Cesar Cascabel was iets meer dan middelmatig van lengte, kra

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

WONDERREIZEN.

JULES VERNE

CESAR CASCABEL

"DE SCHOONE ZWERFSTER"

AMSTERDAM

UITGEVERS-MAATSCHAPPY "ELSEVIER"

INHOUD.

I. Een man van fortuin

II. De familie Cascabel

III. De Sierra Nevada

IV. Een gewichtig besluit

V. Op reis

VI. Vervolg van de reis

VII. Dwars door Caribou

VIII. Het "Schurkendorp"

IX. Niemand passeert hier

X. Kayette

XI. Sitka

XII. Van Sitka tot het Fort Youkon

XIII. Een inval van Cornelia Cascabel

XIV. Van Fort Youkon naar Port-Clarence

XV. Port-Clarence

XVI. Vaarwel aan de Nieuwe Wereld

I.

EEN MAN VAN FORTUIN.

--Heeft er niemand geld meer bij zich? Komaan kinderen, zoekt eens

in uwe zakken!

--Hier heb ik nog wat, vader, antwoordde het meisje.

Uit haar zak bracht zij een groen papiertje te voorschijn, vierkant,

vet en beduimeld. De woorden _United States fractional currency_

die er op gedrukt stonden als randschrift rondom het borstbeeld van

een heer in burgerkleeding, met het cijfer 10 zesmaal herhaald in de

hoeken, waren nauwelijks meer te lezen. Dit beteekende dat het tien

Amerikaansche centen, of ongeveer een hollandsch kwartje waard was.

--Hoe komt ge daaraan? vroeg de moeder.

--Dat heb ik den laatsten keer opgehaald, was het antwoord van

Napoleona.

--Hebt gij niets meer, Sander?

--Niemendal vader.

--En Jan?

--Geen cent.

--Hoeveel moet ge dan nog hebben Cesar? vroeg Cornelia aan haar man.

--Als wij eene ronde som hebben willen, komen er twee centen te kort,

verklaarde mijnheer Cascabel.

--Hier zijn ze, patroon, kwam Kruidnagel vertellen terwijl hij een stuk

kopergeld, dat hij uit de diepte van een zijner zakken had opgedoken,

door de lucht liet vliegen.

--Mooi zoo, Nageltje! riep de kleine meid.

--Mooi, nu zijn wij er! liet Cascabel volgen.

Inderdaad: »hij was er«, om de woorden van den braven kunstenmaker

te gebruiken. In het geheel had hij twee duizend dollars bijeen,

dat is ten naasten bij vijf duizend gulden.

Vijf duizend gulden, door eigen talent en vlijt aan de goedgeefschheid

van jan en alleman afgedwongen, is dat niet een fortuintje?

Cornelia gaf haar man een zoen en al de kinderen volgden een voor

een haar voorbeeld.

--Nu moeten wij ons eene brandkast aanschaffen, hernam Cascabel,

een mooie brandkast met een geheim slot, om onzen schat te bewaren.

--Is dat werkelijk noodig? vroeg Cornelia, altijd een weinig bang

voor buitensporige uitgaven.

--Cornelia, wij kunnen er niet buiten.

--Zou een geldtrommel niet voldoende zijn?

--Dat is nu weer zoo'n vrouwenpraatje! riep Cascabel. Een trommel,

dat is goed om oorringen en armbanden in te bewaren. Voor baar geld

is eene brandkast noodig of op zijn minst een geldkist, vooral omdat

wij met onze vijfduizend gulden eene lange reis hebben te maken.

--Nu, koop dan een geldkist, maar denk er aan dat ge

afdingt! waarschuwde de zuinige Cornelia.

Het hoofd des gezins opende de deur, die toegang gaf tot het »prachtige

en sterke rijtuig«, dat de reizende familie tot woning diende. Hij

stapte de ijzeren trede af die vóór de deur hing en sloeg eene der

straten in welke naar het hart der stad Sacramento voerden.

Het kan in de maand Februari koud zijn in den staat Californië,

ofschoon die op gelijke aardrijkskundige breedte ligt als Spanje. Maar

gewikkeld in zijn wijden mantel met nagemaakt marterbont gevoerd

en met zijne pelsmuts over de ooren, kon mijnheer Cascabel de koude

weinig deren en stapte hij vroolijk voort. Een geldkist, eindelijk een

geldkist te bezitten, was iets waar hij zijn leven lang van gedroomd

had. Die droom stond op het punt werkelijkheid te worden!

Hetgeen wij bezig zijn te vertellen viel voor in de tweede maand van

het jaar 1867.

Negentien jaren vóór dat tijdstip was de plek waar tegenwoordig de

stad Sacramento staat, nog niets dan eene groote, ledige vlakte met

een fortje in het midden, een soort van versterkt blokhuis, dat door

de _Settlers_ en de eerste reizende kooplieden gebouwd was om tegen

de aanvallen der West-Amerikaansche Indianen beveiligd te zijn. Maar

nadat de Amerikanen het land van de Mexicanen afgenomen hadden,

die te zwak waren om het naar behooren te verdedigen, was er in den

toestand van Californië spoedig verandering gekomen. Het fortje had

plaats gemaakt voor eene stad en die was na nog geen twintig jaren

eene van de aanzienlijkste steden in de Vereenigde Staten geworden,

zonder dat herhaalde branden en overstroomingen in staat waren geweest

dien snel wassenden omvang te stuiten.

In 1869 had mijnheer Cascabel dus niets meer te vreezen van vijandige

Indiaansche stammen. Ook werd de publieke weg niet langer onveilig

gemaakt door roofzuchtige vagebonden uit alle landen der aarde, die in

1849 Californië kwamen overstroomen. In dat jaar werden de goudmijnen

ontdekt, die een weinig meer naar het noordwesten, op de vlakte

van Grass-Valley gelegen zijn en onder welke de beroemde mijn van

Allison-Ranch, waarvan het gesteente gemiddeld een halven gulden aan

goud op iedere kilogram erts bevatte, het meest vermaard is geworden.

Die tijd, met zijne ongehoorde fortuinmakerij, vaak gevolgd door een

nog sneller ondergang, gepaard met de diepste armoede, was thans

voorbij. Geen goudzoeker was er meer te vinden, zelfs niet in het

district Caribou, een gedeelte van engelsch Columbia, noordelijk

van het Washington-territorium, waar nog in 1863 de mijnwerkers

bij duizenden werden aangetroffen. Geen gevaar dus dat Cascabel's

spaarduitje, in den letterlijken zin van het woord door hem in het

zweet zijns aanschijns bijeengebracht en nu met zorg in de zakken

van zijnen mantel geborgen, hem onderweg ontstolen kon worden. Om

de waarheid te zeggen was het aanschaffen van eene geldkist dan ook

voor het veilige bewaren van zijnen schat niet zóó onontbeerlijk

als hij voorgaf. Maar hij hechtte er aan omdat hij voornemens was

eene groote reis te ondernemen door de weinig bezochte streken van

het verre Westen, waar het misschien minder veilig zou zijn dan in

Californië. Het doel dier reis was naar Europa terug te keeren.

