kustland van Bute, aan de monding der Frazer-rivier gelegen, was
de wagen, op raad van Jan, op eene daar liggende veerpont naar den
anderen oever overgezet. Dit was eene goede voorzorg, want de _Schoone
Zwerfster_ had nu slechts de rivier te volgen om langs den kortsten
en den gemakkelijksten weg een gedeelte van het russische gebied van
Alaska te bereiken, dat een eind over de grens van Columbia uitsteekt.
Bovendien was het toeval Cascabel gunstig geweest en had hij eenen
gids ontmoet, die zich bereid verklaard had hem den weg tot aan de
russische grens te wijzen. Dit was een brave indiaan en zij hadden
geen reden om spijt te hebben over het vertrouwen dat zij in hem
stelden. Natuurlijk kostte het weder eenig geld, maar het was beter
een dollar of wat meer uit te geven dan zuinig te zijn ten koste van
de veiligheid en den spoed.
De gids heette Ro-No en behoorde tot een der stammen wier _tyhis_,
dat wil zeggen wier opperhoofden, in levendig verkeer met europeanen
zijn. Dit is een geheel ander soort van indianen dan de Tchilicotten,
die tot een valsch, wreedaardig, woest en trouweloos menschenras
behooren, en voor wie de reizigers in het noordwesten van Amerika
niet genoeg op hunne hoede kunnen zijn. Nog in 1864 hebben deze
straatroovers het geheele personeel, dat bezig was met opmetingen
voor het aanleggen van eenen spoorweg op de kust van Bute, helpen
vermoorden. Ook de ingenieur Wadington, wiens dood in de geheele
kolonie betreurd werd, was in hunne handen gevallen en ellendig
omgebracht. In dien tijd, werd er verhaald, hadden de Tchilicotten
het hart van een hunner slachtoffers uit zijn lichaam gescheurd
en verslonden, zoodat zij toen nog op ééne lijn stonden met de
menscheneters op de afgelegen eilanden in Polynesië.
Jan had eene beschrijving van deze wreedheden gelezen in het verhaal
der reis van Frederick Whymper door Noord-Amerika en zijnen vader
gewaarschuwd voor eene mogelijke ontmoeting met de Tchilicotten;
maar zij hadden samen afgesproken daar niets van aan de anderen te
vertellen, ten einde hen niet noodeloos ongerust te maken. Bovendien
waren deze Roodhuiden sedert deze gebeurtenissen voorgevallen waren,
voorzichtig op eenen afstand gebleven, want eenige hunner, van wie
bewezen was dat zij de meeste schuld aan deze euveldaden hadden,
waren door beulshanden opgeknoopt. Dit had een heilzamen schrik
teweeggebracht en de gids Ro-No verzekerde ten stelligste dat de
karavaan op haren verderen tocht door Britsch-Columbia niets te
vreezen had.
Het weder bleef bij voortduring gunstig en des middags tusschen
twaalven en tweeën begon het reeds ter dege warm te worden. Aan alle
takken prijkten de berstende en met sappen gevulde knoppen; nog een
korten tijd en de eerste bladeren en bloemen zouden het woud met de
teedere kleuren der lente sieren.
Het landschap vertoonde nu de eigenaardige karaktertrekken aan
noordelijke landen eigen. De Frazer-vallei wordt ingesloten door
wouden, waarin de boomsoorten van het Noorden de bovenhand hebben. Dit
zijn ceders en dennen, en eene pijnboomsoort, Douglas genaamd,
waaronder stammen gevonden worden van vijftien meters omtrek op den
grond en van meer dan honderd voet hoogte. In bosschen en beemden
wemelde het van wild en Jan behoefde niet ver af te dwalen om dagelijks
in de behoeften der keuken te voorzien.
Het land was voor het overige niet woest of verlaten. Dikwijls trokken
zij dorpen voorbij waar de Indianen het vrij goed met de engelsche
ambtenaren schenen te kunnen vinden. In de rivier vertoonden zich
heele vloten van cederhouten vaartuigen die zich lieten afdrijven op
den stroom of er tegen opvoeren met kracht van pagaaien en zeilen.
