van de _Schoone Zwerfster_ in vrijheid aan het grazen gelaten. Zelden
was het noodig ze vast te binden. In de uitgestrekte prairieën vonden
zij voedsel in overvloed, en na zich den buik volgegeten te hebben,
behoefden zij maar te gaan liggen om het even goed te hebben als in
eenen stal.
Aldus toegerust, met geweren en revolvers onder het bereik der
slapenden en met de twee honden als schildwachten, was de _Schoone
Zwerfster_ een even veilig als geriefelijk nachtverblijf.
Er waren reeds ontelbare mijlen mede afgereisd in de drie jaren dat zij
dienst had gedaan. Van New-York naar Albany, van Niagara naar Buffalo,
naar Saint Louis, naar Philadelphia, naar Boston, naar Washington,
langs de Mississippi naar Nieuw-Orleans, langs de spoorweglijn van de
Great-Trunk tot het hart van het Rotsachtige Gebergte, in het land
der Mormonen en tot achter in Californië! Het scheen wel voor eene
gezondheidsreis te mogen doorgaan, want niemand van den troep was ooit
een oogenblik ziek geweest, alleen de gulzige John Bull uitgezonderd,
die nooit eene gelegenheid verzuimde om zich de maag te overladen en
daar dan ook de gevolgen van ondervond.
Zij stelden zich er heel wat van voor, de _Schoone Zwerfster_ naar
Europa te brengen en met dit voertuig over de straatwegen van het
vaderland te rijden. Wat een bekijks zouden zij hebben in geheel
Frankrijk, vooral onder de landelijke bevolking. Cesar Cascabel dacht
aan niets anders dan aan zijn geliefd geboorteland, zijn Normandië,
dat hij zijn leven lang gehoopt had terug te zien en dat hij nu
werkelijk in zijne verbeelding reeds vóór zich had.
Te New-York aankomende, waren zij voornemens den reiswagen uit
elkaar te nemen en in te pakken en hem vervolgens als vrachtgoed
met de stoomboot naar Hâvre mede te nemen. Daar kon hij weer op de
wielen gezet worden en hoopten zij er de reis door Frankrijk mede
te aanvaarden.
Het geheele gezin, man, vrouw en kinderen had slechts éénen wensch:
den tocht te beginnen. Het was alsof hunne viervoetige vrienden hun
ongeduld deelden. Den 15den Februari, des ochtends heel in de vroegte
braken zij dus gezamenlijk van het pleintje te Sacramento op, sommigen
te voet, anderen in den wagen, ieder zooals het hem goed dacht.
Het weder was zeer koel, maar mooi. Onnoodig te zeggen dat er gezorgd
was voor den noodigen leeftocht, bestaande in ingelegd vleesch en
groenten. Zij rekenden er echter op dat de voorraad in steden en
dorpen, welke zij door moesten trekken, aangevuld zou kunnen worden,
en bovendien is er in deze streken overvloed van allerlei wild, bisons,
herten, hazen en patrijzen. Jan was een geoefend schutter en zou zijn
geweer niet laten roesten, terwijl hij voor geene jacht-akte behoefde
te zorgen want in de uitgestrekte prairieën van het verre Westen is
er geen koddebeier of veldwachter die u daar naar vraagt. De poedel
Marengo deugde voor dit soort van werk niet, maar de patrijshond
Wagram was zoo goed afgericht als de beste jachthond en nooit beter
in zijn schik dan wanneer hij een stuk wild achterna mocht zitten.
Buiten Sacramento gekomen, reed de _Schoone Zwerfster_ in de richting
van het Noord-Oosten. Zij wilden langs den kortsten weg de grens over
en het gebergte der Sierra Nevada doortrekken. Dit was ongeveer een
paar honderd kilometers, tot waar de Sonora-pas tusschen de bergen
doorgaat en in de onafzienbare vlakte aan de oostzijde uitkomt.
