--Dat kan niet, antwoordde Jan, want de Behringstraat kunnen wij niet

over vóór de eerste dagen van October.

--In elk geval, hernam Sergius, is het een avontuurlijk en stoutmoedig

plan.

--Dat is mogelijk, zeide Cascabel, maar er was geen ander te

bedenken. Gij moet weten, mijnheer Sergius, dat wij allen aan heimwee

lijden. Wij willen en zullen naar Frankrijk terug! Onze weg voert

langs Nisjni en langs Perm, in den tijd dat daar kermis gehouden wordt,

en wij zullen ons best doen om er geen kwaad figuur te maken.

--Maar welke middelen hebt gij tot uwe beschikking?

--Wij hebben op weg hierheen reeds iets verdiend en hier te Sitka,

waar wij eenige voorstellingen hopen te geven, denken wij onze spaarpot

weder te zien aangroeien. Er is juist feest ter eere van de inlijving

bij Amerika en ik houd het er voor, dat het geëerde publiek over de

familie Cascabel te vreden zal zijn.

--Gaarne zoude ik mijne beurs met u deelen, antwoordde de rus,

wanneer ik ook niet bestolen was...

--Maar dat zijt ge niet, mijnheer Sergius, viel Cornelia hem in

de rede.

--Zij hebben u geen halven roebel afgenomen, voegde Cesar er bij.

Hij verwijderde zich een oogenblik en kwam terug met den gordel,

waarin al het geld was dat de gewonde bij zich had gehad.

--Nu het zoo gelegen is, mijne vrienden, wilt gij toch wel eenig geld

van mij wilt aannemen.....

--In geenen deele, mijnheer Sergius, antwoordde Cascabel. Ik wil

volstrekt niet, dat gij ons helpt ten koste misschien van u zelven.

--Verkiest gij dus niet met mij te deelen?

--Zoo stellig mogelijk: neen!

--Gij zijt echte Franschen! zeide Sergius, terwijl hij hen hartelijk

de hand drukte.

--Leve Rusland! riep de kleine Sander.

--En leve Frankrijk! antwoordde Sergius.

Het was zeker voor het eerst, dat die dubbele uitroep in dit afgelegen

gedeelte van Amerika vernomen werd.

--Maar nu hebt gij genoeg gepraat, kwam Cornelia tusschen

beide. Mijnheer Sergius, de dokter heeft u bevolen u kalm en rustig

te houden en een zieke mag nooit verzuimen te doen wat zijn geneesheer

zegt.

Ik wil mij gaarne aan u onderwerpen; mevrouw Cascabel, antwoordde de

rus. Maar ééne vraag, of liever één verzoek heb ik nog te doen.

--Zeg ons wat gij verlangt, mijnheer Sergius.

--Ik heb u zelfs eene gunst te vragen....

--Welke gunst?

--Gij begeeft u dus naar de Behringstraat. Wilt gij mij vergunnen u

tot daar te vergezellen?

--Verlangt gij met ons te reizen?

--Ja, ik was immers voornemens geheel Alaska in oostelijke richting

door te trekken.

--Nu wij kunnen niet anders zeggen, dan dat het ons groot genoegen

zal doen, mijnheer Sergius, antwoordde Cascabel.

--Op ééne voorwaarde echter, zeide Cornelia.

--Wat is dat?

--Dat gij alles doen zult om heelemaal beter te worden, en zonder

tegen te spartelen.

--Ook ik heb nog eene voorwaarde, namelijk, dat als ik met u mede ga,

ik ook mijn deel in de reiskosten zal betalen.

--Daarmede kunt gij doen zooals gij verkiest, mijnheer Sergius,

antwoordde Cascabel.

Alles was nu tot wederzijdsch genoegen geschikt, maar het hoofd van

den troep meende niet af te mogen zien van zijn voornemen om op de

groote markt te Sitka eenige voorstellingen te geven. Hij hoopte

daarmede eer en voordeel te behalen, want in de geheele provincie

heerschte eene feestelijke stemming, tengevolge der inlijving en de

_Schoone Zwerfster_ had op geen gunstiger oogenblik in de hoofdstad

kunnen komen.

