Het bleek duidelijk dat de twee reizigers het voornemen gehad hadden

op deze plek den nacht door te brengen. Het vuur waarbij zij gerust

hadden, rookte zelfs nog. Aan den voet van een zwaren denneboom hadden

zij een hoop droog gras bijeengezocht om er op te liggen. Misschien

waren zij zelfs in hunnen slaap overvallen.

Het lijk van den vermoorde had reeds de stijfheid, die het kenmerk

van den dood is.

Het was gemakkelijk te zien dat de overledene een dienstbode geweest

was van den anderen reiziger. Zijne gelaatskleur was donker, zijne

handen waren ruw, zijne kleeding van grove stof. Hij kon een jaar of

dertig oud zijn.

Jan zocht in zijne zakken, maar vond geene papieren of geld. In

zijnen gordel stak eene amerikaansche revolver, nog met zes kogels

geladen. De ongelukkige had geen tijd gehad die af te schieten.

De aanslag kon dus niet anders dan onverwachts en verraderlijk geschied

zijn. Beide slachtoffers waren op hetzelfde oogenblik gevallen.

In den omtrek van de plek in het woud was geen mensch of dier te

bekennen, waar Jan zich opzettelijk van ging overtuigen. Ook waren

de moordenaars zeker niet meer op de plaats hunner misdaad geweest,

want in dat geval zouden zij het lichaam wel van de kleederen beroofd,

of voor het minst de revolver uit den gordel genomen hebben.

Intusschen had Kruidnagel eenen kuil gegraven van zoodanige diepte

dat de dieren van het woud niet in staat konden zijn het lijk

optegraven. Het lichaam werd daar in gelegd en vervolgens de kuil

zorgvuldig met aarde dichtgeworpen.

Zonder dralen keerde Cascabel met Jan en Kruidnagel naar de _Schoone

Zwerfster_ terug. Terwijl Kayette de zorg voor den gewonde een

oogenblik op zich nam, beraadslaagden Jan en zijne ouders over hetgeen

hun verder te doen stond.

--Het schijnt buiten twijfel, begon Cesar, dat als wij de terugreis

naar Californië ondernemen, onze gewonde niet levend daar komen zal,

want het is een rit van eenige honderden mijlen. Het beste zou dus

wezen naar Sitka te gaan, waar wij binnen een dag of vier kunnen komen;

maar die Satansche grensbewakers verkiezen niet dat wij een voet in

hun land zetten.

--Het is toch noodig, zeide Cornelia op vasten toon, dat wij naar

Sitka koers zetten, en naar Sitka zullen wij gaan ook!

--Maar hoe? Vóór dat wij eene mijl ver zijn, zullen zij ons

tegenhouden.

--Dat kan mij niets schelen, Cesar! Wij moeten opbreken en niet talmen

ook! Komen wij de agenten weer tegen, dan zullen wij hun vertellen

wat er gebeurd is, en misschien vergunnen zij dien armen man wel

hetgeen zij niet verkozen hebben ons toetestaan.

Mijnheer Cascabel schudde twijfelachtig het hoofd.

--Ik ben het met moeder eens, zeide Jan. Wij moeten te Sitka zien

te komen en geen moeite doen om toestemming van de politie te

bekomen, want die zullen zij ons toch niet geven. Dat zou dus maar

tijdverlies zijn. Bovendien zullen zij misschien denken dat wij reeds

naar Sacramento terug zijn gekeerd en verder zijn gegaan. Sedert

vierentwintig uren hebben wij niets van hun gemerkt en zelfs op het

schieten van gisteren avond zijn zij niet afgekomen.

--Dat is waar, stemde Cascabel toe, en het is dus best mogelijk dat

zij er niet meer zijn.....

--Ten minste..... viel Kruidnagel, die zich bij de anderen gevoegd

had hem in de rede.

--Jawel, als het ten minste niet precies andersom is. Dat weten wij

al van ouds!

Hetzij Jan gelijk had of niet, de kans diende in elk geval gewaagd

te worden.

