--Ja, bevestigde Jan, die naam staat ook op de kaart. Ik denk dat het

de verbasterde naam is van een indiaanschen stam, waarvan de klank

min of meer op »schurk" leek.

--Voor mijn part is het een mooie naam, bromde Cascabel. Als er

engelschen wonen, al waren het er maar een half dozijn, is er zeker

geen betere te bedenken.

Denzelfden avond hield de _Schoone Zwerfster_ dus stil bij de

eerste huisjes van het dorp. Nog maar drie dagen en de grens tusschen

Britsch-Columbia en de russische bezittingen zou door hen overschreden

worden.

Dan zou dus ook Cesar zijne opgeruimdheid terugkrijgen, die hij gemist

had zoo lang hij op het gebied Harer britsche Majesteit vertoefde.

Schurkendorp was oorspronkelijk alleen door indianen bewoond

geweest. Er bevonden zich echter eenige engelschen, jagers uit

liefhebberij of om den broode, die er slechts gedurende de maanden

van het jachtseizoen verblijf hielden.

Onder hen waren ook eenige officieren van het garnizoen te

Victoria. Een hunner, een baronet, Sir Edward Turner, was een trotsch,

aanmatigend man, een twistzoeker van natuur en bovendien een van die

engelschen, die denken dat hun alles geoorloofd is omdat zij engelschen

zijn. Het spreekt van zelf, dat hij aan franschen voor het minst een

even grooten hekel had als Cesar Cascabel aan engelschen. Die twee

maakten dus samen een mooi span!

Denzelfden avond toen zij in het dorp gekomen waren, terwijl Jan,

Sander en Kruidnagel er op uit waren om inkoopen te doen, hadden

de honden van den edelen baronet niet ver van de _Schoone Zwerfster_

eene ontmoeting met Wagram en Marengo, die opgevoed waren in denzelfden

volkshaat welken hun meester koesterde.

Tusschen den poedel en den patrijshond aan den eenen, en de

_pointers_ aan den anderen kant bestond dus reeds dadelijk eene

gespannen verhouding. Het kwam tot blaffen, de tanden laten zien,

elkander bijten, totdat eindelijk de wederzijdsche eigenaars op het

lawaai afkwamen.

Sir Edward Turner woonde in een huis aan het begin van het dorp. Met

opgeheven zweep schoot hij op de twee honden van Cascabel toe.

Dit was genoeg voor dezen om tegen den baronet partij te trekken voor

zijne viervoetige reisgenooten.

Sir Edward Turner, die zeer netjes fransch sprak, zag terstond met

wien hij te doen had. Onbeschaamd als hij ten allen tijde was, vond

hij niet de minste reden om den kunstenmaker en diens landgenooten

in het algemeen niet »echt engelsch", uit de hoogte te behandelen.

Ieder kan begrijpen hoe Cascabel geneigd was, dat op te nemen. Maar

hij wilde zich geen onaangenaamheden op den hals halen, vooral niet

op engelsch grondgebied, en geen gevaar loopen vertraging in zijne

reis te ondervinden. Hij hield zich dus in en antwoordde op eenen

toon waar niets op aan te merken viel:

--Uwe honden zijn begonnen met de mijne aan te vallen, mijnheer.

--Uw honden? antwoordde de edelman, koorddansershonden! Die verdienen

niets anders dan een knauw of een pak ransel!

--Ik moet u doen opmerken, hernam Cesar, onwillekeurig driftig

wordende, dat hetgeen gij daar zegt niet te pas komt voor een

_gentleman_.

--Voor een kerel als jij heb ik toch geen ander antwoord.

--Mijnheer, ik wil beleefd blijven, maar gij zijt een vlegel!

--Weet je wel met wien je te doen hebt? Ik heet Sir Edward Turner,

baronet!

Cascabel was nu zijne drift niet langer meester. Bleek, met fonkelende

oogen en dreigende vuisten kwam hij op den baronet af, toen Napoleona

hem kwam roepen.

--Vader, riep zij, moeder vraagt naar u!

