ontoegankelik voor de wijsgerige kritiek als Haeckel, dan bestaat er
voor hem slechts één weg, om altans de eerbied zich te redden, die een
oprecht, gaaf naturalist verdient: „Be nothing which thou art not”
(Poe), of, positief: „To thine own self be true”!
17: p. 39. Phaenomeen. Wij hebben geen Hollands woord daarvoor:
„verschijning” (= komst) en „verschijnsel” worden in een heel andere
zin gebruikt. Ons taaleigen gedoogt feitelik niet, een zgn. „ding”: een
boek, een astronomies lichaam als zon of aardbol, een scheikundig
element, „verschijnsel” te noemen. [251]
Men spreekt van de sterren als „verschijnselen aan de sterrenhemel”,
tegenover de astronomiese werkelikheid—de kennisleer noemt juist dit
astronomies ruimtelik „Heelal” Phaenomeen der werkelikheid of de
phaenomenale wereld, en bedoelt daarmee, dat het een denkbeeldig geheel
is van algemeen mogelike waarnemingsinhouden, in tegenstelling
enerzijds tot de individuele (lichtpunt-)gewaarwordingen en anderzijds
tot de van mogelike waarneming onafhankelike werkelikheid zelf, wier
inwerking op onze geest oorzaak is van die gewaarwordingen en die als
zodanig het „reale” of „substraat” of „An-sich” heet van die
phaenomenale objectenwereld.
De eenheid, waarin de afzonderlike waarnemingsinhouden groepsgewijs
worden samengevat tot de „dingen”, die deze inhoud als „eigenschappen”
„dragen”, vindt dus z’n grond en verklaring enerzijds in de eenheid van
het denkend en waarnemend bewustzijn, dat als subject het
kennistheoretiese prius is van deze objecten, anderzijds in de eenheid
van het (vermoedelik evenzeer subjectief, psychies) reale, dat als
substratum het metaphysiese prius der voorwerpen vormt.
Is dit inzicht eenmaal bereikt, dan zal de lezer mij gaarne Kant’s
terminologie schenken, in casu zijn „transcendentale synthetische
Einheit der Apperception” als „formaler, subjectiver Grund” der
„empirischen Einheit der objectiven Erscheinung”. Wie deze Kantiaanse
„apperceptie”, in haar kennis-theoretiese zuiverheid, dus vrij van
ontologiese, substantiële dogmasmetten, begrepen heeft, is daardoor
alleen reeds... Hegel te boven gekomen, en kan nog slechts glimlachen
als Hegel’s „begrip” zich uitgeeft voor een synthese van Spinoza’s
substantie (transcendent, dus slechts door wanbegrip te vergeesteliken)
en Kant’s apperceptie (transcendentaal, dus slechts door onkritiese
„Subreption” te verwezenliken).
„Verschijnsel” voor phaenomeen heeft ook nog dit tegen, dat het aan
iets vergankeliks doet denken, en dus de niet-kritiese Hegeliaanse en
Bollandistiese tegenstelling met het „wezen” als het onvergankelike
bestendigt (vgk. b.v. Coll. Log. pp. 538–550: „Stof is de naam van de
wezenlijkheid in het verschijnsel” enz., het „wezen” „als blijvende
eenheid of idealiteit van eigen vergankelijke realiteit” en laatstelik
De Logica, p. 22: „het ding als verschijnsel, heeft de eigenschap der
vergankelijkheid” enz.). Juist in Kant’s „substantia phainomenon”,
Newton’s materie en de quantitas materiae (massa) hebben we klassieke
voorbeelden van een onvergankelik, onveranderlik phaenomeen, terwijl
enerzijds het ding-op-zich-zelf evenmin onvergankelik als vergankelik
mag heten, zover het als ontijdelik moet worden gedacht, en anderzijds
het werkelik bewustzijnsleven, waarvan een levend organisme naar de
psychies-monistiese leer het phaenomeen is, de tijdelikheid en
vergankelikheid met dit laatste gemeen heeft.
18: p. 39. Daarmee is weerlegd Schopenhauer’s kritiek (I, p. 562/3) op
Kant zover zij de gewaande tegenstrijdigheid betreft, dat Kant eerst
(terecht!) zegt: het verstand kan slechts denken, niet „aanschouwen”,
„Anschauung, Wahrnehmung, Perceptio gehören bloss den Sinnen an, und
die Anschauung bedarf der Funktion des Denkens auf keine Weise.”—en
later toch voor de natuur, voor het samenstellen van objecten, het
verstand nodig heeft, voor het object dus „das doch wohl ein
Anschauliches und kein Abstraktum ist”, zegt Schopenhauer... ten
onrechte. „Nun ist aber die Natur doch wohl ein Anschauliches und kein
Abstraktum” ... integendeel!
„Ich fordere Jeden, der mit mir die Verehrung gegen Kant theilt, auf,
diese Widersprüche zu vereinigen, und zu zeigen, dass Kant bei seiner
Lehre vom Objekt der Erfahrung und der Art, wie es durch die Thätigkeit
des Verstandes und seiner zwölf Funktionen bestimmt wird, etwas ganz
Deutliches und Bestimmtes gedacht habe.” (p. 563/4).
Ik kan zonder die 12 Funktionen te verdedigen aan die Aufforderung
voldoen: alle aanschouwing is, voor Kant, belevenis, individueel (al
geschiedt ze niet dan in de aanschouwingsvormen, òf tijd en ruimte, òf
tijd alléén)—en de „objecten”, al het objectief „Bestimmte” ... heel de
natuur, geldt transindividueel, met betrekking tot „ein Bewusstsein
überhaupt”, is dus nooit onmiddellik belevenis, „intuïtieve”
werkelikheid, maar abstrakt, door diskursief denken omtrent gegeven
belevenissen (die altijd nodig en vóórondersteld zijn) opgebouwd
intersubjectief geldig systeem.
Niet alleen dus het (transcendentale, en geenszins empiriese) „Objekt”
waardoor ons de aanschouwing gegeven wordt, het Ding an sich, is van de
aanschouwing verschillend, maar zelfs ook het immanente Objekt, dat uit
aanschouwing, uit gewaarwordingen in aanschouwingsvormen, denkend wordt
gecomponeerd.
„Unvorstellbar” of „sonderbare Voraussetzung” is dus dat immanent
Object, dat natuurding, geenszins. Integendeel, het bestaat juist
alléén in onze wetenschappelike voorstelling!
Te zeggen: onze Anschauung („waarneming”) is als zodanig reeds „sofort
objectiv” (p. 565) heeft enerzijds geen zin (want niet de waarneming,
maar haar inhoud wordt geobjectiveerd), is anderzijds onjuist
(vergelijk droom, hallucinatie enz.) en is 3o. niet ter zake tegen
Kant, want die toekenning van het praedicaat objectief is zuiver
verstandswerk—, de zinnen weten niets hoegenaamd van al of niet
„objectief”.
Wundt’s tegenstelling tussen de „concrete”, „zinnelike” natuurobjekten
en de „abstrakte” „begripsdingen” (atomen etc.) der natuurwetenschap,
vergeet tweeërlei: dat de eerste evenzeer reeds abstrakt—en de tweede
evenzeer nog zinnelik zijn!
19: p. 40. Heel de Hegeliaanse tegenstellingenreeks van schijn of
verschijnsel en wezen of waarheid of werkelikheid, van uiting en
kracht, geval en wet, blijft dan ook (als in z’n geheel immanent)
beneden het niveau van Kant’s kennistheoretiese („transcendentale”)
tegenstellingen: al of niet immanent en al of niet a priori.
Zo is het louter machteloze misvattingspolemiek, als Prof. Bolland in
„Zuivere Rede” (p. 32, 33, 2e dr. 75) van de „wét” als „het blijvende
ware aan de verschijnselen”, „blijvende eenheid van de kracht en haar
uiting”, aldus oreert: „De werkelijke wet is als wet der (ware of
geheele) werkelijkheid even weinig enkel buiten als alleen binnen, even
weinig eenzijdig van voren [!] als blootelijk van achteren [!] en niet
òf subjectieve òf objectieve maar absolute wet, die zich als zoodanig
in al het relatieve wedervindt; de ware wet of wet van het ware is
zonder eenzijdigheid achter, in en voor [n.b.] al het verschijnende het
begrijpelijk geldige en zoo op hare wijze het werkelijke, ware en
redelijke zelf.”
Nog afgezien van de ondoordachte vereenzelviging van waarheid en
werkelikheid, staat dus zelfs deze „wet” ... tegenover Kant’s An sich,
als een wet, slechts van phaenomenen, een slechts phaenomenale, zuiver
immanente, dus als zodanig evenzeer objectieve als subjectieve wet.
Vgk. verder van hetzelfde gehalte de herhalingen van pp. 122–128 Z. R.
20: p. 42. Het doet vermakelik aan, een dogmaties realist als b.v.
Dietzgen te horen vertellen (Streifzüge, p. 60 ss.): „Von der
gegenwärtig grassierenden erbärmlichen philosophischen Kritik wird der
Menschenverstand als armer Schlucker dargestellt, der nur die
oberflächlichen Erscheinungen der Dinge erklären [!] könne” ...
Natuurlik is dat „Oberflächliche” alléén van Dietzgen, niet van de
„Kritik”.
Van Hegel tot Dietzgen weet men aardig beter dan Kant wat de verhouding
van werkelikheid, wezen, tot „Erscheinung” eigenlik is: Gelijk Hegel
gewaagt van dingen, die „nicht nur für uns sondern an sich blosse
Erscheinungen sind” (Busse, Geist und Körper, p. 29, terecht:
„Erscheinung an sich... eine contradictio in adjecto”), zo expliceert
Dietzgen nader als volgt: „Alle Erscheinungen macht der Intellekt zu
Wesen und erkennt alle Wesen als Erscheinungen des grossen [!]
allgemeinen Naturwesens. Der Widerspruch zwischen Erscheinung und Wesen
ist kein Widerspruch, sondern eine logische Operation, eine
dialektische Formalität [!]. Das Wesen des Universums ist Erscheinung
[!] und seine Erscheinungen sind wesenhaft... Und unsere Kritik sagt:
Das Was, welches erscheint, ist selbst Erscheinung [wel, wel!], Subjekt
und Prädikat ist von einer Art.” Of elders: „Das Wesen der Welt ist
absolute Veränderlichkeit. Erscheinungen erscheinen—voilà tout.” (Das
Wesen der menschlichen Kopfarbeit, p. 72).
Nu weten we ’t—wezenlik!
Voorwaar, voor zulk een wijsgeer moeten wel de Kantianen, „die
zeitgenössischen Philosophen mit dem Geschichtsschreiber des
Materialismus an der Spitze” ... „entweder Schelme oder Narren” zijn...
„welche mit sämtlichen Körnern eines Sandhaufens sich nicht begnügen
wollen sondern hinter [!] allen Körnern extra noch einen körnerlosen
Sandhaufen [!] suchen.”!—Waarlik een schelm of een nar, wie op
Dietzgen’s... zandhoop bouwt!
Komt ééns het proletariaat ook aan wijsbegeerte toe (mocht ik het
beleven—er altans het mijne toe bijdragen)—dan zal het zelf wel richten
over deze profeet van het „dialekties” „materialisme”. Tot zolang mag
hij blijven „der Philosoph des Proletariats”. Tot zolang mag „die
Denkmethode und Weltanschauung des Proletariats” heten, wat „mit dem
Masse der unreifen bürgerlichen Erkenntnistheorie gemessen” (om met
Dietzgen’s waardige paladijn Dr. A. Pannekoek te spreken, die zich en
de zijnen reeds tans in staat verklaart, „die bürgerliche Philosophie
denkend zu überwinden”) een waardeloos samenraapsel blijkt van
materialistiese („Aus einem immateriellen, unfassbaren Wesen wird
nunmehr der Geist zu einer körperlichen Tätigkeit.—Denken ist eine
Tätigkeit des Gehirns, wie Gehen eine Tätigkeit der Beine.”) en
dualistiese („Nun aber besteht die ganze Welt aus Atomen und
Bewusstsein, aus Materie und Geist”) afval [252]. Tot zolang viere de
Heer Pannekoek gerust als „Vollender des Werkes.... von Hume und Kant
begonnen” de verwatenste fraseur, die ooit geposeerd heeft en geponeerd
is als kennistheoreticus, de Ueber-Kant, die met zijn „abermalige
[neen, aberwitzige] Kritik der reinen und praktischen Vernunft” zóveel
van die Kritiek begrepen heeft, van het kennis-probleem, de synth.
oordelen a priori, dat hij.... de analysis als tegeninstantie, als....
„nicht so wunderbar” (p. 84) aanvoert, de Hyper-Spinoza (hoort, hoe
deze Dietzgen Spinoza de les leest, Streifzüge p. 17: „Das ist gefehlt
etc..... das Absolute oder die Natur.... dehnt sich endlos aus, im
Raume und in der Zeit”.... etc), die eens even het „Denk-Instrument”
zelf „in unserm Kopfe”, „das geistige Organ, welches dem Menschen von
Natur im Kopf angewachsen ist” verbeteren zal („Schon der berühmte
Spinoza hat uns ein leider unvollendetes Werkchen ‚über die
Verbesserung des Verstandes’ hinterlassen, und es ist nichts Geringeres
als die Verbesserung dieses Instruments, was wir mit diesen
‚Streifzügen in das Gebiet der Erkenntnistheorie’ bezwecken.”)! Enfin,
es muss auch solche Käuze geben. En mocht gij u ergeren aan die
zwetsende zelfweersprekingen, waarvan zijn werk wemelt, bedenk dan met
Dr. Pannekoek, dat gij „die dialektische Denkweise”, „die Erkenntnis,
dass der Widerspruch die wahre Natur aller Dinge ist” nog niet hebt
bereikt, of neen, laat u liever verzoenen door de aardige, voor
Dietzgen zo karakteristieke anekdote, die zijn zoon vertelt: „Als ein
Bekannter ihn an Versprochenes erinnerte, antwortete er: ‚Bitte, mich
nie beim Worte zu nehmen, sondern nur alles quecksilberig zu
verstenen.’” of door een waarlik wijs en beminnelik woord van Dietzgen:
„auch der Bösewicht ist ein guter Kerl und der Gerechte sündigt des
Tages siebenmal.”
21: p. 44. De Duitse kennisleer zegt hier gewoonlik „Grund” (ofschoon
Kant herhaaldelik eenvoudig van „Ursache” spreekt, vgk. opm. 30), ter
onderscheiding van de ruimtelike, phaenomenale „causaliteit” der
natuur; terwijl Heymans, zuiverder, (maar in strijd met het als altijd
uit naiveteit geboren spraakgebruik) spreekt van causaliteit en
„pseudo-causaliteit”.
Een bezwaar daartegen schijnt mij, dat we dan ook van pseudo-dingen en
pseudo-substantie en pseudo-realiteit zouden moeten spreken, waardoor
bestendiging der verwarring van „schijn” en „verschijnsel” te duchten
valt. Misschien ware dan phaeno- nog beter dan pseudo-.
Zelfs Kant kon bij ’t redigeren van de beruchte 2de druk van zijn
Kritik der reinen Vernunft niet meer ’t verschil duidelik maken tussen
de „schijn” (wat niet geobjectiveerd mag worden, omdat het individueel
is: hallucinatie-inhoud, of verkeerd geobjectiveerd wordt, omdat met
perspectief, nabeelden enz. geen rekening wordt gehouden, het zg.