Binnen een kwartier stonden Vermout en Gladiator voor den wagen. Zij

waren terdege uitgerust en konden op den eersten dag een heel eind

afleggen. De _Schoone Zwerfster_ werd dus in beweging gezet. Niet

weinig verheugd was Cascabel, dat hij het gebied van Britsch-Columbia

weder vaarwel mocht zeggen.

--Kinderen, zeide hij, uitkijken en oppassen is de boodschap! Geen

schot mag er gedaan worden, Jan, want het is minst genomen onnoodig

dat iemand iets van ons merkt.

--Voor de keuken hebben wij trouwens voorraad genoeg, voegde Cornelia

er bij.

Het terrein is hier ten Noorden van Columbia wel tamelijk heuvelachtig,

maar toch niet moeilijk begaanbaar. Zij volgden de talrijke bochten die

het strand maakt, terwijl in de zee langs de kust een aantal eilanden

verspreid liggen. Ver aan den gezichteinder vertoonden zich eenige

hooge bergen. Op groote afstanden zagen zij nu en dan eene eenzame

landhoeve liggen van welke de karavaan voorzichtig een goed eind weg

bleef. Jan had de kaart van het land nauwkeurig geraadpleegd en hoopte

ook zonder wegwijzer geene moeite te hebben om te Sitka te komen.

Het voornaamste was echter dat zij niemand van de politie tegenkwamen,

zoo min in de onmiddellijke nabijheid der grens als meer het land

in. Dien eersten dag was het alsof niemand de _Schoone Zwerfster_

iets in den weg verkoos te leggen en zij rijden kon waarheen zij

goed vond. Cascabel verbaasde zich hierover wel, maar het deed hem

nog meer pleizier.

Cornelia schreef dit toe aan eene bijzondere bescherming der

Voorzienigheid en haar man dacht er ongeveer even zoo over. Jan

hield het er echter voor dat de russische politiebeambten om de eene

of andere onbekende reden hare waakzaamheid langs de grens hadden

opgegeven.

Den 6den en 7den Juni werd de tocht ongestoord voortgezet, zij kwamen

reeds in de nabijheid van Sittin en misschien waren zij er reeds

geweest indien Cornelia niet, om de gekwetste het te harde schokken te

besparen, op voorzichtig rijden had aangedrongen. Met Kayette bleef

zij den lijder verplegen. Eene moeder of eene dochter had hem niet

zorgvuldiger op kunnen passen. Beiden waren even bezorgd dat hij het

doel der reis niet zou kunnen bereiken. Zijn toestand was zeker niet

erger geworden, maar ongelukkig viel er ook niet op veel beterschap

te roemen. De schraal voorziene reis-apotheek en de zorgen die de

twee vrouwen aan den lijder konden besteden, waren niet voldoende om,

bij zulk eene ernstige verwonding het gemis van eenen geneeskundige

goed te maken. Goede verpleging kan veel doen, maar niet alles en dat

was jammer genoeg, want de twee vrouwen waren zorgzaam als een paar

zusters van liefdadigheid. Het goede hart en het doorzicht van het

jonge Indiaansche meisje toonde zich bij iedere gelegenheid. Het was

ook alsof zij reeds een lid der familie geworden was en alsof er voor

moeder Cascabel eene tweede dochter uit den hemel was komen vallen.

In den namiddag van den 7den trokken zij met de _Schoone Zwerfster_

op eene doorwaadbare plaats door de Stekin-rivier, die uitloopt in

een der nauwe zee-armen welke tusschen het vasteland en het eiland

Baranow doorstroomen, op weinige mijlen afstand van Sitka.

Dienzelfden avond hoorden zij den gewonde voor het eerst eenige

woorden stamelen.

--Mijn vader! mompelde hij.... Ginds zal ik hem weerzien!

Dit werd in het russisch gezegd en Cesar Cascabel verstond het

duidelijk.

Ook noemde de vreemdeling eenen naam, Iwan, dien hij verscheidene

malen herhaalde.