Dikwijls kwamen zij ook troepen Indianen op weg naar het Zuiden
tegen. Zij liepen in hunne witte wollen mantels gewikkeld en
wisselden gewoonlijk eenige woorden met mijnheer Cascabel, die hen
reeds eenigszins begon te verstaan, want zij spraken een zonderling
mengelmoes van talen, samengesteld uit woorden van franschen en
engelschen oorsprong, ofschoon de inlandsche taal er natuurlijk de
grondstof van uitmaakte.
--Mooi zoo! riep Cascabel uit. Nu spreek ik al Chinouk! Dat is alweder
eene taal, die ik versta, zonder haar ooit geleerd te hebben.
Alle volksstammen in het hooge Westen van Amerika, deelde Ro-No hun
mede, spreken de Chinouktaal, die tot in de landen van Alaska verstaan
en gesproken wordt.
Onnoodig te zeggen, dat, dank zij de vroege warmte, die dit jaar
was ingevallen, de sneeuw overal gesmolten was. Anders blijft zij
somtijds nog in het begin van April liggen. Alles werkte dus samen om
hunne reis voorspoedig te maken. Cesar ontzag zooveel als noodig was
zijne paarden, maar zette er toch den meest mogelijken haast achter,
ten einde zoo spoedig mogelijk het grondgebied van Columbia achter
den rug te hebben. Het werd voortdurend warmer en dit konden zij ook
merken aan het steeds toenemende aantal muggen, die eindelijk bijna
onverdragelijk werden. Het was niet mogelijk de _Schoone Zwerfster_
voor deze beesten gesloten te houden, ook al werd er zoodra het donker
begon te worden, in het geheel geen licht meer opgestoken.
--Die satansche beesten! riep Cascabel op eenen avond uit, nadat hij
zich te vergeefs in het zweet gewerkt had om ze weg te jagen.
--Ik zou wel eens willen weten waar die ellendige muggen toe dienen,
zeide Sander.
--Zij dienen... om ons opteëten, antwoordde Kruidnagel.
--Maar ook om de engelschen hier in Columbia te verslinden, voegde
Cascabel er bloeddorstig bij. Daarom, kinderen, mag er geene mug meer
doodgemaakt worden. Die engelschen kunnen er nooit genoeg last van
hebben en dat is het eenige wat mij eenigszins troost.
Met de jacht bleef het steeds voorspoedig gaan. Het wild was zoo
overvloedig, dat de herten in het gezicht van den wagen buiten den
zoom van het woud in de vlakte kwamen om in de rivier hunnen dorst te
lesschen. Door Wagram trouw bijgestaan, schoot Jan er verscheidene,
zonder zich verder van den wagen te verwijderen dan de voorzichtigheid
toeliet, want zijne moeder was altijd angstig als hij lang uit zicht
bleef. Ook Sander ging somtijds mede op de jacht en werd door zijn
ouderen broeder in de eerste beginselen daarvan onderwezen. Het was
dikwijls moeilijk uit te maken wie het vlugst was, de jongste der
beide Nimrods of hun jachthond.
Het duurde echter lang eer Jan grooter wild wist te bemachtigen dan
herten, maar eindelijk kreeg hij een bison onder schot. Dit was geen
gemakkelijke prooi. Bij het eerste schot werd het dier alleen gewond;
het kwam woedend op hem af en ofschoon hij het nog een tweeden kogel
in den kop joeg, bleef het doorloopen totdat het vlak bij hem was en
de hoorns hem bijna raakten. Toen eerst viel het neder. Natuurlijk
vertelde hij aan de anderen niets van het gevaar dat hij geloopen had,
maar het groote beest, dat met zijn dikke manen veel van een leeuw
had en op eenige honderd schreden van de Frazer-rivier gevallen was,
woog zoo zwaar dat zij de paarden van den wagen moesten spannen om
het weg te sleepen.
