bergpas naar beneden nam eenen aanvang.
Dat ging maar al te gemakkelijk, helaas! Van eene helling af te komen
kost niet veel moeite; maar het was een treurige tocht in alle stilte,
die slechts van tijd tot tijd werd afgebroken als Cesar in eenen
stroom van verwenschingen zijn gemoed lucht gaf.
Tegen den middag kwam de _Schoone Zwerfster_ aan de hoeve, waar
niemand iets van de dieven wist. De eigenaar was woedend toen hij het
geval vernam, maar sloeg weinig acht op hetgeen de familie Cascabel
overkomen was. Dat zij bestolen was kon hem niet veel schelen;
hijzelf was zijne drie paarden kwijt! De booswichten waren zeker een
eind het gebergte ingevlucht en nu reeds aan de andere zijde van den
pas. Hen na te zetten was niet doenlijk. Het had er iets van alsof de
boer zelfs Cascabel nog aansprakelijk wilde stellen voor het stelen
zijner paarden.
--Neen maar, die is goed! riep Cesar uit. Waarom hebt ge zoo'n paar
schoeljes in dienst, en verhuurt gij ze aan menschen die hen meenen
te kunnen vertrouwen?
--Hoe kon ik dat weten? antwoordde de boer. Ik had nooit reden van
klagen over hen gehad. Zij kwamen uit engelsch Columbia....
--Wat, waren het engelschen?
--Zeker!
--In zoo'n geval, mijnheer, waarschuwt men de menschen, schreeuwde
Cascabel. Voor zoo iets had ik gewaarschuwd moeten worden!
Dit mocht zijn zooals het wilde, de diefstal was in elk geval gepleegd.
Moeder Cascabel was volkomen ontroostbaar, maar haar echtgenoot die
meer filozoof geworden was op zijne veeljarige omzwervingen, kreeg
betrekkelijk spoedig zijne kalmte terug.
Alle leden van het gezin kwamen in de _Schoone Zwerfster_ bijeen
teneinde te overleggen wat hun te doen stond. Uit die beraadslaging,
zeide mijnheer Cascabel met eene deftigheid die bewees dat hij reeds
de oude weder geworden was, kon niet anders dan »eene allergewichtigste
beslissing« voortvloeien.
--Kinderen, zeide hij, er komen in het leven omstandigheden voor waarin
een verstandig man moet weten wat hem te doen staat, en ik heb ook
opgemerkt dat dit in den regel onaangename omstandigheden zijn. Dat is
ook het geval met die waarin wij ons op het oogenblik bevinden door de
schuld van die gemeene smeerlappen van engelschen... _Englishmen_,
zooals ze zich noemen!... Hierover lang te praten baat echter
niets, vooral niet omdat er maar één plan overblijft dat wij kunnen
uitvoeren,... en dat zullen we ook uitvoeren!
--Wat is dat dan? vroeg Sander.
--Ik zal er terstond toe overgaan u op de hoogte te brengen van hetgeen
ik in mijn hoofd heb, antwoordde zijn vader. Maar om te weten of het
uitvoerbaar is, moet Jan beginnen met dat ding voor den dag te halen
waar de kaarten in zijn.
--Mijn atlas bedoelt gij?
--Jawel, jawel, uw atlas. Van aardrijkskunde moet ge meer weten dan
een van ons allen. Voor den dag dus met uw atlas.
--Ik zal hem krijgen vader.
De atlas werd gehaald en op de tafel opengelegd. Toen hervatte papa
Cascabel:
--Het spreekt van zelf, kinderen, dat ofschoon die fielten van
engelschen--dat ik niet aan hun boeventronies gezien heb dat het
engelschen waren!--met onze geldkist op den loop zijn--dat ik ook
op het denkbeeld komen moest om er eene geldkist op na te willen
houden!--het spreekt van zelf, herhaal ik, dat wij desniettemin ons
plan niet opgeven om naar Europa terugtekeeren....