Onbekommerd vervolgde mijnheer Cascabel dus zijnen weg door de breede

en nette straten van Sacramento. Hij ging over statige vierkante

pleinen, in den zomer beschaduwd door zware boomen die nu hun

bladerenkroon misten, omringd van weelderige hôtels en particuliere

huizen, sierlijk en geriefelijk gebouwd, van openbare gebouwen in

nieuw-engelschen stijl, van monumentale kerken vooral, door welk

een en ander de hoofdplaats van Californië geheel het voorkomen van

eene groote stad heeft. De straten waren vol bedrijvige menschen,

kooplieden, reeders, fabrikanten, sommige het hoofd vol van de

scheepsladingen die over de breede rivier of naar den Stillen Oceaan

op reis waren, andere op weg naar den Folson-spoorweg, die de kortste

gemeenschap met het hart der Vereenigde Staten vormt.

Onder het fluiten van een franschen militairen marsch richtte

Cascabel zijne schreden naar de High-Street. Daar had zijn vorschend

oog eenen winkel opgemerkt waar een mededinger van de beroemdste

brandkastenmakers der wereld zijne waren te koop bood. Wat in het

magazijn van William J. Morlan verkocht werd, had den naam van goed

en niet duur te zijn, in betrekkelijken zin altijd en in aanmerking

genomen den hoogen prijs van alle fabrieks-artikelen in de Vereenigde

Staten van Noord-Amerika.

William J. Morlan bevond zich in zijn magazijn toen Cascabel daar

binnentrad.

--Uw dienaar, mijnheer Morlan, begon hij. Ik zou mij wel eene geldkist

willen aanschaffen.

William Morlan kende Cascabel, even als ieder in Sacramento hem

kende. Was hij niet sedert drie weken de beste straatkunstenaar die

zich in de stad bevond! Heel beleefd antwoordde de fabrikant dus:

--Eene geldkist mijnheer Cascabel? nu, daar wensch ik u van harte

geluk mede.

--Hoe bedoelt gij dat?

--Wel, omdat iemand die eene geldkist komt koopen, wel eenige zakken

dollars te bewaren moet hebben.

--Dat zal wel waar zijn, mijnheer Morlan.

--Welnu neem dan deze, antwoordde de winkelier, terwijl hij op eene

manshooge brandkast wees, die goed op hare plaats geweest zou zijn

in het kantoor van de gebroeders Rothschild of van andere bankiers,

die in den regel goed van geld voorzien zijn.

--Bedaard wat! hernam Cascabel. Die zou groot genoeg zijn om er mijn

geheele gezin in te bergen. Nu is dat wel mijne kostbaarste bezitting,

maar die behoef ik niet achter slot te bewaren. Zeg eens, mijnheer

Morlan, hoeveel geld zou er wel in die verbazende kast gaan?

--Eenige millioenen goudgeld.

--Eenige millioenen zegt gij? Dan zal ik later wel eens terugkomen

als ik die heb. Wat ik zoek is een kleine stevige kist, die ik onder

mijn arm nemen en achter in mijn wagen zetten kan als wij op reis zijn.

--Die heb ik ook voor u, mijnheer Cascabel.

De fabrikant haalde eene geldkist met een veiligheidsslot voor den

dag. Het gewicht er van was niet meer dan een pond of twintig. Van

binnen was de kist in laden en loketten verdeeld, evenals de kasten

waar geld en geldswaardig papier in de banken in bewaard wordt.

--Bovendien is zij tegen het vuur bestand, waar wij bij den verkoop

voor instaan, voegde Morlan er bij.

--Uitstekend, uitstekend! hernam Cascabel. Indien gij ook voor de

deugdelijkheid van het slot instaat, wil ik die kist wel hebben.

--Het is een slot met geheime sluiting, hernam de koopman, Het bestaat

uit vier letters, waarvan uit vier alfabetten een woord gekozen kan

worden, zoodat er bijna vier maal honderd duizend samenvoegingen te

bedenken zijn. In den tijd dien een dief noodig zou hebben om het

woord te vinden, zou hij een millioen keeren in de gevangenis gezet

kunnen worden.

--Een millioen keeren, zegt gij, mijnheer Morlan? Dat is waarlijk

verbazend! Maar wat is de prijs er van? Gij begrijpt dat een geldkist

te duur betaald zou zijn wanneer zij meer kostte dan hetgeen iemand

er in te bergen heeft.

--Volkomen juist, mijnheer Cascabel. Ik vraag er dan ook niet meer

dan zes en een halven dollar voor.

--Zes en een halven dollar? hernam Cascabel. Dat staat mij maar half

aan, die zes en een halve dollar. Komaan mijnheer Morlan, om zaken

te doen moet men wat toegeven. Zullen wij voor vijf dollars den

koop sluiten?

--Nu dan, omdat gij het zijt, mijnheer Cascabel.

Met eenen handslag werd de koop bezegeld. Toen vroeg de fabrikant of

hij de kist naar de rollende woning van den kunstenmaker wilde laten

brengen, aangezien het niet te pas kwam dat de eigenaar zelf er mede

onder den arm liep.

--Hoe heb ik het nu met u, mijnheer Morlan? Een man als ik, die met

gewichten van veertig pond speelt alsof het noten waren!

--Word maar niet boos. Onder ons gezegd en gebleven, hoeveel wegen

eigenlijk uwe gewichten van veertig pond?

--Precies vijftien pond, maar vertel het aan niemand anders! antwoordde

Cascabel.

Lachende en als een paar goede vrienden namen de fabrikant en de

kunstenmaker van elkander afscheid.

Een half uur later hield de gelukkige bezitter van de geldkist

zijnen intocht op het pleintje waar zijn wagen stond. Met niet weinig

zelfvoldoening zette hij »de kas van de firma Cascabel« op hare plaats.

Wat was het jonge volkje trotsch op het nieuwe meubel! Hoe blijde

waren zij er mede! Zij werden niet moede de kist open te maken en

weer te sluiten. De kleine Sander had er wel in willen kruipen om

verstoppertje te spelen. Maar dat kon niet want Sander was te lang

en om er krom in te liggen was de kist niet breed genoeg!

Kruidnagel verklaarde nooit zoo iets moois gezien te hebben, zelfs

niet in zijne droomen.

--Wat een moeite moet het kosten om dat ding open te maken, zeide

hij. Ten minste als het goed sluit, want anders moet het heel

makkelijk gaan.

