De Eskimo's met welke onze reizigers kennis maakten, hadden geen

ongunstig uiterlijk, heel anders dan de meeste Samojeden en andere

inboorlingen van de aziatische noordkust. De jonge meisjes droegen

paarlsnoertjes in hare ooren en armbanden van koper of ijzer, die

met vrij veel kunstvaardigheid bewerkt waren.

Ook mag hier bijgevoegd worden dat het eerlijke lieden waren,

trouwhartig in het doen van zaken, ofschoon zij geweldig overvroegen en

lieten afdingen. Maar men zou niet met andere kooplieden bekend moeten

zijn, indien men dit deze bewoners der poolstreek kwalijk wilde nemen.

Onder de Eskimo's bestaat de meest volkomen gelijkheid. Zij hebben

zelfs geene stamhoofden. Het zijn heidenen; zij vereeren bij wijze van

afgoden houten palen met gebeeldhouwde en rood beschilderde koppen,

welke vogels voorstellen, die hunne vleugels waaiervormig achter

zich uitspreiden. Hunne zeden zijn zuiver; het familieleven is bij

hen zeer hartelijk, zij hebben grooten eerbied voor hunne ouders,

houden veel van hunne kinderen, en vereeren zorgvuldig hunne dooden,

die in de open lucht te kijk worden gelegd, gekleed in feestgewaad

en met hunne wapenen bij zich.

De dagelijksche bezoeken die de Cascabels bij de inboorlingen aflegden,

waren voor hen eene bron van veel genoegen. Ook gingen zij dikwijls

in eene oude traankokerij, door amerikanen opgericht, welke destijds

nog in werking was, een kijkje nemen.

Het land is niet geheel van boomen ontbloot en de plantengroei is

veel weelderiger dan die welke op het Tchouktchi-schiereiland, aan

de overzijde der straat, wordt aangetroffen. Dit komt doordien de

amerikaansche kust bespoeld wordt door een warmen stroom, welke uit

de zuidelijke streken der Stille Zuidzee derwaarts loopt. Langs het

Siberische strand daarentegen vloeit alleen het koude water dat uit

de noordelijke poolzee aangevoerd wordt.

Het behoeft nauwelijks gezegd te worden dat Cascabel er niet aan dacht

om te Port-Clarence zijne kunsten te vertoonen. Hij was niet zonder

reden bevreesd dat hij misschien hier even als bij de Youkon-Indianen

weer duikelaars, springers en acrobaten zou aantreffen, die van hem

niets te leeren zouden hebben. Den goeden naam van zijnen troep wilde

hij dus niet voor de tweede maal aan eene nederlaag wagen.

Intusschen verliep de eene dag na den anderen en zij hadden reeds

langer gerust dan noodig ware geweest. Na een oponthoud van eene

week te Port-Clarence behoefden zij zekerlijk niet meer tegen de

vermoeienissen van eenen tocht door Siberië op te zien.

Maar de _Schoone Zwerfster_ kon de Behringstraat nog niet

over. Zij waren nu in de laatste dagen van September en ofschoon de

thermometer thans, even als altijd omstreeks dezen tijd en op die

aardrijkskundige breedte, voortdurend beneden het vriespunt wees,

lag de zee-arm die Amerika van Azië scheidt, nog niet dicht. De zee

was echter reeds vol ijsschotsen, die buiten de straat in het ruime

sop van de Behringzee gevormd worden en die langs de kust van Alaska,

voortgestuwd door den uit den Stillen Oceaan komenden stroom, naar het

Noorden drijven. Wachten bleef voor alsnog de boodschap, wachten tot

al die schotsen samengesmolten zouden zijn tot één ontzaglijk ijsveld,

onbewegelijk en sterk genoeg om eene berijdbare oppervlakte tusschen

de beide werelddeelen te vormen.