--Het opgeven?... Dat nooit! bevestigde zijne vrouw.
--Goed geantwoord, Cornelia. Wij willen naar Europa en wij zullen
er komen! Wij willen Frankrijk terugzien en wij zullen het! Dat zoo
'n paar bandieten ons bestolen hebben, is geen reden.... Ik tenminste
moet naar mijn land terug of ik ga dood....
--Gij moogt niet dood gaan, Cesar! Wij zijn eenmaal op weg naar Europa
en wij keeren niet weer terug...
--Alles goed en wel, vroeg Jan, maar hoe? Op welke manier zullen wij
er komen?
--Ja, op welke manier, dat is de vraag... hernam Cascabel, terwijl hij
zich achter het oor krabde. Wij kunnen wel, met onderweg voorstellingen
te geven, dagelijks zooveel verdienen als noodig is om te New-York
te komen; maar eenmaal met onze _Schoone Zwerfster_ dáár aangeland,
hebben wij geen geld om onze plaatsen op de stoomboot te betalen.... En
zonder stoomboot zie ik geen kans om aan den overkant te komen,
of het moest zijn door zwemmen. Dit nu lijkt mij nog al bezwaarlijk....
--Dat is inderdaad heel moeielijk, patroon, bevestigde
Kruidnagel,... of wij moesten zwemvliezen hebben....
--Welnu, heb jij die?
--Zoover ik weet, niet....
--Houd dan je mond en luister.
Daarop richtte hij het woord meer rechtstreeks tot zijn oudsten zoon.
--Maak open die atlas, Jan! Laat ons op de kaart zien waar wij zijn!
Jan zocht de kaart van Noord-Amerika op en spreidde die
uit. Nieuwsgierig keken de anderen, toen hij met den vinger op een
punt in de Sierra Nevada wees, een klein eind oostelijk van Sacramento.
--Hier is de plek, zeide hij.
--Best, hernam Cesar. Wanneer wij dus onzen tocht over het gebergte
hadden voortgezet, zouden wij het geheele grondgebied der Vereenigde
Staten tot New-York toe hebben moeten doortrekken?
--Natuurlijk, vader.
--Hoeveel mijlen is dat?
--Ongeveer dertienhonderd.
--Onthoud dat! Vervolgens hadden wij den Oceaan over moeten varen?
--Dat kon niet anders.
--Hoeveel mijlen varens is dat weer?
--Ten naasten bij negenhonderd, tot aan het vasteland van Europa.
--En eenmaal in Frankrijk, zouden wij zoo goed als in Normandië
geweest zijn, niet waar?
--Op eene kleinigheid na.
--Hoeveel is dat nu samen?
--Tweeëntwintighonderd! riep Napoleona, die het al op hare vingers
had uitgerekend.
--Kijk zoo'n kleuter! zeide mijnheer Cascabel. Dat kan ook al
cijferen..... Is het zoo, twee duizend twee honderd mijlen?
--Ten naasten bij vader, bevestigde Jan, en dan rekenen wij
ruimschoots.
--Welnu kinderen, dat eind zouden wij met onze wakkere _Schoone
Zwerfster_ wel kunnen afleggen, als er maar geene zee lag tusschen
Amerika en Europa, een eeuwig groote waterplas dien wij over
moeten. Zonder geld, dat wil zeggen zonder stoomboot, komen wij niet
aan den overkant....
--Of wij moesten zwemvliezen hebben, viel Kruidnagel in de rede.
--Daar heb je hem weer met zijn zwemvliezen! zei Cascabel, terwijl
hij zijne schouders ophaalde.
--Dus is het duidelijk, merkte Jan op, dat wij den kant van het Oosten
onmogelijk op kunnen.
--Onmogelijk mijn jongen, ten eenenmale onmogelijk! Maar zouden wij
er in westelijke richting niet kunnen komen?
--In westelijke richting? vroeg Jan verbaasd.
--Ja zeker! Kijk eens na waar wij terecht zullen komen als wij den
kant van het Westen opgaan?