Zooals van zelf sprak, had Cascabel van den moord-aanslag op den rus

en diens bediende aangifte bij de politie gedaan. Het gevolg hiervan

was dat er terstond bevelen gegeven werden om de bende van Karnof op

de grens van Britsch-Columbia nog ijveriger te vervolgen.

Den zeventienden Juni mocht Sergius voor de eerste maal uit. Hij

voelde zich veel beter en dank zij de zorgen van dokter Harry was

zijne wond zoo goed als genezen.

Hij maakte nu ook kennis met de andere leden van het gezelschap, met de

honden die vroolijk tegen hem opsprongen, met Jako, wien Sander geleerd

had: »Hoe vaart mijnheer Sergius?» te zeggen, en met John Bull, die

zijn vriendelijksten grijns tegen hem trok. Ook de twee trouwe oude

paarden, Vermout en Gladiator, hinnikten van pleizier toen hij ze

op een stuk suiker trakteerde. Sergius was nu voorgoed in het gezin

opgenomen even als Kayette. Hij had reeds het degelijke karakter,

het goede verstand en het streven naar kundigheden boven zijnen stand

opgemerkt, waar de oudste zoon zich door onderscheidde. Sander en

Napoleona had hij lief om hunne vroolijkheid. Kruidnagel, goedhartig

en dom als die was, mocht hij gaarne lijden. Voor mijnheer Cascabel

en zijne vrouw koesterde hij eene oprechte hoogachting, want hij had

hen als brave lieden leeren kennen.

Intusschen hielden zij zich ijverig bezig met de toebereidselen voor

hun aanstaand vertrek. Er mocht niets verzuimd worden om den goeden

uitslag van hunne reis, over eene uitgestrektheid van vijfhonderd

mijlen tot aan de Behringstraat, te verzekeren. Het land, ofschoon

weinig bekend, was niet onveilig. Wilde beesten of kwaadwillige

Indianen, hetzij zwervende of vast gevestigde, werden er niet

gevonden. Zonder eenig bezwaar konden zij in de verschillende

factorijen, waar de beambten der pelterij-compagnieën verblijf

hielden, de noodige rust nemen. Het voornaamste was dat zij zich

van alle noodzakelijke levensbehoeften voorzagen op eene reis door

een land waar zoo goed als niets te krijgen was, behalve hetgeen de

jacht hen opleverde.

Over al deze punten werd dus op zekeren dag, in tegenwoordigheid van

Sergius, beraadslaagd.

--In de eerste plaats, begon Cascabel, hebben wij in aanmerking te

nemen dat wij niet gedurende het ruwste gedeelte van het jaar onzen

tocht ondernemen.

--Dat is gelukkig ook, merkte Sergius op, want hier in Alaska, zoo

dicht bij den poolcirkel, zijn de winters niet om mede te spotten.

--Bovendien gaan wij niet blindelings op weg, zeide Jan, vooral niet

nu wij zulk een bekwaam aardrijkskundige als mijnheer Sergius bij

ons hebben.

--Nu, wat dat betreft, antwoordde Sergius, een aardrijkskundige is

niet slimmer dan een ander mensch, wanneer hij zijnen weg heeft te

zoeken in een land waar hij niet bekend is. Met ons beiden echter,

Jan, en met behulp van uwe kaarten, waar gij zoo goed thuis op zijt,

zullen wij ons wel redden. Bovendien heb ik nog een plan waar ik u

later wel eens over zal spreken....

Als Sergius een plan had, kon het niet anders dan goed wezen. Daarvan

hielden allen zich overtuigd en zij lieten hem dus met rust om er op

zijn gemak over te kunnen denken.