Heeft deze ijsvlakte zich eenmaal gezet, dan neemt zij binnen korten

tijd zoodanig in dikte toe dat zij desnoods eenen geschuttrein zou

kunnen dragen. Geen nood dus dat de _Schoone Zwerfster_ en hare

passagiers het geringste gevaar zouden loopen van door het ijs te

zakken. De geheele ijsmassa op het smalste gedeelte van den zeearm

tusschen Kaap Prins-van-Wales, even beneden Port-Clarence, en de

kleine haven van Numana op de Siberische kust, is voor het overige

niet meer dan een twintigtal mijlen lang.

--Weet ge wat jammer is? zeide Cascabel op zekeren dag. Dat de

amerikanen hier geene brug gelegd hebben.

--Eene brug van twintig mijlen? vroeg Sander.

--Waarom niet? meende Jan. In het midden van de straat ligt het

eilandje Diomedes, waar de brug op zou kunnen rusten.

--Onmogelijk zou het niet zijn, zeide Sergius, en wij mogen aannemen

dat het ook eenmaal gebeuren zal want het menschelijke vernuft deinst

voor niets terug.

--Er wordt immers ook wel over gedacht om eene brug over het engelsche

kanaal te leggen, hernam Jan.

--Daar is inderdaad sprake van, stemde Sergius toe. Maar het valt

niet te ontkennen dat eene brug over de Behringstraat minder nuttig

zou wezen dan eene van Dover naar Calais, en dat zij stellig hare

kosten niet goed zou maken.

--Al was zij dan ook niet nuttig voor het reizigersverkeer in 't

algemeen, meende Cornelia, zou zij ons ten minste nu van dienst wezen.

--Eigenlijk hebben wij er toch ook geen behoefte aan, zeide

Cascabel. Gedurende acht maanden van het jaar ligt er immers eene

brug, eene van ijs, zoo sterk als eene brug van ijzer of steen bij

mogelijkheid gemaakt kan worden. Moeder natuur bouwt die ieder jaar

weder op en heft niet eens tol!

Vader Cascabel was gewoon de dingen van den besten kant op te nemen

en in den grond der zaak had hij dikwijls gelijk. Waartoe eene brug

die millioenen kosten zou, wanneer zij slechts op het geschikte

tijdstip behoefden te wachten om den overtocht, te voet of per as,

naar verkiezing te kunnen doen?

Het kon nu niet heel lang meer duren. Hun geduld zou op geen al te

lange proef gesteld worden.

Den 7den October behoefden zij er niet meer aan te twijfelen of de

winter was, op deze hooge breedte, voorgoed ingetreden. Alle spoor van

plantengroei was verdwenen, het sneeuwde dikwijls, de enkele boomen

langs de kust waren met ijzel overdekt. Van de schrale planten die

in de poollanden nog tieren willen, en van de harstachtige gewassen

die in het Noorden van Scandinavië aangetroffen worden en zich tot

den poolcirkel voortzetten, was nu niets meer te zien.

Nog altijd werden de ijsschotsen door den snellen stroom de zeeëngte

doorgejaagd, maar zij begonnen breeder en dikker te worden. Evenals

eene korte, maar felle hitte voldoende is om metalen aan elkaar te

smelten, zoo was hier nog slechts eene geweldige koude noodig om van

de ijsklompen een ijsveld te maken. Zij konden er staat op maken dat

het den eenen of anderen dag gebeuren zou.

Zoo vurig onze reizigers echter naar het oogenblik wenschten

dat de zee begaanbaar zou worden, zoo verlangend zij waren om

Port-Clarence te verlaten en den voet op de Oude Wereld te zetten,

toch had dat aangename vooruitzicht ook zijne keerzijde. Dan immers,

zou ook het oogenblik van scheiden daar zijn. Wel zouden zij Alaska

den rug toekeeren, maar Sergius zou daar achter blijven, want er

was geen sprake van dat hij zijne reis verder naar het Westen zou

voortzetten. Na het einde van den winter was hij voornemens zijne

onderzoekingstochten in dit gedeelte van Amerika te hervatten, en

wilde hij de landstreek ten Noorden van de Youkon en aan genen kant

der bergen gaan opnemen.

Het vooruitzicht dier scheiding was voor allen even smartelijk. De

genegenheid die zij in korten tijd voor elkander hadden opgevat,

was tot eene oprechte en hartelijke vriendschap aangegroeid.