--Dat is eene waarheid als eene koe, antwoordde de patroon. Op

eenen toon van gezag waar niets op te antwoorden viel en met een

veelbeteekenend gebaar, waarvan de bedoeling voor niemand twijfelachtig

kon zijn, liet hij toen volgen:

--Komaan kinderen, neemt uwe beenen op en gaat het een en ander halen

waar wij als koningen van smullen kunnen! Hier is een dollar waar gij

voor koopen moogt wat gij wilt. Ik ben de man die van daag trakteert!

Alsof de brave kerel niet iederen dag »trakteerde«! Maar dat was

een van de grappen die hij het liefst uithaalde en waar hij zelf het

hartelijkst om lachte.

In een oogenblik waren Jan, Sander en Napoleona uit zicht, gevolgd

door Kruidnagel met eene groote mand onder zijn arm om alles wat zij

gingen aanschaffen te dragen.

--Nu zijn wij alleen Cornelia, begon Cascabel. Laat ons nu een

oogenblik praten.

--Waarover Cesar?

--Waarover? Wel over het woord dat wij kiezen moeten om het

slot van onze geldkist toe te maken. Niet dat ik de kinderen niet

vertrouw. Lieve hemel dat zijn engelen, en evenmin om dien onnoozelen

Kruidnagel, want die is de eerlijkheid in persoon. Maar zulke woorden

moeten toch geheim gehouden worden.

--Neem maar een woord dat u het beste voorkomt, antwoordde

Cornelia. Wat gij wilt, vind ik goed.

--Hebt gij in 't geheel geene keus?

--Och neen.

--Ik voor mij zou liefst den naam van iemand nemen.

--Ja, ja ..., dat is goed. Den Uwen, Cesar.

--Dat kan niet want die is te lang! Het moet een naam zijn van niet

meer dan vier letters.

--Laat dan eene letter van den uwen weg. Cesar is even goed zonder R,

zou ik denken! Wij kunnen immers precies doen wat wij willen?

--Bravo, Cornelia! Dat is een goede inval, een van die invallen zooals

gij er dikwijls hebt. Maar als wij het er over eens zijn dat wij eene

letter uit eenen naam kunnen nemen, zie ik niet in waarom wij er geen

vier zouden weglaten en dan uit den uwen.

--Uit mijn naam?

--Wel zeker! De laatste vier letters er van: E L I A. Dat klinkt

zelfs nog mooier, vind ik.

--Hoe bedenkt ge het, Cesar?

--Zult ge het niet pleizierig vinden als uw naam de sluiting van onze

geldkist wordt?

--Zeker, vooral omdat hij in uw hart reeds geschreven staat, antwoordde

Cornelia innig en vol geestdrift.

Met ongehuichelde verrukking zoende zij haar braven man dat het klapte.

Zoodoende gebeurde het dat wie ter wereld het woord ELIA niet kende,

er nimmer in slagen zou de geldkist van de familie Cascabel open

te krijgen.

Na een half uur kwamen de kinderen terug met mondkost beladen. Het

waren heerlijke sneden ham en pekelvleesch, en van die verbazende

groenten zooals de vruchtbare grond van Californië ze voortbrengt,

koolen met stronken als boomen, aardappelen als meloenen, wortelen ter

lengte van een halven meter, die met geen andere te vergelijken zijn,

was Cascabel gewoon te zeggen, dan met die welke men onderweg uit den

grond trekt zonder de moeite te hebben van ze eerst te planten. Voor

de dranken is er in Californië eene rijke keus uit alles wat eene

amerikaansche keel kan streelen. Op het feestmaal der Cascabel's had

ieder een groot glas schuimend bier tot zijne beschikking en aan het

dessert eene fijne flesch sherry voor allen.

Cornelia had niet veel tijd noodig om, door Kruidnagel, haar gewonen

koksknecht, geholpen, het maal te bereiden. De tafel werd gedekt

in de tweede afdeeling van den reiswagen, gewoonlijk de woonkamer

genoemd, waarin eene aangename warmte heerschte tengevolge van het

in de aangrenzende ruimte brandende keukenfornuis. De eetlust van

vader, moeder en kinderen, die nooit te wenschen overliet, was dezen

dag buitengewoon. De omstandigheden in aanmerking genomen, was dat

geen wonder.

Toen het eten afgeloopen was, richtte mijnheer Cascabel tot allen het

woord, waarbij hij den plechtigen toon aansloeg waarmede hij gewoon

was het »geëerde publiek« toe te spreken.

--Morgen, kinderen, zeide hij, verlaten wij Sacramento, die nobele

stad, met hare nobele ingezetenen, over wie wij niet anders dan roemen

kunnen, onverschillig of hunne huid blank, rood of zwart ziet. Maar

Sacramento ligt in Californië; Californië is een stuk van Amerika en

Amerika is Europa niet. Een mensch heeft maar één vaderland. Europa,

dat is Frankrijk en het is waarlijk niet te vroeg wanneer wij naar

Frankrijk terug verlangen na er zoovele jaren van gescheiden te zijn

geweest. Hebben wij in dien tijd fortuin gemaakt? Om de waarheid te

zeggen: neen! Intusschen zijn wij eigenaars van een zeker aantal

dollars, die in onze geldkist een goed figuur zullen maken nadat

wij ze in fransch goud- of zilvergeld ingewisseld zullen hebben. Een

deel van dat bedrag zullen wij besteden om den Atlantischen Oceaan

over te steken op een der snelvarende stoomschepen van wier top de

driekleur wappert die onze Napoleon weleer in de hoofdsteden aller

landen geplant heeft. Cornelia, ik drink op uwe gezondheid!

Moeder Cascabel knikte vriendelijk met het hoofd, in antwoord op deze

beleefdheid die haar man haar dikwijls bewees, als wilde hij zijne

dankbaarheid toonen voor de moeite die zij zich gegeven had om hem in

de personen zijner kinderen de evenbeelden van Hercules en Achilles

te schenken.

Toen sprak hij weder:

--Ook drink ik op onze behouden reis! Mogen gunstige winden onze

zeilen doen zwellen!

Hij zweeg teneinde gelegenheid te hebben allen voor het laatst uit

de heerlijke sherry-flesch nog eens in te schenken.

--Intusschen, mijn vriend Kruidnagel, zult gij misschien de opmerking

maken dat er na het betalen van onze passage niets meer in de geldkist

over zal zijn?

--Daar ben ik niet bang voor patroon..... ten minste als de plaatskaart

op de booten, gevoegd bij die op de spoorwegen niet zóóveel kost.......

--Wat praat ge van spoorwegen, van _rail-roads_, zooals de Yankees

zeggen, riep Cascabel. Maar onnoozel schepsel, onbekwaam tot eenige

redeneering, daar reizen wij niet mede! Van Sacramento tot New-York

reken ik dat het vervoer ons niets kosten zal, want daar gebruiken wij

ons huis op wielen voor. Een honderd of wat mijlen rijdens, daar zal,

vermoed ik, de familie Cascabel zich niet door laten afschrikken,

zij die nooit anders gewoon is geweest dan de wereld door te rollen!

