Een mislukking, soortgelijk en geestverwant aan die van Külpe, is ook

Messer’s kritiek op Kant, zijn „Kritik des Phänomenalismus” (Hoofdstuk

6, § 2) en daarbij zijn aanval op Kant’s „Problemstellung selbst”,

waaromtrent hier de vermelding volsta, dat de meetkunde voor Messer

weer eens analyties is, op vrije definities berust: „In letzter Linie

gründet sie also doch auf dem Satz des Widerspruchs”!

En wat ten slotte de laatst-behandelde richting betreft, „Der

transzendental-logische Idealismus” (Hoofdstuk 7) speciaal van Cohen,

Messer voelt zelf blijkbaar (p. 112/3 jo. 195) wel, dat deze eigenlik

buiten zijn denkbereik ligt. Op p. 111 b.v. vergeet hij al na enkele

regels, dat het subjekt der natuur een (inderdaad even „abstrakt” als

„onwerkelik”) „unpersönliches Bewusstsein” is, in plaats van „die

ionischen Naturphilosophen und Aristoteles, Ptolemäus und Kopernikus,

Galilei und Newton”, het universele subjekt immers van die onhandelbare

„waarnemingsmogelikheden”, waartoe Röntgenstralen en radium wel ter

dege behoorden, ook „ehe sie entdeckt wurden” (p. 112), dit subjekt,

dat het logiese prius is en blijft van de natuurdingen, die dus evenmin

„Begriffe” zijn (wat we hartgrondig „toegeven”) als „an sich

existierende Realitäten” (p. 112), onverschillig of „die Denkweise

unserer Naturforscher” dat „transcendentale” prius van hun objekten en

derzelver immanentie bij uitzondering eens bereikt en belijdt dan wel

naar de trant verwaarloost en verloochent.

Messer kan dus evenmin zijn lezers als zich zelf het dogmaties realisme

te boven brengen. Ja, het fundamentele kennisleer-probleem, de

anti-dogmatiese vraag naar recht en oorsprong juist van de synthetiese

„Voraussetzungen” aller wetenschap, wordt door Messer’s vrijwel

vóórkantiese onverdrotenheid totaal verdonkeremaand (vgk. nog pp.

36–39, b.v. dat onvergeeflike „nur eine Voraussetzung” van p. 38 en

„Wir mussen darum voraussetzen....” van p. 130!). Zulk een „Inleiding”

(in de Vjschr. f. wissensch. Philosophie u. Soziologie geprezen als

„die beste einführende Schrift in die Erkenntnistheorie, die Ref.

kennt”) is dan ook gevaarliker dan geen inleiding, te meer wanneer „sie

noch durch grosse Klarheit und Übersichtlichkeit hervorragt” en door

echt-wetenschappelike eenvoud en waarheidsliefde sympathie wekt.

42: p. 106. „Das Problem des Wirkens und die monistische

Weltanschauung.”.

W. is een type van het dualisties realisme, dat gedoemd is vóór Kant te

blijven staan,—met al de problemen en onoplosbaarheden van een

filosoferend niet-filosoof. Tegen psychisme en monisme (en dus tegen de

krities-parallelistiese bestrijding van de Wechselwirkung, van

„influxus” tussen physis en psyche), vooral tegen de object-immanentie,

vinden we hier het kenmerkend common-sense-misverstand. (Vgk. de noot,

p. 63 en 64:... „dass die Naturwissenschaft sich bloss [!] mit

Erscheinungen im Kantischen Sinne beschäftige” ... „diese

Interpretation ist eine gänzlich irrige; sie ist eine Verdrehung des

wahren Sinnes der naturwissenschaftlichen Forschung” ... „Denn die

Atome und ihre Bewegungen, die der Naturforscher den Erscheinungen als

ihre [!] Ursache zu Grunde legt, sind ja keine [!] Erscheinungen, keine

Thatsachen der Erfahrung, sondern gehören zur transcendenten, in der

Erfahrung nicht gegebenen, sondern mit ihr kausal zusammenhängenden

Sphäre des unabhängig vom Bewusstsein Seienden.” enz. enz., met

passende verwijzing naar Hartmann’s Kategorienlehre).

Er zijn 2 soort substanties, atomen en zielen.

Verhouding?—„Wechselwirkung” ... met ongeldigheid van het Prinzip der

Erhaltung der Energie... en „intensives” (statt „extensives”) Wirken

der Atome... („die Intensivität ist jedem Wirken” ... ook „als” het

extensieve er „bij komt” ... „eigentümlich”) ... een soort

„Innerlichkeit”, die toch zuiver ruimtelik, plaatselik in die

atoomsystemen gedacht is: (p. 143) „Auf Grund dieser Beziehung [sc.

rein intensiver Natur, van ziel tot hersenen] wird im betreffenden

dynamischen System der Atome ... eine bestimmte Veränderung

hervorgerufen, welche nunmehr durch die Wechselwirkung der Atome... in

der Form einer bestimmt gearteten Bewegung sich weiter fortsetzt.”

Al uw intensiteit helpt u dus geen zier. En de atomen zijn „die

materielle Grundlage” für das Seelenleben!—En die psychiese Substantie

ontstaat en vergaat, en leeft „in innigem Zusammenhang mit dem

organischen Körper” (wiens atomen onvergankelik zijn), welk ontstaan en

te niet gaan hem een van zijn talrijke, dogmatiese, „ignorabimus”

ontlokt.

Dualisties vitalisme naast en tegenover realisties mechanisme: p. 168:

„dass das Wesen der Lebensprocesse nicht auf mechanisch wirkenden,

sondern auf zweckwirkenden, planmässig ordnenden und gestaltenden

organischen Kräften beruht.”

Het is een ware verademing over al de zodanige „Unbegreiflichkeiten”

heen te zijn,... uitsluitend door die eenvoudige natuur- en

ruimte-kritiek. Zonder deze gaat het, zoals de onlangs overleden Möbius

ergens terecht opmerkt: „Zwischen der Absurdität des Materialismus

einerseits und der Absurdität des influxus physicus andererseits

schwankt heute die Masse der Gebildeten hin und her.”

43: p. 106. Van zijn ruimteleer volgen hier nog enkele specimina: p.

146 ss.: „Es giebt zwar in Wirklichkeit Körper, als räumlich

ausgedehnte Massen, aber diese Körper sind nicht Substanzen, im wahren,

ontologischen Sinne des Begriffs, sondern—was [?!] schon Leibniz gegen

Descartes vollkommen richtig betont hat—aus Substanzen, d.h. [?!] aus

Atomen, bestehende und zusammengesetzte Composita, und die Ausdehnung,

die Räumlichkeit ist nicht ein Attribut, eine dauernde Bestimmtheit

dieser Composita, sondern das Produkt aus den dynamischen

Wechselbeziehungen zwischen den Substanzen, welche die Körper

zusammensetzen, das Ergebnis der Relationen zwischen den bewegenden

Kräften der Atome. Den Atomen selbst, als den elementaren Bestandteilen

der Materie, kommt die Extension, die Räumlichkeit, nicht als

Bestimmung zu: die Atome sind unräumliche [!] Zentren bewegender Kräfte

und haben als Substanzen, als reale Mittelpunkte ein- und ausgehender

Wirkungen, mit dem Raume nichts zu thun.”

W. kan zich hier de portée van zijn eigen woorden niet bewust zijn.

Immers, òf hij bedoelt de atomen der natuurwetenschap, die, zelfs al

waren zij mathematiese punten, des neen, nog ruimtelik zouden zijn,

hoeveel te meer, nu zij afmetingen hebben, en die in elk geval ergens,

dus plaatselik, in de ruimte, worden gedacht, ook, zijns ondanks, door

W.—òf hij bedoelt iets als Leibniz’ monaden; die zijn onruimtelik,—maar

precies even on-physies, en nimmer elementen der.... materie.

W. bedoelt echter de gewone, zich bewegende, ergo ruimtelike atomen:

„Indem die Atome einander gegenseitig anziehen bezw. abstossen, also

sich bewegen, erzeugen sie durch diese gegenseitige Anziehung bezw.

Abstossung, also durch ihre Bewegung, die Extension, die Räumlichkeit,

als eine der beiden Formen, in welchen die Bewegung sich vollzieht. Aus

[!] der Wechselwirkung zwischen den bewegenden Kräften der Atome, aus

der gegenseitigen Attraktion bezw. Repulsion derselben, resultiert [!]

die Ausdehnung, der Raum. Denken wir uns, dass in Wirklichkeit nur ein

einziges Atom existiert, und denken wir uns dieses Atom als in Bewegung

begriffen [een kluifje voor een bewegingsrelativist! [264]],—eine

offenbare Fiktion, weil etwas derartiges in Wirklichkeit nicht

vorkommt—: so würde aus der Bewegung dieses Atoms kein wirklicher Raum

entstehen.”

Een beweging dus ... zonder ruimte, zonder plaatsverschil ... wie dat

denken kan, staat boven mijn bereik. Jammer dat W. ons de definitie van

deze „beweging” heeft onthouden.

Het wordt echter nog fraaier: er moeten, behalve afstotende ook

aantrekkende krachten zijn; immers anders „würden die Atome absolut

auseinanderfallen, ins Unendliche sich verflüchtigen, woraus kein

wirklicher Raum sich ergeben könnte, weil diese absolute Zerstreuung

seiender Substanzen einen offenbaren Widersinn bedeutet und in

Wirklichkeit gar nicht stattfinden kann.”

Einen offenbaren Widersinn zie ik alleen in een ruimteloos

„auseinanderfallen”.

... „Der wirkliche Raum ist nämlich ein erfüllter Raum; der leere Raum

ist nur eine Abstraktion und bedeutet nichts Wirkliches”. Dat de ledige

ruimte „nichts Wirkliches bedeutet”, voelt dus zelfs een ruimterealist.

Maar wie van een „gevulde ruimte” gewaagt, onderscheidt reeds eo ipso

het vulsel van ... de (ledige) ruimte! Maar van deze laatste wil nu

eenmaal dit realisme niet weten—omdat het er geen weg mee weet.

„Wo die Welt aufhört, wo es keine Substanzen giebt, die durch

Beziehungen zwischen ihren bewegenden Kräften die Extension erzeugen,

da hört auch der wirkliche Raum auf. Der leere Raum ist Nichts”...

Men erkent enkel „ruimtelikheid” als (reële) eigenschap van (reële)

beweging of lichamen, verhaspelt die met de ruimte zelf, van welke men

niet wil weten, vergetend dat deze, naar Kant’s 1e argument, reeds de

vooronderstelling, de bestaansvoorwaarde is van gene (zie boven de

tekst hieromtrent).

Dezelfde fout maakt de infra-Leibniziaanse (p. 79)

diepzinnig-materialistiese (pp. 94/5, 122/3, 125/6) quasi-criticus

Lachelier „Du Fondement de l’Induction” (voor wie, goeddogmaties, ’t

licht een duistere waarneming van beweging is! p. 57/8) op pp. 46 en

84, in „des termes ... empruntés à la langue de Kant”! (p. 82), het

enige helaas, wat hij van Kant geleend en geleerd heeft. De 3e afmeting

is „un produit spontané de notre pensée” ... „nous ne percevons ni

directement, ni indirectement, la profondeur: nous croyons simplement

qu’elle existe!” Grond? „parce que nous attribuons aux objets

extérieurs une existence absolue et indépendante de la nôtre.” (p.

152/3).

Dit geloof is z’n fundering waard.

Zijn „dialectique vivante” komt via idée, beauté, volonté, liberté,

l’être absolu, force, raison, spontanéité absolue, forme, finalité,

profondément, principes, déduction, définies à priori, acte absolu, la

pensée en elle-même, la vérité en soi,—le spiritualisme, la

métaphysique, la conscience intellectuelle, en soi et aux yeux de la

pure raison, causes finales, harmonie ... etc., tot een soort van „pure

affirmation de soi” ... en geeft op de koop toe „l’intuition des choses

en soi”! Een en ander, wel te verstaan, „à proprement parler”, „en

quelque sorte”, „pour ainsi parler”, „par manière de dire”! Vroom en

diep, om zo te zeggen, dat zoeken en tasten, als het ware! Maar ik haat

zulk zeggend niet-zeggen. Het ware heeft geen gevaarliker vijand dan

als het ware.

44: p. 111. Deze mijn uiteenzetting der laatste en volgende bladzijden

richt zich dus tevens, zover nodig, tegen Dr. Felix Gross, „‚Form’ und

‚Materie’ der transcendentalen Aesthetik” 1910, die, m.i. ten onrechte,

Kant denkt te verbeteren door specifieke ruimte- en tijdgewaarwordingen

aan te nemen, die tot de „Materie” des Erkennens zouden behoren,

terwijl de „Form” uitsluitend verstandswerk zou zijn (vgk. de volgende

noot aang. Hegel over Kant) en die, zeer zeker zonder recht, zijn

opvatting van de ruimte als zelve gewaarwording, ja zelfs gewaarwording

van ... beweging of van met beweging verbonden apperceptie,...

vereenzelvigt met Heymans’ leer van de ruimte als „vorm” van de

bewegingszin: p. 64/65:

... „die Raum- und Zeitempfindungen. Wir definierten sie oben als

unmittelbare Empfindungen einer physischen und psychischen Tätigkeit

des Verstandes. Alle Empfindungen und Gefühle werden vom Verstande

durch seine Apperzeption zu einer Anschauung verbunden; das Empfinden

dieser Apperzeptionstätigkeit ist die Zeit. Alle äusseren

Sinnesempfindungen werden vom Verstande durch eine Apperzeption zur

Anschauung verbunden, welche mit gewissen Muskelbewegungen verbunden

ist, die notwendig sind, diese Empfindungen zu ‚durchlaufen’ (man denke

nur an die Blickbewegungen!); die Empfindung dieser mit

Muskelbewegungen verbundenen Apperzeptionstätigkeit ist der Raum.” Op

p. 48/49 zelfs: „Wie die Raumempfindungen ein unmittelbares (wir wissen

noch nicht wie physiologisch vermitteltes) Gewahrwerden der

körperlichen (Bewegungs) Tätigkeit, so ist die Zeitempfindung ein

unmittelbares Gewahrwerden der geistigen Tätigkeit.”

Wanneer deze Dr. Gross nu op p. 50 verklaart: „Heymans steht in der

Frage des Raumes ganz dort wo ich stehe, in der Frage der Zeit scheint

er meine Theorie zu verlangen, ohne sie noch geben zu können”, dan

lijkt mij ook de eerste helft van deze zin ijdel... Gross-sprecherei.

45: p. 111. Reeds uit één zinnetje van de §§, die Hegel aan de

„Kritische Philosophie” wijdt, valt op te maken, hoeveel Hegel van

deze, dus van Kant, begrepen heeft: § 42 Zus. 3: „Seine [Kant’s]

Philosophie ist subjectiver Idealismus, insofern Ich (das erkennende

Subjekt) sowohl die Form als auch den Stoff des Erkennens liefere—jene

als denkend und diesen als empfindend!”

De volgende zin oordeelt nu: „Nach dem Inhalt dieses subjektiven

Idealismus ist in der That nicht die Hand umzukehren.” Blijkbaar kende

Hegel die „inhoud” slechts in even triviale misvatting als hij had van

Kant’s „subjectief idealisme”.

In § 48 wordt zelfs Kant’s even geniale als kritiese

antinomie-oplossing tot een trivialiteit verhegeld: „So tief dieser

Gesichtspunkt ist [sc. naar Hegel Kant „vertaalt” „dass der

Widerspruch, der am Vernünftigen durch die Verstandesbestimmungen

gesetzt wird, wesentlich und notwendig ist”], so trivial ist die

Auflösung; sie besteht nur in einer Zärtlichkeit für die weltlichen

Dinge. Das weltliche Wesen soll es nicht sein, welches den Makel des

Widerspruchs an ihm habe, sondern derselbe nur der denkenden Vernunft,

dem Wesen des Geistes zukommen.”

