Ieder begrijpt hoe onaangenaam hem dit was, maar hun toestand was

bovendien hoogst zorgelijk. Al hunne plannen waren nu verijdeld. De

richting welke zij met zooveel moed waren ingeslagen, bracht hen niet

waar zij wezen wilden. Zonder paspoorten was de weg naar het Westen,

door Aziatisch Rusland heen naar Europa, voor hen afgesneden. Zij

konden nu wel dwars door het verre Westen heen met den reiswagen tot

New-York komen, maar eenmaal daar, konden zij den Atlantischen Oceaan

niet anders over dan per stoomboot, en daarop zouden zij niet worden

toegelaten indien zij geen geld hadden om den overtocht te betalen.

Ook viel er niet aan te denken om onder weg op hunne voorstellingen

zulk eene som bij elkaar te krijgen, al namen zij den tijd er nog zoo

ruim voor. Zij konden zich niet ontveinzen dat de troep van Cascabel in

de Vereenigde Staten een weinig afgezaagd begon te worden. Sedert een

jaar of twintig zwierven zij er rond, geen stad of dorp in den omtrek

van den grooten trunk-spoorweg of zij waren er geweest. Zooveel dollars

als zij vroeger ophaalden, zooveel centen zouden er nu tenauwernood

in de kas vloeien. Gingen zij dus den oostkant weder op, dan was

er geen einde aan de reis te zien en zouden er misschien jaren mede

gemoeid gaan vóór dat zij de middelen bijeen hadden om naar Europa

scheep te gaan. Tot elken prijs moest er een plan bedacht worden

om met de _Schoone Zwerfster_ althans te Sitka te komen. Dit was de

slotsom waar alle redeneeringen der reisgenooten toe voerden, nadat

de russische politiedienaren hen aan hun lot hadden overgelaten.

--'t Is een mooie uithoek waar wij hier zitten! merkte Cornelia

hoofdschuddende op.

--Was het nog maar een uithoek! antwoordde haar man. Maar wij kunnen

er niet uit. Het is een slop!

Zou de oude worstelaar die zooveel hinderpalen en tegenstanders

op zijnen weg ter aarde had geworpen, hier het hoofd stooten? Zou

ditmaal het noodlot sterker zijn dan zijn gespierde vuist? Zou zulk

een kunstenmaker als hij hier geen gat vinden om door te kruipen? Zou

zijn vruchtbare hersenkas hem geen middel aan de hand doen, om ondanks

alle kwade kansen toch te komen waar hij wilde?

--Cesar, hervatte Cornelia, met die ellendige kerels van agenten valt

niets aantevangen. Maar misschien, als wij ons tot hun chef wenden.....

--Hun chef, viel Cascabel haar in de rede. Een mooi ding, zoo'n

chef! Dat is zeker een russische kolonel, nog veel taaier dan zijne

ondergeschikten. Die zal zeggen dat wij naar den duivel mogen loopen.

--Bovendien bevindt hij zich zeker te Sitka, meende Jan, en zij

verkiezen juist niet dat wij daarheen gaan.

--Misschien, bracht Kruidnagel vrij snugger in het midden, misschien

zouden die grensbeambten er niets tegen hebben dat iemand van ons

zich onder hun geleide naar den gouverneur begaf.

--Dat is zoo kwaad niet bedacht, antwoordde Cascabel. Het zou te

probeeren zijn....

--Wanneer ik het ten minste niet heelemaal mis heb, voegde Kruidnagel

er met zijne gewone bescheidenheid bij.

--Vóór dat wij op onze schreden terugkeeren, moeten wij het beproeven,

zeide Jan. Als gij het goed vindt vader, zal ik....

--Neen, het is beter dat ik zelf ga, hernam Cesar. Hoe ver is het

van de grens tot Sitka?

--Ongeveer honderd mijlen.

--Welnu, dan kan ik binnen een dag of tien heen en terug wezen. Wij

zullen tot morgen wachten en dan zien of het gaan wil.