--Dat spreekt van zelf, bevestigde Jan.

--Wat eene vreugde zal het voor ons zijn, Frankrijk terug te

zien! zeide moeder Cascabel.

--Frankrijk, kinderen, begon haar man weder, dat gij geen van allen

kent, want gij zijt in Amerika geboren; het schoone Frankrijk dat gij

eindelijk zult aanschouwen. Welk een geluk, Cornelia, voor u die uit

Provence, en voor mij die uit Normandië ben, er weder heen te gaan

na eene afwezigheid van twintig jaren!

--Ja, Cesar, wat een geluk!

--Zie Cornelia, al werd mij nu eene plaats aangeboden in den

kunstenmakerstroep van Barnum, ik zou er voor bedanken. Niets is langer

in staat mij hier te houden. Ik wil naar mijn land terug, al moest ik

er op mijne handen naar toe loopen. Ik voel dat ik het heimwee heb,

en dat is niet anders te genezen dan door naar het vaderland terug

te gaan. Dus moeten wij er zonder uitstel heen!

Wat Cesar Cascabel zeide, was de waarheid. Hij en zijne vrouw dachten

aan niets anders meer dan aan hunnen terugkeer naar Frankrijk. Welk

eene zelfvoldoening was het voor beiden, het geld er voor eindelijk

bijeen te hebben!

--Morgen gaan wij op marsch, zeide Cascabel.

--Zou dat misschien onze laatste reis niet kunnen zijn? vroeg Cornelia.

--Vrouw, antwoordde haar man met waardigheid, ik ken maar ééne laatste

reis, dat is die waarvoor er van onzen Lieven Heer geen retourbiljet

te krijgen is.

--Nu ja, Cesar, maar zullen wij niet, vóór dat wij die reis ondernemen,

fortuin gemaakt hebben en van het werken kunnen uitrusten?

--Rusten, Cornelia? Nooit. Ik wil geen fortuin maken indien het gevolg

daarvan moet zijn dat ik stil moet gaan zitten. Gelooft gij dat ge het

recht hebt de talenten ongebruikt te laten waarmede de natuur u zoo

mild begiftigd heeft? Denkt gij dat ik met mijne armen over elkaar

zal gaan loopen, op gevaar af dat mijne gewrichten hunne lenigheid

verliezen zullen? Kunt gij het u voorstellen dat Jan zijne kunsten

als equilibrist verzaken zal; dat Napoleona zal ophouden te dansen

op het gespannen koord, met of zonder balanceerstok; dat Sander niet

langer gezien zal worden als het toppunt der menschen-piramide, en dat

zelfs Kruidnagel niet meer zijn half dozijn muilperen in de minuut zal

waarnemen, tot groote verlustiging van het geëerde publiek? Neen, mijne

Cornelia! Zeg mij dat de zon zal worden uitgedoofd door den regen, dat

de oceaan verdwijnen zal in de maag der visschen, maar zeg mij niet dat

er een oogenblik komen zal waarop de familie Cascabel rust zal nemen!

Zij hadden nu niets anders meer te doen dan alles gereed te maken

voor de reis, teneinde den volgenden ochtend, zoodra de zon boven

Sacramento zou opgaan, den tocht te aanvaarden.

De namiddag werd daartoe besteed. Onnoodig te zeggen dat de vermaarde

geldkist op eene veilige plek in de achterste afdeeling van den wagen

neergezet was.

--Op deze manier, merkte Cascabel op, kunnen wij dag en nacht het

oog er op houden.

--Ik begin hoe langer hoe meer in te zien dat het eene goede gedachte

van u geweest is, Cesar, antwoordde Cornelia. Ik heb geen spijt van

het geld dat wij er voor betaald hebben.

--De kist is alleen misschien wat klein, vrouw. Maar als onze »sok«

grooter wordt, kunnen wij er altijd eene ruimere aanschaffen.

II.

DE FAMILIE CASCABEL.

Cascabel! Die naam was bekend, ja vermaard in alle vijf

werelddeelen,--»en in andere plaatsen«, was de man gewoon te zeggen

die de eer had hem te dragen.

Cesar Cascabel was afkomstig uit Pontorson in het hart van Normandië,

en al de gauwigheid, al de slimme streken, door welke het Normandische

ras beroemd is, waren hem eigen. Maar zoo geslepen en gevat als hij

zijn mocht, hij was altijd een eerlijk man gebleven, en niemand had

het recht hem te tellen onder de schurftige schapen van de zwervende

kudde der straatkunstenmakers. Hij was een oppassend huisvader, die

door zijne goede eigenschappen als mensch ruimschoots goed maakte

wat zijne nederige afkomst en zijn ongeregeld beroep hem misschien

te kort mochten doen komen.

Hij was op het tijdstip waarop wij hem leeren kennen, vijf-en-veertig

jaren oud en zag er ook uit als een man van dien leeftijd. Onder den

blooten hemel geboren, in letterlijken zin, was de mand, die zijn vader

op den rug droeg en waarmede hij de dorpskermissen en jaarmarkten in

Normandië afreisde, zijne wieg geweest. Zijne moeder was kort na zijne

geboorte gestorven, eenige jaren later verloor hij ook zijnen vader en

toen had een rondreizende kunstenmakerstroep, die juist voorbijtrok,

hem tot zich genomen. Zoo had hij zijne kinderjaren doorgebracht met

op zijn hoofd te staan, op zijne handen te loopen en sprongen in

de lucht te maken. Hij werd achtereenvolgens paljas, kunstenmaker

in alle vakken en verdiende met de vlugheid zijner ledematen en de

kracht zijner spieren voor zichzelf den kost, tot op het oogenblik

toen hij kennis maakte met de tegenwoordige mevrouw Cascabel, van

haarzelve Cornelia Vadarasse genaamd, uit Martigues in Provence

geboortig, die hem achtereenvolgens drie kinderen schonk. Zoo was

hij zelf de bestuurder van eenen troep geworden, waarvan zijn gezin

de sujetten leverde.

Hij was schrander en vernuftig, sterk en lenig, meer dan de meeste

andere menschen; maar zijne zedelijke eigenschappen deden niet onder

voor die van zijn lichaam en verstand. Het is wel waar dat een rollende

steen geen blijvende plaats bekomt, maar onder het schuren tegen de

andere steenen en de distelen van den weg wordt hij ten minste glad

en glimmend en slijten de scherpe hoeken er af. In de vijf-en-veertig

jaren dat hij aan 't rollen was, had Cesar Cascabel zooveel geleerd

en ondervonden, dat hij van het leven alles wist wat iemand er van

te weten kan komen. Hij verwonderde zich over niets meer en niets

was meer in staat hem van zijn stuk te brengen. Al zwervende van

de eene kermis naar de andere in alle landen van Europa, in Amerika

zoowel als in de nederlandsche en spaansche koloniën, had hij bijna

alle talen leeren verstaan en wist hij er zich ten naastenbij ook in

verstaanbaar te maken, »zelfs in die welke hij niet sprak« was hij

gewoon te beweren. Want als de taal hem in den steek liet, had hij

altijd zijne zeer sprekende gebaren tot zijne beschikking.