In welke verhouding Hegel tot Kant staat en Hegelarij tot Kriticisme,

speciaal ten aanzien der „antinomie”, het punctum saliens der

„dialektiek”, daarover te gelegener tijd zo nodig nader.

Hier volsta het volgende: Wanneer men weet, dat voor Kant alle

antinomie a.z. berust op de geldigheid van het principium

contradictionis et exclusi tertii, dat het bewijs, zowel van thesis als

van anti-thesis op dat beginsel gegrond is, dat de „Dialektik” voor

Kant dan ook, terecht, niets anders is dan een onvermijdelike maar

bedrieglike schijn, die hij als zodanig kenniskrities ontmaskert, om „zu

verhüten, dass er nicht betrüge” (een schijn dus, in z’n

onophefbaarheid en bedrieglikheid, maar theoretiese verklaarbaarheid

volkomen analoog aan de ruimte-illusie van een spiegelbeeld), een

schijn immers, „der selbst, wenn man nicht mehr durch ihn hintergangen

wird, noch immer täuscht, obschon nicht betrügt, und also zwar

unschädlich gemacht, aber niemals vertilgt werden kann.” (K. d. r. V.

p. 350);—wanneer men nagaat hoe voor Kant de „Ideen der reinen

Vernunft” „nur durch Missverstand und Unbehutsamkeit dialektisch

werden” (K. d. r. V. p. 527) en leest: „Denn darin besteht eben das

logische Merkmal der Unmöglichkeit eines Begriffs, dass unter desselben

Voraussetzung zwei widersprechende Sätze zugleich falsch [of waar] sein

würden, mithin, weil kein drittes zwischen ihnen gedacht werden kann,

durch jenen Begriff gar nichts gedacht wird.” (Proleg. § 52b) en

vervolgens (K. d. r. V. p. 412): „dass die obigen Beweise der

vierfachen Antinomie nicht Blendwerke, sondern gründlich waren, unter

der Voraussetzung nämlich: dass Erscheinungen oder eine Sinnenwelt die

sie insgesammt in sich begreift, Dinge an sich selbst wären. Der

Widerstreit der daraus gezogenen Sätze entdeckt aber, dass in der

Voraussetzung eine Falschheit liege”, zodat de antinomie tot indirect

bewijs en bevestiging wordt van de object-immanentie: „Man kann... aus

dieser Antinomie einen wahren... kritischen und doctrinalen Nutzen

ziehen: nämlich die transcendentale Idealität der Erscheinungen dadurch

indirect zu beweisen, wenn Jemand etwa an dem directen Beweise in der

transcendentalen Aesthetik nicht genug hätte”;—wanneer men dit alles

weet en bedenkt, dan begrijpt men, hoeveel Hegel’s bovengeciteerde

trivialiteit met Kant te maken heeft; hoeveel van Kant begrepen heeft,

wie schrijven durft (in diezelfde § 48, Zus.) „Gleichwohl [al zijn

Kant’s bewijzen „blosse Scheinbeweise”!] besitzt die Aufstellung dieser

Antinomien in sofern immer ein sehr wichtiges und anerkennenswertes

Resultat der kritischen Philosophie, als dadurch (wenn auch zunächst

nur subjectiv und unmittelbar) die thatsächliche Einheit jener

Bestimmungen ausgesprochen ist, welche vom Verstand in ihrer Trennung

festgehalten werden. So ist z.B. in der ersten der vorher erwähnten

kosmologischen Antinomien dies enthalten, dass der Raum und die Zeit

nicht nur als kontinuierlich, sondern auch als diskret zu betrachten

sind...” (natuurlik zijn ruimte en tijd voor Kant, als voor ieder

redelik mens, „quanta continua” en dus niet diskreet, vgk. K. d. r. V.

p. 165); dan vat men hoeveel Unverfrorenheit er nodig is om (in § 81

Zus. 1) leukweg op te merken: „In der neueren Zeit ist es vornehmlich

Kant gewesen, der die Dialektik wieder in Erinnerung gebracht und

dieselbe aufs Neue in ihre Würde eingesetzt hat, und zwar durch die

bereits (§ 48) besprochene Durchführung der sogenannten Antinomien der

Vernunft” ... en met hoeveel recht ten slotte zich op een Kant beroept,

wie die „bedrieglike schijn” voor de waarheid uitgeeft en de dialektiek

of „Logik des Scheins” als „methode” „gleichsam wie ein Organon zur

wirklichen Hervorbringung wenigstens des Blendwerks von objectiven

Behauptungen gebraucht”, een onderneming, waarvan ten volle geldt, wat

Kant opmerkt van de door hem gewraakte „dialektiek”, zij moet „auf

nichts als Geschwätzigkeit hinauslaufen, alles, was man will mit

einigem Schein zu behaupten, oder auch nach Belieben anzufechten.” (K.

d. r. V. p. 84).

Hier volge tevens een enkele opmerking over de bladzijden (988–1030),

die Kant zich moet laten welgevallen in Hegel’s Geschichte der

Philosophie (uitg. Bolland), bladzijden, die in schaamteloosheid van

oordeel zonder begrip zelfs bij Hegel—en dat wil wat zeggen, om met

Schopenhauer te spreken—hun weerga moeten zoeken, bladzijden waarover

zelfs een Hegel—a. b.—zich diep zou schamen, kon hij ze lezen.... in

het licht van Kantse kritiek.—Het lust mij niet, er meer dan de nodige

proefjes van te geven:

Beginnen we met de synth. oordelen a priori. Hegel ziet hier het

Kantisme als volgt (991): We „verlangen” algemeenheid en

noodwendigheid. Maar ze zijn „nicht in der ‚Wahrnehmung’ anzutreffen”,

niet „in den äusseren Dingen selbst ‚vorhanden’”. „Aber wenn nun

Allgemeinheit und Notwendigkeit nicht in den äusseren Dingen sind, so

ist die Frage: Wo sind sie zu finden? Hier sagt Kant dann gegen Hume,

sie müssen ‚a priori’ sein, d.h. [sic!] in der Vernunft selbst liegen,

in dem Denken [!] als selbstbewusster Vernunft; ihre Quelle sei das

Subject, ‚Ich’ in meinem Selbstbewusstsein”.—Zo is dan het objectieve

dogmatisme „der Verstandesmetaphysik” „nur in einen subjectiven

Dogmatismus, d.h. in ein Bewusstsein, in welchem dieselben endlichen

Verstandesbestimmungen bestehen, übersetzt”. En zo leutert dan p. 993:

„Das Denken nennt [!] Kant.... die synthesierende Tätigkeit, und er

stellt die Frage der Philosophie daher [!] auch so: ‚Wie sind

synthetische Urteile a priori möglich?’”... [let nu wel:] „Synthetische

Urteile a priori sind nichts anderes als ein ‚Zusammenhang des

Entgegengesetzten durch sich selbst’ [!], oder der absolute Begriff

[!], d.h. nicht durch Erfahrung, sondern durch das Denken [!] gegebene

‚Beziehungen unterschiedener Bestimmungen’, wie ‚Ursach und Wirkung’ u.

s. f. Ebenso [!] sind Raum und Zeit das Verbindende; sie sind also [!]

‚a priori’, d.h. [!] im Selbstbewusstsein.” Ge moet Kant en de

betekenis van zijn kritiese vraagstelling en oplossing begrijpen om te

beseffen, wat voor „kaf en draf” Hegel’s voorstelling maakt van Kant’s

wijsheid. Daar zegt hij dan van op de volgende pagina: „Die Idee, die

darin liegt, ist gross [zó groot, dat ze niet alleen Hegel’s bevatting,

maar heel de Hegelarij te boven gaat], erhält aber andererseits [van de

kant van Hegel nl.] wieder einen ganz gemeinen Sinn, denn die

Ausführung selbst bleibt innerhalb ganz roher, empirischer Ansichten

und kann auf nichts weniger Anspruch machen als auf

Wissenschaftlichkeit [!] der Form. Es ist ein Mangel an philosophischer

[!] Abstraction in der Darstellung vorhanden und in gemeinster Weise

gesprochen [volkomen juist], und von der barbarischen Terminologie

nicht weiter zu sprechen, bleibt Kant innerhalb der [!]

‚psychologischen’ Ansicht und ‚empirischen’ Manier [foei]

eingeschlossen.”

Op Kant’s door mij in de tekst verklaarde fijnkritiese opmerking „Der

Raum ist kein ‚empirischer Begriff’, der von äusseren Erfahrungen

abgezogen worden” antwoordt Hegel (997) plompverloren: „Ueberhaupt ist

aber der [!], ‚Begriff’ nichts ‚Empirisches’; in solchen barbarischen

Formen spricht Kant jedoch beständig.”—Wat volgt is van even hoog

gehalte, gelijk p. 958 van de meetkunde-axioma’s zowel als van de

rekenkundige stellingen doceert: „Alle diese Sätze sind jedoch ‚sehr

[meer of minder!] analytisch’[!]”. Echt-hegeliaans, dus echt-dogmaties,

methodies-onwetenschappelik, is dan het bekende verwijt op bl. 1001:

„Kant nimmt also die Kategorien empirisch auf, ohne daran zu denken,

aus der Einheit diese Unterschiede mit Notwendigkeit zu entwickeln.

Ebensowenig deduciert [!] Kant Raum und Zeit [zoals Hegel b.v. de 3

afmetingen der ruimte „aus der Natur des Begriffs” „deduciert” al is de

ruimte „seinem Begriffe nicht angemessen”, zodat „der Begriff des

Raumes selbst”.... „in der Materie sich Existenz verschafft”, gelijk

ook de beweging der planeten aldus „dialektisch” te deduceren is: „Ein

Planet steht jetzt an diesem Ort, ist aber an sich, dies auch an einem

anderen Ort zu sein, und bringt dies sein Anderssein zur Existenz

dadurch, dass er sich bewegt.” Dat is eerst het ware, wijze

bovenondervindelike „Verfahren”!]: sie sind gleichfalls aus der

Erfahrung ‚aufgenommen’—ein ganz unphilosophisches, unberechtigtes

Verfahren.” Onwijsgerige methode? Niet eens wijsbegeerte... die van

Kant, met haar „philisterhafte Vorstellung” (bl. 1028) die „von

‚unserem menschlichen’ Erkenntnisvermögen ausgeht”.... en met haar „Wir

erlernen nur Erscheinungen”, waardoor „unter den Menschen eitel Freude

gewesen, weil die Faulheit der Vernunft, gottlob, von allen

Anforderungen des Nachdenkens sich entbunden meinte, und nun, da das

Insichgehen, das in die Tiefe der Natur und des Geistes Steigen erspart

war [sic], es sich wohl sein lassen konnte.” Kortom.... „Trostlose Zeit

für dir Wahrheit, wo vorbei ist alle Metaphysik, und nur eine

Philosophie gilt, die keine ist!”—Maar het wordt nòg erger. Immers,

naar Prof. Hegel’s begrip bedeelt Kant’s filosofie, die geen filosofie

is, de geest, het hoogste, met.... „Zerrüttung, Verrücktheit in sich

selbst”! Gelooft gij ’t niet? Lees dan bl. 1011, over Kant’s

antinomie-oplossing (en zo voltooien wij de kringloop van deze

Opmerking over Hegel’s Kant-begrip!): „Kant zeigt hier jedoch zu viel

‚Zärtlichkeit’ für die—Dinge: es wäre ‚Schade’, wenn ‚sie’ sich

widersprächen; dass aber der Geist, das Höchste, der Widerspruch ist,

das soll ‚kein’ Schade sein. Der Widerspruch ist also von Kant gar

nicht aufgelöst, und da der Geist ihn auf sich nimmt, das

Widersprechende aber sich zerstört [juist], so ist der Geist

Zerrüttung, Verrücktheit in sich selbst.”

Na deze taal van Zerrüttung en Verrücktheit de „Widerspruch” van Kant’s

geest, Kant’s zuivere rede: „Die Ideen der reinen Vernunft können

nimmermehr an sich selbst dialektisch sein, sondern ihr blosser

Missbrauch muss es allein machen, dass uns von ihnen ein trüglicher

Schein entspringt; denn sie sind uns durch die Natur unserer Vernunft

aufgegeben und dieser oberste Gerichtshof aller Rechte und Ansprüche

unserer Speculation kann unmöglich selbst ursprüngliche Täuschungen und

Blendwerke enthalten.” (K. d. r. V. p. 520).

En hoffelik laat Kant aan zijn referent en docent Hegel het laatste

woord: „Die Pflicht, das Geschwätz zurückzuhalten, kann man überhaupt

sagen, ist eine wesentliche Bedingung für jede Bildung und jedes

Lernen; man muss damit anfangen, Gedanken Anderer auffassen zu können

und auf eigene Vorstellungen Verzicht zu leisten.” (Gesch. d. Philos.,

p. 157).

46: p. 114. Zo vindt men tegenwoordig soms in elementaire

natuurkundeboekjes ruimte en tijd eenvoudig even gedefinieerd als Form

des äusseren und des inneren Sinnes! De schrijver moest eens weten, wat

hij met deze termen (vooral die „innere Sinn”!) belijdt!

Een heerlik voorbeeld is de voorzichtige Prof. Felix Auerbach in z’n

keurig-oriënterend geschrift: „Die Grundbegriffe der modernen

Naturlehre” Hij is niet zo „radikal”, de vlinders der „sogenannten

Geisteswissenschaft” onder de hoed der „natuurwetenschap” te willen

vangen. Waarom niet?... omdat het „geradezu schädlich ist, Gebiete zu

annektieren, die man nicht mit Erfolg bewirtschaften kann, weil sie zu

weit abseits liegen oder weil man sich auf ihrem Boden nicht heimisch

fühlt... So wollen wir... uns beschränken auf die eigentliche... auf

die exakte Naturwissenschaft, d.h. auf dasjenige Gebiet resp.

diejenigen Erscheinungsformen, die auf einem sicheren Grunde ruhen [!],

deren treibende Prinzipien man exakt d.h. begriffsicher und

zahlenmässig angeben kann.”

Na deze van beschränkte exaktheid getuigende exakte Beschränkung (cf.

b.v. logica en wiskunde),—die op pag. 100 nog even dienst doet om met

kritiese (of kritieke?) voorzichtigheid de vóórmiddeleeuwse mogelikheid

open te houden van uit-niets-ontstaan en te-niet-gaan van materie: „Der

Satz von der Erhaltung des Stoffes... besagt: Vorgänge, bei denen etwa

Materie erschaffen oder vernichtet wird, gehören nicht in das Gebiet

der Naturwissenschaft...”! „Für den Naturforscher besteht sonach die

Welt [!] von jeher, sie wird stets bestehen bleiben immer mit derselben

Gesamtsumme von Materie; eine etwa früher [!] stattgehabte Erschaffung

der Welt und ebenso ein etwa bevorstehender Weltuntergang liegen

ausserhalb seines Arbeitsgebietes.”—na deze gebiedsafbakening dan zegt

Prof. op p. 3 met het onschuldigste gezicht van de wereld: „Unter allen

im Laufe der Jahrtausende von Philosophen gegebenen Definitionen von

Raum und Zeit sind für den Naturforscher zweifellos am brauchbarsten

[ik cursiveer voor de grap] diejenigen, welche von dem grossen

Königsberger Philosophen Immanuel Kant vor fast anderthalb

Jahrhunderten aufgestellt worden sind und welche lauten: Der Raum ist

die Form unserer äusseren Anschauung, die Zeit die Form unserer inneren

Anschauung [dus niet der äusseren?!]. Damit haben wir zwei unserer

fundamentalen Begriffe gewonnen: Raum und Zeit”...