Cornelia had haar dochtertje gestuurd omdat zij wilde dat haar man

naar den wagen terugkeerde.

--Ik kom dadelijk, antwoordde hij. Napoleona, zeg aan uwe moeder dat

ik eerst een praatje met dien heer heb te houden.

Toen hij dien naam hoorde, begon de engelschman verachtelijk te lachen.

--Napoleona! zeide hij. Een mooie naam voor zoo'n meid! Die

schavuit.....

Dat was meer dan Cascabel verdragen kon. Met over de borst gekruiste

armen stapte hij vooruit tot vlak bij den engelschman.

--Gij beleedigt mij! begon hij.

--Zoo, beleedig ik u?

--Dat niet alleen, maar gij beleedigt een groot man, die uw heele

eiland ingepakt zou hebben als hij goedgevonden had er heen te gaan.

--Ei, ei!

--Hij zou het ingeslikt hebben als een oester!

--Onbeschaamde praatjesmaker!

De engelschman was een weinig teruggegaan en stelde zich in postuur

als een bokser, gereed om van zich afteslaan.

--Mijnheer de baronet, gij hebt mij beleedigd en zult mij daar

rekenschap van geven!

--Rekenschap geven aan een kunstenmaker!

--Door hem te beleedigen zijt gij zijns gelijke geworden. Wij zullen

vechten zooals gij verkiest, met den degen, het pistool, den sabel

of de vuist.

--Waarom niet met een paar varkensblazen, spotte de baron, als

paljassen voor eene tent!

--Verdedig u!

--Wie gaat er nu vechten met een kermisklant?

--Ja zeker, schreeuwde Cascabel, buiten zichzelven van woede, met zoo'n

kermisklant zal je vechten,... of je krijgt van hem een pak slaag!

Zonder er aan te denken dat de engelschman hem wel eens de baas kon

zijn in het boksen, waar deze soort van heeren zich van hunne jeugd

af in oefenen, zou Cesar hem te lijf gegaan zijn, ware niet Cornelia

in persoon komen toesnellen om hem tegen te houden.

Op hetzelfde oogenblik kwamen eenige officieren, wapenbroeders en

jachtgezellen van sir Edward Turner, op het standje af. Zij wilden

niet toelaten dat iemand van zijnen stand zijne handen vuil zou

maken aan zoo'n »kerel" en scholden de geheele familie Cascabel uit

voor al wat leelijk is. Van die scheldwoorden trok de vastberadene

Cornelia zich echter niets aan--ten minste zij deed alsof zij ze niet

hoorde. Alleen wierp zij sir Edward Turner eenen blik toe, die dezen,

indien hij haar beter gekend had, niet bijzonder gerust zou hebben

doen zijn over den afloop van het geval.

Intusschen waren ook Jan, Kruidnagel en Sander komen aanloopen en

er scheen kans te bestaan op eene algemeene kloppartij, maar ook dit

voorkwam moeder Cascabel, door op bevelenden toon te zeggen:

--Kom meê, Cesar, en jullie allemaal marsch! Naar de

_Zwerfster_! Niemand heeft hier iets te maken!

Niet een kreeg het in zijn hart om een woord tegen te spreken.

Hoe Cascabel dien avond in zijn humeur was, behoeven wij niet te

zeggen. Dat hij persoonlijk beleedigd was, kwam er minder op aan,

maar dat zoo'n engelschman het gewaagd had zijn grootsten held

te bespotten! Hij wilde hem te lijf, hij zou hem op zijn gezicht

slaan, hem en al zijne kameraads, al de schurkachtige bewoners van

Schurkendorp. De jongens wilden niets liever dan met hun vader meê van

leer te trekken. En Kruidnagel, die zwoer dat hij den engelschman zijn

neus zou afbijten..... of als het niet anders kon, dan maar een oor!

Cornelia had vrij wat moeite om al die driftkoppen tot bedaren te

brengen. Te meer dewijl zij erkennen moest dat het ongelijk geheel

aan den kant van sir Edward Turner was en dat zoowel haar man als de

geheele troep behandeld was op eene manier zooals de ergste vagebonden

het elkander niet doen zouden.