„zinsbedrog”: „die zwei Henkel, die man anfänglich dem Saturn
beilegte”) en het „verschijnsel” (dat niet getranscendeerd mag worden,
omdat het objectief is: de roodheid van de roos, die wel aan ’t object
„roos”, maar niet aan het An-sich der roos, aan de oorzaak der
roodgewaarwording eigen is). Kant verhaspelt in de noot bij p. 73 o. c.
deze twee geheel verschillende dingen: de „schijn” der verkeerde, wijl
realistiese transcendering en de „schijn” der verkeerde, maar
goed-immanente objectivering. Zolang u deze samenvoeging: „immanente
objectivering” als een contradictie klinkt, hebt ge ’t Kantisme nog
onvoldoende begrepen. Dat is juist de tegenstelling van ’t dogmaties
realisme (b.v. dat van Hartmann) met Kant, dat voor ’t eerste
objectivering transcendering betekent,—terwijl Kant bewees: heel de
objectivering der natuurwetenschap—heel de „natuur” is ... immanent.
Natuurlik gelden deze termen: immanent en transcendent dus niet,—zoals
Hartmann met het naief realisme ze misvat—, ten opzichte van een
individu, maar ten opzichte van ’t Bewusstsein überhaupt, de kennende
subjectiviteit als zodanig.
22: p. 44. Het realisme zal onder ’t lezen van dit, gelijk van elk
anti-realisties betoog, reeds voortdurend de gemenelike kanttekening
hebben gezet: maar ik bedoel met b.v. „die rode bal” volstrekt niet een
systeem van mogelike gewaarwordingsinhouden, maar juist de
transcendente oorzaak van mijn en anderer gewaarwordingen, met hun
bepaalde inhouden. Juist—maar van tweeën één: òf gij bedoelt inderdaad
deze (transcendente) oorzaak,—maar dan moogt gij haar, als zodanig,
geen enkele der „zinnelike” eigenschappen toeschrijven [253]: die
werkelike oorzaak is noch rood noch rond, zelfs niet eens ruimtelik
enz.—òf gij bedoelt iets roods en ronds, maar dan hebt ge weer een uit
werkelike en mogelike gewaarwordingsinhouden samengesteld abstractum,
een product uit, in plaats van een oorzaak van waarnemingsinhouden.
Mach, Beiträge zur Analyse der Empfindungen, p. 20 heeft hier vrijwel
gelijk: „nicht die Körper erzeugen Empfindungen, sondern
Empfindungskomplexe bilden Körper”, wel te verstaan: aus
Empfindungskomplexen bildet der denkende Geist Körper (Tussen haakjes:
Wat zou Mach moeten antwoorden op de vraag: wat dan wèl de oorzaken der
gewaarwordingen zijn?).
Gij hebt tot dusver b.v. aethertrillingen als de (van bewustzijn
onafhankelik bestaande) werkelikheid beschouwd, die „oorzaak” is van
onze licht- en kleurgewaarwordingen—maar gij zult tans of straks wel
gaan inzien, dat precies zoals de kleuren een vertolking van de
werkelikheid in de taal van de kleurzin, evenzo de bewegingen
(trillingen, heel de „mechaniese” wereld) ook slechts een bewustzijns-
(waarnemings-)afhankelike zijn ... niet de werkelikheid zelf, maar haar
vertolking in de taal van ... de bewegingszin (Uitstekend, Riehl, Der
Philos. Krit. II, p. 27). „Kracht” en „stof” bestaan slechts objectief,
niet van-bewustzijn-onafhankelik of „an sich”, zelfs niet eens
onafhankelik van mogelike waarneming.
23: p. 45. Hier zij er op gewezen, dat ook Kant’s aan Locke c.s.
ontleende, even veel gesmade als weinig begrepen „innere Sinn” een ...
goede zin heeft. Want b.v. eens anders gemoedsaandoeningen, angsten,
begeerten enz. kan ik enkel mij „denken”, „voorstellen”,
„erwägen”,—maar beleven, „hebben”, ervaren, en in die zin „kennen” kan
ik alléén eigen bewustzijnstoestanden. Alléén door dat „beleven”,
„ervaren” (Kant spreekt naar Locke’s voorbeeld van „innerlik
waarnemen”, „innere Anschauung”) worden deze voor ons tot
werkelikheden, bepaalde („bestimmte”) realiteiten, nog lang niet door
ze enkel te „denken”,—de „Anschauung” is onontbeerlik—en dus ook ... de
„vorm” van alle bewustzijns-belevenissen ... de „tijd”. Iets
ontijdeliks kan ik zeer goed denken, tot onderwerp van overweging, van
nadenken, tot subjekt van oordelen maken, „kennen” echter, of zelfs mij
voorstellen—nooit!—(Vgk. Hoofdst. IV, § 1).
De „innere Sinn” is synoniem met de „empirische Apperception”, „das
empirische Bewusstsein meiner selbst”, „vermittelst dessen das Gemüth
sich selbst oder seinen inneren Zustand anschaut”. Zo wordt door Kant
meteen elk intellektualisme en ontologisme onmogelik gemaakt.—Onze
innerlike ervaring is niet intellektueel: louter „denken” of „rede” zou
ons geen enkel gevoel, geen enkele gewaarwording kunnen leveren—en het
denken moet zelf als psychiese realiteit (dus in de tijd!) „gegeven”
zijn ... om te bestaan. Vgk. hierover speciaal K. d. r. V. § 22, p. 668
s.: „Sich einen Gegenstand denken, und einen Gegenstand erkennen, ist
also nicht einerlei” enz.; p. 675: „Ich, als Intelligenz und denkend
Subject, erkenne mich selbst als gedachtes Object, sofern ich mir noch
über das [behalve ’t gedacht zijn] in der Anschauung gegeben bin, nur,
gleich andern Phänomenen” etc. en vooral § 25, p. 676/7: „So wie zum
Erkenntnisse” etc.
De polemiek van Palagyi tegen de „innere Sinn” berust uitsluitend op de
misvatting van „Sinn” ... in de gewone zin van ’t woord. Kant’s „i. S.”
heeft met een zien van het zien, een „Tasten des Tastens”, kortom, een
gewaarwording van een gewaarwording niets hoegenaamd uit te staan—en
even veel met Thomas van Aquino’s lichamelike „sensus communis”—(cf.
Palagyi, Der Streit der Psychologisten und der Formalisten in der
modernen Logik, 1902).
Ook Paulsen geeft in „Die Zukunftsaufgaben der Philosophie” nog een
machteloos-dogmaties verweer tegen Kant’s „inneren Sinn”, waarin hij
zelfs schrijft: „Es bleibt kein dunkler, undurchdringlicher Gegenstand
hinter der Szene, von dem wir im Selbstbewusstsein bloss eine
‚Erscheinung’, eine getrübte oder gefälschte Spiegelung hätten.” De
kenniskritiek moet weer antwoorden: Kennis, onverschillig of zij ons
zelf geldt dan wel iets anders, dat „erscheint”, is in ’t geheel geen
„Spiegelung”, laat staan dus „eine getrübte oder gefälschte
Spiegelung”! Voor Kant sluit dan ook de „innere Sinn” geenszins uit,
maar eer juist in, uw psychistiese „Erweiterung des Realismus auf die
Aussenwelt”, terwijl het tijdeloos An-sich niets hoegenaamd gemeen
heeft met een „blosser schattenhafter Doppelgänger der Materie” en
slechts in zoverre een „ens rationis” mag heten, als de ratio, de
redelike tijdkritiek, tot dit ens moet besluiten.
24: p. 57. Speciaal bij het ruimteprobleem verwarre men niet de
kennistheoretiese tegenstelling: empirisme en apriorisme (al naar de
ruimte ’t zij als a posteriori gegeven kennisinhoud wordt beschouwd ’t
zij als kennisvorm, geldig a priori ten aanzien van alle mogelike
desbetreffende inhoud) met de voor ons weinig belangrijke psychologiese
tegenstelling van (door Helmholtz dus genaamd) nativisme en empirisme
ten aanzien van bepaalde zinnen, naar gelang men aanneemt, dat deze òf
krachtens aangeboren eigenschappen oorspronkelik onmiddellik-ruimtelike
gegevens bieden, òf wel slechts onruimtelike „locaaltekens”, die dus
slechts middellik, met behulp van „ervaring”, d.w.z. door associatie
met ruimtelike gegevens, hun ruimtelike betekenis krijgen (Wundt stelt
tegenover de „nativistiese” de „genetiese” theorieën, onder welke
laatste dan behalve de hier genoemde empiristiese leer ook zijn eigen
„praeëmpiristiese” versmeltingstheorie valt, vgk. b.v. zijn Grundriss
der Psychologie § 10).
Zo zijn naar de kennistheoretiese tegenstelling b.v. Berkeley en Mach
en alle „positivisten” empirist, Kant en Heymans apriorist, naar de
psychologiese tegenstelling echter is Berkeley nativist t.a.v. de
tastzin, empirist t.a.v. de gezichtszin (waaromtrent Hering b.v.
nativist was), terwijl Helmholtz en Heymans empirist zijn t.a.v. beide,
maar Heymans nativist t.a.v. de bewegingszin, natuurlik zonder dat aan
„aangeboren kennis” bij dit „nativisme” mag worden gedacht.
25: p. 58. Het voor velen zo „moeilike” moduleren b.v. (gelijk het
begeleiden, harmoniseren van melodieën)—behoeft dan ook niet geleerd te
worden—een muzikale geest kan het zelf vinden, van ’t begin tot het
eind—gelijk een mathematies genie—de meetkunde zelf zou kunnen vinden,
die uit de axioma’s volgt, zonder dat er enige verdere „ervaring” toe
nodig is, dan die onze eigen voorstelling ons levert. Ook de wetten van
de logica kan ieder „vinden”—in z’n eigen denken—en ieder denkend
subject past ze toe—omdat het de zuiver subjectieve, formele
natuurwetten van het denken zijn; wie niet reeds denken kon, zou ze
evenmin kunnen leren als begrijpen. En hun slechts subjectief, formeel
karakter verklaart tevens hun apodikties gelden voor alle „materie”,
alle denkbare werkelikheid. Ik misken niet dit verschil, dat de
muzikale wetten geen denk- maar gevoelswetten, wetten van aesthesis,
van aesthetica zijn, maar het zijn ook weer de natuurwetten van het
muzikale voelen, dat de een tot in de fijnste ontwikkeling, de ander
slechts in primitiefste aanleg bezit.—Het is een eigenaardig genot, ook
hier, als bij de logica, de meetkunde, de mechanica, de gelijkheid, de
éénheid aller subjekten, dus de dááruit alléén voortkomende
„algemeen-geldigheid” van de muziekleer te bemerken.—De oudste en de
nieuwste muziek, de Aziatiese of Afrikaanse evengoed als de Europese,
kan naar onze zelfde regelen worden ontleed en begrepen. Alle nationale
muziek, alle zang van volkeren en rassen, is slechts één machtig „thema
met variaties”: een variantenspel van de éne muziek der
Mensheid.—Uitnemende bijdragen tot dit weten zijn ten onzent geleverd
door Prof. Land (over de Arabiese en Javaanse toonstelsels) en door de
onlangs overleden Rotterdamse muziekkenner A. J. Polak (de
harmonisering van Turkse en Japanse melodieën).
Maar een kritiese muziekleer, een „Kritik des reinen Musikempfindens”,
die de „Gesetze und Elemente” van de muziek zou hebben gevonden en
verklaard—gelijk logica en meetkunde door Kant-Heymans verklaard
zijn—bestaat nog niet, zover ik weet.—Liebmann spreekt terecht, zij het
in andere zin, van „ein ästhetisches Apriori, dem logischen Apriori
völlig parallel, aber viel schwieriger zu entdecken.” (Anal. der W.² p.
606). Musici zijn slechts bij uitzondering denkers. Zij aanvaarden hun
eigen kunst in gelovige heteronomie, als ondoorgrondelik, boven begrip
verheven, en de wijzen hebben in levenloos intellectualisme, met een
Hegel gedoceerd: „das Unsagbare, Gefühl, Empfindung, ist nicht das
Vortrefflichste, Wahrste, sondern das Unbedeutendste, Unwahrste.” En
Hegel heeft gelijk, de muziek is de „subjectiefste” kunst. Maar—zeg ik
in Kant’s zin—zij zal juist doordat zij een zuiver subjectieve, zuiver
„formele” kunst is ... het objectiefst van alle blijken.
26: p. 59. Zo lezen we bij Liebmann, Z. Anal. der W.² p. 589: „nirgends
tritt.... die sogut wie unbedingte Abhängigkeit des ästhetischen
Wohlgefallens von rein quantitativen Proportionen entschiedener zu Tage
als in der Musik.” en in dezelfde geest p. 623: „sie wirkt durch den
vibrirenden Sinnesnerven” etc..... „Jenes erregbare Etwas [waardoor die
rhythmischen Erzitterungen ons niet koud laten] steckt noch hinter der
specifischen Energie des Gehörsinns, welche den Schwingungsprocess in
die Tonqualität übersetzt” (!) en evenzo p. 625: „Unser Ohr mit der in
seiner innersten Tiefe verborgenen, zarten Nervenclaviatur und seinen
specifischen Energieen verwandelt [sic] die Lufterschütterungen in ein
Neues, Qualitatives.... in Töne.”! [254]
Tot m’n verwondering begaat Theodor Lipps, Aesthetik (Kult. d. Gegenw.
1, VI: p. 354/5) nog deze fout op materialistiese basis, trots z’n
„absoluter Idealismus” die b.v. in zijn lezenswaard „Naturwissenschaft
und Weltanschauung” stellig de allures aanneemt van een monisties
psychisme, al blijkt reeds hier onklaarheid omtrent de
kennistheoretiese betekenis van het natuurwetenschappelik „Ersetzen
aller spezifisch sinnlichen Qualitäten, der Farbe, des Tons, des
Geruches, des Geschmackes, u.s.w. durch blosse raumzeitliche und
Zahlbestimmungen” ..: dit laatste heet een „geistige” tegenover „jene
sinnliche Erscheinungsweise” ..; tot de ruimtelike, zinnelike wereld
der natuurwetenschap zou „obzwar in eigentümlich indirekter Weise” ook
het bewustzijn behoren (als prius voorwaar in „eigentümlicher” Weise!)
en wel zodanig, dat (p. 33) „da und dort in der objectiv wirklichen
Welt, oder dass an dieser und jener Stelle der Aussenwelt Bewusstsein
vorkomme”, [255] terwijl van juist inzicht weer getuigt p. 39: „Aller
Glaube an die Materie ist in sich selbst dualistisch. Neben der Materie
bleibt für ihn jederzeit als ein damit Unvergleichbares, weil keinen
Raumbegriffen zugänglich, der Geist. Materialistischer Monismus ist ein
Widerspruch in sich selbst. Nur wenn auch das als Materie betrachtete
[?] an sich Geist ist, schwindet der Dualismus.” (in dezelfde geest
Naturphilosophie² p. 178).
Hoe verbaasd moet men nu zijn, in z’n Aesthetik een materialistiese
„verklaring” van de consonantie te vinden, waarbij de tonen gedacht
worden als een soort „beeld” of te wel verkeerde waarneming ... neen
niet van physiese trillingen, maar van zekere hypothetiese psychiese
„Erregungen oder Bewegungen” die weer op hun beurt veroorzaakt zijn door
physiese trillingen!
P. 353: „Zunächst konstatieren [?] wir: jeder einzelne Ton schliesst
einen bestimmten Rhythmus in sich. Genauer gesagt: die seelische
Erregung oder Bewegung, die in uns sich vollzieht, wenn wir einen
einzelnen Ton hören, muss gedacht werden als eine rhythmische Erregung
oder Bewegung. Es muss angenommen werden, dass sie einen Rhythmus in
sich trage, der dem Rhythmus derjenigen regelmässigen Folge der
physikalischen Schwingungen entspricht oder irgendwie analog ist, aus
der die fragliche seelische Erregung sich ergibt.”
