijdt dus geen

twijfel of de afsluiting van de Zuiderzee op zich zelf, ook zonder

daaraan de droogmaking van eenig deel van de afgesloten wateroppervlakte

te verbinden, is een werk van _openbaar nut_, en het zou zeker

wenschelijk zijn haar in het algemeen belang als een op zich zelf staand

werk te ondernemen, indien althans kon worden aangenomen, dat de waarde

der bovenbedoelde voordeelen opweegt tegen de kosten van het werk.

Ten einde omtrent dit laatste punt een oordeel te kunnen vestigen is het

noodig die kosten na te gaan. Alvorens dit echter te doen moet nog de

aandacht worden gevestigd op verschillende voorzieningen, die in verband

met de afsluiting moeten worden genomen en waarmede bij de raming van

kosten rekening dient te worden gehouden.

_Voorziening in de belangen der waterkeering._

Hoewel langs de Friesche en Noordhollandsche kusten benoorden den

afsluitdijk geene verhooging van de stormvloedhoogten, als gevolg van

de afsluiting, is te verwachten, zoo werd toch door de Staatscommissie

eenige verhooging van den Frieschen zeedijk benoorden Piaam en van den

Balgdijk in Noordholland, ter geruststelling van belanghebbenden,

wenschelijk geacht.

Deze verhooging is in het plan opgenomen.

_Voorziening in de belangen der waterloozing._

De belangen van den IJssel zullen door de afsluiting van de Zuiderzee

niet worden geschaad, terwijl, zooals in het bovenstaande is aangetoond,

die afsluiting van gunstigen invloed zal zijn op de afwatering van de op

den afgesloten waterplas loozende rivieren, boezems en polders. Werken

tot voorziening in de belangen dier afwatering worden dus, als gevolg

van de afsluiting, niet vereischt.

_Voorziening in de belangen der scheepvaart._

Op de diephouding van de haven het Nieuwediep zal de afsluiting van de

Zuiderzee geen nadeeligen invloed uitoefenen, aangezien de afsluitdijk

blijft bezuiden de zuidelijke grens der kom, waarvan het water bij

eb dient tot spuiing van de haven. Evenmin is van de afsluiting een

overwegende invloed op den toestand van het Heldersche Zeegat, het Vlie

en den toegang tot de haven van Harlingen te wachten.

Tot behoud van de scheepvaartgemeenschap van Harlingen, Terschelling

en Vlieland met het bezuiden de afsluiting vallend deel der Zuiderzee

is een kanaal ontworpen van Harlingen langs de binnenzijde van den

Frieschen zeedijk tot even ten zuiden van den afsluitdijk, en aldaar

bij Piaam uitmondende in de afgesloten Zuiderzee.

Bij Piaam zal in dit kanaal een schutsluis worden gebouwd en zal een

haven worden gemaakt, die aan een voldoende diep gedeelte van het

IJsselmeer komt te liggen.

Verder zal in de scheepvaartgemeenschap tusschen de beide deelen der

Zuiderzee, die door den afsluitdijk gescheiden worden, moeten worden

voorzien door middel van Wieringen te bouwen schutsluizen. Behalve een

sluis voor de gewone vaart is aldaar een kleinere schutsluis voor

visschersschepen ontworpen.

In het voorgaande is reeds vermeld dat, in verband met de afsluiting,

verbetering van het Zwolsche diep en verdieping van de binnen de

afsluitdijk vallende Zuiderzeehavens noodig zal zijn.

Op al deze werken moet in de begrooting worden gerekend.

_Voorziening in de belangen der visscherij._

De ontzilting van den afgesloten waterplas, die spoedig op de afsluiting

zal volgen, heeft ten gevolge dat de op de Zuiderzee uitgeoefende

visscherij als zoodanig te niet gaat. Wat zal gedaan moeten worden

om het nadeel, dat de Zuiderzeevisschers hierdoor zullen lijden, te

vergoeden, zal hierachter nader worden uiteengezet.

Op deze plaats behoeft slechts te worden vermeld dat de Staatscommissie

voor de voorziening in de visscherijbelangen heeft uitgetrokken een som

van 4.5 millioen gulden, met welk bedrag de begrooting van de afsluiting

dus moet worden bezwaard.

Het voordeel dat uit de zoetwatervisscherij op het IJsselmeer kan worden

getrokken, en dat tegenover deze uitgaaf zou kunnen worden gesteld, is

voorzichtigheidshalve niet in rekening gebracht.

_Voorziening in de belangen der defensie._

De defensiebelangen zullen door de afsluiting in menig opzicht zeer

worden bevorderd.

De met de afsluiting gepaard gaande spoorwegverbinding zal de

mobilisatie en de concentratie van het leger vereenvoudigen, terwijl

meer zekerheid zal worden verkregen, dat die handelingen onder alle

omstandigheden ongestoord zullen kunnen verloopen.

Ook zal de afsluitdijk het ons veel gemakkelijker maken het meesterschap

te water op het toekomstige IJsselmeer te handhaven, dan thans op de

Zuiderzee, mits vijandelijke gepantserde schepen geen gelegenheid vinden

om hetzij door het kanaal Harlingen-Piaam, hetzij door de sluizen op

Wieringen, in het IJsselmeer te komen.

Daar aan de sluizen op Wieringen en te Piaam eene breedte zal worden

gegeven van hoogstens 10 M., wordt de bedoelde gelegenheid evenwel

voldoende afgesloten.

Aan de andere zijde echter zal de afsluitdijk een nieuw accès tot

Noordholland vormen, dat moet worden verdedigd.

De afsluitdijk met de sluizen maken het mogelijk, den waterstand op

het IJsselmeer binnen zekere grenzen te beheerschen. Dit is, weliswaar,

voor ons van veel nut met het oog op de militaire inundatiën, maar kan

omgekeerd in dit opzicht ook den aanvaller dienstig zijn. De sluizen

zullen dus zoowel tegen aanvallen van de land- als van de zeezijde

verdedigd moeten worden en wel op zoodanige wijze, dat niet alleen den

vijand het gebruik daarvan ontzegd, maar dat gebruik ook ons gewaarborgd

worde.

De afsluitdijk zal wellicht verbetering ten gevolge hebben van de

vaarwaters, welke uit de Vliegaten toegang verleenen tot den

Texelstroom.