Cesar Cascabel was iets meer dan middelmatig van lengte, krachtig van

lichaamsbouw, goed geëvenredigd van ledematen. Zijn onderkaak stak

een weinig naar voren, hetgeen een teeken van geestkracht is; hij had

een stevigen kop, dicht bezet met een dichten haarbos; zijn gelaat was

door de zon verbrand en door den wind verweerd; onder zijn grooten neus

droeg hij een knevel zonder punten en aan zijne gebruinde wangen een

paar heele korte bakkebaarden; zijne oogen waren blauw, levendig en

doordringend en hadden eene goedaardige uitdrukking; in zijnen mond

ontbrak nog maar één van de drie-en-dertig tanden en kiezen die er

in behoorden. Tegenover het »geëerde publiek« was hij niet zuinig met

geweldige gebaren, theatrale houdingen en bluffende volzinnen; maar in

het gewone leven was hij de eenvoud en de natuurlijkheid zelve. Geen

huisvader overtrof hem in hartelijke liefde voor zijn gezin.

Van een ijzersterk gestel, bezat hij thans de noodige lenigheid niet

meer voor het dansen op de koord of voor de kunsten aan den rekstok;

maar waar het op spierkracht aankwam behoorde hij altijd nog onder

de besten in zijn beroep. Buitendien was hij een meester in de edele

kunst van buikspreken, eene soort van kermisvertooning welke reeds

van overouden tijd dagteekent, want de kerkvader Eustachius verzekert

dat de priesteres van Endor, die voor Saul waarzegde, niets anders

was dan eene buikspreekster. Als Cesar het goedvond, zakten zijne

stembanden tot ver beneden zijne maag. Of hij met zichzelf een duo

had kunnen zingen, had hij nog nooit beproefd; maar wie weet of hij

er niet toe in staat ware geweest!

Om zijne beeltenis volledig te maken moeten wij hier nog bijvoegen

dat Cesar Cascabel een zwak had voor beroemde krijgshelden en vooral

voor Napoleon I. Zoo hoog als hij dien veroveraar vereerde, zoo

diep verachtte hij diens beulen, de Engelschen, die hij allen voor

nakomelingen van den gemeenen Hudson Lowe, Napoleon's gevangenbewaarder

op Sint Helena, hield. Hij had dan ook nooit verkozen te »werken«

voor de koningin van Engeland, verzekerde hij, »niettegenstaande

die vorstin hem door haren opperhofmeester persoonlijk had doen

uitnoodigen.« Dit laatste had hij zoo dikwijls verteld, dat hij

eindelijk zelf geloofde dat het waar was.

Met dat al had Cascabel het nog niet kunnen brengen tot de

waardigheid van directeur van een groot paardenspel, zooals een

Franconi, een Carré of een Myers, met heel hunnen stoet van rijders

en rijderessen, van clowns en goochelaars. Hij was niets meer dan

een gewone kermisreiziger, die als het mooi weer was op de pleinen

en markten in de open lucht, en als het regende onder eene tent zijne

kunsten vertoonde. Met dit beroep, dat hij met zeer afwisselend geluk

gedurende het vierde eener eeuw had uitgeoefend, had hij zooals wij

verteld hebben het spaarduitje bijeengegaard dat thans in de kist

met het letterslot bewaard lag.

Hoeveel arbeid, hoeveel vermoeienis, hoeveel ellende zelfs,

vertegenwoordigde dat beetje geld! Nu echter was het ergste achter

den rug. De familie Cascabel maakte zich gereed naar Europa terug

te keeren. Na de Vereenigde Staten over bijna hunne geheele breedte

doorgetrokken te zijn, zouden zij plaats nemen op eene fransche of

amerikaansche pakketboot. Van eene engelsche mocht natuurlijk geen

sprake zijn.

Cascabel was iemand die op alles raad wist. Hinderpalen kende hij

niet; hij beschouwde die op zijn hoogst als moeielijkheden die

overwonnen moesten worden. Zijnen weg door het leven te vinden,

beschouwde hij als zijne bestemming. Even als de hertog van Dantzig,

een der maarschalken van zijn keizerlijken held, had hij kunnen zeggen:

»Waar een gaatje te vinden is, zal ik er doorheen kruipen«.

Door hoeveel gaten was hij dan ook in zijn leven niet reeds gekropen!

»Mevrouw Cascabel, geboren Cornelia Vadarasse, provençaalsche van het

zuiverste bloed, zonder wedergade in het voorspellen van de toekomst,

_clairvoyante_ en _somnambule_, de koningin aller electrische vrouwen,

gesierd door alle bekoorlijkheden harer sekse, bezitster aller deugden

die de kroon uitmaken eener huismoeder, met den krans der overwinning

uit den grooten vrouwen-worstelstrijd te Chicago gekomen, waar de

beroemdste vrouwelijke athleten der wereld waren saamgestroomd!«

Dit waren de bewoordingen waarmede mijnheer Cascabel gewoon was zijne

echtgenoote aan het publiek voor te stellen. Nu twintig jaar geleden

was hij te New-York met haar in het huwelijk getreden. Of hij er aan

gedacht had de toestemming van zijnen vader te vragen vóór dat hij tot

dien stap overging? Geen oogenblik, vooreerst, zeide hij, dewijl zijn

vader ook hem niet geraadpleegd had toen hij in het huwelijk trad,

en in de tweede plaats dewijl die brave man niet meer leefde. Het

geval was doodeenvoudig in zijn werk gegaan, met minder omslag dan in

het achterlijke Europa, waar twee wezens die bestemd schijnen om met

elkander vereenigd te worden, door een aantal formaliteiten daarin

belemmerd worden.

Op een goeden avond als toeschouwer in het Barnum-theater te New-York

zijnde, was Cesar Cascabel levendig getroffen geworden door de

bevalligheid, de lenigheid en de kracht, door eene jeugdige fransche

kunstenmaakster, mejuffrouw Cornelia Vadarasse, aan den rekstok ten

toon gespreid. Dit bekoorlijke vrouwspersoon aan zich te verbinden,

hun beider levens tot één te maken, in de toekomst eene reeks van

kleine Cascabels te voorschijn te roepen, die hunne ouders in alles

waardig zouden zijn, dat scheen den gemoedelijken straatkunstenaar

eene zaak die als van zelve sprak. Gedurende eene pauze snelde hij

het tooneel op, liet zich aan Cornelia Vadarasse voorstellen en

gaf haar terstond te verstaan dat zij beiden als franschen bestemd

waren, elkander hart en hand te schenken. Onder de toeschouwers

bevond zich een geestelijke; deze werd naar de gezelschapszaal der

artisten getroond en daar werd hem gevraagd op eenen band, die zoo

in alle opzichten in den hemel gelegd scheen te zijn, het zegel

der kerk te drukken. In het vrije en gelukkige Amerika bestaat daar

geenerlei bezwaar tegen en het geschiedde alzoo. Zijn zulke met stoom

gesloten huwelijken er minder goed om? Dit moge zijn zooals het wil,

dat van Cesar Cascabel en Cornelia Vadarasse was eene der gelukkigste

echtverbintenissen, ooit op dit ondermaansche gesloten.