Zij hadden nu geld genoeg bijeen en Cascabel deed een goeden voorraad

op van meel, reuzel, rijst, tabak en vooral thee, welke in Alaska

in verbazende hoeveelheid gebruikt wordt. Ook kocht hij hammen,

vleesch in blikken, beschuit en eenige potten ingelegd vleesch van

eene russisch-amerikaansche maatschappij. Aan water behoefden zij geen

gebrek te hebben als zij de Youkon-rivier en hare zijtakken volgden,

maar om het smakelijker te maken voorzagen zij zich van suiker en

cognac, of eigenlijk _Vodka_, eene soort van brandewijn dien de

russen drinken en die bij hen voor eene lekkernij doorgaat. In de

bossen konden zij brandhout genoeg vinden, maar toch werd de _Schoone

Zwerfster_ beladen met eene ton beste Vancouver-kolen. Meer dan

eene ton mocht niet, want het was zaak den wagen niet al te zwaar

te belasten.

Intusschen hadden zij in het tweede vertrek van het rijtuig eene

tijdelijke slaapplaats ingericht, waar Sergius gebruik van zou maken,

met goed beddegoed er in. Er werden ook de noodige dekens gekocht

even als hazenvellen, die de Indianen des winters gebruiken om zich te

verwarmen. Voor het geval dat zij onderweg nog in de noodzakelijkheid

mochten komen om het een en ander aan te koopen, nam Sergius een

kleinen voorraad glazen sieraden, katoenen stoffen en goedkoope

messen en scharen meê, waar de ruilhandel met de inboorlingen mede

gedreven wordt.

Voor de jacht was het vooruitzicht gunstig, want er is in dit land

overvloed van grof wild, zooals herten en rendieren, en van kleiner,

zooals hazen, korhoenders, patrijzen en wilde ganzen. Kruit en lood

werden dus naar behoefte ingeslagen en Sergius kocht bovendien nog

twee geweren en eene karabijn, waarmede het arsenaal van de _Schoone

Zwerfster_ verrijkt werd. Hij zelf was een ervaren schutter en stelde

er zich veel van voor, gezamenlijk met zijnen vriend Jan op de jacht

te kunnen gaan.

Dit was te meer nuttig dewijl in den omtrek van Sitka het land

misschien onveilig werd gemaakt door de bende van Karnof en het dus

te pas kon komen dat zij in staat waren die roovers naar verdienste

te onthalen.

--Als die schavuiten, wier voornaamste eigenschap het niet is

bescheiden te zijn, ons het een of ander komen vragen, merkte Cascabel

op, weet ik geen beter antwoord dan een kogel in hun ribbenkast....

--Of het moest zijn in hun hersenpan, voegde Kruidnagel er zeer

bedachtzaam bij.

Om kort te gaan, onze reizigers waren in de gelegenheid in de hoofdstad

van Alaska, waar een drukke handel gedreven werd met verschillende

steden in Columbia en met de zeehavens aan den Stillen Oceaan, zich

van alles te voorzien wat zij voor eene langdurige reis in een schaars

bewoond land noodig konden hebben, en dat wel zonder buitensporige

prijzen te betalen.

Eerst in de voorlaatste week van juni waren al deze toebereidselen

afgeloopen. Het vertrek werd bepaald op den 26sten. Vóórdat de

Behringstraat geheel toegevroren lag, kon er aan geen overtocht gedacht

worden, zoodat zij al den tijd hadden om de reis te ondernemen. Maar

er moest ook gerekend worden op onvoorziene hinderpalen en oorzaken

van oponthoud, zoodat het beter was een weinig te vroeg op te breken

dan te laat. Te Port-Clarence, gelegen aan het strand der zeeëngte,

konden zij desnoods rust houden en het geschikte oogenblik afwachten

om naar de Aziatische kust over te steken.

Wat voerde intusschen het Indiaansche meisje uit? Dat is spoedig

genoeg te vertellen: zij hielp met overleg moeder Cascabel bij alles

wat zij voor den tocht in orde te brengen had. De brave vrouw had voor

de vreemdelinge eene genegenheid opgevat alsof zij hare dochter was;

zij hield bijna even veel van haar als van Napoleona en voelde iederen

dag hare gehechtheid sterker worden. Zij hadden trouwens allen Kayette

hartelijk lief en dit goede kind smaakte zonder twijfel een geluk

dat zij nooit gekend had zoolang zij met haren stam rondzwierf. Het

oogenblik dat zij van de familie Cascabel gescheiden zou worden,

werd dus door ieder met leedwezen tegemoet gezien. Toch kon dat niet

anders. Zij stond alleen op de wereld en was naar Sitka gekomen met

het plan daar eene plaats als dienstbode te zoeken om, misschien

onder treurige omstandigheden, haar brood te verdienen.