Terwijl tot nu toe de groote schepen, die in de Vliegaten kunnen

binnenloopen, slechts door de moeilijk bevaarbare Doove Balg in den

Texelstroom kunnen komen, om de stelling van den Helder om de noordoost

te naderen, zal na de voltooiing van den afsluitdijk, die toegang

mogelijk door verbetering van vaarwaters gemakkelijker worden en dus een

aanval op de Stelling Helder van die zijde meer te vreezen zijn, vooral

wanneer er zich vaarwaters vormen of verbeteren, waar onze lichte

vaartuigen en torpedobooten den vijand niet in flank en rug kunnen

bestoken, zooals nu in de Doove Balg het geval is.

Dientengevolge zullen òf in de genoemde Stelling, òf tot afsluiting der

Vliegaten, meer of minder belangrijke voorzieningen noodig blijken.

In het algemeen zal het dus noodig zijn om de inrichting der defensie in

overeenstemming te brengen met de door de afsluiting gewijzigde

geographische en waterstaatstoestanden.

In verband hiermede werd door de Staatscommissie een bedrag van 10

millioen gulden noodig geacht voor vermeerdering en verbetering van

materieel der zeemacht en der doode weermiddelen van de landmacht,

daaronder begrepen de hulpmiddelen voor onderwaterzetting in verband

met de ontworpen inpoldering.

De Regeering meent dit op eene globale raming berustende bedrag

voorloopig te moeten aanhouden. Zij stelt zich daarbij op het standpunt

dat, hetgeen in voldoening van de wet van 18 April 1874 (_Staatsblad_

no. 64) reeds is tot stand gebracht, op de eenvoudigste en minst

kostbare wijze in overeenstemming moet worden gebracht met de door

de afsluiting en droogmaking gewijzigde toestanden.

Van het bedrag van 10 millioen gulden wordt 8 millioen gerekend noodig

te zijn in verband met de afsluiting en 2 millioen in verband met de

droogmaking van den zuidwestelijken polder.

_Voorziening in de belangen der waterverversching van Amsterdam._

Door de verlaging van den waterspiegel der afgesloten Zuiderzee, zal de

tegenwoordige wijze van verversching der grachten van Amsterdam, waarbij

te Zeeburg bij vloed Zuiderzeewater wordt ingelaten dat weder op het

Noordzeekanaal wordt geloosd, niet kunnen worden gehandhaafd.

Door het ter verversching noodige Zuiderzeewater op te pompen, kan

hieraan worden tegemoet gekomen. Een post om de daarvoor noodige

uitgaven te bestrijden dient daarom in de begrooting van de afsluiting

te worden opgenomen.

_Kosten van de afsluiting._

De kosten van den afsluitdijk en van de daarmede in onmiddellijk verband

staande werken zijn begroot als volgt:

===================================================================

Uit te voeren werken. |Bedrag voor de|Gezamenlijk

|werken noodig.| bedrag.

-------------------------------------------------------------------

_a._ Afsluitdijk | f 28130000 |

| |

_b._ Werken op Wieringen. | » 8000000 |

| |

_c._ Kanaal Harlingen-Piaam met inbegrip| |

der verhooging van Friesland's | |

zeedijk tusschen Piaam en Zurig | » 2585000 |

| |

_d._ Verhooging van den Balgdijk en | |

verbetering van havens langs de | |

Zuiderzee | » 600000 |

| |

_e._ Onvoorziene werken in verband met | |

de afsluiting en ter afronding | » 1485000 |

| |

Te zamen |--------------| f 40800000

| |

Als noodzakelijk met de afsluiting samenhangende uitgaven zijn voorts te

beschouwen:

Benoodigd bedrag.

De verbetering van het Zwolsche Diep f 3564000

De voorziening in de belangen der visscherij » 4500000

» » » » » » defensie » 8000000

» » » » » » waterverversching

van Amsterdam, en ter afronding » 236000

------------

te zamen f 16300000

Met inbegrip van deze uitgaven bedragen dus de kosten van de afsluiting

der Zuiderzee ruim _57 millioen gulden_.

_Financiëele beschouwing._

Wordt nu de uitgaaf van 57 millioen gulden opgewogen door de waarde van

de door de afsluiting te verkrijgen voordeelen?

Het is zeer bezwaarlijk op deze vraag een beslist antwoord te geven.

Is het reeds bijna onmogelijk om van de besparing op de kosten van

waterkeering en waterloozing eene eenigszins vertrouwbare raming te

geven, de indirecte voordeelen van de afsluiting zijn stellig niet met

eenige juistheid onder cijfers te brengen. Op welke waarde is bijv. te

schatten de voorziening van Friesland en Noordholland met zoetwater, de

meerdere veiligheid bij stormvloed voor de kustprovinciën, de veiliger

scheepvaart en de kortere spoorwegverbinding?

De ondergeteekenden zullen niet beproeven op deze vragen een antwoord te

geven. Alleen moeten zij er op wijzen dat de waarde der genoemde

voordeelen niet moet worden onderschat.

Alleen het genot van een zoetwaterboezem voor de waterverversching van

Friesland en Noordholland werd bij een door den Nationalen Zuiderzeebond

gehouden navraag geschat op eene waarde van f680.000 's jaars, en wel op

grond van door verschillende belanghebbenden verstrekte mededeelingen,

waaruit bleek dat de meerdere opbrengst van het grasland, als een gevolg

van de waterverversching, werd geraamd op f10 per H.A. voor Noordholland

en f6 per H.A. voor Friesland. Een meerdere opbrengst van f680000 per

jaar nu vertegenwoordigt bij een rentevoet van 3,5 pct. reeds een

kapitaal van 19,5 millioen gulden.

Dit cijfer wordt slechts genoemd om eenig denkbeeld te geven van de

waarde, die door goed ingelichte personen aan sommige indirecte

voordeelen wordt toegekend, geenszins om het genoemde bedrag in

mindering van de kosten der afsluiting te willen brengen.