De bison is een herkauwend dier, dat door de Indianen op verschillende
manieren benuttigd wordt en dat zij met de lans en met pijlen te
lijf gaan. De huid gebruiken zij om op te slapen of als deken, of zij
verkoopen die voor een twintigtal piasters. Het vleesch wordt in de
zon gedroogd en daarna in lange repen gesneden, in welken staat het
maanden lang bewaard kan blijven om in tijden van schaarschte tot
voedsel te dienen.
Europeanen lusten in den regel van de bison alleen de tong, maar
dit is dan ook eene bijzonder fijne lekkernij. Onze reizigers lieten
het echter niet bij de tong. Cornelia wist het vleesch op allerlei
manieren te koken, te braden, te roosteren en te stoven, en zoodoende
kon het voor verscheidene maaltijden dienen en was ieder er over uit,
dat het best smaakte. Van de tong was er voor allen maar een klein
stukje, maar dat werd zoo lekker gevonden, dat allen betuigden nog
nooit iets fijners geproefd te hebben.
Gedurende de eerste veertien dagen van den tocht door Columbia
gebeurde er niets anders, dat de moeite waard is vermeld te worden,
alleen begon er reeds verandering in het weer te komen. Het zou niet
lang meer duren, of hun tocht naar het Noorden zou door de zware
regens zoo niet belet, dan toch bemoeilijkt worden.
Onder deze omstandigheden stond het te vreezen dat de Frazer-rivier
tengevolge van den aanhoudenden was buiten hare oevers treden zou,
hetgeen voor de _Schoone Zwerfster_ eene ernstige, ja misschien eene
onoverkomelijke hinderpaal had kunnen worden.
Gelukkig echter rees het water in de rivier tengevolge van den
geweldigen regen wel hoog, maar niet ver boven de oevers, zoodat de
vlakte, welke anders ondergeloopen zou zijn tot aan den zoom van het
woud dat evenwijdig aan de rivier liep, grootendeels droog bleef. Niet
dan langzaam kwam de wagen vooruit, want de wielen kleefden vast
aan den doorweekten grond; maar onder het waterdichte dak vonden
de reizigers eene veilige schuilplaats tegen regen en wind. Het was
trouwens niet de eerste maal dat zij onder soortgelijke omstandigheden
de goede eigenschappen van de _Schoone Zwerfster_ op prijs hadden
leeren stellen.
VII.
DWARS DOOR CARIBOU.
Hoe jammer, dat onze brave Cascabel niet eenige jaren vroeger het
gedeelte van Britsch-Columbia bezocht had, dat zich thans voor
hem uitstrekte! Hoe jammer dat zijn zwervend gelukzoekersleven hem
niet derwaarts gevoerd had in eenen tijd, toen de bodem met goud als
bedekt lag en de menschen het slechts hadden opterapen! Waarom was het
tafereel, dat Jan zijnen vader schetste van dien verwonderlijken tijd,
een beeld van hetgeen geweest was en niet van het tegenwoordige?
--Hier hebben wij nu Caribou, vader, zeide Jan. Maar misschien weet
gij niet wat Caribou is?
--Ik heb er niet het minste vermoeden van, was Cesar's antwoord. Is
het een beest op twee of op vier pooten?
--Wat, een beest? riep Napoleona. Toch geen verscheurend dier? Is
het groot en bijt het?
--Het is in 't geheel geen beest, hernam Jan; het is eenvoudig
een land dat zoo genoemd wordt, en wel het goudland, Columbisch
Eldorado. Hoeveel schatten er verborgen lagen en hoeveel lieden er
rijk geworden zijn....
--En hoeveel anderen er dood-arm werden, viel zijn vader hem in
de rede.
--Dat is waar, vader, en ik moet er bijvoegen dat dit met de meesten
het geval was. Maar er waren toch ook mijnwerkersvereenigingen die
een gewicht van een paar duizend marken aan goud iederen dag uit den
grond haalden. In eene der Caribou-valleien, Williams-creek genaamd,
vonden zij het bij handenvol tegelijk!