„Damit” hebt ge alleen getoond, dat zelfs de wijsgerige termen behoren

tot die terreinen, waarvan uw woorden gelden „dass es nicht nur nutzlos

sondern geradezu schädlich ist, Gebiete zu annektieren, die man nicht

mit Erfolg bewirtschaften kann, weil sie zu weit abseits liegen oder

weil man sich auf ihrem Boden nicht heimisch fühlt”!

Ik ontken niet, en dat klokje zal Prof. hebben horen luiden, dat Kant’s

ruimteleer (de tijdkritiek staat boven deze kwestie) voor de

natuurwetenschap de bruikbaarste is... maar, o ironie, juist omdat zij

elke dualistiese inbreuk op natuurwetenschappelike beginselen (als de

behouds„wetten”) en dus heel Prof. Auerbach’s theologiserende

„voorzichtigheid” even onnodig als onmogelik maakt.

Hier verdient ook Ostwald’s Grundriss der Naturphilosophie, 1908, nog

een plaatsje, met zijn Tijd, „welche sachgemäss [prachtig!] als die

Anschauungsform des inneren Sinnes bezeichnet worden ist” (p. 85).

Hoe „sachgemäss” Ostwald’s begrip hier is, mogen de zinnen bewijzen,

die hij laat volgen: „Dass alle unsere Erlebnisse in der Zeit erfolgen,

ist ein Satz, welcher dasselbe besagt, wie dass unsere Denkvorgänge

eine linear geordnete Gruppe darstellen. Wie aus den oben gemachten

Bemerkungen hervorgeht, handelt es sich hier keineswegs um eine Form,

die absolut und für alle Zukunft unveränderlich ist; vielmehr haben

sich einige besonders hochentwickelte Menschen von ihr bereits frei zu

machen begonnen.” De tijd als een „vorm”, die verandert (in de tijd!),

en waarvan de „ontwikkeling” (in de tijd!)... bevrijdt,—kon ooit de

schrijver van een „Allgemeine Erkenntnistheorie” zich deerliker

blameren?

De auteur van dit in zijn soort—een deplorabel soort—verdienstelike

boekje kan uit zijn coma dogmaticum ten aanzien van causaliteit en

inductie door geen Hume, geen Kant worden gewekt, de man, die op p. 36

schrijft: „Die Hervorrufung und somit Begründung dieser Erwartung [sc:

„wenn A erlebt wird, so wird auch das Erleben von B erwartet”] liegt in

der Erinnerung an das Zusammenvorkommen beider Begriffe in früheren

Erlebnissen”..., die op p. 53 Kant’s kritiese vraag aldus

interpreteert, na gewaagd te hebben van de „Eindruck, als könnte man

aus einer Prämisse unbegrenzt viele unabhängige Resultate ableiten”:

„Kant hat die Sonderbarkeit einer solchen [?] Ansicht, die wesentlich

durch Euklids Darstellung der Geometrie ungemein verbreitet war,

lebhaft empfunden, und sie [!] in der berühmten Frage: wie sind

synthetische Urteile a priori möglich? zum Ausdrucke gebracht. Wir

haben gesehen, dass es sich überall nicht um Urteile a priori, sondern

um inductive Schlüsse mit deduktiver Anwendung und Prüfung handelt.”

Ten aanzien van logica en wiskunde vinden we dan ook hier slechts een

mengsel van sensualisme en empirisme, en ten aanzien van het geestelike

zijn bekend anti-mechanisties materialisme, dat hem, zich kerend tegen

de pogingen om „die geistige Welt der mechanischen anzuschliessen”, tot

deze blunder verleidt: „Von den verschiedenen Wendungen hat sich in

unserer Zeit vorwiegend die von Leibniz vorgeschlagene der

prästabilierten Harmonie erhalten, die [!] man gegenwärtig die Theorie

des psychophysischen Parallelismus nennt” (waarvoor Ostwald „den

Geschmack” zegt te missen!) en dat tussen het identiteitsmaterialisme

(p. 182: „Anpassung oder Erinnerung”, p. 188: „Dies nennen wir

bewusstes Denken, Wollen und Handeln”) en het psychophysies

materialisme blindelings heen en weer slingert, zelfs in één en

hetzelfde zinnetje, p. 188: „Denn wenn auch die Unmöglichkeit zugegeben

werden muss, das Denken mechanisch zu fassen, so besteht doch keine

Schwierigkeit, es energetisch zu fassen, zumal Denkarbeit bekanntlich

ebenso mit Energieverbrauch und Ermüdung verbunden ist, wie physische

Arbeit.”—Voor ons dus Ostwald ad acta.

47: 126. Dezelfde Hartmann, die de meetkunde-oordelen èn analyties èn

syntheties a posteriori èn syntheties a priori noemt.... bereidt ons

nog de verrassing, in z’n „Kategorienlehre” (pp. 238 ss.) en laatstelik

in de „Grundriss der Erkenntnislehre” („System der Philosophie im

Grundriss” I) van 1906 te laten drukken, p. 39: „Es gibt keinerlei

Urteile a priori, weder analytische noch synthetische; erstere nicht,

weil es keine Begriffe a priori gibt, aus deren Analyse sie deduziert

werden könnten [vgk. mijn bespreking van dit misverstand in opm. 6

tegenover Prof. Beysens], letztere schon darum nicht, weil es überhaupt

keine synthetischen Urteile gibt, weder apriorische noch

aposteriorische.”!

Hoe smaakt u die? zou Burgerhartje vragen. Nu nog op dit potje z’n

dekseltje: „Ein sogenanntes synthetisches Urteil ist ein solches, das

die Unvollständigkeit des mitgebrachten Subjektbegriffes durch

Hinzufügung des Prädikats vervollständigt und seine Unwahrheit [n.b.]

berichtigt; wahr ist ein solches Urteil nur in bezug auf den

vervollständigten Subjektbegriff, also [sic] als analytisches Urteil,

während es in bezug auf den mitgebrachten Subjektbegriff sich selbst

widerspricht [!], also als vermeintlich [!] synthetisches Urteil unwahr

[!] ist.”

De meetkunde-oordelen zijn dus vooreerst èn analyties èn syntheties a

posteriori èn synth. a priori, vervolgens nòch synth. a posteriori nòch

synth. of analyties a priori! Ze zijn mitsdien, o driedubbel

overgehaalde eenheid van tegendelen, behalve dit alles, eindelik,

horribile dictu, analyties a posteriori! Hartmann overtreft en

overtroeft dus nog in „redelikheid” zijn oud-leerling Bolland, die op

pp. 73/74 van „Het Verstand” (de plaats, waar hij Kant „ex professo”

behandelt, volgens z’n eigen Coll. Logic. p. 67) verkondigt, dat Kant

nooit heeft doorgedacht tot de voorgegeven (p. 62 ss.) diepten van

Bollandiaans „bedenksel”, „laat staan, dat hij helder zoude beseft

hebben, hoe het wezen van het oordeel zonder meer het wezen van het

synthetische oordeel blijkt, het ware oordeel a priori tevens het ware

oordeel a posteriori moet zijn” enz. Al kent men dat refrein, nochtans

verbijstert bijkans, zelfs van Bolland, de wijze waarop hij

Hegeliaans-blasphemiese wartaal ten beste geeft over Kant’s

tegenstellingen analyties—syntheties en apriori—aposteriori. Hij

vertelt dat Kant „eene ‚synthesis a posteriori’ eene zelfweerspreking

in de bewoordingen [had] kunnen noemen” (p. 64). [265] „En zijne [sc.

Kant’s!] opvatting der ‚synthetische oordeelen a priori’ is even

ondoordacht gebleven” (p. 65). Met even wijs als diep sensualisme wordt

tegen Kant als nieuw logies subject bedacht... de tastzin: „Het (voor

den tastzin betrekkelijk synthetische!) oordeel, dat een lichaam a.z.

uitgebreidheid heeft en deelbaar is” (p. 66–67)... „het (voor den

tastzin betrekkelijk analytische!) oordeel, dat een lichaam zwaarte

heeft” (p. 67)... „zelfs” de „Hegelbestrijder Trendelenburg” mag hier

meespreken tegen Kant: ‚Ieder oordeel is analytisch, doch ieder oordeel

is evenzeer synthetisch’ (p. 68)... „hoewel het Kantische denken nooit

heeft uitgesproken, of dan de aprioriteit in hare waarheid...

aposterioriteit moet heeten” (p. 67), enz. tot: „Zoover heeft Kant

nooit doorgedacht” enz.

Hier als in de eindeloze herhalingen in Coll. Log. is een waardig

leerling aan het woord van de Meester die zelf op de grote kritiese

vraag, Kant’s formidabele, onsterfelike vraag: hoe zijn synthetiese

oordelen a priori mogelik? het voor een Hegel vanzelfsprekend antwoord

gaf: „Synthetische oordeelen a priori... zijn door vanzelfsprekende

eenheid van ongelijkheden mogelijk”. Ça va sans dire. Ça ira, Ça ira!

Laat ons hier echter eens één dier sluikredenen van Prof. Bolland ter

verduistering van het onderscheid („den mächtigen Unterschied” zegt

Kant terecht) tussen synthetiese en analytiese oordelen betrappen op

heterdaad: Op p. 173 Coll. Log. lezen we: „wat ik a priori zeg, haal ik

uit het subject zelf [de vondst van Kant’s als „subjectivisme” gesmaad

en versmaad vorm-idealisme!]; dat is, het wordt analytisch gedacht.”

Dat is... voorbeeldige verhaspeling van subject (niet eens des

oordeels, maar des oordelens) en subjectbegrip. Immers, geenszins een

oordeel, dat ik uit het subject, uit subjectieve gegevens afleid, maar

uitsluitend een zodanig, welks gezegdebegrip ik uit het subjectbegrip

afleid, is in waarheid—naar kennistheoreties, en Kantiaans,

redebeleid—een analyties oordeel. Toch klonk het zo overtuigend, zo

vanzelfsprekend voor argeloos publiek, dat uit die „zelfontleding van

het subject” „het analytische van ons oordeelen” had te „blijken”!

Moraal: Keur de Hegelaars aan Kant.

48: p. 127. De lezer verbaze zich niet te zeer over deze

an-sich-naiveteit, van een beweging-an-sich, in een ruimte-an-sich naar

een bord-an-sich.—We weten nu eenmaal dat Hartmann het transindividuele

„transcendent” noemt, naar hij uitdrukkelik in z’n „Vorwort” tot het

„Grundproblem” zelf definieert:

„In terminologischer Hinsicht bemerke ich, dass ‚immanent’ hier nur

bedeutet: innerhalb der Sphäre meines Bewusstseins belegen,

‚transcendent’: jenseits der Sphäre meines Bewusstseins belegen,

‚transcendental’: auf ein Transcendentes bezogen, also ‚transcendentale

Idealität oder Realität’: Idealität oder Realität des Immanenten in

transcendentaler Hinsicht oder in Bezug auf das Transcendente

genommen.”

„Transcendental” wordt dus een vijgeblaadje voor „Transcendent”. Zo in

de „Terminologischen Vorbemerkungen” van de „Kritische Grundlegung” p.

12:

„Man kann allenfalls den Ausdruck objective Realität durch

transcendentale (oder transcendente) Realität ersetzen” enz.!

„Transcendenter Realismus” aldus had Hartmann zijn standpunt moeten

durven noemen—en hij had dan toch maar bedoeld Kant’s... „empirischer

Realismus”.

Maar met dit onderscheid, dat ook door Hartmann weer, als door elk

ander kennis-dogmaticus de ruimtedingen, de objecten als Dinge-an-sich

worden beschouwd, te weten: als oorzaak van gewaarwordingen! Zó naief

is Hartmann ten deze, dat hij zijn eigen dogmatisme vereenzelvigt met

de filosofie, niet eens kan denken, dat enig filosoof niet dezelfde

fout zou maken en met hem het objectieve houden voor het An-sich. Zo

zegt het „voorbeeldig geschrift”: „Das Grundproblem der

Erkenntnisstheorie” op p. 10/1:

„Der Philosoph, dem seine Frau die Suppe aufthut, zweifelt nicht daran,

dass es das Ding an sich seiner Frau sei, welches ihm das Ding an sich

der Suppe aufthut, und dadurch das Ding an sich seines Magens sättigt.

Der Philosoph, der einen stechenden Floh fängt und knickt, zweifelt

nicht daran, dass es das Ding an sich des Flohes sei, welches in das

Ding an sich seines Beines gestochen habe, und von dem Ding an sich

seiner Hand gefangen und zerdrückt sei. Beide sind überzeugt, dass es

kausale Beziehungen zwischen Dingen an sich sind, welche von innen

wahrgenommen werden; wenigstens handeln beide so, als ob sie diesen

Glauben hätten, auch wenn sie auf dem Katheder, oder in ihren Schriften

diesen Glauben verläugnen.”

Sinds Berkeley en Collier, Hume en Kant mogen we zeggen, dat in plaats

van elk filosoof geen filosoof deze praekritiese overtuiging meer heeft

gehad.

Juist deze overtuiging is een der eerste criteria, die dogmaticus en

filosoof scheidt. Van Berkeley’s en Kant’s grote kennistheoretiese

ontdekking, dat de transindividuele (Hartmann spreekt van

„transsubjective”) objecten niet transcendent (i.e. onafhankelik van

„mogelike waarneming”, iets anders dan Hartmann’s individuele

voorstelling!) zijn, maar immanent (i.e. een functie van en betrekking

tot het waarnemingsvermogen, geenszins naar de misvatting van Hartmann

en de Nederlandse Hartmannetjes: iets „individueels”, slechts

„voorstelling”!)—hiervan heeft Hartmann’s denken hoegenaamd niets

begrepen, zomin als ons Hegeliaans „idealisme”. Voor „immanent” in deze

zuiver kritiese zin zetten Kant c.s. ook „subjectiv” (= van

subjectiviteit, het „Subject überhaupt” afhankelik, geenszins =

individueel!) of „empirisch” of „objectiv” of „phaenomenal”, Hartmann

en dergelijken echter kennen en begrijpen dat „subjectieve”, de

„Erscheinung” slechts als iets individueels, dat staat tegenover het

objectieve! [266]

Als Hartmann dan behandelt „die subjective Erscheinung” van Kant,

betekent dit voor Kant „het transindividuele Object”, voor Hartmann:

„de individuele voorstelling”! (Het ongeluk wil, dat Kant zelf soms van

„Vorstellung” spreekt, in de ruime zin echter van de oude psychologie,

waarin het tevens gewaarwording en waarneming omvat!).

De „subjective Realität” van de tijd, de ruimte enz. betekent dus voor

Kant hun transindividuele realiteit! Zo komt Hartmann in de

grappig-droevige waan, dat Kant zou staan (p. 18 Kr. Grlg.) „auf dem

Boden einer naiv-realistischen Confusion von subjectiver [dus =

individueller] Vorstellungsrealität und transsubjectiver [bedoeld:

transindividueller] oder [!] transcendenter Seinsrealität.”

Al die resten „naief realisme” van... Kant staan dan weer, natuurlik,

„sämmtlich im eclatanten Widerspruch” tot Kant’s „idealistischen

Grundgedanken”. Maar deze „Widerspruch” komt weer alleen van Hartmann’s

illusionair-individualistiese misvatting van het „Idealisme” (een

„Idealisme”, waarvan Kant zelf de „Widerlegung” ondernomen heeft... en

dat door Berkeley bestreden en genoemd wordt... sceptical cant!),

waarvan Hartmann maakt een „idealistisch umgekrempelten naiven

Realismus” wijl het de gewaande consequentie van Solipsisme zou

verzaken voor de „naiven Glauben an eine mehr als subjective Realität

der subjectiven [lees: individuellen] Erscheinungen [lees:

Vorstellungen]” (p. 20).

