OPMERKINGEN TOT TOELICHTING EN BEVESTIGING. [232]

„Du choc des opinions jaillit la vérité.”

1 : p. 11. Voor de tegenstelling vergelijke men Hegel, Kl. Logik, p.

333: „Im Vorbeigehen kann bemerkt werden, dass es ein sonderbarer

Einfall Kants war, zu behaupten, die Definition der geraden Linie, dass

sie der kürzeste Weg zwischen zwei Punkten sei, sei ein synthetischer

Satz, denn mein Begriff vom Geraden enthalte nichts von Grösse, sondern

nur eine Qualität. In diesem Sinne ist jede Definition ein

synthetischer Satz” ... „Dass aber jene Definition analytisch ist,

erhellt leicht, indem die gerade Linie sich auf die Einfachheit der

Richtung reduciert, die Einfachheit aber in Beziehung auf Menge

genommen die Bestimmung der geringsten Menge, hier des kürzesten Weges,

giebt.”

In ’t voorbijgaan ... demonstreert zich hier de „Verlosser der

Gedachte” zelf ... aan Kant. Vgk. K. d. r. V. p. 557: „Die

Gründlichkeit der Mathematik beruht auf Definitionen, Axiomen,

Demonstrationen. Ich werde mich damit begnügen, zu zeigen: dass keines

dieser Stücke in dem Sinne, darin sie der Mathematiker nimmt, von der

Philosophie könne geleistet, noch nachgeahmet werden, dass der

Messkünstler, nach seiner Methode, in der Philosophie nichts als

Kartengebäude zu Stande bringe, der Philosoph nach der seinigen in dem

Antheil der Mathematik nur ein Geschwätz erregen könne, wiewol eben

darin Philosophie besteht, seine Grenzen zu kennen”...

Zelfs de Hegeliaan J. Hutchison Stirling moet Kant tegenover Hegel ten

deze gelijk geven, „What is Thought?” (1900), p. 194: „Nevertheless,

the truth is rather with Kant”...

Vgk. verder Opm. 45.

2 : p. 12. Niemand minder dan Helmholtz zelf meende door zijn

onderzoekingen tevens Kant weerlegd te hebben... ook àndere dan de

Euklidiese meetkunde bleek denkbaar en zelfs... voorstelbaar! Moest dus

niet de meetkunde eenvoudig ervaringswetenschap zijn?—Zeer zeker is de

aanschouwelikheid van niet-Euklidiese meetkunde een argument tegen

Kant—niet echter tegen de verbetering en uitwerking van Kant’s

ruimte-leer (door Riehl-Heymans), volgens welke de ruimte niet van alle

zinnelike waarneming als zodanig, maar alléén van een speciale zin, de

bewegingszin, de „vorm”, het schema is,—zodat de aanschouwelikheid

t.o.v. de gezichtszin, door Helmholtz aangevoerd, niets meer vermag

tegenover de niet-voorstelbaarheid der metageometrie t.a.v. de

bewegingszin. (Zie Heymans’ G. u. E. § 59 jo. 54).

Ware door Helmholtz’ vondst de meetkunde ervaringswetenschap gebleken,

dan had zij van ’t ogenblik dier ontdekking af moeten ophouden...

wiskunde te zijn. Het tijdperk van... meetkunde-metingen en geometriese

„proeven” zou zijn aangebroken! Ik vrees geen ogenblik, dat ons huidig

positief empirisme deze positieve consequentie zal aanvaarden. Zelfs de

grote Ostwald, de wiskunde-empirist, die in de „Kultur der Gegenwart”,

dit machtig encyclopaedies werk, I : VI (Systematische Philosophie),

art. „Naturphilosophie”, de „juistheid” der Euklidiese meetkunde

tegenover de metageometrie experimenteel bewezen wil zien (p. 150: „ob

die eine oder die andere ‚richtig’ ist, kann nicht anders entschieden

werden, als durch eine entsprechende experimentelle Untersuchung”...),

dus b.v. of wel alle „werkelike” △ △ absoluut-nauwkeuriglik 180°

hebben,—zelfs hij is inconsequent en inexact genoeg, om de tot dusver

genomen (?!) proeven... afdoende te noemen: „Wenn eine Abweichung

vorhanden ist, so muss sie bei sehr grossen Dreiecken am leichtesten zu

entdecken sein. Man hat bisher keine gefunden [ben trovato!] und muss

somit die Euklidische Geometrie für richtig halten.” Maar wie weet,

empiristies gesproken, of niet toch nog ergens bij een „enorme” △ die

180° niet volkomen blijken uit te komen! Ik durf zelfs stellen, dat

nooit en nergens die 180° precies zijn uitgekomen, „gemeten” of

„gevonden”... trots Ostwald’s bewering: „Die sogenannte absolute

Genauigkeit der mathematischen Gesetze ist daher nur eine Annahme, die

sich bisher bei allen Prüfungen bewährt hat.”... Ja, wie weet, of niet

op een goeie dag 5 × 7 ergens een ietsje meer of minder blijkt dan 35!

Want hoe ongelooflik het klinken moge, op p. 147/8 wordt, in enkele

alinea’s, ook even het empiries en syntheties karakter der rekenkunde

„bewezen”!—Heel Ostwald’s behandeling van deze problemen blijft ver

beneden het peil dier problemen zelf, is in meer dan één betekenis des

woords beneden kritiek, en beschamend voor de „Kultur der Gegenwart” in

Duitsland zelf, meer dan een eeuw na Kant. Want wat Kant eigenlik

gezocht en gevonden heeft, hoe en in welke zin een wetenschappelik man

nog anti-empirist, nog apriorist kan zijn (om niet te zeggen: moet

zijn), het ligt alles volkomen buiten zijn gezichtskring (vgk. b.v.

aang. de mechanica p. 160), al wordt Kant gemoedelik genoemd „der

scharfsinnigste Philosoph, den das Deutsche Volk hervorgebracht

hat”.—Hier blijkt dat een zgn. „natuurfilosoof”, zelfs al behoort hij

tot de allergrootsten, nog lang geen natuur-filosoof behoeft te zijn en

dat er tussen wetenschappelike, kenniskritiese, natuurfilosofie en

natuurwetenschap een ander verschil bestaat, dan dat van „weniger und

mehr Sicherheit” der door een alles behalve exacte inductie per

„Analogieschluss” gewonnen „naturwissenschaftlichen Aussagen”! (Vgk.

over Ostwald opm. 46).

Heeft dus de Euclidiese meetkunde van experimenterend positivisme

blijkbaar weinig gevaar te duchten, ook de spoken van het spiritisme

zullen zich nog lang moeten oefenen en ontwikkelen, niet alleen

prakties, maar vooral ook theoreties, eer zij de wetenschap zullen

nopen, hen (of haar?) in een „4e dimensie” onder dak te brengen (vgk.

Wundt, „Der Spiritismus, eine sogenannte wissenschaftliche Frage”).

Prof. L. Boltzmann, de geniale physicus en felle mechanistiese

tegenstander van Ostwald’s energetisme, de man, die echter bij ongeluk

ook geroepen is om filosofiese colleges te geven, zij ’t ook over

„Naturphilosophie”, en die nu als een heerlike volmaakte Caliban op het

terrein der wijsgerige problemen rondspringt, die zich zelf daar dan

ook, met zijn oude „Widerwille, ja Hass gegen die Philosophie” voelt

als „den Bock zum Gärtner gemacht”, de arme kerel, die met.... Hegel is

begonnen (o onbegonnen begin), wiens „Unstern” hem toen naar

Schopenhauer en Herbart bracht en zo tot onbegrepen brokken Kant, deze

ronde Condillac der 20e eeuw (zie zijn art. „Ueber die Frage nach der

objectiven Existenz der Vorgänge in der unbelebten Natur” van 1897,

opgenomen in zijn „Populäre Schriften”, 1905, p. 162), de

naief-dogmatiese metaphysicus, die de metaphysica een „geistige

Migräne” scheldt, wijl hij zelf aan de hemicrania van het materialisme

laboreert (Geist und Wille „komplizierte Wirkungen von Teilen der

Materie”, Vorstellung, Wille und Selbstbewusstsein „Entwicklungsstufen”

van „physikalisch-chemischen Kräften der Materie”, terwijl elders weer,

nog op dezelfde bladzij 396 o. c., dualisties, „mit jeder Wahrnehmung,

auch mit jeder Willensentschliessung, rein mechanische Vorgänge

verbunden sind”) en dan in metaphysiese zelfverloochening zich

vernedert tot de verklaring van p. 324: „Ich wäre der letzte der die

vorgebrachten Ansichten aufstellte, wenn sie irgend eine Gefahr für die

Religion bergen würden”, de kriticus, die eerst Schopenhauer eventjes

afmaakt met geweldige stompen.... in de lucht, en er dan leukweg

bijvoegt: „Ebenso unhaltbar wie sich die Schopenhauerschen Gedanken

erwiesen, scheinen mir nun auch die der sämtlichen anderen Philosophen

in ihrem eigentlichen Kerne, inklusive Kant, zu sein, was zu erweisen

mir freilich jetzt die Zeit fehlt.”, die Berkeley eert als „der

Erfinder der grössten Narrheit.... die je ein Menschenhirn ausgebrütet

hat, des philosophischen Idealismus, der die Existenz der materiellen

Welt leugnet”,—welnu, deze onvervaarde Prof. Boltzmann waagt zich ook

aan kennistheoretiese problemen, speciaal het apriorisme in wiskunde en

logica:

Als behoedzaam empirist wil hij zelfs de rekenkunde, al doet ze zich

ook aan hem voor als „a priori richtig”, van tijd tot tijd eens aan de

tand voelen, eens.... na-rekenen („Freilich, wenn sich einmal eine

Methode, zu schliessen, durch Jahrtausende erprobt und vererbt hat,

scheint sie uns a priori richtig, und wir können oft lange mit ihr ohne

praktische Erprobung weiter arbeiten, z.B. wenn wir vertrauen, dass uns

die Rechnung richtiges ergibt; allein einmal muss sie durch Taten

erprobt worden sein, und von Zeit zu Zeit muss sie wieder erprobt

werden.” p. 394/5).

Over de ruimte luidt het dan, p. 388: „Überhaupt war Schopenhauer in

dem, was er als aprioristisch bezeichnete, keineswegs besonders

glücklich. So bezeichnete er es als aprioristisch klar, dass der Raum

drei Ausdehnungen hat. Heute wissen die Forscher, dass ‚a priori’ ein

mehr als drei dimensionaler Raum denkbar, dass auch ein nicht

Euklidischer Raum nicht undenkbar ist.” (p. 388). Als nu zulk een

huidig vorser maar niet vergeet, dat juist Kant die denkbaarheid van

een metageometrie niet alleen reeds wist, maar zelfs.... ontdekt heeft.

Ten aanzien van de denkwetten moet Kant het aldus ontgelden: „Man kann

diese Denkgesetze aprioristisch nennen, weil sie durch die

vieltausendjährige Erfahrung der Gattung dem Individuum angeboren sind.