Hoe dit echter ook zij, en al zou ten opzichte van de afsluiting der

Zuiderzee, die toch stellig als een werk van openbaar nut kan worden

beschouwd, hetzelfde standpunt mogen worden ingenomen, waarop men zich

tot dusver bij den aanleg van alle groote openbare werken, als de aanleg

der Staatsspoorwegen en van het Merwedekanaal, de verbetering van

den Rotterdamschen Waterweg en de verlegging van den Maasmond, heeft

gesteld, dat namelijk daarbij niet mag worden geëischt, dat de van die

werken te verwachten voordeelen vooraf in geldswaarde moeten zijn uit te

drukken, om tegenover de kosten te worden gesteld, de ondergeteekenden

zijn toch van oordeel, dat er met het oog op de voordeelen van de

afsluiting alléén geen voldoende aanleiding zou bestaan om de uitvoering

van dit werk op zich zelf voor te stellen.

Zij sluiten zich hiermede aan bij de zoowel door de Zuiderzeevereeniging

als door de Staatscommissie uitgesproken meening: »dat de voordeelen van

den afsluitdijk niet van dien aard zijn, dat het wenschelijk zou wezen

om alleen met het oog daarop, geheel afgescheiden van eene latere

droogmaking, de afsluiting ten uitvoer te leggen."

#De droogmaking.#

Anders wordt evenwel de rekening, indien de afsluiting van de Zuiderzee

wordt verbonden met de _droogmaking_ van een deel der afgesloten

watervlakte.

De droogmaking toch is, vooral wanneer zij onder beschutting van den

afsluitdijk op minder kostbare wijze kan worden tot stand gebracht, een

_productief_ werk, waarvan met stelligheid kan worden verwacht dat de

rechtstreeksche voordeelen de uitgaven zullen overtreffen.

Wordt derhalve de droog te maken oppervlakte groot genoeg gekozen, dan

zal het op de droogmaking te verkrijgen overschot in elk geval kunnen

opwegen tegen het nadeelige saldo, dat op de kosten van de afsluiting

zal overblijven, indien de voordeelen van deze laatste minder hoog

worden geschat dan de voor het werk geraamde uitgaaf.

_Ontwerp van de Zuiderzeevereeniging._

De Zuiderzeevereeniging heeft er uit den aard der zaak naar gestreefd

om het ontwerp voor de droogmaking zoodanig in te richten, dat zooveel

grond zou worden drooggelegd als met het oog op de hoedanigheid van den

bodem en op de bij het behoud van een IJsselmeer betrokken belangen

mogelijk scheen.

De Staatscommissie heeft, hoofdzakelijk met het oog op de belangen der

defensie en van de scheepvaart, den vorm en de grootte van de ontworpen

inpolderingen eenigszins gewijzigd, waardoor de gezamenlijke oppervlakte

van de droog te maken gronden iets kleiner, en derhalve die van het

IJsselmeer iets grooter werd, maar heeft toch het ontwerp van de

vereeniging in hoofdtrekken aangehouden.

Volgens het voorstel der Staatscommissie zouden in de afgesloten

Zuiderzee vier inpolderingen worden gemaakt en wel:

een noordwestelijke polder, groot ongeveer 21700 H.A.

waarvan ongeveer 18700 H.A. vruchtbaar land.

een zuidoostelijke polder, groot ongeveer 107760 »

waarvan ongeveer 98990 H.A. vruchtbaar land.

een zuidwestelijke polder, groot ongeveer 31520 »

waarvan ongeveer 27820 H.A. vruchtbaar land.

een noordoostelijke polder, groot ongeveer 50850 »

waarvan ongeveer 48900 H.A. vruchtbaar land.

-----------

Te zamen 211830 »

waarvan ongeveer 194410 H.A. vruchtbaar land.

Na voltooiing van deze inpolderingen zou dan een IJsselmeer overblijven

ter grootte van 145000 H.A.

Voor de uitvoering van het geheele werk, de afsluiting inbegrepen, werd

door de Staatscommissie een tijdvak van 33 jaren noodig geacht. De

afsluitdijk zou worden gemaakt in de eerste negen jaren. In het 8ste

jaar zou worden begonnen met de bedijking van den noordwestelijken

polder, in het 11de met die van den zuidoostelijken, in het 21ste

met die van den zuidwestelijken en in het 25ste met die van den

noordoostelijken polder.

De noordwestelijke polder zou geheel droog en in cultuur gebracht zijn

in het 14de, de zuidoostelijke in het 24ste, de zuidwestelijke in het

28ste en de noordoostelijke in het 33ste jaar.

De kosten van de inpolderingen werden door de Staatscommissie geraamd

als volgt:

de noordwestelijke polder f 12700000

» zuidoostelijke » » 61850000

» zuidwestelijke » » 22850000

» noordoostelijke » » 32500000

------------

Te zamen f 129900000

Met de kosten van den afsluitdijk en de bijbehoorende werken ad

f57100000 en het bedrag van f2000000 voor voorziening in de belangen

der defensie, dat zooals hierboven is opgemerkt ten laste van de

droogmaking zal moeten komen, wordt de begrooting van het volledige

ontwerp der Staatscommissie dus rond _189 millioen gulden_.

Voor deze uitgaaf, in _33 jaren_ te besteden, zou eene oppervlakte

van ruim 194000 H.A. vruchtbaar land worden verkregen, waarvan de

opbrengst, naar de Staatscommissie in haar verslag aantoonde, zeer

waarschijnlijk voldoende zou zijn om de uitgaven, die voor de afsluiting

inbegrepen, te dekken, zelfs al werden de voordeelen van deze laatste

niet onder cijfers gebracht en medegesteld.

Opgevat op de wijze als door de Staatscommissie werd voorgesteld kan dus

de uitvoering van het plan in zijn geheel eene voordeelige onderneming

worden geacht, en het zou zeker te verdedigen zijn zoo de uitvoering van

Staatswege van het volledige ontwerp thans werd voorgesteld.

Het is echter niet te ontkennen dat in de groote kosten en den langen

duur van het werk een bezwaar is gelegen, en te verwonderen is het

daarom niet, dat velen aarzelen om 's lands crediet voor zulk een bedrag

en gedurende zulk een lang tijdsverloop te verbinden.

_Beperking van het plan._

Ook de ondergeteekenden oordeelen het minder gewenscht, de uitvoering

van een werk van dergelijken omvang als het door de Staatscommissie

aanbevolen gewijzigde ontwerp van de Zuiderzeevereeniging in ééne

wet vast te leggen, en achten het beter, en althans voorzichtiger,

om nu alleen te besluiten tot wat het eerst voor de hand ligt, onder

voorwaarde evenwel dat dit past in het groote geheel, en dat er

voldoende zekerheid besta, dat met het nu te ondernemen werk, ook op

zich zelf beschouwd, een behoorlijke rekening zal worden gemaakt.