Welneen, doceert Hartmann,... „da die anschaulichen wie die

begrifflichen Elemente der Erscheinung ebenso subjectiv sind wie die

Gesetze ihrer Verknüpfung, so ist und bleibt das ganze Gebiet der

Erscheinung subjectiv..., und jede Bemühung, ihm unmittelbar eine

darüber hinausgehende Realität zu sichern, ist ein stehen gebliebener

Rest von jenem Hypostasiren der Erscheinungen, das für den naiven

Realismus deshalb verzeihlich war” ... enz.... (p. 26).

„das ganze Gebiet der Erscheinung subjectiv”:

betekent dit (als bij Hartm.): das ganze Gebiet der individuellen

Vorstellung individuell, im einzelnen Subject, dan is het juist—zij ’t

ook een waarheid niet zozeer van Kant als wel van Monsieur de la

Palisse;

betekent het: das Gebiet der Objekte, der Natur, individuell, im

einzelnen Subjekt, dan is het fout en onkantiaans;

betekent het: das Gebiet der Objekte, der Natur, bedingt vom Subjekt

überhaupt (von der Subjektivität) dan is het juist en specifiek

Kantiaans en boven Hartmann’s begrip.

„Hypostasiren der Erscheinungen”:

betekent dit (als bij Hartmann): transcendent achten van

voorstellingen, dan fout en onkants;

transcendent achten van objecten, dan fout en onkants (en

Hartmanniaans);

objectiveren van voorstellingen, dan juist en Kantiaans;

objectiveren van objecten, dan zonder zin.

Zo moet men bij Hartmann altijd zijn Kanttermen vertalen in Kanttaal!

Nog één, voor H. vernietigend staaltje van dezelfde bladzij 26:

„Trotz des Misslingens aller unmittelbar gemeinten Versuche, eine mehr

als subjective [H. bedoelt: individuelle] Realität für die Erscheinung

[H. bedoelt de individuele gewaarwordingen] und ihre Formen

nachzuweisen, thut Kant aber doch immer so, als wenn dieselbe entweder

bewiesen wäre, oder aber sich von selbst verstände [Kant denkt zelfs

niet aan zo iets zinledigs]; denn die empirische Realität, welche er

von Zeit und Raum behauptet, will entschieden mehr sein als subjective

Realität (im Vorstellungsact), was solange ganz unzulässig ist, als

nicht die Möglichkeit eines transcendenten, nicht subjectiven [vertaal:

nicht individuellen], d.h. vom [individuellen!] Subject unabhängigen

Dinges (an sich) und einer nothwendigen, zugleich real seienden und

bewussten, Beziehung der Vorstellung auf dieses transcendente Ding

nachgewiesen ist...”

Kant’s leer van tijd en ruimte betekent nu juist de overwinning van

Hartmann’s tegenstelling: transcendent—individueel-subjectief. Tijd en

ruimte gelden transindividueel (Hartmann zegt: transsubjectief), voor

de wereld der objecten, die in haar geheel echter ... immanent is, en

functie van het waarnemingsvermogen met de bewustzijns„vormen” tijd en

ruimte, in z’n verhouding tot het transcendente, dat de

waarnemingsinhoud, de gewaarwordingen, bepaalt. Niets daarvan, noch

„vorm” noch „inhoud”, is als zodanig transcendent, d.i. onafhankelik

van mogelik denken en waarnemen. Dus Kant „wint” de objectieve, voor

elk subject noodwendig geldende realiteit van tijd en ruimte juist met

en door ... de immanentie der objectieve wereld.

Dit is de betekenis van het krities „idealisme” tegenover elk dogmaties

„realisme”. Maar hiervan mist Hartmann elk besef. Voor hem betekent het

„idealisme” in de grond alleen: misduiding der Binsenwahrheit, [267]

dat voorstellingen en denkbeelden individueel zijn en blijven, tot de

phrase der speculatief-„idealistiese” wanbegrijpers, dat de objectieve

wereld of zelfs het An-sich „slechts voorstelling” zou zijn! En dit

„idealisme” dan Kant aangewreven! Zo p. 36: „Diese einfache Wahrheit,

dass Alles, was ich vorzustellen vermag, durchaus nichts Anderes als

meine Vorstellung, was ich zu denken vermag, durchaus nichts Anderes

als mein Gedanke sein kann,—diese einfache Wahrheit ist der Urquell

alles subjectiven Idealismus; alle Begründungen für denselben sind

Firlefanzerei, ausser in soweit dieses Argument offener oder

versteckter in ihnen durchspielt und sie aus ihm ihre Kraft saugen.

Letzteres ist auch bei Kant’s Begründung der[!] Idealität von Raum,

Zeit und Kategorien der Fall; aber er ist fern davon, die ganze

Tragweite und die unerbittliche Consequenz dieses Princips einzusehen,

die ja noch heute viele seiner Anhänger nicht begreifen.” enz.

Voorts p.58: „Kant vergisst dies häufig [dat de

waarnemingstranscendente oorzaak der gewaarwordingen niet identiek is

met het immanent object,—dat vergeet Kant nooit, maar Hartmann kent het

verschil niet eens], und verwirrt beide, indem er behauptet, das

transcendentale Object [juist; maar dit betekent bij Hartmann ’t zelfde

als: das empirische Object; bij Kant lijkt het er niet op, betekent het

Ding an sich] sei selbst die intelligible Ursache der Erscheinung...,

während er doch, wie oben dargethan, selbst nachweist, dass niemals ein

Object [juist, in de echte immanente zin] Ursache der Erscheinung sein

könne, weil jedes Object (auch das transcendentale) [integendeel, heer

Hartmann, dit juist allerminst] nur Vorstellung ist [zeker, het

immanente Objekt is Vorstellung in de overruime zin van: complex van

mogelike gewaarwordingsinhouden], welche Empfindung schon voraussetzt.

Kant wird zu dieser Verwechselung einerseits durch seine stereotype

Verwirrung des Transcendenten und Transcendentalen [alleen in de

woorden, nooit als bij u, in het denken], und andererseits durch den

Irrthum getrieben, als ob dem empirischen Object ein transcendentales

Object zum Grunde läge (also eine Vorstellung der anderen)”... enz.

enz.

Dit „also” verraadt weer heel uw besefloosheid.

Kant bedoelt nu eenmaal met „transcendentales Object” niet wat gij met

uw „empirisches oder transcendentales Object” bedoelt, nl. iets

individueel-subjectiefs, en evenmin wat gij met uw transcendente dingen

bedoelt, nl. de natuur, maar juist het volstrekt onkenbare, niet alleen

niet voorgestelde, maar zelfs eeuwig onvoorstelbare Ding-an-sich. En

dat noemt een Hartmann ... Vorstellung! „Ondenkbaar” echter is dit

An-sich allerminst, integendeel, het is slechts denkbaar—en moet zelfs

worden gedacht, vandaar: „Intelligibile”.

Bij Kant verward woordgebruik, maar een correcte diepzinnige geest, bij

Hartmann correcte terminologie, maar verward banaal wanbegrip. Vandaar

Hartmann’s even gruwelik als consequent Kantkoeterwaals, dat hem zijn

individuele voorstellingen „transcendentale Objecte” doet noemen (p. 64

b.v.), terwijl ze nog niet eens empirische of Wahrnehmungsobjecte zijn,

of elders „subjective Erscheinung”, terwijl hij van het

kennistheoreties begrip „Erscheinung” = Object, dan zo weinig begrip

heeft dat hij ’t opvat als (p. 81 van Das Grundproblem) „die

hypostasierte und ins Jenseits des [!] Bewusstseins hinausprojicirte

subjektive Erscheinung”.... „ein geformtes Ding an sich [!] zwischen

dem formlosen Ding an sich und dem Bewusstseinsinhalt.”

„Wir [?] haben also zwei begrifflich verschiedene Erscheinungen, die

doch inhaltlich gleich sind und im Akt des Bewusstwerdens auch

numerisch identisch sind; wir haben zwei Dinge an sich statt eines”

enz., terwijl n.b. ’t ene, Hartmann’s „subjective Erscheinung” niets

dan een individuele bewustzijnsmodificatie, iets psychies is, en ’t

andere daarmee geen enkele eigenschap gemeen heeft (’t is

transindividueel, ruimtelik, physies, abstract) laat staan „numerisch

identisch” is, en van een Ding an sich hoegenaamd niets heeft, immers

geheel en al waarnemings- of bewustzijnsfunctie, dus immanent is, niet

in Hartmann’s lekenzin van „slechts voorstelling”, iets individueels,

of „van al of niet gedacht worden afhankelik”, of zelfs: „bloss

eingebildet” (p. 44 Kr. Glg.), of wat „nur zu sein scheint, aber nicht

ist” (p. 72), of „nur meine Hallucinationen”! (Grundprobl. p. 94), maar

in de kritiese zin van: betrokken op een subjekt-in-’t-algemeen.

Dat Hartmann van het „idealisme” hoegenaamd niets begrepen heeft,

blijkt op bijna elke bladzij, maar zij nog geïllustreerd met één enkel

zinnetje, p. 83 K. Glg.:

„Nach dem Idealismus lehrt uns die Naturwissenschaft nicht etwa, dass

das Ding an sich des Atoms A das Ding an sich des Atoms B im

quadratischen Verhältniss der Entfernung anziehe, sondern sie lehrt uns

nur, dass mein Begriff des Atoms A meinen Begriff des Atoms B im

quadratischen Verhältniss der Entfernung anziehe.”

Dat de natuurwetenschap, naar zuiver idealisties, zowel Berkeleyaans

als Kantiaans inzicht, precies evenmin met Hartmann’s of iemands

„begrip” van atomen, als met het An sich van atomen iets te maken

heeft, behoeft nu voor geen van mijn lezers meer enig betoog. Men

geniete de ironie van het zinnetje, dat Hartmann laat volgen: „Die

Naturforscher sind zu naive Denker, um solche Verhöhnung ihrer

Wissenschaft von Seiten einer verbohrten idealistischen Philosophie

auch nur für möglich zu halten, und verstehen deshalb [?] gar nicht,

was die [?] betreffenden Philosophen mit ihren idealistischen

Auseinandersetzungen eigentlich sagen wollen” ... Gelukkig zijn er, die

het altans beter verstaan dan Hartmann, wiens begrip van het idealisme

slechts geëvenaard wordt door het inzicht in z’n eigen waarde: (p. 94

Glg.) „Um ungestraft in die ganze Tiefe des Idealismus hinabzutauchen,

ohne für eine vernünftige Auffassung des Realen verloren zu gehen, dazu

gehört freilich, dass man die Zauberformel zur Ueberwindung des ganzen

idealistischen und illusionistischen Spuks besitze, und weil niemand

vor mir sich dieser klar bewusst war, darum konnte es bisher nur blinde

Realisten oder halbe Idealisten oder unklare Gemische beider

Standpunkte geben.”!

En ook hier is het weer de dogmatiese, dus reproductieve,

waarnemingsleer, die hem blind maakt voor het kriticisme.

Zo vinden we ten aanzien van de logica de dogmatiese verdubbeling in

Hoofdstuk VI (Grlg.) „Die Kategorien als Formen [!] des Dinges an

sich”; zo wordt b.v. p. 102 beweerd „dass die Dinge an sich in

denselben logischen Formen existiren, wie die Objecte gedacht werden”,

m.a.w. „die Conformität des Immanenten und Transcendenten hinsichtlich

der logischen Formen des Denkens und Daseins.” Vgk. in dezelfde geest

b.v. zijn „Grundriss der Erkenntnislehre” pp. 9, 116/7 en 192.

Daartegenover staat het krities inzicht, dat denkvormen, dus werkelike

„kategorieën” (Hartmann’s „Kategorienlehre” leeft uit een merkwaardige,

afzonderlik te behandelen, miskenning van heel dit begrip), als de

negatie, op geen denkbare wijze kunnen existiren—zonder denken.

Hartmann bedoelt hier ook eigenlik weer niets dan: overeenstemming

tussen de transindividuele (immanente) objekten en ... onze denkbeelden

omtrent deze objekten, een overeenstemming, die het kriticisme

natuurlik niet loochent, in tegendeel, juist fundeert!

In hoofdstuk VII komt dan de reproductieve dogmatiese waarnemingsleer

met haar „Räumlichkeit und Zeitlichkeit als Formen [!] des Dinges an

sich.”

Ik zie er hier nog van af, dat overal de ruimte, schoon in navolging

van Kant „Anschauungsform” genoemd, als (p. 111) „intellectuelle

Zuthat”, als „durch einen unbewussten Gedankenprocess hinzugedacht” (p.

109) wordt beschouwd, dus heel Kant’s inzicht in haar

niet-intellectuele natuur gemist wordt, de algemene fout der

Kant-verzakende Kant-epigonen. Op p. 112 houden wij „instinctiv”

„unsere Vorstellung für ein (im stereometrischen Sinne) ähnliches

Ebenbild der Dinge an sich” en „behält der Instinct Recht, dass die

Vorstellungsobjecte in räumlicher Hinsicht ähnliche Abbilder der Dinge

an sich sind.” „Hätte Kant mit der Unräumlichkeit der Dinge an sich

Recht, so wäre der äussere Sinn auf keinen Fall eine

Erkenntnissquelle.” [268]

Ziedaar weer ’t echt dogmaties begrip van „kennis”! Wij antwoorden:

Genau so viel, wie all unsre Sinne Erkenntnissquellen sind: der

Farbensinn, der Lautsinn, der Geruchssinn, der Geschmackssinn, der

Tastsinn, alles ohne... Farben an sich, Töne an sich, Weichheit an

sich.

Welneen, zegt Hartmann, „Auch dieser Einwand fällt bei näherer Prüfung

in sich zusammen.”

Immers... onze „kennis” van iets roods, b.v. het in philosophicis

veelverspreide zwavelkwik, bestaat niet in de wetenschap dat het rood

is, maar dat ’t als Ding an sich [!] een zekere Molecularbeschaffenheit

heeft, die [!] de transcendente oorzaak is onzer roodgewaarwordingen!

Heerlike petitio principii—met uw ongeëvenaard materie-dogmatisme:

„Denn neben der instinctiven Anschauung des rothen Zinnobers haben wir

nicht nur die unbestimmte Vorstellung von der correspondirenden,

ursächlichen Beschaffenheit in dem Ding an sich des Zinnobers, sondern

wir haben die ganz bestimmte Vorstellung, worin diese ursprüngliche

Beschaffenheit besteht, nämlich in einer solchen molecularen

Schichtung, dass nur Aetherwellen von etwa 0,0007mm Wellenlänge

reflectirt werden. Hierin ganz allein besteht unsere Erkenntniss von

dem Dinge, nicht darin, dass wir wissen, dass es uns roth erscheint,

ohne dabei etwas von den Ursachen dieser Wirkung zu ahnen.” (p. 113).

Men ziet, Hartmann’s „kennis” is er ene van hetzelfde wetenschappelik

allooi als van de „savants”, die de geest voor een zelfmiskenning der

hersenen houden!