Jedoch es scheint nur ein logischer Schnitzer von Kant zu sein, dass er

daraus auch auf ihre Unfehlbarkeit in allen Fällen schliesst.

„Nach der Darwinschen Theorie ist dieser Schnitzer vollkommen

erklärlich. Nur das, was sicher war, hat sich vererbt. Was unrichtig

war, ist abgestossen worden. So erhielten diese Denkgesetze einen

derartigen Anschein von Unfehlbarkeit, dass man sogar die Erfahrung vor

ihren Richterstuhl stellen zu dürfen glaubte. Da sie nun aprioristisch

genannt wurden, schloss man, dass alles aprioristische unfehlbar,

vollkommen sei.” enz.—(Vgk. nog pag. 399, hoe voor hem de kennistheor.

begrippen „eigentlich nur leere Worte sind”, wijl hem heel de

„Bedeutung der Fragestellung” blijkbaar ontgaat.).

Een al of niet feilbare, min of meer juiste, denkwet... dat is de

nieuwste empiristiese ontdekking of liever uitvinding. Maar Prof. B.

zal veel vergeven worden; want hij weet niet wat hij doet, in

gnoseologicis; en aan zulk een reus op eigen gebied zij het wonderlik

vermaak in potsierlike bokkesprongen op terra incognita gaarne gegund.

Dr. Richard Wahle (destijds, 1894, privaatdocent voor filosofie aan de

Univ. te Weenen; zal als braaf schrijver inmiddels wel Professor zijn

geworden), die zowel in de inhoud als in de titel van zijn dik boek

„Das Ganze der Philosophie und ihr Ende” de vergissing begaat, zijn zgn.

filosofie voor de filosofie te houden; wiens physiologisties

phaenomenalisme tussen theologie en physiologie, indeterminisme en

fatalisme, „Extensivismus” en „Agnosticismus” heen en weer waggelt; die

in zijn „Abschluss” tot interessante conclusies komt als de volgende

(p. 537): „Unsere Kritik aller Daten, die viel schärfer als die

Kant’sche sein musste, ist das Grab jeder Speculation und Hypothese”

(lees weer „meiner” i.p.v. „jeder”); „die Kritik unseres Wissens wurde

hier weiter hinausgeführt, als es von den kritischesten Denkern sonst

geschehen ist.” (ja, ganz hinausgeführt!) en op de slotpagina 539: „Ist

das, was hier geboten wurde, nichts—gut, so ist es alles, was Menschen

in dem Streben nach Orientierung im Ganzen je wissen werden.” (weer dat

bovengenoemd foutje—de heer Wahle ziet zich voor de mensheid of de

wijsbegeerte aan; overigens heeft hij gelijk—het is niets—en alles wat

Wahle’s ooit zullen weten.); van zulk een Ueber-Kant verwondert het ons

niet, op p. 44 te lezen:

„Doch jener Begriff der a priorischen Raumanschauung ist so gar nicht

fundiert, dass es ihm schon zu viel Ehre anthun heisst, wenn man die

metamathematischen [n.b.] Betrachtungen gegen ihn in’s Treffen

führt.”... „Damit hatte jedoch Kant anderseits recht, dass die

geometrischen Sätze irgend etwas absolut Denknothwendiges [sic] sind.

Nur [!] seine Auffassung und Erklärung ihrer Natur ist falsch.”

Sapienti sat.

De meetkundestellingen berusten dan voor hem weer eens op

definities—van wier onvrijheid zijn naief realisme niets beseft, terwijl

het de meta-geometrie alleen... physies, niet-meetkundig, kan

begrijpen, en daarmee zijns ondanks (zo op p. 51) de ruimte-aprioriteit

bevestigt. Zelf gaat hij de axioma’s... bewijzen. Wie zich daarvoor

interesseert, zij naar het boek zelf verwezen.

Met genoegen citeer ik hier ten slotte Stelling XIV uit het

proefschrift van Ph. A. Kohnstamm (1901): „Terwijl Riemann en Helmholtz

meenen, dat zij de onhoudbaarheid van Kant’s opvatting omtrent het

aprioristisch karakter der geometrische axioma’s hebben bewezen, hebben

zij inderdaad slechts de juistheid nader aangetoond van een van Kant’s

premissen, den synthetischen aard dier axioma’s.”

3 : p. 13. Ter waarschuwing wil ik er hier op wijzen, dat de

voorbeelden, die Dr. de Hartog geeft in zijn „Kant” fout zijn, zowel

dat uit de wiskunde „het geheel is grooter dan het deel”, een analyties

oordeel (cf. explicite Kant K. d. r. V. p. 652: „Einige wenige

Grundsätze” enz.), als in de natuurwetenschap: „iedere werking moet een

oorzaak hebben”,... een analyties oordeel uit het begrip „werking”

(vergelijk over deze tautologiese formulering, ook bij Mr. Levy, Het

Indeterminisme, p. 182, 188, Träger, Wille, Determinismus und

Strafrecht, p. 70 s. en Busse, Philosophie und Erkenntnistheorie, p.

187).

Als note gaie voeg ik hier bij, hoe op de volgende pagina genoemde Heer

Kant corrigeert: Kant had de term syntheties oordeel a priori moeten

vervangen „door de eenvoudige opmerking, dat ware kennis onzen

gezichtskring aangaande de verschijnselen [!] moet uitbreiden en dat

[?] wel algemeen en noodzakelijk.”

Jammer, dat Kant deze voorlichting zelf niet heeft mogen beleven; het

had hem de moeite van ’t Kantisme bespaard.

Over Dr. de Hartog’s Kant-begrip vergelijk pag. 115 noot 1.

4 : p. 14. Als Hegel en zijn karremannen aan komen dragen met de

„tegenstelling” + A en -A, waartussen A ligt, bewijzen zij enkel ’t

verschil tussen de logiese („contradictore”) tegenstelling (+ A en niet

+ A, links en niet-links) en de („contraire”) tegenoverstellingen

(links-rechts, goed-slecht, zwart-wit, oud-jong enz.) niet te kunnen of

anders niet te willen begrijpen. Zo b.v. J. E. Erdmann (niet te

verwarren met de huidige Prof. B. Erdmann, Paulsen’s opvolger in

Berlijn) in zijn Grundriss der Logik und Metaphysik, § 97: „‚Alles ist

ein Entgegengesetztes’, oder A muss entweder + A oder - A sein, tertium

non datur (ist nur Schein), ist ein Satz, der völlig mit dem Satze

streitet, dass A eben nur A (d.h. weder + noch -) sein solle.”

„A muss entweder + A oder - A sein, tertium non datur” is uitsluitend

Hegeliaanse, letterlik Hegel nagewauwelde (Enc. § 119) vervalsing der

denkwet: „Etwas muss entweder A oder nicht A sein, t. n. d.”, een

vervalsing, die men bij geen enkel „verstandig” logicus zal vinden en

die pour besoin de la cause is uitgevonden.

Vergelijk hiervoor reeds de juiste opmerking van Land, Inleiding tot de

Wijsbegeerte, p. 162 s.

Ook Prof. Bolland geeft van het principium exclusi tertii (b.v. Coll.

Log. p. 572 ss.) een valse voorstelling, te weten: „A is òf B òf C”.

Het verstand neemt deze onnozelheid niet voor zijn rekening en de

dialektiek heeft gemakkelik spel tegen deze papieren vijand. Waarom zou

A niet precies even goed D, E, F, enz. kunnen zijn als B of C, of B en

C enz. tegelijk (b.v. A is òf B òf C òf D, een Duits lidwoord is òf

mannelik òf vrouwelik òf onzijdig; A is B en C en D: een magneet heeft

een noordpool, een midden en een zuidpool)?

In waarheid zegt de denkwet dan ook niets anders dan: A is àl of niet

B, of zo men wil: A is òf B òf niet B. Van onverschillig welk

denkvoorwerp geldt al of niet onverschillig welk gezegde. Al wat

gedacht kan worden heeft elke denkbare eigenschap òf wel òf niet.

Men kan het zelfs met één letter afdoen: Al wat denkbaar is (in Prof.

B.’s dialekt: elke mogelike denkbaarheid), is àl of niet A.

Deze bedoeling mag men dan gerust aldus formuleren: „iets is òf A òf

niet A” (p. 476), maar nooit „A is òf A òf niet A” (zo laatstelik nog

weer in De Logica, 1911) en nooit „A is òf B òf C”. Dit is onverstand

en niet een kant van het verstandig denken. Wat A is kan niet niet A

zijn en wat niet niet A is moet A zijn. Alles samengevat in de ene

omkeerbare vergelijking: A = niet niet A. In woorden: Bevestiging is

uitsluiting van ontkenning, ontkenning van ontkenning is bevestiging.

Bevestiging en ontkenning kunnen derhalve nòch beide waar, nòch beide

onwaar zijn.

Onjuist is de uitvlucht van Prof. Bolland (Eenheid van Tegendeelen, p.

18) dat „zich niet (laat) opgeven, waaraan contraire en contradictoire

bepalingen te onderkennen zijn”. Immers de laatstgenoemde aan de

zuivere ontkenning zonder meer. Twee op zich zelf gelijkelik positieve

begrippen vormen dus als zodanig nooit een contradictie, b.v. vierkant

en rond, zwart en wit. Wat dus niet vierkant is behoeft niet rond te

zijn, al kan het niet wèl vierkant zijn. Of ze elkander desniettemin ja

dan neen uitsluiten, kan eerst door begripsontleding blijken, naar

gelang er al of niet contradictore elementen te voorschijn komen, hier

b.v. hoekig en niet-hoekig, met en zonder rechte zijden.

Hoezeer men echter op z’n hoede heeft te zijn voor misleidende klank en

schijn van contradictie, mogen voorbeelden als de volgende tonen: een

niet-veranderende verandering is niet een weerspreking! (Contradictoor,

dus zinledig, ware slechts een geen-verandering-zijnde verandering!).

Want niet-veranderend wordt dan gedacht in de zin van sich nicht

ändernd, en een verandering behoeft niet een verandering van

verandering, een verandering in de tweede macht te zijn; zij kan

zichzelf gelijk blijven, zonder enige zelfweerspreking (Voorbeeld: een

eenparige beweging, een gelijkmatig verlopend „zich zelf gelijk

blijvend” proces. Daartegenover staat dan een eenparig versnelde

beweging, als verandering in de 2e macht, als een gelijkelik of

niet-veranderend veranderende verandering. Volgt een versnellend

versnelde beweging en zo in infinitum.). Een verandering in zeker

opzicht kan dus, verstandig gesproken, zeer goed niet-verandering

zijn... in ander opzicht: beweging is als zodanig verandering van

plaats en kan dus niet-verandering zijn van snelheid. Ook hier dus geen

ontkenning en bevestiging van „hetzelfde in hetzelfde opzicht”.

Gelijkerwijs is dus ook een niet-vermeerderende (of zelfs

verminderende) vermeerdering geen contradictio in adjecto.