De eerstgeborene uit dit huwelijk van twee straatkunstenmakers was Jan,

thans negentien jaar oud. Het was alsof hij aan zijne afkomst ontrouw

was geworden wat betreft de sterkte der spieren en den aanleg voor

koorddansen, gymnastische toeren of paljas-aardigheden. Daarentegen

was hij uiterst behendig in de handen en had hij eene gave van scherp

opmerken, door welke eigenschappen hij het ver gebracht had in alle

kunsten waar handigheid en vlugheid bij te pas kwamen, zonder dat hij

zich op dit talent het minste liet voorstaan. Het was een zachtaardige,

stille jongen, bruin van gelaatskleur als zijne moeder, doch met blauwe

oogen. Hij had veel pleizier in lezen en maakte van alle voorkomende

gelegenheden gebruik om iets te leeren. Zonder dat hij zich over het

beroep zijner ouders schaamde, geloofde hij toch dat er iets beters

voor hem te doen was dan kunsten voor de menschen te maken en in het

geheim koesterde hij de hoop, zoodra hij in Frankrijk teruggekeerd

mocht wezen, zijn tegenwoordig bedrijf te laten varen. Hij hield echter

te veel van zijne ouders om zich over dit onderwerp anders dan met

de grootste omzichtigheid uit te laten; trouwens op welke manier hem

eene gelegenheid geopend zou kunnen worden om op eene andere wijze

door de wereld te komen, wist hij in de verte niet te zeggen.

In leeftijd volgde op den oudste de tweede zoon. Deze was in den

volsten zin van het woord een spruit van vader en moeder Cascabel

en voor kunstenmaken in de wieg gelegd. Hij was twaalf jaar oud, zoo

lenig als eene kat, zoo vlug als een aap, en zoo glad als een aal. Hij

was nog maar drie voet zes duim lang en niet groot dus voor zijnen

leeftijd, maar hij was naar het zeggen van zijnen vader met éénen

luchtsprong in de wereld gekomen en nu reeds een echte clown, daarbij

een straatjongen vol grappen en streken, maar met een goed hart. Een

pak slaag verdiende hij af en toe, maar hij nam dat al lachende aan,

want de klappen kwamen zelden hard aan en waren nooit valsch gemeend.

Wij hebben reeds gezegd dat de oudste van Cascabel's kinderen Jan

heette. Dien naam had zijne moeder hem gegeven als eene herinnering

aan eenen oud-oom te Marseille, Jan Vadarasse, een zeeman die door

menschen-eters heette opgegeten te zijn, iets waar zijne achternicht

niet weinig trotsch op was. Jan's vader, die zichzelf in den naam Cesar

verheugen mocht, had voor zijn oudsten zoon zeker iets anders verlangd,

iets meer in overeenstemming met de bewondering die hij voor beroemde

krijgshelden koesterde, maar hij had bij het kiezen van eenen naam voor

hunnen eerstgeborene zijne vrouw niet willen tegenspreken. Daarom had

hij er in toegestemd dat de jongen eenvoudig Jan zou heeten, maar met

het stille voornemen om indien hun meer spruiten geschonken werden,

zich voor zijne inschikkelijkheid schadeloos te stellen.

Dit gebeurde ook zoodra hem een tweede zoon geboren werd. Na eenigen

tijd geaarzeld te hebben tusschen Hamilcar, Attila of Hannibal,

eindigde Cesar met hem Alexander te doen doopen. Bij verkorting werd

hij gewoonlijk Sander genoemd.

Op de twee jongens volgde mettertijd een meisje. Moeder Cascabel

had deze Hersilia willen noemen, maar haar man stond er op dat zij

Napoleona zou heeten als eene hulde aan den martelaar van Sint Helena.

Napoleona was nu acht jaar oud. Het was een lief kind dat een mooi

meisje beloofde te worden. Zij was blond en had eene frissche kleur,

met een gelaat vol uitdrukking en leven. Bevallig in al hare bewegingen

en goed van aanleg, bracht zij het in de edele kunst van koorddansen

spoedig tot eene aanmerkelijke hoogte. Zooals zij met hare welgevormde

voetjes over den stijf gespannen metalen draad zweefde, huppelend en

sierlijke passen makend, was het alsof het schepseltje vleugels had

om zich recht te houden.

Ieder begrijpt dat Napoleona het liefste kind van het gezin was. Zij

was aller oogappel en toch geen bedorven kind in den slechten zin van

het woord. Hare moeder koesterde de stille hoop dat haar dochtertje

eenmaal een voornaam huwelijk zou doen. Dat is immers een van die

dingen welke in het wisselvallige leven van straatkunstenaars af en

toe voorkomen. Waarom zou Napoleona, volwassen en eene knappe jonge

dochter geworden, niet eenen prins of baron kunnen ontmoeten die op

haar verlieven en haar trouwen zou?

--Dat gebeurt alleen in sprookjes, meende Cesar, die de zaken kalmer

opnam dan zijne vrouw.

--Neen Cesar, het gebeurt ook in het werkelijke leven.

--Helaas, mijn goede Cornelia, de tijd is voorbij toen koningen

herderinnen tot vrouw namen. Trouwens, zooals de zaken tegenwoordig

gesteld zijn, weet ik niet of iedere herderin wel met eenen koning

zou willen trouwen.

Dit was dus de familie Cascabel, vader, moeder en drie kinderen. Met

het oog op de vereischten voor de vertooning eener menschen-pyramide,

waarbij de artisten twee aan twee op elkanders schouders gaan staan,

ware het misschien wenschelijk geweest dat er nog een vierde kind

bij was gekomen. Maar nummer vier verkoos niet te komen.

Gelukkig hadden zij Kruidnagel. Deze was altijd beschikbaar om bij

buitengewone gelegenheden in de bres te springen.

Kruidnagel was inderdaad een onmisbaar aanhangsel van de Cascabels

en maakte de familie voltallig niettegenstaande hij een amerikaan

van geboorte was. Hij was een dier arme drommels die hunne ouders

nooit gekend hebben; die te nauwernood de plek weten waar zij geboren

zijn; die door de liefdadigheid van vreemden groot worden gebracht

en te eten krijgen voor zoover er iets voor hen overblijft; die tot

oppassende menschen kunnen opgroeien wanneer hunne inborst goed is,

zoodat zij weerstand weten te bieden aan de slechte voorbeelden en aan

de booze inblazingen, waar de armoede maar al te gul mede is. Zulke

verwaarloosde schepsels gaan meestal den verkeerden kant op en komen

slecht terecht; maar is er geen reden om medelijden met hen te hebben?