„Sind nun Töne konsonant, so sind jene physikalischen Schwingungsfolgen
rhythmisch verwandt. D.h. sie haben einen Grundrhythmus gemein, und
sind einfache Differenzierungen dieses Grundrhythmus. Und entsprechend
und im gleichen Sinne müssen nun auch die Empfindungen konsonanter
Töne, d.h. die seelischen Erregungen oder Erregungszustände, die uns in
den akustischen Bildern der Töne zum Bewusstsein kommen oder ihnen
zugrunde liegen, als rhythmisch verwandt gedacht werden. Eben diese
rhythmische Verwandtschaft macht das Wesen der Konsonanz aus.”
De gewaarwording is hier dus subjectief „beeld” of verkeerde waarneming
niet van materiebeweging, maar van zieletrillingen, die weer op hun
beurt door physiese trillingen... veroorzaakt zijn. Dus een indirekt,
metapsychies getrapt materialisme.
Op deze voos-metaphysiese grondslag wordt nu een overeenkomstige
tonen-aesthetica gebouwd:
„Dazu ist aber gleich hinzufügen: Die Differenzierung nach dem Prinzip
der Zweizahl oder der Potenzen der Zweizahl, ist die einfachste
Differenzierung. Aus diesem Grunde bezeichnet ein Ton, der sich zu
einem andern verhält wie eine Potenz von zwei zu drei, fünf, sieben
etc., in Vergleich mit diesen letzteren einen Ziel- oder Ruhepunkt. So
ist ein beliebiger Ton für seine Quinte, in minderem Grade für seine
grosse Terz, und in noch minderem für seine grosse Sekunde oder
Septime, Ziel- oder Ruhepunkt. Dies besagt zugleich jedesmal, dass die
letzteren Töne in höherem oder geringerem Grade auf jenen Ton, ihren
‚Grundton’ hinweisen oder hindrängen. Bei den zuletzt genannten Tönen
tritt zu diesem Hinweis die Nachbarschaft zum Grundton ergänzend hinzu
und gibt ihnen den Charakter von ‚Leittönen’ nach dem Grundton hin.”
Welk een warboel! Experimenteel te weerleggen als volgt: neem een kring
of rij van slingers van verschillende lengten, die met analoge
snelheden slingeren: 1 : 2 : 3 : 4 : 5 : 6 : 7 : 20 etc. ’k Ben
benieuwd, hoeveel gij nu merken zult van een „Ziel- oder Ruhepunkt”...
van enig „hinweisen oder hindrängen” (van 3 n naar 4 n trillingen!)...
van die „Nachbarschaft” (van 15 n en 16 n of 10 n en 9 n, 9 n en 8 n!),
die ’t karakter geeft van „Leittönen”!—Vergeet daarbij niet de uiterst
gecompliceerde verhoudingen bij zeer geringe ontstemming, terwijl de
tonen wel nooit absoluut zuiver zijn, en bovendien nog „getempereerd”
worden!
Maar zelfs daarvan afgezien—haal eens één van uw muzikale waarheden...
uit de slingergetallen! B.v. „Die Quint hat unmittelbar die Tonika zum
Zielton, weist also unmittelbar auf diese als ihren Zielpunkt hin [...
3n : 4 n!]. Die Quart dagegen stellt sich der Tonika selbständig
gegenüber [... 2 n : 3 n dagegen!], ja sie beansprucht ihrerseits
Zielpunkt der Tonika und damit aller Töne der Leiter zu sein.” (p.
354/5).
De hegeliaanse vertaling van deze dogmatiese, materierealistiese fout
van Lipps, tans dus gepotentieerd in „oneindige” macht, is te vinden in
een bij „Die Natur der Harmonik und Metrik” van Hauptmann zich
aansluitend opstel van Mej. E. Vas Nunes, Tijdschr. v. Wijsb., Maart
1909. Alleen zal een wetenschappelik man als Lipps zich wel hoeden voor
physiologies gekwakzalver van het volgend allooi:
„... in elken toon, ja in elke trilling, waarvan een hooge toon vele
duizenden per seconde volbrengt, die even zoovele herhalingen van
denzelfden toon zijn [sic]. Dien toon nu doet het geluidgevende lichaam
hooren niet wanneer zijn deelen in den evenwichtstoestand zijn—het
lichaam als zoodanig is slechts mogelijkheid, potentialiteit van zijn
geluid: zakelijkheid die hare onzakelijkheid, realiteit die hare
idealiteit te openbaren hééft [n.b. het zakelike als realiteit,
tegenover het geluid als haar ideële openbaring!]—en evenmin etc....:
Wat wij als toon gewaarworden, is [!] het overgaan van den eenen
toestand in den anderen, het worden van het zijn en het niet-zijn.” (p.
104 l. c).
Wie Berkeley’s ironie, noot 2) p. 26, gesavoureerd heeft, zal ook de
soortgelijke, maar ditmaal onbewuste, ironie genieten van dat „ziet” in
het volgende zinnetje:
„De qualitatief verschillende verhoudingen tusschen den grondtoon en
zijne drie intervallen ziet Hauptmann reeds schuilen in de verhoudingen
der trillende quanta.”
Wes Geistes Kind hier aan het woord is hoeft men niet te vragen. Het
„Tijdschrift voor Wijsbegeerte” druipt van dusdanig
leerling-bollandisme.—Quousque tandem?—(Inmiddels ten goede gekeerd!)
27: p. 62. De onlangs (1908) jong overleden uiterst scherpzinnige
denker en geleerde Ludwig Busse, schrijver van het dualistiese
standaardwerk: „Geist und Körper, Seele und Leib”, 1903, dat zijn
monistiese, kenniskritiese tegenhanger heeft gevonden in Rudolph
Eisler’s voortreffelik „Leib und Seele” 1906, meent tegen Kant „dass
wenn wir die Dinge ihrer Form nach a priori bestimmen und deshalb a
priori sie erkennen, dann auch die bestimmte räumlich-zeitliche
Anordnung der Dinge und die bestimmten einzelnen Kausalbeziehungen von
uns gänzlich a priori müssten erkannt werden können.” Hoe is ’t
mogelik, zùlk verregaand misverstand. „Kant hat aber die erstere ausser
Betracht gelassen [spreekt van zelf] und von den letzteren, den
empirischen Naturgesetzen, sogar ausdrücklich erklärt [ten
overvloede!], dass wir sie nur durch Erfahrung kennen lernten. Damit
behält Hume in der Hauptsache recht; alle Anwendung des
Kausalitätsprinzips hängt von der Erfahrung ab.” (cf. Busse,
Philosophie u. Erkenntnistheorie, 1899, p. 182–211) „Die
Weltanschauungen der grossen Philosophen der Neuzeit”, p. 105.
Aldus Busse in gelijke geest als Paulsen. Wat moet men toch voor
denkbeeld van Kant hebben, om hem, tegenover Hume, zulk soort
denkbeelden toe te dichten! Ook Herbart, Allg. Metaph. II, § 320 (S. W.
VIII, p. 224) schreef reeds: „Nach ihm [dem Kantischen Idealismus]
sollen zwar die Empfindungen von aussen kommen; auch müssen sie sich
selbst die Formen ihrer Verbindungen gleichsam auswählen; denn in Kants
Lehre liegt, wie wir oft erinnert haben, kein Grund für die bestimmten
Gestalten in welchen das Empfundene zusammentritt”!
28: p. 62. Elke „clairvoyante” overwinning der objectieve afstanden en
tijdverschillen wordt dus door Kant’s leer van tijd en ruimte weerlegd
in plaats van mogelik gemaakt, gelijk spiritisten en consorten de goede
menigte herhaaldelik pogen wijs te maken. Vgk. Opm. 32.
Slechts kwakzalverij (al heeft een denker als Schopenhauer er zijn naam
aan verbonden, dank zij z’n leer van het „principium individuationis”)
wil veraf tot nabij of toekomst (en verleden?) tot heden maken, terwijl
immers in het onruimtelike (geest b.v.) beide leden van de ruimtelike
tegenstelling gelijkelik zijn opgeheven, zoals in het tijdeloze toekomst
en verleden evenmin tot een „heden” „samenvallen” als het heden er
„uitéénvalt” of enig „heden” er denkbaar, laat staan kenbaar, blijft.
Ook de Heer F. van Eeden (helaas dezelfde als de wijze, fijnzinnige
poëet van „De kleine Johannes”), die zich in „De Blijde Wereld” (1903)
verbeeldt, dat hij op zijn vijftiende jaar... materialist was („onder
invloed van geschriften van Strausz, Heine en Multatuli—volbloed
vrijdenker, atheïst en materialist” p. 61) en zich sinds „het
materialisme lang ontgroeid” waant (p. 65), maar wiens
materie-realisties dilemma: „Doode materie—of een liefhebbend Al-vader”
(p. 68, à la James’ tegenstelling Materialism—Theism), gepaard aan zijn
Lockiaans-materialistiese waarnemingsleer (p. 79, of in zijn andere
werken, de „Studies” b.v., passim: de gewaarwording als „gebrekkige
afspiegeling” van iets werkeliks en de natuur, de ruimtewereld als
„vooronderstelde oorzaak onzer gewaarwordingen”!) in zijn betoog „Over
de hoovaardij der materialisten” afdoende bewijst, dat hij ’t nimmer
tot zuiver materialisme heeft gebracht en wel nooit zal brengen ook,
deze wondergelovende dogmaticus misbruikt en misduidt „het
betrekkelijke van tijd en ruimte”, vereenzelvigd met Kant’s tijd- en
ruimtekritiek („wie Kant heeft gelezen weet dat ruimte en tijd
betrekkelijk zijn” p. 88) in deze redeschennende zin (pp. 86/7): „Te
denken, dat het verschil tusschen hier en ginder, tusschen gisteren en
morgen zou kunnen worden opgeheven” brengt hem tot wat „in ons begrip
onlogisch, ongerijmd, absurd” is: „Voor de ondenkbaarheid van deze
gevolgtrekking verdwijnt het hoovaardig betrouwen op onze rede. Wij
kunnen niet meer zeggen, dat iets niet bestaan kan omdat het ons
ongerijmd en onlogisch lijkt. Want het allerongerijmdste, dat
‚gisteren’ gelijk ‚morgen’ zou zijn, moeten wij aannemen als
bestaanbaar.” Wij?! Voor „ons” blijft, als voor Kant, de rede de
„oberste Gerichtshof aller Rechte und Ansprüche unserer Speculation.”
Wij handhaven Kant’s even anti-skepties als krities „rationalisme”:
„Nehmt an, was euch nach sorgfältiger und aufrichtiger Prüfung am
glaubwürdigsten scheint, es mögen nun Fakta, es mögen Vernunftgründe
sein; nur streitet der Vernunft nicht das, was sie zum höchsten Gut auf
Erden macht, nämlich das Vorrecht ab, der letzte Probierstein der
Wahrheit zu sein. Widrigenfalls werdet ihr, dieser Freiheit unwürdig,
sie auch sicherlich einbüssen.”
29: p. 69. Deze verhouding tussen phaenomeen of object en gewaarwording
wordt zeer goed uiteengezet door H. Cornelius in z’n „Einleitung in die
Philosophie” § 28, maar met deze, beginners totaal van de wijs
brengende, terminologiese enormiteit, dat de gewaarwordingen heten...
Erscheinungen, Φαινόμενα (p. 263) en de phaenomena... νοούμενα! Ergo:
„die Erscheinungen sind die einzelnen Fälle der in dem νοούμενον
gegebenen, allgemeinen Regel.” Natuurlik is zulk een terminologie niet
toeval maar precies als bij v. Hartmann en ten onzent b.v. bij Dr. A.
Kuyper (Enc. p. 80) gevolg van Naturalisme, dat enkel objecten kent en
deze ten slotte weer tot Dinge an sich maakt. Trots bovengenoemd
immanent inzicht worden later weer zuiver dogmaties-naturalisties de
objecten (samen met het zenuwstelsel, natuurlik!) oorzaak der
gewaarwordingen! p. 308: „die Dinge zusammen mit den entsprechenden
Teilen unseres Nervenapparates ‚bewirken’ [elders „bedingen”] jene
Empfindungen.”
Het psychiese, de waarneming, wordt weer „Erscheinung” van ’t
Ding-an-sich materie i.p.v. omgekeerd: „Unsere Sinnesapparate sind die
Dinge, durch welche alle Erscheinungen [bedoeld: Wahrnehmungen] der
betreffenden Sinnesgebiete mitbedingt sind... Daher sprechen wir
nirgends davon, dass wir in einer dieser Erscheinungen [dito] den
betreffenden Sinnesapparat wahrnehmen, obgleich wir thatsächlich in
jeder Wahrnehmung, die wir einem unserer Sinnesorgane verdanken,
zugleich eine Erscheinungsweise dieses Organes selbst vor uns haben.”
Zo wordt immers ook bij Sollier en Boltzmann en heel het materialisme
de geest miskende onbewuste waarneming van hersenbeweging en bij
Cornelius „liegt” (p. 318 en passim) het physiese aan het psychiese „zu
Grunde” i.p.v. omgekeerd.
De overgang van laatstgenoemd juist inzicht tot laatstgeciteerd
dogmatisme is op heterdaad te betrappen in dit zinnetje, p. 310:
„weil wir die sinnlichen Wahrnehmungen den Begriffen physischer
Zusammenhänge einordnen, erscheinen rückwärts jene Wahrnehmungen durch
diese physischen Thatsachen bedingt.”: omdat de gewaarwordingen het
prius zijn der objecten, daarom zijn omgekeerd de objecten het prius
der gewaarwordingen!!
30: p. 73. Uitdrukkelik op tal van plaatsen, i.p.v. het tevens
tijd-kritiese „Grund”: voorbeelden uit K. d. r. V.:
P. 315: „Nun kann man zwar einräumen: dass von unseren äusseren
Anschauungen etwas, was im transscendentalen Verstande ausser uns sein
mag, die Ursache sei, aber dieses ist nicht der Gegenstand, den wir
unter den Vorstellungen der Materie und körperlicher Dinge verstehen;
denn diese sind lediglich Erscheinungen”...
P. 325/6: „dass nicht die Körper Gegenstände an sich sind, die uns
gegenwärtig sind, sondern eine blosse Erscheinung wer weiss, welches
unbekannten Gegenstandes, dass die Bewegung nicht die Wirkung dieser
unbekannten Ursache, sondern bloss die Erscheinung ihres Einflusses auf
unsere Sinne sei”...
... „indem wir die Erscheinungen einer unbekannten Ursache für die
Ursache ausser uns nehmen, welches nichts als Verwirrung veranlassen
kann.”
P. 328: „Da nun Niemand mit Grund vorgeben kann, etwas von der
transscendentalen Ursache unserer Vorstellungen äusserer Sinne zu
kennen”...
P. 329: „dass der unbekannte Gegenstand unserer Sinnlichkeit nicht die
Ursache der Vorstellungen in uns sein könne, welches aber vorzugeben
ihn nicht das mindeste berechtigt”...
P. 330: „... die äussern Erscheinungen einem transscendentalen
Gegenstande zuschreibt, welcher die Ursache dieser Art Vorstellungen
ist”...
P. 331: „... von der absoluten und inneren Ursache äusserer und
körperlicher Erscheinungen”.
Dit alles, wel te verstaan, uit de 1ste, „idealistiese” druk.
Uit de 2de druk b.v. p. 251:
„... Erscheinungen aufzufinden, deren nichtsinnliche Ursache wir doch
gern erforschen wollten.”