Niets van dit alles gaat het verstand, het zichzelf beheersend en zich

niet te buiten gaand verstand, te boven. Maar zo ver, tot het inzicht

dezer niet-weerspreking, wil of kan „zuivere rede” niet doordenken. Zij

is dan ook met haar bestendige verandering, haar volstrekte

betrekkelikheid, haar algemene biezonderheden en biezondere

algemeenheden, haar veelheid bevattende eenheid... verstandiger (of op

haar manier dus „dommer”) dan zij zelf wel weet of wil weten.

Hoe redelik en billik het verstand behandeld wordt door Zuivere Rede,

toont p. 86 (2e dr. 126): „dat de waan, alsof nu de roos òf wit òf

zwart zoude moeten blijken, eene onnoozelheid mag heeten.... komt aan

het verstandige denken al weer niet tot bewustzijn.” Zou Prof. B.

inderdaad van „het verstandige denken” zo weinig verstand hebben?

„A = A zegt het verstand in stellenden trant op beslisten toon, alles

gelijkt op.... zichzelf” (p. 83, 2e dr. 123) (Herhaling van p. 12,

Eenheid van Tegendeelen).

Dit laatste zegt alleen onverstandige zgn. „rede”—en alleen het

verstand begrijpt, wat Prof. Bolland miskent, welke waarheid er

verborgen ligt achter de òf onbewust òf tendentieus onverstandige

formulering A = A. In één zinnetje wordt dan (p. 85, 2e dr. 125) de

denkwetvervalsing „A is niet B” gelijk gesteld met het logiese „A is

niet niet A”, als „de bedoeling van het zoogen. principe der

contradictie”! Pp. 85–87 bevatten dan ook louter misverstand, dat

verstand van verstand blijkt te missen. Afdoende is p. 91 (131): „en

zal nu bij slot van rekening de grondstelling van het uitgesloten

midden haren zin niettemin behouden in de verplichting [Heymans, Wundt,

Lipps, B. Erdmann weerleggen dit logica-ethicisme] der gedachte, om

eene niet eenhoevige eenhoevigheid, eene niet gele geelheid of onnutte

nuttigheid af te weren, dan wordt het de vraag, of ‚de denkwet’ zich

niet aan eigene zinledigheid opheft.” Prof B. acht hier zinledig, iets

waarvan hem slechts de zin ontgaat. „Mais on fera ce jugement”, zegt

Leibniz (te weten „que toutes vérités identiques ne servent de rien”),

„faute d’avoir assez médité sur ces matières”. Die zin is deze, dat

bedoelde wet het prius is, de vooronderstelling en het fundament van

elke redelike gevolgtrekking (vergelijk Ges. und El. § 19 en K. d. r.

V. p. 151: „Daher müssen wir auch den Satz des Widerspruchs, als das

allgemeine und völlig hinreichende Principium aller analytischen

Erkenntniss gelten lassen”). „Ce qui fait voir que les propositions

identiques les plus pures et qui paraissent les plus inutiles sont d’un

usage considérable dans l’abstrait et général; et cela nous peut

apprendre qu’on ne doit mépriser aucune vérité”, zegt Leibniz in zijn

Nouveaux Essais sur l’Entendement, uitg. Janet, I, p. 328. Uw smalen op

„het nog niet tot rede gebrachte verstand” bewijst dus slechts dat uw

„rede” het nog niet tot verstand gebracht heeft. Toch zien wij in

„Aanschouwing en Verstand” p. 61 erkend, dat heel de rekenkunde

uitsluitend op de denkwet van de tegenstrijdigheid berust: „Meetkundige

waarheden berusten nu eenmaal niet, gelijk de getallenleer, uitsluitend

op de denkwet der tegenstrijdigheid.” En van deze denkwet levert p. 80

de zuivere formulering: „A is niet non A”.

De erkenning, „zonder meer”, van de „éénzijdige”, „verstandige”

denkwettelikheid (dus: niet niet A = A), geeft Prof. Bolland zelf b.v.

in no. 119 van zijn 1001 spreuken: „Het absoluut negatieve en het

relatief positieve zijn ongescheiden onderscheiden; ontkenning van

ontkenning is bepaalde bevestiging.” Hij geeft hier echter tevens een

sprekende proeve van gedachteloze klank-associatie, waar ontkenning van

ontkenning dienst moet doen als.... „het absoluut negatieve”! Klonk

daar niet twee maal „ontkenning”?! Vergelijk ook no. 392. Evenzo Z. R.

p. 52 (92), waar „Negatie van negatie, absolute negativiteit” optreedt

als „identiteit van het contraire”—dus niet van het contradictore!

Bedenkt men nu, dat „identiteit” („eenheid”) in Hegeliaans dialekt

gebruikt wordt in de zin van: denkbaar („redelik”) verband, en

„tegendeelen” wordt genomen voor wat onderling verschilt (Cohen raak:

„der Widerspruch muss sich die Abplattung in den Gegensatz gefallen

lassen”), dan ziet men, hoe zorgzaam hier de schijn van contradictie

gecultiveerd wordt op de bodem van een banale „verstandigheid”. Zo

vernedert men zich voor het gemeen begrip, door het te boven te willen

gaan. Heel dit odi profanum vulgus et arceo is dialecties op zijne

wijze.... vulgusdienst.

5 : p. 15. Men misvatte deze kenniskritiese vraag niet als een alogies

„psychologisme”. Natuurlik is de bedoeling niet: hoe komen wij, gij en

ik, psychologies aan dat praedicaat, door welke toevallige associaties

enz., maar: hoe komen wij als denkende, logiese wezens, bij de

voorwáárhouding van deze praedicaatstoekenning—hoe is deze logies te

„rechtvaardigen”?

Heel dat veelal onverkwikkelik gehaspel over „transcendentalisme” en

„psychologisme”, waarbij men ’t over en weer veel meer ééns is, dan men

zelf vermoedt (immers nòch loochenen de ernstige anti-psychologisten de

bewustzijns-natuur aller wetenschap, [233] al zijn er velen, die het

onpersoonlik subjekt der wetenschap en der waarheid over ’t hoofd zien,

nòch loochenen de bezonnen „psychologisten” de kritiese, logiese en

teleologiese natuur van „het probleem der ervaring”), vervalt voor het

inzicht, dat de kritiese rechtvaardiging en de genetiese verklaring

voor elk element van de wetenschap zouden samenvallen in de gegevenheid

van de gezochte logiese praemissen, die tegelijkertijd oorzaak en

rechtvaardiging („toereikende grond”) der aan kritiek onderworpen

overtuiging of waarheid zijn.

De logiese „mogelikheid” van een overtuiging (i.c. van de synthetiese

oordelen a priori) is tevens genetiese mogelikheid voor een logies

denkend subjekt—en omgekeerd.

En zonder voorondersteld logies subjekt vervalt—zo hier als ginds—het

hele probleem der „wetenschap”, zowel het probleem der mathesis als dat

der inductie.

Ieder derhalve, voor wie deze problemen bestaan, weet zich met absolute

zekerheid een logies denkend subjekt.

Hume heeft dus eigenlik reeds door zijn probleemstelling zelve zijn

eigen alogies, psychologies antwoord, en het empirisme, van te voren

weerlegd.

Kant’s principiële vraagstelling: „Hoe zijn synthet. oordelen a priori

mogelik?” wil dan ook in de grond niets anders zeggen dan: Hoe is een

oordeel over wat niet gegeven schijnt te kunnen zijn (b.v.

tijdoneindigheid: toekomst en verleden; ruimte-oneindigheid: axioma van

de rechte lijn) in overeenstemming te brengen met het kennis-axioma:

dat wij niets kunnen weten zonder voldoende gegevens. Kant betekent dus

niet, naar ondeskundige empiristen wel moeten wanen, de verzaking, maar

juist de handhaving van dit axioma.

Heymans’ vroeger-kantiaans „psychologisme” staat krities boven het

later-kantiaans „transcendentalisme” van „Die Philosophie im Beginn des

zwanzigsten Jahrhunderts”, boven het normatief neo-kantisme van

Windelband en de zijnen, door het inzicht, dat alle „waarde” fundering

behoeft en verkrijgt, niet door een rationialisties bedacht systeem van

doeleinden („Reich der Zwecke”), maar door de „werkelikheid” der

empiries te vinden wetten van oordelende subjectiviteit. Voor deze

feitelike geesteswettelikheid, wier ontdekking de taak is der

„analytiese methode”, waaraan het empirisme zijn empiriese weerlegging

te danken heeft, vervalt de befaamde „antinomie tussen natuurwet en

norm”. Heymans zoekt en vindt het Sein, waarop alle Sollen berust (i.

pl. v. omgekeerd, als bij Lotze c.s.), niet in het geleende maanlicht

van een Platonies transcendent absolutum („das Heilige” waarin de

„Präludien” zich oplossen of de „heilige wirkende Realität”, waar

Rickert’s „Grenzen” op uitlopen, p. 736 ss.), maar in de eigen zon der

zuiver immanente, transcendentale autonomie.

Vgk. ook Dr. Max Adler, Kausalität und Teleologie im Streite um die

Wissenschaft (Marx-Studien I, pp. 193–433), goed pp. 356 ss. over de

Denknotwendigkeit als „ganz einfach eine bestehende Gesetzlichkeit” (p.

360) en over „die Tatsächlichkeit der formalen Aktionsbeschaffenheit

des Bewusstseins” (p. 400 s.).

6 : p. 16. Tegen het Kriticisme is sinds Hegel (§ 10 Kl. Log.)

herhaaldelik aangevoerd: het zou de onderneming zijn van wie wil leren

zwemmen eer hij te water gaat...: wie anders zal de rede kritiseren,

dan... de rede zelf,—wier kritiek dus alleen waarde heeft... als we

uitgaan van de onaantastbaarheid van de kritiserende Rede. Zo zouden we

aan een petitio principii, een cirkelredenering ons schuldig maken. En

overbekend is Lotze’s woord: „Da mithin dieser Cirkel unvermeidlich

ist, so soll man ihn reinlich begehen.” Negamus. De zaak is, dat we

niets anders zoeken dan een rechtvaardiging van de wetenschap voor...

het Forum der Rede, niet voor een onmogelik, ondenkbaar, „absoluut”

Forum. Met een redelike rechtvaardiging van ons weten zijn we vooreerst

volkomen tevreden—en we zien niet in, welke zin „rechtvaardiging” nog

zou hebben—zonder de eisen der rede. Aldus Riehl en Heymans.

Wie „het bovenmenschelijke en volstrekte, dat ons ideaal blijft” nog

zoekt (vergelijk Bolland, Tweemaand. Tijdschr. 1898, p. 48, en p. 56:

„‚Voorzeker’, zeggen wij met Prof. W. Windelband, ‚de poging van Hegel

is... mislukt’”), voor hem bestaat de kenniskritiek niet.

Geen wonder, dat een dogmaticus als de Heer Christian Pesch S. J.

schrijft in een artikel over „Unser heiliger katholischer Glaube”

(Stimmen aus Maria-Laach 77: pp. 473–490), waarin naar r. k. opvatting

het al of niet r. k. geloven tot een kwestie van goed- of

kwaadwilligheid wordt gemaakt: „Die Katholiken glauben also weil sie

glauben wollen? Allerdings! wie auch die Ungläubigen nicht glauben weil

sie nicht glauben wollen”... „Glauben ist die Erfüllung einer Pflicht.