Zoodra de dag aanbrak, ging Cesar er dus op uit om de politieagenten

weder op te zoeken. Dat kostte hem weinig moeite, want zij waren niet

ver van de _Schoone Zwerfster_ in hinderlaag blijven liggen.

--Zijt gij daar weer? werd hem op barschen toon toegeroepen.

--Om u te dienen, antwoordde onze vriend, met het vriendelijkste

gezicht dat hij trekken kon.

Met eenen vloed van mooie en onderdanige woorden gaf hij nu aan de

heeren grensbewakers te kennen, dat hij bij zijne excellentie den

gouverneur van Alaska wenschte toegelaten te worden. Gaarne wilde

hij de reis- en verblijfkosten betalen voor den »achtenswaardigen

dienaar van den gerechte", die hem vergezellen zou, en ook toonde

hij zich niet afkeerig van het betalen eener groote fooi aan dien

achtenswaardigen en welwillenden man.... enzoovoorts enzoovoorts.

Het was echter praten in den wind en het vooruitzicht op eene fooi had

zelfs eene geheel tegenovergestelde uitwerking, want de politiemannen,

uit hunnen aard achterdochtig, begonnen nu te vermoeden dat er heel

iets bijzonders stak achter het verlangen van een kermiskunstenaar

om tot elken prijs over de grens van Alaska te komen. Hun aanvoerder

sloeg dan ook nu een anderen toon aan. Hij herhaalde het bevel om

terstond weder terug te gaan en voegde er dreigend bij:

--Als gij het nog eens wagen durft om eenen voet op ons gebied te

zetten, brengen wij u niet naar Sitka, maar naar het naastbijgelegene

russische fort. En wie daar eenmaal in zit, kan nooit weten hoe of

wanneer hij er weder uitkomen zal!

Op alles behalve vriendelijke wijze werd mijnheer Cascabel dus naar

de _Schoone Zwerfster_ teruggebracht. Aan zijn bedrukt gezicht was

duidelijk genoeg te merken dat hij geen wil van zijnen tocht gehad had.

Het begon er nu uit te zien alsof de rollende woning der Cascabels

in eene vaste verblijfplaats veranderen zou. Tot op de grens tusschen

Columbia en Alaska had het vaartuig, dat Cesar en zijne fortuin droeg,

hen gebracht; maar hier scheen het te zullen stranden als een schip

dat door den oceaan, bij het terugloopen der ebbe, tusschen de rotsen

droog wordt gelaten.

Verscheidene dagen gingen er voorbij, waarin het teleurgestelde gezin

niet tot een besluit wist te komen. Niemand behoeft te vragen of dat

treurige dagen waren.

Een geluk was het dat zij geen gebrek aan leeftocht hadden. Er was

nog een goede voorraad ingelegde groenten en andere voedingsmiddelen,

dien zij te Sitka weder hoopten aan te vullen, maar bovendien was er

in de streek, waar zij zich bevonden, overvloed van wild. Alleen droeg

Jan zorg dat hij noch zijn hond zich aan gene zijde van de russische

grens waagde, want bij het in beslag nemen van zijn jachtgeweer en

het opleggen eener zware boete ten behoeve der schatkist van het

Czarenrijk, zou het niet eens gebleven zijn.

Dit nam echter niet weg dat Cascabel en zijne huisgenooten niets op

hun gemak waren en het was zelfs alsof de dieren in den wagen hunne

bedruktheid deelden. Jako babbelde niet zoo druk als naar gewoonte, de

honden liepen druipstaartende rond en lieten af en toe een mistroostig

gehuil hooren. John Bull vertrok geen gezicht en rekte zich zelfs van

verveling nauwelijks meer uit. De eenigen die zich in het geval goed

konden schikken, waren de paarden, Vermout en Gladiator. Die hadden

het gras voor het eten en geen voet te verzetten.

--Wij moeten toch tot een besluit komen! mompelde Cascabel dikwijls,

terwijl hij met over de borst gekruiste armen heen en weer liep.