De beperking van het werk tot de afsluiting alléén voldoet, gelijk

hierboven is aangetoond, niet geheel aan de laatstgenoemde voorwaarde.

Het ligt nu voor de hand, aan de afsluiting te verbinden de droogmaking

van zóóveel grond, dat door de waarde daarvan, gevoegd bij die van de

directe en indirecte voordeelen van de afsluiting, de uitgaven

ruimschoots gedekt kunnen worden geacht.

Op deze wijze zal, zelfs al blijven de andere door de Staatscommissie

voorgestelde inpolderingen door latere ongunstige tijdsomstandigheden

achterwege, nooit een onvruchtbaar werk begonnen zijn, en zullen de

aan het werk ten koste gelegde gelden op zijn minst door even groote

voordeelen worden opgewogen.

Van dit standpunt zijn de ondergeteekenden uitgegaan bij hun voorstel,

om, in de wet die de afsluiting beveelt op te nemen de droogmaking van

twee der door de Staatscommissie aanbevolen inpolderingen, en wel de

noordwestelijke, kortheidshalve in het vervolg _Wieringerpolder_ te

noemen, en de zuidwestelijke of _Hoornsche polder_.

Deze beide droogmakerijen, de eerste uit zeer goeden, de tweede uit den

allerbesten kleigrond bestaande, zijn voor eene spoedige ontwikkeling

van het landbouwbedrijf het gunstigst gelegen. Zij grenzen toch aan

het oude land van Noordholland, waar landbouw en zuivelbedrijf tot een

hoogen trap van ontwikkeling zijn gekomen, waar goede markten aanwezig

zijn en van waaruit de hoofdstad langs goede spoor- en waterwegen in

korten tijd kan worden bereikt.

De indijking en droogmaking van de bedoelde gronden, althans van een

deel daarvan, is reeds meermalen ter sprake gekomen, echter zonder dat

daaraan het denkbeeld eener voorafgaande afsluiting van de Zuiderzee

werd verbonden. Zoowel voor het Wieringermeer als voor het Hoornsche

Hop werden plannen tot indijking en droogmaking opgemaakt, waarvoor

concessie werd aangevraagd. Wel een bewijs, dat in de drooglegging van

deze gronden reeds lang eene vruchtdragende onderneming werd gezien.

De ontworpen Wieringer polder is groot 21700 H.A.,

waarvan 18700 H.A. vruchtbaar land.

De ontworpen Hoornsche polder is groot 31520 »

waarvan 27820 H.A. vruchtbaar land.

------------

De beide polders te zamen dus groot 53220 H.A.,

waarvan 46520 H.A. vruchtbaar land.

De oppervlakte van het IJsselmeer, zonder inpoldering 360000 H.A.

bedragende, wordt door de bedijking van de beide polders teruggebracht

tot 307000 H.A.

_Kosten._

De raming van het werk wordt, bij beperking der droogmaking tot de beide

westelijke polders, als volgt:

=====================================================================

Uit te voeren werken. | Benoodigd | Gezamenlijk

| bedrag. | bedrag.

---------------------------------------------------------------------

_De afsluiting._ | |

| |

I. De afsluitdijk met de daarbij | |

behoorende werken: | |

| |

_a._ Afsluitdijk | f 28130000|

_b._ Werken op Wieringen | » 8000000|

_c._ Kanaal Harlingen-Piaam, met inbegrip | |

der verhooging van den zeedijk | |

tusschen Piaam en Zurig | » 2585000|

_d._ Verhooging van den Balgdijk in | |

Noordholland, en verbetering van de | |

havens | » 600000|

_e._ Onvoorziene werken in verband | |

met de afsluiting, en ter afronding | » 1485000|

|-----------| f 40800000

| |

II. De verbetering van het Zwolsche Diep | » | » 3564000

III. De voorziening in de belangen der | |

defensie | » | » 10000000

IV. De voorziening in de visscherijbelangen| » | » 4500000

V. De voorziening in de belangen der | |

waterverversching van Amsterdam, en | |

ter afronding | » | » 236000

| |

_De droogmaking._ | |

| |

VI. De inpolderingen achter den afsluitdijk| » |

| |

_a._ De Wieringerpolder | f 12700000|

_b._ De Hoornsche polder | » 22850000|

|-----------| » 35550000

| |-----------

Totaal | | f 94650000

| |===========

| |

De totale kosten van het beperkte plan kunnen alzoo gesteld worden op

rond 95 millioen gulden.

Hiervan komen, als men van de uitgaven voor de defensiewerken stelt

8 millioen op rekening van de afsluiting en 2 millioen op rekening van

de droogmaking, voor rekening van de afsluiting #57 millioen#, en voor

rekening van de droogmaking #38 millioen#.

De uitvoering van het beperkte plan zal kunnen geschieden in 18 jaren,

gedurende welk tijdverloop dus gemiddeld een bedrag van ruim 5 millioen

's jaars zal zijn te besteden, en wel als volgt:

==================================================================

| | Te besteden

| | bedrag in

Jaar.| Uit te voeren werken. | millioenen

| | guldens.

------------------------------------------------------------------

1 |Afsluitdijk en defensiewerken | 6.5

2 | idem | 6

3 | idem | 7

4 | idem | 7

5 |Afsluitdijk, defensiewerken en verbetering |

| Zwolsche Diep | 7.5

6 |Afsluitdijk, defensiewerken, verbetering |

| Zwolsche Diep en voorziening in de |

| visscherijbelangen | 11.5

7 |Afsluitdijk, defensiewerken en verbetering |

| Zwolsche Diep | 5.5

8 |Afsluitdijk, defensiewerken en Wieringerpolder | 5

9 |Afsluitdijk, en Wieringer polder | 4

10 |Wieringer polder | 3

11 |Wieringer polder en Hoornsche polder | 5

12 | idem | 5

13 | idem idem. en defensiewerken | 5

14 | idem idem | 5

15 |Hoornsche polder | 4

16 | idem | 3

17 | idem | 3

18 | idem | 2

| |------------

| Totaal | 95

| |============

| |

De afsluitdijk zal in het 9de jaar voltooid worden. In het 8ste jaar

zal worden begonnen met de werken tot bedijking van den Wieringerpolder,

welke polder in het 14de jaar droog en verkaveld kan zijn. In het 11de

jaar zal worden begonnen met de werken tot bedijking van den Hoornschen

polder, die in het 18de jaar droog en verkaveld kan zijn.