Darum wird der Glaube von Gott belohnt, der Unglaube bestraft.” (nog

loon ook voor ’t vervullen van die plicht—dus „befooide

gehoorzaamheid”!), geen wonder, dat een Jezuïet als hij zijn lezers

voorhoudt: „Was ist das für eine Wissenschaft, die alle

Errungenschaften menschlichen Denkens und Forschens vor ihren

Richterstuhl zieht und an dem läuternden Feuer ihres Zweifels und ihrer

Kritik prüft? Es giebt keine solche Wissenschaft.” Eppur...!

Op p. 488 staat dan over Kant: „Er hat seine Anhänger in eine Skepsis

hineingeführt, aus der sie trotz alles heissen Bemühens den Ausweg noch

nicht wiedergefunden haben. Hier liegt eine grosse Versündigung an der

Wahrhaftigkeit vor, nicht aber in der Ausschliessung des freiwilligen

Zweifels gegenüber sicher verbürgten Wahrheiten.”

Voorwaar—, hier liegt eine grosse Versündigung an der Wahrhaftigkeit

vor!

In dezelfde geest schrijft in hetzelfde tijdschrift een ander Jezuïet,

de heer Konstantin Kempf, als een nieuwe Brunetière, eerst over „Der

Bankrott der modernen Erkenntnislehre” (VII: 146 vv.) om vervolgens in

„Endstationen der modernen Philosophie” het uitvoerig weergegeven

Illusionisme van Prof. L. Stein... aan Kant (blijkbaar een goede

bekende van lezers en schrijver) in de schoenen te schuiven:

VIII: 281: „Also Ideale, d.h. nach Stein vererbte Illusionen, sind die

‚Tragepfeiler und Querbalken’ der modernen Weltanschauung. Kann man

deutlicher die Haltlosigkeit und den Bankrott derselben eingestehen,

kann man sich und seine Wissenschaft mehr blamieren, als es Stein tut?

Schwerlich. Wir haben ihn deshalb so ausführlich zitiert, weil er

erstens deutlich zeigt, wohin eine konsequente Weiterentwickelung der

von Kant angebahnten Philosophie führt. Der Kantsche Grundsatz: ‚Unsere

Erkenntnis richtet sich nicht nach den Dingen, sondern die Dinge

richten sich nach unserer Erkenntnis’, ist der Hauptscheidepunkt der

philosophischen Systeme, und der Weg, auf den jener Grundsatz hinweist,

führt unfehlbar zum jähen Absturz in die bodenlose Tiefe des

Skeptizismus. Je weiter man von da voranschreitet, um so dunkler und

nebelhafter wird alles, so dass man schliesslich auf alles keine andere

Antwort mehr weiss als: Es ist eine Illusion.”

Ik hoop elk van m’n lezers altans zó ver te brengen, dat hij de illusie

van dit soort wijsgeren (waartoe ook de ten onzent veel nageschreven

geleerde Cathrein behoort en speciaal Leslie J. Walker in zijn

„Theories of Knowledge”) omtrent zulk een „Hauptscheidepunkt” en Kant’s

„Grundsatz” doorziet en begrijpt, dat Kant nooit bedoeld heeft, zo min

als énig mij bekend wijsgerig stelsel, de dogmatiese dwaasheid te

verkondigen, dat de werkelikheid naar de pijpen van onze kennis zou

dansen [234], maar wel de kennis-kritiese waarheid, dat de

natuurdingen, de objekten, slechts zijn en zó-zijn bij de gratie der

kennende subjectiviteit,—een inzicht, dat niet alleen dezer heren

dogmaties realisme en dualisme weerlegt, maar juist ook alle

natuurwetenschappelik skepticisme en individualisme vernietigt.

’t Is al weer Berkeley, bij wie zij reeds uitnemend betoogd kunnen

vinden (P. of H. K. s. 86 vv.), hoe juist hun dogmatiese verdubbeling

„by supposing a two-fold existence of the objects of sense—the one

intelligible or in the mind [wij zouden zeggen: immanent], the other

real and without the mind” [alias transcendent]... „a most groundless

and absurd notion, is the very root of Scepticism”. Immers, werkten de

zinnen afbeeldend, naar enig model, in plaats van origineel-scheppend,

dan zouden ze ons best kunnen bedriegen en heel andere dan de

„werkelike” eigenschappen van de dingen kunnen vertonen. „So that, for

aught we know, all we see, hear and feel, may be only phantom and vain

chimera, and not at all agree with the real things existing in rerum

natura. All this sceptical cant follows from our supposing a difference

between things and ideas, and that the former have a subsistence

without the mind and unperceived”.

Wat Kant zelf betreft, in de tekst zetten wij uiteen, hoe juist en

alleen zijn kriticisme algemeen-geldige niet-analytiese waarheden

redelikerwijze grondvest, zodat Kant het recht heeft, te verklaren: „Die

Kritik der Vernunft führt also zuletzt nothwendig zur Wissenschaft; der

dogmatische Gebrauch derselben ohne Kritik dagegen auf grundlose

Behauptungen, denen man eben so scheinbare entgegensetzen kann, mithin

zum Skeptizismus.”

Natuurlik behandelt, ten onzent, ook de r. k. dogmaticus Dr. J. Th.

Beysens, hoogleraar in de wijsbegeerte bij de rijksuniversiteit te

Utrecht, die tot „de Leuvensche school” behoort, waartegenover dan nog

een „ultradogmatische” richting staat als „de gangbare”, in zijn

„Criteriologie” (2e dr. 1911), geënt op de „Critériologie Générale” van

zijn Leuvense autoriteit kardinaal Mercier (wiens Kantbesef uit enkele

zinnetjes, door zijn volgeling met instemming overgenomen, reeds

afdoende blijkt: „Dira-’t-on que la science est un roman, les

mathématiques une poésie? Il faut pourtant en venir là, lorsqu’on

prétend que tout objet de représentation intellectuelle n’est que

phénoménal.” of elders: „Si je ne connais que le mode d’apparition des

objets [!] à ma [!] pensée [!], τὸ Φαινόμενον [!], le réel empirique

m’échappe aussi bien que le réel métempirique.” en „rien ne m’empêche

de passer de la certitude des noumènes d’expérience [het staat er] à la

certitude des noumènes métaphysiques”), Kant onder het hoofd: „De

hoofdvormen van het sceptisch subjectivisme” (sc. „Het

Transcendentalisme” en „Het Empirisme”!).—Zelfs al wilde men voor een

ogenblik afzien van de waarheid, die ook voor het bereiken van het

kriticisme geldt: ne peut qui ne veut,—dan nog staat deze

Kant-„weerlegging” m.i. te ver beneden Kant-begrip om als

wetenschappelike Kantbestrijding in aanmerking te komen. Maar ook hier

blijve mijn oordeel niet zonder z’n summiere staving.

Reeds hoe Kant’s leer wordt weergegeven is de moeite van ’t citeren

waard: Als Prof. Beysens om te beginnen (aanhef Hoofdstuk III, p. 154)

de definitie geeft van „het Criticisme van I. Kant c.s., dat hier beter

[altans liever] met den naam van Transcendentalisme wordt aangeduid”

maakt hij er al dadelik juist datgene van, wat Kant.... het felst en

principieelst heeft bestreden, te weten: denk-rationalisme: „Alle

algemeene en noodzakelijke kennis is volgens hen a priori d.i.

onafhankelijk van alle ervaring door het denkend verstand uit eigen

denkaanleg opgebouwd.”! „Der Grundsatz, der meinen Idealismus

durchgängig regiert und bestimmt, ist dagegen: ‚Alles Erkenntnis von

Dingen, aus blossem reinen Verstande oder reiner Vernunft, ist nichts

als lauter Schein, und nur in der Erfahrung ist Wahrheit.’—Das ist ja

aber gerade das Gegenteil....” zo antwoordde Kant zelf (Proleg. p.

165)!—

Aldus voorbereid krijgt de lezer van Prof. Beysens nu eerst een

overeenkomstige „Uiteenzetting van het Systeem”, § 1 en dan de

bijbehorende § 2: „De Fouten van het Transcendentalisme”.

—De eerste pagina de beste (155) van deze § 1 vertoont al een begrip à

la Mercier van de Kantse phaenomena: „de gegevens der zinnen zijn louter

verschijnselen, indrukken, phoenomena.”, gelijk elders (no. 83) die

„verschijnselen” „de veelvuldige phoenomenale indrukken” heten (die oe

staat er, telkens! wat moet men van schrijver en zijn publiek denken,

dat zulk een barbarisme kan worden volgehouden in zodanig werk, 2e

druk?) en p. 156: „als indrukken zijn zij volkomen afhankelijk van den

bouw der organen en zelfs van hun oogenblikkelijken individueelen

toestand.”! En „dit subjectivistisch phoenomenalisme”, met hetzelfde

door Prof. Beysens’ naïveteit niet eens gemerkte

dogmaties-verdubbelende prikkel- en orgaan-realisme, dat hem te voren

al, b.v. in zijn § over de „Objectieve realiteit der gewaarwordingen”

(no. 68) evenals in no. 60, „Kritiek der sceptische redegronden”, heel

het idealisme-probleem doet misvatten en vermaterialiseren tot de

kennistheoreties irrelevante vraag van p. 149 (vgk. ook no. 56) „of de

gewaarwordingen (naar haar voorwerpelijken inhoud) van den aard van

prikkel en zintuigen beide afhankelijk zijn, dan wel een zuiver

subjectieven oorsprong hebben en dus louter bewustzijnstoestand of

louter eigen aandoeningen zijn.” (irrelevant, aangezien elk

kenniskrities „idealist” of „subjectivist” of „phaenomenalist” of

„relativist”—Prof. Beysens kieze welke lelike naam hij wil—erkent, dat

physiologies elke gewaarwordingsbepaaldheid een functie is van

objectieve prikkel èn organisme gezamenlik, terwijl deze

gewaarwordingsbepaaldheid als psychiese realiteit causaal evenmin van

prikkels als van de physiese organisatie afhangt, immers niet van

phaenomena, objekten, maar van hun realia, i.c. de subjectieve

psychiese organisatie en het transobjectieve substraat van de prikkels,

terwijl die qualiteit als geestesprodukt, bewustzijnsbiezonderheid,

nòch overdraagsel van „elders” nòch afbeeldsel van iets buiten-psychies

kàn zijn; aan het werkelik kenniskrities „idealisme” probleem komt dus

Prof. Beysens zelfs daar, waar hij waant het te behandelen, niet eens

toe!), dit even onkants als onkrities, realisties „subjectivistisch

phoenomenalisme” zou de leer van Kant zijn!