Dat was gemakkelijk gezegd en eigenlijk ook gemakkelijk te doen,

want hij had in het geheel niet te kiezen. De weg voorwaarts was

hem afgesneden; wat kon hij dus anders doen dan rechtsomkeert

maken? De moedig ondernomen tocht naar het Westen moest hier een

einde nemen. Die verwenschte rit door Britsch-Columbia moest van voren

af aan hervat worden, daarna zouden de eindelooze prairieën van het

verre Westen zich voor hen openen en ten laatste zouden zij aan de

kust van den Atlantischen Oceaan terecht komen! Eenmaal te New-York,

wat dan? Afwachten of er misschien medelijdende menschen te vinden

zouden zijn, die eene inschrijving zouden willen openen om de fransche

zwervers naar hun vaderland terug te helpen? Welk eene vernedering

voor zulke wakkere en hooghartige lieden, die altijd eerlijk hun brood

verdiend en nooit de hand voor eene aalmoes uitgestoken hadden! O

die schurken, die hen in den bergpas der Sierra Nevada laaghartig

beroofd hadden van het beetje geld dat zij bezaten!

--Als die fielten in Amerika niet opgehangen, of in Spanje

niet gewurgd, in Turkije niet gespietst, of in Frankrijk niet

geguillotineerd worden, zeide Cesar, terwijl hij ieder dier

strafoefeningen met een afzonderlijk gebaar aanduidde, mag ik lijden

dat er nooit meer een schurk zijn gerechte straf oploopt!

Eindelijk kwam hij tot een besluit.

--Morgen, bepaalde hij des avonds van den 4den Juni, gaan wij weder

op marsch. Wij trekken terug naar Sacramento en vervolgens.....

Hij voegde er geen woord meer bij. Te Sacramento zouden zij verder

zien. Toebereidselen voor hunnen aftocht hadden zij niet te maken,

als de paarden waren ingespannen, behoefden zij hunne koppen maar

naar het Zuiden toe te draaien.

Dit was de mistroostigste avond dien zij nog op de grens van Alaska

hadden doorgebracht. Ieder zat in eenen hoek, niemand sprak een

woord. Het was een donkere nacht, de lucht vol grauwe wolken, her- en

derwaarts drijvende, als ijsschotsen, die door den wind met vaart naar

het Oosten gejaagd werden. Geen ster was er te zien; de dunne schijf

der wassende maan was achter de hooge bergen, die den gezichteinder

vormden, vroeg in den avond verdwenen.

Te ongeveer negen uur gaf Cascabel last dat ieder naar bed moest gaan,

met het plan den volgenden dag, zoodra het licht werd, de reis te

aanvaarden. Denzelfden weg dien de _Schoone Zwerfster_ van Sacramento

af gevolgd had, zouden zij weder inslaan; zij hadden geenen gids

noodig om dien te vinden. Eerst zouden zij de richting volgen naar

de bronnen van de Frazer-rivier, en deze zou hen van zelve geleiden

tot op het territorium van Washington.

Kruidnagel had juist de honden vastgelegd en was bezig de buitendeur

te sluiten, toen er op korten afstand een geweerschot viel.

--Wat heeft dat te beteekenen? riep Cascabel.

--Daar wordt geschoten! zeide Jan.

--Zeker een jager, meende Cornelia.

--Een jager? In zulk een donkeren nacht en zoo laat? hernam Jan. Dat

lijkt mij niet waarschijnlijk.

Op hetzelfde oogenblik viel er een tweede schot en hoorden zij tegelijk

om hulp roepen.

X.

KAYETTE.

Zonder zich lang te bedenken liepen Jan en Sander met hun vader en

Kruidnagel den wagen uit.

--In die richting moet het zijn! riep Jan, terwijl hij naar den zoom

van het woud wees dat zich langs de grens uitstrekte.

--Laat ons nog een oogenblik luisteren, zeide Cascabel.

Er volgde echter niets meer. Het scheen bij die twee schoten te

zullen blijven, en of er werkelijk om hulp geroepen was hadden zij

niet stellig gehoord.