--Dan zouden wij eerst Californië en Oregon, en vervolgens het
territorium Washington door moeten tot aan de noordelijke grens van
de Vereenigde Staten.
--En vervolgens?
--Vervolgens door Engelsch Columbia.....
--Bah! zeide Cascabel met een vies gezicht. Zit er niets anders op
dan dat wij door dat stuk van Engeland trekken?
--Onmogelijk, vader.
--In 's hemels naam dan. En verder!
--Achter de noordelijke grens van Columbia ligt de provincie Alaska....
--Is die ook al van de engelschen?
--Neen, van de russen--ten minste op het oogenblik nog, want er is
sprake van haar intelijven.
--Bij Engeland?
--Neen, bij de Vereenigde Staten.
--Dat doet mij pleizier! Wat komt er achter Alaska?
--Daar ligt de Behringstraat, die het vasteland van Amerika van dat
van Azië scheidt.
--Hoeveel mijlen is dat, van de plek waar wij ons thans bevinden tot
aan die Behringstraat?
--Elfhonderd mijlen.
--Onthoud dat, Napoleona. Straks moogt ge weder optellen.
--En wat moet ik doen? vroeg Sander.
--Je moogt het natellen.
--Vertel mij nu eens, Jan, hoe breed de Behringstraat wel zijn kan?
--Nagenoeg twintig mijlen, vader.
--Twintig mijlen! merkte moeder Cascabel op.
--'t Is maar een sloot, Cornelia, niet veel meer ten minste.
--Nu ja, een sloot, maar dan toch een breede.
--Een sloot, zeg ik. Bovendien Jan, vriest die Behringstraat in den
winter niet dicht?
--Heelemaal vader. Gedurende vier of vijf maanden is het niets dan
een groot ijsveld.
--Prachtig! over het ijs te trekken is geen bezwaar.
--Wel neen, dat wordt ieder jaar gedaan.
--Dat is nog eens een pleizierige straat!
--Maar als wij daar overheen zijn, vroeg Cornelia, komt er dan in
't geheel geen zee meer?
--Neen, moeder. Van de Behringstraat af tot aan het Russische gebied
in Europa, ligt niets dan land.
--Laat ons dat eens op de kaart zien, Jan.
Jan zocht nu in den atlas de algemeene kaart van Azië op en Cascabel
bekeek die met aandacht.
--Dat ziet er niet kwaad uit, merkte hij op. Er zijn geloof ik niet
veel onbewoonde landen daar in Azië?
--Niet heel veel, vader.
--Maar waar ligt nu Europa?
--Hier, antwoordde Jan, terwijl hij met zijnen vinger op het
Oeralgebergte wees.
--Hoe ver is het wel van die straat.... hoe heet ze ook weer? ... van
die Behringsloot tot aan de Europeesche grens van Rusland?
--Dat schat ik op zestienhonderd mijlen.
--En van daar tot in Frankrijk?
--Nagenoeg zeshonderd.
--Hoeveel is nu het totaal van Sacramento af?
--Drieduizend driehonderd en twintig mijlen! riepen Sander en Napoleona
allebei te gelijk.
--Knap gecijferd kinderen, zeide hun vader tevreden. Derhalve naar
het Oosten tweeëntwintig honderd mijlen?
--Juist vader.
--En naar het Westen ongeveer drieëndertig honderd?
--Dat maakt elfhonderd mijlen verschil.....
--Zooveel is de westelijke weg langer, stemde Cascabel toe, maar dan
ligt er geene zee tusschen beide. Als men den eenen kant niet op kan,
kinderen, en er zijn er maar twee, dan kiest men den anderen. Ik stel
dood eenvoudig voor dat te doen!
--Kijk, dan reizen wij achterste voren, riep Sander.
--Niet achterste voren, maar den omgekeerden kant uit.