Hoe overvloedig echter het edele metaal in dit goudland opgehoopt lag,
de toeloop van menschen om het te plunderen was nog grooter. Door
deze opeenhooping, waaronder zich allerlei gemeen gespuis bevond,
werd het leven er uiterst bezwaarlijk en de prijs van alles verbazend
hoog. Eten en drinken waren bijna niet te betalen, een pond brood
kostte een dollar. Te midden der dichte menschenmassa ontstonden
allerlei besmettelijke ziekten. Kortom, de meesten die naar Caribou
gestroomd waren, vonden er niets dan ellende en dood. Dat is echter
het geval in al die goudlanden, in Californië en Australië zoo goed
als hier.
--Het zou toch wel aardig zijn, vader, zeide Napoleona, zoo'n bonk
goud op den weg te vinden.
--Wat zou je daar meê doen, kleuter?
--Wat zij er mêe doen zou? vroeg Cornelia. Zij zou het aan haar
moedertje geven, die er wel een zak mooie blinkende goudstukken voor
zou weten te krijgen.
--Wij moeten maar goed zoeken, zeide Kruidnagel, dan vinden wij
stellig iets, of het moest zijn....
--Of het moest zijn dat wij niets vonden, wilt ge zeker zeggen? viel
Jan hem in de rede. Dat is het juist wat er gebeuren zal, want de
kas is zoo ledig als eene kas maar bij mogelijkheid zijn kan.
--Nu, nu, zeide Sander nog, men kan toch nooit weten!
--Heiwat kinderen! begon nu vader Cascabel met zijne meest
indrukwekkende stem. Ik verbied u allen op die manier rijk te
worden. Geen goud afkomstig uit een engelschen grond! Foei! Laat
ons snel maken dat wij voortkomen en ons niet ophouden om eene klomp
opterapen, al was zij zoo groot als Kruidnagel zijn hoofd! Eenmaal
aan de grens, kinderen, al staat daar ook geen bord met het opschrift:
»Voeten vegen s. v. p.," zullen wij het stof van onze schoenen kloppen,
teneinde geen korrel van den Columbiaanschen grond mêe te dragen.
Die Cesar Cascabel bleef in dit opzicht altijd dezelfde! Maar de
goede man had ditmaal mooi praten, want er bestond heel weinig kans
dat iemand meer een klompje goud op den weg zou tegenkomen.
Dit nam echter niet weg dat er ondanks het strenge verbod nog dikwijls,
zoo lang zij in deze streek waren, met onderzoekende blikken naar den
grond gekeken werd. Er lag geen keisteen langs den weg af Napoleona,
maar vooral Sander, dacht dat het een brok goud was. Waarom zou dat
niet kunnen? Is Amerika niet van alle landen ter wereld het rijkste
aan edel metaal, rijker dan Australië, Rusland, Venezuela of China?
Intusschen was de regentijd ingetreden. Geen dag ging er voorbij of
het stortregende. Natuurlijk werden de wegen daar niet beter op en
ging het rijden hoe langer hoe bezwaarlijker.
De indiaansche gids drong er op aan dat zij spoed zouden maken
want hij vreesde dat de kleine riviertjes of beken, die zich in
de Frazer-rivier storten en die in den zomer bijna droog loopen,
tengevolge van den regen ondoorwaadbaar zouden worden. Gebeurde dit,
hoe moesten zij er dan over komen? Er bestond in dat geval veel kans
dat de _Schoone Zwerfster_ gedurende al de weken dat de regen aanhield,
aan ééne plaats gekluisterd zou blijven. Iedere dag dat zij eerder
buiten de Frazer-vallei kwamen, was dus als winst te beschouwen.