Deze streek was eigenlijk nog niet wat men het verre Westen noemt. Dáár
zijn de dorpen en gehuchten zeldzamer. Het was ook niet de prairie,
met haar onbegrensden gezichteinder, haar eindeloos grasveld,
bewoond door zwervende Indiaansche stammen, die naarmate de beschaving
voortschrijdt, meer naar de minst bevolkte gewesten van Noord-Amerika
worden teruggedrongen. Bijna dadelijk nadat zij Sacramento achter
zich hadden, begon de grond reeds te rijzen. Dit waren de eerste
golvingen der Sierra Nevada, die het rijke Californië omringt met eene
aaneengeschakelde reeks bergen, door donkere dennenwouden overdekt,
waarboven hier en daar toppen uitsteken van een vijfduizend meters
hoogte. Het is alsof de natuur dit land, waar zij zoovele schatten
verborgen heeft die thans reeds door de op buit beluste hand der
menschen geroofd zijn, achter een zwaar gordijn van eeuwig groen
heeft willen verbergen. In de richting welke de _Schoone Zwerfster_
was ingeslagen, kwamen zij langs verscheidene steden van beteekenis,
zooals Jackson, Mocquelenne, Placerville, voorposten als het ware
van het goudland en van het district Calavaras. Maar de familie
Cascabel hield alleen op waar zij inkoopen had te doen of waar zij
eenen rustigen nacht wilde doorbrengen. Cesar maakte haast om den
Nevada-bergketen, vervolgens de woeste streek van het Groote Zoutmeer
en daarna de hooge passen van het Rotsachtige Gebergte door te
komen. Gedurende dit gedeelte van den tocht moest er van het rijtuig
en de paarden het meeste gevergd worden. Eenmaal in de nabijheid van
Erie of Ontario gekomen, hadden zij slechts de vlakte door te trekken
waar de wielsporen van andere voertuigen en de door de hoeven van
andere paarden platgetreden paden hun van zelf den weg zouden wijzen.
Niet dan langzaam kwamen zij in deze bergachtige streek vooruit. Ook
hadden zij vrij wat last van koude want de laatste weken van den
winter deden zich terdege voelen, al bevonden zij zich pas op den
acht-en-dertigsten breedtegraad, dat is op gelijke aardrijkskundige
hoogte als Sicilië en Spanje in Europa. Zooals bekend is ondervindt
Amerika de werking niet van den Golfstroom, dien warmen zee-arm, die
uit de Golf van Mexico komende, zich in oostelijke richting dwars door
den oceaan naar Europa wendt. Hierdoor is het amerikaansche klimaat,
op gelijke breedte, veel kouder dan dat der europeesche landen. Dit
zou echter nog slechts eenige weken duren. Dan was de winter voorbij
en de vruchtbare bodem van Californië zou zich weder vertoonen in
al zijnen rijkdom, als het land waar het graan een honderdvoudigen
oogst brengt, waar alle voortbrengselen der heete zoowel als der
gematigde luchtstreek in weelderigen overvloed tieren, suikerriet,
rijst, tabak, oranjeappelen, olijven, citroenen, ananassen, bananen
en andere vruchten. Niet het goud maakt Californië rijk, maar de
ongeëvenaarde vruchtbaarheid zijner uitgestrekte landouwen.
--Wij zullen nog wel eens aan dit heerlijke land denken, merkte
Cornelia op, die voor eene welvoorziene keuken lang niet onverschillig
was.
--Snoepster die gij zijt! antwoordde Cesar.
--Ik zeg het niet voor mij, maar voor de kinderen.