Voor het gelden a priori (algemeen en noodzakelik ten aanzien van

objekten) van synthetiese oordelen de rechtvaardiging, de „mogelikheid”

te vinden, dat was Kant’s grote probleem, naar ik in de tekst

uiteenzet. Volgens Prof. Beysens nu vindt Kant die rechtvaardiging in,

lach niet,.... hun aprioriteit zelf! Ziehier (p. 158/9): „Hoe dan de

objectieve geldigheid van deze algemeene en noodzakelijke oordeelen,

daar zij immers a priori zijn, te rechtvaardigen? Juist door hun

aprioriteit, luidt het antwoord.” Hoe komt Prof. B. aan deze

enormiteit? Wel, de definitie, die hij van a priori geeft....

verhaspelt eenvoudig Kant’s „subjectivistische” oplossing met het

probleem zelf! Aldus: „Want wat a priori d.i. in den aanleg of de

natuur van het denkend subject gegeven is, wordt van zelf noodzakelijk

gedacht.”—Diezelfde bladzij refereert dan nog als volgt: „het is de wet

van ons denkleven [!], dat wij ons zelven de ervaringsdingen a priori

construeeren door de ‚denk- en aanschouwingsvormen a priori van onzen

geest’ [ge raadt het nooit] te objectiveeren, en zóó uit ons zelven

door synthese a priori de wereld onzer kennis in elkander te zetten.”!

Geobjectiveerde kennisvormen! Even Kants als „de aprioristische of

denkwettelijke natuur der begrippen” van diezelfde pagina. Het wordt

nog fraaier op p. 161/2: „Zóó is het begrip (en het ervaringsoordeel)

niet zelf de vrucht van ervaring, maar de voorwaarde-a-priori van

mogelijke ervaring.”! Stel u voor, het begrip, dus ook een empiries

begrip, en zelfs een ervaringsoordeel, niet meer element van

„ervaring”, maar ervaringsgrond en transcendentaal! Weet Prof. Beysens

wel wat hij zegt? Kan Kant erger verstoethaspeld worden? Ja, blijkbaar

wel. Want Prof. Beysens’ Kantbegriploosheid gaat zo ver, dat hij a

priori en transcendentaal eenvoudig gelijkstelt, vereenzelvigt, en op

p. 168 laat drukken: „Voor Kant c.s. echter is alle kennis, de

objectief geldige niet uitgezonderd [dus ook de niet objectief geldige

„kennis” transcendentaal?!], transcendentaal of a priori”. Welk een

dubbele onwaarheid hier gedebiteerd wordt beseft ieder ingewijde, die

weet, dat a priori een zuiver feitelik begrip is, dat uitsluitend

tegenover a posteriori staat, transcendentaal daarentegen een zuiver

theoreties begrip, voor al wat synthetiese oordelen a priori (en dus

„Erfahrung”, wetenschap, zie mijn noot 1 bl. 19) mogelik maakt en

rechtvaardigt („begründet”), door Kant dus gebruikt zowel voor het

„transcendentale Object” enerzijds en anderzijds speciaal de „formele”

kenniselementen, als voor heel het onderzoek der „Kritik”, de

„kritiese” methode, zelf en staande evenzeer tegenover het

transcendente, terrein van oordelen a priori, als tegenover het

empiriese. „Transcendentaal” is dus niet eens „de objectief geldige

kennis”, de „Erfahrung”, zelf, maar wat deze.... mogelik maakt. En welk

een onschuldige dwaas zou „Kant c.s.” zijn, in plaats van de geweldige

dogmadoder die hij welbegrepen blijkt en meer en meer voor alle

toekomst zal blijken, als hij de kennis a posteriori, die

vooronderstelling van zijn leer, zou loochenen of miskennen!

—Genoeg van Prof. Beysens’ „Uiteenzetting” van Kant. Wij zijn aangeland

bij § 2, over „De fouten van het Transcendentalisme”, een §, die zich

waardig bij haar voorgangster aansluit en wier ietwat te bescheiden

titel verdient te worden aangevuld tot: De fouten van het

„Transcendentalisme” van Prof. Beysens. Ook daarvan dienen nu nog enige

proeven in ’t licht gesteld om te tonen, hoe ver Prof. B. beneden Kant,

beneden de kenniskritiek, blijft.

Dat Kant volgens Prof. B. (no. 77, p. 168) „In de metaphysische

deductie tracht”, „het aprioristisch of [!] transcendentaal karakter

onzer schijnbaar [!] objectieve kennis.... aan te toonen” behoeft tans

geen verder commentaar. Maar de cardo rei voor ons komt in no. 99 ss.

(p. 170 ss.), waar men tracht, de lastige synthetiese oordelen a

priori, dat feitelik uitgangspunt van heel de kenniskritiek, „dat

tusschending”, zoals Prof. B. zegt, tussen analytiese en

ervaringsoordelen, kwijt te raken, door Kant’s fundamentele

oordeelsonderscheiding, waarvan hij met gerechtvaardigde trots kon

verklaren: „Diese Einteilung ist in Ansehung der Kritik des

menschlichen Verstandes unentbehrlich und verdient daher in ihr

klassisch zu sein”, te vervangen (als niet „juist” en niet „logisch”!)

door een andere, vóórkritiese, als volgt: „De bewering omtrent het

synthetisch aprioristisch karakter van vele algemeene ideëele [?]

oordeelen berust op eene onzuivere begripsbepaling der [!] analytische

en synthetische oordeelen. Kant beperkt eerstgenoemde willekeurig [„en

geheel onlogisch”] tot die, welker praedicaat vormelijk [Kant gebruikt

dit scholastieke woordje niet] tot den inhoud van het subject

behoort.”.... „Het [!] analytisch oordeel heeft een veel ruimere

beteekenis dan die, welke Kant er aan geeft. Het oordeel is blijkbaar

[?] dàn analytisch geldig [een nieuw begrip! alsof „analyties” en

„syntheties” een geldigheidsoort i.p.v. een ontstaanswijs van oordelen

betrof!], als de uitspraak of de verbinding der termen berust op

zuivere begripsontleding en vergelijking. Zoo [?] staan de analytische

oordeelen tegenover de ervaringsoordeelen of tegenover dezulke, waarin

het verband der termen door ervaring wordt gekend.” En

oordeels-verdeling, zegt Prof. Beysens terecht, behoort de

oordeels-vorming te gelden, de wijze waarop wij het verband der termen

te weten komen, niet de begripsvorming der termen zelf. „Vandaar dan

ook, dat de verdeeling van Kant, die zich eigenlijk afvroeg, of wij het

begrip P. onder de vormelijke kenmerken van S. terugvinden, ja dan

neen, den naam van oordeels-verdeeling niet verdient; vandaar ook dat

hij stootte op dat tusschending, dat hij als synthetisch-aprioristisch

oordeel doopte.” Hier is Prof. B. de tolk van een Kantmisduiding, zó

verregaand als ik niet voor mogelik had gehouden. Maar ab esse ad posse

valet illatio—dies maak ik dankbaar van deze door Prof. B. mij

verschafte gelegenheid gebruik om de aanleiding tot dusdanige

misvatting weg te nemen, die ook mijn definitie van een analyties

oordeel (zie bl. 9) aan een slecht verstaander (die ook maar een half

woord nodig heeft) zou kunnen geven. Men lasse dus in mijn definitie:

„Een analyties oordeel is een zodanig, welks gezegde-begrip verkregen

is door ontleding, analyse, van het subject-begrip” achter

„gezegde-begrip” in: „qua talis”. Want dat dit begrip in het gezegde,

en dat dus het oordeel zelf, is verkregen door ontleding van het

subjektbegrip, maakt het oordeel analyties. Ja, al had Kant het niet

uitdrukkelik („vormelijk”) zelf gezegd, dan nog sprak het vanzelf, voor

wie hem begrijpt, dat zijn verdeling uitsluitend het verband der termen

betreft en het ook voor Kant „volmaakt onverschillig” is, „hoe wij in

het bezit der termen kwamen”, als begrippen op zich zelf beschouwd, dat

hij niet vraagt, hoe wij komen bij de kennis van het praedicaatsbegrip

als begrip, maar bij het oordeel, dus het praedicaatsbegrip in het

oordeel, bij de toekenning van het praedicaat aan het subjekt, bij de

wetenschap omtrent het verband, de verhouding tussen beide. Welnu, Kant

begint zelfs zijn inleidende Afdeling: „Von dem Unterschiede

analytischer und synthetischer Urtheile” aldus: „In allen Urtheilen,

worinnen das Verhältniss eines Subjects zum Prädicat gedacht wird,....

ist dieses Verhältniss auf zweierlei Art möglich. Entweder das Prädicat

B gehöret zum Subject A als etwas, was in diesem Begriffe A

(versteckter Weise) enthalten ist; oder B liegt ganz ausser dem Begriff

A, ob es zwar mit demselben in Verknüpfung steht. Im ersten Fall nenne

ich das Urtheil analytisch, im andern synthetisch. Analytische

Urtheile.... sind also diejenigen, in welchen die Verknüpfung des

Prädicats mit dem Subject durch Identität, diejenigen aber, in denen

diese Verknüpfung ohne Identität gedacht wird, sollen synthetische

Urtheile heissen”. Blijkt dus Prof. Beysens’ subtiele aanmerking op

Kant’s oordeelsverdeling, gelijk zijn verklaring, hoe Kant „stootte op

dat tusschending”, te berusten op niets dan grove Kantmisduiding,

hoeveel te erger nog is de bewering, waaraan Prof. Beysens zich zowel

in no. 78 als in no. 80 bezondigt, dat Kant zelf deze Kantmisduiding,

die Kant’s kritiese onderscheiding verdoezelt, ja uitwist, voor zijn

rekening zou hebben genomen! Ziehier: „De analytische oordeelen in den

zin van Kant begrepen.... zijn volgens hem eigenlijk evenzeer

synthetisch a priori, omdat zij een voorafgaande synthese a priori van

het begrip, hetwelk zij ontleden, veronderstellen. Deze bewering nu

staat....”! Deze bewering nu staat.... niet bij Kant, zover ik weet.

Zou Prof. Beysens zo goed willen zijn, mij één plaats aan te wijzen,

waar Kant beweert, dat de analytiese oordelen synthetiese oordelen,

„evenzeer synthetisch a priori” zouden zijn? Zo lang hij dat niet kan,

blijf ik er bij, dat Prof. Beysens’ „leer der waarheid” ook hier lelik

onwaarheid spreekt. Des te leliker, wijl Kant, zij het ten overvloede,

uitdrukkelik het tegendeel zegt, nl., dat de wijze, hoe we aan de

betrokken begrippen komen, er niets toe doet, dat de begrippen b.v.

zuiver empiries (syntheties) kunnen zijn in een oordeel, dat analyties,

dus a priori, is en blijft: „Alle analytischen Urteile beruhen gänzlich

auf dem Satze des Widerspruchs und sind ihrer Natur nach Erkenntnisse a

priori, die Begriffe, die ihnen zur Materie dienen, mögen empirisch

sein, oder nicht.”.... „Eben darum sind auch alle analytischen Sätze

Urteile a priori, wenngleich ihre Begriffe empirisch sind”. Van déze

analytiese oordelen a priori zou dus Prof. Beysens’ Kant (gezuiverd dan

nog van die andere hem aangewreven dwaasheid, de loochening der

empiriese, door abstractie en synthese a posteriori samengestelde

begrippen) zelfs synthetiese oordelen a posteriori maken! Men vat dus,

hoeveel Prof. Beysens’ Kant lijkt op de wijsgeer Kant!