Wie het zich het meest aantrok, was Jan. Hij kon er nauwelijks aan

denken dat Sergius ook Kayette zou medenemen. Het was immers in het

belang van het meisje zelve, dat haar aangenomen vader de zorg voor

hare toekomst geheel op zich nam. Zij kon aan geen betere handen dan

die van Sergius worden toevertrouwd; deze zou haar medenemen naar

Europa, waar hij haar eene zorgvuldige opvoeding zou doen geven en

haar in eenen stand zou inleiden, oneindig beter dan die van arme

kermiskunstenmakers. Waar zulke voordeelen voor het grijpen lagen,

viel er niet te aarzelen. Jan kon dat niet ontkennen en was de eerste

om het in te zien. Maar hij dacht er niettemin aan met eene steeds

toenemende beklemdheid, welke hij niet bij machte was van zich af te

zetten. Het was om allen moed te verliezen wanneer hij er aan dacht

dat hij van Kayette zou moeten scheiden en haar nimmer terug zou

zien. In zedelijken en in stoffelijken zin zou er tusschen hen beiden

een afgrond zich openen wanneer zij in den kring der bloedverwanten

van Sergius werd opgenomen. Het was hun beiden tot eene aangename

gewoonte geworden samen te praten, samen te werken en altijd bij

elkander te wezen. Hetgeen Jan voor Kayette voelde was eene oprechte

liefde, welke zich uitte in eene bezorgdheid voor haar, die zich geen

oogenblik verloochende, en in zijne ontroering wanneer hij met haar

sprak. En misschien beantwoordde Kayette die liefde reeds, al gaf zij

zich zelve daar nog geen rekenschap van. Dat alles moest dan verbroken

worden door eene scheiding welke naar alle waarschijnlijkheid voor

altijd zou wezen!

Jan voelde zich dus inderdaad ongelukkig, maar ook zijne ouders,

zijn broeder en zijne zuster hielden veel van Kayette, konden zich

niet gewennen aan het denkbeeld dat zij haar moesten verliezen, en

dachten ook niet zonder smart aan het oogenblik dat zij van Sergius

afscheid zouden moeten nemen. Zij zouden er heel wat voor over hebben,

betuigde Cascabel meer dan eens, wanneer Sergius voorloopig slechts

wilde toestemmen om met hen de reis voort te zetten. Eenige maanden

duurde hun tocht nog; daarna konden zij altijd nog zien wat hun te

doen stond.

Wij hebben reeds gezegd dat de bewoners van Port-Clarence onze

reizigers een goed hart toedroegen. Niet zonder bezorgdheid zagen zij

het oogenblik naderen waarop de karavaan zich in de Siberische steppen

zou gaan wagen, waar haar ernstige gevaren te wachten stonden. Die in

eenzaamheid levende lieden stelden belang in deze vreemdelingen die van

zoo verre kwamen en nog zulk een verren tocht vóór zich hadden. Maar

met geheel andere oogen sloegen de russische ambtenaren, die eerst

sedert kort hier aan het strand verblijf hielden, het reisgezelschap

gade. Vooral op Sergius hadden zij hunne bijzondere aandacht gevestigd.

Wij hebben verhaald dat deze ambtenaren, die zich op dat tijdstip te

Port-Clarence bevonden, in Alaska dienst gedaan hadden en tengevolge

der inlijving van dat gewest verplicht waren naar Siberië terug

te keeren.

Onder hen bevonden zich twee politie-beambten, die in de gewezen

russische bezitting met eene bijzondere opdracht belast waren

geweest. Zij hadden namelijk tot taak gehad het oog te houden op de

politieke vluchtelingen, die in Nieuw-Brittannië eene schuilplaats

vonden, maar somtijds poogden over de grens van Alaska weder op

russisch grondgebied te komen. Nu had Sergius, als een rus, die zich

bij eenen troep fransche kunstenmakers bevond en die juist op eene

plaats, waar de grenzen van het Czarenrijk eenen aanvang namen,

niet verder verkoos te reizen, terstond hunne achterdocht gaande

gemaakt. Zij hielden dus het oog op hem, maar voorzichtig en met

beleid, zóódat niemand het merkte.