--Daarom, zeide Cascabel nu en dan, heb ik mij wel eens afgevraagd

of onze Kayette,--ik zou haar wel mijn vogeltje willen noemen--als

zij lust en aanleg had om dansen te leeren, niet wat beters kon

beginnen. Wat zou zij eene knappe balletdanseres kunnen worden! Of

indien zij smaak had in paardrijden, wat zou zij een goed figuur

maken in een paardenspel! Ik ben zeker dat zij te paard zou zitten

als een Centaurus!

Mijnheer Cascabel geloofde in allen ernst dat de centaurussen mannen

te paard waren geweest en niemand had hem dat uit zijn hoofd kunnen

praten.

Maar Jan schudde het hoofd als hij zijnen vader zoo hoorde praten en

Sergius begreep wel dat de bedachtzame en stille knaap heel anders

dan zijn vader dacht over de genoegens en voordeelen van koorddansen,

paardrijden en andere kermiskunsten.

Er werd dus veel over Kayette gedacht en gesproken, over hare toekomst

en over hetgeen haar te Sitka te wachten stond. Dit baarde hen allen

veel zorg, maar den avond vóór hun vertrek kwam Sergius, met het

Indiaansche meisje aan de hand, in den kring van het gezin.

--Mijne vrienden, zeide hij, ik heb geene kinderen, maar nu bezit

ik tenminste eene aangenomen dochter. Kayette heeft er niets tegen,

mij als haar vader te beschouwen en ik kom voor haar een plaatsje

vragen in de _Schoone Zwerfster_.

Met vreugdekreten werd dit nieuws begroet en het »vogeltje" werd met

liefkozingen overladen. Het meisje had met dankbaarheid het aanbod

van Sergius aangenomen, en mijnheer Cascabel kon niet nalaten,

terwijl zijne stem van ontroering trilde, te zeggen:

--Mijnheer Sergius, dat is braaf van u!

--Wat is er voor bijzonders aan? vroeg de rus. Gij hebt toch niet

vergeten hoeveel verplichting ik aan Kayette heb? Zonder haar was

ik niet meer in leven; wat is dus natuurlijker dan dat ik haar als

kind aanneem?

--Welnu, hernam Cascabel, laat ons dan samen deelen. Wees gij haar

vader mijnheer Sergius; maar ik ben haar oom!

XII.

VAN SITKA TOT HET FORT YOUKON.

Den 26sten Juni met het aanbreken van den dag »lichtte de zegekar der

Cascabels haar anker." Dit was eene soort van valsche beeldspraak waar

haar aanvoerder zich niet zelden aan te buiten ging. In denzelfden

trant had hij er nog bij kunnen voegen dat de wagen nu misschien »ging

varen op eenen vulkaan." En dit zou niet eens heelemaal onjuist geweest

zijn, want niet alleen beloofde de weg moeilijk te zullen worden,

maar ook zijn uitgedoofde of nog in werking zijnde vuurspuwende bergen

aan de zuidkust van de Behringzee niet zeldzaam.

De _Schoone Zwerfster_ liet de hoofdstad van Alaska achter

zich, vergezeld van talrijke wenschen voor hare behouden reis en

aankomst. Want zij had zich vele vrienden verworven, die niet karig

waren geweest met hunne roebels en hunne toejuichingen zoolang de

troep voor de poorten van Sitka verblijf had gehouden.

Dit woord »poorten" is juister dan men oppervlakkig denken zou. De

geheele stad is omringd door een stevig rasterwerk van palen,

waarbinnen slechts enkele openingen toegang geven, die iemand niet

gemakkelijk zou doorkomen als het hem belet werd.