--Heel goed, vader, antwoordde Jan. Maar ik moet u doen opmerken
dat als wij den kant van het Westen opgaan, het niet mogelijk is die
zooveel langere reis nog dit jaar afteleggen, en wij dus eerst later
in Frankrijk kunnen komen.
--Dat zie ik nog niet in.
--Wel, elfhonderd mijlen is geen kleinigheid. De _Schoone Zwerfster_
zal het wel uithouden, maar onze paarden?
--Welnu kinderen, als wij dit jaar niet in Europa komen, dan komen
wij een jaar later, ziedaar alles! En nu ik er aan denk, zie ik er
nog iets beters in. Als wij Rusland doortrekken komen wij te Perm, te
Kasan, te Nisjni en op andere plaatsen, waar ik dikwijls van gehoord
heb. Daar zijn overal groote kermissen, wij kunnen er voorstellingen
geven en ik sta er voor in dat de familie Cascabel een goed figuur
zal maken en er niet met ledige beurs van daan zal komen!
Iemand die op alles een antwoord heeft, is door geen tegenspraak van
zijn denkbeeld terug te brengen.
Het gaat met een karakter even als met ijzer. Als het hard geslagen
wordt, trekt het zich samen, het wordt vaster, taaier en steviger. Met
onze wakkere kermiskunstenaars ging het niet anders. Jaren achtereen
hadden zij een moeielijk bestaan geleid en allerlei lotgevallen
ondervonden; ontelbaar waren de bezwaren die zij overwonnen hadden,
maar nooit hadden zij zulk eene bittere teleurstelling gehad als thans,
nu al hunne spaarpenningen in handen van roovers waren gevallen en de
terugreis naar hun land, langs den voorgenomen weg, eene onmogelijkheid
geworden was. Maar die laatste harde slag van het noodlot was zoo
ter dege aangekomen, dat zij zich nu ook sterk genoeg voelden om het
ergste wat hun nog overkomen kon, te trotseeren.
Cornelia Cascabel en de kinderen maakten dus niet het minste bezwaar
tegen het plan van het hoofd der familie. Toch was er moeielijk iets
buitensporigers te bedenken, en Cascabel zou zelf aan zoo iets bijna
onuitvoerbaars geen oogenblik gedacht hebben indien zijne begeerte om
naar Europa terug te keeren niet om zoo te zeggen een stuk van zijn
leven geweest ware. Daarom zag hij tegen niets meer op. Wat kon het
hem schelen of hij heel het Westen van Amerika en vervolgens Siberië
van het eene eind tot het andere door moest, nu dat de eenige weg
was die hem openstond om in Frankrijk te komen!
--Bravo, bravo! riep Napoleona in de handen klappende uit.
--Bis, bis! voegde Sander er bij, die geen ander woord kende om den
hoogsten graad van ingenomenheid uit te drukken.
--Zeg eens, vader, vroeg de kleine meid, zullen wij nu ook den czaar
van Rusland zien?
--Zeker kind. Tenminste als Zijne Majesteit naar de kermis te
Nisjni-Novogorod komt kijken.
--En zullen wij voor hem mogen werken?
--Dat kan wel gebeuren, als hij er pleizier in heeft.
--Dan krijgt hij van mij een zoen op zijn twee wangen.
--Misschien geeft hij er u maar één te zoenen, meidlief. Maar pas
dan op, als je hem beetpakt, dat je zijne kroon niet vuil maakt.
Kruidnagel--om van hem niet geheel te zwijgen--dacht bij zichzelf
dat er geen grooter genie op de wereld kon zijn dan zijn patroon.
De weg was dus duidelijk aangewezen. De _Schoone Zwerfster_ moest
Californië, Oregon en het Washington-territorium door tot aan de
grens die het amerikaansche van het engelsche gebied scheidt. Zij
hadden nog een vijftigtal dollars in kas, het eenige losse geld dat
gelukkig niet in de rampzalige geldkist geborgen was. Met dit sommetje
konden de dagelijksche uitgaven op reis niet lang bestreden worden,
en er werd dus bepaald dat de troep op ieder dorp en in elke stad,
waar zij doortrokken, eene voorstelling geven zou. Hiermede ging
eenige tijd verloren, maar dit kwam er niet op aan want zij moesten
in elk geval wachten tot de Behringstraat over hare geheele breedte
toegevroren zou wezen om met den reiswagen er over te kunnen. Dat
zou niet het geval zijn vóórdat zij zeven of acht maanden verder waren.