Sergius kon dus ook niet vermoeden dat hij den argwaan der

politiebeambten had opgewekt. Hij dacht, evenals de Cascabels, alleen

aan hunne ophanden zijnde scheiding. Het was alsof hij geslingerd

werd tusschen het vooruitzicht om zijne reis door westelijk Amerika

te hervatten, en zijnen lust om daarvan aftezien en den tocht naar

Europa mede te maken. Wat er eigenlijk bij hem omging kon niemand met

zekerheid zeggen, maar Cascabel besloot, dewijl hij hem dikwijls in

gepeins verzonken zag, op eene verklaring aan te dringen.

Des avonds van den 11den October, nadat het avondeten afgeloopen was,

sprak Cascabel hem dus aan alsof er plotseling eene gedachte bij

hem opkwam.

--Wat ik zeggen wilde, mijnheer Sergius, het zal nu niet lang meer

duren of wij gaan op weg naar uw land.

--Zeker mijn vriend, dat is afgesproken.

--Ja, wij gaan dus naar Rusland. Wij komen dan ook te Perm, waar,

als ik mij wel herinner, uw vader woont.

--Dat is zoo, en ik wil wel bekennen dat ik u niet zie heengaan zonder

grooten lust om u te vergezellen.

--Maar mijnheer Sergius, vroeg Cornelia, denkt gij nog lang in Amerika

te blijven?

--Lang? Dat weet ik nog niet.

--En op welke manier zijt gij voornemens naar Europa terug te keeren?

--Dwars door het verre Westen. In die richting hervat ik mijne reis

en hoop zoodoende eindelijk te New-York te komen, waar ik scheep zal

gaan en Kayette medenemen.

--Met Kayette dus? vroeg Jan zacht, terwijl hij het meisje aanzag

dat de oogen neersloeg.

Allen zwegen eenige oogenblikken. Toen vervolgde Cascabel, terwijl

zijne stem eenigszins haperde:

--Kijk eens mijnheer Sergius, ik wilde u met uw verlof wel eens iets

voorstellen. Ik weet heel goed dat het eene bezwaarlijke onderneming

is, Siberië van het eene eind tot het andere door te trekken. Maar

met moed en eenen vasten wil hopen wij toch.....

--Mijn waarde vriend, viel Sergius hem in de rede, wees overtuigd

dat noch het gevaarlijke, noch het vermoeiende der reis mij af zou

schrikken. Gaarne zoude ik dat alles met u deelen, maar...

--Maar wat belet u dan samen met ons onzen tocht voort te zetten? vroeg

Cornelia.

--Dat zou aardig zijn! voegde Sander er bij.

--Als gij het doet krijgt ge een zoen van mij, riep Napoleona uit.

Jan noch Kayette hadden een woord gezegd, maar het was hun aan te

zien dat zij in angstige spanning verkeerden.

--Mijn waarde Cascabel, zeide Sergius na eenige oogenblikken nagedacht

te hebben, ik zou met u en uwe vrouw gaarne eens willen praten.

--Wij zijn tot uwen dienst, terstond zoo gij wilt.

--Neen, liever morgen ochtend!

Er werd toen verder niet over gesproken en spoedig gingen allen,

benieuwd naar hetgeen er gebeuren zou, naar bed.

Wat was de bedoeling van Sergius met dit gesprek? Was hij besloten

verandering in zijne plannen te brengen, of wilde hij alleen aan

Cascabel de middelen verschaffen om in gunstiger omstandigheden de

reis te doen, door hem opnieuw geld aantebieden?

Kayette en Jan waren het meest in spanning. Zij deden geen van beiden

dien nacht een oog toe.

Den daarop volgenden ochtend had het onderhoud plaats. Niet omdat hij

de kinderen niet vertrouwde, maar dewijl hij vreesde beluisterd te

worden door de inboorlingen en andere bezoekers die af en aan liepen,

wenschte Sergius dat Cascabel en zijne vrouw zich met hem op eenigen

afstand van den wagen zouden verwijderen. Hetgeen hij hun te zeggen

had was van groot belang, en hij wilde het voor anderen zorgvuldig

geheim houden.