En deze star dogmatiese reproductieleer—waarbij een ruimtelike

wereld-an-sich „in von uns a priori anzugebenden formal-logischen

Beziehungen sich bewegt” en „theilweise vermittelst der

Sinnesempfindung in unserem Intellect ein ihr mehr oder minder

stereometrisch ähnliches Abbild [269] hervorruft” (p. 137)—, die nog

niet in de schaduw kan staan van Berkeley’s kritiek, geeft zich zelf

hier uit voor „die besonnene kritische Forschung”, „Eine Sichtung und

Fortbildung der erkenntnisstheoretischen Principien Kant’s.” In zijn

„Phänomenologische Durchwanderung der möglichen

erkenntnisstheoretischen Standpunkte” in de 2e (der 3) Afdeling(en),

waarin „Der transcendentale Idealismus” in dezelfde

Hartmann-caricaturen wordt vertoond en gehoond, lezen we op p. 72, na

de bekende deun „der transcendentale Idealismus lehrt uns, dass wir im

Leben nicht wachen, sondern träumen” [270] (inderdaad, wel moogt ge

spreken van „Traumillusionismus”!):

„Wenn wir die Gesichts- oder Tast-empfindungen wegen der

zweidimensionalen stetigen Abstufung ihrer Lokalzeichen räumlich

ausbreiten, so thun wir das nicht, um mit Raumanschauungen ohne

transcendentale Realität zu spielen, sondern in der instinktiven

Zuversicht, so die räumlichen Lagenverhältnisse der uns afficirenden

Theile des Dinges an sich abbildlich zu reproduciren und repräsentativ

zu erfassen. Wenn wir die Flächenanschauung in die dritte Dimension

hinausprojiciren, so thun wir dies abermals durchaus in der Zuversicht,

die räumliche Stellung des uns afficirenden Dinges an sich zu dem Ding

an sich unsres Leibes durch ein adäquates Bewusstseinsabbild zu

begreifen.”

Precies,... evenals wij de kleuren produceren om de Farben-an-sich

„abbildlich zu reproduciren und repräsentativ zu erfassen”!

Zo culmineert zijn „transcendentaler Realismus” op p. 121 „in der

Aehnlichkeit, welche die raumzeitliche Reproduktion für’s Bewusstsein

mit dem raumzeitlichen Ding an sich erlangt”!

In twee woorden: Vóórkrities dogmatisme.

49: p. 136. Vergelijk O. Liebmann, Zur Analysis der Wirklichkeit, p. 41

(in het artikel dat de reeds onkantse titel draagt: „Phaenomenalität

des Raumes”): „Derselbe galvanische Strom wird durch die Zunge als

saurer Geschmack, durch das Auge als rother oder blauer Lichtstreifen,

durch die Hautnerven als Kitzel, durch das Gehör als Schall

empfunden.”!

Niet alleen dit ongelukkige zinnetje, maar (onder meer) heel deze

passus pp. 154–156 van de Heer Bolland is voor eigen werk uitgegeven

vertaalsel, nagenoeg letterlik plagiaat van Liebmann, wiens

Spinozisties getinte „empirischer Materialismus” ook elders dezelfde

fouten begaat (zie onder en opm. 38):

Bolland, p. 154 ss: Liebmann, p. 40 ss:

... „de uitkomsten der natuurkunde „Das physiologische Complement,

die zooals men weet [altans weten dieser physikalischen Lehren

kan met Liebmann in de hand] haar bildet Johannes Müllers berühmtes

physiologisch complement vinden in Theorem von den specifischen

het theorema van Johannes Müller Energieen der Sinne, welches auf

aangaande de specifieke vermogens dem festen Boden vielfältiger

der zintuigen. Op den vasten bodem physiologischer Experimente und

van talrijke physiologische pathologischer Erfahrungen

proeven en pathologische beruhend, durch vollständige

waarnemingen constateert men in Induction gewonnen, die Wahrheit

dit theorema het volgende als jener Cartesianischen und

inductief-empirisch verworvene Lockeschen Behauptung über jeden

uitkomst. Ten eerste worden geheel Zweifel erhebt. Zweierlei nämlich

verschillende werkingen op de ist empirisch constatirt. Erstens,

zintuigen enz.... dass völlig disparate Sinnesreize

etc....

„Zoo bespeurt men ...

„So empfindet man ...

„Desgelijks bespeurt ...

„Ebenso empfindet ...

„Van den anderen kant ...

„Auf der andern Seite ...

„Een en dezelfde galvanische

stroom ... „Derselbe galvanische Strom ...

„Onze gezamenlijke zintuigen „Die Gesammtheit unsrer Sinne ist

vormen om zoo te zeggen eene soort gleichsam die Claviatur, auf der

van klavier, waarop door de die Aussenwelt spielt ... etc.”

buitenwereld wordt gespeeld ...

enz.”

Vgk. ook Dr. H. W. Ph. E. v. d. Bergh van Eysinga in zijn

„Levensbeschouwing” p. 49: „Een elektrische stroom is licht voor ’t

oog, pijn voor de huid, geluid voor ’t oor, smaak voor de tong, en kan

nooit voor die verschillende zintuigen iets anders zijn.”!—Zo wordt het

naief realisme t.a.v. Locke’s „secundaire” hoedanigheden bestreden door

... Locke’s naief realisme omtrent de „primaire” eigenschappen van een

gewaarwordingveroorzakend ... natuurding! Bij Liebmann zelf vinden we

nog (op p. 528, noot, „Z. A. d. W.”): „Das Denken äussert sich hier als

ein gleichzeitig materieller und psychologischer Vorgang. Vielleicht

ist es seinem Wesen nach etwas Neutrales, das in doppelter

Erscheinungsweise auftritt; etwa so, wie dieselben Aetherschwingungen

einerseits dem Auge als Licht, andrerseits dem Tastsinn als Wärme

erscheinen.”

Prof. M. Verworn, een van die moderne gewaarwordings„monisten” als

Ziehen, Petzoldt, Mach, wiens half materialistiese, half dualistiese

waarnemingsleer in de hersenen blijft steken, laat in zijn „Mechanik

des Geisteslebens” diezelfde bovenbesproken elektriese stroom optreden

als Proteus der zintuigen, om te bewijzen dat voor zijn „konditionale

Betrachtungsweise der Dinge” de werkelikheid slechts uit betrekkingen

bestaat... zonder betrokkenheden! Via Verworn (hem en heel die

belangrijke moderne positivistenrichting behandel ik in een afzonderlik

geschrift wel nader) is diezelfde elektriese stroom nu pas weder ons

land binnengeleid door § 4 der „Hoofdtrekken eener filosofie van het

menschelijk kenvermogen” van M. Greeve (p. 348 van Toekomst-Moraal,

1910).

50: p. 137. ’t Is telkens als een echo van Schopenhauer’s

Kantvermaterialisering, die de „Kritik der Vernunft” noemt de „Kritik

der Gehirnfunktionen”, de „Erfahrungswelt”, de natuur, een:

„Gehirnphänomen” (dat wordt dus een Phänomen-phänomen!), evenzo van

„Gehirnanschauung” spreekt, en op p. 66, Satz vom Grunde (Grisebach

III), dan ook schrijft: „Denn die Empfindung jeder Art ist und bleibt

ein Vorgang im Organismus selbst, als solcher aber auf das Gebiet

unterhalb der Haut beschränkt” enz. (cf. p. 114 en passim; speciaal §

22, heel Schopenhauer’s realistiese conceptie van het lichaam als

„unmittelbares Object”, ten onzent terug te vinden in de

waarnemingsleer van P. Bierens de Haan’s naargeestig-dogmatiese

Hoofdlijnen eener Psychologie met metaphysischen grondslag, 1898, p. 16

ss.). Zo beroemt er zich S. op: „Ich habe demgemäss es geradezu

ausgesprochen, [!] dass jene Formen der Antheil des Gehirns an der

Anschauung sind, wie die specifischen Sinnesempfindungen der der

respectiven Sinnesorgane” (IV. p. 107) en in de noot aldaar: „Wie unser

Auge es ist, welches Grün, Roth und Blau hervorbringt, so ist es unser

Gehirn, welches Zeit, Raum und Kausalität, (deren objectivirtes

Abstraktum die Materie ist) hervorbringt.—Meine Anschauung eines

Körpers im Raum ist das Produkt meiner Sinnes- und Gehirn-Funktion mit

x”.

Dat wie—so wordt dus voor ons: Zo min (het een)—als (het ander). Evenzo

passim b.v. Kritik der Kantischen Philosophie, p. 535, V p. 155; of II

p.222: „Was ist Vorstellung? Ein sehr komplicirter physiologischer

Vorgang im Gehirne eines Thieres, dessen Resultat das Bewusstsein eines

Bildes ebendaselbst ist” of p. 232 „Denn der Intellekt ist so

vergänglich wie das Gehirn, dessen Produkt oder vielmehr Aktion er

ist.”

Ook elders (p. 245, 247) heet het intellect „nur eine somatische

Funktion”, „ein Secundäres und Physisches” „der Vis inertiae

unterworfen” [!]. IV, p. 63 „dass jedes Denken eine physiologische

Funktion des Gehirns ist, eben wie das Verdauen eine des Magens”, of II

p. 287 „wie das Greifen Funktion der Hand”!

Verbijsterend wordt de verwarring op een p. 303, waar het lichaam

alleen ... in de hersenen bestaat „als ein räumlich Ausgedehntes und

sich in der Zeit Bewegendes nur mittelst der Funktionen des Gehirns,

also nur in diesem, existirt. Was hingegen erkennt, was jene

Vorstellung hat, ist das Gehirn, welches jedoch sich selbst nicht

erkennt, sondern nur [!] als Intellekt, d.h. als Erkennendes, also nur

subjectiv sich [!] seiner [!] bewusst wird.”

De hersenen kennen! zich! als ... intellect!

Terwijl het intellect, het kennend subject, op p. 325 „im Grunde

tertiär” heet „weil es den Organismus voraussetzt [i. pl. v.

omgekeerd!], dieser aber den Willen”—is weer op p. 334 het Gehirn

Erscheinung van het intellekt: en elders weer (b.v. p. 303) van de wil

zelf, sc. „der Wille zu erkennen, objektiv angeschaut, ist das Gehirn.”

Die 3 concepties warren bij Schopenhauer dooréén, al blijft wel z’n

grondgedachte: hersenen objectiteit (= phaenomeen) van intellect, zie

II c. 22; c. 20, p. 286, in strijd met p. 287 „Objective Ansicht des

Intellekts.” „Physiologies gesproken” (een geliefd stopwoord van

realisten die het niet willen zijn) is er nu eenmaal nòch subject nòch

intellect, en Kant heeft er zich wel voor gehoed, wanneer hij

kennistheoretiese waarden bedoelt,... physiologies te spreken! Immers

alleen daardoor ontstaat die onzinnige „introjectie”: heel de

ruimtewereld, met de oneindige wereldruimte erbij, bevindt zich in...

de hersenen; of is een ... hersenprodukt!; evenzo Schopenhauer’s waan,

„dass man berechtigt ist, zu behaupten, die ganze objective Welt, so

gränzenlos im Raum, so unendlich in der Zeit,... sei eigentlich nur

eine gewisse Bewegung oder Affektion der Breimasse im Hirnschädel” (II,

p. 319) of p. 322: dat das Gehirn... „die Form des Raumes

hervorbringt”! of ibid., wel is de voorstelling prius van de physis

(het lichaam), maar „andererseits setzt die Vorstellung eben so sehr

den Leib voraus, da sie nur durch die Funktion eines Organs desselben

entsteht.” Zo p. 323: Ook het Selbstbewusstsein „durch das Gehirn und

seine Funktionen bedingt”, zelfs: p. 324 „Dieser Brennpunkt der

gesammten Gehirnthätigkeit ist [!] Das, was Kant die synthetische

Einheit der Apperception nannte,” een „untheilbarer Punkt”!

Dan p. 334: „So hat Kant ... Raum, Zeit und Kausalität, als

Gehirnfunktion nachgewiesen; wenngleich er dieses physiologischen

Ausdrucks sich enthalten hat” ... und dieses physiologischen

Ungedankens!

Zo II, 16 („Zur idealistischen Grundansicht”) „dies [!] hat Kant

ausführlich und gründlich dargethan; nur [!] dass er nicht das Gehirn

nennt, sondern sagt ‚das Erkenntnissvermögen’.” Nur!—Kant heeft evenmin

gedacht als gezegd: „Es ist eben so wahr, dass das Erkennende ein

Produkt der Materie sei, als dass die Materie eine blosse Vorstellung

des Erkennenden sei, aber es ist auch eben so einseitig.” Vergelijk in

dezelfde geest: II p. 21 of p. 23, „dass auch das Subjekt als solches

durch das Objekt bedingt ist” of p. 25.

Volgens V, p. 53 zouden zelfs „die so genauen und richtig zutreffenden

astronomischen Berechnungen” „nur dadurch möglich” zijn „dass der Raum

eigentlich in unserm Kopf ist” en luidt het van hem, die deze wereld

als „ein blosses Gehirnphänomen [!] auffasst”: „Dass der Kopf im Raume

sei, hält ihn nicht ab, einzusehn, dass der Raum doch nur im Kopfe

ist.”!

Op Schopenhauer’s physiologies vooroordeel berust ook zijn foutief

gebruik van het woord „cerebraal” voor intellectueel, verstandelik (dat

ook in de Nederlandse kunstkritiek gaat binnendringen), cf. IV 260

„intellektual, d.h. (objectiv ausgedrückt) cerebral”. Een vooroordeel,

immers gemoedsleven, gevoel en geniale intuïtie, zijn physiologies even

„cerebraal” als ... het bewuste denken.

51: p. 138. Vergelijk nog Bolland, Wereldraadsel, p. 259 (Intreerede):

„Verandering is en blijft voor ons het volstrekte Apriori”! met Kant te

dezer plaatse:

„Ebenso kann die transcendentale Aesthetik nicht den Begriff der

Veränderung unter ihre Data apriori zählen: denn die Zeit selbst

verändert sich nicht, sondern etwas das in der Zeit ist. Also wird dazu

die Wahrnehmung von irgend einem Dasein, und der Succession seiner

Bestimmungen, mithin Erfahrung erfordert.”

Welk een verschil in ernst en bezonnenheid!

Het is dan ook niet te dulden, dat juist deze doldrieste dogmaticus

zich in deze zelfde rede, op p. 268 in een noot de volgende aanmerking

veroorlooft op een kriticus, zó schroomvol (Windelband zou met Liebmann

zeggen „keusch”) als Prof. Heymans:

„Onvoorzichtig daarom en vol aanleiding tot misverstand is de volgende

uitspraak van mijn hooggeachten ambtgenoot te Groningen: ‚Het is in

hooge mate waarschijnlijk, dat zich alle natuurverschijnselen,

physiologische, chemische en physische, tot mechanische laten

terugbrengen’ (Prof. G. Heymans, ‚De Gids’ van April 1896, blz. 94).

Zelfs objective is dit niet eens toe te geven; vgl. bijv. W. Ostwald

over ‚die Ueberwindung des wissenschaftlichen Materialismus’ (Leipzig

1895)”.

Dit staat als noot bij Prof. Bolland’s zinsnede:

„Het leven der Natuur is echter rijker dan de objectief visionaire

puntenwarreling, waarin velen nog het Al zouden willen zien, doch

waarin alles tot uitwendige verhouding is geworden, zonder gevoel of

innerlijkheid; heeft de mechanistische natuuropvatting als methóde haar

goed recht van bestaan, als theorie is zij eene bekrompene, eene plat

eenzijdige dwaasheid.”

Aan „eene bekrompene enz. dwaasheid”, Prof. Bolland, maakt zich in deze

slechts hij schuldig, die als gij, met natuur (of zelfs Natuur) bedoelt

een deel der concrete Werkelikheid, niet hij, die, als Prof. Heymans,

begrijpt dat de Natuur, het object van physiologie en physica, slechts

Phaenomeen is en de concrete Werkelikheid evenmin mechanies als

ruimtelik!

Heerlike ironie, dat Prof. Bolland in deze quasi-anti-materialistiese,

maar zijns ondanks juist naturalistiese passus, de immaterialist

Heymans verwijst naar ... de materialist Ostwald!

