inboorlingen had aangeknoopt. Hunne taal, die veel overeenkomst met
het chinouk heeft, verstond hij ten naastenbij en Sergius die russisch
met hen sprak, diende voor zooveel noodig als tolk.
De eerste dagen werd er tusschen de inlandsche kooplieden en de
beambten der russische compagnie druk handel gedreven, en de troep
van Cascabel vond toen geene gelegenheid om eene voorstelling voor
het publiek te geven.
De Indianen waren intusschen te weten gekomen dat zij eenen troep
fransche kunstenmakers in hun midden hadden, die een grooten naam
hadden wegens hunne vlugheid en hunne behendigheid in het koorddansen
en duikelen. Iederen avond kwamen zij in grooten getale de _Schoone
Zwerfster_ aangapen. Nog nooit hadden zij zulk een prachtig beschilderd
rijtuig onder de oogen gehad. Wat zij er vooral aardig aan vonden,
was dat het zulk eene gemakkelijk verplaatsbare verblijfplaats was,
want bij het nomadenleven dat zij leidden, moest hun dit bijzonder
geriefelijk voorkomen. Wie weet of ook de Indianen nog niet eens op
de gedachte zullen komen om hunne hutten op wielen te zetten. Dat
zullen dan geen rollende woningen, maar rijdende dorpen wezen!
Onder deze omstandigheden voelde Cascabel zich hoe langer hoe meer
geprikkeld om eene buitengewone voorstelling te geven. Er werd dus
afgesproken dat de vertooning zou plaats hebben »op algemeen en
vereerend verlangen der Indianen van het fort Youkon"!
Een van de inboorlingen waarmede Cascabel terstond na zijne aankomst
kennis gemaakt had, was een _tyhi_, dat wil zeggen het opperhoofd van
eenen stam. Dit was een man met een knap uiterlijk, een jaar of vijftig
oud, snugger en zelfs met iets geslepens in zijne trekken. Meermalen
was hij in de _Schoone Zwerfster_ te gast geweest en telkens had
hij te kennen gegeven dat de lieden van zijnen stam uiterst benieuwd
waren om den franschen troep aan het werk te zien.
Gewoonlijk had de _tyhi_ een Indiaan van een dertig jaren bij zich,
Fir-Fu genaamd, met een fijn en innemend gelaat. Dit was de toovenaar
van den stam, een behendig goochelaar, die overal in den omtrek van
de Youkon wegens deze eigenschappen bekend was.
--Dat is dus een broeder in de kunst, zeide Cascabel toen de _tyhi_
hem zijnen vriend voorstelde.
Zij bezegelden hunne kennismaking met een hartelijken dronk en rookten
toen met hun drieën de vriendschapspijp.
Na verschillende gesprekken waarin de _tyhi_ telkens er op aangedrongen
had dat de Cascabels eene voorstelling zouden geven, werd die bepaald
op den 3den Augustus. Zij spraken ook af dat de Indianen daarbij zouden
medewerken, want deze waren er op gesteld te doen zien dat zij voor
geen europeanen in sterkte, behendigheid en vlugheid onderdeden.
Dit is licht te begrijpen wanneer men weet dat de Indianen in
Alaska en overal in het verre Westen groote liefhebbers zijn van
lichaamsoefeningen en van kunstenmaken, waarbij zij allerlei grappen
en potsen verkoopen.
Op den bepaalden dag en uur was er een talrijk publiek saamgestroomd
en kwamen er ook een half dozijn Indianen voor den dag, die groote
houten maskers met afschuwelijke monstergezichten voor hadden. Mond
en oogen dier maskers konden door middel van draden bewogen worden,
zoodat het was alsof de leelijke tronies leefden. De meeste gezichten
liepen uit in eene punt als de snavel van eenen vogel en men kan
zich nauwelijks voorstellen hoe ontzettend zij grijnsden. John Bull,
de aap, had bij hen in de leer kunnen gaan.