Daarmede bedoelde hij ongetwijfeld den dienstbode, dien zij bij zijnen

meester ontzield hadden vinden liggen.

Hieruit viel met vrij veel zekerheid op te maken dat beiden russen

waren.

Dit zou spoedig opgehelderd worden nu de lijder zijne spraak en zijn

bewustzijn teruggekregen had. Hij zou zijne redders wel dadelijk op

de hoogte brengen van hetgeen er gebeurd was.

Dien dag kwam de _Schoone Zwerfster_ aan deze zijde van het nauwe

vaarwater dat zij over moesten om op het eiland Baranow te komen. Zij

moesten dus naar eenen schipper omzien, teneinde den overtocht te

bewerkstelligen. Dit kon echter moeilijk gebeuren zonder dat zij

vertelden waar zij van daan kwamen en Cascabel was niet weinig bevreesd

dat er weder dadelijk naar zijne paspoorten gevraagd zou worden.

--Welnu, zeide hij, dit moge zijn zoo als het wil, onze russische

vriend zal dan alvast te Sitka wezen. Noodzaakt de politie ons weder

de grens over te gaan, dan zullen zij hunnen landsman toch wel bij

zich houden. Wij hebben hem het leven gered en het is hunne zaak hem

verder te genezen.

Daar viel zeker veel voor te zeggen, maar hunne ongerustheid

over hetgeen er met henzelven gebeuren zou, werd er niet door

weggenomen. Eenmaal te Sitka gekomen, zou het nog harder voor hen

wezen den tocht naar New-York te moeten hervatten.

Terwijl de wagen aan den waterkant stond te wachten, ging Jan er op

uit om de veerschippers te zoeken teneinde zonder uitstel scheep te

kunnen gaan.

--Onze zieke is weder geheel bij kennis, waarschuwde Cornelia. Hij

heeft weer gesproken, Cesar. Gij moet maar eens komen hooren wat hij

te vertellen heeft.

De rus lag met open oogen en staarde verwonderd om zich heen. Blijkbaar

begreep hij volstrekt niet waar hij zich bevond. Van tijd tot tijd

liet hij eenige onsamenhangende woorden hooren.

Op zwakken toon, zoodat het nauwelijks te verstaan was, vroeg hij

naar Iwan, zijnen bediende.

--Mijnheer, zeide Cascabel, uw bediende is hier niet, maar zeg ons

wat gij hebben wilt.

Dit werd in het fransch gezegd. De vreemdeling antwoordde terstond

in dezelfde taal.

--Waar ben ik?

--Gij zijt bij lieden die u tot dusver verpleegd hebben.

--Maar in welk land?

--In een land waar gij niets te vreezen kunt hebben, indien gij

tenminste een rus zijt.......

--Jawel, ik ben een rus.

--Welnu gij bevindt u in de provincie Alaska, eenige mijlen van de

hoofdstad......

--In Alaska.... fluisterde de gewonde.

Het was alsof die naam hem eenigszins angstig maakte.

--In eene russische kolonie, hernam hij.

--Neen, in eene amerikaansche bezitting, viel Jan hem in de rede,

die juist was binnengekomen.

Om zijne woorden te bevestigen, maakte Jan een van de raampjes in de

_Schoone Zwerfster_ open en wees hij met de hand naar de amerikaansche

vlag, die boven eenen wachtpost aan het strand wapperde.

Het was zooals hij zeide. Sedert luttele dagen was Alaska geen russisch

gewest meer. Drie dagen geleden was het tractaat geteekend waarbij het

geheele land aan de Vereenigde Staten werd afgestaan. Daaruit volgde

natuurlijk dat de familie Cascabel van geen russische politie iets

meer te vreezen had. Zij bevond zich weder op amerikaansch grondgebied.

XI.

SITKA.