In zijn zg. „Zuivere Rede” (en nogmaals Coll. Log. pp. 880–885)

herhaalt Prof. B. (p. 186, 2e dr. 224) dezelfde aanmerking. Prof. B. is

in 1904 (1909) nog ten deze niet wijzer, wel grover geworden, laat nu

zijn „vrienden der wijsheid” verbaasd staan, dat „Het dogma van de

‚mechanische verklaarbaarheid’ der werkelijkheid [n.b.]” wordt

verkondigd door „de hoogleeraar der... wijsbegeerte Heymans”. De

stippels zijn van Prof. Bolland. Rideamus! [271]

Prof. B. is goedig genoeg om op p. 9 (52) letterlik te verklaren, dat

voor hem Heymans’ „alle natuurverschijnselen” betekent: „alles,

letterlijk alles”. Waarvan akte.

Deze tegen Heymans gerichte pagina’s (8 en vv., 2e dr. 51 ss.) bewijzen

slechts dat ook Heymans, als Kant, hoog boven Prof. Bolland’s bereik en

begrip staat. Ze zijn, weloverwogen, niets dan een armzalig poginkje,

tegen Heymans’ superioriteit, bij oningewijde dus argeloze lezers de

schijn van „dogmatisme”, „ondoordachtheid”, „bevooroordeeldheid” te

wekken, door een uit z’n verband gerukt of zelfs een vervalst citaatje.

De aard dezer vervalsing verdient nadere toelichting:

Prof. Bolland citeert, p. 8 (52), uit Heymans’ „Gesetze u. Elemente des

wissenschaftlichen Denkens”: „De apodicticiteit der logische wetten, in

den zin, waarin zij daaraan feitelijk wordt toegeschreven, levert geen

nieuw probleem op.” En in een noot op die „apodicticiteit” voegt hij er

bij: „‚Apodeixis’ beteekent bewijs, doch bedoeld is hier eene

‚volstrekte’ geldigheid van algemeene bijzonderheden of

‚betrekkelijkheden’, waartegen geen verstandig bezwaar kan rijzen in

logisch ... dogmatisme.”

Reeds deze noot geeft een even ware als waardige voorstelling voor

ieder die weet, dat Heymans met apodicticiteit niets anders bedoelt,

dan enerzijds een feit, een gegeven psychies en psychologies feit van

het denken, dus „nicht etwas zu Beweisendes, sondern Gegenstand der

unmittelbarsten, inneren Wahrnehmung” (men bestudere § 22) en

anderzijds een probleem, waarvan de zuiver logiese oplossing wordt

gezocht (men bestudere heel Heymans’ meesterwerk).

De geciteerde zin zelf echter luidt bij Heymans als volgt, op p. 101:

„Die Apodiktizität der logischen Gesetze in dem Sinne, in welchem sie

denselben tatsächlich zugeschrieben wird, bietet also [ik cursiveer wat

Bolland schrapte] kein neues Problem”...

Also... want deze zin is de slotsom, de conclusie, van heel een §,

genaamd „Die apodiktische Gewissheit der logischen Gesetze”, gewijd

speciaal aan de vraag, of deze nog een nieuw probleem oplevert, nadat

het logiese probleem (sc. de geldigheid a-priori der denkwetten, dus

van het principium contradictionis en exclusi tertii, voor alle

mogelike werkelikheid) is opgelost; diezelfde zin luidt dan ook verder:

„sie ist in der Anwendung der logischen Gesetze auf die Wirklichkeit,

welche wir im vorigen Paragraphen zu erklären versucht haben, mit

einbegriffen”! Aan het logiese probleem zelf, waarom alles „niet iets

anders” is dan wat het is, zijn dan reeds, voorzover het de feiten van

het denken betreft, de §§ 14–20 en voor de verklaring dier feiten de

niet minder magistrale §§ 21–24 gewijd, welke laatste § „die Lösung des

Problems” heeft geboden.

Maar Prof. Bolland zegt op p. 9 (53): „Zoo is ook bij Prof. Heymans om

te beginnen alles datgene wat het is, en niet iets anders, wat zoozeer

in de rede heet te liggen, dat het niet eens problemen medebrengt” ...

hier gaat de vervalsing nog een graad verder: Van de conclusie „also

kein neues Problem” werd op p. 8 (evenals explicite op p. 32 van „Het

Verstand”) gemaakt de bewering zonder meer: „geen nieuw probleem”, en

op pag. 9 reeds het dogma: „niet eens problemen”...

Zo is op p. 11 (55) ridder Bolland waar hij wezen wilde: „Wie met

vooropgestelde ‚waarheden’ begint, waarheden, die op hare wijze niet

eens problemen medebrengen, begint met eene zekerheid zonder twijfel,

die niet de zekerheid is der doordachtheid en wijsheid; wie met

‚axiomen’ begint, begint met vooronderstellingen, die als vóóroordeelen

van vooróórdeelen ongescheiden onderscheiden zijn.” enz. enz.

Verslagen ligt Heymans en zijn werk van ± 500 gedegen pagina’s,

uitsluitend gewijd aan... de kritiek der wetenschappelike axioma’s en

hun apodicticiteit; bladzijden, die elk zonder onderscheid kritieser

bezinning, dieper inzicht, bezonkener wijsheid, zuiverder begrip en

vromer waarheidszin bevatten, dan voor enig Hegeliaan als zodanig ooit

bereikbaar is, laat staan voor zulk een Hegeliaan.

En in 1910 heeft Prof. Bolland in een pamflet blijkbaar niets beters

tegen Heymans’ boek en deszelfs „betrekkelijke onbenulligheid” aan te

voeren dan ... Prof. Bolland’s vervalsing, voor hem van genoeg belang

om ze te herhalen op pag. 20/21 van „Het Antwoord”: „evidentie van

datgene, welks ‚apodicticiteit’ bij Heymans elders geen probleem heet

op te leveren”!

Ik vermoed dat Heymans zelf, in zijn serene redelikheid, voor dit soort

Bollandistiese polemiek zelfs geen woord van afkeuring overheeft—enkel

zwijgende verontwaardiging en wat meewarig begrijpen. Maar ik voor mij

achtte het nodig, hier eens dit proefje „Zuivere Rede” in ’t licht te

stellen, niet om Heymans, maar terwille van de vele kritiekloze

slachtoffers van Professor Bolland’s waarlik weergaloze „geoefendheid”,

die hun de weg tot Kant-Heymans verspert.

„Toch wel berekend en listig, maar valsch en bekrompen”—deze giftige

pijl door Prof. Bolland op Heymans gemikt in zijn schotschrift, stuit

af op Heymans’ integriteit, om slechts zijn schutter te treffen.

Aangaande Heymans’ dialektiek-dodend meesterwerk, dat Prof. Bolland

evenmin kan „laten gelden”, als hij er ook maar één §, één bewijs van

kan weerleggen, omdat het nu eenmaal zijn „begrip” te boven gaat, en

waaraan hij zich dan ook wijselik niet waagt, wordt de jongelui evenwel

op college (Coll. Log. p. 274) de goedkope stoutigheid voorgezet: „een

uur lang zouden wij het hier kunnen hebben over de ondoordachtheid,

waarmee de schrijver z’n pen heeft bestuurd, toen hij schreef over

‚wetten en elementen van het wetenschappelijke denken’.” De paar

vittend bedoelde „vragen”, die dan daaromtrent volgen, getuigen van, of

wenden voor, een onnozelheid, die zelfs de titel niet begrepen

heeft,—te weten het verschil tussen „wet” en „element” [272], en de

„transcendentale” zin van de titelkeus „wetenschappelik denken” ter

aanduiding van de kennisleer als kritiek der wetenschappen.

In hetzelfde zinnetje van p. 9 (53) wordt nog even Heymans’ bedoeling

in zake de mechaniese natuurbeschouwing verhegeld oftewel verdraaid

aldus: „de gegevens van physiologie, chemie en physica [zijn] geen van

allen wat zij zijn, maar ‚hoogst waarschijnlijk’ wat anders.” De

weerlegging van dit mechanisties-verkeerde „zijn” geeft o.a. § 25 van

Heymans’ „Einführung in die Metaphysik”, getiteld „der Erkenntniswert

der mechanischen Naturauffassung”, terwijl in hetzelfde zonneheldere

standaardwerk [273] die algemene fout haar formulering vindt in de

termen der logica: Men vat de „aequipollentie” (omvangsgelijkheid) der

betrokken begrippen verkeerdelik op als „identiteit”

(inhoudsgelijkheid). Op p. 189 (227) van „Zuivere Rede” vraagt Prof.

Bolland met betrekking tot de aethertrilling-hypothese van het licht:

„Laat zich iets aan deze verklaring van het bekende uit het onbekende

voorstellen, laat er zich iets aan begrijpen? Wat moet eigenlijk der

heeren ‚mechanisch verklaren’ heelemaal?”—Dat Prof. Bolland dat niet

begrijpt, kan hem niet euvel worden geduid. Wel, dat hij Prof. Heymans

op deze vraag, hier en elders, slechts laat antwoorden met een zinnetje

uit een tijdschriftartikel dat, „zonder meer”, in ’t geheel niet ter

zake is, te weten: „Das letzte Ziel alles Erklärens ist nichts Anderes

als empirisch gegebene Zusammenhänge logisch zu durchleuchten.”

Zulk soort schijnpolemiek tegen een meerdere als Heymans, ten

aanschouwe van een publiek op welks licht te verbijsteren

begriploosheid deze „geoefendheid” van meet af (zie Prof.’s voorrede)

speculeert, is even ridderlik als redelik.

Men behoeft Heymans slechts te kennen en te begrijpen om eens en voor

al te weten, dat hij uitsluitend van de natuur, van het gebied der

physica en physiologie, de mechaniese verklaarbaarheid of

herleidbaarheid mogelik of zelfs waarschijnlik kan noemen, en dat voor

hem dus al het geestelike, heel het terrein der psychologie en der

geesteswetenschappen als zodanig, daarvan eo ipso en principieel, op

kenniskritiese grond, is uitgesloten. Maar Prof. Bolland durft in 1910

in zijn uitval tegen Heymans, getiteld: „Nieuwe Kennis en oude Wijsheid,

eene poging tot voorlichting”, op p. 55 s., op dezelfde pagina, waar

hij een Heymans toevoegt: „En in alles eerlijkheid en rondheid” ...

deze zin laten drukken: „Ook zoude het der ervarenheid te Groningen eer

aandoen, rondborstig evenzeer te erkennen, dat men eene misvatting uit,

wanneer men de opvatting uit, dat geest en ziel, met al hetgeen daar

niet aan toekomt [?!] zich nog eens zullen laten herleiden tot

levenlooze en zelfs onqualificeerbare werktuigelijkheid” ...! Dit is

weliswaar laster (evenals de smetten van pragmatisme en

theosofen-kwakzalverij, die Prof. Bolland’s waan een theoreticus van ’t

zuiverste water als Heymans tracht aan te wrijven), maar Prof. Bolland

wist, begreep, nu eenmaal niet beter, naar ik wil aannemen. Ik ben

alleen benieuwd, of hij, na deze mijn „poging tot voorlichting”, nu hem

altans zijn algehele misvatting ten deze gewezen is, met „eerlijkheid”

en „rondborstig” onmiddellik zijn laster zal erkennen en herroepen en

voortaan zal trachten, van Heymans tenminste zoveel te leren kennen en

begrijpen als nodig is, om enigszins weer goed te maken, wat hij in

onwetendheid en wanbegrip aan hem en de waarheid misdreven heeft.

Een Heymans zou onderschrijven, evenals een Eisler, een Wundt, de

geniale „onvoorzichtigheden” van niemand minder dan Leibniz: „Tout ce

qui se fait dans le corps de l’homme et de tout animal est aussi

mécanique que se qui se fait dans une montre” en „Recte constitutum

est, nihil in corpore fieri, quod non mechanicis, i.e. intelligibilibus

rationibus constet.”—Voor hun als voor Leibniz geldt daarbij, zonder

zweem van zelfweerspreking: „la Perception, et ce qui en dépend, est

inexplicable par des raisons mécaniques, c’est-à-dire par les figures

et par les mouvements.” (Monadologie, thèse 17, cf. thèses 79 et 81).

Immers zij allen zijn zuivere parallelisten: „Tout se fait

mécaniquement et métaphysiquement en même temps.”, voor wie de

mechaniese natuur slechts phaenomeen is van de metaphysiese

werkelikheid: „La source de la mécanique est dans la métaphysique”, een

uitspraak, door de heer Bolland zelf indertijd geciteerd, maar wel

kwalik begrepen.

52: p. 140. In dezelfde zin p. 548/9: (Die Lebenserscheinungen) „Zwar

könnten an sich die Finalität und Causalität, welche ich als Kehrseiten

[?] meines zeitlichen Denkens vorfinde, die doppelseitige menschliche

Auseinanderziehung [een aan de gelijktijdigheidsfout ontleend beeld]

einer rein unzeitlichen Logik sein, so dass Zweck und Ursache nur

illusorisch [!] gefasste logische Notwendigkeiten wären. In gewissem

[?] Sinne mag dies ja auch immerhin der Fall sein, allein in seiner

Strenge ist mir dieser zeitleugnende Gedanke unerträglich; in meinem

Gefühl eines Bedürfnisses nach Erlösung von Unvernunft, Bosheit und

Elend empfinde ich es als eine Verhöhnung des persönlich und etwa auch

kosmisch empfundenen Uebels, mein Fühlen und Wünschen und Wirken als

etwas schlechthin Zeitloses zu denken, so, dass mein Willensact sowie

der demselben entgegengesetzte Widerstand eine reine Illusion, ein

nicht einmal geträumter Traum wären.” Waar gemoedsaandoeningen en

wensen spreken verwijst de wijsbegeerte met een zwijgend „Non

ragioniam”... of desnoods met een uitgesproken „πρωτον μεν ἀληθεια”

naar kerkleer en dergelijke—en speciaal de tijdkritiek lacht om deze

illusionaire, dromende vrees, dat zij de heer Bolland zou dwingen, zijn

gemoeds- en geestesleven, zijn levensactie, „als etwas schlechthin

Zeitloses zu denken”. Juist wanneer en dewijl de tijd bewustzijns„vorm”

is—blijft een niet-tijdelik bewustzijnsleven een zelfweerspreking, een

onmogelikheid, van dezelfde kennistheoretiese soort als een

niet-ruimtelike bewegingswereld.

53: p. 141. Op p. 266 (Wereldraadsel) maakt Bolland’s Hartmanniaans

dogmatiese „Mystiek” van het subject der interindividuele tijdelikheid

„eenen alles omvattenden absoluten Géést.”

Interessant is het te zien hoe ook Poincaré in „La Valeur de la

Science” worstelt met het algemeen subject van de Tijd in ontologiese

bevangenheid. Hij ziet wel in, alle affirmations over (objectieve)

gelijktijdigheid en opeenvolging zijn zinledig zonder gemeenschappelik

subjekt, „n’ont par elles-mêmes aucun sens” (p. 46; vergelijk ook

Kinkel tegen Riehl, p. 25 o. c.). Hij zou dan wel willen concevoir „une

sorte de grande [!] conscience, qui verrait tout et qui classerait tout

dans son temps”, maar heeft toch bezwaren tegen zo’n „demi-dieu”, die

met onvolkomen geheugen zou moeten worden gedacht, „puisque sans cela

tous les souvenirs lui seraient également présents et qu’il n’y aurait

pas de temps pour elle” (deze subtiliteit vergeet echter dat ook voor

ons oorspronkelik alleen le présent de tijdbron kan zijn). „Et

cependant, quand nous parlons du temps, pour tout ce qui se passe en

dehors de nous, n’adoptons-nous pas inconsciemment cette hypothèse; ne

nous mettons-nous pas a la place de ce dieu imparfait; et les athées

eux-mêmes ne se mettent-ils pas à la place où serait Dieu, s’il

existait?” Hij acht dan deze „hypothèse” toch onvoldoende „puisque

cette intelligence hypothétique, si même elle existait, serait

impénétrable pour nous.” Dit inzicht verheft Poincaré altans boven

Hartmann c.s. Maar wij weten nu dat zulk een „transcendentaal” subjekt

geen „hypothèse” is, geen als „bestaand” te veronderstellen wezen, maar

hypothesis in oorspronkeliker dieper zin van het woord. Wie mij tot

dusver gevolgd heeft zal mij begrijpen, wanneer ik z’n ontologiese

gesteldheid aldus formuleer: Het subjekt der natuur bestaat evenmin,

dus evenzeer, als de natuur.