31: p. 77. Onze zuivere onderscheiding, enerzijds der phaenomena zowel
van individuele bewustzijnsinhouden als van de transobjectieve
werkelikheid, en anderzijds der verhouding tussen oorzaak en gevolg van
die tussen Reale („Grund”) en Phaenomeen, gelijk wij een en ander tans
hebben toegelicht, weerlegt dus Schuppe c.s. ten deze, b.v. § 20 van
zijn „Grundriss der Erkenntnistheorie und Logik”² 1910, waar wij o.a.
lezen: „so geraten diese Erscheinungen in eine Mittelstellung zwischen
innerseelischem Gebilde und ausserseelischer Wirklichkeit, welche jedes
Begriffes spottet...” (juist ware slechts „meines” i. pl. v. „jedes”!).
Schuppe acht alsdan „absolut nicht zu ersehen”—wat wij tans hebben
ingezien—„welchen Sinn das ‚Erscheinen und Zugrundeliegen’ haben kann,
wenn nicht den einfachen der Verursachung. Aber wer letzteres meint,
wird jene Ausdrücke, welche noch mehr und anderes zu sagen scheinen,
nicht brauchen.” Omgekeerd zal, wie die andere, kennistheoretiese,
verhouding bedoelt, goed doen, de speciale termen daarvoor te
handhaven.
32: p. 79. Wie het Spiritisme begrijpt als schimmel woekerend op de
bodem van het ruimterealisme (’t zij bij de dualistiese massa, ’t zij
bij de materialistiese enkelingen), wie zich bij ongeluk af heeft
moeten geven met de boeken van een Allan Kardec, een Dr. du Prel of
hedendaagse Amerikaanse of Nederlandse spiritistengeschriften, wie
ziet, hoe deze „wetenschap” zich werpt, niet alleen op de gemoedsrust
van gelovige stumpers, maar ook, als een geestelike hyena, op de
weerloze nagedachtenis van grote doden (door b.v. Darwin’s of
Ingersoll’s „geest” als een bigot „zondaar” zijn anti-bijbelse
„dwalingen” te laten „herroepen” en derg.), die zal er de kritiek te
dankbaarder voor zijn, dat zij alle „geesten”-in-de-ruimte,
onverschillig of ze zich zelf dan wel tafels of pennen bewegen, alle
tele-pathie, ziels-verhuizing, psycho-grafie etc. etc. als zodanig
heeft opgeheven... tot de sfeer van vierkante cirkels of houten ijzer.
Natuurlik loochent de kritiek geen enkel „feit”—al behoudt zij zich het
recht voor, uitsluitend gewaarwording als feit te erkennen, waaromtrent
een betrouwbaar mens dus vertrouwen verdient, en waarneming reeds als
hypothese te keuren. Het niet-meer-feitelike begint dus reeds bij de
objectivering van de gewaarwordingsinhoud (vgk. II § 3) en niet pas bij
de vraag naar de oorzaak der gewaarwordingen. Is ten aanzien dier
objectivering eenmaal wetenschappelik-voldoende zekerheid (waarover
straks nader) bereikt, is b.v. de aanwezigheid van een lichaam, een
bepaalde objectieve beweging(swijziging) geconstateerd, dan staan twee
dingen kennistheoreties en natuurwetenschappelik vast:
1o. Er moet voor die aanwezigheid, die beweging(swijziging) een
objectieve, ruimtelike oorzaak zijn, die er volkomen rekenschap van
geeft. Het nauwkeurig berekenen en bepalen zowel van dat lichaam zelf
(en welk physicus of chemicus zou zich daarbij laten afschepen met
een... camera obscura?) als van deze physiese, ’t zij bekende dan wel
onbekende, „kracht”, is dus het eerste (en voorlopig enige)
interessante, derhalve juist wat het spiritisme bij voorkeur
verwaarloost.
2o. Dat physieke lichaam of krachtenstelsel moet zijn niet-zinnelik,
transphysies (waarschijnlik geestelik) reale hebben, zo goed als elk
ander „phaenomeen”.
De „spiritistiese” rest is waan: Elke realistiese „geesten-hypothese”,
met iets geesteliks in de ruimte, iets psychies als bewegingsoorzaak,
met haar tweeërlei substantie-dogma: een niet-bestaande materialistiese
„stof” en een niet-bestaande spiritualistiese „ziel”, gelijk elke
dualistiese „stofbezieling” (’t zij het barbaars animisme ’t zij het
gecultiveerd hylozoïsme) en a fortiori elke geestwording van stof of
stofwording van geest, is een exakt te weerleggen, met kennisleer (de
onruimtelikheid van het geestelike, de idealiteit van de ruimte, de
immanentie der objecten) en de kennistheoreties gefundeerde
onschendbaarheid van natuurwetenschappelike beginselen (de gesloten
natuurcausaliteit, het behoud van arbeidsvermogen) strijdige dogmatiese
bijgelovigheid („der Tod aller Naturphilosophie”), zo goed als die
ruimtelik-werkende, ergens zich bevindende engelen en demonen zelf,
voor wier erkenning theologen als Dr. A. Kuyper tegenover „de
kortzichtige pretentie der exacte wetenschap” heil verwachten van de
„spiritistische verschijnselen” („De geestenwereld, waarmee men in
rapport komt, ontsluit vanzelf den weg, om te gelooven aan het bestaan
van eene geestelijke wereld”...! p. 202, Pro Rege, 1911), gelijk andere
bekende theologen een (en wat voor een!) „onsterfelijkheid der ziel”
daardoor „feitelijk bewezen” hopen te krijgen. Tekenende
kultuurresultaten van Bijbelgeloof. Men vergeet het tegenwoordig maar
al te zeer: elk orthodox protestant of jood, elk Grieks- of
Rooms-katholiek moet nu eenmaal aan de zgn. „middeleeuwse”
spookwereld—duivels, engelen, heksen, tovenaars, dodenvragers,
bezweringen en geestverschijningen, mirakelen in soorten, guichelarij
en waarzeggerij en hoe al die „gruwelen” verder mogen heten—blijven
geloven. [256] Dit alles is evenzeer geloof van de „verlichte”,
„wetenschappelike”, „wijsgerige” twintigste eeuw, als geloof van het
jaar nul. Het spiritisme heeft niets „moderns”, dan z’n terminologie,
en de futloze weeë banaliteit van zijn „geesten” en derzelver
melodramatiese „openbaringen” (in de eigen woorden van de wel
deskundigste spiritist Aksakow: „die Abgeschmacktheit der
Kommunikationen, die Armut ihres intellektuellen Inhalts, selbst wenn
es keine Gemeinplätze sind, der ersichtlich mystifizierende und
lügenhafte Charakter des grössten Teils der Manifestationen.”). Habeant
sibi!
Maar wat ten slotte die objectivering van de gewaarwordingsfeiten tot
waarnemingen betreft, welke eisen van wetenschappelik-voldoende
zekerheid daaromtrent zijn te stellen, kan alleen hij beseffen, die de
psychologie van het mono-ideïsme, van de bewustzijnsvernauwing, heeft
bestudeerd, speciaal wie, als schrijver dezes, door eigen experimenten
de hypnose kent met haar huiveringwekkende macht van te suggereren
hallucinaties, illusies en geheugenafwijkingen, experimenten, die hem
hebben geleerd, hoe weinig er onder bepaalde omstandigheden toe nodig
is (veel minder, dan de meeste „séances” bieden), om die algehele
desoriëntering te bereiken ten aanzien van waarneming, fantasie en
herinnering, die van een normaal nuchter denkend mens, en in een
minimum van tijd, een kritiekloos, redeloos droomwandelaar maakt of
naar believen ook een ontoerekenbaar kind (niet alleen met kindergeest,
maar zelfs met echt kinderschrift!). Zo is dus de kennis der hypnose,
hoe vaak ook verkwakzalverd tot „wilsoverdracht”, „gedachtentransport”
en dergelijke toneel- en romanstoffering, juist van datzelfde
spiritisme, waarmee lekenwaan en spiritistenbelang haar in één adem
pleegt te noemen en te vermaagschappen of te verhaspelen, het tegengif
bij uitnemendheid.
Ten slotte zij hier nog opgemerkt: Op dezelfde dogmaties-realistiese
bodem als het spiritisme, tiert het onkruid van bijgeloof en
zelfbedrog, dat als „Ancient Wisdom”, „Secret Doctrine” en wat dies
meer zij, met zijn zoete geuren van wijsheid en vroomheid de lucht
onzer huidige „beschaving” helpt verontreinigen.
Naschrift:
Daar juist (zomer 1911) heeft de spiritistiese „Levensleer” van de Heer
Grotegast, besproken in de noot bij bl. 45, een broertje gekregen: „Het
Nieuwe Leven” van de Heer C. Meyer, dat zichzelf aankondigt als „een
monistische, op het modern wetenschappelijk en wijsgeerig inzicht
gebaseerde wereld- en levensbeschouwing.”
Het zou mij niets verwonderen, als deze smakelik en stijlvol opgediste
„zeitgemässe” compote van materialisties en spiritisties dualisme,
pantheïsme, Dietzgen-hegelisme en mysticisme door hedendaags publiek
gretig geslikt werd.
Dies zij altans te dezer plaatse nog even gewaarschuwd tegen de
du-Prelse spiritistenzwendel, die ook hier weer gedreven wordt met
Kant’s leer van tijd en ruimte, tans door iemand, die, geen letter van
Kant kennend, dan via du Prel (mijn „clairvoyance” ziet zelfs het
boekje, waaruit de heer Meyer zijn Kant-lesje en het Kant-citaat, p.
30, heeft gehaald—benevens zijn hele „monisme” met de schone trits
„stof—geest—ziel”, zijn „Duitsch verhaaltje” enz. enz.), maar
gewoonweg, mir nichts dir nichts, doceert, dat tijd en ruimte „immers”
„slechts de vormen van onze aanschouwing” zijn (gelijk hij zelfs van de
causaliteit als „denkvorm” gewaagt!), om „den onsterfelijken mensch het
buiten-tijdelijk wezen: wezen buiten tijd en ruimte” te noemen (p. 28)....
en die dan zich ontpopt als een wasecht-dogmaties ruimte- en
materie-realist!
Ziehier enkele specimina:
a) Volgens p. 108 „is de ruimte te verklaren uit den tijd” (de ene
„aanschouwingsvorm” uit de andere?) en p. 113 vertelt dan „tijd en
ruimte zijn ontstaan” (zou ons deze weter niet misschien meteen even
kunnen vertellen, wanneer de tijd ontstaan is?) en op p. 148 is God...
„tijd en ruimte scheppend.”
b) Ik heb te veel eerbied voor het materialisme om dit boek, met zijn
infra-materialistiese dualismen, „materialisties” te noemen, evenwel
bevat het een materialisme van het allernaiefste vóórwetenschappelik
allooi, met zichtbare gedachten, gedachten, die „reëel” blijken.... wijl
zichtbaar (p. 34: „ook onze minder heldere, met minder levenskracht
geladene gedachten zijn blijkbaar iets reëels, zichtbaar voor het in
slaap gebracht sujet”); ja, zelfs heet de gedachte „een ding, een ijler
stoffelijkheid” (p. 71: „De gedachte is een ding, een ijler
stoffelijkheid. In bepaalde omstandigheden, bij zg. ‚verschijningen’,
voor een gehypnotiseerde, wordt ze zichtbaar. Aldus, naar ’t schijnt,
heeft ze een vorm, een lichaam, een op haar eigen gebied objectief en
reëel bestaan.”). Natuurlik kan nu zo’n ijl stoffelik ding als de
gedachte zich ook met gemak door de ruimte bewegen, waarin het als stof
zich eenmaal bevindt (p. 69: „de gedachte plant zich voort [door de
ruimte!].... de denker kan haar richten [?], uitzenden naar een doel.”
en p. 71: „Geen afstand is er voor zulk een snellen dienaar, die den
weg vindt tot zijn [?] doel, wáár op de wijde wereld ook hij zich
bevinde, aan wien zijn boodschap is gericht.” Wel een gelukkig bezit,
zo’n knappe reiziger, voor een patroon, die hem immers moet „richten”,
„uitzenden”.... zonder zelf de weg tot of de plaats van het „doel” te
weten!).
c) Nu enige proeven van het waardig dualisties complement dezer
materialistiese „eenzijdigheid” (p. V): iemand als de Heer Meyer denkt
zich onze geestelike vermogens normaliter, zo al niet stoffelik, dan
toch zeker van de stof afhankelik, aan het lichaam gekluisterd, door de
„zware” stof „beperkt”, maar „Bij het kunstmatig verleggen van den
bewustzijnsdrempel, bv. bij gehypnotiseerden in somnabulistischen
toestand, verschijnen van onze physieke organisatie onafhankelijke
vermogens.” (p. 33; een zinnetje dus, waaruit normaal materialisme met
abnormaal dualisme verbonden blijkt). „Het sujet slaapt, maar er is
iets in hem, dat zonder oogen zien kan, waarneemt op verren afstand
soms [heerlike leer van ruimtelike waarneming!] en tijding brengt van
daar.”.... Ergo „Blijkt uit dit helderzien en zien in de verte, dat dit
onbewuste wezen onafhankelijk van ons lichaam is....” Dualisties
spreekt het voorts van zelf, niet waar, dat „onze [reële!] hersenen
slechts het instrument zijn, waardoor de denker in ons denkt.” (p. 85).
Hebben we nu nog geciteerd, hoe in het opstel over Onsterfelijkheid het
oude (vooral weer door Fechner en Bruno Wille gelanceerde) beeld van de
rups, die „sterft” in de pop, om te „herleven” in de kapel, [257] deze
nieuwe dualistiese duiding krijgt: „De pop brak, het aardsch bewustzijn
is vergaan, een andere wereld opent zich. Hier is de ziel in een ander
lijf gekleed. Een andere aanschouwing [!] is dit leven, een andere [!]
tijd-ruimtelijkheid [!]. Een andere stoffelijkheid, nieuwe
beperking....”! en hoe daarbij wordt opgemerkt: „Een—naar onzen
maatstaf—oneindig [!] langer leven, een, zij ’t ook ander, lichter [!]
sterven, ware in overeenstemming met een ijler [!] stoffelijkheid, een
mindere beperking [!] van het leven.”, dan nemen we voorgoed afscheid
van dit „Nieuwe Leven”.... R. I. P. [258].
33: p. 80. Hoe kan een ruimterealist ooit uit de zielsverlegenheid
komen, waarin die vragen als: „waar bevinden zich mijn gedachten, mijn
gewaarwordingen, waar ben ik zelf, waar is mijn wil, mijn overtuiging?”
enz. hem brengen? Het inzicht, dat dit alles nergens is, nergens kan
zijn, verbijstert hem. Moet, wat is, niet èrgens zijn, in de éne
werkelike ruimte? Hoe zou het daarbuiten kunnen vallen? Een elders is
er zéker niet. Een „ziel” die niet „hier” en niet „elders” is? wel, van
Binet’s bedenking „mon âme, si j’en ai une,” tot de loochening sans
phrase, is maar één schrede. Als de ruimtewereld de wereld is, dan
bestaat niet, wat daar niet bestaat.—Voeg daar nog bij de overweging
dat alle gebeuren ruimtelik dus eigenlik „beweging” is, met het (ook
voor ons onaantastbaar) beginsel der gesloten natuurcausaliteit,—dus de
principiële uitschakeling van het psychiese als bewegingsoorzaak—en ge
hebt het materialisties, mechanisties fatalisme, dat dan weer voor het
onoplosbaar raadsel komt te staan van een evolutieproduct zonder enig
(nuttig) effekt, van een „epiphaenomeen”, gelijk het bewustzijnsleven
dan zoude zijn, zonder recht of reden van bestaan! Een impasse (Riehl’s
„physiologische Antinomie”) waaruit alléén de kenniskritiek, maar deze
ook geheel en voorgoed, u weer verlost. Een eerste schrede op deze weg
is reeds het inzicht in die physiologiese overtolligheid, irrelevantie,
van het bewustzijn, b.v. bij Prof. Winkler, wiens glimlach, of
grimlach, ik meen te zien, wanneer Mr. Levy hem voorhoudt, hoe Prof.