Sitka, of Nieuw-Archangel, ligt op het eiland Baranow op de westkust

van Amerika. Het is niet alleen de hoofdplaats van dit eiland,

maar de hoofdstad der geheele provincie welke nu aan de regeering

der Vereenigde Staten afgestaan was. Het is tevens de eenige stad

van eenigen omvang in dit gewest, waar voor het overige niets dan

vlekken, of onbeduidende dorpen, op grooten afstand van elkander

worden aangetroffen. Eigenlijk zouden deze nederzettingen beter

factorijen of posten genoemd worden, want het zijn meerendeels

kantoren van amerikaansche handelsvennootschappen of van de engelsche

Hudsonsbaai-compagnie. Het is dus licht te begrijpen dat de middelen

van gemeenschap tusschen deze posten veel te wenschen overlaten, vooral

in den winter wanneer Alaska door hevige stormen geteisterd wordt.

Eenige jaren geleden was ook Sitka nog eene weinig bezochte

handelsplaats, waar eene russisch-amerikaansche handelsvereeniging

zich van bontwerk en pelterijen voorzag. Langzamerhand is echter de

geheele provincie meer bekend geworden bij de reizigers, die hunne

onderzoekingen uitstrekken tot in de poolstreek, waar het land aan

grenst. Onder haar tegenwoordig bestuur zal de stad ongetwijfeld

spoedig eene eervolle plaats gaan innemen onder de hoofdsteden van

de Staten der amerikaansche Unie.

Toenmaals vond men te Sitka reeds eenige gebouwen, die eene plaats

het karakter van eene stad geven. Er was eene luthersche kerk, een

eenvoudig gebouw, maar dat uitwendig toch eenige vertooning maakte;

eene grieksche kerk met een koepeldak, dat eenigszins zonderling

afstak tegen de grauwe wolken die gewoonlijk het zwerk bedekten,

geheel andere dan in het Oosten waar deze gebouwen thuis behooren;

verder eene club en eene openbare wandelplaats, waar inwoners en

vreemdelingen tevens koffiehuis hielden, verschillende hotels en

gaarkeukens, kegelbanen en andere plaatsen van bijeenkomst, nog eene

club voor ongetrouwde heeren alleen, eene school en een hospitaal,

benevens verscheidene aanzienlijke huizen en buitenplaatsen die op

en tusschen de heuvels in den omtrek verstrooid lagen. De stad wordt

omsloten door een woud van denneboomen, waarin zij als tusschen een

kleed van altijd durend groen verscholen ligt. In de verte steken de

spitsen van hooge bergen daarboven uit. De meest bekende is de berg

Edgecumbe op het eiland Crouze, noordelijk van Baranow, waarvan de

kruin zich ongeveer achtduizend voeten boven het vlak der zee verheft.

De weersgesteldheid is te Sitka niet bijzonder ruw. De thermometer

daalt er zelden beneden de zeven of acht graden Celsius, hetgeen

zeker niet koud is als men in aanmerking neemt dat de stad op 56

graden noorderbreedte ligt. Daarentegen zou zij gevoegelijk eene

»waterstad" genoemd kunnen worden, want het regent er bijna altijd,

alleen afgewisseld door sneeuw. Het was dus niets bijzonders dat

onze karavaan, na met paarden en al in de veerpont te zijn overgezet,

onder eene slagregen haren intocht te Sitka hield. Daarover klaagde

Cascabel echter niet. Hij was veel te blijde dat hij, na zoo lang in

de nabijheid van het beloofde land te zijn opgehouden, er nu zonder

paspoort of formaliteit in mocht.

--Ik heb al meer dan eens in mijn leven een buitenkansje gehad, zeide

hij; maar zoo iets buitengewoons is mij nog nooit overkomen. Daar

stonden wij voor eene deur die wij niet open konden krijgen, en zie,

op eens heeft zij zich van zelve voor ons geopend!

Het was zeker wel toevallig dat het tractaat, waarbij Alaska in andere

handen was overgegaan, juist op het geschikte oogenblik geteekend

was om de _Schoone Zwerfster_ toe te laten, ongehinderd over de

grens te komen. Aan deze zijde daarvan vond zij nu niet meer van die

onhandelbare ambtenaren of zulk eenen overvloed van formaliteiten,

door welke de russische overheid berucht is.