Menige dag ging voorbij terwijl zij langs den rand der wouden en dwars
door de groene vlakten hunnen weg zochten. Ontelbaar waren de troepen
vee die zij in het wild tegenkwamen, en die hier overvloed van voedsel
vinden zonder dat op eenige plek het weelderige grastapijt een spoor
vertoont van afgegraasd te zijn. Den onuitputtelijken plantengroei van
Californië, die zich zonder ophouden telkens vernieuwt, kan niemand
zich voorstellen die hem niet aanschouwd heeft. Het is de korenschuur
van het land langs den stillen Oceaan; alle handelsvloten, zoo die
vereenigd werden om de oogsten er van weg te voeren, zouden niet in
staat zijn de opbrengst uit te putten. De _Schoone Zwerfster_ schreed
voort met dezelfde snelheid waarmede zij in den regel hare reizen
maakte, dat was eene mijl of zes, zeven daags, zelden meer. Zoo was
zij met haar levenden last reeds in alle staten der Unie geweest en
had zij den troep van Cascabel overal bekend gemaakt, van de monden
der Mississippi tot in Nieuw-Engeland. Maar op hare vroegere tochten
werd er in iedere stad halt gehouden teneinde er voorstellingen te
geven en geld op te halen. Thans ging het in eene rechte lijn van het
Westen naar het Oosten, zonder dat er moeite gedaan werd om op eenige
manier de aandacht der bewoners te trekken. Geene kunstreis deden zij
ditmaal, maar het was in de eerste plaats om het oude Europa te doen
en daarna om de vriendelijke dorpen van het goede Normandië.
Het was dan ook een vroolijke tocht en menig stevig gebouwd huis,
dat zij tegenkwamen, had den goeden geest die in de voorbijtrekkende
woning op wielen heerschte, kunnen benijden. Er werd heel wat
gelachen, gezongen en gekheid gemaakt, ook maakte Sander nu en dan
met zijn klephoorn de vogels aan het schrikken, wier onbezorgdheid
voor het overige veel overeenkomst had met de gemoedsstemming van
het zwervende gezin.
Dit alles nam echter niet weg dat de dagen, gedurende welke zij op
reis waren, niet in ledigheid mochten worden doorgebracht.
--Kinderen, zeide Cascabel telkens, wij moeten oppassen dat wij
niet verroesten!
Zoo dikwijls er halt gemaakt werd om de paarden te laten rusten, was
het dus met de rust der reizigers gedaan. Niet zelden gebeurde het
dat er Indianen nieuwsgierig kwamen kijken, terwijl Jan zich in het
balanceeren oefende, de kleine Napoleona eenige nieuwe danspassen en
toeren probeerde en Sander zijne ledematen uitrekte en boog alsof ze
van guttapercha waren. Dan toonde ook Cornelia de kracht harer spieren
en liet haar man de zeldzaamste geluiden uit zijne buik komen, terwijl
Jako zat te snateren in zijne kooi, de twee honden samen allerlei
kunsten uitvoerden en John Bull, door het voorbeeld aangestoken,
zijne malste grimassen vertoonde.
Hierbij moeten wij echter niet verzuimen te vertellen dat Jan ook op
andere wijze den tijd niet ongebruikt voorbij liet gaan. De enkele
boeken die hij in de _Schoone Zwerfster_ bergen kon, werd hij niet
moede te lezen en te herlezen. Het waren nieuwe leerboeken voor
aardrijkskunde en cijferkunst, benevens eenige reisbeschrijvingen. Ook
hield hij wat op eene zeereis het »Scheepsjournaal« genoemd zou worden
en menig reisavontuur werd op onderhoudende manier daarin verhaald.
--Ge zult nog veel te knap worden, zei zijn vader wel eens. Maar ge
moogt doen wat ge goed vindt.
Het kwam bij Cascabel niet op den leerlust van zijn eerstgeborene
tegentegaan. Hij en zijne vrouw waren er in den grond van hun hart
niet weinig trotsch op dat een hunner spruiten een »geleerde« scheen
te willen worden.