Ziehen zijn vraag naar het nut van het bewustzijn „volledig
beantwoordt”! De meeste psycho-physiese materialisten (= realistiese
parallelisten) zien niet eens de naief-dualistiese zelfweerspreking,
wanneer zij aan bewustzijnsfaktoren als zodanig, aan gewaarwordingen,
begeerten en overwegingen selectoriese waarde, nuttigheid toekennen...
als regulatoren van... bewegingen, van daden! Zo b.v. Prof. Ziehen in
zijn Leitfaden der physiologischen Psychologie7 p. 16 jo. p. 36 (121,
123, 170 en passim). Zo Dr. Wijnaendts Francken, Psychologische
Omtrekken, p. 34–35 jo. p. 91; pp. 105 ss. jis. pp. 108 ss. Zo K.
Kautsky in zijn Ethik und materialistische Geschichtsauffassung, IV :
2: Eigenbewegung und Erkenntnisvermögen. Kostelik zijn deze bladzijden
vol dualistiese, natuur-wetenschap-honende zelfbespotting, die de
selectoriese apologie van het bewustzijn, van het kenvermogen
leveren... ten aanzien van de bewegingswereld! „Eigenbewegung und Geist
gehören also notwendigerweise zusammen, eines ohne das andere ist
nutzlos”!—En onbetaalbaar is dan de slottirade, die van de verdelging
„der dualistischen Philosophie, der Philosophie des reinen Erkennens”
gewaagt en zelfs van „den Aufgaben einer Kritik der menschlichen
Erkenntnis”!
34: p. 81. Tot welk een materialistiese absurditeit men komt, door dit
individuele „hier” te gaan objectiveren (localiseren, in casu „im
Kopf”) toont Liebmann, Anal. der W. p. 184: „Das optische Ich sitzt,
mit dem logischen zusammenfallend, im Kopf”! en p. 183: „Wir finden
darin die phänomenale Coincidenz des optischen mit dem logischen Ich
ausgesprochen”! Deze zelfde fout, de objectivering van
individueel-psychies „hier” en „daar” heeft er toe meegewerkt om de
z.g. „Immanenz-philosophen” tot materialisten te maken.—Ze doet b.v.
Mach zeggen: Anal. der Empfgn. p. 9: „Dementsprechend kann das Ich so
erweitert werden, dass es schliesslich die ganze Welt umfasst.” (en dan
in een noot) „Wenn ich sage, der Fisch, der Baum u.s.w. sind meine
Empfindungen, so liegt darin der Vorstellung des gemeinen Mannes
gegenüber, eine wirkliche Erweiterung des Ichs.”!
Op deze wijs is de averechtse identificering bij Avenarius van Ik en
Hersenen („System C”), bij Ziehen c.s. van objectieve (= op het
niet-bestaand subject der natuur betrokken) ruimtedingen en subjectieve
(= individuele) gewaarwordingen tot stand gekomen; kortom heel dat
phaenomenalisties schijnmonisme.
Bij Bergson als bij Ziehen is het een materialisme (waarnemend
zenuwstelsel + prikkelende buitenwereld), dat zijn materie „image” of
„(gereduceerde) gewaarwording” noemt, wijl het inziet, dat de materie
uit bewustzijnswaarden bestaat. Het ruimtelik realisties wereldbeeld
blijft er hetzelfde om—, alleen is ’t nu de hele „bonte”, „klinkende”
natuur geworden, i. pl. v. de „duistere”, „stille”, mechaniese wereld.
Hoe onjuist het is, materie („een boom” b.v.) „gewaarwording” te
noemen, betoogt de tekst. Nog afgezien van het kenniskrities verschil,
is de materie ruimtelik, zwaar, ondoordringbaar, heeft kleur, gestalte,
grootte, terwijl een gewaarwording geen dezer eigenschappen heeft... ze
bevindt zich nergens, heeft geen vorm, geen gewicht, is onzichtbaar,
ontastbaar enz. Kenniskrities komt er dan bij: de materie (boom)
bestaat slechts phaenomenaal, is ’n abstractum, de gewaarwording
bestaat reëel, in concreto; bij ’n gewaarwording kan men vragen wiens
gewaarwording, bij de materie is de kennis-vraag „wiens” materie
zinledig, niet omdat ze subjektloos zou zijn, maar omdat haar subjekt
één en ondeelbaar, hyperindividueel, slechts gedacht is, dus voor
altijd één en hetzelfde,—terwijl het subjekt van een gewaarwording een
levend, werkelik individu is.
Niet uit gewaarwordingen, maar uit de inhoud van gewaarwordingen wordt
de materie opgebouwd.
Als honderd mensen naar één boom kijken zijn er 100 verschillende,
onmeetbare, onweegbare boomgewaarwordingen—terwijl er slechts één en
dezelfde oorzaak is van deze boomgewaarwordingen, het niet-stoffelike
reale van de boom, en slechts één en hetzelfde phaenomeen boom,
weegbaar, meetbaar enz., van een bepaalde („objectieve”) lengte, die
niet kleiner of groter wordt, al naar die kijkenden zich verwijderen of
nabij komen.
Dieper op deze richting in te gaan blijve voor een afzonderlike
verhandeling voorbehouden. Vgk. ook opm. 13.
35: p. 81. Op p. 16 van Prof. Bolland’s Eenheid van Tegendeelen lezen
wij: „Wij leven met bewustzijn in de Ruimte en den Tijd, en tevens zijn
de Ruimte en de Tijd in ons; wat buiten is, is binnen, en wat binnen
is, is buiten” en wederom in Z. R. p. 130 (bijna letterlik = E. v. T.
p. 35): „Alles is buiten, alles is binnen, al naar men het neemt; heet
het dat wij in het binnenste der dingen niet doordringen, zoodat dit
binnenste ... buiten ons bewustzijn blijft, dan dient reeds de vraag,
of wij in tijd en ruimte, dan wel tijd en ruimte in ons zijn, het besef
te wekken, dat het eene zoo waar is en daarom zoo onwaar als het andere
heeft te heeten.” Het voor „éénzijdig” gescholden verstand beantwoordt
de verwarrende, wijl verwarde vraag (en weerlegt de schijnbare
tegenstrijdigheid) met een onderscheiding: Ten aanzien van de ruimte
aldus:—Entweder oder, bedoelt gij met „ons”, naar gezuiverd
spraakgebruik, subjecten, dus bewustzijn a.z., dan is de ruimte „in”
ons, in het bewustzijn en het bewustzijn is niet in de ruimte; bedoelt
gij, naar meer vulgaire trant, met „ons” de levende lichamen a.z. dan
zijn „wij” in de ruimte, en is dus zowel het omgekeerde als het
tegendeel onwaar.—Bedoelt gij echter lichaam en geest „in énen”... dan
ligt de tegenstrijdigheid, hier als overal, uitsluitend in het
subjectbegrip, gelijk een „zijn”, dat niet een „iet(s) zijn” is en dus
een „niet(s) zijn” zou wezen... slechts het zijn is van... de absolute
copula, het ongekoppeld koppelwoord, de volstrekte relatie of
betrekking zonder betrokkenheden, en wie zo „iets” denkt, heeft naar
een waar woord van Kant (zie opm. 45) eigenlik „niets” gedacht!
Hier zij nog opgemerkt dat van „zijn” en „niet-zijn” zuiver
„analytisch” nimmer een „worden” te bereiken valt, daar dit een niet
meer en een nog niet, dus tijd, onderstelt. En zelfs al ware het
„worden” bereikt, dan nòg slechts wederom... het ongekoppeld
koppelwoord „worden”—en van dit worden, dat weer niet een iet(s) worden
is en dus, dialekties, op z’n best een niet(s) worden zou mogen heten,
leidt slechts „Erschleichung” (de echte „subreptio” der
„hypostasering”) tot... „Dasein”.
Und dieses Wegs lässt redliches, vernünftiges Denken sich nicht...
„mitnehmen”!
Dat reeds de schrede van „zijn” tot „niet-zijn” heel de
„verstandslogica”, immers de denkwet der ontkenning, steelsgewijs
binnensmokkelt, willen haar laatdunkende verloochenaars niet weten. Wel
geeft Prof. Bolland zonder schroom toe, dat de Hegeliaanse „overgangen”
niet analyties zijn, maar „tevens” (?) syntheties (cf. C. L. passim, p.
590 ss. „wat eruit komt komt erbij” etc, p. 676 ss., 866 ss.). Dus is
ook alle „afleiding” uit het „begin”, uit het telkens voorafgaande,
slechts voorgewend, een valse schijn van „zuivere” logiciteit, en dus
heeft de „buitenstaander” niet alleen het recht, maar zelfs de plicht,
dit „binnensmokkelen” te wraken, zolang de dialectiek in gebreke
blijft, een geldig, objectief, criterium aan te wijzen, of ook maar in
te houden, voor de „eenzijdige” keus van haar „bijbrengsels” en
samenvoegsels. Hoe vindt zij van en aan „iets”, niet iets anders, maar
juist eenzijdiglik „het andere”?
Prof. Bolland antwoordt met tweeërlei onjuistheid.
Vooreerst: „door de ondervinding”! Maar dan heeft hij niet doordacht of
vergeten, dat juist iets anders a.z. en in de 2e macht het andere tot
de weinige niet-empiriese begrippen behoort; het zijn begrippen van
negéring („niet-hetzelfde”), van uitsluiting (niet het àndere andere)
en deze, zomin als enig negativum, levert ons ooit de ondervinding; het
is zuiver verstandswerk, een oordeel en functie van het denken.
„Ondervinding” blijkt hier slechts een euphemisme voor „willekeur”.
De tweede fout is deze: gesteld al, ondervinding leerde ons, wat van
iets „het andere” mag heten (des nimmer), dan begrijpt toch wel elk van
m’n getrouwe lezers, dat noch ondervinding, noch „analysis der
ondervinding” ooit een synthesis a priori kan leveren en dat het dus
slechts een schijnkrities en ietwat blasphemies schermen met Kant’s
kennistheoretiese woorden is, als p. 866 C. L. verkondigt: „Wanneer ik
‚het tegendeel’ [te weten, van het subjectieve, dat hier aan de beurt
is] het ‚objectieve’ tegendeel noem, dan spreek ik synthetisch uit,
wat... bij het subjectieve hóórde en ons bij ondervinding als zoodanig
bekend is, wat ieder uwer uit z’n eigen kennis dan ook halen kon,
zoodat om zoo te zeggen de synthesis hier a priori gerechtvaardigd was
[!], juist omdat de analysis de analysis was van eigen ondervinding.
Zoo blijkt het denken in zuivere rede a priori analytisch en a
posteriori synthetisch en het blijkt a priori synthetisch of analytisch
a posteriori [n.b.], al naar men het neemt” enz.—Voor deze biezondere
overgang komt er nog een derde fout bij. Immers, eeuwig vergeefs blijft
elk beroep op persoonlike ondervinding, juist ter bereiking van... het
objectieve. Prof. schijnt zelf te beseffen, dat het met deze „overgang”
„niet pluis” is, want trots die allemanservaring, en ofschoon die
objectiviteit zelfs... „van zelf spreekt” (p. 868) blijft het „een
moeilijk punt”! [259]—Dus noch gevolgtrekking, noch ervaring. Wat er
dan overblijft toont een verklaring als van p. 680:
„Bij wat we hebben vragen we: wat lijkt hier onmiddellijk op, waar is
hetzelfde... ánders? In dien zin is telkens onze overgang een overgang
tot hetgeen ligt ‚naast’ datgene wat we wenschen te buiten te gaan.”
Nog duideliker blijkt de zelfbegoocheling van gewaande ervaring uit
verklaringen als van p. 684: „En als in het geval van tegendeelen de
stelbaarheden wederkeerig kengrond zijn, dan beteekent dit, dat wanneer
u niet eenvoudig wilt vervluchtigen noch verstijven op één punt, maar
verder wilt, u van zelf [!] aan het punt, dat u verlaten wilt, een
soort van lokkenden weerschijn bespeurt van datgene waar het héén moet.
Wilt u verzaken zoo, dat u ergens héén wilt: de eene denkbaarheid
spiegelt zich aan de andere, zoodat zij die andere niet alleen afwijst,
maar meteen áánwijst en kénbaar maakt.” Korter gezegd: de wens is de
vader van de gedachte.
Wie het nu de moeite waard acht, kan van elke gewenste „overgang” (men
kent de formules: „dan wordt daarin als vanzelf meegebracht”—„hierin is
dan meteen begrepen”—„en wij voor ons zien hier alvast aankomen”—„ziet
dat is weer een schimmige manier, om vóóruit te begrijpen”—„zoo brengt
de ontkenning in stilte eigenlijk wat anders mee”—„dan moet U weer wat
zien aankomen, wat hier nog niet zoo helder uitkomt, maar achterna het
ware blijken zal”—enz.) exakt gaan schiften, welke elementen „afgeleid”
zijn en welke „binnengeleid”. Van deze laatste bepaalt dan de kenbron
de waarheidswaarde, resp. waardeloosheid, mede van het geheel.
Hier volsta de slotsom: de dialektiek blijkt slechts te komen, waar ze
van te voren wezen wilde, wetenschappelike methode wil van te voren
slechts zijn, waar ze zal blijken te komen.
In algemene zin geldt dan ook van Hegel’s dialektiek zijn
zelfqualificatie ten aanzien van het door Kant weerlegde dogma, dat
„das Objekt, was es an sich ist, so sei, wie es als Gedachtes ist”,
luidend als volgt: „Die [sc. Hegel’s] Philosophie stellt somit nichts
Neues auf; was wir hier durch unsere Reflexion herausgebracht, ist
schon das unmittelbare Vorurteil eines Jeden.” (Kl. Logik, § 22 Zus.).
Natuurlik loochent geen enkel verstandig logicus, dat er correlatieve
tegenstellingen zijn, die bijéénhoren en elkander over en weer
onderstellen en begrijpelik maken; wat b.v. „discursief” betekent wordt
slechts waarlik beseft aan de tegenstelling „intuïtief”. Hetzelfde
geldt van begripsparen als: subjectief—objectief,
immanent—transcendent, absoluut—relatief of zelfs: groot—klein,
man—vrouw, enz. Zij hebben de indelingsgrond gemeen. Zo betekent
„dogmaties” als tegenstelling tot „krities” (als in deze verhandeling)
heel iets anders dan hetzelfde woord tegenover „empiries” (b.v. in
Meijers’ „Dogmatische Rechtswetenschap”). Zo vergelijke men over het
begrip „natuur” in zijn verscheidenheid van tegenstellingen (geest,
kunst, kultuur, zedelikheid, god, geschiedenis), Rickert, Die Grenzen
der naturwissenschaftlichen Begriffsbildung, p. 210 ss. en 226 ss.
In die zin kan men dus met Aristoteles en Thomas van Aquino zeggen (C.