Maar Cornelia vond dat hun toestand al zorgelijk genoeg was en zij

niet noodig hadden dien nog erger te maken. Toen haar man er op staan

bleef dat hij den baronet eene rammeling moest gaan toedienen, beet

zij hem eindelijk toe:

--Dat zul je laten Cesar! Ik verkies het niet!

Daar was Cascabel niet tegen opgewassen. Als zijne vrouw op dien toon

sprak, gaf hij haar altijd gelijk.

Cornelia had rust noch duur zoo lang zij het verwenschte dorp

niet achter den rug hadden. Waren zij eerst maar een mijl of wat

noordelijker, dan kon zij weder gerust ademhalen. Teneinde overtuigd

te zijn dat niemand gedurende den nacht buiten den wagen kwam, sloot

zij niet alleen zelve de deur aan den binnenkant, maar bleef zij den

geheelen nacht buiten de _Schoone Zwerfster_ de wacht houden.

Den volgenden ochtend, dat was den 27sten Mei, maakte Cornelia te

drie uur den geheelen troep wakker. Uit overmaat van voorzichtigheid

wilde zij vóór het aanbreken van den dag op weg, zoodat geen mensch,

geen engelschman, geen indiaan, iets van hun vertrek kon merken. Dat

was zeker het beste middel om alle verdere onaangenaamheden te

voorkomen, maar zelfs toen maakte de anders zoo bedaarde vrouw een

haast onbegrijpelijken spoed. Zij verkeerde in eenen toestand van

zeldzame opgewondenheid, keek aanhoudend met onderzoekende blikken

rond, was overal bij en kon geen woorden genoeg vinden om haren man,

hare zonen en Kruidnagel, die geen van allen haast genoeg naar haren

zin maakten, hunne langzaamheid te verwijten.

--Hoeveel dagen hebben wij nog noodig om over de grens te komen? vroeg

zij hunnen gids.

--Een dag of drie, antwoordde Ro-No.

--Opgepakt dan! hernam Cornelia. Vóór alles is het noodig, dat wij

niet meer gezien worden.

Intusschen moet niemand zich verbeelden, dat Cesar de beleediging van

den vorigen dag vergeten had. Deze plek te verlaten, zonder dat hij

den baronet zijne onbeschoftheid betaald had gezet, was een hard gelag

voor onzen vurigen franschman, die daarenboven nog al de koppigheid

van een echten normandiër bezat.

--Dat komt er van, schold hij, als men eenmaal den voet zet in zoo'n

smeerlappenland!

Meer dan eens voelde hij nog lust den kant van het dorp uittegaan,

in de hoop, dat het toeval hem sir Edward Turner weder zou doen

ontmoeten. Hij keek met vurige blikken naar de gesloten vensterblinden

van het huis waar de baronet woonde, maar hij dorst zich niet te

verwijderen buiten de oogen der waakzame Cornelia, die hem geen

oogenblik aan zichzelf overliet.

--Waar ga je naar toe, Cesar?... Blijf bij mij, Cesar! Ik verkies

niet dat je van den wagen afkomt, Cesar!

Zoo ging het aanhoudend door. Nog nooit, zoolang hij getrouwd geweest

was, had Cascabel zich met zulke onverbrekelijke boeien aan zijne

dierbare wederhelft vastgeklonken gevoeld.

Dank zij al dit drijven en jagen werd er meer dan gewoonlijk haast

gemaakt en stonden de paarden spoedig voor den wagen. Te vier uur

's nachts zat al wat leven had, de honden, de aap en de papegaai,

het hoofd van het gezin met zijne zonen en zijn dochtertje, binnen

in de _Schoone Zwerfster_ opgesloten. Cornelia ging zelve op den bok

zitten, Kruidnagel en de gids vatten de paarden bij den teugel en

voort ging het.