Zooals wij reeds verteld hebben had de karavaan van de indiaansche
stammen, sedert de roofzuchtige Tchilicotten naar het Oosten
teruggedrongen waren, niets meer te vreezen. Dit was eene reden tot
gerustheid, maar daarentegen waren er nog wilde beesten, onder anderen
beren, die in eene afgelegene vallei, aan verschillende zijden door
water omringd, als zij door honger gekweld werden, voor reizigers
lastig konden wezen.
Zoo iets ondervond Sander bij zekere gelegenheid, toen hij bijna het
slachtoffer werd van zijne ongehoorzaamheid aan zijnen vader.
Dit gebeurde in den namiddag van den 17den Mei. Zij hadden den wagen
doen stil houden op een vijftig schreden van een riviertje dat zij
bijna droogvoets waren overgekomen. Het lag tusschen hooge oevers
ingesloten en zou dus een onoverkomelijk beletsel geweest zijn indien
het door een plotselingen was tot eenen stroom was aangezwollen.
Zij zouden daar een paar uren rust houden. Jan ging dus vooruit om te
zien of hij niet wat schieten kon. Sander kreeg last bij den wagen
te blijven, maar hij stoorde zich daar niet aan, ging de beek weder
over zonder dat iemand het merkte en wandelde den kant op dien zij
afgekomen waren, met niets bij zich dan een touw van een voet of
twaalf lengte, dat hij als een gordel om zijn middel gewonden had.
De knaap had een plannetje gemaakt. Onder weg had hij eenen vogel
met schitterende veeren zien zitten. Dien wilde hij weder trachten te
vinden om zijn nest uittehalen. Het touw had hij medegenomen teneinde
het te gebruiken om als het noodig was in eenen boom te kunnen klimmen.
Dit was lang niet voorzichtig, te meer dewijl het weder er alles
behalve gunstig uitzag. Donkere wolken kwamen van alle kanten opzetten
en er was blijkbaar een onweder in aantocht. Maar houd eens een jongen
tegen die een vogelnestje wil gaan uithalen!
Al voortloopende geraakte Sander spoedig midden in het dichte woud,
waarvan de voorste boomen tot aan den linkeroever der beek stonden. Hij
had zijnen vogel weder in het oog gekregen, maar het dier fladderde
van den eenen tak naar den anderen, als wilde het hem steeds verder
van den weg lokken.
Sander dacht aan niets dan zijne prooi en vergat dat de _Schoone
Zwerfster_ reeds over twee uren weder op weg moest. Twintig minuten
nadat hij het riviertje overgegaan was, bevond hij zich reeds een
goede halve mijl in het bosch. Hier was geen spoor van eenen weg meer;
tenauwernood een pad tusschen de dennen- en cederboomen, telkens door
kreupelhout versperd.
De vogel vloog, luid zingende, tusschen de boomen rond en Sander liep
hem na zoo hard hij kon, springende als een jonge kat. Het baatte
echter niets. Eindelijk verloor hij den vogel tusschen het dichte
groen uit het oog.
--Loop naar de maan! riep hij, ziende dat het nutteloos was zijnen
tocht voort te zetten.
Nu bemerkte hij eerst dat de lucht geheel met zware wolken overdekt
was geworden. Reeds lichtte het van tijd tot tijd te midden van het
dichte groen.
Dat was de flikkering der eerste bliksemstralen, die spoedig door
het gerommel van den donder gevolgd werden.
--Ik moet maken dat ik wegkom; dacht de knaap; maar wat zal vader
wel zeggen?
Op dit oogenblik werd zijne aandacht getrokken door eenen steen van
zonderlingen vorm, zoo groot ongeveer als een pijnappel, waar zich
hier en daar metaalachtige stippen op vertoonden.
Dat was genoeg om Sander te doen denken dat het een klomp goud kon
zijn, die de goudgravers hier hadden laten liggen. Met eenen kreet
van vreugde raapte hij den steen op, bekeek hem van alle kanten en
stak hem in zijn zak, met het stellige voornemen echter om er niemand
iets van te vertellen.
--Wij zullen later wel eens zien wat zij zeggen zullen, dacht hij,
als ik er klinkende munt voor in de plaats heb gekregen!