--Zou er een ongeluk gebeurd zijn? vroeg Sander,

--In elk geval, meende Jan, zou er niet geroepen zijn wanneer de

persoon die riep zich niet in gevaar bevonden had.

--Dan moeten wij hem gaan helpen, zeide Cornelia.

--Ja kinderen, hernam Cascabel, maar laat ons wapenen medenemen.

Er kon even goed een ongeluk gebeurd zijn als dat de eene of andere

reiziger in deze eenzame streek met kwaad volk te doen gehad had. Er

bestond dus alle reden tot voorzichtigheid, zoowel om zichzelf te

verdedigen als wanneer zij de partij van anderen wilden opnemen.

Spoedig kwamen Cascabel en Jan met hunne geweren, Sander en

Kruidnagel met revolvers gewapend weder uit de _Schoone Zwerfster_

te voorschijn. Cornelia met de twee honden bleef achter om op den

wagen te passen.

Zij liepen eenige minuten voort, den zoom van het woud langs. Nu en

dan bleven zij staan om te luisteren, maar er werd geen geluid meer

gehoord. Toch hadden zij duidelijk genoeg in die richting en op geen

grooten afstand de schoten hooren vallen.

--Het is toch niet mogelijk dat wij ons vergist hebben? vroeg Cascabel.

--Neen vader, antwoordde Jan, daar ben ik zeker van. Maar luister! Hoor

ik daar niet iets?

Ditmaal was het duidelijk genoeg. Er werd om hulp geroepen, niet door

eenen man zooals de eerste keer, maar door eene vrouw of door een kind.

Het was een donkere nacht en tusschen de boomen konden zij

nauwelijks eenige ellen voor zich uitzien. Kruidnagel had een van

de rijtuiglantarens mede willen nemen, maar Cascabel meende dat het

voorzichtiger was dit niet te doen. Het was beter dat zij niet gezien

konden worden.

Zij hoorden andermaal roepen en ditmaal zoo duidelijk dat zij er

gemakkelijk hunne schreden naar konden richten. Ook scheen het geluid

niet uit het dichtste gedeelte van het bosch te komen.

Een minuut of vijf verder kwamen zij met hun vieren bij eene open

plek in het woud. Daar vonden zij twee mannen op den grond liggen en

bij hen eene vrouw, die op hare knieën liggende, het hoofd van den

een met hare armen ondersteunde.

Het hulpgeroep dat zij het laatst gehoord hadden, was van deze vrouw

afkomstig. In de Indiaansche Chinouk-taal, die Cascabel reeds ten

naastenbij verstond, riep zij nu weder:

--Kom hierheen!.... Zij hebben hem vermoord!

Jan snelde naar haar toe. Uit de borst van den gewonde stroomde het

bloed, dat de geknielde vrouw tevergeefs trachtte te stelpen.

--Hij haalt nog adem! riep Jan.

--Maar de ander? vroeg zijn vader.

--Dat weet ik niet, antwoordde Sander die ook naderbij gekomen was.

Cascabel boog zich over den verslagene heen en onderzocht of hij nog

ademhaalde, of eenig ander teeken van leven gaf.

--Ik geloof dat hij dood is, zeide hij.

Zoo was het inderdaad. Een geweerkogel had hem in het hoofd getroffen

en ontzield doen nederstorten.

Wie was deze vrouw, wier taal verraadde dat zij tot het Indiaansche

ras behoorde? Of zij oud of jong was konden zij niet onderscheiden,

want haar gelaat was onder eene kap gedeeltelijk verborgen. Dat zou

echter later wel opgehelderd worden als zij vertellen kon waar zij

van daan kwam en wat er gebeurd was. Voor het oogenblik kwam het er

op aan den man, die nog adem haalde, in veiligheid te brengen en door

spoedige hulp te trachten zijn leven te redden. Het lijk van zijnen

reisgenoot konden zij den volgenden dag op dezelfde plaats begraven.

Door Jan geholpen, nam Cascabel den gewonde bij de schouders op,

terwijl Sander en Kruidnagel zijne beenen optilden. Toen wendde Cesar

zich tot de vrouw en wenkte haar dat zij hen moest volgen.