De russen hebben zich door deze voorzorgen moeten beveiligen tegen

den aanhoudenden toevloed van Kaluche-Indianen, die gewoonlijk in

de nabijheid van Nieuw-Archangel, tusschen de rivieren Stekine en

Tchilcot, hunne legerplaats opslaan. Daar bouwen zij hunne hutten, die

zoo eenvoudig mogelijk zijn ingericht. Eene lage deur geeft toegang

tot een cirkelvormig vertrek, dat somtijds in twee afdeelingen

gescheiden is, en alleen licht ontvangt door eene opening in het

dak, welke tevens de rook uit de stookplaats gelegenheid geeft te

ontsnappen. Deze buurt van Indiaansche hutten vormt eene soort van

voorstad van Sitka, binnen welke stad geen enkele inboorling na

zonsondergang verblijf mag houden. Dit verbod vindt zijnen grond in

de somtijds alles behalve vriendschappelijke verhouding tusschen de

Roodhuiden en de Bleekgezichten.

Buiten Sitka moest de _Schoone Zwerfster_ beginnen met eenige nauwe

zeearmen in daartoe ingerichte ponten overtesteken alvorens zij eene

uitstekende punt aan een bochtigen zeeboezem, Lyan-baai genaamd,

bereikten.

Hier bevonden zij zich weder op het vasteland.

Het reisplan en de te volgen weg waren met zorg door Sergius en

Jan vastgesteld op de uitvoerige kaarten welke zij zich zonder veel

moeite in de club te Sitka hadden aangeschaft. Kayette, die met het

land goed bekend was, vroegen zij bij deze gelegenheid om raad. Vlug

van begrip als zij was, had zij spoedig genoeg wijs leeren worden

uit de kaarten die zij haar te zien hadden gegeven. Zij sprak de

inlandsche taal met Russisch vermengd, en veel van hetgeen zij wist

te vertellen kwam bij het maken van de plannen goed te pas. Het was

zaak niet uitsluitend den kortsten, maar ook den gemakkelijksten weg te

zoeken om naar Port Clarence, dat op de oostkust van de Straat gelegen

is, te komen. Zij kwamen daarom overeen dat de _Schoone Zwerfster_

dadelijk op de groote Youkon-rivier aan zou houden, ter plaatse waar

het fort gelegen is dat naar dien breeden stroom genoemd wordt. Dit

was ongeveer halfweg, met andere woorden nagenoeg tweehonderdvijftig

mijlen van Sitka af. Op deze manier ontweken zij de moeilijkheden welke

zij ontmoet zouden hebben indien zij de kust dichter gevolgd hadden,

dewijl deze voor een gedeelte met bergen bedekt is. Daarentegen loopt

de Youkon-vallei in eene breede vlakte, tusschen eene verwarde reeks

van bergketenen in het Westen en het Rotsachtige gebergte door, welk

laatste de scheiding vormt tusschen Alaska en de Mackenzie-vallei

eener- en Nieuw-Brittannië anderzijds.

Eenige dagen na hun vertrek verloren de reizigers in het zuidwesten

de puntige bergspitsen aan de kust uit het oog. Het langst bleven de

hooge bergen Fairweather en Elias in het zicht.

De eenmaal zorgvuldig vastgestelde indeeling der uren waarin gereden

en die waarop gerust moest worden, werd streng in acht genomen. Er

was niet ééne reden om haast te maken ten einde spoedig aan de

Behringstraat te komen, en langzaam maar zeker mocht dus hunne leuze

zijn. Vóór alles kwam het er op aan hunne paarden te ontzien, want

kwamen die te bezwijken dan konden ze niet dan gebrekkig misschien

vervangen worden door een span rendieren. Dat moest dus tot elken

prijs voorkomen worden. Daarom werd er iederen middag, nadat zij

te zes uur 's morgens op weg gegaan waren, twee uren halt gehouden;

vervolgens reden zij weder zes uren en daarna werd er den geheelen

nacht gerust. Op die manier legden zij iederen dag gemiddeld vijf of

zes mijlen af.