Nauwelijks had hij zijne kostbare vondst bij zich gestoken of het
onweder barstte in volle hevigheid los. Op eens liet zich tusschen
het rommelen der donderslagen, dat van alle zijden door de bergen
weerkaatst werd, een hevig gebrul hooren.
Een twintigtal schreden van Sander af vertoonde zich buiten een
kreupelboschje een groote beer, van de soort die in Noord-Amerika
_grizzly_-beer genoemd worden.
Sander was niet bang van aard, maar nu zette hij het toch zoo hard
hij kon op een loopen, den kant van het riviertje op. De beer hem
na. Gelukte het den knaap bijtijds aan de beek te komen en den anderen
oever te halen, dan was hij in veiligheid. De anderen zouden den beer
wel aan den kant van het riviertje op eenen afstand houden, of indien
zij er kans toe zagen hem neerschieten. Zijne huid was geld waard.
Maar het stortregende, de bliksemstralen volgden elkander op, de donder
was geen oogenblik van de lucht. Sander was reeds tot op het lijf toe
nat, zijne doorweekte kleederen maakten het loopen hem moeielijk,
ieder oogenblik dreigde hij op den glibberigen grond uitteglijden,
en indien hij viel, was de beer hem dadelijk op het lijf. Gelukkig
gebeurde dit echter niet. Na bijna een kwartier loopens kwam hij
ademloos aan den oever der beek.
Hier echter kon hij niet verder. Het riviertje was in een woesten
stroom veranderd, het water tot aan den oeverrand gerezen, rotsblokken,
boomtakken, heele stammen werden in woeste vaart er in medegesleurd. In
dien draaikolk te springen, was een wissen dood te gemoet gaan. Op
redding bestond niet de minste kans.
Terugkeeren dorst Sander niet. De beer was hem dicht op de hielen. De
reizigers en de _Schoone Zwerfster_, die hij tusschen de boomen
ternauwernood zien kon, kon hij niet te hulp roepen.
De zucht tot lijfsbehoud deed hem, bijna zonder er over te denken, het
eenige middel aangrijpen waardoor hij misschien behouden kon blijven.
Een pas of vijf van hem vandaan stond een groote cederboom, waarvan
de onderste takken over de beek heen hingen.
De knaap vloog naar den stam, die gelukkig niet al te dik was. Hij
sloeg zijne armen er om heen, trok zich aan de uitstekende punten in
de schors naar boven en kwam zoodoende tot het punt waar de stam zich
splitste. Vandaar klom hij tusschen de takken verder naar boven. Een
aap zou het hem niet verbeterd hebben, maar men moet bedenken dat
onze jonge kunstenmaker aan zulke lichaamsoefeningen gewoon was. Nu
geloofde hij zich in veiligheid.
Daarin vergiste hij zich echter. De beer was eerst eene poos bij
den boom blijven staan, maar maakte zich nu ook gereed er in te
klimmen. Hem te ontkomen was moeielijk, want eenmaal aan 't klauteren,
kon het beest evengoed als Sander tusschen de bovenste takken komen.
Maar Sander behield zijne tegenwoordigheid van geest. Niet voor niets
was hij de zoon van den vermaarden Cascabel en gewend zich uit allerlei
moeilijkheden te redden.
Hij moest zien dat hij weer uit den boom en de beek overkwam. Maar
hoe? De regen bleef bij stroomen neervallen, ieder oogenblik wies
het water, reeds stond het hooger dan de tegenover liggende oever en
stroomde het den kant uit waar de wagen was blijven staan.
Om hulp roepen kon hem niet baten, want er was geen mogelijkheid dat
zijne kreten te midden van het geweld van storm, regen en stroom
gehoord werden. Bovendien, wanneer Cascabel, Jan of Kruidnagel op
de gedachten mochten zijn gekomen om den afwezige te gaan zoeken,
dan moesten zij den anderen kant opgegaan zijn, maar zouden zij zeker
niet de richting der beek gevolgd hebben, welke zij niet konden weten
dat Sander weer overgegaan was.