Een kwartier later was er van Schurkendorp niets meer te zien te

midden van het dichte groen der boomen, die het aan alle zijden

omringden. Het begon pas eenigszins licht te worden; alles was

doodstil. Op de onafzienbare vlakte, die zich vóór hen naar het

Noorden uitstrekte, was geen levend wezen te bespeuren.

Toen eerst, toen zij niet de geringste vrees meer behoefde te koesteren

dat iemand in het dorp iets van hunnen aftocht bemerkt had, en toen

Cornelia er gerust op meende te mogen rekenen dat geen indiaan of

engelschman haar iets in den weg zou kunnen leggen, begon zij weder

haar gewone vriendelijke gezicht te toonen. Dat maakte haren man in

den grond van zijn hart een weinig gemelijk.

--Voor dat volk daar ginder moet ge dan toch al heel erg bang geweest

zijn, Cornelia, merkte hij op.

--Erg bang, was al wat zijne vrouw antwoordde.

In de drie dagen, die volgden, gebeurde er niets bijzonders. Toen

eindelijk, zooals de gids voorspeld had, kwamen zij op de uiterste

grens van Britsch-Columbia.

De _Schoone Zwerfster_ reed tot aan gene zijde der grenslijn. Daar

hield zij op het grondgebied van Alaska stil.

Zij hadden nu niets anders meer te doen dan afterekenen met Ro-No,

die hen ijverig en trouw gediend had. Hij werd bedankt voor zijne

diensten en nam toen van het reisgezelschap afscheid, na hun den

laatsten weg gewezen te hebben in de richting van Sitka, de hoofdstad

der russische bezittingen in Noord-Amerika.

Nu hij eindelijk niet meer onder het britsche gezag ademde, zou

men misschien denken dat Cesar Cascabel zijn goede humeur dadelijk

terugkreeg. Het had er echter niets van. Drie dagen waren er reeds

voorbij sedert hij in Schurkendorp de ontmoeting met den engelschman

gehad had, maar nog altijd brandde de ondervonden beleediging hem op

het hart. Hij kon dan ook niet nalaten tot Cornelia te zeggen:

--Dat ge mij ook niet hebt laten gaan om dien lord zijne bekomst

te geven!

--Dat was al gebeurd Cesar, zeide moeder Cascabel op den eenvoudigsten

toon ter wereld.

Het was werkelijk gebeurd, en goed ook!

Laat in den avond, toen allen in den wagen gerust lagen te slapen en

de deur zorgvuldig op het slot was, had Cornelia zich naar de woning

van den baronet begeven. Juist stapte hij de deur uit om naar de plek,

waar de jagers samen moesten komen, te gaan. Zij volgde hem een tijd

lang in het eenzame bosch. Toen had zij hem ingehaald en daar, met

niemand tot getuige dan de zwijgende boomen, had «de eerste worstelares

van den prijskamp te Chicago" den edelman een pak ransel toegediend,

waar hij in eerste uren niet van kon opstaan. Eerst den volgenden

ochtend kwam sir Edward Turner weer op de been, maar met pijn in al

zijne ledematen. Nog een heelen tijd droeg zijn lichaam de sporen

van zijne ontmoeting met deze beminnelijke vrouw.

--O Cornelia! riep haar man, toen hij dit uit haren mond vernam,

u dank ik het dat mijne eer gewroken is! Niemand is waardiger den

naam Cascabel te dragen dan gij!

IX.

NIEMAND PASSEERT HIER!

Alaska is het verste uiteinde van het noordwestelijke deel van

Noord-Amerika. Het strekt zich uit van den tweeënvijftigsten tot den

tweeënzeventigsten graad noorderbreedte en wordt dus in de dwarste

doorsneden door den Noordpoolcirkel, welke ook over de Behringstraat

heen ligt.