--De drommel moge mij halen, zeide Cascabel om de beraadslaging te
sluiten, als wij nog niet een aardigen stuiver ophalen vóór dat wij
aan het andere eind van Amerika zijn!
Het scheen wel min of meer twijfelachtig of er in de bovenste streken
van Alaska, waar niet veel andere bevolking gevonden wordt dan eenige
zwervende Indianen-stammen, veel »stuivers op te halen" zouden
zijn. Maar tot aan de westelijke grens der Vereenigde Staten, een
land waar de troep van Cascabel nog nooit zijne kunsten vertoond had,
zou het publiek stellig komen toestroomen, alleen reeds aangetrokken
door hun beroemden naam. De kas zou dus niet ongevuld blijven.
Eenmaal die grens over zijnde, lag echter het engelsche grondgebied
vóór hen. Daar waren steden genoeg, maar Cascabel zou liever honger
geleden hebben dan zich zóó diep te vernederen dat hij engelsche
schellingen of stuivers had moeten aannemen. Het hinderde hem al
genoeg, ja hij vond het bijna onverdragelijk dat de _Schoone Zwerfster_
en hare passagiers over eenen afstand van meer dan tweehonderd mijlen
eene britsche kolonie door moesten.
Op het vaste land van Azië, in Siberië, waar onafzienbare vlakten
zonder bewoners zich uitstrekken, konden zij niet veel anders ontmoeten
dan eenige zwervende benden Samojeden en Tchouktchis, die niet dan bij
uitzondering zich buiten hun onherbergzaam geboorteland vertoonen. De
kas zou daar dus zeker geen goede zaken maken, maar daar viel eenmaal
niets aan te doen.
Nadat alles afgesproken was, bepaalde Cesar dat de _Schoone Zwerfster_
reeds den volgenden ochtend vroeg haren tocht hervatten zou.
Intusschen was het tijd geworden voor het avond-eten. Cornelia ging
met haar gewonen ijver aan den arbeid en terwijl zij aan het bakken
en braden was, zeide zij tegen Kruidnagel, die weder als koksknecht
dienst deed:
--Dat is toch knap bedacht van mijnheer Cascabel, om langs dien
anderen weg in Europa te komen!
--Of het, juffrouw. Maar al wat de patroon in zijne braadpan... ik
wil zeggen in zijne hersenkas klaar maakt is knap!
--Denk eens aan, Nageltje, nu wij de zee niet over moeten, kunnen
wij ook niet zeeziek worden....
--Ten minste als het ijs in de Behringstraat niet op en neer gaat....
--Houd je mond, Nagel, of kraak geen kwade noten!
In dien tusschentijd voerde Sander eenige luchtsprongen uit tot groote
tevredenheid van zijnen vader, en maakte Napoleona een sierlijken
danspas, waarbij de honden haar op hunne achterpooten gezelschap
hielden. Er was reden om met nieuwen ijver aan het leeren te gaan,
want de voorstellingen moesten nu weer beginnen.
Op eens kwam Sander op eenen inval.
--Kijk, nù hebben wij niet eens gevraagd wat de paarden van die groote
reis denken.
Hij liep op eenen draf naar Vermout, en zeide:
--Zeg eens oude heer, wat denk je van zoo'n rit van een duizend mijl
of drie?
Vervolgens richtte hij tot Gladiator het woord:
--Wat zeg jij er van, met je stramme beenen?
De twee paarden begonnen allebei te hinniken, hetgeen beschouwd kon
worden als een bewijs dat zij het heel pleizierig vonden.