Zonder te aarzelen voegde zij zich bij hen. Met eene doek trachtte

zij voortdurend, terwijl zij naast hen liep, het bloed uit de wonde

tegen te houden.

Niet dan langzaam kwamen zij vooruit, want de gekwetste was

een zware man en zij deden hun best om hem niet te veel te doen

schudden. Cascabel wilde alles doen wat hij konde om hem levend in

de _Schoone Zwerfster_ te brengen.

Zij hadden dus wel twintig minuten werk om daar te komen. Onderweg

bespeurden zij niets verdachts.

Cornelia en Napoleona verkeerden in doodelijke ongerustheid, want

zij wisten niet wat er gebeurd was en vreesden voor een ongeluk.

--Maak voort, Cornelia, riep Cascabel zoodra hij haar zag. Breng wat

water en een paar linnen zwachtels om het bloed te stelpen. Anders

loopen wij gevaar den ongelukkige in onze armen te zien sterven.

--Jawel, jawel, antwoordde zijne vrouw, ik weet wel wat er noodig is

Cesar. Laat mij maar begaan en maak geen overbodige drukte!

Cornelia had verstand genoeg van wonden, want zij had op hunne

zwerftochten meer dan eens een verband moeten leggen.

De gewonde werd neergelegd op eene matras, die Kruidnagel in

het achterste gedeelte van den wagen spreidde. De lamp die aan de

zoldering hing, verspreidde een flauw licht over het doodsbleeke

gelaat van den vreemdeling en over de Indiaansche vrouw die weder

naast hem neergeknield was.

Dit bleek een jong meisje te zijn, niet ouder dan vijftien of zestien

jaren.

--Wat is dat voor een meisje? vroeg Cornelia.

--Zij bevond zich bij den gewonde en wij hoorden haar om hulp roepen,

antwoordde Jan.

De gekwetste mocht een man van een jaar of vijfenveertig wezen. Zijne

haren en baard begonnen reeds te grijzen, hij had een gespierd lichaam

en was van meer dan middelbare lengte. Zijne gelaatstrekken waren

innemend en vastberaden, niettegenstaande de doodelijke bleekheid

die zijn gelaat overdekte. Zijne oogen hield hij gesloten als een

stervende, een zucht ontsnapte van tijd tot tijd aan zijne lippen,

maar hij liet geen woord hooren waaruit zij hadden kunnen opmaken

uit welk land hij afkomstig was.

Toen zijne kleederen losgemaakt waren, bevond Cornelia dat hij tusschen

de derde en vierde ribbe eenen stoot met een dolkmes bekomen had. Of

de wond doodelijk was had alleen een geneeskundige kunnen zeggen, maar

dat zij hoogst ernstig was, daaraan viel geen oogenblik te twijfelen.

Geneeskundige hulp was echter onder deze omstandigheden niet

te krijgen. Zij moesten zich dus tevreden stellen met hetgeen de

bedrevene hand van Cornelia doen kon en met de geneesmiddelen die in

de reis-apotheek, welke zij bij zich hadden, voorhanden waren.

Het noodige werd terstond gedaan om verder bloedverlies te voorkomen,

waardoor het leven van den gewonde in gevaar gebracht kon worden. Later

zouden zij zien of het mogelijk was den onbekende, in den staat van

volkomen uitputting waarin hij verkeerde, naar de naastbijzijnde

bewoonde plaats over te brengen. In dit geval kon het Cascabel weinig

schelen of de bewoners engelschen of russen waren.

Cornelia waschte eerst de wond met koud water en legde er toen

compressen van arnica op. Het bloedverlies werd hierdoor tot staan

gebracht, doch de man had sedert het oogenblik waarop hij gewond was

tot dat waarop hij verbonden kon worden, reeds veel bloed verloren.

--Wat moeten wij nu verder beginnen, Cornelia? vroeg Cascabel.

--Wij moeten den lijder op ons eigen bed leggen, antwoordde zijne

vrouw, en ik zal bij hem waken teneinde de compressen zoo dikwijls

te vernieuwen als noodig is.