L. p. 684) „dat in het geval van tegendeelen het eene voor of van het
andere kéngrond is”. Maar wat heeft deze „eenheid van tegendeelen” voor
bovenverstandeliks? Met „dialektiek” heeft ze zo min wat te maken als
ooit een objekt zich „verkeert” tot subjekt, of het immanente zou
kunnen „overgaan” in wat transcendent is,—of zomin als de begrippen
groot en klein ooit in ander dan star-contrair verband tot elkander
zullen staan, al worden ook nog zoveel grote dingen middelmatig of
klein en kleine groot.
Het onveranderlik verband van eenheid en tegenstelling tussen de
begrippen (man en vrouw) is nu eenmaal niet „identiek” met de talloze
wisselvallige, vergankelike verhoudingen tussen de voorwerpen of
werkelikheden der begrippen (man en vrouw). Al verleidt de verhouding
der begrippen recht en plicht Prof. Bolland c.s. tot hun dogma: „geén
‚recht’ zonder ‚plicht’”, het recht geeft niettemin aan zuigeling en
waanzinnige, ja zelfs aan ongeborenen en overledenen, rechten zonder
plichten.
36: p. 82. Terecht schrijft Kinkel, wanneer hij p. 64 o. c. van Cohen,
Stadler, Windelband, Liebmann, de verloochening van Kant’s An-sich
behandelt: („Auch Stadler bezeichnet das Ding an sich als eine Illusion
und Windelband kommt sogar zu dem Resultat: ‚Die Unterscheidung von
Ding an sich und Erscheinung ist unhaltbar’. Ähnlich auch Liebmann in
seiner Schrift: ‚Kant und die Epigonen’.”) „Warum diese Forscher so
einstimmig dem Ding an sich den Krieg machen glaube ich zu sehen, und
will darauf später zurückkommen [Kinkel doelt hier in hoofdzaak op de
door mij reeds boven, zie bl. 45 vv., gesignaleerde niet-onderscheiding
van „denken” en „kennen”]. Dennoch kann ich ihnen nicht beistimmen.
Wenn man, wie diese Gelehrten das müssen, die Erscheinungen als die
Ursache unserer Empfindungen auffasst, sollte man doch bedenken, dass
ja die Erscheinung ihrerseits erst durch die Empfindung (wenigstens dem
Stoffe nach) möglich ist.” Voorts p. 81/2:
„Die Dinge an sich bilden eine notwendige Voraussetzung der
Erkenntnistheorie, denn ohne ihre Annahme stehen wir vor der
Alternative,
„1. entweder den Idealismus aufzugeben, oder
„2. ihn in Solipsismus zu verkehren.
„Auf die Frage: woher stammt die Empfindung? bleibt, wenn man die
Antwort: ‚aus der Affection unserer Sinnlichkeit durch Dinge an sich’
verschmäht, nur die Wahl zwischen folgenden Antworten:
„1. die Empfindungen sind alle (oder zum Teil) Eigenschaften
wirklicher, unabhängig vom Subject existirender Dinge (also dieses
Blatt ist weiss, auch wenn kein Mensch und überhaupt kein erkennender
Geist es sieht); dann haben wir die Frage nach der Empfindung nicht
mehr als Idealisten, sondern als Realisten beantwortet. Auch wenn man
den Standpunkt Lockes einnimmt und zwischen primären und secundären
Qualitäten unterscheidet (also alle quantitativen Eigenschaften den
Dingen, alle rein qualitativen dem Subject zuschreibt) ist man Realist;
und die Unhaltbarkeit dieses Standpunktes ist wohl von Kant zur Genüge
dargethan; oder
„2. man leitet nicht nur die Form, sondern auch den Stoff der
Erkenntnis aus dem Subject ab: dann ist man auf dem
Fichte-Berkeleyschen [?!] Standpunkte des Solipsismus angelangt, für
den eigentlich die ganze Erkenntnistheorie gar keinen Sinn hat: denn es
ist ja ausser dem erkennenden Subject gar nichts da, was erkannt werden
könnte.
„Beide Fälle scheinen noch eine dritte Ansicht zuzulassen, die z.B.
Falckenberg vertritt (als die eigentliche Meinung Kants). Dieser beruft
sich auf das transcendentale Bewusstsein oder die menschliche
Gattungsvernunft und sagt: es giebt
„1. das Ding an sich ausserhalb jeglichen Bewusstseins,
„2. die Erscheinung ausserhalb des individuellen, aber innerhalb des
transcendentalen Bewusstseins,
„3. die Vorstellung der Erscheinung innerhalb des individuellen
Bewusstseins.”
Dit laatste komt vrijwel overeen met onze onderscheiding: 1. het
An-sich, 2. het objectieve-physiese, 3. het individueel-psychiese.
Evenwel, ook voor deze opvatting (p. 83:) „bleibt doch die Frage nach
dem ‚Stoff’ aller Erkenntnis bestehen. Man kann den Stoff aller
Erkenntnis nicht aus der Vernunft ableiten, weder aus der
individuellen, noch aus der Gattungsvernunft.”
37: p. 88. Zie opm. 50, hoe Schopenhauer’s Intellekts-materialisme, die
jammerlike uitwas van zijn eerbiedwaardige Wilsmetaphysica, naast het
juiste kritiese inzicht: „zonder subjekt geen objekt”—stelt het
alleszins verkeerde: „zonder objekt geen subjekt”; cf. II p. 23, waar
hij niet méér demonstreert dan: zonder voorstelling of kennis geen
subject van voorstelling of kennis!
Dezelfde materialistiese fout is bij Prof. Bolland gevolg en bewijs van
het feit, dat voor zijn Hartmann-Hegeliaanse misvatting (in individuele
zin) van de Kantiaanse subjectiviteit (vergelijk daarover opm. 48 en
Hoofdstuk V) de kennisleer steriel is gebleven:
„De omhaal van woorden, waarmede in het sterile gezanik der
‚kennistheorie’ betoogd wordt, dat de voorwerpen onzer waarneming
subjectief en individueel [n.b.] bepaalde denkbaarheden zijn, is
slechts breedsprakigheid voor het eenvoudige besef, dat de
waarneembaarheid denkbaarheid is, dat het subject in het object is
voorondersteld en dit zonder het subject niet is te denken. Een A = B,
dat zoo op zichzelf en zonder meer genomen van zelf eene eenzijdigheid
blijkt. Want omgekeerd vooronderstelt ook de denkbaarheid
waarneembaarheid [!] en het subject het object; in de veeleenige
werkelijkheid is bepaling en bepaaldheid wederkeerig.” (Denken en
Werkelijkheid, p. 14/15). In waarheid daarentegen vooronderstelt het
subject geenszins het (waarnemings)object; het subject wordt reeds in
de logica zonder, en onafhankelik van, het object gedacht, en een
subject zonder gewaarwordingsvermogen (doof, blind, anaestheties enz.)
is een subject zonder object, al blijft het, op de zintuigen na, even
„lichamelik” als elk ander subject.
38: p. 91. De „uitleggers”, de speculatieve en neo-kantiaanse
„idealisten” zowel als de realisten sans phrase, hebben aan Kant ten
deze rijkelik vergolden wat hij aan Berkeley heeft
misdreven!—Waarschijnlik ging hij af op de Duitse uitgaaf van 1756 als
deel der: „Sammlung der vornehmsten Schriftsteller, die die
Wirklichkeit ihres eigenen Körpers und der ganzen Körperwelt leugnen”!
Zo heeft Dr. Edm. Koenig nog in onze dagen („Die Entwickelung des
Causalproblems von Cartesius bis Kant”, Leipzig 1888) Berkeley
professoraal bekritikasterd, zonder blijk, van B. zelf een letter
gelezen te hebben dan alleen realist Kirchmann’s vertaling van één
geschrift, de P. of H. K.—Van B.’s geniale natuur-immanentie heeft
Koenig dan ook geen letter begrepen.—Zie p. 198 ss.—Wat B. van de
natuur denkt, heet „für den Phänomenalisten... die oberste und einzige
Annahme über die Wirklichkeit”!
Gelijksoortige Berkeley-miskenning bij Hegel, Geschichte der
Philosophie (Uitg. Bolland) pp. 947–51: „Berkeley trug einen Idealismus
vor, der dem Malebranche’schen sehr nahe kam. Der Verstandesmetaphysik
gegenüber tritt die Ansicht auf, dass alles Seiende und dessen
Bestimmungen ein Empfundenes und vom Selbstbewusstsein Gebildetes
sind.” En „jene abstracte Form, dass alles ‚nur Wahrnehmungen’
sind”!—Insgelijks bij Windelband, „Geschichte der Philosophie”, p.
384/6. Het ten deze kenschetsend-realisties verwijt van „Einseitigkeit”
op p. 389. En op p. 385 weer vereenzelviging met Malebranche t.a.v. de
betekenis der afzonderlike (stoffelike) dingen en krachten, waarvan B.
zelf reeds zegt, Dial. II, p. 306:
„Phil.: ‚Few men think, yet all have opinions. Hence men’s opinions are
superficial and should never the less be confounded with each other by
those who do not consider them attentively. I shall not therefore be
surprised if some men imagine that I run into the enthusiasm of
Malebranche; though in truth I am very remote from it. He builds on the
most abstract general ideas, which I entirely disdain. He asserts an
absolute external world, which I deny. He maintains that we are
deceived by our senses, and know not the real natures or the true forms
and figures of extended beings; of all which I hold the direct
contrary. So that upon the whole there are no principles more
fundamentally opposite than his and mine.’”...
Ook O. Liebmann mishandelt Berkeley op de gewone individualistiese,
solipsistiese voorstellingswijze van allen die zijn object-immanentie
niet hebben bereikt (Zie A. d. W. „Idealismus und Realismus” spec. pp.
26–30 en andere artikelen passim).
Uit Berkeley’s krities inzicht: „wat immanent is (de objectenwereld:
tafel, berg, enz.) kan slechts immanent zijn en nooit transcendent, en
kan even min op iets transcendents gelijken,... trouwens gij realisten
bedoelt met uw „absolute” tafels enz. voorstelbaarheden, kenbaarheden,
dus klaarblijkelik iets immanents, immers iets transcendents ware eo
ipso volstrekt onkenbaar en onvergelijkbaar”... hieruit maakt Liebmann
(vgk. insgelijks Rickert, Der Gegenstand der Erkenntniss, p. 18 en
Volkelt, Die Quellen der menschlichen Gewissheit, p.38) weer de
solipsistiese drogreden: wat gedacht (voorgesteld) wordt (de
objectenwereld, tafel, berg, enz.) bestaat slechts als gedachte
(voorstelling) en de gedachte kan geen beeld zijn van een werkelik
object.
Ziedaar de quintessens van Liebmann’s (en in ’t algemeen van de
realistiese) polemiek tegen Berkeley op p. 25 tot 29, waarbij „die
handgreiflichsten Fehlschlüsse und durchsichtigsten Sophismen”, zowel
als de „Scheindemonstration” niet aan de echte Berkeley, maar slechts
aan diens caricatuur, „der vortreffliche Bischof” van Liebmann te
danken zijn. „Aufrichtig; wäre es dem Philosophen nicht so bitter
Ernst, man wäre versucht zu glauben, er wolle den Leser zum Besten
haben” zegt Liebmann, p. 27, van Berkeley, zeg ik van Liebmann. En
evenals Hartmann het Kant als een inconsequentie aanwrijft, wanneer hij
bij Kant de consequentie vergeefs zoekt van... Hartmann’s
Kantmisvatting, precies zo schrijft Liebmann, p. 29:
„Nun aber weiter! Da einmal der Schlussfehler begangen ist [zie boven,
door wie], welches Resultat sollte man bei Berkeley erwarten? Offenbar
den echten und rechten, in seiner ganzen widernatürlichen
Ungeheuerlichkeit doch mindestens consequenten Solipsismus. Also ein
einziges vorstellendes Subject, aus dessen Vorstellungen das Weltall
besteht. Aber weit gefehlt!”
Inderdaad,... weit gefehlt!
Wijl Liebmann op de volgende pagg. al evenmin begrijpt, dat, voor
Berkeley gelijk in waarheid, de objecten alleszins, de subjecten echter
geenszins immanent, van mogelike waarneming afhankelik, bestaan, waant
Liebmann, dat Berkeley evenals de objecten, ook de (andere) subjecten
immanent had moeten achten, slechts zijn „voorstelling”, „ein
subjectives Gedankengespinnst, eine Chimäre.” [260]
Dit wanbegrip geeft echter een Liebmann niet het recht tot de
schandelike insinuatie tegen de filosoof Berkeley, op p. 30 en 31, als
zoude theologiese „Absicht” hem tot zijn gewaande „inconsequentie”
hebben geleid: „Aber diese Consequenz scheut unser Bischof wohl weniger
aus logischen als aus theologischen Bedenken. Deshalb umgeht er sie;
deshalb verstopft er die Lücken seiner Philosophie mit einigen
Reminiscenzen seines gesunden Menschenverstandes und der landesüblichen
Religion.” Berkeley, die het verschil zo scherp mogelik formuleert en
demonstreert, in één zinnetje reeds, waarin heel de kennistheoretiese
weerlegging van het materialisme (speciaal het „immanente” van
Ziehen-Avenarius, Wahle, Bergson c.s.) ligt opgesloten:
S. 135: „that a spirit has been shewn to be the only substance or
support wherein unthinking beings or ideas can exist; but that this
substance, which supports or perceives ideas should itself be an idea
or like an idea is evidently absurd.”
De „Three Dialogues” geven de afdoende weerlegging van de (door Hylas
aan Philonous verweten) Subjekten-loochening, p. 328/9. Men leze zelf
dit betoog, dat eindigt met de conclusie: „There is therefore upon the
whole no parity of case between Spirit and Matter.”
Wanneer nu Liebmann, met zijn „anthropologischen (empirischen)
Materialismus”—„das Bewusstsein... die specifische Energie des
Denkorgans” noemt in „Gehirn und Geist”, een van a tot z realisties
artikel, dat zelfs de mogelikheid openhoudt (p. 526) als zoude das
Gehirn... Ding an sich zijn van de geest als Erscheinung—i. pl. v.
omgekeerd—en op p. 551 schrijft: „Die Natur hat sich im menschlichen
Gehirn ein automaton materiale logicum erzeugt. Von selbst, d.h. mit
causaler Naturnothwendigkeit, hat sich innerhalb unseres Schädels als
physische Gedankenfabrik jenes räthselhaftcomplicirte System
mikroskopisch feiner, zahlloser Nervenzellen, Knoten und Fasern
entwickelt” ... enz. enz., kortom, in zijn metaphysica de kritiek als
een soort paradepaard op stal zet (zie het krities-bedoeld „voorbehoud”
van p. 266), om rustig een realisties muildier te gaan berijden en dan
ook Du Bois-Reymond’s en Griesinger’s zuiver materialisties ignorabimus
aanvaardt (pp. 464 en 533, 536), wanneer deze geenszins geringe maar
allerminst geniale denker, deze Schopenhauer in ’t klein, durft spotten
van „den brittischen Philosophen” dat „deren Denken ja meistentheils
nur für die zwei Dimensionen der Länge und Breite Sinn zu haben pflegt,
während ihnen die dritte Denkdimension, nämlich die Höhe oder Tiefe, in
der Regel unzugänglich bleibt”, dan is dit slechts een der vele tegen
Liebmann pleitende gevolgen van het feit, dat een Berkeley en een Hume
voor hem in hun eigenlike hoogte of diepte ontoegankelik zijn gebleven.
39: p. 94 en p. 96. Het schijnt mij, achteraf, onnodig, Rée nog in
extenso te behandelen. Men leze hem zelf—bij wijze van vuurproef.
De p. 94 bedoelde „consequenties” vindt men §§ 38–40 en heel caput III
„Die Philosophie Kants”.
