De rivier maakt hier vele bochten door eene steeds nauwer wordende

vallei, tusschen eenige rijen heuvelen van matige hoogte, welke

op de kaart »wallen" genoemd worden dewijl ze in hunnen vorm veel

overeenkomst met borstweringen hebben.

Het ging niet heel gemakkelijk om door dit heuvelachtige terrein heen

te komen, te meer dewijl zij alle voorzorgen moesten gebruiken om

geen ongeluk aan hun voertuig te krijgen. Waar de weg te steil was,

werd de wagen voor een gedeelte afgeladen en hielpen zij allen de

wielen voortduwen, hetgeen te meer raadzaam was, merkte Cascabel op,

»dewijl waarschijnlijk niemand in dit land iets van een wagenmaker

vernomen had."

Zij hadden ook enkele riviertjes door te trekken, zooals de

Nocolocargout, de Shetehaut en de Klakencot. Gelukkig stond er in

dezen tijd van het jaar niet veel water en het viel hun nergens

moeilijk eene doorwaadbare plek te vinden.

Indianen worden er tegenwoordig weinig meer aangetroffen in dit

gedeelte van het land, dat vroeger nog doorkruist werd door eenige

stammen, die thans bijna geheel uitgestorven zijn. Nu en dan kwamen

zij een enkel troepje tegen dat op weg was naar de kuststreek in het

zuidwesten, om daar in het najaar op de visscherij uit te gaan.

Ook ontmoetten zij eenige handelaars die van de monding der

Youkon-rivier kwamen en naar de verschillende nederzettingen der

russisch-amerikaansche handelsvereeniging bestemd waren. Niet zonder

verwondering staarden deze reizigers het helbeschilderde rijtuig en

zijne passagiers aan. Er werd een groet en een »goede reis!" gewisseld

en daarna ging ieder zijns weegs.

Den 13den Augustus kwam de _Schoone Zwerfster_ in het fort

Nuclakayette, op honderd-twintig mijlen afstands van fort Youkon. Dit

is niets dan een kantoor voor den pelterijenhandel; de beambten komen

er zelden buiten. Uit verschillende punten van Aziatisch-Rusland

en van het noordelijk deel van Amerika komen zij daar bijeen en

drijven er handel ten spijt van hunne concurrenten, de lieden van

de Hudsonsbaai-compagnie.

Nuclakayette is dus ook voor de inboorlingen eene verzamelplaats waar

zij de pelterijen, die zij gedurende den winter machtig hebben weten

te worden, afgeven.

Nadat zij een eindweegs de rivier op zijde hadden laten liggen teneinde

niet al hare bochten te moeten medemaken, waren zij nu den stroom

weder genaderd, ter plaatse waar dit dorp vriendelijk te midden van

lage heuvels en groene boschjes gelegen is. Het fort is omringd van

eene omrastering en daar buiten staan eenige houten hutten. Door het

malsche weiland stroomden murmelende beekjes en een drietal vaartuigen

lagen in de Youkon aan den oever vastgemaakt. Het geheel bood een

aangenaam tafereel aan, dat tot rust scheen uit te noodigen. De hier

verblijf houdende Indianen behoorden tot den Tanana-stam. Dat is,

zegt men, het mooiste inboorlingen-type van noordelijk Alaska.

Zoo uitlokkend als het er echter uitzag, de _Schoone Zwerfster_

vertoefde er toch niet langer dan een etmaal, want de paarden hadden

geen behoefte aan meer rust. Cascabel was voornemens zich langer op

te houden te Noulato, wat eene vrij aanzienlijke plaats is en waar

meer gelegenheid bestond om nog het een en ander aan te schaffen dat

zij voor hunne reis door Siberië noodig zouden hebben.