Met Ned Harley, die van mijnheer Cascabel den bijnaam Kruidnagel

gekregen had, was het goed afgeloopen. Dien bijnaam had hij te danken

aan zijn figuur, want hij was zoo mager als een spijker. Zij hadden

hem dus even goed Draadnagel kunnen noemen, maar Kruidnagel klonk

meer uitheemsch en kreeg de voorkeur omdat onwillekeurig de gedachte

aan eene afkomst uit de Specery-eilanden er zich aan verbond.

Het was nu twee jaar geleden dat Cascabel op zijne reis door de

Vereenigde Staten den armen vondeling ontmoet had. Ned Harley had op

dat tijdstip letterlijk niet meer te eten. De troep kunstenmakers waar

hij aan verbonden was, ging uit elkander nadat de directeur er van op

den loop gegaan was. Ned speelde er voor »minstreel«, zooals het in

de engelsch sprekende kunstenmakerswereld heet. Dat is een treurig

bestaan, al verdient men er ook ten naaste bij den kost mede. Zich

insmeeren met schoensmeer, zich tot een »neger« maken, zich in een

zwarten rok en broek, een wit vest en eene witte das steken, om zoo

toegetakeld de malste liedjes te zingen en op eene akelige viool

te krassen, vergezeld en begeleid door nog vier of vijf van zulke

hansworsten, welk eene maatschappelijke bestemming! Deze bestemming

was het echter, die Ned Harley tot zijne bittere droefheid kwijt was

op het oogenblik toen hij zoo gelukkig was een reddenden engel te

ontmoeten in den persoon van Cesar Cascabel.

Deze had juist eenen helper weggestuurd die bij de voorstellingen in

den regel voor paljas speelde. Wat dat voor een bedrieger was, kan

iemand zich nauwelijks voorstellen. Verbeeld u dat hij zich voor een

amerikaan had uitgegeven terwijl hij een geboren engelschman was! Een

landgenoot van John Bull in eenen troep fransche kunstenmakers! Een

afstammeling van dien beul, die Napoleon..... Wij behoeven er niets

bij te voegen om te doen begrijpen hoe Cascabel zich voelde op den

dag toen hij te weten kwam wat voor een landsman zijn paljas was.

--Mijn goede mijnheer Warburton, voegde hij hem toe, aangezien gij

een engelschman zijt, verzoek ik u in den kortst mogelijken tijd uwe

biezen te pakken, indien gij niet wilt dat ik u, in uw paljassenpak

zooals gij daar staat, de deur uitsmijt.

Mijnheer Warburton maakte dat hij uit de voeten kwam, want hij had

anders op het breedste gedeelte van zijne paljassenbroek eenen schop

gekregen die hem het wegloopen al te gemakkelijk gemaakt zou hebben.

Kruidnagel kwam dus in zijne plaats. Hij werd aangenomen om van

alles te doen, paljasdienst zoowel als het werk van stalknecht bij de

paarden of van keukenjongen als Cornelia hulp noodig had. Natuurlijk

sprak hij fransch, maar met een sterken uitheemschen tongval.

Ofschoon reeds om en bij de vijf-en-dertig jaren was het toch nog een

onnoozele knaap, uitgelaten genoeg als hij met zijne potsen het publiek

bezig hield, maar in het gewone leven eer droefgeestig van aard. Hij

bezag de meeste dingen van den donkeren kant en goed beschouwd was dat

geen wonder, want hij had geene reden om zich onder de troetelkinderen

der fortuin te tellen. Hij was een wonderlijk schepsel, met zijn

puntig toeloopend hoofd, zijne geelachtige haren, zijne ronde, domme

oogen, zijn vervaarlijk langen neus, waar hij een half dozijn brillen

op wist te zetten hetgeen altijd een groot gelach onder het publiek

deed opgaan, zijne wijd uitstaande ooren, zijn ooievaarshals en zijn

mageren romp op een paar spillebeenen. Toch hoorde niemand hem klagen,

ten minste--dit voorbehoud maakte hij gewoonlijk--als het hem niet zóó

erg tegenliep dat hij wel klagen moest. Van het oogenblik af dat hij

aan den troep van Cascabel verbonden was geworden, was hij begonnen

zich aan het gezin te hechten en zij hadden het op dit oogenblik

nauwelijks meer zonder Kruidnagel kunnen stellen.

Hiermede hebben wij, als het geoorloofd is dit te zeggen, alles wat

er menschelijks was in den kunstenmakerstroep aan onze lezers te

zien gegeven.

Er waren echter ook dierlijke bestanddeelen. In de eerste plaats een

patrijshond van het echte ras, goed op de jacht, maar onmisbaar om

op de rollende woning te passen. Vervolgens een poedel, een aardig

en vernuftig dier, die zeker, zoodra er eene academie van geleerde

honden gesticht mocht worden, daarin eene plaats zal krijgen.

Behalve de beide honden moeten wij nog melding maken van een aap, die

als het op potsen maken aankwam alle recht had om met Kruidnagel op

ééne lijn gesteld te worden, zóó zelfs dat de toeschouwers niet zelden

aarzelden aan wien van de twee zij de voorkeur moesten geven. Dan

was er een Javaansche papegaai, antwoordende op den naam Jako, die

door zijnen vriend Sander vlijtig onderricht werd en dank zij diens

lessen, tien uren van de twaalf snaterde, zong of floot. Eindelijk

nog twee paarden, een paar goede beesten, vrij hoog op jaren, die

den kermiswagen voorttrokken. Zij hadden er sedert lang de heugenis

van verloren hoeveel honderden mijlen zij met hunne gaandeweg stijf

geworden beenen den wagen reeds over allerlei gebaande of ongebaande

wegen hadden voortgezeuld.

Is iemand er op gesteld de namen dezer kostelijke dieren te weten? Zij

heetten Vermout en Gladiator, naar twee beroemde raspaarden, die

op wedrennen te Parijs op engelsche mededingers den prijs behaald

hebben. Maar eenige andere overeenkomst met deze wereldvermaarde

rossen dan die van den naam, vertoonden de geduldige viervoeters,

die den wagen der Cascabel's trokken, niet.

Van de twee honden antwoordde de poedel op den naam Marengo en de

patrijshond op dien van Wagram. Niemand behoeft te vragen hoe het

kwam dat zij naar deze historische plaatsen vernoemd waren.

De aap heette John Bull, welke onderscheiding hij aan zijne

buitengewone leelijkheid te danken had.