Het spreekt van zelf dat vader en moeder Cascabel, Jan, Sander,
Napoleona en Kruidnagel voor deze plechtige gelegenheid zich in hunne
kermispakken gestoken hadden.
De plaats der voorstelling was een groot weiland, met boomen
omringd en de _Schoone Zwerfster_ op den achtergrond, alsof er eene
tooneelvertooning gegeven moest worden. Op de voorste plaatsen zaten de
europeesche beambten van het fort met hunne vrouwen en kinderen. Aan
weerszijden waren eenige honderden Indiaansche mannen en vrouwen in
een halven kring geschaard. Er werd menige pijp gerookt in afwachting
dat de voorstelling beginnen zou.
De gemaskerde inboorlingen, die ook hunne kunst zouden vertoonen,
stonden op eenigen afstand.
Toen het oogenblik daar was, vertoonde Kruidnagel zich op het plat
van den reiswagen en hield zijne gebruikelijke aanspraak tot het
»geëerd publiek".
--Mijneheeren Indianen en Indiaansche dames, nu zult gij komen te
zien wat er te kijken is....
Maar Kruidnagel sprak de taal der Indianen niet, zoodat er alle
waarschijnlijkheid bestond dat zijne welsprekendheid te eenenmale
hare werking miste.
Wat echter ieder begreep, dat waren de muilperen die hij als naar
gewoonte van zijnen patroon opliep en de schoppen tegen zijn achterste
welke hij, mede als naar gewoonte, in ontvangst nam met de gelatenheid
van een hansworst, wiens bestemming het is zich daarvoor te laten
gebruiken.
Toen Kruidnagel uitgesproken had, nam Cesar het woord.
Hij maakte eene buiging voor het publiek en gaf het kommando: De
beesten op het appèl!
De twee honden, Wagram en Marengo, werden op de opene plaats vóór
den wagen gebracht en vertoonden hunne kunsten, tot groot vermaak der
Indianen die nog nooit zulke proeven van dressuur gezien hadden. Daarna
kwam John Bull, de aap, over den rug van den windhond en den poedel
buitelen, wat hij zoo vlug en met zulke malle bewegingen deed, dat
het ernstige Indiaansche publiek schudde van lachen.
Al dien tijd blies Sander met de volle kracht zijner longen in de
klephoorn, roffelde Cornelia op de kleine en Kruidnagel op de groote
trom. Als de inboorlingen door deze muziek geen juist denkbeeld
gekregen hebben van een europeesch orkest, heeft het alleen aan hun
muzikaal gehoor gelegen.
De gemaskerde Indianen zagen dit alles aan zonder een vin te
verroeren. Klaarblijkelijk achtten zij het oogenblik nog niet gekomen
om handelend op te treden en bewaarden zij hunne krachten.
--De jongejuffrouw Napoleona op de gespannen koord! riep Kruidnagel
door eenen roeper.
Door haren vader begeleid, maakte de kleine meid een sierlijk
compliment voor de menigte.
Eerst danste zij op den grond, bevallig en vlug, tot groote
tevredenheid der toeschouwers, die echter hunnen bijval niet toonden
door in de handen te klappen maar door telkens goedkeurend met hunne
hoofden te knikken. Dit verminderde niet toen zij op het koord sprong
dat tusschen de twee bokken gespannen was en zij daarover huppelde,
sprong en danste met eene lichtheid, die voornamelijk de bewondering
der Indiaansche vrouwen opwekte.
--Nu is het mijne beurt! riep Sander toen zijn zusje gedaan had. Daar
kwam hij aan, maakte eene buiging, buitelde over zijn hoofd, liep
op zijne handen, duikelde weder, wrong zijne ledematen in allerlei
bochten, zoodat nu eens zijne armen als beenen en dan weder zijne
voeten als handen dienst deden, of zijn hoofd onder zijn bovenlijf
door kwam kijken. Met een vervaarlijken luchtsprong bekroonde hij
zijne vertooning.