Natuurlijk werd intusschen de jacht niet door Sergius en Jan

verzuimd. Soms namen zij Sander op hunne tochten mede. Het groote wild

bestond nog altijd uit elanden en rendieren, die onbeschroomd over de

vlakten draafden, of zich in de boschjes en boomgroepen, welke tamelijk

schaars hier aangetroffen worden, ophielden. Op de moerassige plekken

hadden zij gelegenheid tot menig mooi schot op ganzen, watersnippen,

langstaart-eenden, gewone wilde eenden en maakten zij ook enkele

reigers buit, die echter om te eten niet veel waarde hebben.

Toch beweerde Kayette dat de Indianen veel van reigervleesch houden,

voornamelijk echter wanneer zij niets anders op schotel hebben. Den

13den Augustus werd daarmede de proef genomen aan het ontbijt, maar

al de ervaring en het talent van Cornelia waren niet in staat te

beletten dat het een taai en droog eten gevonden werd. Alleen Wagram

en Marengo hadden er vrede meê en die knaagden dan ook het laatste

vezeltje van het karkas af.

In tijden van gebrek worden trouwens ook uilen, valken en zelfs

marters niet door de Indianen versmaad. Maar zij nemen daartoe toch

alleen hunne toevlucht wanneer zij niets anders hebben.

Den 14den Augustus moest de _Schoone Zwerfster_ door eene bochtige

kloof tusschen steile heuvelen, die den oever der rivier vormen,

heengeholpen worden. Ditmaal was het pad zoo ongebaand en hobbelig

alsof het de uitgedroogde bedding eener beek was, en ondanks alle

genomen voorzorgen gebeurde er een klein ongeval. Gelukkig brak er

alleen een van de lamoenen van den wagen en geen wiel, zoodat de

breuk met touwen tijdelijk weder te heelen was en zij geen langdurig

oponthoud ondervonden.

Nadat zij achtereenvolgens de dorpen Suquongilla en Newicargout,

aan het riviertje van dien naam, voorbijgetrokken waren, werd de weg

verder op minder bezwaarlijk. Zij hadden nu de heuvels achter den

rug en zoo ver het oog reikte zagen zij niets dan eene vlakte vóór

zich. Een viertal kleine rivieren liepen er doorheen, doch in dezen

tijd des jaars waren hare beddingen geheel droog. In het seizoen der

stortregens en sneeuwstormen had de karavaan onmogelijk deze richting

kunnen volgen.

Toen zij een dezer kreekjes, de Milo-cargout, waar nauwelijks een

voet water stond, doorwaadden, merkte Cascabel op dat er een dam

dwars door de rivier gelegd was.

--Kijk, zeide hij, nu er toch een dam in dit water gebouwd werd,

hadden zij ook even goed eene brug er over kunnen leggen, hetgeen

met hoog water gemakkelijker wezen zou.

--Dat is zeker vader, antwoordde Jan, maar de werklieden die dezen dam

gemaakt hebben, zouden niet in staat zijn geweest eene brug te bouwen.

--Waarom niet?

--Omdat het werklieden zijn op vier pooten, anders gezegd bevers.

Jan's vermoeden was juist en zij hadden gelegenheid het vernuft

dezer nijvere dieren te bewonderen, die bij het leggen hunner dammen

zorgvuldig rekening houden met de richting van den stroom, en ze tevens

hoog genoeg maken om boven den hoogsten waterstand uit te steken. Ook

de helling der zijden van zulk eenen dam wordt nauwkeurig zóó gemaakt

dat die het best aan de persing van het water weerstand kunnen bieden.

--Dat hebben die bevers toch niet op school kunnen leeren! riep

Sander uit.