Het zou nu het eenvoudigste zijn den gewonden rus naar het hospitaal

ter verdere verpleging te vervoeren of naar een logement, waar hij

geneeskundige hulp had kunnen krijgen. Maar toen Cascabel hem dit

voorstelde, had hij er geen zin in.

--Ik voel mij volmaakt wel, mijn vriend, zeide hij. Als ik u dus geen

overlast aandoe.....

--Overlast? vroeg Cornelia, wat bedoelt gij daarmede, mijnheer?

--Gij zijt bij ons zoo goed als of gij thuis waart, voegde haar man

er bij, en als gij meent.....

--Wel, ik ben van meening dat het voor mij het beste is te blijven

bij de lieden aan wier zorgen ik mijn leven te danken heb.....

--Spreek daar niet van, mijnheer, hernam Cascabel. Maar het zou toch

wenschelijk zijn dat er spoedig een dokter naar u kwam kijken.....

--Zou die niet hier kunnen komen?

--Wel zeker. Ik zal er terstond op uitgaan om te vernemen, wie de

knapste dokter in de stad is.

De _Schoone Zwerfster_ had dicht bij de eerste huizen van Sitka, aan

het einde eener met boomen beplante wandelplaats die uitloopt op een

uitgestrekt woud, halt gehouden. Daar kwam dokter Harry, dien Cesar

als de voornaamste in de stad had hooren noemen, den rus bezoeken.

Na de wond nauwkeurig onderzocht te hebben, zeide de arts dat zij

niet bijzonder gevaarlijk was geweest, daar het dolkmes op eene

ribbe was afgestuit zoodat er geen van de voornaamste levensorganen

getroffen was. Dank zij de compressen met koud water en de kruiden

die het Indiaansche meisje had doen trekken, had het litteeken zich

goed gevormd en zou de genezing spoedig zoo ver gevorderd wezen dat

de lijder na eenige dagen weder zou mogen opstaan. Zijn toestand

was dus zoo gunstig mogelijk. Reeds nu begonnen zijne krachten, door

het versterkende voedsel dat hij gebruikte, weder aan te komen. Maar

dit nam niet weg dat als Kayette hem niet had vinden liggen en moeder

Cascabel door hare goede zorgen het verdere bloedverlies niet voorkomen

had, hij binnen weinige uren nadat de aanslag op hem gepleegd was,

den geest gegeven zou hebben.

Dokter Harry hield het er voor dat deze moord het werk moest wezen van

booswichten, behoorende tot de rooverbende van Karnof of van Karnof

zelven, die in het oostelijke gedeelte der provincie rondzwierf. Dit

was een boosdoener uit Rusland, of juister uit Siberië afkomstig,

die over eenen troep deserteurs het bevel voerde, zooals er overal in

de russische bezittingen in Azië en Amerika worden aangetroffen. De

politie had te vergeefs hare beste speurhonden op hen afgestuurd

en groote belooningen uitgeloofd voor ieder die de benden wist

te vatten. De vermetele schurken waren het nog altijd ontkomen

en verspreidden door de diefstallen en moorden die zij pleegden,

schrik in het geheele land, voornamelijk op de zuidelijke grens der

provincie. De veiligheid van het verkeer, de ruilhandel in pelterijen,

alles werd door deze roovers gestoord en aan hen moest zonder twijfel

ook de aanslag op de beide reizigers worden toegeschreven.

Het bezoek van den arts gaf dus aan de familie Cascabel alle reden

tot tevredenheid over den toestand van haar zieken gast.

Cascabel was altijd van plan geweest te Sitka eenige dagen rust te

nemen, want de karavaan had daar, na eenen tocht van bijna zevenhonderd

mijlen van de Sierra Nevada af, groote behoefte aan. Bovendien hoopte

hij in deze stad een twee- of drietal vertooningen te geven, waarvan

de opbrengst hem weder goed te stade zou komen.

--Wij zijn nu niet meer in Engeland, zeide hij, maar in Amerika. Voor

Amerikanen, kinderen, mogen wij weer toonen wat wij kunnen.