Ook Sander vond bijval, zooals trouwens altijd het geval was. Maar
hij had tenauwernood tijd gehad om het publiek te bedanken door
zijn voorhoofd tot op den grond te doen nederbuigen, of daar kwam
een Indiaansche knaap, van Sander's leeftijd, uit het zestal te
voorschijn. Zijn masker had hij afgezet.
Al de kunsten die de jonge Cascabel verricht had, deed de wilde hem
na en dat met zulk eene vlugheid en zoo gemakkelijk dat de beste
acrobaat het niet had kunnen verbeteren. Misschien deed hij het niet
zoo bevallig als Sander, maar in geoefendheid stond hij zeker niet
bij dezen achter. De toekijkende Indianen knikten dan ook met nog
grooter ingenomenheid hunnen landsman toe.
Natuurlijk waren alle leden van den troep van Cascabel beleefd genoeg
om hunne toejuichingen aan die van het publiek te paren. Maar hun
aanvoerder wilde niet dat zij het onderspit zouden delven. Daarom gaf
hij Jan een teeken om zijne kunsten te vertoonen waarin hij meende
dat niemand hem kon overtreffen.
Jan begreep dat hij de eer der familie op te houden had. Aangemoedigd
door een goedkeurend gebaar van Sergius en een vriendelijk knikje van
Kayette, bracht hij achtereenvolgens zijne flesschen, borden, ballen,
messen, schijven en stokjes op het tapijt. Door eerzucht geprikkeld,
overtrof hij bij deze gelegenheid zichzelf.
Vader Cascabel kon niet nalaten de gemaskerde Indianen een uitdagenden
en zelfvoldanen blik toe te werpen, als wilde hij hun toeroepen:
--Welnu, wat zegt ge daarvan? Doet dat eens na als ge kunt!"
Blijkbaar namen de gemaskerden het ook zoo op, want nadat de _tyhi_ een
teeken gegeven had, trad een hunner naar voren en wierp zijn masker af.
Dit was Fir-Fu, de toovenaar van den stam. Ook hij had zijnen naam
op te houden en tevens de eer van het Indiaansche ras te handhaven.
Al de voorwerpen waarmede Jan gewerkt had, nam de Indiaan
achtereenvolgens ter hand. De een na de ander deed hij al de kunsten
van den jongen Cascabel na. Messen en flesschen, schijven en ringen,
ballen en stokken, hij liet ze allen over en door elkaar buitelen dat
het een lust was en het moest erkend worden dat hij het niet minder
sierlijk, vlug en onberispelijk deed als Jan.
Kruidnagel, die niet gewoon was iemand anders te zien werken dan de
leden der familie Cascabel, stond beteuterd. Wijd spalkte hij zijne
oogen open en zijn mond bleef eindelijk geopend staan van verbazing.
Ditmaal was het alleen uit beleefdheid en om zich goed te houden,
dat Cascabel hielp toejuichen.
--'t Is wat moois, mompelde hij, met die Roodhuiden. Wie had dat ooit
kunnen denken! Waar hebben de kerels het geleerd? Maar wij mogen ons
niet laten overbluffen!
In den grond van zijn hart zat hij deerlijk in de klem. Hier waar hij
als een wonder dacht aangegaapt te zullen worden, vond hij mededingers
die tegen hem opgewassen waren. En wat voor mededingers? Inboorlingen
van Alaska, niet veel beter dan wilden! Wat eene vernedering voor
zijne kunstenaars-ijdelheid! Men is kunstenmaker met hart en ziel,
of men is het in het geheel niet!
--Komaan kinderen, riep hij met eene stentorstem, vooruit met de
menschen-pyramide.
In een oogwenk stormden zij allen naar hem toe en klommen tegen
hem op. Hij had zijne voeten stevig op den grond gezet, wijdbeens,
de lendenen strak, de borstkas zoo wijd mogelijk uitgezet. Vlug
als een eekhoorn was Jan op zijnen rechterschouder gesprongen. Daar
gaf hij de hand aan Kruidnagel, die op den linkerschouder post had
gevat. Sander stond op het hoofd van zijnen vader en boven op Sander
was Napoleona geklommen, die van deze verhevene standplaats kushanden
aan de menigte toewierp.