Hadden zij in den nacht willen doorreizen, dan ware hun dit gemakkelijk

gevallen, want, zeide Cascabel, in Alaska bleef de zon niet langer

dan noodig was in haar bed.

--Nauwelijks is zij ondergegaan of zij komt weer op, vervolgde

hij. Drie en twintig uren in een etmaal is het hier licht en dat kost

u niemendal!

Op deze hooge breedte namelijk en gedurende het tijdvak van den

zonnestilstand of daaromtrent verdwijnt de zon des avonds te elf uur

zeventien minuten en komt ze te elf uur negen en veertig minuten weder

voor den dag, zoodat zij slechts gedurende twee en dertig minuten

onzichtbaar blijft. De schemering na den zonsondergang vermengt zich

dan ook zonder dat het duister wordt met die welke den zonsopgang

voorafgaat.

De temperatuur was daarbij warm, dikwijls zelfs broeiig en in deze

omstandigheden zou het erger dan onvoorzichtig geweest zijn indien

zij gedurende de uren der grootste middaghitte niet halt gehouden

hadden. Menschen en dieren hadden veel van deze geduchte warmte

te lijden. Het is bijna niet te gelooven dat zoo dicht bij den

poolcirkel, de thermometer somtijds tot dertig graden boven nul van

de honderddeelige schaal rijst. Toch is dat het geval.

De reis vorderde dus geregeld en zonder bezwaren, maar Cornelia, die

veel hinder van de brandende hitte had, klaagde daarover niet weinig.

--Geduld, vermaande haar Sergius. Er zal spoedig een tijd komen dat

gij terugverlangt naar hetgeen u nu zoo hindert.

--Naar zulk eene warmte? vroeg zij. Dat nooit!

--Gij zult toch nog meer te lijden hebben van de koude, moeder,

zeide Jan, als wij de Behringstraat over zijn en door de uitgestrekte

vlakten van Siberië trekken.

--Ik twijfel niet aan hetgeen mijnheer Sergius zegt, hernam Cascabel,

maar tegen de warmte valt hoegenaamd niets aan te vangen en tegen de

koude kan men zich ten minste met vuur en warme kleederen wapenen.

--Dit is zoo mijn vriend, was het antwoord, en dat is gelukkig ook,

want over weinige maanden zult gij het ondervinden hoe bitter koud

het daar ginds is. Reken daar maar op!

Na een tijdlang haren weg vervolgd te hebben in de _Canons_, dat

zijn passen welke met grillige bochten tusschen de heuvels van

middelmatige hoogte, die het land bedekken, doorloopen, kreeg de

_Schoone Zwerfster_ eene onafzienbare vlakte tegenover zich, hier en

daar alleen afgewisseld door bosschen van matigen omvang.

Dit was de 3de Juli. Dien dag trokken zij langs het kleine Dease-meer,

waar de Lewis, een der hoofdtakken van de Youkon, in ontspringt.

Kayette was hier meer geweest en zeide:

--Jawel, dit is de Cargout, die in onze groote rivier uitkomt.

Zij legde aan Jan uit dat _Cargout_ in de Alaskische taal wil zeggen

»kleine rivier."

Niemand moet denken dat de leden van den troep van Cascabel op dit

gedeelte hunner reis, dat evenmin vermoeiend als bezwaarlijk was,

verzuimden de lenigheid hunner ledematen, de kracht hunner spieren

en de geoefendheid hunner handen door voortdurende oefeningen te

onderhouden. Zoo dikwijls de hitte het niet geheel onmogelijk maakte,

werd iederen avond hunne legerplaats veranderd in eene kermistent,

waarin Sergius en Kayette de eenige toeschouwers waren. Zij sloegen

beide de kunsten van het werkzame gezin belangstellend gade, Kayette

niet zonder eenige verwondering, Sergius vriendelijk als altijd.

Cascabel en zijne vrouw oefenden zich beurtelings in het oplichten

van gewichten en in het werken met de halters; Sander wrong zijn

lichaam in allerlei bochten, eene kunst waarvoor hij vermaard was;

Napoleona huppelde over het tusschen twee bokken gespannen koord en

probeerde nieuwe passen; Kruidnagel verkocht al zijne grappen aan

een publiek dat alleen in zijne verbeelding bestond.