Verdient dus Kant’s oordeelsonderscheiding haar naam in dubbele zin,

n’en déplaise Prof. Beysens c.s., zij is bovendien even ondubbelzinnig

en grondvestend voor de kenniskritiek, als die van Prof. B. c.s.

verwarrend en kenniskrities irrelevant, onbruikbaar blijkt. Immers, elk

oordeel is àl of niet analyties, àl of niet verkregen door, berustend

op, de ontleding van het subjektbegrip, zonder andere kennisbron, ’t

zij empiries of transcendentaal, te behoeven (vgk. mijn tekst, bl. 9 en

10) en uitsluitend de analytiese oordelen (naar Kant’s zuiver

indelingsbeginsel) zijn „denknoodwendig”—in die zin, dat hun ontkenning

een logiese contradictie bevat, wat bij de synthetiese, ’t zij a

posteriori ’t zij a priori, nooit het geval is. „Das gemeinschaftliche

Prinzip aller analytischen Urteile ist der Satz des Widerspruchs.”

„Synthetische Urteile bedürfen ein anderes Prinzip, als den Satz des

Widerspruchs.” We weten dus a priori, dat slechts sofismen uit „zuivere

begripsontleding” synthetiese oordelen kunnen halen als het

causaliteitsbeginsel of het axioma der rechte lijn (de

ruimte-oneindigheid) of enige afgeleide meetkundestelling. A posteriori

bevestigt het ons Prof. Beysens’ voorbeeld. Zo ten aanzien der

causaliteit in no. 48 (bl. 101 vv.) en no. 80 (bl. 177 vv.). „Als

voorbeeld kan dienen de boven gegeven (bl. 105) bezinning op het

oorzakelijkheidsbeginsel.” zegt Prof. B. terecht op p. 172. Aldaar, in

no. 48, wil Prof. B. (nog wel ter „Verificatie der objectivistische

hypothese”, waartoe zelfs het geleverd bewijs, ware het leverbaar,

niets zou bijdragen zonder de waan: „die openbaring van het verband der

begrippen in en door de ontvouwing of verduidelijking van hun inhoud,

is niets anders dan de objectieve klaarblijkelijkheid der

voorwerpelijke waarheid.”, een waan, die vergeet, dat een analyties

oordeel—uit begripsontleding b.v. van een der R. K. of Zarathustriese

Duivels of Godpersonen—slechts omtrent kenmerken van het subjektbegrip

iets leert, maar niets hoegenaamd omtrent de objectiviteit, het al of

niet bestaan, van het subjekt!) analyties bewijzen, dat „krachtens zijn

eigen begripsinhoud” „ieder willekeurig worden een oorzaak hebben

moet”, dus veroorzaakt-worden is! „Want het gebeuren is krachtens eigen

begrip iets gevolgelijks, juist omdat het ‚komt’ tot bestaan.” Ziehier

al dadelik de petitio principii, de binnensmokkeling van het

synthetiese oordeel a priori, dat elk gebeuren „gevolg” moet zijn van

iets, waardoor het gebeurt, dus een „grond” moet hebben! De misleidende

schijn van een analyties oordeel berust hier op een quaternio

terminorum: de argeloze lezer misvat allicht de bedoeling van het

onhollandse „iets gevolgelijks” in die zin, waarin het inderdaad in het

„gebeuren”, „komen” ligt opgesloten, van iets dat volgt, „komt” na

iets, als sequens, maar deze tijdelike zin wordt door Prof. B. juist

uitdrukkelik (p. 178) uitgesloten; hij bedoelt het ontijdelik, logies,

als iets dat volgt uit iets, als consequens, als „gevolg” van iets,

waardoor het „komt” (in het Duits zou dat nog makkeliker gaan, waar

„Folge” zowel sequens als consequens betekent!), terwijl het woord

„gevolg” dan nog op de koop toe logies en causaal verband

verraderlikerwijze vereenzelvigt!—Is aldus de noodzakelikheid van een

„grond” binnengesmokkeld, dan vervolgt Prof. B.: „Maar niets is geen

grond, juist omdat het niets is. Worden door niets is dus gelijkluidend

met niet-worden; uit niets wordt niets.” Gelijkluidend? Integendeel.

Met de syntheties-aprioriese petitio principii, dat elk worden een

„grond” moet hebben, waardoor, waaruit het wordt, staat en valt het

betoog, dat slechts daardoor nog iemand vangt, wijl, naar Kant opmerkt,

de „Satz des zureichenden Grundes” nu eenmaal tot die „synthetische

Sätze” behoort, „die ihr niemals aus blosser Vernunft, mithin, wie doch

eure Pflicht war, a priori bewiesen habt, die man euch aber doch gerne

einräumt”!—Op overeenkomstige wijs gaat het in no. 80 (p. 178/9):

„Immers wat bestaat, en den voldoenden grond van dat bestaan niet in

zich zelven heeft, moet den grond van zijn bestaan in een ander

[import!] hebben. Anders zou het ding bestaan zonder voldoenden grond

[welnu, wat zou dat? Bestaan zonder voldoende grond is nu eenmaal geen

logiese contradictie!]; of ook bestaan.... en niet bestaan tegelijk”.

De petitio principii is hier weer: „Bestaan zonder voldoende grond is

niet bestaan.” Wat daarvan te zeggen? 1o: Daar zelfs voor Prof. B. het

beginsel van voldoende grond en dat der tegenspraak onderscheiden zijn,

is de bewering letterlik een klaarblijkelike vormelike onwaarheid. 2o:

Betekent hier „grond” de ratio, als logiese grond, dus wat de

praemissen voor een conclusie zijn, dan is het een bewering van

hetzelfde allooi als deze: „een bewering zonder voldoende grond is geen

bewering”! Uit deze mijn vergelijking zou Prof. B.’s

oorzaak-rationalisme kunnen leren onderscheiden tussen gegrondheid en

veroorzaaktzijn! 3o: Verstaat men onder „grond” een soort begrip, dat

ook de oorzaak als bestaansgrond (beter ontstaansgrond) bevat en

bedoelt men: „Bestaan zonder grond bestaat niet, komt niet voor”, dan

moge de bewering juist zijn—ze is het alleen als syntheties oordeel a

priori, waarvoor in het begrip bestaan geen zweem van een „grond” te

vinden valt!—De „grond”fout dus (in dubbele zin), het πρωτον ψευδος

waaruit Prof. Beysens’ petitiones principii voortkomen, is de

„dogmatische Schlummer” van het scholastieke rationalisme, dat in de

„ratio” (vertaling van αὶτικ) kengrond en oorzaak samenvat, immers de

oorzaak, die ontstaansvoorwaarde van verandering, gemaakt tot

bestaansgrond van „contingente” wezens, nog houdt voor een bepaald

geval van de logiese „grond”—een dwaling, inmiddels weerlegd, al sinds

de voorvorige eeuw, door de ontdekkingen en resultaten der

wetenschappelike causaliteitskritiek, geïnaugureerd door een Hume en

een Kant—weerlegd dus op soortgelijke wijs als de bodem van alle

dogmaties bijbelgeloof ondermijnd is door de ontdekkingen en resultaten

van de wetenschappelike bijbelkritiek der laatste eeuwen, geïnaugureerd

door een Spinoza. Al zullen en scholastiek en bijbels dogmatisme hun

triest bestaan als volgehouden onwaarheid nog wel een poosje, misschien

een eeuw of wat, voortslepen .... magna est veritas et praevalebit.

Nu ik de logiese fouten van Prof. Beysens c.s.’ schijnbewijzen voor het

causaliteitsbeginsel heb gedemonstreerd [235] kan ik over de rest des

te korter zijn. Ik wijs er dus slechts met een enkel woord op, dat de

„analytiese” natuur van het axioma der rechte lijn, weerlegd door de

metageometrie (om Kant er hier buiten te laten), „bewezen” wordt op p.

176 door een enthymema met de verzwegen onjuiste praemissa maior: een

„som van.... afstandsverhoudingen” is groter dan „ééne

afstandsverhouding”! Zo verkondigt p. 172 nog dat „uit het wezen van

den driehoek als zoodanig.... de gelijkheid zijner hoeken met twee

rechte volgt.” (evenals uit het „wezen” van de mens qua „geest” zijn

onsterfelikheid „volgt”, of uit het wezen van de R. K. Kerk haar

onfeilbaarheid en de waarheid van alle R. K. dogmata benevens de

verplichting van een iegelik onzer, zo nodig tegen eigen overtuiging

in, onze rede gevangen te geven aan het R. K. geloof, tegenwoordig nog

slechts op straffe van verdoeming, aangezien geen „wereldlike arm” meer

„ad extirpanda”, tot verbranding etc, ter beschikking staat) als hadden

Riemann en Helmholtz niet sinds lang onwederlegbaar („endgültig”)

bewezen, dat die gevolgtrekking twee synthetiese oordelen a priori

onderstelt, te weten: het axioma van de rechte lijn en het axioma der

// lijnen, zodat men slechts dit laatste behoeft op te geven, wat

zonder enige zelfweerspreking doenlik is, om een △, kleiner dan 180°,

en beide axioma’s, om zonder contradictie een △ van meer dan 180°

mogelik te maken!—Dan noemt bl. 176 nog „ongetwijfeld synthetisch,

d.w.z. [!] aan de ervaring ontleend of liever daarop gegrond”: „De wet

van het behoud der stof en energie, en evenzoo die van de gelijkheid der

werking en tegenwerking”, dus die beginselen van de natuurwetenschap

(iets heel anders dan wetten als b.v. de gravitatiewet), die

ongetwijfeld syntheties zijn, d.w.z. „de gegeven begrippen bevatten

niet de reden van het oordeel”, maar even ongetwijfeld apriories,

nademaal hun absoluut exakte geldigheid en zekerheid ook voor het

tijdelik (toekomst en verleden) en ruimtelik (de andere zonnestelsels)

onbereikbare, alle menselike ervaringsmogelikheid overschrijdt. Ze

worden dan ook niet als toevallig voorlopig resultaat, maar als

richtsnoer en grondslag van het natuurwetenschappelik onderzoek

gehanteerd (b.v. in de scheikunde), als „postulaten” of „axioma’s”,

corollaria [236] die ze zijn van het postulaat van Hamilton: de

onmogelikheid van ontstaan en te niet gaan. Huber is dan ook onbevangen

genoeg om ze met een olike contradictio in adjecto „empirische Axiome”

te noemen, „d.h. Sätze, die aus der Erfahrung stammen, aber doch in der

Wissenschaft allgemeine Bedeutung haben” (Noëtik oder Kritik, p. 138)!

Hoe dat mogelik is, daar vraagt dit dogmatisme niet naar—alléén voor

het kriticisme worden zulke „axioma’s”, als alle andere, tot probleem!