Pas wie tegen dit eerlik, nuchter, geestig en cynies gezond-verstand,
vrij van alle phraseologie, van alle vertoon van diepzinnigheid of
geleerdheid, bestand is gebleken, kan zich waarlik het materie-realisme
en empirisme te boven weten.
Hoeveel sympathieker en groter is hij, die de dwaasheid van onbegrepen
wijsheid zonder vrees of blaam bestrijdt als dwaasheid, dan wie ze
zonder zelfrespekt inhaalt en viert als wijsheid. Had deze scherpe,
rücksichtslose anti-dogmaticus, met zijn mooie brutale oprechtheid maar
de voorlichting gevonden die hem geholpen had uit zijn
naief-realistiese „regressus in infinitum” (§§ 6, 8 en 9 van zijn
„Materie”), uit zijn waarlik „traurige Konsequenz” van het „Idealisme”,
uit zijn „Antinomie” (§9 van zijn „Erkenntnistheorie”)!—Zijn
Ré(e)alisme moest precies zó te keer gaan tegen Kant („Kant war kein
Denker”), tegen Spinoza (zijn God „nicht ernst gemeint”), tegen
Schopenhauer (vgk. § 118 „Das intellektuelle Gewissen”).—En hoeveel
zedeliker is zijn anti-zedelikheid, hoeveel edeler dat opstandig
penetrant pessimisme,—soms heerlik raak, soms heerlik mis—, dan al dat
kwispelstaartende zalvende kanseloptimisme.
Wat Erich Adickes betreft (zie bl. 96), zijn krities vertoog „Kant
contra Haeckel, Erkenntnistheorie gegen naturwissenschaftlichen
Dogmatismus” verdient een amenderend aanhangsel: „Kant contra Adickes”!
Want precies zo ver Adickes van Kant afwijkt, deels onbewust (in zijn
resten van Lockianisme gelijk in zijn individualiserend
voorstellings-idealisme, dat niet inziet, hoe juist Kant’s éne
empiriese ruimte identiek is met de ruimte der natuurwetenschap en van
de natuurwetenschappelike kosmos) deels bewust (waar dit misverstand
hem noopt tot het geloof aan een oneindige „transcendente ruimte”, met
een „oneindig aantal” transcendente „krachtcentra”), precies zo ver
denkt hij zelf dogmaties en precies zo ver blijft zijn „Widerlegung des
Materialismus” (Hoofdstuk II, te voren in de „Kantstudien” verschenen)
materialisties en zijn „Der wahre Monismus” (III) dualisties, trots de
onomwonden monistiese belijdenis van zijn voorrede: „Ich kann
ebensowenig wie er [Haeckel] an einen persönlichen ausserweltlichen
Gott, an eine Schöpfung der Welt durch ihn, an ein vom Körper
getrenntes immaterielles Seelenwesen glauben; ich nehme wie Haeckel
einen lückenlosen allumfassenden Kausalzusammenhang, auch auf geistigem
Gebiet, und eine natürliche ununterbrochene Entwicklung von der
anorganischen Welt zur organischen und in dieser hinauf bis zum
Menschen (diesen eingerechnet!) an. Auch ich behaupte, dass die
Philosophie nicht gegen die Thatsachen der Naturwissenschaft verstossen
darf, sondern dieselben, ohne an ihnen zu drehn oder zu deuteln, ihren
Systemen zu Grunde legen muss.”
Wat nu „Kant contra Adickes” nog in’t midden zou moeten brengen? In
korte trekken het volgende. Van de „Widerlegung des Materialismus” zal
noch de eerste Abschnitt: „Unfähigkeit des Materialismus, die Existenz
des Psychischen zu erklären”, noch de tweede: „Absurdität des
Materialismus, da die Materie nur unsere Vorstellung ist” veel
materialisten bekeren. De eerste niet, wijl deze faalt tegenover het
psycho-physies materialisme (het materie-realisties parallelisme), ook
bij Haeckel telkens opduikend, de leer der stofbezieling, die
bewustzijn („Gedächtnis”) als algemene oorspronkelike eigenschap of
„Funktion” aan de (al of niet georganiseerde) materie toekent. Want dit
epiphaenomenalisme hoeft geen enkele dualistiese inbreuk op „das
Energiegesetz” (p. 32 ss.) toe te laten, noch „die Existenz des
Psychischen zu erklären”. Haeckel en de zijnen kunnen en zullen zich
dus daarachter verschansen en zijn het geheel met Adickes (p. 8) eens:
„Der materialistische Standpunkt wird erst da verlassen (dann aber auch
sofort und grundsätzlich), wo die Materie als denkend oder empfindend
gedacht wird oder wenigstens als mit Innenzuständen versehn, die sich
in allmählicher gesetzmässiger Entwicklung zum Empfinden und Denken
erheben.” Daartegenover zou Kant moeten opmerken, dat „denkende of
gewaarwordende materie” juist typies-materialisties gedacht is, [261]
niets minder materialisties en niets minder zinrijk dan het omgekeerde,
b.v. een weegbare gewaarwording of een gele gedachte. Zo zullen dan
Haeckel en de zijnen hun eigen waarnemingsleer bij Adickes herkennen:
Aetherschwingungen „erscheinen in unserm Bewusstsein als Leuchten” (p.
25), het bewustzijn „spiegelt” Molekularbewegungen „nicht als
Bewegungen, sondern als Wärmeempfindungen ab” (p. 33) en als Adickes
zegt op p. 30: „Wie es möglich ist, dass die vom Phosphor ausgestrahlte
Bewegung mir als Leuchten, d.h. als Bewusstseinszustand, als Empfindung
erscheint: das will ich ja gerade wissen.”, zullen zij volmondig
antwoorden: „Ich auch!” Zo zal bij pp. 31–33 de psycho-physiese
materialist eensdeels kunnen toegeven, dat physies en psychies „etwas
toto genere [elders „toto coelo”] Verschiedenes” zijn en anderdeels,
wijl de kenniskritiese fundering van het verschil hier ontbreekt, dit
voelen als een dualisties dogma, waartegen zijn monisties instinkt zich
niet zonder recht verzet.—Maar dan komt die 2e Abschnitt, die ’t reeds
door bovengeciteerd opschrift verbruit bij materialist en.... idealist,
want de materie is nu eenmaal niet „nur unsere Vorstellung”, laat
staan, als op p. 37, „nur in meinem Bewusstsein” of „nur meine
Vorstellung”, zo min als voor Kant ruimte en tijd „blosse
Vorstellungsformen” zijn (p. 37) en even onjuist en verwarrend is „die
neue These”: „die Materie.... existiert nur als Bewusstseinszustand”
(p. 35), aangezien de materie in ’t geheel geen bewustzijnstoestand is
(iets konkreets, onruimteliks), maar abstrakt geheel van mogelike
bewustzijnsinhouden, mogelik, niet voor enig individu, maar voor het
universele subjekt der natuur. En deze echte, Kantiaanse, immanentie
der materie, der objecten, hun afhankelikheid van vooronderstelde
subjectiviteit, is nu weer geenszins „das Grunddogma des Idealismus”
(p. 37), immers in ’t geheel geen „dogma”, maar exakt te bewijzen
kennistheoreties feit.—Zo komt dan Adickes er toe, bevangen gebleven in
de oude, speciaal bij Hartmann door mij in de tekst afgewezen
infra-kantiaanse tegenstelling: individueel—transcendent, te zeggen op
p. 38: „Dies Ding an sich ist räumlich und zeitlich bestimmt; Raum,
Zeit und Bewegung sind also nicht nur unsere Vorstellungsweisen,
sondern haben auch transcendente Gültigkeit: darin weiche ich von Kant
ab und nähere mich dem naturwissenschaftlichen Realismus.” Ergo blijft
Adickes zelf steken in de verdubbeling van het ruimte-dogmatisme, de
„Meinung, dass unsere räumliche Welt die Rekonstruktion einer
extramentalen räumlichen Welt ist, keine völlige Neuschöpfung.” (p.
43), voor ons even zinledig als de mening, dat unsere Farbenwelt die
Rekonstruktion einer extramentalen Farbenwelt zou zijn. Is reeds deze
„extramentale”, sc. transcendente, „Raum” een onding, door Adickes ten
onrechte aanvaard „weil das so entstehende Weltbild mir weniger
Schwierigkeiten zu bieten scheint als die andern” (p. 46), hoe
verderfelik dit misverstandsdogmatisme werkt, blijkt al op p. 47, waar
Adickes zegt, fest te glauben „dass im extramentalen Raum an derselben
Stelle [n.b.!], an welche in meinem Bewusstseinsraum die Bank von mir
gesetzt wurde, ein ihr entsprechendes [?!] Ding an sich vorhanden war”,
een verdubbeling, in z’n onmogelikheid door mijn geschrift naar ik hoop
voldoende gedemonstreerd en in Adickes’ metaphysica ad absurdum geleid
door z’n eigen consequentie, een soort psycho-physies
kracht-materialisme (of energetisme) à la v. Nägeli, met een
„Innenseite” en een „Aussenseite” van een niet nader aan te geven
„Ding” of „Vorgang” à la Spencer’s „inner and outer faces of the same
change” en een „Weltbild” als volgt (p. 62): „Der unendliche Raum [door
Kant weerlegd onding] ist erfüllt von unendlich vielen [ook al door
Kant weerlegd; een oneindig aantal dingen is onbestaanbaar, want een
oneindig aantal is groter dan elk bepaald aantal, vgk. daarover,
voortreffelik, „Geist und Materie” II pp. 221–230, van Thiele’s
degelik-populaire warmovertuigde propagator Paul Apel. [262]]
Kraftcentren”, die „Träger von Innenzuständen” zijn—en aangezien nu die
Kraftcentren ruimtelik zijn gedacht, krijgen we hier ook plaatselike
(?) Innenzustände! Wat al onklaarheid, culminerend op bl. 67 in „eine
doppelte Reihe von Vorgängen” (het realisme t.a.v. ruimtedingen blijft
altijd min of meer dualisties: dat de Innenseite „das eigentlich
Bedeutungsvolle”, „das tiefste Wesen der Welt” is, berust op
subjectieve waardering, niet op het kennistheoreties bewijs, dat alleen
het geestelike konkreet bestaat), waarbij in de physiese reeks telkens
de hersenen, en alleen deze (niet der Hörapparat, die motorischen
Nerven, Muskelgruppen, Bewegungsvorgänge, etc. etc), vervangen worden
door.... „das Ding an sich des Gehirns”! Een waarlik ongehoorde
μεταβασις εἰς ἀλλο γενος! En hoe denkt Adickes zich eigenlik die
verhouding van het psychiese tot die transcendente ruimte, in verband
met de bij ervaring gegeven, door Adickes zelf op bl. 44 uitgesproken
(„Denn wie könnte etwas Psychisches ausgedehnt, im Raum neben einander
sein!”) onruimtelikheid van het geestelike? Want zijn half
materialisties, half Spinozisties „monisme” heeft alvast drieërlei:
„Krachtcentra” in een transcendente ruimte met een Aussenseite in de
empiriese ruimte (Körper) en een Innenseite van deze
transcendent-ruimtelike dingen, die niettemin.... geheel onruimtelik
blijkt! Verbijsterend wordt die onklaarheid, als op bl. 94 zulk een
Kraftcentrum „sich an irgend einer Stelle des Gehirns befindet, einen
Teil der materiellen Erscheinungswelt bildet”!—Voorwaar, zolang Kant’s
kenniskritiek blijft leven zullen ook die vermetele mannen van bl. 88
niet uitsterven, die niet alleen „meinen”, maar zelfs tonen, „allen
Schwierigkeiten am besten zu entgehn [ik zou zeggen zu entkommen],
indem sie der nicht-geistigen Welt einfach [?] das selbständige Dasein
absprechen”, d.w.z. abdemonstrieren. Maar tot dit zuiver
immaterialisties monisme dringt Adickes niet door en tegenover Haeckel
wordt hij op bl. 95 zelfs de mindere, waar hij schrijft: „Haeckel
bedarf des Glaubens an Unsterblichkeit nicht, sein Gemüt stellt
Forderungen anderer Art. Gut! mag er seine Wege gehn; aber warum will
er andere abhalten, die ihren zu wandeln? Was hat ihn zum
Glaubensrichter und Seelsorger gesetzt?” etc. Want voor Haeckel is zijn
waarheidsdrang afdoende verklaring en rechtvaardiging: immers voor hem
is de onsterfelikheid nu eenmaal niet, of eerst indirekt, een kwestie
van Herz en Gemüt, een (al of niet!) „schöner Traum”, gelijk voor
Adickes, maar allereerst zaak van verstandelike mogelikheids- en
werkelikheidsoverweging; hij bestrijdt ze dus, om met Adickes te
spreken (p. 97), „in der besten Absicht und in der festen Überzeugung,
dass die ganze Wahrheit auf seiner Seite ist.”
In deze geest ongeveer zou „Kant contra Adickes” zich moeten keren
tegen Adickes’ „Kant contra Haeckel”.
40: p. 99. Het gaat trouwens precies zo met de empiristiese (iets
anders dan empiriese) „verklaring” van het zedelike, van het
plichts-besef. Voor alle specifiek-zedelik-bedoelde qualificatie:
edel—gemeen (en alle varianten en graden) is weer het zedelik
bewustzijn het logiese prius, dat noch uit z’n toepassing, noch uit
niet-zedelike „ervaring” kan worden „afgeleid”. Al heeft zich dus het
autonome zedelik oordeel nòg zo heteronoom „ontwikkeld” uit
maatschappelik-nuttige dwang en drang en goden-geboden en
„associaties”, verworven, geërfd en instinctief-kategories geworden in
de gemeenschaps-struggle for life (zie Rée’s Entstehung des Gewissens)
en al zijn de woorden van het „zedelike” ook oorspronkelik alle
niet-zedelik geweest, klassewoorden als bovengenoemde, of aesthetiese,
zinnelike of utilitaire termen (een heerlike bron van diepe
volkskarakterkunde wordt hier de Taal!)—zonder specifieke zedelikheid
als prius kan daaruit geen greintje „zedelik” gevoel, tegenover
zichzelf en anderen, met z’n eigen reacties: „slecht” en „goed”,
(„schunnig”, „ordinair”, „vies”, „karakterloos” en „waardig”,
„heldhaftig”, „grootmoedig” enz.) noch ontstaan noch zich handhaven
tegen wil en dank, tegen de theoretiese bewering in, dat dit alles zou
moeten verdwijnen, wanneer het klare weten van utilitaire „oorsprong”
en „strekking” en van „natuurnoodwendigheid” de „illusie” van plicht en
verantwoordelikheid maar eenmaal hebben gebroken,... zich handhaven ook
bij een Rée en een Nietzsche zelf,—die zich wel terdege „autonoom”, en
niet anoom, gebonden, bleven voelen,—dat spreekt op elk van hun
eerlike, fiere, karaktervaste bladzijden—, aan hun eigen zedelik
oordeel en plichtsbesef, dat hen veile zelfverzaking doet verafschuwen
en ver „beneden” zich weten trots al haar mogelike „nuttigheid”, ’t zij
bij eigen gevaarlike waarheden (gesteld eens dat deze buiten kijf
waren), ’t zij bij anderer verderfelike dogma’s—en ook voor hen
overtuigingstrouw intra en extra muros maakt tot onontkoombare,
zelfopgelegde, als vanzelfsprekend aanvaarde, plicht, waarvan wij niet
willen afwijken, neen, maar ook niet mogen afwijken per nos ipsos,
„van” eigen zedelik oordeel, tegenover de vele morele adiaphora,
waarvan wij eveneens niet willen afwijken, al voelen wij terdege, dit
wel van ons zelf te mogen, d.w.z. dit te kunnen doen zonder afkeuring,
verachting of verontwaardiging van ons zelf jegens ons zelf te duchten
te hebben.