Maar de fransche pyramide stond te nauwernood, of tegenover haar
verrees de Indiaansche. Zonder hunne maskers af te leggen hadden de
inboorlingen eenen toren van menschen gevormd, niet van vijf maar
van zeven geledingen, zoodat zij met eene verdieping boven die der
Cascabels uitstak. De eene pyramide tegenover de andere!
Ditmaal konden de toeschouwers zich niet inhouden, maar barstten zij
in daverende toejuichingen ter eere hunner landslieden los. Het oude
Europa was overwonnen door het jonge Amerika! En nog wel een jong
Amerika van Co-Youkons, van Tananas en van Tatanchoks!
Cesar Cascabel zonk bijna door den grond van ergernis. Het scheelde
weinig of eene onhandige beweging, die hij niet inhouden kon, had
zijn geheelen menschenlast tegen den grond doen tuimelen.
--Die beroerde kerels! mompelde hij, nadat zijne pyramide weder
afgetuigd was.
Tevergeefs poogde Sergius hem te troosten, door op te merken dat het
de moeite niet waard was om het zich aan te trekken.
--De moeite niet waard? Ik kan wel merken dat gij geen kunstenaar zijt.
Toen wendde hij zich tot zijne vrouw.
--Komaan Cornelia, riep hij, laat hun eens zien wat voor klappen met
de vlakke hand gij geven kunt! Het zal mij toch benieuwen of er onder
die wilden een is die de »overwinnares van Chicago" aandurft.
Maar moeder Cascabel kwam niet van hare plaats.
--Welnu Cornelia?
--Neen Cesar!
--Wat, wilt gij die apen geen lesje geven en meteen de eer van onze
familie weder herstellen?
--Die zal ik herstellen, antwoordde Cornelia bedaard. Laat mij maar
begaan. Ik heb mijn plan in mijn hoofd.
Nu was het zoo gesteld, dat als deze buitengewone vrouw een plan had,
men het best deed met zich daarmede in het geheel niet te bemoeien en
alles stil aan haar over te laten. Het ergerde haar niet minder dan
haar man dat de Indianen hen de baas waren, en als zij er kans toe
zag zou zij zeker niet nalaten hen op hare manier dat in te peperen.
Zonder iets meer te zeggen was Cornelia in den reiswagen
verdwenen. Ongerust en niet wetende wat hij er van denken moest,
hoeveel vertrouwen hij ook in zijne vrouw stelde, oogde Cascabel
haar na.
Na een oogenblik oponthoud kwam moeder Cascabel weer voor den dag. Zij
plaatste zich tegenover de Indiaansche kunstenmakers, die zich in
eene groep om haar heen schaarden.
Toen verzocht zij den voornaamsten beambte van het fort, hetgeen zij
te zeggen had aan de inboorlingen te vertolken.
Ziehier hetgeen zij woord voor woord liet overbrengen in onberispelijke
Alaska'sche taal:
--Indiaansche mannen en vrouwen, in de lichaamsoefeningen die kracht
en vlugheid vereischen, hebt gij talenten aan den dag gelegd die niet
onbeloond mogen blijven. Ik kom u uwe belooning aanbieden....
Het publiek luisterde met onverdeelde aandacht.
--Ziet hier mijne handen, vervolgde Cornelia. De hoogstgeplaatste
personen in Europa hebben die meermalen gedrukt! Ziet hier mijne
wangen. De machtigste souvereinen van de oude wereld hebben het zich
eene eer gerekend die te mogen kussen! Welnu, deze handen, deze wangen,
ik bied ze u aan! Indianen van Amerika, drukt en kust ze!
De inlanders lieten zich niet lang bidden. Eene gelegenheid als deze,
om eene hand en eenen zoen te krijgen van zulk eene kranige vrouw,
werd hun niet iederen dag geboden.