Zij wandelden dus met hun drieën het strand op, den kant uit van de

traankokerij. Onder de hand leidde Sergius het gesprek in.

--Mijne vrienden, zeide hij, luistert goed en denkt rijpelijk na

vóór dat gij antwoordt op hetgeen ik u ga voorstellen. Ik heb uwe

goedhartigheid op prijs leeren stellen en ondervonden wat gij voor

uwe vrienden overhebt. Maar vóór dat gij een gewichtig besluit gaat

nemen, moet gij eerst weten wie ik ben.

--Wie gij zijt? vroeg Cascabel. Wel voor den drommel, gij zijt een

braaf man, dat is al wat ik noodig heb te weten.

--Nu ja, een braaf man, antwoordde Sergius, maar juist omdat ik dat

ben, past het mij niet de ernstige gevaren, die gij in Siberië zult

gaan loopen, nog te vermeerderen.

--Waarom zou uwe tegenwoordigheid voor ons een gevaar kunnen opleveren,

mijnheer Sergius? vroeg Cornelia.

--Omdat mijn ware naam is: graaf Sergius Narkine en ik een staatkundige

banneling ben.

Hij vertelde hen nu in korte bewoordingen zijne geschiedenis.

Graaf Sergius Narkine was uit een vermogend geslacht in het

gouvernement Perm gesproten. Bezield met warme belangstelling voor

wetenschappelijke en aardrijkskundige onderzoekingen, bracht hij de

jaren zijner jeugd grootendeels door met het doen van reizen in alle

deelen der wereld.

Die reizen hadden hem een beroemd man kunnen maken, maar ongelukkig

bepaalde hij zich niet daartoe. Hij raakte in staatkundige beroeringen

verwikkeld en werd in 1857 lid van een geheim genootschap, waar

zijne vrienden hem toe overhaalden. Niet lang daarna werden alle

leden dezer vereeniging gevangen genomen en met al de gestrengheid,

waarvoor de russische regeering berucht is, vervolgd en gestraft. De

meesten werden veroordeeld tot levenslange ballingschap in Siberië.

Dit was ook het lot van graaf Sergius Narkine, wien de stad Jakoutsk

tot verblijfplaats werd aangewezen. De eenige bloedverwant dien hij

verplicht was achter te laten, was zijn vader, prins Wassili Narkine,

thans een tachtigjarige grijsaard. Deze bleef op zijne landgoederen

te Walska, nabij Perm, verblijf houden.

Na vijf jaren te Jakoutsk gesleten te hebben, gelukte het den

veroordeelde naar Okhotsk, aan den zeeboezem van dien naam, te

ontkomen. Daar vond hij een schip dat zeilreê lag en hem medenam naar

eene haven in Californië. Sedert dien tijd had graaf Sergius Narkine

zeven jaren lang in de Vereenigde Staten of in Nieuw-Engeland geleefd,

altijd in de nabijheid der grenzen van Alaska, waar hij heen hoopte

te gaan zoodra het gewest bij de Vereenigde Staten werd ingelijfd. In

het geheim koesterde hij de hoop door Siberië heen naar Europa terug

te keeren en dus juist te doen wat Cascabel ondernomen had. Het

is licht te begrijpen met welk eene ontroering hij dus vernam dat

dezelfde lieden, wien hij het behoud van zijn leven verschuldigd was,

voornemens waren de Behringstraat over en Siberië door te trekken.

Natuurlijk zou hij niets liever gewild hebben dan hen te vergezellen,

maar hij zag er tegen op zijne vrienden aan den toorn der onbarmhartige

russische regeering bloot te stellen. Wat zouden de gevolgen zijn als

het ontdekt werd dat zij een staatkundig veroordeelde weder over de

russische grenzen hadden helpen komen? Toch zou hij zijn hoogbejaarden

vader zoo gaarne willen terugzien....