Aan het eind van het 18de jaar zal dan eene oppervlakte van ruim 46500

H.A. vruchtbaar land zijn verkregen.

_Financieele beschouwingen._

Door de droogmaking te beperken tot de beide westelijke polders wordt

bij uitvoering van de wet de uitgaaf tot 95 millioen en de tijd van

uitvoering tot 18 jaren beperkt. Zoowel kosten als tijd worden dus

teruggebracht tot ongeveer de helft van hetgeen bij uitvoering van de

voorstellen der Staatscommissie zou worden vereischt.

Het is duidelijk dat hierdoor het geheele werk beter overzienbaar wordt.

Gevraagd zal echter worden of aan de uitvoering ook van dit beperkte

plan geen overwegende financiëele bezwaren zijn verbonden.

Lang en ernstig heeft deze vraag de ondergeteekenden bezig gehouden;

veel eerder dan nu geschiedt zou het ontwerp zijn ingediend, ware het

niet, dat aan de financiëele quaestie bijzondere aandacht moest worden

gegeven. Nu zullen de ondergeteekenden geenszins beweren dat het hun

gelukt is een plan te ontwerpen, waardoor alle bezwaren zijn opgeheven;

zij meenen echter te kunnen aantoonen, dat de gevraagde offers op verre

na zóó groot niet zijn, als zij zich bij eene eerste beschouwing

voordoen.

Men moet een scherpe grenslijn trekken tusschen de kosten der

_afsluiting_ en die der _droogmaking_.

De afsluiting zelve zal--daargelaten, dat zij de droogmaking veel minder

kostbaar zal maken--voor den Staat geen direct voordeel opleveren.

Wel zullen de omliggende streken belangrijke voordeelen genieten, maar

de schatkist van het Rijk zal daarbij niet gebaat zijn.

De ondergeteekenden zouden daarom de kosten der afsluiting ten bedrage

van f57000000 beschouwd willen zien als eene uitgaaf zonder meer.

Is die som echter eenmaal besteed en alles tot stand gekomen waarvoor

zij moet dienen, dan treedt men in een geheel anderen toestand. De

droogmakingen zelve kunnen dan onder zoo gunstige voorwaarden worden

ondernomen dat aan hare rentabiliteit, ook al rekent men interest

op interest, niet meer kan getwijfeld worden. Wel zullen dan groote

kapitalen voor de uitvoering bijeengebracht moeten worden, doch daaruit

zullen geene verhoogingen van het budget der gewone uitgaven

voortvloeien.

Met andere woorden: is de afsluiting volbracht, dan wordt de droogmaking

eene onderneming, die hare kosten, alles daaronder begrepen, zal goed

maken. De mogelijkheid bestaat zelfs dat zij meer dan dit zal doen, doch

het ware niet voorzichtig thans reeds daarop te rekenen.

Door deze beschouwing komt de financiëele zijde van het vraagstuk in

een ander, en--naar de ondergeteekenden meenen--eerst in het ware licht,

want de geheele zaak, voor zoover zij de beurzen der belastingschuldigen

raakt, blijkt nu hierop neder te komen, hoe men de f57000000 uit de

_gewone_ middelen kan dekken. Uit deze toch moeten zij ten slotte

gevonden kunnen worden, zal men de droogmaking zelve kunnen behandelen

als een onderneming, die al hare kosten, rente daaronder begrepen, ten

volle goed maakt.

Het eenvoudigst middel daartoe zou natuurlijk zijn, de voor dat doel te

besteden gelden ieder jaar als een gewone uitgaaf aan te merken. Maar

dit zou verhooging der belastingen gedurende ongeveer negen jaren met

een aanzienlijk bedrag ten gevolge hebben, en daartegen bestaan ernstige

bezwaren. Het zal onvermijdelijk zijn, de uitgaven voor de afsluiting

over een langer tijdsverloop te verdeelen. Hoe lang dat tijdsverloop

zal moeten zijn, hangt af van omstandigheden. Eene becijfering, waaraan

eene rente van 3½ pct. ten grondslag werd gelegd, deed zien, dat indien

voor de vereischte uitgaaf eenerzijds telken jare werd geleend, maar

anderzijds _van het eerste jaar af_ f2000000 voor rente en aflossing

werd aangewezen, in 60 jaren tijds de leeningen gedelgd zouden zijn.

Het is echter niet zeker, zelfs niet waarschijnlijk, dat ieder jaar

voor de geheele vereischte uitgaaf geleend zal moeten worden, want de

uitkomsten van een dienstjaar zijn dikwijls gunstiger dan zij zich bij

het opmaken der begrootingen lieten aanzien, zoodat posten, die men

onder de buitengewone had gerangschikt, uit de gewone middelen bestreden

werden. Afgescheiden hiervan kan de toestand der kas zoodanig zijn, dat

het sluiten eener leening, zelfs tijdelijke kasversterking, uitstel

gedoogt. De hierboven genoemde termijn van 60 jaren is derhalve een

_maximum_; hij kan aanmerkelijk worden bekort. Dit alleen staat vast:

wil het werk op financieel gezonde grondslagen worden ondernomen,

dan zullen gewone middelen tot een bedrag van f2000000 daarvoor

beschikbaar moeten zijn, en wel gedurende een groot getal jaren, dat

intusschen het cijfer van 60 niet overschrijden zal.

Het financiëele vraagstuk lost zich derhalve op in eene verhooging

van het budget der gewone uitgaven gedurende een vrij langen tijd

met f2000000 's jaars. Niet terstond zal die verhooging ontstaan.

Heeft de wet het _Staatsblad_ bereikt, dan kunnen de werken niet

onverwijld worden ondernomen, daar nog veel voorbereidende arbeid,

ook onteigeningswetten, noodig zullen zijn. Vóór het derde jaar na

de totstandkoming der wet zal geen belangrijke post op hoofdstuk IX

der Staatsbegrooting gebracht worden. Maar dàn moeten de f2000000

beschikbaar zijn, desvereischt door versterking der inkomsten.