Mijnheer Cascabel twijfelde geen oogenblik of de roem van zijnen naam

moest tot de bevolking van Alaska doorgedrongen zijn. Ieder te Sitka

had zeker reeds tot zijnen buurman gezegd:

--De familie Cascabel bevindt zich in ons midden!

In deze plannen werd echter eenige verandering gebracht tengevolge

van een gesprek dat Cascabel twee dagen later met den vreemdeling

voerde. Eenige dagen rust bleven, na de vermoeiende reis die zij achter

den rug hadden, onontbeerlijk. De russische heer, die in de oogen van

Cornelia voor niets minder dan een prins doorging, had nu vernomen dat

de brave lieden, wien hij het behoud van zijn leven verschuldigd was,

slechts arme kermisreizigers waren. Alle leden van het gezin waren

aan hem voorgesteld, evenals Kayette, de Indiaansche, zijne redster.

Op eenen avond toen de geheele familie bijeen was, vertelde hij hun

van zijne levensgeschiedenis zooveel als voor het oogenblik noodig

was dat zij wisten. Hij drukte zich met veel gemak in het fransch

uit, bijna alsof het zijne moedertaal was, alleen liet hij zijne r's

een weinig vallen, hetgeen aan het fransch, zooals het door russen

gesproken wordt, iets krachtigs en nadrukkelijks geeft waardoor het

oor niet onaangenaam wordt aangedaan.

Wat hij te verhalen had, was zeer eenvoudig en er liep weinig

avontuurlijks of van romanesken aard onder.

De naam van den rus was Sergius Wassiolowitch, en voortaan noemden

allen hem, met zijne toestemming, Mijnheer Sergius. Hij had geen

andere bloedverwanten dan zijn vader, die in het gouvernement Perm,

niet ver van de stad van dien naam, woonachtig was. Gedreven door

reislust en door liefhebberij voor aardrijkskundige ontdekkingen en

onderzoekingen, had mijnheer Sergius drie jaar geleden zijn vaderland

verlaten. Hij had de landen in den omtrek der Hudsonsbaai doorreisd

en was thans voornemens eenen tocht door Alaska te doen, langs de

Youkon-rivier tot aan de Poolzee. De omstandigheden onder welke hij

door roovers overvallen werd, waren de volgende.

Hij en zijn knecht Iwan hadden des avonds van den 4den Juni een

nachtkwartier bij de grens gezocht, toen zij in hun eersten slaap

door moordenaars overvallen werden. Twee mannen wierpen zich op hen;

zij ontwaakten, sprongen overeind en poogden zich te verdedigen,

maar de ongelukkige Iwan stortte bijna terstond ter aarde, door eenen

kogel in het hoofd getroffen.

--Het was een trouwe en eerlijke bediende, voegde mijnheer Sergius

er bij. Sedert tien jaren leefden wij te samen, hij hield veel van

mij en ik betreur in hem een oprechten vriend.

Mijnheer Sergius deed geene moeite om zijne aandoening te verbergen

en zoo dikwijls hij over Iwan sprak, kon men aan zijne vochtige oogen

zien dat zijne smart niet voorbijgaand van aard was.

Hij verhaalde verder dat hij zelf in de borst verwond geworden en zijn

bewustzijn kwijt geraakt was. Van hetgeen er verder gebeurd was, wist

hij niets tot op het oogenblik toen hij, weder bij kennis komende,

niet had kunnen begrijpen waar hij zich bevond, maar alleen dat hij

met vriendelijke en medelijdende menschen te doen had.

Cascabel verhaalde hem dat de aanslag voor het werk gehouden werd

van Karnof of van een paar kerels zijner bende. Dit achtte mijnheer

Sergius ook waarschijnlijk, want hij had reeds vroeger hooren zeggen

dat die roovers de grensstreek onveilig maakten.