Een hunner, een knappe kerel van den Tanana-stam, wilde de hand,
die Cornelia hem toestak, grijpen. Maar op dat oogenblik ontving
hij eenen schok, die hem deed opspringen als eene veer. Hij gaf een
schreeuw van ontzetting en deinsde terug.
--O Cornelia! riep Cascabel uit. Nu begrijp ik alles. Hoe kan ik u
genoeg bewonderen!
Sergius, Jan, Sander, Napoleona en Kruidnagel hielden zich den buik
vast van het lachen over het koopje dat de slimme vrouw de wilden
leverde.
--Komaan, hernam zij, terwijl zij hare armen weder uitgestrekt
hield. Wie heeft er lust?
Maar de Indianen waren bang geworden. Zij geloofden dat er eene
bovennatuurlijke macht in het spel was.
Na eene poos vatte echter de _tyhi_ moed. Langzaam stapte hij op
Cornelia toe, bleef op twee passen van haar af staan en nam hare
indrukwekkende persoonlijkheid op met oogen, die van niets minder
dan gerustheid getuigenis gaven.
--Komaan oude! riep Cesar Cascabel. Wees niet bang! Geef mijne vrouw
een zoen! Ik verzeker u dat het niet moeilijk, maar heel pleizierig is!
De _tyhi_ stak schuchter de hand uit en raakte even eenen vinger van
de schoone Europeesche aan.
Ook hij kreeg een schok en viel bijna onderste boven. Hij brulde van
schrik en het geheele publiek stond verbaasd. Indien het zoo gevaarlijk
was de hand van Cornelia te beroeren, wat zou er dan niet gebeuren
als iemand probeerde hare wangen aan te raken, »die de machtigste
potentaten van Europa gekust hadden!"
Het duurde eene poos, maar eindelijk kwam er toch een die het
wilde wagen. Dat was de toovenaar Fir-Fu. Als er iemand was die
zich boven duivelskunstenarijen verheven mocht achten, dan was
hij het. Onbeschroomd ging hij vlak tegenover Cornelia staan. Hij
beschreef eenen kring om haar heen, liet zich door het geschreeuw der
inboorlingen moed inspreken, vatte haar toen met zijne armen aan en
gaf haar tegelijk midden op haar gelaat een zoen die klapte.
Maar ditmaal was het niet een, maar eene reeks buitelingen die de
waaghals maakte. De toovenaar veranderde opeens in een acrobaat! Zonder
er iets tegen te kunnen doen maakte hij een paar luchtsprongen en
kwam te midden zijner ontzette landslieden terecht.
Dien raadselachtigen invloed oefende Cornelia op den toovenaar en
op degenen, die hem voorgegaan waren, eenvoudig uit door op het
knopje te drukken van eene kleine draagbare electrische batterij,
die zij in hare zak verborgen had, en met behulp waarvan zij anders
de »electrische vrouw" vertoonde.
--Vrouw, vrouw! riep haar man uit, terwijl hij voor de oogen der
verbaasde Indianen haar in zijne armen sloot zonder dat het hem iets
deerde. Hoe slim bedacht! Hoe....
--Even slim als electrisch! zeide Sergius.
De inboorlingen konden niet anders denken dan dat dit wonderdadige
vrouwspersoon de macht had om den donder te doen gehoorzamen aan
haren wil. Wie haar maar even aanraakte, werd immers tegen den grond
geslagen! Blijkbaar kon zij niemand minder wezen dan de gemalin van
den Grooten Geest, die zich verwaardigd had op de aarde af te dalen
en mijnheer Cascabel voor tweeden man te nemen.
XIV.
VAN FORT YOUKON NAAR PORT-CLARENCE.
Dien avond, terwijl het geheele gezin bijeen was, werd er na
eenige beraadslaging besloten dat de karavaan twee dagen na deze
gedenkwaardige voorstelling, van fort Youkon zou opbreken.