Desvereischt, en na de mededeelingen van den Minister van Financiën in

zijne rede van 20 September ll. bij de aanbieding der Staatsbegrooting

voor 1901 gedaan, kan bezwaarlijk worden voorgespiegeld, dat de

hierbedoelde noodzakelijkheid achterwege zal blijven. Doch al mocht dit

niet door een gunstigen samenloop van omstandigheden gebeuren, zoodat

over enkele jaren de inkomsten opnieuw versterkt moesten worden, dan

zouden de ondergeteekenden dezen prijs niet te hoog achten voor hetgeen

daardoor verkregen werd. Zwaarder en pijnlijker offers zijn door volken

gebracht om hun grondgebied uit te breiden. Voor die f2000000 op te

brengen gedurende een tijdperk van _ten hoogste_ 60 jaren, zou men de

mogelijkheid verkrijgen om, zonder verdere lasten op te leggen aan de

burgerij, van lieverlede eene geheele provincie toe te voegen aan ons

land.

Dit laatste moet nog in bijzonderheden worden toegelicht. Door de

droogmaking van het tweetal thans daarvoor te bestemmen gedeelten, zal,

na aftrek van den voor wegen, dijken en watergangen in te nemen grond,

46500 H.A. vruchtbaar land worden aangewonnen.

Trekt men hiervan nog, zooals door de Staatscommissie is gedaan, af 1%

van de oppervlakte, te reserveeren voor de uitbreiding van de nieuw te

stichten gemeenten, en aan deze kosteloos af te staan, dan blijft er

over aan vruchtbaar _verkoopbaar_ land:

in den Wieringerpolder rond 18500 H.A.

» » Hoornschen » » 27500 »

----------

te zamen 46000 H.A.

Deze grond kan, naar gelang van de vordering der droogmaking, in

gedeelten worden uitgegeven.

Het is wenschelijk, dat die uitgifte eerst plaats heeft na verloop van

drie jaren na de droogvalling van den grond, gedurende welke jaren de

bebouwing dan voor rekening van den Staat kan geschieden.

In verband hiermede en met de grootte van de afdeelingen, waarin de

polders naar hunne hoogteligging verdeeld worden, zouden dan, te

beginnen met het 14de jaar, jaarlijks ongeveer 5800 H.A. kunnen

worden uitgegeven, zoodat de laatste uitgifte in het 21ste jaar

plaats heeft.

Zonder dat hier behoeft te worden uitgemaakt op welke wijze de grond

zal worden uitgegeven, mag toch wel worden aangenomen, dat in de

_verkoopwaarde_ daarvan de voor droogmaking uitgegeven gelden zullen

worden teruggevonden.

Dat bij uitvoering van dit beperkte plan jaarlijks nog geen 6000

H.A., en in het geheel slechts 46000 H.A., aan de markt zullen worden

gebracht, en dat nog wel van den meest gunstig gelegen grond, zal er

zeker toe bijdragen om de vrees voor neerdrukking van de koop- of

pachtprijzen weg te nemen.

De Staatscommissie noemde in haar rapport voor de vermoedelijke

verkoopwaarde van den grond geen cijfer, al werd door haar eene

berekening gegeven van den _kostenden prijs_ van den grond in

verschillende onderstellingen, een prijs waaraan de verkoopwaarde van

den grond dus gelijk zou moeten zijn, opdat de kosten der onderneming

gedekt kunnen worden geacht. De kostende prijs zou, bij voorafgaande

afsluiting, waarvan de kosten over de vier inpolderingen worden

omgeslagen, volgens de Staatscommissie zijn: gemiddeld f982 der H.A.

indien geen rente in rekening wordt gebracht, en f1350 per H.A. met

bijrekening van eenvoudige rente.

Een beter uitgangspunt geeft de waarschijnlijke _opbrengst_ van de

nieuwe gronden.

De Staatscommissie meende die opbrengst (pachtwaarde) op f60 per H.A.

te mogen ramen, na aftrek van de dijks- en polderlasten, en wel op grond

van de cijfers, welke door de commissie van schatters voor de herziening

der belastbare opbrengst van de ongebouwde eigendommen zijn gegeven.

Dat die raming niet bijzonder hoog is, bewijzen de pachten van f90

à f120 per H.A., die heden ten dage worden besteed in de IJpolders,

waarmede een groot deel der gronden in de nieuwe polders het best zullen

zijn te vergelijken.

Een pachtwaarde nu van f60 per H.A. vertegenwoordigt voor de 46000 H.A.

van de Wieringer- en Hoornsche polders een jaarlijksche opbrengst van

f2760000.

De totale kosten van het beperkte droogmakingsplan, zonder de afsluiting

en de bijkomende werken, zullen volgens de hierboven gegeven raming,

bedragen ongeveer _38 millioen gulden_, welke kosten tot 48,5 millioen,

overeenkomende met eenen jaarlijkschen rentelast van f1700000 bij

een rentevoet van 3½ pct. zullen stijgen, indien rente op rente in

rekening worden gebracht en ondersteld wordt dat voor elk der beide

polders alle gronden drie jaar na de droogmaking in gebruik zijn

gegeven.

De jaarlijksche opbrengst zal dus den jaarlijkschen rentelast volgens

deze rekening met ruim 1 millioen gulden kunnen overtreffen, waaruit

genoegzaam blijkt, dat die droogmakingen na de afsluiting als

winstgevende ondernemingen beschouwd kunnen worden.

De ondergeteekenden aarzelen dan ook niet, als hunne overtuiging uit te

spreken, dat de uitvoering van het in dit wetsontwerp neergelegde plan

zonder gevaar voor 's lands geldmiddelen kan worden ondernomen.

Wellicht zal hier de opmerking worden gemaakt, dat, terwijl de Staat

alle uitgaven draagt, de voordeelen van de afsluiting voor het grootste

deel zullen worden genoten door de om de Zuiderzee gelegen landstreken.

Dit is volkomen waar. Alleen de besparing op het onderhoud van de Rijks

zee- en havenwerken en op de kosten der bemaling van het Noordzeekanaal

komt rechtstreeks aan de Staatskas ten goede.

Overigens komen de voordeelen voor de scheepvaart en voor het

landverkeer grootendeels, en komt de besparing op het onderhoud der

zeeweringen en op de kosten der waterloozing geheel ten voordeele van

de inwoners der omliggende provinciën en waterschappen, terwijl de

betere waterverversching van Friesland en Noordholland in de eerste

plaats ten goede komt aan de bezitters en bewoners der in die gewesten

gelegen landerijen.