--Als ik u was, mijnheer Sergius, ging ik eenvoudig met ons mede,

zeide Cornelia hartelijk.

--Maar mijne goede vrienden, als het uitkomt is uwe vrijheid, ja

misschien uw leven er mede gemoeid.

--Wat komt dat er op aan, mijnheer Sergius? zeide Cascabel. Van ieder

mensch wordt hiernamaals de rekening opgemaakt van hetgeen hij goeds

en kwaads in zijn leven gedaan heeft. Dus is het zaak er zooveel

mogelijk goede posten op te brengen, om tegen de kwade optewegen!

--Mijn waarde Cascabel, bedenk....

--Bovendien mijnheer Sergius, zal niemand u immers herkennen? Wij

zijn bij de hand genoeg, wees daar zeker van en de drommel moge

mij halen als wij met ons allen niet in staat zijn de russische

politie-speurhonden bij den neus te hebben!

--Evenwel ... drong Sergius weder aan.

--Als het niet anders kan, steekt gij u desnoods in een

kunstenmakerspak, wanneer gij ten minste u daar niet voor schaamt....

--Hoe kunt gij zoo iets denken, mijn vriend?

--Wie zal dan ooit op het denkbeeld komen dat er een graaf Narkine

in den troep van Cascabel verscholen zit?

--Nu dan, mijne vrienden, ik neem het aan en weest overtuigd dat ik

er u dankbaar voor ben....

--Jawel, jawel, viel Cascabel hem in de rede, laat dat maar

blijven. Hadt gij er dan aan getwijfeld dat wij iets voor u over

zouden hebben? Derhalve, mijnheer de graaf....

--Noem mij niet bij mijnen titel of naam. Voor ieder blijf ik eenvoudig

Sergius, zelfs voor de kinderen....

--Ja, het is beter dat zij er niets van weten. Het blijft dus

afgesproken, mijnheer Sergius, dat wij u medenemen. Ik mag geen Cesar

Cascabel heeten als ik u niet behouden en wel te Perm breng. Gelukte

mij dat niet, dan zou ik voor het eerst iets dat ik op mij genomen

heb in den steek laten, en dan was ik voorgoed mijn goeden naam als

artist kwijt!

Met welke vreugdekreten Sergius begroet werd toen hij in de _Schoone

Zwerfster_ terugkwam en Jan, Kayette, Sander, Napoleona en Kruidnagel

te weten kwamen dat hij met hen naar Europa ging, kan ieder gemakkelijk

raden. Daarvan vertellen wij dus niets.

XVI.

VAARWEL AAN DE NIEUWE WERELD.

Het kwam er dus nu alleen op aan, het ontworpen plan om naar Europa

terugtekeeren uittevoeren.

Alles goed beschouwd, stonden de kansen van slagen niet kwaad. Het

wisselvallige kunstenmakersleven bracht de Cascabels er nu eenmaal

toe dat zij door Rusland moesten trekken en wel door het gouvernement

Perm. Wat kon graaf Narkine dus veiliger doen dan zich, indien hij

ook daarheen wilde, bij hen aansluiten? Niemand kon immers vermoeden

dat de politieke veroordeelde, die indertijd uit Jakoutsk gevlucht

was, zich bij eenen kunstenmakerstroep bevond? Werd het geheim

niet verraden, dan moest het plan stellig gelukken, en eenmaal te

Perm gekomen, kon de graaf, nadat hij zijnen vader teruggezien had,

handelen zooals hem het best toescheen. Hij zou Azië dan achter den

rug en nergens een spoor van zijn verblijf achtergelaten hebben,

zoodat hij naar de omstandigheden te werk zou kunnen gaan.

Daar stond wel tegenover dat indien hij, tegen alle waarschijnlijkheid

in, op hunnen tocht door Siberië ontdekt werd, zulks zeer ernstige

gevolgen hebben kon, niet alleen voor hem maar ook voor degenen die

hem vergezelden. Hierover verkozen echter Cascabel en zijne vrouw

zich niet ongerust te maken, en zeker is het dat indien zij hunne

kinderen hadden kunnen raadplegen, deze het volkomen met hen eens

geweest zouden zijn. Maar het was zaak het geheim van graaf Narkine

zorgvuldig te bewaren. Niemand mocht dus iets anders vermoeden dan

dat hun reisgenoot eenvoudig Sergius heette.