Wie de kaart van dit gedeelte der nieuwe wereld voor zich neemt,

bespeurt spoedig dat de kust eenigszins den vorm heeft van een scherp

geteekend menschengezicht. Tusschen kaap Lisburne en Barrow-punt ligt

het voorhoofd; de oogholte wordt gevormd door de baai van Kotzebue;

het naar den prins van Wales genoemde schiereiland is de neus,

Nortonbaai de mond en het schiereiland Alaska strekt zich uit als

een eerwaardige baard, verlengd door de tot ver in den Stillen Oceaan

uitgestrooide eilanden van den Aleoeten-archipel. Het hoofd loopt uit

in den bergketen der Coast-Range, waarvan de buitenste rijen door de

IJszee bespoeld worden.

In dit land had de _Schoone Zwerfster_ eenen afstand van ongeveer

zeshonderd mijlen af te leggen.

Wij behoeven niet te zeggen dat Jan op zijne kaart den geheelen weg,

dien zij volgen moesten, had nagegaan, met alle bergen, waterloopen

en andere bijzonderheden van het terrein. Van dit alles had hij de

anderen ook op de hoogte gebracht, waartoe zij op een bepaald uur

bijeen gekomen waren en waarin alles, wat hij verhaalde, met groote

belangstelling aangehoord werd.

Hierdoor wist nu iedereen, zelfs Kruidnagel daaronder begrepen,

dat deze noordwestelijke uithoek van Amerika het eerst bezocht was

door de russen, vervolgens door den franschman Lapérouse en den

engelschman Van Couver, en het laatst door den amerikaan Mac Clure,

toen deze was uitgegaan om sir John Franklin op te zoeken.

Het land was nu, voor een deel althans, bekend en in kaart gebracht,

dank zij de tochten van Frederick Whymper en van kolonel Bulkley

in 1865 toen er sprake was van het leggen van een onderzeeschen

telegraafkabel tusschen de oude en de nieuwe wereld, onder de

Behringstraat door. Vóór dat tijdstip was Alaska bijna niet anders

bereisd geworden dan door de vertegenwoordigers van handelshuizen,

die er huiden en pelterijen kwamen koopen.

In dat jaar was er in de internationale politiek weder herhaaldelijk

sprake geweest van de bekende Munroe-leer, welke hierop neerkomt dat in

Amerika niemand anders iets te zeggen mag hebben, dan Amerikanen. Aan

inlijving der britsche koloniën, Columbia namelijk en Canada, viel

in den eersten tijd nog niet te denken; maar misschien bestond er

mogelijkheid dat Rusland geneigd bevonden zou worden Alaska, dat wil

zeggen een land van vijfenveertigduizend vierkante mijlen oppervlakte,

aan de republiek aftestaan. Hierover werden ernstige onderhandelingen

met de russische regeering geopend.

In de Vereenigde Staten werd aanvankelijk de draak gestoken met den

Staatssecretaris Steward, toen deze voor den dag kwam met zijn plan

om Walrussia, dat wil zeggen »robbenland", in bezit te krijgen. Wat

moesten de Vereenigde Staten daarmede aanvangen? Maar de minister

Steward hield met al de hardnekkigheid van eenen yankee aan zijn

denkbeeld vast, en in 1867 scheen het niet veel te schelen of de zaak

kreeg haar beslag. Er was nog wel geen verdrag tusschen Amerika en

Rusland tot stand gekomen, maar dit kon toch ieder oogenblik gebeuren.

Des avonds van den 31sten Mei had de familie Cascabel dichtbij de

grens haar kwartier opgeslagen onder het lommer van eenige zware

boomen. De _Schoone Zwerfster_ bevond zich nu wel en deugdelijk op het

gebied van Alaska, onder het gezag van den Keizer aller Russen. Met

Britsch-Columbia had zij niet het geringste meer te maken, daar kon

Cascabel gerust op zijn.

Hij was dan nu ook weder opgeruimd gestemd, zóó opgeruimd dat zijn

goede luim zich aan het geheele gezelschap mededeelde. Zij behoefden

thans geen oogenblik meer het russische grondgebied te verlaten

om aan de westelijke grens van dit ontzaglijke rijk in Europa

te komen. Alaska, Siberië of Europeesch Rusland, het maakte geen

onderscheid, alles stond onder den schepter van den Czaar.