Nu was de beurt aan de honden:
--Wagram en Marengo, mijne goede vrienden, er is eene aardige wandeling
voor u in het verschiet.
Kwispelstaartend en blaffend sprong het tweetal tegen den knaap op. Er
viel geen oogenblik aan te twijfelen: die twee zouden meê loopen,
al was het tot het einde der aarde.
De aap mocht evenmin vergeten worden.
--Komaan mijnheer John Bull, geen vieze gezichten! Je zult vreemde
landen te zien krijgen, oude jongen! Als je het te koud krijgt,
zullen we je een pelsjas aantrekken. Kun je nog leelijke tronies
trekken? Pas op dat je dat niet afleert!
John Bull toonde op hetzelfde oogenblik dat hij die kunst nog verstond,
hetgeen de algemeene vroolijkheid nog vermeerderde.
Nu bleef alleen de papegaai nog over.
--Geachte Jako, begon Sander, je hebt nog geen woord gezegd. Je hebt
toch je tong niet verloren? Wij gaan een mooie reis doen Jako! Wat
zegt UEdele daarvan?
Uit de diepte van Jako's hoornigen snavel kwamen een aantal
raadselachtige geluiden, waarin de r's ratelden alsof ze door Cesar
Cascabel's machtige longen werden voortgebracht.
--Bravo! riep Sander, Jako geeft zijne tevredenheid te kennen! Hij
heeft duidelijk ja gezegd.
Met een aantal lucht- en duikelsprongen bekrachtigde Sander deze
verzekering, en zijn vader liet niet na hem daarover zijne tevredenheid
te betuigen.
Op dit oogenblik hoorden zij Cornelia roepen dat de tafel in den
wagen gedekt was.
Allen snelden toe; de eetlust had onder het gebeurde in het geheel
niet geleden en spoedig was er geen kruimel meer over.
Het was alsof zij geen van allen meer aan het ongeluk dachten, toen
Kruidnagel op eens zeide:
--Daar bedenk ik iets, patroon. Die twee schavuiten zullen leelijk
staan te kijken!
--Hoe zoo? vroeg Jan.
--Wel, zij weten het woord niet Waarmede het letterslot gesloten is
en kunnen dus de geldkist niet open krijgen.
--Daarom houd ik het er ook stellig voor dat zij het ding weer terug
zullen komen brengen, zeide Cascabel met een gullen lach.
Een wonderlijke kerel! Hij had het hoofd zoo vol met zijne nieuwe
plannen dat hij den diefstal bijna weer vergeten was.
V.
OP REIS!
Ja, zij waren op reis naar Europa, maar langs een weinig gebruikelijken
weg, die zeker niet aan te bevelen is voor reizigers die haast hebben.
--Toch hebben wij ook haast, merkte Cascabel op, maar om weer geld
te gaan verdienen!
Des ochtends van den 2den Maart werden Vermout en Gladiator voor de
_Schoone Zwerfster_ gespannen. Moeder Cascabel en haar dochtertje
gingen binnen, haar man en de twee knapen volgden te voet, Kruidnagel
mende, John Bull zat boven op den wagen en de honden liepen reeds
heen en weer. Voort ging het.
Het was heerlijk weder. De vroege lente deed de knoppen aan de heesters
openspringen. Het was alsof het voorspel reeds begonnen was van het
verrukkelijke schouwspel, dat het voorjaar in dit gezegende land
te zien geeft. Tusschen de twijgen van die boomen welke ook in den
winter hun groen niet verliezen, zaten vogels te zingen. Dat waren
steen-eiken, witte eiken en dennen, wier spitse uiteinden zich wiegden
boven het eerste loof der heesters. Hier en daar stonden ook groepjes
kleine kastanjeboomen en enkele manzanilles, waarvan de vrucht op
appelen lijkt, waar de Indianen dan ook eene soort appelwijn van maken.