Deze overweging mag echter, naar de overtuiging van de ondergeteekenden,

niet gelden waar het betreft de economische waarde te bepalen van een

werk van openbaar nut als dit.

Ook bij andere groote openbare werken is dit niet geschied.

Of vloeiden de voordeelen van de verbetering van den Rotterdamschen

waterweg, van den aanleg van het Merwedekanaal en van zoo menig ander

kostbaar op Rijkskosten uitgevoerd werk rechtstreeks in de Staatskas of

kwamen deze gelijkelijk aan alle ingezetenen van Nederland ten goede?

Naar de meening van de ondergeteekenden rechtvaardigen de groote

belangen, die voor niet minder dan vijf provinciën aan de afsluiting der

Zuiderzee zijn verbonden, ten volle dat de kosten van dit werk geheel

door den Staat worden gedragen, en dit des te meer waar een aanzienlijk

deel van die kosten door de droogmaking rechtstreeks in de Staatskas

zal terugvloeien. Van het vorderen eener bijdrage in de kosten van de

betrokken belanghebbenden moet dan ook ditmaal worden afgezien, te meer

daar het bedrag dier bijdrage niet in billijkheid zou kunnen worden

vastgesteld voordat de rekening van de droogmaking geheel was

afgesloten.

#Latere droogmakingen.#

Na uitvoering van de afsluiting en de droogmaking der beide westelijke

polders, waarop het wetsontwerp betrekking heeft, is het te verwachten

dat de droogmaking van de beide andere polders of van andere deelen van

het IJsselmeer zal worden ter hand genomen, hetzij door dit geslacht,

hetzij door een volgend.

De thans voorgestelde afsluiting van de Zuiderzee zal aan die latere

droogmaking evenzeer ten goede komen als zij het doet aan die van de

beide westelijke polders.

De droogmaking zonder voorafgaande afsluiting werd door de

Staatscommissie geraamd:

voor den zuidoostelijken polder op f 85000000

» » noordoostelijken » » » 50500000

-----------

te zamen op f 135500000

De droogmaking bij voorafgaande afsluiting werd geraamd:

voor den zuidoostelijken polder op f 61850000

» » noordoostelijken » » » 32500000

-----------

te zamen op f 94350000

===========

Het verschil bedraagt ruim _41 millioen gulden_, welk bedrag door de

voorafgaande afsluiting op de kosten van droogmaking der beide

oostelijke polders wordt bespaard.

#Droogmaking met afsluiting in vergelijking met droogmaking zonder

afsluiting.#

Hier is het de plaats om de vraag te stellen, die reeds door de

Staatscommissie bij de beschouwing van het volledige plan van

droogmaking is gesteld en beantwoord, en die bij dit beperkte plan nog

meer op den voorgrond komt: Is het wel wenschelijk de Zuiderzee eerst af

te sluiten alvorens tot droogmaking over te gaan?

Het is toch niet te ontkennen dat de afsluiting, die met de daaraan

onvermijdelijk verbonden uitgaven voor visscherij-, afwaterings-,

scheepvaart- en defensiebelangen, een bedrag van 57 millioen gulden

vordert, voordat nog een hectare grond is drooggemaakt, de kosten van

het geheele werk zeer hoog opvoert.

Waar nu niet, zooals de Staatscommissie voorstelde, aan de afsluiting

terstond de droogmaking van ruim 194000 H.A., doch zooals dit voorstel

luidt de droogmaking van slechts 46500 H.A. vruchtbaar land wordt

verbonden, klemt dit bezwaar te sterker.

Is nu een dergelijke werkwijze, zoo zal worden gevraagd, wel met

een goed financieel beleid overeen te brengen, en ligt het niet veel

meer voor de hand om onmiddellijk met het maken van een der beide

inpolderingen te beginnen, en dan, wanneer de daarmede te verkrijgen

uitkomsten zulks wettigen, ook den tweeden, en desverkiezende later ook

den derden en den vierden polder droog te maken?

Om die vraag goed te beantwoorden, moet het oog gevestigd worden op de

voordeelen die de afsluiting biedt, zoowel op zich zelf voor de

omringende landstreek als voor de drooggemaakte polders.

De eerstbedoelde voordeelen zijn in het vorenstaande uitvoerig

behandeld.

Er blijft dus over na te gaan welke de voordeelen zijn van de afsluiting

voor de inpolderingen.

Vooreerst kunnen in de afgesloten Zuiderzee de dijken van de nieuwe

polders goedkooper worden gemaakt; zij behoeven dan slechts eene

waterkeering te vormen tegen de hoogste waterstanden die op het

afgesloten IJsselmeer te wachten zijn, en kunnen dus aanmerkelijk lager

blijven en op eenvoudiger en goedkooper wijze worden samengesteld dan

wanneer zij in de open Zuiderzee moesten worden aangelegd en de hoogste

stormvloeden moesten keeren. Ook het onderhoud van deze dijken zal

belangrijk minder kosten.

Ten andere zal de bemaling van de inpolderingen bij voorafgaande

afsluiting in gunstiger conditie verkeeren. Indien toch de stoomgemalen

op de open Zuiderzee uitslaan zal in den regel tot een hooger peil

moeten worden opgemalen dan wanneer op het afgesloten IJsselmeer kan

worden uitgeslagen.

De Staatscommissie berekende de kosten van droogmaking zonder

voorafgaande afsluiting:

voor den Wieringerpolder op f 21400000

» » Hoornschen » » 37300000

----------

voor de beide polders f 58700000

en de kosten van de droogmaking met afsluiting:

voor den Wieringerpolder op f 12700000

» » Hoornschen » » 22850000

----------

voor de beide polders f 35550000

Het verschil, dus de besparing op de kosten van droogmaking, is ruim _23

millioen gulden_.

Dit bedrag klimt tot ruim _64 millioen_ indien daarbij wordt gevoegd de

besparing, ad ruim 41 millioen, die op de kosten van droogmaking der

beide oostelijke inpolderingen door de voorafgaande afsluiting wordt

verkregen.

Daarbij komt dan nog de door de afsluiting te verkrijgen besparing op

de onderhoudskosten van de polderdijken en op de kosten van bemaling der

inpolderingen, welke besparing merkbaar zal zijn aan het lagere bedrag

der polderlasten.