54: p. 141. Dr. J. D. Bierens de Haan stelt de verbijsterende vraag:

„Maar waar vinden wij dit subject?”! (p. 227 van „De Weg tot het

Inzicht”). [274] Kennistheoretiese subjekten, als het subjekt der

natuur of het subjekt der waarheid zijn nu eenmaal geen „wezens”, die

men tegen ’t lijf loopt.

Zelf maakt hij er op zijn wijze een ens metaphysicum van, p. 185: „Want

het voorwerp met zijn ding-schijn bestaat niet als subjekt tegenover

het kennend bewustzijn als zodanig (in welk geval het toch een

zinnelijk ding ware)—maar het bestaat in de synthetische handeling van

een universeel bewustzijn zelf. Het universeele bewustzijn is het

Eeuwige Denken [!], de wereldgrond zelf, het wereldcentrum”!

Deze „Subreption” leidt op p. 187 tot het volgende dubbelgebeide

dogmatisme: „Het ding-karakter is dus niet stoffelijk substantieel,

maar iets geestelijks; de kracht der Idee, die de voorwerpen stelt, is

een denkkracht, zoodat zij bestaan als handelingen der Idée zelve.

„Onze aanschouwing van het voorwerpelijke is nu een herhaling [n.b.!]

waarbij ons individueel bewustzijn deze hoogere [!] synthetische

handeling weerspiegelt [!]. Waarneming is reconstructie [!] van binnen

uit”!

Dit is de „höherer Idealismus” waarmee Kant’s verontwaardiging zo

meesterlik de spot drijft (zie Proleg. p. 164).

Ditzelfde Hartmannisme bij Bolland (W. p. 316):

„Is er waarheid in het menschelijk denken, dan bestaat die in de

bewuste reproductie van den inhoud eener Wereldidée” enz.

Ook het „objectief idealisme” van Bergmann, Eucken, Lipps e.a. begaat

de reeds bij Berkeley te vinden fout, van het kennistheoreties Subjekt

van Natuur en Tijd, eenmaal als Vóóronderstelsel ontdekt en begrepen,

een werkelik bestaand Wezen, een soort Algeest te maken, even onkants

als ongerechtvaardigd.—Wel vindt men bij Kant zelf reeds misstappen in

diezelfde richting. Vgk. daaromtrent Windelband, Die Erneuerung des

Hegelianismus, 1910, p. 14: „Nun hatte schon Kant alle Mühe, dieses

‚Bewusstsein überhaupt’ vor der metaphysischen Ausdeutung zu schützen,

die ihm sein eigenes persönliches Weltanschauungsbedürfnis nahelegte.

Der zunächst hypothetisch eingeführte ‚intuitive Verstand’, der

intellectus archetypus, dann—nach den Postulaten der praktischen

Vernunft—in der Kritik der Urteilskraft das ‚übersinnliche Substrat der

Menschheit’, das alles waren schüchterne Ansätze zur Metaphysizierung

des ‚Bewusstseins überhaupt’, denen Hegel nur den rechten Namen gab,

wenn er es Gott nannte.”

Ten slotte zij hier nog gewaarschuwd tegen de verhaspeling van het

subjekt der kennis, dus het subjekt van phaenomenale werkelikheid, met

het subjekt der waarheid, „das urtheilende Bewusstsein überhaupt” van

Rickert, dat bij deze dan ook wordt tot subjekt van het zijnde a.z.,

aldus ten onrechte in z’n „zijn” van mogelik oordeel afhankelik

gemaakt, een soort „Immanenz”, die dus niets te maken heeft met de

phaenomenaliteit, de Kantiaanse afhankelikheid van mogelik kennen.

Rickert kent of erkent zo min ons krities subjekt der natuur als de

phaenomenaliteit der ruimte-dingen. Voor zijn objekt-realisme zijn

psychies en physies even „reële”, kennistheoreties-gelijkwaardige delen

der „empirische Wirklichkeit” („Das Physische und das Psychische sind,

wie man sie auch sonst definiren mag, jedenfalls beide gleich

unmittelbar gegeben.” Die Grenzen, p. 175; „Wir finden unmittelbar vor

eine Welt, die aus Körpern besteht und aus anderen Gebilden, die wir

psychisch nennen.” „Wir wissen, dass das Psychische ein Theil der

empirischen Wirklichkeit ist, so gut wie die Körper.” ibid. p. 180).

Aan Rickert zien wij dus, hoe men kan komen tot een „Bewusstsein

überhaupt” en daarvan afhankelike „immanente objekten” (vgk. ook de

noot bij bl. 390), zonder de kritiese objekt-immanentie en haar subjekt

ook maar van verre te hebben bereikt.

Rickert’s grondfout, waarmee heel zijn „idealisme” staat en valt, te

weten: dat het al of niet toekennen van waarheid, het zus of zó

„oordelen”, afhankelik zou zijn van het willen en dus de

„Urtheilsnothwendigkeit” in plaats van een causale (re vera!) een soort

teleologiese zou zijn en mitsdien elk oordeel een transcendent „Sollen”

zou impliceren (Hoofdst. XIV, Sein und Sollen, van Der Gegenstand der

Erkenntniss: „jedes Urtheil erkennt ein Sollen an, die Urtheile die

Thatsachen constatiren, sind unbezweifelbar, also ist auch die

Urtheilsnothwendigkeit vor jedem Zweifel geschützt.”) en een „waarde”

„anerkennen” („dass sogar die Konstatirung einer Thatsache die

Anerkennung eines Werthes einschliesst”, Die Grenzen p. 707), zodat

„Sollen” prius zou zijn van „Sein” (C. XVII van Der Gegenstand, „dass

das Sollen begrifflich früher ist als das Sein”) en de zekerheid zou

verschaffen van een transcendente waarde („Wir dagegen finden, dass

auch in den scheinbar nicht über Bewusstseinsthatsachen hinausgehenden

und daher absolut unbezweifelbaren Urtheilen ein transcendenter Werth

mitbehauptet wird und daher können wir von einem Wissen von diesem

transcendenten Werthe reden.”), waarbij dan de waarheid zelf, als al

wat men „verplicht” is te „bejahen”, fungeert als „Gegenstand der

Erkenntniss” („Der Gegenstand der Erkenntniss ist ja nichts anderes als

der Inbegriff der zu bejahenden Wahrheitswerthe.”)—deze grondfout is

boven behandeld in Hoofdstuk IV § 3, speciaal p. 85/6 en in opmerking

5.

Even juist als scherp formuleert Rickert, hoe deze (onjuiste) leer

(vgk. ook Bauch in de noot bij bl. 86) de bekende zelfweerspreking der

waarheidsloochening in het ethiese transponeert: „Wo man den

Pflichtbegriff als ethischen Begriff bekämpft, wird es dem Menschen zur

Pflicht gemacht, keine Pflicht anzuerkennen.” (Die Grenzen p. 713).

Maar onze zuiver theoretiese geesteswettelikheid mag en moet ook dit

antiscepticum versmaden!—

55: p. 148. Si duo idem dicunt, non est idem. Ook Wundt c.s. (Eisler en

alle krities-monistiese evolutionisten) noemen „die Natur Vorstufe des

Geistes”, zeggen „dass der Geist aus der Natur sich entwickelt”. Met

hen zijn wij het daaromtrent volkomen eens. Het onderscheid met

Hegeliaanse gelijkklinkende uitspraken is niet meer of minder, dan dat

Wundt het natuur-idealisties en oorzakelik bedoelt, en de Hegelarij

natuur-realisties en dialekties i.e. anticausaal (Hartmann en Eucken

weer natuur-realisties en causaal). Bij Wundt, zuiver parallelist als

Heymans, is nooit het psychiese uit het physiese, het geestelike uit

het stoffelike voortgekomen, maar wel menselik geestesleven, kultuur,

uit kultuurloze „natuurlike” dierlikheid.

Uitstekend Eisler, Geschichte des Monismus, p. 169:

„‚Natur’ und ‚Geist’ zeigen sich uns somit nicht als absolute

Gegensätze, sondern sie sind, im weitesten Sinne, nur die beiden Seiten

oder Betrachtungsweisen einer einheitlichen Wirklichkeit; im engeren

Sinne aber ist Natur die niedere Stufe des Seins, das auf einer

höheren, aktiveren und bewussteren ‚Geist’ (im Unterschiede vom

psychischen Innensein überhaupt), und in der Gesamtheit von dessen

Gebilden Kultur ist. Natur als Objektivation des Geistes und Natur als

Vorstufe des Geistes sind also wohl zu unterscheiden. Der Geist im

engeren Sinne steht über der Natur, während er im weiteren Sinne in der

Natur selbst und deren Entwicklung zum Ausdruck, zur Erscheinung

gelangt. Die Natur als Körperwelt ist die äussere Hülle, der Leib des

Geistes.”

Van de natuurwetenschappelike evolutie-leer is Hegel de vijand en

verachter, ze is voor hem „völlig leer”, „grassiert noch” enz., zie §

249 Kl. L. Inderdaad, de evolutie-leer „grassiert noch” in ironie van

tegenstelling tot Hegeliaanse „Naturphilosophie”.—Van de wonderlike

waan, als zoude Hegel „ein genialer Vorläufer der Darwinschen

Entwicklungslehre” zijn en Darwin zelfs „ein genialer Ausarbeiter der

Hegelschen Erkenntnistheorie” (frazen van Dietzgen over „Darwin und

Hegel”), zou een blik in deze § 249 al kunnen genezen. Voor hem zijn

„Gattungen” even duurzaam als „Gesetze”.—„So erkennt man z.B. in der

Natur die Güte Gottes darin, dass die verschiedenen Klassen und

Gattungen, sowohl der Tiere als auch der Pflanzen mit allem versehen

sind, dessen sie bedürfen, um sich zu erhalten und zu gedeihen. Eben so

verhält es sich dann auch mit dem Menschen, mit den Individuen und mit

ganzen Völkern....” etc., aldus Hegel, waar hij op zijn manier

„verstandig” wilde zijn (§ 80, Kl. Log., Zus.).

56: p. 158. Prof. Dr. Jos. Kohler. Mijn qualificatie en de positie van

deze roemruchte nestor van het volkerenrecht en veelzijdig

rechtsgeleerde grootwaardigheidsbekleder der Berlijnse Universiteit,

maar in philosophicis een des te gevaarliker even autoritair als

bombasties idee-dilettant, vergt dat ik enige van die in de tekst

bedoelde Ungeheuerlichkeiten aanwijs, al is het eigenlik jammer van de

benodigde ruimte. In zijn „Lehrbuch der Rechtsphilosophie” (1909) volgt

op de Inleiding (I) van het 1e Boek (Die Rechtsphilosophie und ihre

Bedeutung) een hoofdstuk II: Philosophie und Rechtsphilosophie, waar te

lezen staat (p. 7):

„Vor allem kommt hier in Betracht die Erkenntnistheorie, d.h. die Frage

über das Verhältnis zwischen Subjekt und Objekt [dus het in de tekst

aangewezen objekt-realisme] und die Frage ob unseren Vorstellungen [!]

von der Welt eine Welt in Wirklichkeit zu Grunde liegt und wie sich

diese Wirklichkeit zu unseren Vorstellungen verhält. Das ist die

ungeheuere Frage des kritischen Realismus.... Die Annahme, dass es

überhaupt unmöglich sei, in das Ding an sich einzudringen, sodass [!]

wir auf das Gebiet unserer Vorstellungen [!] zurückgeworfen waren,

beruht auf dem falschen Dualismus [!] Kantschen Angedenkens: dieser

Dualismus mit seiner ständigen Skeptik und dem ‚Ignoramus’ in bezug auf

die Aussenwelt [!] ist längst überwunden. Überwunden ist auch die

Annahme, dass Zeit und Raum nur auf unserer Vorstellung [!] beruhten

und eine Zutat unseres Geistes wären.

„Vielmehr ist zu sagen, dass das Ich und das Nichtich alles zu einem

grossen [!] Weltganzen gehört und darum notwendig eine Zusammenstimmung

[!] stattfinden muss, namentlich auch in der Richtung, dass Zeit und

Ausdehnung, wie wir sie schon seit Aeonen in unseren Geist aufgenommen

[!] haben, unserer Empfindung von Zeit und Raum entsprechen, da [!] der

menschliche Geist und schon was dem Menschen an Geschöpfen

vorhergegangen ist, aus der Zeit und dem Raum die ständige Vorstellung

überkommen [!] haben.”

Over Tijd en Ruimte vergelijke men dan § 3 van zijn „Das Problem der

Rechtsphilosophie” in zijn Moderne Rechtsprobleme: „Die

Entwicklungslehre [die van K.] setzt daher zwar die Wirklichkeit der

Zeit voraus, allein sie beruht andererseits auf der Erkenntnis, dass

das Zeitliche auf einem Ausserzeitlichen und Ausserräumlichen beruht

und dass über Raum und Zeit eine höhere Wesenheit schwebt.... Die

Ansicht, alsob sie [„Raum und Zeit”] nur subjektive Zutat unseres

Geistes waren, ist irrig. Ihre Wirklichkeit wird nicht nur durch die

Sinnfälligkeit unserer Beobachtung dargelegt, sondern auch durch unsere

Körperlichkeit inmitten des gleichzeitigen oder verschiedenzeitigen

Andersseins.... Wir [?] nehmen Zeit und Raum an, und ebenso nehmen wir

eine Einheit und Vielheit der Wesen an.... Aber wir glauben an alles

dieses in relativer Weise” etc.

Maar horen wij nu verder (p. 8) Prof. Kohler tegen Kant’s „Dualismus”:

„Jener ganze Dualismus ist so ungeheuerlich und haltlos, dass er vor

energischen Denkern sofort zusammenfallen musste. Fichte und Schelling

suchten ihn zu stürzen, und Hegel hat ihn vollkommen zertrümmert

(Identitätsphilosophie)....” „Der Hauptirrtum der Kantschen Philosophie

besteht darin, dass der Unterschied zwischen Subjekt und Objekt ins

Ungeheuerliche übertrieben ist”.... Volgt een „Vorstellung” van Kant’s

kennisleer: „Nach der Kantschen Erkenntnistheorie steht auf der einen

Seite das Subjekt ganz allein im Theaterraum [!] und vor ihm ist die

ungeheuerliche Bühne der Theatervorstellung [!], welche die Welt

bedeutet. Zwischen diesen beiden Dingen sollte nun eine Vermittelung

sein, aber fern davon: dasjenige, was wir wahrnehmen ist nur ein

Phänomen, eine Folge von Erscheinungen, und alles, was hinter dem

Phänomen liegt, ist uns ewig verborgen, denn all unsere geistigen

Kräfte können sich nur auf die Erscheinungen beziehen.” [Natuurlik is

juist die waarneming zelf de en de enige „Vermittelung” tussen Subjekt

en Niet-ik. Juist door de Beziehung van onze „geistigen Kräfte” op dat

Niet-ik ontstaat de „Erscheinung”!] „Diese ganze Vorstellung ist schon

darum verfehlt [inderdaad verfehlt], weil sie zwischen dem einen [!]

erbärmlichen Ich und der ganzen Welt einen solchen Unterschied macht,

dass hier eine ungeheuere Kluft gähnt; das ist doch kaum der Mühe wert,

wegen des einen Menschen solches Wesen zu machen! Wie verhält es sich

denn mit der ungeheueren Menge der weiteren Ichs, die doch ebenfalls in

die Welt hineinstarren?” (p. 9:).... „während unser ganzer Leib mit all

seinen [?] Leiden und Schmerzen nur ebenfalls ein Phänomen ist, und in

der Tat in den Wolken steckt [goed gelocaliseerd], die das Ding an sich

umgeben.”....