Wel nam graaf Narkine zich stellig voor om later de edelmoedige

toewijding dezer brave lieden naar verdienste te beloonen, maar

Cascabel rekende op geene andere belooning dan dat hij zijnen vriend

eenen dienst mocht bewijzen en tegelijkertijd de russische politie

eene kool stoven.

Ongelukkig was er iets dat zij geen van beiden konden vermoeden,

namelijk dat hun voornemen van den aanvang af gevaar liep te

mislukken. Zoodra zij de zeeëngte over zouden zijn, hadden zij

groote kans terstond door de russische politie in Siberië te worden

aangehouden.

Men moet weten dat den dag nadat hunne afspraak gemaakt was, twee

mannen op eene afgelegene plek aan de haven, waar niemand hen

beluisteren kon, in druk gesprek heen en weer liepen.

Dat waren de twee politiebeambten van wie wij reeds gesproken hebben,

wier aandacht door de aanwezigheid van Sergius onder de passagiers

van de _Schoone Zwerfster_ zoo bijzonder getrokken was.

Gedurende een aantal jaren te Sitka geplaatst en belast met de

staatkundige politie in het gouvernement Alaska, was het hunne taak

geweest, zooals onze lezers zich herinneren zullen, bijzonder het

oog te houden op het doen en laten der vluchtelingen die zich op de

grens van Columbia ophielden, den gouverneur daarvan te onderrichten

en allen die het waagden op russisch grondgebied te komen, te doen

aanhouden. Wat nu het geval bedenkelijk maakte, was dat zij graaf

Narkine wel niet persoonlijk kenden, maar toch in het bezit van

zijn signalement waren, dat overal was heengezonden toen hij uit

de vesting Jakoutsk gevlucht was. Zoodra de troep van Cascabel te

Port-Clarence aankwam, viel het hun bijzonder op dat zij eenen rus

bij zich hadden die noch de manieren noch het uiterlijk van eenen

kunstenmaker had. Hoe kwam het dat deze zich bij een gezelschap bevond,

dat zulk een wonderlijken weg gebruikte om van Sacramento naar Europa

terug te keeren?

Zoodra hunne achterdocht eenmaal gewekt was, gingen zij op den loer

liggen en aan 't afluisteren, maar zoo voorzichtig dat niemand het

bemerkte. Zij vergeleken het signalement van graaf Narkine met Sergius

en kregen zoodoende spoedig zekerheid dat hij het was.

--Het is niemand anders dan graaf Narkine, zeide de een. Stellig heeft

hij al eene poos op de grens van Alaska gezworven in afwachting dat het

land ingelijfd zou worden; toen heeft hij zeker dien koorddanserstroep

ontmoet die hem waarschijnlijk den een of anderen dienst heeft bewezen,

en zoo komt het dat hij nu met hen naar Siberië wil oversteken.

Dit alles was juist zooals zij dachten. Wel was Sergius aanvankelijk

niet voornemens geweest verder te gaan dan Port-Clarence, maar het

verwonderde de agenten volstrekt niet toen zij te weten kwamen dat

hij het plan had opgevat met de _Schoone Zwerfster_ naar den overkant

te gaan.

--Dat is een buitenkansje voor ons, zeide de eene agent. Ware de graaf

hier op amerikaanschen bodem gebleven, dan hadden wij het recht niet

gehad hem aan te houden.

--Daarentegen, antwoordde de eerste, is hij over de russische grens

zoodra hij aan de overzijde der Behringstraat komt. Daar zal hij ons

niet ontsnappen, want wij zullen hem behoorlijk opwachten!

--Met zulk eene vangst kunnen wij eer inleggen en goed wat verdienen,

hernam de ander. Het is een mooi ding om mee te beginnen. Maar hoe

leggen wij het aan?

Cesar Cascabel: "De Schoone Zwerfster" · 第 13 / 14 段