Maar niet overwegingen van bloot financiëelen aard moeten, naar de

Regeering meent, den doorslag geven bij de keus tusschen droogmaking met

en zonder afsluiting.

Er zijn redenen van anderen aard die, ook afgezien van het geldelijk

voordeel, beslist de voorkeur moeten doen geven aan het plan tot

droogmaking met voorafgaande afsluiting.

Daar zijn vooreerst de bezwaren, die voor de militaire verdediging

des lands verbonden zijn aan het maken van de inpolderingen wanneer

de Zuiderzee niet wordt afgesloten, en die er zelfs waarschijnlijk toe

zouden moeten leiden om van de landaanwinning, althans voor zooveel de

beide oostelijke polders betreft, af te zien.

Vervolgens moet in het oog worden gehouden dat de _veiligheid_ van de

nieuwe inpolderingen veel beter is gewaarborgd _met_ dan _zonder_

afsluitdijk.

Met afsluitdijk toch zullen de nieuwe polders achter meerdijken komen

te liggen die ten opzichte van de zee slaperdijken zijn. Zelfs in het

bijna ondenkbare geval van een doorbraak in den afsluitdijk tijdens

stormvloed, zou wel de waterstand van het IJsselmeer belangrijk rijzen,

doch waarschijnlijk niet in die mate dat de meerdijken van de polders,

die eene minste hoogte van 2.50 M. + N. A. P. bekomen, zouden

overloopen. Zonder afsluitdijk daarentegen zullen de nieuwe polders

onmiddellijk zijn gelegen achter _zeedijken_, die bij stormvloeden een

groot waterverschil zullen moeten keeren.

De vraag mag dan ook wel worden gesteld of de bevolking van een

dergelijken polder zich voldoende _veilig_ zou gevoelen, en of niet

de meerdere risico, waaraan de gebruikers van den grond zouden zijn

blootgesteld, in een lagere pacht- of verkoopwaarde van de gronden zou

worden teruggevonden.

Op deze plaats moet er op worden gewezen, dat door aan de droogmaking

van verschillende gedeelten van de Zuiderzee de afsluiting van den

waterplas te doen voorafgaan, niet anders gehandeld wordt dan door het

voorgeslacht steeds is gedaan.

Nimmer toch is een deel van den diepen zeebodem drooggelegd dat

onmiddellijk aan de open zee grensde. Of zouden in de 17de eeuw de

Beemster, de Purmer, de Schermer, de Wormer, die alle toch vroeger in

open gemeenschap hebben gestaan met de Zuiderzee, zijn drooggemaakt,

indien niet in vorige eeuwen de wateren van Hollands Noorderkwartier van

de zee waren gescheiden door de dijken, die aan de plaatsen Monnikendam,

Edam, Zaandam, Schardam, enz. hun naam hebben gegeven?

Zou de Haarlemmermeer zijn drooggemaakt indien niet in vroegere eeuwen

zijne wateren te Spaarndam en Halfweg van die van het open IJ waren

afgescheiden geworden, en zou men zonder de afsluiting te Schellingwoude

de IJpolders hebben drooggelegd en deze hebben blootgesteld aan de door

stormvloeden in de Zuiderzee opgezette wateren van het open IJ?

Men wijze hierbij niet op de bedijking van de Zijpe in 1597 en van den

Wieringerwaard in 1608, en op die van den Waard- en Groetpolder in 1843

en van den Anna Paulownapolder in de jaren 1845-1847. Deze polders

kunnen toch niet vergeleken worden met de diepgelegen droogmakerijen

waarvan hier sprake is; het zijn gedeeltelijk bedijkte schorgronden, die

wat hun aard betreft meer overeenkomen met de Friesche en Groninger

Wadpolders en met de bedijkingen in Zeeland en Zuidholland.

#Besluit.#

De vraag moet ten slotte nog worden beantwoord, of er voor den Staat

_voldoende reden_ bestaat om _thans_ tot de uitvoering van het groote

werk te besluiten.

Dat ook bij de uitvoering van het thans voorgestelde beperkte plan een

belangrijk deel van de uitgaven door de opbrengst van de drooggemaakte

gronden kan worden gedekt en hetgeen nog ontbreekt ruimschoots wordt

opgewogen door de voordeelen van de afsluiting, dat bij uitvoering van

het volledige ontwerp der Staatscommissie de opbrengst der droogmaking

de gezamenlijke uitgaaf kan overtreffen, en het werk dus een directe

bate aan de Staatskas kan opleveren, mag op zichzelf nog niet alleen de

drijfveer zijn om het werk te beginnen. Immers het ligt niet op den weg

van den Staat om een werk als dit uit een bloot speculatief oogpunt

te ondernemen. Hoofddoel moet zijn het vermeerderen van de algemeene

welvaart, door het scheppen van een beteren waterstaatstoestand in een

belangrijk deel des lands, door de vergrooting van den vaderlandschen

bodem met eene aanzienlijke uitgestrektheid vruchtbaar land, en door het

openen van een uitgebreid arbeidsveld voor Nederlandsche nijverheid en

werkkracht.

Wat nu het eerste betreft, de verbetering die voor de omliggende

provinciën zal worden verkregen ten aanzien van veiligheid tegen de zee,

waterloozing, waterverversching en verkeer is in het bovenstaande

genoegzaam duidelijk aangewezen.

En wat de droogmaking betreft, al wordt bij uitvoering van dit

wetsvoorstel slechts een aanwinst verkregen van ruim 46000 hectaren,

dat is nog geen vierde gedeelte van de oppervlakte die bij uitvoering

van het voorstel der Staatscommissie zou worden drooggelegd, ook deze

aanwinst van grondgebied, ter grootte van ongeveer twee en een half maal

de oppervlakte van den Haarlemmermeerpolder, is waarlijk belangrijk

genoeg om daarop de beschouwingen toe te passen, die in het verslag

der Staatscommissie, zoomede in de studie van de heeren van der Houven

van Oordt en Vissering, worden aangetroffen ter aanbeveling van het

grootere droogmakings-ontwerp der Zuiderzeevereeniging, en waarheen de

ondergeteekenden verder ten aanzien van dit onderwerp meenen te kunnen

verwijzen.

#Artikelen.#

Ontwerp van wet tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee met toelichtende memorie · 第 6 / 9 题