--Wij zullen elkander met waken aflossen, zeide Jan. Wij zouden

toch niet kunnen slapen en bovendien is het noodig dat wij op alles

voorbereid blijven, want de moordenaars zwerven misschien hier in

den omtrek.

De patiënt werd nu door Cascabel, Jan en Kruidnagel opgetild en naar

het voorste gedeelte van den wagen gebracht, waar zij hem op hun

bed legden.

Cornelia bleef de eerste uren waken, zonder dat de onbekende man

eenig teeken van bewustzijn gaf. In dien tusschentijd verhaalde

het Indiaansche meisje hare geschiedenis, die Cascabel zonder veel

moeite verstond.

Zij behoorde tot een der volksstammen die het schiereiland Alaska

oorspronkelijk bewoond hebben. Ten Noorden en ten Zuiden van de rivier

de Youkon, die dit land van het Oosten naar het Westen doorloopt,

worden nog verschillende van die stammen aangetroffen, in zwervenden

of in gevestigden staat. Het zijn de Co-Yoûkons, de talrijkste en

misschien de meest barbaarsche van allen, de Newi-cargoûts, de Tananas,

de Kotcho-a-Koutchens, en meer in den omtrek van den mond der rivier,

de Pastoliks, de Haveacks, de Primskes, de Mélomûts en de Indgelètes.

De jonge Indiaansche behoorde tot den laatstgenoemden stam. Zij

heette Kayette.

Kayette was eene wees, ook bezat zij geene andere bloedverwanten. Het

komt meer voor onder de inboorlingen van Alaska, niet alleen dat er

geslachten uitsterven, maar dat er van geheele stammen eindelijk geen

enkel lid meer overblijft.

Dat is onder anderen het geval geweest met een van de voornaamste

stammen, die vroeger ten Noorden van de Youkon zijne woonplaats had.

Kayette, geheel alleen op de wereld achtergebleven, was op reis getogen

naar het Zuiden, door eene streek welke zij goed kende dewijl zij er

op de zwerftochten van haren stam meermalen was doorgetrokken. Zij was

voornemens zich naar de hoofdstad Sitka te begeven en daar bij een van

de russische ambtenaren eenen dienst te zoeken. Haar eerlijk, zacht en

innemend voorkomen was wel in staat haar eene vriendelijke ontvangst te

verzekeren. Zij zag er goed uit; haar gelaatskleur was te nauwernood

lichtbruin; hare zwarte oogen, door lange wimpers omlijst, hadden

eene zachte uitdrukking; hare weelderige bruine lokken kwamen nu en

dan te voorschijn onder de kap van bont, die zij op haar hoofd droeg.

Zij was middelmatig van lengte, maar lenig en bevallig in hare

bewegingen, zelfs in den wijden pelsrok waarin zij gekleed was en

die met draagbanden boven hare schouders vastgemaakt was.

Het is eene eigenaardigheid der noord-amerikaansche indianenrassen dat

de jongens en meisjes vroeg volwassen en levendig en vroolijk van aard

zijn. Op hun tiende jaar hanteeren de knapen den bijl en het geweer

reeds met behendigheid. Op haar vijftiende jaar trouwen de meisjes

en nemen zij hare moederlijke plichten onberispelijk waar. Kayette

was dus ernstiger en bedachtzamer dan haar leeftijd medebracht, en de

groote reis welke zij ondernomen had, bewees dat zij karakter had. Zij

was reeds eene maand onder weg in zuidwestelijke richting en had nu de

smalle kuststreek bereikt in wier nabijheid de eilanden liggen waarop

de hoofdstad van Alaska gelegen is. Den zoom van het woud volgende,

had zij op eenige honderden schreden afstands twee schoten hooren

vallen en daarna een angstig geroep om hulp vernomen.

Ditzelfde hadden ook onze reizigers in de _Schoone Zwerfster_ gehoord.

Zonder zich door vrees te laten weerhouden, was Kayette op het geluid

afgekomen.