Intusschen was de beer reeds aan 't klimmen, wel langzaam, maar
hij kwam toch vooruit. Reeds was hij bijna aan de splitsing van den
stam. Sander trok zich op naar de hoogere takken.
Op eens kreeg de knaap eenen inval. Enkele takken van den cederboom
hingen tot op eenen afstand van een voet of tien boven de beek. Haastig
rolde hij het touw los dat hij om zijn middel gebonden had, maakte
daar eene lus in en wierp die om het uiteinde van een der overhangende
takken. De lus hield en hij trok den tak naar zich toe, zoodanig dat
die overeind kwam te staan.
Dat alles gebeurde in weinige oogenblikken, behendig en met slim
overleg.
Hij had geen tijd te verliezen. Reeds was de beer boven de benedenste
takken, reeds klauterde hij van den eenen tak op den anderen.
Toen klemde Sander zich stevig vast aan het uiteinde van den
overeindstaanden tak en liet dien daarna terugspringen alsof het
een veer was. Als een steen, die uit een katapult geslingerd wordt,
vloog hij over de beek heen. Hij maakte nog eenen luchtsprong en kwam
op den rechteroever te land, terwijl de beer, heelemaal overbluft,
zijne prooi die hem door de lucht ontsnapte nastaarde.
--Zoo'n straatjongen!
Met deze woorden verwelkomde hem vader Cascabel, die den
onvoorzichtigen knaap in alle richtingen tevergeefs gezocht had
en juist op dit oogenblik met Jan en Kruidnagel aan den oever der
beek kwam.
--Kwajongen, herhaalde hij, wat een angst hebben wij uitgestaan!
--Ja vader, ik heb een pak slaag verdiend, antwoordde Sander. Sla er
maar op!
Maar Cascabel dacht niet aan slaag. Hij pakte den jongen op en omhelsde
hem, terwijl hij zeide:
--Pas op dat je het niet weer doet, want dan.....
--Dan geeft u me toch wéér een zoen! zei Sander, terwijl hij zelf
zijnen vader om den hals pakte.
Op eens riep hij:
--Kijk dien beer eens! Hij staat te kijken of hij van Lotje getikt is,
zoo'n lummel!
Jan had wel lust gehad het beest, dat zich langzaam verwijderde,
eenen kogel achterna te sturen, maar er viel niet aan te denken om
het te vervolgen. Het water bleef steeds wassen, zij hadden niets
beters te doen dan te maken dat zij wegkwamen en allen keerden dus
naar de _Schoone Zwerfster_ terug.
VIII.
HET "SCHURKENDORP".
Acht dagen later, den 26den Mei, kwam de reiswagen in de nabijheid
der bronnen van de Frazer. Het was dag en nacht blijven doorregenen,
maar nu, meende de gids te kunnen verzekeren, kon het niet lang meer
duren of er moest verandering van weer komen.
Zij trokken de rivier bij haren oversprong over, waar het terrein
weder in hooge mate golvend was. Daarna gingen zij met de _Schoone
Zwerfster_ recht den kant van het Westen op.
Nog een dag of wat rijdens en de karavaan zou aan de grens van
Alaska komen.
Sedert eene week hadden zij geen dorp of gehucht meer op hunnen weg
ontmoet. Over de diensten van den indiaan Ro-No konden zij niet anders
dan tevreden zijn; hij kende het land op een prik.
Dien dag waarschuwde de gids Cascabel, dat het misschien niet kwaad
zou zijn een etmaal rust te houden in een nabijgelegen dorp, want
dat de paarden zichtbaar moede waren en het dus wel noodig hadden.
--Wat is dat voor een dorp? vroeg Cascabel, die alles wat in
Britsch-Columbia was nog altijd wantrouwde.
--Het heet Schurkendorp, antwoordde de gids.
--Wat zeg je, Schurkendorp?