De avonddisch was vroolijk en gezellig. Jan had een vetten haas

geschoten dien Wagram tusschen het kreupelhout had opgejaagd. En wat

nog pleizieriger was, het was een onvervalschte russische haas!

--Nu trekken wij ook eens een lekkere flesch open, zeide Cascabel. Op

mijn woord, het is mij of ik ruimer ademhaal nu ik over de grens

ben. Ruikt ge het niet kinderen, het is hier amerikaansche lucht,

alleen met een kleinigheid van Rusland er in! Steekt er dus je

neus maar in, en jij ook Kruidnagel, al is die van jou ook een el

lang! Bah! Vijf weken lang heb ik het benauwd gehad in dat ellendige

Columbia!

Toen het avondeten op en de lekkere flesch leeg was, ging ieder

spoedig naar binnen en naar bed. Des nachts gebeurde er niets

bijzonders. Geen verscheurende dieren of zwervende indianen lieten

zich zien. Toen het dag werd, zagen de honden en paarden er ook weer

frisch en opgewekt uit.

Zoodra het licht geworden was braken zij op en werd alles gereed

gemaakt voor den verderen tocht in het gastvrije Rusland, »Frankrijks

zuster," zooals Cascabel goedvond te zeggen. De klok had nog geen

zes geslagen toen de _Schoone Zwerfster_ in noordelijke richting

verder trok, naar de Simpson-rivier die zij in de veerpont hoopten

over te steken.

Het grondgebied van Alaska loopt hier in eene punt naar het

Zuiden, welk uiteinde den naam Thlinkiten draagt. De westkust

wordt omgeven door een aantal afzonderlijke eilanden of groepen,

zooals de Prince-of-Wales, de Croozer-, de Kuju-, de Sitka-, de

Baranow-eilanden enz.

Te Sitka of Nieuw-Archangel, de hoofdplaats van Russisch-Amerika,

was Cascabel voornemens zich eenige dagen optehouden, teneinde eene

poos uitterusten en tevens de noodige toebereidselen te maken voor

het afleggen van hetgeen er nog overbleef van het eerste gedeelte

hunner reis. Aan gene zijde van de Behringstraat moest het tweede

gedeelte beginnen.

Hun weg voerde hen langs de grillig uitgeholde kust, over eene strook

laag land die door het gebergte begrensd wordt.

De karavaan ging dus op marsch, maar had nog geene mijl afgelegd toen

er iets in den weg kwam. Dat was een hinderpaal die al den schijn

had van onoverkomelijk te zullen wezen.

Het gastvrije Rusland, Frankrijk's zuster, toonde zich in het geheel

niet gezind om zijne fransche bloedverwanten, die zich Cascabel

noemden, gastvrij te ontvangen.

Het vertoonde zich namelijk in de gedaante van drie beambten der

grenspolitie, forsche kerels, met groote hoofden, lange baarden,

wipneuzen en kalmukken-gezichten. Zij droegen de donkere uniform der

moskovieten en hun schedel werd bedekt door de welbekende platte pet,

voor welke een aantal millioenen menschen een onbegrensden eerbied

koesteren.

Een der agenten stak zijne hand op, de _Schoone Zwerfster_ bleef stil

staan, Kruidnagel, die mende, riep zijnen patroon.

Mijnheer Cascabel, gevolgd door zijne vrouw en kinderen, vertoonde

zich in de deur van den wagen. Min of meer ongerust op het zien der

uniformen, kwamen allen het trapje af.

--Waar zijn uwe paspoorten? begon de agent in het russisch, welke

taal Cascabel bij deze gelegenheid maar al te goed bleek te verstaan.

--Paspoorten? vroeg hij.

--Ja zeker! Zonder paspoort komt er geen mensch op het grondgebied

van den Czaar.

--Maar mijn goede mijnheer, zei Cascabel zoo onderdanig mogelijk,

die hebben wij niet.

--Dan wordt gij hier ook niet toegelaten.