--Zij behoefden er ook niet voor school te gaan, antwoordde

Sergius. Schoolgeleerdheid, die het niet altijd bij het rechte

eind heeft, is niet noodig om te leeren wat men door instinct weet,

en dit vergist zich nimmer. De bevers hebben dezen dam opgeworpen

zoo als de mieren hunne nesten, zooals de spinnen hunne webben en

zooals de bijen de cellen in hunne woningen maken. Ook de boomen en

kruiden brengen hunne bloesems en vruchten voort bij instinct. Zij

maken nooit eene fout, maar gaan ook nooit vooruit en in het werk,

dat zij te verrichten hebben, is ook geen vooruitgang mogelijk. De

bever bouwt in onzen tijd even zorgvuldig als de eerste bever die ooit

op den aardbol gezien werd. Ontwikkeling ligt niet in de bestemming

der dieren; deze is den mensch voorbehouden en hij alleen is in staat,

van trap tot trap zich te verheffen, zoowel waar het de kunst, als de

nijverheid of de wetenschap betreft. Het bewonderenswaardige instinct

der dieren, dat hen in staat stelt zoo vernuftig te werk te gaan,

perst ons rechtmatige bewondering af, maar wij mogen uit die wonderen

der natuur geen gevolg trekken voor hetgeen ons menschen te doen staat.

--Ik begrijp volkomen uwe bedoeling, mijnheer Sergius, antwoordde

Jan. Dat is het onderscheid tusschen instinct en rede. Al staat de

rede bloot aan dwalingen, toch moet zij op hooger prijs geschat worden.

--Dat valt niet tegen te spreken, zeide Sergius. Al onze dwalingen,

die wij mettertijd leeren inzien en verbeteren, vormen den weg van

den vooruitgang.

--Maar in elk geval, hield Sander vol, blijf ik bij hetgeen ik gezegd

heb. Die bevers hebben niet school behoeven te gaan.

--Zeker niet, maar menschen die geen onderwijs genoten hebben, zijn

ook niets meer dan beesten, was Sergius antwoord.

--Maar nu wat anders, kwam Cornelia tusschenbeide, die altijd een

oog had op den practischen kant der dingen. Kan men die bevers eten?

--Zonder twijfel, antwoordde Kayette.

--Ik heb zelfs ergens gelezen, voegde Jan er bij, dat een beverstaart

een lekkere schotel is.

Zij waren niet in de gelegenheid zich daarvan te overtuigen, want op

dit oogenblik waren er geen bevers in de kreek te zien.

Na de Milo-cargout te zijn overgetrokken, hield de _Schoone Zwerfster_

op het dorp Sacherteloutain, een van de voornaamste vestigingen der

Co-Youkon-Indianen aan. Op raad van Kayette namen zij eenige voorzorgen

tegen deze van nature zeer diefachtige wilden. Zij kwamen nieuwsgierig

naar den wagen kijken, maar er werd goed opgepast dat niet een er

in kwam. Uit vrije beweging werden er echter eenige kralen en andere

snuisterijen aan de voornaamsten van den stam ten geschenke gegeven,

hetgeen een goeden indruk maakte zoodat beide partijen in vrede van

elkaar scheidden.

Langs den smallen voet der walachtige heuvels gaande, werd hun tocht

weder een weinig moeilijker, maar zij konden geen anderen weg kiezen

zonder op een nog bergachtiger terrein te komen.

Het ging dus nu langzamer vooruit en toch begon het zaak te worden om

niet onnoodig te talmen. Hoewel het overdag nog altijd zacht bleef,

werd het des nachts hoe langer hoe kouder. Zij konden trouwens niets

anders verwachten, want zij bevonden zich nu reeds op korten afstand

van de Poolstreek.

De karavaan was hier op eene plek gekomen waar de Youkon-rivier met

eenen vrij scherpen hoek zich naar het Noorden keert. Zij moesten

nog den oever houden tot waar de Co-Youkon, die zich in twee bochtige

armen splitst, hare wateren in de Youkon uitstort en zij hadden bijna

eenen dag noodig om eene doorwaadbare plaats te vinden, want Kayette

was niet in staat, dewijl het water reeds merkbaar gerezen was,

die terstond aantewijzen.