Jan zou zeker liever bij zijn boeken gebleven zijn, of gepraat hebben

met Sergius, van wien hij veel leeren kon, of Kayette eene les gegeven

hebben in het fransch waarin zij snelle vorderingen maakte. Maar

zijn vader stond er op dat hij zijne behendigheid als equilibrist

niet mocht verliezen en om zijnentwil werkte hij dus met glazen,

ringen, ballen, messen en stokjes, zoodat er niets op aan te merken

viel. Maar in zijn hart dacht hij aan heel andere dingen.

Intusschen deed het hem genoegen dat er niets kon komen van de

plannen zijns vaders om Kayette tot kunstenmaakster opteleiden. Nu

het meisje als dochter aangenomen was door Sergius, een vermogend en

beschaafd man die tot den deftigen stand behoorde, was hare toekomst

verzekerd en behoefde zij niet te werken voor haar brood. Dat maakte

den goeden Jan in zijn hart gelukkig, al kon hij er niet zonder smart

aan denken dat Kayette nu ook, als zij aan de Behringstraat gekomen

waren, afscheid van hen zou moeten nemen. Had zij deel van den troep

uitgemaakt als balletdanseres, dan zou dit niet noodig geweest zijn.

Maar Jan hield te veel van haar om niet blijde te wezen dat Sergius

zich met de zorg voor het meisje belast had. Hijzelf voelde immers

ook eene levendige begeerte om van beroep te kunnen veranderen. Vol

verlangen naar eene edeler bestemming, achtte hij zich weinig geschikt

voor het beroep van kunstenmaker en niet zelden was het hem gebeurd

dat hij zich inwendig schaamde over de toejuichingen, die hem op

pleinen en markten om zijne groote behendigheid ten deel vielen.

Op zekeren avond met Sergius wandelende, maakte hij dezen deelgenoot

van al zijne wenschen en van zijn heimelijk verdriet. Hij kwam er

voor uit dat hij eene, naar het hem voorkwam, rechtmatige eerzucht

koesterde om vooruit komen. Misschien zouden zijne ouders er in slagen,

door de kermissen af te reizen en hun beroep van kunstenmakers te

blijven uitoefenen, nog eenige clowns en andere sujetten aan zich

te verbinden en mettertijd een klein fortuin te verzamelen. Maar als

dat gebeuren mocht, zou het voor hem toch te laat wezen om eene meer

eervolle loopbaan te zoeken.

--Ik schaam mij niet over mijne ouders, mijnheer Sergius. Ik zou

ondankbaar zijn als dat het geval was. Zij zijn goed voor hunne

kinderen en wat zij in de mogelijkheid waren voor mij te doen, hebben

zij gedaan. Maar ik voel dat ik aanleg genoeg heb om eene fatsoenlijke

betrekking met eer te vervullen, en ik zie geen kans iets anders te

worden dan een arme kunstenmaker.

--Mijn vriend, antwoordde Sergius, ik begrijp volkomen uwe

bedoeling. Laat mij u echter zeggen dat onverschillig welk beroep

iemand uitoefent, het altijd lof verdient, als hij op eerlijke manier

door de wereld komt. Kunt gij u braver lieden voorstellen dan uw

vader en uwe moeder zijn?

--Zeker niet, mijnheer Sergius.

--Welnu, blijf hen dan hoogachten even als ik het doe. Het strekt u

tot eer dat gij zulk eene loffelijke eerzucht koestert en wie weet

wat er in de toekomst nog voor u kan zijn weggelegd. Houd moed mijn

jongen en reken er op dat ik voor u doen zal wat ik kan. Gij kunt er

van verzekerd zijn dat ik nimmer vergeten zal wat uwe ouders voor

mij gedaan hebben. Indien ik er ooit toe in staat ben, dan zal ik

ongetwijfeld..........

Cesar Cascabel: "De Schoone Zwerfster" · 第 9 / 14 段