In den namiddag van den 27sten Februari bereikte de _Schoone Zwerfster_
den ingang van een der passen door de Sierra Nevada. Daar doorheen
te komen was een vermoeiend vooruitzicht en zou wel een dag of vier
duren. Menschen en dieren moesten tot halfweg de hoogte van den berg
onafgebroken klimmen. Om den wagen naar boven te krijgen langs het
nauwe pad, dat zich zigzagsgewijs om de wanden van den berg slingerde,
moesten de reizigers telkens de handen aan de wielen slaan. Daarbij
kwam dat naarmate zij hooger kwamen, het weer minder gunstig dreigde te
worden, al begonnen zij reeds den invloed van de vroegtijdig invallende
Californische lente te gevoelen. Geweldige regens, hagelbuien en
sneeuwstormen maken deze bergpassen dikwijls onveilig, vooral op
plaatsen waar de weg, plotseling eenen scherpen hoek makende tusschen
hooge rotsen, als in eenen trechter doordringt. Het hoogste punt der
passen ligt boven de grens der nimmer smeltende sneeuw, en eerst na
ruim een paar duizend meters op deze hoogte te zijn voortgeschreden,
begint de reiziger in het land der Mormonen langzaam te dalen.
Cascabel was echter voornemens te werk te gaan zooals hij bij
dergelijke gelegenheden gewoon was te doen en hulp-paarden te
huren. Die kon hij gewoonlijk in het eene of andere gehucht aan den
voet der bergen wel krijgen, evenals een paar mannen, hetzij Indianen
of Amerikanen, om als voerlieden dienst te doen. Dit kostte wel eenig
geld, maar het was onvermijdelijk indien hij zijn eigen tweespan niet
wilde bederven.
Des avonds van den 27sten bevonden zij zich bij den ingang van den
Sonora-pas. De valleien welke zij tot dusver doorgetrokken waren,
hadden geen bijzondere moeilijkheden opgeleverd en het was dus nog niet
noodig geweest de taak van Vermout en Gladiator te verlichten. Maar
al ware het geheele gezelschap hen te hulp gekomen, dan waren hunne
vereende krachten nog niet toereikend geweest voor hetgeen hun thans
te doen stond.
Op korten afstand van een klein gehucht, verloren te midden der
eenzaamheid van het gebergte, werd halt gehouden. Het waren slechts
enkele huizen, en op een paar geweerschoten afstands stond eene
landhoeve, waarheen Cascabel plan maakte zich dienzelfden avond te
begeven, teneinde te zien of hij voor den volgenden dag daar paarden
kon bekomen om de zijne te helpen.
Eerst moesten er echter de noodige maatregelen genomen worden om hier
den nacht door te brengen.
Nadat alles gereed gemaakt was zooals zij het gewoon waren, gingen
er een paar op uit om in het gehucht een en ander te koopen, spijs
voor de menschen en voeder voor het vee.
Dien avond was er geen sprake van oefeningen of toeren te maken, want
allen waren moede. Het was een zware dag geweest; een groot gedeelte
van den weg hadden zij te voet moeten afleggen teneinde den last voor
de paarden te verlichten. Cascabel bepaalde dus dat ieder rust moest
houden en tevens dat daarin geen verandering zou komen zoo lang zij
in de Sierra aan het stijgen waren.
Cesar wierp een laatsten blik op de toebereidselen voor den nacht en
overtuigde zich dat alles in orde was. Toen vertrouwde hij de _Schoone
Zwerfster_ aan de waakzaamheid van zijne vrouw en kinderen, en sloeg
hij met Kruidnagel den weg in naar de hoeve, uit wier schoorsteenen
blauwe rookwolken tusschen de boomen naar boven stegen.
De boerderij bleek bewoond te worden door een Californisch gezin, dat
de vreemdelingen vriendschappelijk ontving. De eigenaar beloofde drie
paarden met twee geleiders te zullen leveren. De beide mannen zouden
tevens als wegwijzers dienen tot aan de plek waar de helling van het
gebergte naar den oostkant eenen aanvang neemt. Van daar af had de
_Schoone Zwerfster_ geene hulp meer noodig en de mannen zouden dan de
paarden terugbrengen, maar het een en ander zou vrij wat geld kosten.