--Zooals gij ziet, dus eindigde hij, is er niet veel bijzonders

aan mijne lotgevallen en zeker minder dan aan de uwe. Na mijne

onderzoekingsreis door Alaska volbracht te hebben, was ik voornemens

naar Rusland en mijnen vader terug te keeren en het ouderlijke huis

nooit meer te verlaten. Maar vertel mij nu ook eens iets van uwe

geschiedenis, en in de eerste plaats hoe het komt dat een gezelschap

fransche reizigers hier in dit afgelegen gedeelte van Amerika komt

te zwerven?

--Kermiskunstenaars, mijnheer Sergius, trekken immers overal heen,

antwoordde Cascabel.

--Ja, dit weet ik wel, maar ik ben er toch over verbaasd dat ik u

hier aan het andere einde der wereld aantref!

--Jan, hervatte Cascabel, vertel gij maar eens aan mijnheer Sergius

hoe het komt dat wij hier zijn en hoe wij ons reisplan naar Europa

gemaakt hebben.

Jan verhaalde nu alles wat aan de bewoners der _Schoone Zwerfster_

overkomen was sedert hun vertrek uit Sacramento. Teneinde ook door

Kayette verstaan te worden, sprak hij Engelsch, dat mijnheer Sergius

zooveel noodig aanvulde met eenige woorden in de Chinouksche taal. Het

indiaansche meisje luisterde met de meeste aandacht. Zij kwam nu

te weten wie de familie Cascabel was, aan welke zij zich reeds zeer

gehecht voelde. Jan verhaalde hoe de reizigers van al hun geld bestolen

waren in een der bergpassen van de Sierra Nevada, dien zij doortrokken

om naar de kuststreek van den Atlantischen Oceaan koers te zetten. Hoe

zij, de middelen niet meer hebbende om hunne plannen ten uitvoer te

brengen, besloten hadden in de richting naar het Oosten denzelfden

tocht te doen, dien zij naar het Westen hadden willen volbrengen. Hoe

zij den voorkant hunner rollende woning naar het Oosten gewend

hadden en den Staat Californië, Oregon, het Washington-territorium en

Britsch-Columbia doorgetrokken, maar op de grens van Alaska, tot staan

gebracht waren. Hoe de russische grensbewakers hun onverbiddelijk

den toegang geweigerd hadden, hetgeen echter door de uitkomst eene

gelukkige omstandigheid gebleken was, dewijl zij tengevolge van

dit oponthoud in de gelegenheid geweest waren mijnheer Sergius te

hulp te komen. Hoe het dus kwam dat fransche kermisreizigers, en wel

Normandiërs, indien men hen naar het hoofd van het gezin mocht noemen,

zich nu te Sitka bevonden, waar alleen de inlijving van Alaska bij

de Vereenigde Staten het hun mogelijk gemaakt had te komen.

Mijnheer Sergius vernam met groote belangstelling alles wat hem

verteld werd, maar hij kon zijne verwondering niet verbergen toen

hij te weten kwam dat zij plan hadden met de Karavaan geheel Siberië

door te trekken, teneinde langs dien weg in het Oosten van Europa aan

te landen. De anderen begrepen echter niet waarom hij zich daarover

verbaasde.

--Alzoo, mijne vrienden, begon hij, toen Jan uitgesproken had, is het

uwe bedoeling, als gij Sitka verlaat, uwen weg naar de Behringstraat

te nemen?

--Gewis mijnheer Sergius, antwoordde Jan, en zoodra die zeeëngte

toegevroren zal zijn, trekken wij haar over.

--Dat is een lange en bezwaarlijke tocht dien gij ondernemen gaat,

mijnheer Cascabel.

--Lang is hij zeker, mijnheer Sergius, en bezwaarlijk zal hij

ook wel wezen. Maar wat zullen wij doen? Wij hebben geen keus. Wij

kunstenmakers geven voor het overige niet om wat moeite en zijn gewoon

in de geheele wereld rond te zweven.

--Ik vermoed, dat gij er niet op rekent om op die manier dit jaar

nog in Rusland te komen?

Cesar Cascabel: "De Schoone Zwerfster" · 第 8 / 14 段