Het was duidelijk--dit was de slotsom van eenige zeer verstandige
opmerkingen van mijnheer Cascabel--dat indien het hem te doen ware
geweest om nieuwe leden voor zijnen troep aan te werven, hij die
onder de inboorlingen van Alaska voor het kiezen zou gehad hebben. Al
kostte het hem eenige moeite het te erkennen, hij moest toegeven dat
deze Indianen een buitengewonen aanleg voor het vak van kunstenmaker
aan den dag legden. In het turnen, in de oefeningen op het koord,
als goochelaars of als equilibristen, onverschillig op welk deel
der kunst zij zich toe wilden leggen, zij zouden het er altijd ver
in kunnen brengen. Men mocht veronderstellen dat hunne verkregene
behendigheid voor een goed deel de vrucht van oefening was; maar de
natuur had toch nog meer voor hen gedaan, want zij waren van hunne
geboorte af gespierd, lenig en vlug. Hij kon zonder onbillijk te zijn
niet ontkennen dat zij zich op gelijken voet met de familie Cascabel
hadden gemeten. Het was een geluk dat de laatstgenoemde het veld had
kunnen behouden, dank zij de vindingrijkheid van »de koningin aller
electrische vrouwen."
Wij mogen niet verzwijgen dat de beambten van het fort, voor het
meerendeel weinig ontwikkelde lieden die nooit iets van de wereld
gezien hadden, even verbaasd als de inboorlingen hadden gestaan
over hetgeen er onder hunne oogen was voorgevallen. Maar er werd na
overleg besloten dat ook hun het geheim niet geopenbaard zou worden,
teneinde den geheimzinnigen stralenkrans van Cornelia's verborgen
talenten niet te doen verflauwen. Het gevolg daarvan was dat de
bewoners van het fort den volgenden dag, toen zij als naar gewoonte
een praatje kwamen maken in de _Schoone Zwerfster_, zich niet al te
dicht dorsten te wagen in de nabijheid der vrouw, die iemand aan zulke
schokken bloot kon stellen, niettegenstaande zij hen thans met haar
innemendsten glimlach ontving. Niet zonder eenige aarzeling staken
zij haar de hand toe. Ook de _tyhi_ en de toovenaar kwamen weder
schuchter te voorschijn. Dolgraag hadden zij willen weten wat er
eigenlijk achter stak, want met dit geheim hadden zij hun voordeel
kunnen doen en hun aanzien onder de lieden van hunnen stam zou er
niet weinig door verhoogd zijn. Maar het werd hun niet geopenbaard.
Alle toebereidselen voor de afreis waren nu afgeloopen. Des ochtends
van den 6den Augustus namen de Cascabels van hunne gastheeren afscheid
en de karavaan, terdege van de vermoeienissen der reis uitgerust,
hervatte haren tocht langs den rechteroever der rivier in de richting
van het Westen.
De kaart van het terrein was door Sergius en Jan zorgvuldig
geraadpleegd, waarbij Kayette hun weder eenige nuttige inlichtingen
gaf. De meeste dorpen, waar zij door moesten, had zij vroeger bezocht
en zij verzekerde hun dat er niet eene rivier van eenige beteekenis
op hunnen weg lag.
In den eersten tijd behoefden zij er nog niet aan te denken om de
Youkon-vallei te verlaten. Den rechteroever der rivier volgende
tot aan den post Nelu, zouden zij eerst aan het dorp Nuclakayette
komen. Van daar tot het fort Noulato hadden zij nog ongeveer tachtig
mijlen af te leggen. Daar zouden zij de Youkon-rivier verlaten en in
recht Westelijke richting verder gaan.
De tijd van het jaar was nog altijd gunstig, de warmte over dag
dragelijk, maar des nachts werd het merkbaar koeler. Kwam er niets in
den weg, dan mocht Cascabel er zeker van zijn dat hij te Port-Clarence
kon wezen vóór dat de winter hem het voorttrekken onmogelijk maakte.