Cesar Cascabel dong en pingelde als een man die er niet van houdt om
zijn geld weg te gooien. In het eind werden zij het eens tot eenen
prijs, die de som niet te boven ging welke hij voor dit gedeelte der
reis had bestemd.
Den volgenden ochtend te zes uren waren de mannen met de drie paarden
op het appèl. De dieren werden vóór Vermout en Gladiator aangespannen
en spoedig was de _Schoone Zwerfster_ in een nauwen bergpas, waarvan
de wanden aan weerszijden met dichte bosschen overdekt waren. Een
paar uren verder maakte de weg een scherpen hoek en de weelderige
landouwen van Californië, die onze reizigers niet zonder een gevoel
van spijt vaarwel zeiden, verdwenen achter de geweldige berggevaarten
der Sierra Nevada.
De drie paarden van den Californischen boer waren stevige beesten,
op wier trekkracht zij staat konden maken, maar of hunne geleiders
even goed te vertrouwen waren, scheen tamelijk twijfelachtig.
Het waren een paar sterke kerels van gemengd bloed, half Indianen en
half Engelschen. Had Cascabel dat geweten, hij had hen zeker zonder
verder vragen naar huis gestuurd.
Cornelia vond ten minste dat zij er alles behalve eerlijk uitzagen,
Jan was het met zijne moeder eens en Kruidnagel stemde met hen
in. Cesar scheen het ditmaal niet gelukkig getroffen te hebben,
maar in het ergste geval waren zij toch maar met hun tweeën en als
zij iets kwaads in den zin mochten hebben zouden zij ondervinden dat
zij niet met weerlooze lieden te doen hadden.
Op het ontmoeten van slecht volk bestond in de Sierra niet veel kans,
want de wegen stonden als veilig bekend. De tijd was voorbij toen de
ruwe Californische mijnwerkers, die destijds _loafers_ en _rowdies_
bijgenaamd werden, met allerlei zwervend gespuis, uit alle deelen
der wereld derwaarts gekomen, samenspanden om reizigers en eenzaam
wonende lieden te plunderen. De goedgezinde bevolking had zoo dikwijls
de lynch-wet op hen toegepast, dat er een einde was gekomen aan deze
straatrooverijen.
Intusschen was Cascabel een te voorzichtig man om tegenover de twee
vreemden niet op zijne hoede te wezen.
Dit viel niet tegen te spreken, dat het een paar flinke karrevoerders
waren. De dag liep dan ook zonder eenig ongeval ten einde en dit
was toch maar de hoofdzaak. Hadden zij het ongeluk gehad een wiel
te verliezen of eene as te breken, dan zouden de bewoners van de
_Schoonste Zwerfster_, op zulk eenen afstand van iedere menschelijke
woning en zonder gereedschap om eenige avarij van beteekenis te
herstellen, in de grootste verlegenheid geraakt zijn.
De bergpas was uitermate wild en woest. Aan weerszijden niets dan
dennenstammen, bijna zwart van kleur, waartusschen de steenachtige
grond met een dik tapijt van mos bekleed was. Verbazende rotsklompen
lagen telkens in den weg en moesten omgetrokken worden. Vooral was dit
het geval langs een der zijtakken van de Walkner-rivier, die zelve
haren oorsprong neemt in het meer van dien naam en wier wateren met
geweldige sprongen hunnen weg nemen naar diepe afgronden. In de verte,
hoog tusschen de wolken, schemerde de Castle-piek, een puntige rots,
van lagere spitsen omgeven die in de grilligste fatsoenen uit diepe
ravijnen oprijzen.
Tegen vijf uur des namiddags begon het in den door hooge bergwanden
ingesloten bergpas reeds donker te worden. De weg maakte hier weder
een scherpen hoek en de helling was zoo steil dat een gedeelte der
lading van den wagen moest genomen worden om hem te verlichten. Het
onderaan hangende dekkleed met al wat er in was en bijna de geheele
bovenlast werden voorloopig achtergelaten.