Zoveel over Prof. Beysens c.s.’ verweer tegen de synthetiese oordelen a

priori en het krities probleem. Wat in no. 82 nu nog tegen „de leer der

begripsvorming a priori” wordt te berde gebracht culmineert in

kardinaal Mercier’s bovengenoemde misvatting die de wetenschap tot een

roman, de wiskunde tot een poëzie laat maken door „le même pouvoir

créateur du sujet pensant”, die dus Kant niet raakt, terwijl Prof.

Beysens op diezelfde bl. 183 nog toont, zich Kant’s geesteswettelikheid

als bron van objectief apriories-syntheties weten niet anders dan

dogmaties-verdubbelend te kunnen denken, immers als „de inrichting

onzer natuur, wier wet overeenkomstig den aard der gegeven [!] objecten

is ingericht”. Over de wijze waarop in no. 83 een bladzij of 5 Kant’s

leer van tijd en ruimte moet te niet doen, volsta de vermelding, dat

tegen het apriories karakter van ons ruimtelik weten o.a. op „het

empirisch psychophysiologisch onderzoek” een beroep wordt gedaan en

verwezen naar „de kritiek van Ziehen” („Psychophysiologische

Erkenntnistheorie”), gelijk er voor Prof. Beysens op p. 186: „Als a

priori of zuiver-subjectief gegeven” niets anders overblijft dan wat

„Helmholtz een ‚physiologischen Mechanismus der Nerven’ noemt”! Een

heerlik a priori! Geen wonder, dat tegen Kant’s „phoenomenalisme”,

behalve b.v. Messer (zie opm. 41), ook het Lockiaans materialisme van

een Ostwald te hulp wordt geroepen (no. 68), want het materialisties

ongeloof van de Ostwalds of Ziehens en het dualisties geloof van de

Beysens c.s. is in verhouding tot Kant één pot nat: het exact weerlegd

„dogmatische Gewäsche” van het materie-realisme. (Vgk. voor deze

verwantschap ook opm. 15)—

Wat verder de §§ 83–85 nog aan vergissingen brengen laten we welwillend

in de „duisternis” (vgk. p. 191), waarin ze zelf t.a.v. „het

Transcendentalisme” wel moeten blijven.

En hiermede basta. Al waardeer ik, blijkens het onevenredig tal

bladzijden, aan Prof. Beysens’ Kantbehandeling hier gewijd, diens

ernstig bedoelde pogingen, zich met het kriticisme te meten, het was

mijn plicht, te tonen, wat daarvan terechtbrengt wie, met al zijn

geestesscherpte, met al zijn scholastieke geoefendheid, voor de

soevereine kenniskritiek de ogen niet mag en niet wil openen, dus haar

problemen, dus de synth. oordelen a priori, moet loochenen en

verdonkeremanen, omdat zijn „wijsbegeerte” slechts de „ancilla

theologiae”, de dienstmeid, neen, slavin van het dogmatisme mag zijn

en, hoe stakkerig ongerijmd [237] het ook zij, aan die (R. K.)

theologie zich heeft te „orientieren und korrigieren”!

Arme slavin van koninkliken huize—tot welke drogredenen moet gij u

lenen, gij, gevangen, „in domo petri”! Maar ook voor u geldt het woord:

de waarheid zal u vrij maken!

7 : p. 17. Dogmatisme, dogma. Een op het eerste gehoor verbijsterende

paradox als die van de befaamde Thomist Huber in zijn Grundzüge der

Logik und Noëtik, p. 107: „Der einzige zulässige Standpunkt der Kritik

ist der Dogmatismus” toont wel, hoe nodig het is, precies te definiëren

en toe te lichten, wat met het door de „kritiek” weerlegde „dogmatisme”

bedoeld wordt. Want gold het slechts „die Anerkennung von Dogmen, d.h.

von feststehenden Warhrheiten” (ibid.), welk logicus zou dan geen

„dogmaticus” zijn?—De kenniskritiese definitie dan luidt: een dogma is

een onmogelik syntheties oordeel a priori, d.w.z. een s. o. a pr.

zonder mogelike redelike rechtvaardiging („transcendentale deductie”),

een s. o. a pr. zonder mogelike kenbron; en in ietwat wijdere zin: elk

s. o. a pr., zonder (voldoende) grond aanvaard, of populair uitgedrukt:

een bewering, waarvan men geen redelike rekenschap kan geven: „denn

eben darin besteht Vernunft, dass wir von allen unseren Begriffen,

Meinungen und Behauptungen, es sei aus objectiven, oder wenn sie

blosser Schein sind, aus subjectiven Gründen, Rechenschaft geben

können.” (K. d. r. V. p. 483). Dogmatisme heet elke leer of richting,

gegrond of steunend op enig dogma.—Over de specifiek anti-dogmatiese

strekking nu van Kant’s „kritiese” („transcendentale”) vraag en het

kriticisties („transcendentalisties”) antwoord zal mijn vertoog zelf

wel alle verlangde licht verspreiden (vgk. ook het overzicht van pp.

22–24) en dus duidelik maken, in hoeverre het ontologisme en het

ruimte- en materie-realisme dogmaties zijn. Het dogma b.v., waarop

laatstgenoemde leer berust, is de stelling, dat de dingen ook

onafhankelik van mogelike waarneming, ook buiten betrekking tot het

subjekt der natuur, zinnelike eigenschappen hebben, ruimtelik zijn,

zich bewegen enz., een vooreerst syntheties en vervolgens, wijl alle

ervaringsmogelikheid overschrijdend, apriories oordeel.... zonder

mogelike kennisbron.—Empirisme en rationalisme kunnen in dit geschrift

slechts terloops besproken worden. Dogmaties is het eerste, wijl het

synth. oordelen a pr., zonder ze als zodanig te kennen of te erkennen,

zijns ondanks aanvaardt en hanteert, dus a fortiori zonder van hun

mogelikheid rekenschap te vragen, laat staan te geven. Het houdt synth.

oordelen a priori voor s. o. a posteriori. Het wil uit „ervaring” meer

halen dan er in ligt, houdt dus een logies ongedekt, dogmaties, saldo

over, precies zover zijn synthetiese oordelen apriories zijn. Het

rationalisme is dogmaties, wijl het op zijn beurt z’n synth. oordelen a

pr. wil halen uit de „rede”, uit een bron, die alleen voor analytiese

oordelen toereikend is. Het houdt synth. oordelen a pr. voor analyties,

en heeft dus een logies ongedekt, dogmaties, saldo precies zover zijn

aprioriese oordelen syntheties blijken.

Welk een vlijmscherp wapen die kritiese, transcendentale, vraagstelling

is, zal elk lezer ondervinden, zodra hij het zelf gaat hanteren—en zich

geen enkel oordeel meer laat opdringen, zonder het eerst te keuren op

zijn kennistheoreties gehalte: al of niet syntheties, a priori of a

posteriori, en het af te wijzen indien het dogmaties blijkt.—Hij kan

zich dan het ironies genoegen verschaffen, hele lijsten van dogma’s aan

te leggen uit de meest anti-dogmatiese schrijvers, als de positivisten

(Comte c.s., of Laas of Petzoldt enz.) ten aanzien van logica, wiskunde

en inductie (b.v. Comte’s „invariabilité des relations réelles

subjectives et objectives” of Petzoldt’s „Voraussetzung vollkommener

Bestimmheit.... vollkommener Eindeutigkeit alles Geschehens”, die op

niets anders berust dan op zijn „overwonnen spook” der.... substantie,

en heel zijn „Relativismus” van „Elemente” à la Mach, van betrekkingen

zonder betrokkenheden, die over ’t hoofd ziet, hoe elke relatie....

reeds twee betrekkelike absoluta onderstelt, [238] en dat op de keper

beschouwd slechts een zichzelf en z’n prius verloochenend materialisme

blijkt,—of het empiristies-miskend a priori in Laas’ Idealismus und

Positivismus, zijn „wohlbegründeten Gesetze” b.v. van III p. 243,

gelijk zijn „Uniformität des Naturlaufs” etc.) en de materialisten als

Haeckel met zijn reële oneindigheden: materie, aether, ruimte,

tijd.—Hegel’s bladzijden wemelen van dogmatiese synth. oordelen a

priori, verscholen meestal achter een „also”, „demnach”, „somit” enz.,

maar ook Kant zelf heeft er zich niet van bevrijd, b.v. Proleg. p. 151:

„weil alles, was in der Natur liegt, doch auf irgend eine nützliche

Absicht ursprünglich angelegt sein muss” of K. d. r. V. p. 615: „Daher

auch Jedermann die moralischen Gesetze als Gebote ansieht, welches sie

aber nicht sein könnten, wenn sie nicht a priori angemessene Folgen mit

ihrer Regel verknüpften und also Verheissungen und Drohungen bei sich

führten.”, een merkwaardige plaats, door Schopenhauer klaarblijkelik

niet gekend, waar Kant al van meet af, m.i. ten onrechte, capituleert

voor Schopenhauer’s kritiek op de „contradictio in adjecto” van een

„absolutem Sollen”, van „unbedingter Pflicht”, van een „kategorischem

Gebote”: „Jedes Soll hat allen Sinn und Bedeutung schlechterdings nur

in Beziehung auf angedrohte Strafe, oder verheissene Belohnung.”

Daaruit volgt voor Schopenhauer, dat elk Sollen „in Kants Sprache zu

reden, wesentlich und unausweichbar hypothetisch und niemals, wie er

behauptet, kategorisch” is, ergo „Die völlige Undenkbarkeit und

Widersinnigkeit dieses der Ethik Kants zum Grunde liegenden Begriffs

eines unbedingten Sollens” (III p. 503)!—Zo is Kant’s beruchte leer der

vergelding, der talio, als inhoud van een kategoriese imperativus een

door Kant’s eigen kritiek onmogelik gemaakt, met zijn kennisleer en

zijn ethica strijdig niet-formeel syntheties oordeel a priori of

dogma!—

Zo berust, om ten slotte nog enkele voorbeelden te nemen uit heel

andere sferen, de methode der ekonomistiese geschiedenisbeschouwing,

die de misleidende naam draagt van „histories materialisme”, op het

dogma (een synth. o. a pr. zonder andere kennisbron dan ervaring), dat

de maatschappelike oorzaken uitsluitend of „in laatste instantie”

ekonomiese oorzaken zijn.

Evenzo berust alle zgn. „ervaring” van „inspiratie”, of elk zgn.