Er viel niet aan te twijfelen of hare nadering had de moordenaars op

de vlucht gejaagd, want zij had nog even twee mannen tusschen het

kreupelhout zien verdwijnen. De booswichten hadden echter spoedig

gemerkt dat zij zich schrik aan hadden laten jagen door een kind. Zij

kwamen reeds naar de plek terug waar zij hunne misdaad gepleegd

hadden, met het voornemen hunne slachtoffers te plunderen, toen de

komst van Cascabel en de zijnen hen opnieuw had doen afdeinzen en

ditmaal voorgoed.

Zoodra Kayette de twee mannen op den grond had vinden liggen, waarvan

de een reeds een lijk was, doch de ander nog teekenen van leven gaf,

was zij om hulp gaan roepen. Wat er verder gebeurd was, hebben wij

reeds gezien. De eerste kreten, die de Cascabels vernomen hadden,

waren door de aangevallen reizigers geuit. Wat zij later hoorden,

was het hulpgeschrei der Indiaansche.

De nacht ging verder ongestoord voorbij. De moordenaars hadden

waarschijnlijk hunne biezen gepakt, althans in de nabijheid van de

_Schoone Zwerfster_ vertoonden zij zich niet meer.

Den volgenden ochtend was er nog geene verandering bij den gekwetste

te bespeuren. Zijn toestand scheen even verontrustend.

Kayette toonde nu hare schranderheid door eenige kruiden te gaan

zoeken, waarvan zij de heilzame werking op verwondingen kende. Zij

liet die aftrekken en er werden zwachtels in het aftreksel gedoopt,

welke vervolgens op de wond gelegd werden. Er kwam volstrekt geen

bloed meer uit te voorschijn.

In den loop van den voormiddag werd het duidelijk dat de lijder

gemakkelijker begon adem te halen. Intusschen deed hij nog niets

dan zuchten of zacht kreunen. Geen woord kwam over zijne lippen en

zij bleven dus in het onzekere wie hij zijn kon, waar hij van daan

kwam of heenging, waarom hij zich hier op de grens van Alaska bevond,

wie hem overvallen hadden of wat voor redenen zijne aanranders hadden

kunnen hebben om hem en zijnen reisgenoot van kant te maken.

Indien echter het doel der moordenaars was geweest den reiziger te

bestelen, dan was hun, toen zij bij de nadering van het Indiaansche

meisje het op een loopen zetten, een schoone buit ontgaan, zooals

zij in deze schaars bezochte streek er zeker niet licht een tweeden

zouden aantreffen.

Dit bleek toen Cascabel de kleederen van den onbekende uittrok. In een

lederen gordel, die om zijn middel bevestigd was, werden een aantal

amerikaansche en russische gouden muntstukken gevonden, een en ander

tot een bedrag van ongeveer vijftienduizend franken. Dit geld werd

dadelijk op eene veilige plaats geborgen om het den eigenaar zoodra

mogelijk terug te geven. Papieren werden er echter niet aangetroffen,

met uitzondering van een klein zakboekje met aanteekeningen, deels

in het russisch deels in het fransch. Er waren dus geene gegevens om

te kunnen raden wie de vreemdeling zijn kon.

Tegen negen uur 's ochtends kwam Jan zijnen vader herinneren dat zij

nog eenen plicht te vervullen hadden ten opzichte van het lichaam

van den verslagene, dat onbegraven in het bosch was blijven liggen.

--Dat is goed Jan, was het antwoord, laat ons dadelijk op weg

gaan. Misschien vinden wij ook nog papieren bij hem, waar wij het

een en ander uit te weten kunnen komen. Kruidnagel moet ook mee en

laat hem eene schop en eene spade medenemen.

Zij voorzagen zich bovendien van wapenen en gingen met hun drieën

denzelfden kant als den vorigen dag op, langs den zoom van het woud.

Weinige minuten waren voldoende om hen op de plaats te doen komen

waar de moord bedreven was.

Cesar Cascabel: "De Schoone Zwerfster" · 第 7 / 14 段