Voorbij deze laatste hindernis konden zij met de _Schoone Zwerfster_

recht Zuid op, totdat zij door een weder tamelijk heuvelachtige streek

in het fort Noulato aankwamen.

Dit is voor de russisch-amerikaansche handelsvereeniging eene

belangrijke nederzetting. Het is de noordelijkste factorij in het

Westen van Amerika. Volgens de waarnemingen van den reiziger Frederick

Whymper, ligt zij op 64° 42' noorderbreedte en 155° 36' westerlengte.

Toch zou niemand op het eerste gezicht vermoed hebben dat hij zich

in dit gedeelte van Alaska zoo dicht bij het pool-ijs bevond.

De bodem is hier ontegenzeggelijk vruchtbaarder dan in den omtrek

van fort Youkon. Overal ziet men hoog opgaande boomen, overal malsche

groene weilanden, zonder nog te spreken van de uitgestrekte vlakten

die voor den landbouw groote waarde zouden hebben, want er ligt eene

dikke laag teelaarde op den vetten kleibodem. Aan water is ook geen

gebrek: de Noulato loopt met een aantal bochten in zuidwestelijke

richting en een geheel net van kreeken, of _Cargout's_, stroomt naar

het noordoosten. De plantengroei bepaalt zich echter, behalve de

straks bedoelde boomen, tot eenige heestergewassen, die wilde bessen

voortbrengen en aan de natuur overgelaten blijven.

Het fort Noulato bestaat weder uit verscheidene gebouwen, ingesloten

door eene omrastering, versterkt met twee torens. De Indianen mogen

des nachts in het geheel niet en over dag nooit in grooten getale

binnenkomen. Binnen het omrasterde gedeelte staan hutten, loodsen en

houten pakhuizen; in plaats van glasruiten zijn de vensters voorzien

van robbenblazen. Al deze afgelegen posten in het verre Westen van

Amerika zijn zoo eenvoudig en armoedig mogelijk.

Cascabel en zijn gezin werden er dan ook met vreugde

ontvangen. Verloren in eene eenzame wildernis en van alle geregelde

gemeenschap met de buitenwereld verstoken, is het voor de bewoners

niet alleen eene welkome afleiding maar een waar feest als er eens

bezoekers komen. Zoo lang kunnen zij niet onder weg geweest zijn,

of het nieuws dat zij medebrengen is altijd versch.

De ingezetenen van het fort Noulato waren een twintigtal russische

of amerikaansche beambten. Zij verklaarden zich terstond bereid

de reizigers alles te bezorgen wat zij noodig konden hebben. De

handelsvereeniging voorziet hen van alle levensbehoeften,

maar bovendien gaan zij in den zomer druk op de elanden- en de

rendierenjacht en visschen zij geregeld in de Youkon. Deze is tamelijk

vischrijk, vooral wordt er ééne soort veel gevangen, die _naliena_

genaamd en in den regel als voedsel aan de honden gegeven wordt. De

_naliena_-lever wordt echter voor degenen die er aan gewend zijn,

voor een goed eten gehouden. Het spreekt van zelf dat de bewoners van

Noulato vreemd stonden te kijken toen zij de _Schoone Zwerfster_ zagen

aankomen. Nog meer verbaasd waren zij echter toen zij van Cascabel's

voornemen hoorden om door Siberië naar Europa te trekken. Van zoo iets

hadden zij nog nooit gehoord. Dat konden alleen franschen bedenken! Zij

bevestigden echter dat het gedeelte der reis tot Port-Clarence geen

bezwaar zou opleveren en dat de reizigers dit achter den rug konden

hebben vóór dat de grond in Alaska met de langdurige sneeuw van den

winter bedekt zou zijn.