Na deze even individuele als individualistiese Kant-voorstelling levert

nu p. 9 de volgende gewoon-realistiese „Spiegelung”- en

„Aetherschwingungen”-dogmatiek:

„Der Gedanke von dem Ding an sich ist insofern zutreffend, als

natürlich jede Spiegelung [!], jedes Einwirken in eine Subjectivität

nur so aufgefasst werden kann, dass das Ding an sich nicht in das

Subjekt eingeht, sondern einen Eindruck macht, und dieser Eindruck ist

es, den wir als das Bild der Welt erschauen. Insofern kann zwischen

Eindruck und Welt natürlich nie volle Gleichheit bestehen, ebensowenig

wie eine Gleichheit bestehen kann zwischen der Matrize [!] und dem aus

der Matrize hervorgehenden Bilde [!]. Aber immerhin muss es

verstandesmässig möglich sein, zwar nicht ein Abbild der Matrize zu

geben, wohl aber zu sagen, inwieweit unser Eindruck zur Matrize stimmt

und inwiefern bei diesem Eindruck subjektive Momente im Spiel sind.

[Alsof Kant’s leer iets anders deed! Maar eilieve.... hoe vergelijkt

een Kohler beeld en.... matrijs?! zie:] Dazu ist aber unser Verstand

fähig, denn er kann unsere Organe [!] und die Wirksamkeiten dieser

Organe erfassen und mithin auch darstellen, wie sie sich betätigen,

wenn ein Eindruck von aussen [!] kommt”.... [Dat die organen.... zelf

slechts kennisprodukten zijn.... wie op zulk een kleinigheid let, is

een kniesoor.... en dat ook dit „aussen”, dit „kommen” zowel als dit

„sich betätigen” tot de phaenomenenwereld behoren.... zover reikt de

Kohlerkritiek niet. Hij bedoelt het zuiver physiek:] „Auch bei anderen

Wesen finden wir ähnliche Organe, und wir können prüfen, wie sie wirken

und wie sie durch die ‚Matrize’ von aussen beeinflusst werden. Weiter

können wir natürlich nicht kommen” [Neen, natuurlik kunt gijlieden

nooit verder komen]. „Es ist aber auch nicht nötig, denn diese

Erkenntnis ist vollkommen. Kein Wesen kann sagen, welches Bild [!] das

Weltall gibt, wenn man das beobachtende Wesen wegdenkt, denn dann ist

eben ein Bild überhaupt unmöglich [K. zelf onderstreepte deze

wijsheid]. Wir können nur sagen: im Weltalle ist eine Fülle

verschiedener Objektivitäten [!], die [!] auf unsere Subjektivität

wirken und bei deren Wirkung unsere Subjektivität die Tafel [!]

darstellt, auf der die Bilder [!] erscheinen, welche Tafel an sich eine

bestimmte Beschaffenheit hat, sodass wir [we „kennen” immers die Tafel

„an sich”!] dasjenige abziehen können was subjektiv ist. [En nu een

voorbeeld!:] Wir wissen z.B., wenn wir rot und gelb sehen, dass die

Eigenart der Farbe eine Zutat unserer Sehorgane [!] und unseres Denkens

[!!] ist, aber ebenso ist es sicher, dass dieser verschiedenen Art der

Farbe eine Verschiedenheit im Objekt zugrunde liegen muss, von der wir

nichts weiter wissen, als dass hierbei [!] Ätherschwingungen eine Rolle

spielen.”

En deze hooggeleerde lekepraat tegen Kant’s kritiek! Het

„overeenstemmingsprobleem” der waarneming ontgaat deze naieve

dogmaticus [275] natuurlik geheel, maar het probleem van de

overeenstemming der resultaten van juist denken met de werkelikheid

lost hij (p. 11) makkelik op (natuurlik dogmaties-verdubbelend): „Das

ist nicht etwa eine ‚prästabilierte Harmonie’, es ist nicht eine

Zufälligkeit, sondern es beruht darauf, dass wir eben ein Teil des

grossen Ganzen sind”.... simple comme bonjour! En „van zelf” zijn

meteen even de synthet. oordelen a priori verklaard: het Geheel „ist

ein Räderwerk, von dem wir einen Teil bilden”.... „Damit erklärt sich

von selber [aseitas] die Richtigkeit der Axiome in der Mathematik; es

erklärt sich das Zusammentreffen des Kausalitätsgesetzes in uns und

ausser uns, es erklärt sich [!] die ganze Kantsche Kategorientafel”.

Mein Liebchen, was willst du noch mehr? Van Prof. Kohler krijgt ge dan

nog het bekende stuk misverstand toe over Kant’s „verbod” tot

transcendent kategorieëngebruik.... „Ist das Metaphysische unserer

Anschauung nicht zugänglich, so ist es zugänglich unserem Denken”....

Juist, zou Kant zeggen, das ist ja die ständige Behauptung der

Kritik!... „Es ist eine bare Willkür zu behaupten, dass der Satz von

der Identität und dem Widerspruch nur im Kreise der Anschauung [?!]

bezeugt wäre.”... wie beweert dat bij geval?—Volgt de conclusie: „Somit

[!] ist das ganze Kantsche Gedankensystem, so ungeheuere Kräfte auch

darauf verwendet worden sind, ein Irrgang” en daarom „ist es verlorene

Mühe”. Voor u altans is alle „ungeheuere” kracht, er op besteed,...

verloren moeite. Zorg gij maar (p. 12) „die Hegelsche Philosophie

zeitgemäss umzubilden” en laat het anderen over, „sich an den

Akrobatenkünsten Kantscher Gedankengymnastik zu erbauen”. Blijf gij

maar (p. 13) bij Hegel-Hartmann’s „Logik der Weltgeschichte.... mit

sehr vieler Unlogik verbunden.” Aangezien Kohler’s „Richtung” (?)

echter Hegel’s Dialektiek „ablehnt” (p. 14) blijft er van Philosophie

niets anders over dan de fraze der „Kulturentwicklung” met, als „Das

letzte Ziel” (titel van Boek II): „Alles erkennen und alles können und

damit die Natur bemeistern.” Dit heet „Neuhegelianismus.” In de

„Moderne Rechtsprobleme” (p. 9) nader omschreven: „Unrichtig war es

allerdings von Hegel, anzunehmen, dass die grosse Welt mit ihrem Werden

und Vergehen sich nach einer bestimmten Begriffsschablone abspiele. Wir

haben uns daran gewöhnt, die in der vernünftigen Entwicklung

enthaltenen, ausserordentlich mannigfaltigen Lebenskeime nicht

apriorisch zu betrachten, sondern die ungeheure Gestaltung der Tat in

ihrer Wirklichkeit zu erkennen: die ihr entsprechende Vernünftigkeit

ist eben ihr metaphysischer Hintergrund. Dem Wollen und Walten des

Lebens ist ein ungeheurer Freipass gegeben, und nicht ‚jeden Wochentag

macht Gott die Zeche’. Nur in grösseren Zwischenräumen lässt sich die

Gesetzlichkeit des Vernünftigen verstehen. Dies begreift der

Neuhegelianismus: er weiss, dass eine unendliche Fülle von Einzelheiten

die Weltgeschichte ausmacht, er sucht sie zu erkennen und erhebt sie

zum Gegenstand seines Studiums; er weiss aber auch, dass hinter ihnen

ein grosses [ungeheuer gross!] Ganzes steht: das Ganze ist die

menschliche Kultur, die sich nach festen Gesetzen entwickeln muss.—So

wird die Hegelsche Vernunft zur menschlichen Kultur, und statt der

dialektischen Bewegung haben wir die Kulturgeschichte”...!

Ik gewaagde boven van het idee-dilettantisme van deze meester der

rechtsvergelijking. Dit ten besluite (p. 11): „Wenn man geltend gemacht

hat, dass in unserem System ein Widerspruch bestehe zwischen der realen

rechtsvergleichenden und universalrechtsgeschichtlichen Wissenschaft

einerseits und der Ideenlehre andererseits, die uns aus Hegels

Philosophie erwächst, so ist dies ein kurzsichtiger Irrtum; denn gerade

in der Versöhnung der rationellen [?] Idee mit der Wirklichkeit liegt

das Grosse der heutigen Forschung; wir dürfen in der Fülle der

Einzelheiten das Gesamte der Idee nicht vergessen [klinkt goed], wir

müssen in ihr die Ausflüsse des grossen Gottesgedankens erkennen; das

ist das Wesen des Neuhegelianismus: was wir im Einzelnen entdecken,

schliesst sich zum grossen Ganzen.”... (p. 12): „Fortschritt ist das

Wesen der Welt. Eben weil das Ewige sich im Zeitenschosse zutage ringt,

so muss eine Entwicklung walten; denn sonst wäre der ganze Prozess kein

Entwicklungsprozess”.... ontegenzeggelik! „Das hat allerdings Spinoza

noch unvollkommen erkannt [de stakkerd]: allein Spinoza ist auch nicht

das Musterbild unseres Pantheismus, sondern nur ein unvollständiger

Vertreter; unser Pantheismus reicht in die geweihten Zeiten der grossen

indischen Philosophie hinein und berührt sich mit den Ideen der

Sufiten, des Averroes und des Mystikers Ekkehard!” Zoveel ter

oriëntering, hoe Prof. Kohler filosofeert.

Daar ik de dogmatiese diepzinnigheden van een Kohler’s (en evenzo b.v.

een Berolzheimer’s) „metaphysische Ideen” voor eer en invloed van de

wijsbegeerte, en speciaal de rechtsfilosofie, heel wat heillozer acht,

dan alle „Plattheiten”, „Seichtigkeiten”, „Flachheiten” etc. (men kent

die phraseologie der diepe heren), die hij positivisme en materialisme,

of ook een Jhering en een Stahl naar ’t hoofd slingert, als had hij

zelf deel aan „die ungeheure Tat der deutschen Philosophie”—daarom wil

en moet ik er op wijzen, hoe ontoegankelik zulk een geest is voor

kritiese wijsbegeerte en hoe gering mitsdien het verschil tussen

Kohler- en... Köhlerglauben.

57: p. 236. Gelijksoortige realistiese zelfbespotting zie ik daar juist

in de „Grundriss einer Philosophie des Schaffens als Kulturphilosophie,

Einführung in die Philosophie als Weltanschauungslehre”, 1912, van Dr.

Otto Braun, waar deze gewaagt van „die vom Idealismus vertretene

Weltverdoppelung”.... nademaal hij het idealisme als volgt begrijpt:

„Warum soll dieser Tisch hier denn durchaus nicht [n.b.] dieser Tisch,

sondern irgend ein X sein?”.... „Was hätte es denn für einen Sinn, wenn

neben einer objectiven Welt [van tafels etc] noch eine ihr ganz

heterogene der Erscheinungen existierte?” (p. 42/3).

Deze Privatdozent der Philosophie, die reeds als zodanig in 1912 toch

wel diende te weten, dat voor het idealisme juist zijn objective Welt

(van tafels etc.).... die (dus daaraan niet precies heterogene) Welt

der Erscheinungen is.... en die zijn eigen Hartmanniaans realisme

„realistischer Idealismus” noemt—dus met zijn „vom Idealismus

vertretene Weltverdoppelung” naar letter en geest zich zelf bespot und

weiss nicht wie—levert ons dan meteen nog een in dit verband niet

onvermakelik voorbeeld van de toon, die zulk een, op zijn manier

godsdienstig (zie zijn Slothoofdstuk X: „Vom gotterlebenden und

gottdarstellenden Schaffen”), dualist tegen zijn materialistiese

tegenstanders en mederealisten pleegt aan te slaan (vgk. mijn tekst bl.

184), waar hij over de leden en bloc van de Monistenbund als volgt

vonnis velt: „Doch kommen die Angehörigen dieser Vereinigung infolge

ihres disziplinlosen Philosophierens kaum in Betracht; sie verstehen

sich selbst nicht.” (p. 51).

Moraal: γνωθι σεαυτον! We zouden ook tegen al zulk materie- of

objektrealisme met een andere moraal kunnen eindigen, die zich niet

uitsluitend maar inzonderheid ook ten aanzien van Objekt of Erscheinung

en Ding an sich keert tegen het niettemin grote stuk werk van de

25-jarige Liebmann, door, even zuiver Kantiaans als zuiver ironies, met

de woorden zelf van diens Kant tot het ongerijmde (vgk. mijn tekst bl.

92) herleidend refrein, te concluderen: „Also muss auf Kant

zurückgegangen werden.”

En wij handhaven deze moraal, trots de zo juist verschenen

„Cellular-Ethik als moderne Nachfolge Christi, Grundlinien eines neuen

Lebensinhaltes” door Wilhelm Kleinsorgen, 1912, opgedragen aan „Meinem

hochverehrten Lehrer Seiner Exzellenz dem Wirklichen Geheimen Rat

Professor Dr. Ernst Haeckel” en bevattend een Haeckelomane

Haeckel-humbug, waarvoor zelfs een filosofaster als Haeckel toch

eigenlik nog te goed, te trouwhartig is, een Cellular-Ethik dan, die

ons op p. 24, waar schrijver het over „das Erkenntnisproblem” heet te

hebben, aldus inlicht: „Der auf Descartes, Spinoza, Leibniz, Wolff und

als ‚Kritizismus’ auf Kant zurückgehende Rationalismus und Apriorismus,

der lange Zeit die philosophische Erkenntnislehre beherrscht hat und

auch heute noch von vielen Philosophen als massgebend angesehen wird,

ist abgesehen von den älteren Arbeiten Lockes, Humes, Condillacs und

Mills in neuester Zeit vor allem durch die bahnbrechenden

zellular-psychologischen Untersuchungen Ernst Haeckels ad absurdum

geführt worden.” etc.

Door Haeckel „ad absurdum geführt” worden inderdaad niet

weinigen—immers in de logiese zin des woords al die dualisten, die het

tegen zijn altans nooit opzettelik-dogmaties naturalisme moeten

afleggen (b.v. apologeten als een Dennert, een Bettex en consorten, aan

wie ik helaas pour acquit de conscience ook nog een deel van mijn tijd

heb moeten geven) en in de letterlike zin al zijn volgelingen, die hem

voor een wijsgeer verslijten—dus altijd en alléén dezulken, voor wie

het kriticisme niet bestaat, zo min als voor Haeckel.

Waar Haeckel eindigt, begint de kennisleer. Waar de kennisleer

verschijnt, is het uit met dualisme en materialisme, uit met bewust en

onbewust dogma, uit met orthodoxie en met Haeckel. Zeker, evenzeer Kant

contra Thomas, Calvijn en zo voort, als Kant contra Haeckel, Ostwald,

Bergson, Ziehen en zo voort, of als Kant contra Hegel en Kant contra

Hartmann. Alles samengevat: Kriticisme contra Dogmatisme. En voor ons

deel: Kennisleer contra Materie-realisme.

Kennisleer contra Materie-Realisme: Bijdrage tot "Kritiek" en Kantbegrip · 第 33 / 36 题