Ieder stak zijne handen uit om te helpen en het moest erkend worden
dat de twee karrevoerders zich niet lui toonden, waardoor Cascabel en
de zijnen eenigszins terugkwamen van den ongunstigen indruk, dien de
mannen aanvankelijk op hen gemaakt hadden. De tocht door de bergpas
zou trouwens nog slechts twee dagen duren, dan zouden zij het hoogste
punt bereiken en konden de hulppaarden met hunne geleiders weder naar
de hoeve terugkeeren.
Toen er eene geschikte plaats gevonden was om des nachts verblijf
te houden, gingen de karrevoerders ook eene plek zoeken om hunne
paarden vast te binden. Terwijl zij hierop uit waren, ging Cascabel
met zijne twee zonen en Kruidnagel terug naar het punt van den weg,
waar de afgeladen voorwerpen zoo lang waren neergelegd.
Na den vermoeienden dag smaakte het avond-eten dubbel. Niemand talmde
lang om te gaan slapen.
Cascabel bood de twee vreemden eene slaapplaats aan in eene der
afdeelingen van de _Schoone Zwerfster_, maar daarvan wilden zij niet
gediend zijn. Zij zeiden dat zij onder de boomen een beter onderkomen
konden vinden om in hunne dikke dekens gewikkeld tevens de paarden
goed onder hun bereik te hebben.
Korten tijd nadat dit aldus geregeld was, lag niemand in het kampement
meer met open oogen.
Zoodra het den volgenden ochtend licht begon te worden waren groot
en klein weder op de been.
Cascabel met Jan en Kruidnagel kwamen het eerst uit de _Schoone
Zwerfster_ voor den dag en gingen den kant op waar Gladiator en
Vermout den vorigen avond vastgezet waren.
Hunne paarden waren daar ook, maar die van den boer waren nergens
te zien.
Zij konden echter niet ver afgedwaald wezen en Jan keerde naar den
wagen terug om de karrevoerders te gelasten hunne beesten weder op
te zoeken. Maar ook de twee mannen waren niet bij de hand.
--Waar zouden zij zitten? vroeg Jan.
--Ik denk, zeide Cesar, dat zij er reeds op uit zijn om hunne paarden
terug te halen.
--Ohé!... Ohé!... riep Kruidnagel met zijne schelle stem, die ver in
den bergpas teruggekaatst werd.
Er kwam geen antwoord.
Nu begonnen Jan en zijn vader samen te schreeuwen zoo hard zij konden,
ook gingen zij een eind naar beide kanten den weg op, heen en weer
terug.
De twee karrevoerders kwamen niet te voorschijn.
--Zouden wij nu toch gelijk gehad hebben toen hun tronie ons zoo
weinig aanstond? zeide Cascabel.
--Maar wat voor reden zouden zij hebben om ons in den steek te
laten? merkte Jan op.
--Zeker om ons eene leelijke poets te bakken.
--Maar wat hebben zij er aan om van ons van daan te loopen?
--Ja, wat hebben zij daar aan?... Wacht eens, misschien kunnen wij
er gemakkelijk genoeg achter komen!
Door Jan en Kruidnagel gevolgd, snelde Cascabel zoo hard hij loopen
kon naar den reiswagen.
De trede opvliegen, de deur openstooten, alle vertrekken doorrennen
om in het achterste te gaan kijken of de goedbewaakte geldkist nog
op hare plaats stond, was het werk van een oogenblik. Eene seconde
later kwam Cesar weder voor den dag, met den uitroep:
--Wij zijn bestolen!
--De geldkist? vroeg Cornelia.
--De schoeljes hebben die meegepakt!
IV.
EEN GEWICHTIG BESLUIT.
Zulke schavuiten!
Zij verdienden met alle recht dien naam. De familie Cascabel was
helaas het slachtoffer van hunne schurkerij.