Dat was zoo duidelijk en onverbiddelijk alsof er eene deur voor hun

neus werd toegeslagen.

Cascabel trok een leelijk gezicht. Hij wist dat er met de bevelen

der machthebbenden in Rusland niet te spotten viel en had weinig hoop

om het op een akkoordje te kunnen gooien. Dat hij die agenten juist

ontmoeten moest op het oogenblik nu hij met de _Schoone Zwerfster_

de grens overschreed, was het ergste wat hem overkomen kon.

Cornelia en Jan waren even weinig op hun gemak. In angstige spanning

wachtten zij af waar het gesprek op uit zou loopen.

--Brave dienaren van den Czaar, begon Cesar weder op eenen toon

vol nadruk en met welsprekende gebaren, om aan zijne woorden meer

kracht bijtezetten,--wij zijn franschen en reizen niet alleen voor

ons genoegen maar ook voor dat van anderen, in het bijzonder van de

edele russen die ons de eer willen aandoen onze vertooningen met hunne

aanwezigheid opteluisteren. Wij hebben gedacht dat het eene onnoodige

moeite was ons van papieren te voorzien, nu wij ons op het grondgebied

van zijne majesteit den keizer aller Russen gingen begeven.....

--Niemand komt zonder bijzondere vergunning over de grens, werd hem

geantwoord. Dat is nog nooit gebeurd en zal nimmer gebeuren.

--Zou het voor dezen keer niet mogen? vroeg Cascabel met zijne

vriendelijkste stem. Gij kunt er op rekenen dat wij nooit weer

terugkomen.

--Er komt niets van in, antwoordde de politieman zoo beslist

mogelijk. Geen praatjes dus en de grens weer over!

--Maar, hernam de ander, hoe kom ik aan paspoorten?

--Dat is uwe zaak.

--Indien gij ons vergunnen wilt naar Sitka te gaan, zullen wij door

tusschenkomst van den franschen consul.....

--Er is geen fransche consul te Sitka. Maar waar komt gij eigenlijk

van daan?

--Van Sacramento.

--Dan hadt gij u te Sacramento van paspoorten moeten voorzien. Het

is niet noodig er verder op aan te dringen.

--Dat is integendeel hoogst noodig, want wij zijn op onze terugreis

naar Europa.....

--Naar Europa? Gaat gij dan dezen kant op?

Cascabel begreep dat hij een onvoorzichtig antwoord gegeven had,

want de weg dien hij volgde was zeker niet de meest gewone om in

Europa te komen.

--Ja, hernam hij, tengevolge van bijzondere omstandigheden zijn wij

genoodzaakt eenen omweg te maken.....

--Het kan mij niets schelen, viel de agent hem in de rede. Niemand

reist op russisch grondgebied zonder een paspoort.

--Als het alleen te doen is om het eene of andere inkomende recht

te betalen, kunnen wij misschien wel tot eene schikking komen, zeide

Cascabel, terwijl hij den agent eenen oogwenk vol beteekenis toewierp.

Maar ook op die manier schenen de russen niet tot andere gedachten

te brengen.

--Geachte vrienden, hernam Cesar, die niet meer wist wat hij zeggen

moest, gij hebt toch zeker wel eens hooren spreken van de familie

Cascabel.

Dit zeide hij op eenen toon alsof Cascabel een naam was, in Rusland

zoo bekend als die der Romanoff's.

Het een hielp even weinig als het ander. Er viel niets aan te doen,

zij moesten terug. Zelfs dreven de politiemannen hunne gestrengheid zoo

ver dat zij zelven de _Schoone Zwerfster_ tot aan de grens brachten,

onder streng verbod dat niemand van de reizigers het in zijn hart

mocht krijgen om er weder over te komen. Het treurige gevolg daarvan

was dat Cesar Cascabel, geheel uit het veld geslagen, binnen weinige

oogenblikken weder op engelschen grond kwam te zitten.

Cesar Cascabel: "De Schoone Zwerfster" · 第 6 / 14 段