Is het niet aldus, bij u allen, gij relativisten, utilisten, marxisten,
amoralisten, evolutionisten en ook gij, principiële dogmatici en
heteronome theologen (maar alle heteronomie is verkapte, getrapte
autonomie) en hoe gij u verder moogt noemen, zonder nochtans op te
houden, eenvoudig zedelike wezens te zijn: onderworpen aan de ene
eeuwige algemene geesteswettelikheid van het zedelik reageervermogen,
zo goed als van het logies denken en het ruimtelik waarnemen, het
muzikaal of, algemeen, kunstzinnig gevoel, en het tijdelik bewustzijn.
Ginds en dan wordt als doodzonde beschouwd, of doemwaardige leugen, of
verfoeilike gruwel, wat hier en tans als heilige plicht, of hoogste
waarheid, of opperste schoonheid geldt.
In concretis oneindige verscheidenheid van tegenstelling en
ontwikkeling alom, alles nochtans beheerst door één en hetzelfde nooit
geworden, nooit zich wijzigend Stelsel van Wetten. Παντα ῥει, παν
μενει.
(Mooi en juist Riehl, D. ph. Krit. II p. 13 en III p. 75).
De sociologie moge dan ook de belangrijkste hulpwetenschap der ethica
zijn, de ethica zelf is evenmin sociologie als de logica; zij is
evenmin „science des moeurs” (Lévy-Bruhl c.s.) als de logica kennis der
wetenschappen is, en heeft evenveel met klassemoraal te maken als de
logica met klassewetenschap. Anderzijds wil zij evenmin „eine
Richtschnur für das Handeln liefern” (Bruno Bauch, Ethik, p. 215, 241)
als de logica een richtsnoer voor het denken; zij zou tevreden zijn als
zij de wetten van het zedelik bewustzijn had gevonden, gelijk de logica
de wetten van het denken.—De zuivere ethica is even vrij van
naturalismen en supra-naturalismen, even exakt, empiries, algemeen
geldig en autonoom als de zuivere logica. Haar enig gebrek is, dat zij
nog niet bestaat. „Die Gesetze und Elemente des sittlichen
Bewusstseins” wachten nog op hun schrijver.
(Grondvestend Heymans, Die Methode der Ethik, in Vjschr. f. wissensch.
Philosophie IV).
41: p. 100. Daar juist (inmiddels ruim een jaar geleden) is verschenen:
„Erkenntnistheorie und Naturwissenschaft”, de lezing, door Osw. Külpe
gehouden op 19 Sept. 1910 ter 82e Versammlung Deutscher Naturforscher
und Aerzte in Königsberg, een zeer „zeitgemässe” principiële
verklaring, die ongetwijfeld de belangstelling zal vinden, die ze als
zodanig verdient, al interesseert ons heel die „Kontroverse” tussen
Külpe’s realisme en het in de grond niet minder realistiese „idealisme”
waartegen het niet zonder recht zich keert, slechts voor zoverre de
leer van een Kant of een Berkeley (van weerszijden) daarin betrokken
wordt.
Uitstekend is, wat hij schrijft over „die transzendentale Methode der
Erkenntnistheorie”; zo op p. 40, dat voor haar Voraussetzung is, „was
sich in der Wissenschaft selbst als grundlegend erweist” en op p. 7,
hoe haar taak bestaat „in der systematischen Herauslösung der
unentbehrlichen Voraussetzungen aus der Wissenschaft, in der sie
wirksam sind.” Dus: „eine unmittelbare Analyse des wissenschaftlichen
Tatbestandes” is nodig „um die in der Wissenschaft geltenden Prinzipien
zu entdecken.” Dat hij echter op diezelfde bladzij zegt: „Aber ein
solches aufsteigendes Verfahren der transzendentalen Methode entbehrt
noch immer der umfassenderen Begründung und spezielleren Durchbildung.”
is slechts een bewijs te meer, dat Heymans’ „Gesetze und Elemente”,
diens („analytische”) methode en diens resultaten, hem onbekend zijn
gebleven.
Ten aanzien van Kant’s „Phaenomenalismus” is hij ook hier nog bevangen
in een algehele misvatting, die georiënteerd is aan, en zich terecht
richt tegen, het gewaarwordings „idealisme” der
bewustzijnsmaterialisten:
Zijn „Setzung von Realem” is op de keper beschouwd niets anders dan
Objectivering en zijn „naturwissenschaftlicher Realismus” niets dan
Kant’s... „empirischer Realismus”, waarbij Külpe echter het subjekt der
natuur, en dus de immanentie juist der objekten, miskent:
„Der Phänomenalismus, in klassischer Form durch Kant vertreten, lehnt
eine positive Beantwortung der beiden letzten Fragen ab” te weten: „Wie
ist die Setzung von Realem möglich?” en „Ist eine Bestimmung von Realem
zulässig?” (pp. 10–11). Hier zijn we reeds midden in Külpe’s
verwarring. Want Kant fundeert en bepaalt juist de objectieve
realiteit, in plaats van die te loochenen of te betwijfelen! En zelfs
de „Darlegung der Kriterien, welche die realen Objekte auszeichnen”,
door Külpe van de toekomst gevraagd, is reeds geleverd door Kant in
zijn „Bedingungen möglicher Erfahrung”!
Külpe’s objektivering zoekt, wat onafhankelik is „von uns”, „von dem
ganzen erfahrenden Subjekt” (p. 13), een vage, van ’t spoor brengende
term, die tot de subjectiviteit a.z., het Bewusstsein überhaupt, niet
blijkt te reiken. Dat verwarrende woordgebruik! „Erfahrung ist in
keinem ihrer für sich gegebenen Bestandteile etwas schlechthin Reales”
zegt p. 20, en bedoelt de onloochenbare (Kantiaanse) waarheid:
individueel beleven is niet (Kantiaanse) „Erfahrung”, is niet... iets
objectiefs.—Het éne grote Kantiaanse begrip, dat Külpe ontbreekt (en
dat wel blijkens de negéring of zelfs bespotting, die het gewoonlik
ondervindt, héél moeilik schijnt te zijn), is dat van de
kennistheoretiese „mogelikheid”: („mögliche Erfahrung”)—en haar
subjekt! [263]
Külpe heeft groot gelijk (pp. 20/21) „die empirischen
Gesetzmässigkeiten der Naturwissenschaft”... „sind keine Beziehungen
zwischen Sinnesinhalten”, „Sinnesinhalte haben keine meilenweiten
Abstände und keine Lichtgeschwindigkeit, sie atmen und wachsen nicht”
enz. enz. Of op p. 9: „Die Planeten sind keine Empfindungen oder
Komplexe von solchen und die chemischen Elemente lassen sich
ebensowenig mit den Inhalten unserer Sinneswahrnehmung zur Deckung
bringen.”—Het is zelfs jammer, dat er nog „idealisten” zijn, tot wie de
Külpe’s zulke dingen kunnen en moeten zeggen en die zich niet ontzien,
„das grosse Wort von der Welt als unserer Vorstellung gelassen
auszusprechen” (p. 37).—Met Külpe, zij het op andere (immers niet
alleen empiries-realistiese, maar ook transcendentaal-idealistiese)
gronden, kom ik op tegen het ijdel schermen met dit grote woord. Als
het schijn-idealisties imitatorum pecus (ook ten onzent) Schopenhauer
napapegaait: „Die Welt ist meine Vorstellung”, zondigt het 3 maal in
énen tegen de kenniskritiek en tegen Schopenhauer’s wijsgerige
bedoeling:
1. Die „Welt” is niet de wereld (niet de werkelikheid, maar haar
phaenomeen, de natuur);
2. die „Vorstellung” is geen voorstelling (heeft met wiens voorstelling
ook omtrent de wereld niets te maken, maar is mogelike waarnemings- of
kennis-inhoud);
3. dat „meine” is niet van mij (of u; noch ik noch énig individu is
subjekt der natuur).
Ik heb in de tekst uitvoerig—en zo duidelik mogelik—uitééngezet, dat de
objekten geenszins individuele bewustzijnstoestanden zijn, maar
mogelijke waarnemingsinhouden („Sinnesinhalte”); dat de objectieve,
ruimtelike wereld „eine von Sinneswahrnehmung und Verstandestätigkeit
unabhängig bestehende Welt” (p. 39) is, als men bedoelt, de
Sinneswahrnehmung und Verstandestätigkeit van welk individu ook, maar
dat deze wereld (dus ook die der „Energie”, der „Elektronen und
Moleküle”, het heelal der astronomie zowel als het rijk der chemie)
geheel en al afhankelik is van möglicher „Sinneswahrnehmung und
Verstandestätigkeit”, louter een systeem van betrokkenheden op het
subjekt der natuur.—Besluit dus p. 34: „dass hier [in den
Realwissenschaften] eine grosse Mannigfaltigkeit von Realisierungen
ausgeübt wird, die die phänomenalistischen Schranken rücksichtslos
durchbrechen”, dan begrijpen wij tans, dat hier nergens de echte
phänomenalistischen Schranken doorbroken worden. Uw „realiseren” en dat
der ervaringswetenschappen, is slechts objectiveren, nooit en nergens
transcenderen.—En objectiveren doet elk verstandig, altans elk
Kantiaans, phaenomenalist.—„Nur wer an die Bestimmbarkeit einer realen
Natur glaubt” (p. 38)... maar bij u wil „real” zeggen „objectiv”... en
wie gelooft daaraan dan niet?
„Der Konszientialismus und Phänomenalismus haben ihre Mission mehr als
erfüllt”, zegt p. 39. Külpe zelf is een sprekend bewijs van het
tegendeel.—Want ook zijn natuur-realisme blijft een
dogmaties-metaphysies objectivisme, reeds wijl het objectieve voor hem
de werkelikheid betekent—en dus... dit objectieve weer als de
(transcendente) oorzaak der gewaarwordingen moet worden gedacht—al
mijdt Külpe, nourri dans le sérail, behoedzaam deze term, en naar hij
wil doen voorkomen zelfs deze opvatting, die de schijn zou wekken „als
wenn sich aus den subjectiven Wirkungen auf die Beschaffenheit der
objektiven Ursachen schliessen liesse” (p. 24). Dies spreekt hij zelf
van „die erzwingenden Faktoren” (der „erzwungenen Relationen der
Sinnesinhalte”) en van (de „Naturobjekte” als) „die Existenzbedingungen
für die realisierten Beziehungen, die aufgenötigten Veränderungen in
der Bewusstseinswirklichkeit.” „Das ist es, was wir meinen, wenn wir
sie als deren Träger bezeichnen.”! (pp. 27–28). Voortaan gewaagt hij
dus van „adäquaten Trägern” ... als hij die bovengenoemde „objektiven
Ursachen” der individuele ervaringen bedoelt!—Deze nu hebben als
zodanig voor hem de physiese (objectieve) eigenschappen.—Maar er
„bleibt freilich ein Spielraum für die Bestimmung dieser Träger”, we
hebben geen volledige objektenkennis, zodat „das Ziel der Realisierung
in der Unendlichkeit liegt” (p. 28) en dus... mag de metaphysica op die
Spielraum zich vermaken! Dat de echte metaphysica juist van de
objektseigenschappen en van heel het terrein der natuurobjekten heeft
af te blijven, uitsluitend geldt voor en zich bezig houdt met, het
transobjektieve, met het Reale of Substratum der objekten, met de
oorzaken dus en niet met de derivaten onzer gewaarwordingen, en dat dan
ook een metaphysiese theorie als b.v. het Psychisme, ’t zij van Fechner
of Berkeley, van Schopenhauer of van Heymans, heel iets anders is dan
uw naturalistiese Lückenbüsser, dan uw nog-niet-natuurwetenschappelik
asylum ignorantiae,—van dat alles zou uw Naturalisme alleen door
kennisleerverdieping begrip en inzicht kunnen krijgen.—Mocht het Külpe
alsnog gelukken, het terrein der kennisleer zelf even goed te leren
kennen, als hij het mooi heeft afgebakend van dat der natuurwetenschap,
zo in zijn slotzin, die ik met instemming citeer:
„Dort ist die Natur der Gegenstand, hier die Wissenschaft von ihr;
Erkenntnis wird dort geschaffen, hier bloss begriffen.”
Aan Külpe na verwant is de hem opgedragen „Einführung in die
Erkenntnistheorie” van Prof. Dr. August Messer, wiens zich „Kritischer
Realismus” noemend materie-realisme niet inziet, hoe het onverbiddelik,
juist ten aanzien van die „objectiven Reize” (p. 58), als een „das
Bewusstsein selbst Bedingendes” (Stumpf), impliceert „die naive
Ansicht, dass die Wahrnehmung ein lediglich passives Aufnehmen und
Abspiegeln der Dinge sei”, trots de „gewisse Aktivität”, die aan de
gewaarwording wordt toegekend, noch inziet hoe de ware
tegenstelling—productie of reproductie—miskend wordt door de bejegening
van het „rein subjectiv” der Idealisten met een „Es liegt ja doch nicht
in unserem Belieben....” etc. (p. 59).—Zo strijdt hij tegen de
windmolens van „Der subjective Idealismus” (Hoofdstuk 5), een leer, die
geen objekten, maar slechts voorstellingen van objekten zou erkennen
(staaltje: „Es existiert nicht Sonne und Mond, nicht Deutschland und
Amerika, nicht Kaiser und Papst, auch nicht das Papier, auf dem ich
hier schreibe, und nicht meine Hand, die da schreibt, sondern nur meine
Vorstellung von allem dem ist wirklich.” p. 67. Zulk een rampzalig
„idealist”, als Messer en consorten telkens te pakken hebben, kan ik
maar nooit te zien krijgen) en dicht aan de werkelike, echte
bewustzijnsimmanentie van al het gegevene, aan het „innerhalb unseres
Bewusstseins” (p. 74) de fout toe, „dass wir uns das Bewusstsein als
räumliche Sphäre versinnlichten”, al krabbelt hij weer half terug door
later (p. 84) te gewagen van „jener sozusagen [!] räumlichen Auffassung
des Bewusstseins”!—Ook door Messer wordt het „Bewusstsein überhaupt”
evenmin begrepen, als de daarvan afhankelike kennistheoretiese
„mogelikheid”; het wordt misduid tot subjekt van „alles, was Gegenstand
unseres Denkens und Wissens werden kann” (p. 80), waardoor elk inzicht
onmogelik wordt, hoe wèl de natuur, maar geenszins de geest afhankelik
is van het subject van mogelike waarneming, zodat wij t.o.v. „den
Unterschied zwischen Psychischem und Physischem” (ibid.) het dualisties
of materialisties realisme van een Messer of een Stumpf minder „gelijk
geven” dan wel weerleggen en daarmee verstoren Messer’s vredige waan,
dat trots die „subjectiviteit” der objecten, die afhankelikheid van het
„Bewusstsein überhaupt” .... „im Grunde alles beim alten bleibt; denn
im wirklichen Denken werden wir jenes ‚Vorzeichen’, da es ja allen
Gegenständen zukommen soll und mithin zu ihrer Unterscheidung nichts
beiträgt, einfach weglassen, und wir sind dann wieder beim Realismus.”
(p. 80/81). Denk- en voorstellings-„idealisten” moeten zich dat „wir”
laten welgevallen, Rickert en Münsterberg en Natorp, zo goed als heel
het idealisties-vertaalde, zich „immanent” of „empiriokrities” (bij
Verworn zelfs „Psychomonismus”!) noemende materialisme,—wij blijven er
buiten!