Hieraan kunnen wij niets veranderen; het was een zwak van Cesar

Cascabel dat voortsproot uit een loffelijk gevoel van vaderlandsliefde,

al erkennen wij dat zulke gevoelens van haat tegen personen van

anderen landaard in onzen tijd eigenlijk niet meer te pas komen.

--Hoe is het mogelijk, zeide hij wel eens, dat iemand geen afgod

maakt van dien grooten man, die onder eene hagelbui van kogels zijne

soldaten toeriep: »Volgt de witte pluim op mijnen helm; gij vindt

hem altijd in het midden der vijanden!«

Iemand had hem eens doen opmerken dat het Hendrik de Vierde en niet

Napoleon geweest was, die deze woorden gebruikt had.

--Wel mogelijk, antwoordde hij. Maar Napoleon was er de man naar om

hetzelfde te zeggen!

III.

DE SIERRA NEVADA.

Hoevelen hebben niet wel eens verlangd eene reis te doen in een huis op

wielen, op de manier van reizende kunstenmakers! Geen zorgen te hebben

over logement of herberg, over het bed waar men nooit te voren zeker

van kan zijn en over het middagmaal waar men nog minder op rekenen

kan, ten minste wanneer de reis gaat door een land waar de dorpen

en gehuchten dun gezaaid zijn. Er zijn wel enkele pleizier-reizigers

die iets dergelijks doen aan boord van hunne eigen jachten, waar zij

al de geriefelijkheden eener woning op medenemen, maar zeldzaam zijn

zij die met een eigen reis-rijtuig een eenigszins aanmerkelijk eind

weegs afleggen. Toch is zulk een reiswagen inderdaad een huis dat

zich beweegt. Hoe komt het dan dat het genoegen van »eene zeereis op

vasten wal« tot kermiskunstenaars beperkt blijft?

De wagen van zulk een zwerver is inderdaad eene volledige woning,

in vertrekken afgedeeld en van meubelen voorzien, een rollend dag-

en nachtverblijf. Die van Cesar Cascabel bevatte alle gemakken die

voor zijn zwervend bestaan onontbeerlijk waren.

De wagen had eenen naam, _De schoone Zwerfster_, even alsof het een

schip was, en de verschillende tochten door onderscheidene deelen

der nieuwe wereld, die zij reeds had helpen doen, rechtvaardigden die

dichterlijke benaming. Drie jaar geleden was het rijtuig nieuw gekocht

van de spaarpenningen die het echtpaar toen had overgegaard. Het had

gediend om de oude kar te vervangen, waar zij tot dien tijd zich mede

hadden beholpen, een ruw en hortend ding zonder veeren, alleen maar

met een lap geteerd zeildoek overdekt, waaronder het gezin de nachten

doorbracht. Met dit gebrekkige vervoermiddel hadden de Cascabels

twintig jaren lang de kermissen en jaarmarkten in de amerikaansche

Unie afgereisd. Het spreekt dus van zelf dat hun nieuwe rijtuig van

amerikaansch maaksel was.

De _Schoone Zwerfster_ was een wagen op vier wielen, rustende op

beste stalen veeren, licht en toch stevig van bouw. Zij werd met

zorg onderhouden, op haar tijd gewasschen, gepoetst en gepolijst,

zoodat de met schitterende kleuren, goudgeel en cochenille-rood,

beschilderde wanden in het zonnelicht blonken. Daarop prijkten met

groote letters de woorden: _Familie Cesar Cascabel_. Zij was even

lang als de groote reis- en goederenwagens, die gebruikt worden voor

tochten door de prairieën in het verre westen, waar de spoorwegen,

die in de richting van San Francisco de beide oceanen verbinden, nog

niet met hunne vertakkingen zijn doorgedrongen. Twee paarden konden

niet anders dan in den stap het zware voertuig voortkrijgen. De last

dien zij te trekken hadden, was niet gering. Behalve de reizigers,

een zeildoeksche tent met palen, touwen, en toebehooren, die boven op

den wagen geborgen werd, en daar beneden, tusschen de wielen, een kleed

van zeildoek, dat onder het rijden heen en weder slingerde en waarin

allerlei geborgen werd, de turksche trom en de roffeltrom, de klephoorn

en de trompet, en al de andere benoodigdheden die voor de vertooningen

van kunstenmakers vereischt worden. Daartoe behoorden ook de kostuums

voor eene vermaarde pantomime, genaamd: _De roovers van het Zwarte

Woud_, welke sedert lang den roem der familie Cascabel uitmaakte.

Het binnenste van den wagen was zeer doelmatig ingericht en zoo netjes

en zindelijk als eene hollandsche boerenwoning, want Cornelia verstond,

waar het op orde en reinheid aankwam, geen gekscheren.

Achterin, van de buitenlucht gescheiden door eene glazen schuifdeur,

bevond zich de afdeeling voor keuken bestemd, waar het fornuis

stond te branden. Dan kwam het huisvertrek, tevens eetkamer, waar

ook de lieden werden ontvangen die zich de toekomst wilden doen

voorspellen. Vervolgens een slaapvertrek, waar de slaapplaatsen

twee aan twee tegenover en boven elkaar getimmerd waren even als

de kooien in een schip. Daar sliepen aan den linkerkant de twee

jongens en aan de overzijde, door een gordijn van hen gescheiden,

hun zusje. Voorin eindelijk was de slaapkamer van Cascabel en zijne

vrouw, wier beddegoed bestond uit een mooie matras en een veelkleurige

gestikte deken. Daar had ook de lang begeerde geldkist nu eene plaats

gekregen. In alle hoeken waren plankjes getimmerd, die opgeslagen en

neergelaten konden worden teneinde als tafeltjes te dienen, en kleine

kasten tot berging van de kleederen, de pruiken, de valsche baarden en

wat verder bij de pantomime te pas kwam. Aan de zoldering hingen twee

petroleumlampen, die evenals scheepslampen al de bewegingen van het

rijtuig op de hobbelige wegen mede maakten. Bij dag drong het licht

naar binnen door een half dozijn in de wanden gemaakte openingen,

met in lood gevatte glasruiten gesloten, waar dunne gordijntjes voor

hingen die door gekleurde linten werden opgehouden. Het geheel geleek

van binnen op de roef eener oud-hollandsche trekschuit.

Kruidnagel was voor zijn persoon met weinig tevreden. Gewoonlijk sliep

hij in de keuken, waar hij des avonds aan twee in de wanden geslagen

haken zijne hangmat ophing, die 's morgens bij het krieken van den

ochtend weder door hem opgerold werd.

De twee honden, Wagram en Marengo, die 's nachts de wacht te houden

hadden, sliepen in het dekkleed onder den wagen. De aap John Bull hield

hen daar gezelschap en maakte het hun, met zijne ongepaste aardigheden,

wel eens lastiger dan noodig was. Jako de papegaai eindelijk hing in

eene kooi aan de zoldering van het woonvertrek.

Cesar Cascabel: "De Schoone Zwerfster" · 第 1 / 14 段