Op raad van Sergius werd er overgegaan tot het aankoopen van

verschillende benoodigdheden voor den tocht over de steppen. In de

eerste plaats eenige brillen die onmisbaar zijn voor een langen tocht

over sneeuwvelden. De Indianen stonden hen voor eenige kralen een

dozijn van die toestellen af. Het waren houten brillen zonder glazen,

of eigenlijk oogkleppen die het geheele oog bedekken, met eene nauwe

spleet om doorheen te zien. Dit weinige is genoeg om zooveel gewaar

te worden als men noodig heeft om te zien waar men loopt; ware het

oog onbedekt of de spleet wijder, dan zou de felle weerkaatsing der

sneeuw onvermijdelijk eene ontsteking te weeg brengen. Alle leden

van ons reisgezelschap moesten die oogkleppen aanpassen, en het bleek

dat zij er spoedig aan gewennen zouden.

Na aldus het gezicht beveiligd te hebben, moest er ook aan hunne

voeten gedacht worden. Want met gelakte schoenen of zelfs met gewone

laarzen is het niet mogelijk in den winter over de siberische steppen

te trekken.

In het pakhuis te Noulato was een voorraad laarzen van robbenvel

voorhanden. Dezen worden ingesmeerd met eene laag vet en zijn dan

volkomen waterdicht, zoodat ze voor eene lange voetreis over sneeuw

en ijs het best geschikt zijn.

Cascabel maakte bij deze gelegenheid weder eene zeer verstandige

opmerking.

--Het is altijd het doelmatigst, zich te kleeden op de manier van de

dieren in het land waar men zich bevindt. In Siberië hooren robben

thuis; niets natuurlijker dus dan dat wij ons als robben toetakelen.

--Als robben met brillen op! kwam Sander vertellen en deze bijvoeging

droeg de hooge goedkeuring van zijnen vader weg.

Twee dagen vertoefde de karavaan te Noulato en dit was voldoende om

het trouwe span paarden te doen uitrusten. Zij hadden haast om te

Port-Clarence te komen. Den 21sten Augustus in de ochtendschemering

ging de _Schoone Zwerfster_ weder op marsch. Van nu af lieten zij

den rechteroever der Youkon voorgoed achter zich liggen.

Deze groote rivier buigt zich namelijk op dit punt naar het zuidwesten

om zich een eind verder in de Norton-golf uit te storten. Met den oever

verder te volgen zouden zij zonder eenig nut hunne reis langer gemaakt

hebben, want de riviermonding is beneden de Behringstraat gelegen. Zij

zouden dus van daar verder noordwaarts op Port-Clarence hebben moeten

trekken, over een strand vol kreeken, inhammen en moerassen, dat voor

de paarden hoogst vermoeiend geweest zou zijn.

Het begon nu reeds fijn koud te worden. De zonnestralen vallen hier in

zeer schuinsche richting op de aarde en geven veel licht maar weinig

warmte. Veeltijds hingen er groote grijze wolken, die er uitzagen alsof

zij spoedig als sneeuw zouden neerkomen. Er werd niet veel klein wild

meer gezien en de trekvogels begonnen reeds een milder verblijf in

zuidelijker streken op te zoeken.

Tot dusverre mocht ons reisgezelschap van geluk spreken dewijl

het nog zoo weinig hinder van de vermoeienissen der reis gehad

had. Dit hadden zij echter zeker ook te danken aan hunne ijzersterke

gestellen, een gevolg van hun leven in de open lucht onder de meest

verschillende klimaten, en van de gehardheid die zij door aanhoudende

lichaamsoefening gekregen hadden. Zij mochten dus de verwachting

koesteren dat zij behouden en wel te Port-Clarence zouden komen.

Dit gebeurde dan ook op den 5den September. Zij hadden toen ruim

vijfhonderd mijlen afgelegd sedert Sitka en ruim elfhonderd van de

Sacramento tot daar, in het geheel dus ongeveer zeventien honderd

mijlen. Zij hadden daar zeven maanden over gedaan en waren nu het

Westen van Amerika in zijne volle lengte doorgetrokken.

XV.

PORT-CLARENCE.