Het zal misschien iemand verwonderen dat de geheele reis tot dusver
zoo zonder onoverkomelijke moeielijkheden werd afgelegd. Maar men
dient in aanmerking te nemen dat de tocht ging door een tamelijk
vlak land, in het goede seizoen, terwijl de dagen op hun langst
waren en het weer niets te wenschen overliet. Naderhand, aan gene
zijde van de Behringstraat, als de onafzienbare vlakten van Siberië,
door stormen geteisterd en diep met sneeuw bedekt, vóór hen zouden
liggen, stond hun heel wat anders te wachten. Over al deze gevaren,
die zij te gemoet gingen, liep op zekeren avond hun gesprek.
--Ik ben er niet bang voor, zeide Cascabel, die nooit den moed
verloor. Wij zullen er ons wel doorheen slaan.
--Ik help het u wenschen, antwoordde Sergius. Maar ik raad u,
zoodra gij den voet op den Siberischen grond gezet hebt, terstond in
zuid-westelijke richting verder te trekken, zóó dat gij spoedig op
zuidelijker breedte komt waar gij met de _Schoone Zwerfster_ minder
van de koude te lijden zult hebben.
--Dat was ook ons voornemen, mijnheer Sergius, stemde Jan toe.
--Gij kunt dat te veiliger doen, dewijl gij van de Siberische bevolking
niets te duchten hebt, ten minste--zou Kruidnagel zeggen--indien
gij niet te midden der meer noordelijk rondzwervende stammen terecht
komt. Uw ergste vijand zal de koude zijn.
--Wij zullen op onze hoede wezen, zeide Cascabel en ik twijfel niet
of wij zullen het er goed afbrengen. Alleen spijt het ons, mijnheer
Sergius, dat gij de verdere reis niet met ons medemaakt.
--Ja, zeker spijt ons dat! voegde Jan er met eenen zucht bij.
Sergius merkte niet zonder ontroering op hoe zij allen aan hem gehecht
waren en omgekeerd was dit met hem niet minder het geval. Naarmate
zij langer in elkanders gezelschap verkeerden, werd de vriendschap
tusschen hen inniger. Voor allen zou de scheiding smartelijk wezen,
en wie weet of het hun gegeven zou zijn, bij eene zoo uiteenloopende
bestemming als de hunne, elkander ooit terug te zien? Daar kwam nog
bij dat Sergius Kayette zou medenemen en het was hem niet ontgaan
dat Jan's broederlijke genegenheid voor het jonge meisje eigenlijk
een anderen naam verdiende. Of Cascabel reeds iets gemerkt had van
hetgeen er in het gemoed van zijnen zoon omging, wist Sergius niet,
maar wat Cornelia betreft, aangezien deze verstandige vrouw het niet
dienstig oordeelde er iets van te zeggen, wilde ook hij er niet over
beginnen. Eene verklaring zou trouwens tot niets hebben kunnen leiden,
want als de aangenomen dochter van Sergius ging het meisje eene andere
toekomst tegemoet en Jan gaf zich dus over aan verwachtingen die toch
niet verwezenlijkt schenen te kunnen worden.
Zonder ernstige hinderpalen en zonder overgroote vermoeienis, werd de
reis voortgezet. Vóór dat het ijs in de Behringstraat zich vastgezet
had zou de _Schoone Zwerfster_ te Port Clarence zijn. Daar zou zij
stellig nog verscheidene weken hebben te wachten en er was dus niet
de minste reden om van menschen of paarden buitengewone inspanning
te vorderen.
Intusschen kon alles van eene onvoorziene kleinigheid afhangen. Werd
een van de paarden ziek of gewond, of brak er een wiel, dan zouden
zij zich in groote moeielijkheid bevinden. De grootste voorzichtigheid
bleef dus wenschelijk.
De eerste drie dagen volgden zij eenvoudig den loop der rivier,
recht westelijk; maar toen de Youkon eene richting naar het Zuiden
begon te nemen, vonden zij het geraden niet van den vijfenzestigsten
breedtegraad af te wijken [1].