Elken avond was Cesar gewoon zich te overtuigen of de geldkist nog
op hare plaats stond... Maar nu herinnerde hij zich dat hij den
vorigen avond, doodmoede van den zwaren tocht en bijna niet meer
kunnende zien van slaperigheid, van die gewoonte was afgeweken. Het
was duidelijk dat de twee karrevoerders, gebruik makende van het
oogenblik dat Jan en Sander met hun vader, vergezeld van Kruidnagel,
waren teruggeloopen om het goed te halen dat op een lager gedeelte van
den weg was achtergelaten, in het achterste gedeelte van den reiswagen
waren doorgedrongen zonder dat iemand dit had opgemerkt. Daar hadden
zij zich van de geldkist meester gemaakt en die tusschen de struiken
langs den weg verborgen. Dat was de reden geweest waarom zij den nacht
niet binnen de _Schoone Zwerfster_ hadden willen doorbrengen. Zij
hadden gewacht tot alle leden van het gezin in slaap waren en zich
toen met de hulp-paarden uit de voeten gemaakt.
Van de spaarpenningen van den troep was geen cent meer over. Alleen had
Cascabel zelf nog eenige dollars bij zich. Het was nog een geluk dat de
roovers de paarden, Vermout en Gladiator, ook niet medegevoerd hadden.
De honden, reeds sedert een etmaal gewend de twee kerels te zien
komen en gaan, hadden niet aangeslagen. De diefstal was dus zonder
eenige moeite gepleegd.
Waar nu de gauwdieven terug te vinden, nu zij zich over de hun bekende
bergpaden van de Sierra Nevada uit de voeten gemaakt hadden? Hoe
het geld terug te bekomen? En hoe de reis naar Europa terug te doen,
zonder geld om den overtocht te betalen?
Allen waren wanhopig, de een barstte in tranen, de ander in
verwenschingen los. Cesar Cascabel was bijna razend van woede en het
kostte zijne vrouw en zijne kinderen niet weinig moeite hem tot bedaren
te brengen. Maar toen deze eerste opwelling voorbij was, kreeg hij
spoedig zijne tegenwoordigheid van geest terug als een man die niet
gewoon was met nuttelooze verwenschingen zijnen tijd te verspillen.
--Die ellendige geldkist! kon Cornelia niet nalaten te zeggen.
--Ja, als wij dat ding niet gehad hadden, voegde Jan er bij, zou
ons geld.......
--Het is waarachtig een mooie inval van mij geweest, riep Cascabel uit,
die satansche kist te koopen. Nu zie ik pas in dat het voorzichtiger
is, als men eene geldkist heeft, er niets in te bewaren! Wat geeft
het of zoo'n ding tegen het vuur bestand is, zooals die winkelier in
Sacramento mij verzekerd heeft, als het toch door den eersten dief
den beste weggekaapt kan worden!
Ieder begrijpt welk een harde slag dit voor onze reizigers was en
niemand zal er zich over verwonderen dat zij in de eerste oogenblikken
er als door versuft waren. Met zooveel moeite tweeduizend dollars
bij elkaar te hebben en ze dan op die manier te moeten kwijtraken!
--Wat moeten wij beginnen? vroeg Jan.
--Ja, wat moeten wij beginnen? herhaalde Cascabel, terwijl de woorden
met moeite tusschen zijne saamgeklemde tanden doorkwamen, alsof hij
ze kauwde. Het is maar al te duidelijk wat wij beginnen moeten; het
is zelfs zóó eenvoudig dat er niets tegen in te brengen is. Zonder
hulp-paarden kunnen wij den berg niet over. Wij kunnen dus niet
anders dan naar de boerderij terug. Misschien vinden wij daar onze
twee schobbejakken ook!
--Waarschijnlijk zijn zij daar niet heengegaan, merkte Kruidnagel in
zijnen eenvoud op.
Dat was inderdaad alles behalve waarschijnlijk. Maar er zat niet
anders op, Cesar had het terstond begrepen, dan terug te gaan. Want
den tocht bergopwaarts konden zij niet voortzetten.