Port-Clarence is het meest noordwestelijk gelegen punt dat door

de Vereenigde Staten aan de Behringstraat bezeten wordt. Het ligt

ten Zuiden van Kaap Prins-van-Wales, in een kleinen inham op dat

gedeelte der kust, dat den neus vormt van het menschengezicht

waar de geheele strandlijn van Alaska op lijkt. De haven heeft een

uitmuntenden ankergrond en wordt daarom op hoogen prijs gesteld door

de scheepsgezagvoerders, voornamelijk door die der walvischvaarders

die in de Noordelijke IJszee hunne prooi komen achtervolgen.

Voor de _Schoone Zwerfster_ werd een kwartier uitgezocht nabij de

binnenzijde der haven, niet ver van de plek waar een riviertje

uitwatert, beschut door hooge rotsen, op wier top eenige magere

berken hunne wortels in den harden steengrond hebben weten te doen

dringen. Hier zouden zij het langste oponthoud der geheele reis

hebben, want zij moesten er vertoeven zoo lang de Behringstraat nog

niet geheel toegevroren en het ijs over de geheele breedte nog niet

dik genoeg was om den wagen te dragen.

Er kon geen sprake van zijn om den reiswagen met een der vaartuigen,

die tusschen Port-Clarence en de overzijde heen en weer varen,

over te zetten, want dit zijn slechts visscherschuiten van geringen

diepgang. Er was dus geen ander middel om op de kust van Azië te

komen dan te wachten tot de geheele zeeëngte in een onafzienbaar

ijsveld veranderd zou zijn.

De lange rust die zij gedwongen waren te nemen, kwam hun goed te pas

nu zij op het punt stonden aan het tweede gedeelte hunner reis te

beginnen, waar de groote moeielijkheden eerst recht eenen aanvang

zouden nemen en waar zij met felle koude en zware sneeuwstormen

te kampen zouden krijgen, althans zoo lang de _Schoone Zwerfster_

niet in het mildere klimaat van Zuidelijk Siberië aangekomen zou

zijn. Vóór dat zij daar konden zijn, moesten zij eenige zeer moeilijke

weken, misschien maanden doorworstelen en zij mochten het als een

geluk beschouwen dat hun de noodige tijd gelaten werd om aan de

toebereidselen voor dien zwaren tocht de laatste hand te leggen. Wel

hadden zij het een en ander aangeschaft bij de Indianen in het fort

Noulato, maar er ontbraken toch nog verschillende zaken die Cascabel

bij de handelaars te Port-Clarence of bij de inboorlingen hoopte te

kunnen krijgen.

Het was dus voor ieder een aangenaam oogenblik toen hun aanvoerder

het gebruikelijke commando hooren liet:

--Op de plaats: rust!

Dit bevel, dat ook door soldaten op marsch of bij militaire manoeuvres

het liefst gehoord wordt, liet Sander altijd volgen door den uitroep:

--Verbreekt de gelederen!

Zij wachtten dan ook geen oogenblik langer om her- en derwaarts te

gaan kijken wat er op de plaats te zien was.

Natuurlijk had ook de _Schoone Zwerfster_ te Port-Clarence bij hare

nadering niet weinig de aandacht getrokken. Nog nooit had zulk

eene rollende woning zich zoo ver, tot aan de uiterste spits van

Noord-Amerika, gewaagd. Voor de eerste maal kregen de verbaasde

inboorlingen eenen troep fransche kunstenmakers te zien.

Op dat oogenblik bevonden zich te Port-Clarence, behalve de gewone

bevolking van Eskimo's en kooplieden, eenige russische ambtenaren. Deze

hadden tot dusver in Alaska dienst gedaan maar tengevolge der inlijving

bij de Vereenigde Staten last gekregen naar het schiereiland der

Tchouktchis op de aziatische kust of naar Petropavlovk, de hoofdstad

van Kamschatka, te vertrekken. Deze ambtenaren bleven bij de andere

bewoners niet achter om de _Schoone Zwerfster_ welkom te heeten, maar

vooral de Eskimo's ontvingen de reizigers met groote ingenomenheid.