Aan Jan was de taak opgedragen om op de kaart den weg te zoeken dien
zij aflegden. Maar bovendien rustte op hem in 't bijzonder de zorg voor
de provisiekamer, in dien zin dat hij maken moest dat er nooit gebrek
aan wild was. Marengo deed het zijne om te zorgen dat zijn baas dit
niet vergat. Dit was trouwens niet noodig, want waar iets te schieten
valt, zal geen echte jager noch zijn hond het wild met rust laten. Het
was dan ook eene uitzondering wanneer er voor moeder Cascabel niet
het een of ander te braden viel, een haas of eene kuif-patrijs,
een korhoen of een koppel van die bergkwakkels, wier schoone veêren
het oog bekoren, maar wier sappig vleesch nog streelender is voor
het verhemelte. Bleef het met de jacht zóó voordeelig gaan, ook op
de steppen van Alaska tot aan de Behringstraat toe, dan zouden zij
niet veel geld behoeven uittegeven om in hun dagelijksch onderhoud te
voorzien. Eenmaal in Azië gekomen, zouden zij misschien zooveel wild
niet meer ontmoeten, maar daar, in de onafzienbare vlakten van het
land der Tchouktchis, zouden zij op andere manieren aan den noodigen
leeftocht zien te komen.
Voorloopig ging alles dus naar wensch. Cascabel was er de man niet
naar om van de gunstige gelegenheid, die weer en wind op het oogenblik
aanboden, geen gebruik te maken. Zoo snel als de paarden wilden, ging
het vooruit. In dezen tijd van het jaar waren de wegen goed, maar
na eenige maanden zouden de harde regens in den herfst ze moeilijk
begaanbaar maken. Gemiddeld maakten zij zeven of acht mijlen in het
etmaal, met eene poos rust op het midden van den dag om te eten,
terwijl er te zes uur des avonds werd uitgespannen en alles voor den
nacht in gereedheid werd gebracht. Men moet niet gelooven dat dit land
weinig bewoond is. Op de akkers waren de landbouwers reeds aan het werk
om den vruchtbaren grond gereed te maken voor den najaars-oogst die
hier rijker vruchten afwerpt dan in eenig land ter wereld. Ook trokken
zij door een aantal gehuchten, dorpen en kleinere of grootere steden
hetgeen vooral het geval was naarmate de _Schoone Zwerfster_ dichter
in de nabijheid bleef van den linker oever der Sacramento-rivier. Dáár
toch is de streek, die vroeger als het goudland bij uitnemendheid
bekend stond en die nu nog den veelbeteekenenden naam Eldorado draagt.
Overeenkomstig hetgeen Cascabel, als aanvoerder van den troep, bepaald
had, werden er overal waar de gelegenheid zich daartoe aanbood,
voorstellingen gegeven. Zij hadden dit gedeelte van Californië nog
nooit bezocht en kijkgrage menschen zijn er in den afgelegensten
achterhoek te vinden. Te Placerville, te Aübüry, te Marysville, te
Tchama en op andere plaatsen van meer of minder beteekenis, vonden zij
eenen bijval die zich uitte in eenen regen van Amerikaansche centen,
welke langzamerhand aangroeiden tot een dozijn of wat dollars. Het
publiek begon juist genoeg te krijgen van het onveranderlijke
»Amerikaansche paardenspel" waardoor deze streken aanhoudend
afgereisd werden. Napoleona met hare aanvallige vlugheid, Sander
met zijne buigzame ledematen, Jan's bedrevenheid in het balanceeren,
Kruidnagel's komieke vergissingen en domme streken, dat alles werd
door de liefhebbers naar waarde geschat. Ook in de honden en den
aap, John Bull, had ieder pleizier. De oudste leden van den troep,
het echtpaar Cascabel, lieten zich bewonderen, Cesar om zijne groote
spierkracht, Cornelia in het worstelen met alle liefhebbers die zich
daartoe genegen toonden, waarbij wel te verstaan alleen de vlakke
hand als wapen gebruikt mocht worden.