Dit waren dezelfde Eskimo's welke de beroemde zeevaarder Nordenskjöld

twaalf jaren later in deze streken ontmoette, toen hij zijn vermaarden

tocht deed waarbij hij den noordoostelijken doortocht tusschen Azië

en Amerika ontdekte. Bij die gelegenheid vond hij sommige dier

inboorlingen reeds gewapend met revolvers en achterlaadgeweren,

de eerste vruchten der van elders ingevoerde beschaving.

Aangezien de zomer pas ternauwernood geëindigd was, hadden ook

de inboorlingen te Port-Clarence hunne winterkwartieren nog niet

betrokken. Zij hielden verblijf onder kleine, sierlijke tenten,

vervaardigd van zware katoenen stof in verschillende kleuren, welke

met gevlochten stroo aaneengehecht was. Allerlei keukengereedschap

van kokosnoten vervaardigd, werd in die tenten gebruikt.

Dit maakte dat Kruidnagel, toen hij die voorwerpen voor het eerst

zag, uitriep:

--Er groeien dus kokosboomen in de bosschen van dit Eskimo-land!

--Ten minste.... verbeterde Sergius, als die noten niet met

walvischvaarders uit de Stille Zuidzee-eilanden zijn aangevoerd en

hier te Port-Clarence in betaling gegeven.

Dit was inderdaad het geval. Er bestond op dit tijdstip reeds een

levendig verkeer tusschen de amerikanen en de inboorlingen, waarvan

de invloed op de manieren der Eskimo's duidelijk merkbaar was.

Het is hier de plaats om op te merken, hetgeen ook later blijken zal,

dat er niet de geringste overeenkomst in uiterlijk of in zeden bestaat

tusschen de Eskimo's van de amerikaansche kust en de inboorlingen van

Siberië. Zelfs verstaan de stammen in Alaska de taal niet, welke aan

de westzijde van de Behringstraat gesproken wordt. Hunne eigen taal

is vol engelsche en russische uitdrukkingen, zoodat het niet moeilijk

viel hen te verstaan.

Reeds in de eerste dagen nadat zij te Port-Clarence hunnen intrek

genomen hadden, geraakten de Cascabels in kennis met de inboorlingen

dier plaats. Zij werden gastvrij door deze lieden in hunne tenten

ontvangen en maakten dan ook geen zwarigheid hen in de _Schoone

Zwerfster_ toe te laten, waarvan zij geen oogenblik spijt behoefden

te hebben.

Deze Eskimo's zijn over het algemeen veel beschaafder dan men

gewoonlijk denkt. Veelal stelt men zich voor dat het eene soort

van pratende robben zijn, half visch half vleesch, maar met

menschengezichten, en deze verkeerde voorstelling wordt in de hand

gewerkt door de kleederen die zij dragen, vooral in den winter. Maar

het heeft er niets van. Te Port-Clarence zien de lieden van den

Eskimo-stam er uit als gewone menschen en kan men zeer goed met hen

omgaan. Er zijn er zelfs die zoo op het navolgen der Europeesche

dracht gesteld zijn, dat zij naar de laatste mode gekleed gaan. Allen

hebben echter eene zekere mate van behaagzucht, hetgeen te merken is

aan de manier waarop zij hunne kleederen van rendieren- en robbenvel,

of van marmotten-bont dragen, en aan het tatoueeren van hun gezicht,

dat gedaan wordt door eenige lichte lijnen in den omtrek der kin te

trekken. De mannen hebben niet veel baard. Aan de hoeken der lippen

hebben zij kunstig drie gaatjes geboord, waarin zij ringetjes van

uitgesneden been dragen. Ook het neusbeentje versieren zij daarmede.

Cesar Cascabel: "De Schoone Zwerfster" · 第 12 / 14 段