„constateren” van een „wonder” op onmogelike synthetiese oordelen a

priori, daar èn transcendente causaliteit èn inbreuk op de

natuurwettelikheid principieel onervaarbaar, onkenbaar zijn. Een

„wonder” is dus nooit meer dan een verklaringshypothese voor

ervaringsfeiten en van alle denkbare hypothesen uiteraard (anders was

’t geen wonder) de onwaarschijnlikste, die dus altijd het laatst, ergo

nooit, in aanmerking komt. In Hume’s geest („If the falsehood of his

testimony would be more miraculous than the event which he relates,

then, and not but then, can he pretend to command my belief or

opinion.”) zou men het, scherper, aldus kunnen formuleren: Het wonder

draagt principieel de bewijslast—en moet daarbij principieel falen.—

8: p. 19. Zo luidt een geschrift van Prof. Dr. Wilhelm Jerusalem,

filosofie-professor te Wenen. Men walgt van de Kanthielelikkerij van

deze en dergelijke empiristen, die van Kant’s kennisleer geen besef

hebben [239]; die hier en daar Cohen’s transcendentalisme napraten,

Kant-woorden begriploos opzeggen: „Die Funktionen des Verstandes aber

werden nur durch sinnliche Anschauung in Aktion gesetzt und können

daher nur für Gegenstande möglicher Anschauung Geltung haben” (daher!

is ’t niet een trouvaille?); die zijn wereldverwinnende leer van ruimte

en tijd, zijn grootste daad, waardoor hij waarlik alléén boven al die

kruipende, maar naief „kritiserende” realistiese vleiertjes als een

reus verheven staat, natuurlik weerlegd achten door „die moderne

Sinnesphysiologie”—; voor wie Kant’s hele kenniskritiek niet bestaan

heeft en die haar dus als volgt formuleren: „In der Erkenntnistheorie

hat uns Kant für alle Zeiten gelehrt, dass unser Ichbewusstsein unsere

Sinneseindrücke gestalten muss, damit sie für uns Wirklichkeit

bekommen” (zinloze praat) en die dan vaderlik gewagen van Kant’s „so

genial angelegte Einsicht in den Prozess des Erkennens”, dewelke „wir”

„wirklich fördern können”, door.... „das a priori und das

Transzendentale Kants eine entsprechende [sc. biologisch-genetische!]

Umwandlung” te doen „erfahren”:

„An Stelle der angeborenen [!] Stammfunktionen des Verstandes dürften

solche treten, die sich aus [!] einer von allen Menschen in gleicher

Weise erlebten Erfahrung bei allen in gleicher Weise entwickeln. Indem

wir so den haltbaren Unterbau [!] von Kants Erkenntnistheorie

blosslegen und da weiter zu bauen suchen”.... etc. En dat smaalt dan

nog van een ander, hij moge „sich äusserlich an Kant anlehnen, den

tiefen Sinn von Kants Erkenntnistheorie hat er nicht erfasst.” Dit zal

wel een echo zijn van wat hem vaak moet hebben toegeklonken, helaas

nooit uit hem zelf.

Jerusalem—gij zijt een vreemdeling in Jeruzalem!

En zo iemand knielt dan natuurlik voor Kant’s ethica, voor de

Kategoriese Imperativus, die paradeknol van de Kant-karremannen, en

vereert devoot Kant’s quasi-metaphysica, zijn Teleologie en zijn

Religionsphilosophie. „Wie Christus mit dem Rufe: ‚Seid vollkommen, wie

euer Vater im Himmel’ Unmögliches von den Menschen fordert um ihre

Kräfte aufs höchste zu spannen, so verlangt Kant Unerfüllbares, um uns

mit ewigem Vorwärtsstreben zu erfüllen.” (p. 32)!

Aldus behandelt deze realist en empirist gebleven filosofie-professor

Kant! En schrijft zijn „Einleitung in die Philosophie”....

Waar blijft een tweede Schopenhauer?

9: p. 22. Mr. J. A. Levy waarschuwt op p. 267 van zijn „Het

Indeterminisme” „den argeloozen lezer”, dat Riehl tot de

„erkenningstheoretische [!] sensualisten, korter materialisten”

behoort.

Ik zou de bestudering van Riehl aan elk wetenschappelik denker

aanraden, die zowel sensualisme als materialisme te boven wil komen.

Men kan bij hem de onbarmhartig Kantiaanse weerlegging vinden, zowel

van het skepties materialisme van een Du Bois-Reymond (zie b.v. D.

Philos. Krit. III, p. 184), als van het energeties materialisme van een

Ostwald, Stumpf en derg., dat zelfs door „Kantianen” als „Die

Ueberwindung des wissenschaftlichen Materialismus”, gelijk het zich

zelf noemt, is begroet. Vernamen niet de geesteswetenschappen, door het

materialisme „verlaagd tot werking van de stof” „thans de erkenning van

haren rang, als uitvloeisel van de energie”?! Was het niet „der

Elektricitätslehre beschieden” „durch die Verwandlung der Materie in

die Kraft den Sieg des Idealismus herbeizuführen”?! Uitnemend daartegen

Riehl in zijn lezingen ter inleiding in de Philosophie der Gegenwart,

V: Naturwissenschaftlicher und philosophischer Monismus, speciaal pp.

166–9. „Das psychische Geschehen ist das nichtenergetische Geschehen in

der Natur.”

De „materialist” Riehl, deze mijn hoogvereerde geestverwante

tegenstander, immers antipsychologist en zuiver vertegenwoordiger van

de leer van „het onbekende andere” (gelijk hij naar Heymans’

terminologie zou moeten heten), staat ver boven het niveau van al de

half-materialistiese, half-dualistiese materie-realisten, die Mr. Levy

in zijn „Rechter en Wet” I als de „bevoegde deskundigen” tegen Prof.

Hamaker (en Prof. Winkler) oproept om het materialisme te

„ontmaskeren”, als daar zijn:

Johannes : dualist; ’t is de eigenschap der hersenen, bewust

Müller te worden.

Horwicz : zoekt naar de „zetel” der ziel, die hij

„immaterieel”, maar toch „uitgebreid” mogelik acht.

Donders : dualist en materie-realist.

Virchow : dito (vandaar de materialistiese „onwetendheid over

het wezen des bewustzijns”).

Huxley : psycho-physies materialist.

Tyndall : dualisties materie-realist (2 reële reeksen,

verband onkenbaar).

Bain : dito.

Bastian : materialist; met metaphysies-agnosticistiese

„vrijheid”. („Das Gehirn als Organ des Geistes”).

Domrich : een oude dogmaticus der „Wechselwirkung”.

Flügel : zielesubstantie + materie.

Stumpf : Van deze materie-realist ter plaatse slechts een

stukje citaat, dat buiten de kwestie om, geheel op

het terrein der psychologie zich beweegt.

Spiller : materie-realist.

Claude : „le cerveau est l’organe de l’intelligence au même

Bernard titre que le cœur est l’organe de la circulation”!

een materialist met een „modalité spéciale” en met

een „déterminisme”, zonder... cause!

Richet : materialist; le cerveau „appareil de mémoire”, „le

cerveau exécute sa fonction en ayant quelque

connaissance du mécanisme qui l’anime” (terwijl

„l’automate accomplit ses mouvements sans

conscience”)! Knap cerveau! Ja zelfs „C’est en cela

que l’acte cérébral est vraiment unique et sans

analogue dans l’univers.”! Immers „le cerveau est

une force qui se connaît”, wat we niet eens van

Richet’s materialisme kunnen zeggen!—Voorts

realistiese twijfel aan de „loi de la conservation

de l’énergie”. Vermoedelik daarom opgenomen. Mr.

Levy onderscheidt nl. niet de kritiese

inhouds-begrenzing van de dualistiese

omvangs-beperking dezer „wet”.

J. R. Mayer : met zijn „drieërlei categorieën van bestaande

zaken: 1) de materie, 2) de kracht en 3) de ziel of

het geestelijk beginsel.”!

Wagner : met realistiese Wechselwirkung.

Rokitansky : de naief-materialistiese anti-materialist, voor wie

als voor Meynert de wereld afhankelik is van de

hersenen, dewijl onze kennis.... hersenwerk is!

Schaller : materie-realist („Het lichaam, of de hersens, of

dat deel der hersens, dat gewaarwordt”).

J. E. Erdmann : ziel functie van lichaam; lichaam orgaan van ziel.

E. Pfleiderer : dualist (dus materie-realist), volgt Lotze.

Fick : materie-realist.

Ulrici : dualist, met een anti-materialisties drogredentje.

(Vgk. ook zijn „Der sogenannte Spiritismus, eine

wissenschaftliche Frage” en het echt Wundtse

antwoord: „Der Spiritismus, eine sogenannte

wissenschaftliche Frage”.)

Carriere : „de ziel vormt zich de hersens tot orgaan”, in de

vierheuvels „houdt de fantasie huis”... Ook elders,

blijkbaar, houdt de fantasie huis!

Schultze : „ervaring, als zeker gegeven”, „dat het psychische

en het lichamelijke.... wederkeerig van elkander

afhangen”.

Hyrtll : het naief dilemma: materialisme of dualisme, met

overeenkomstige Wechselwirkung en niet minder

naieve „aangeboren zedelijke of aesthetische

ideeën.” Hyrtll moge het materialisme „knodsslagen”

geven, volgens Mr. Levy,—kritiek, weerlegging geeft

hij niet.

Ruete : in dezelfde dualistiese geest, „zielssubstantie” en

materie, het „zinsorgaan [lees: zintuig] levert de

grondstof, de ziel schept zich daaruit [!].... de

gewaarwordingen”.

Schroeder van : dito—„Ziel en Lichaam”; peil: „onze aardsche grove

der Kolk stof” naast de lichtaether, die „niet tot onze

aarde” behoort, maar „eene zelfstandigheid van het

heelal” is.

Piderit : (wordt als Kantiaan geïntroduceerd)—waarneming o.

m. uit krachte van de inrichting van onze hersenen,

zinsorganen [lees zintuigen], die als „media” ons

„eigenschappen der dingen” „toevoeren”!

„In gelijken geest” (zegt Mr. L.) nog de volgende

materialisten:

Meynert : met zijn onmogelike „hersenverrichting” à la

Rokitansky.

Forel : die inderdaad als anti-materialist optreedt (geeft

niet Carneri aan Büchner en Dr. Wijnaendts Francken

aan Haeckel de materialistentrap?) en hier zelfs

als een soort Kantiaan fungeert (in zoverre hij

„begint met een erkenningstheoretischen grondslag,

woordelijk van Kant overgenomen”), maar wiens

„panpsychisme” ik nu eens zou willen „ontmaskeren”:

Zijn „Gehirn und Geist” dient de bekende hutspot op van

causatief-materialisme, identiteits-materialisme en vermaterialiseerd

Spinozisme:

—„Alles was mir bewusst wird rechne ich naiv [?] als meinem Ich

zugehörig, gleichgültig ob sinnliche Wahrnehmung der Aussenwelt,

inneren Schmerz, Gefühl, Gedanke oder Entschluss. In [!] jedem

psychischen Geschehen liegen jedoch [!] wie alle Analysen [?!]

konsequent beweisen, zwei, zwar ein unzerlegbares Ding darstellende,

jedoch an sich von je einer verschiedenen Seite allein zugängliche

Erscheinungen vor:

„1. eine nur indirekt von aussen feststellbare Gehirntätigkeit oder

Energie;

„2. ihr direkt von uns [=?!] beobachteter, subjektierter Reflex (ihr

Bewusstsein). Der Inhalt des Bewusstseins, seine Qualität und

Intensität, wird von 1, d.h. von der Hirntätigkeit, bedingt.”

—„Nun beachte man, dass sich [!] im Bewusstsein innere Vorgänge unseres

Hirnes,... in Form von Erinnerungen, Gefühlen, Wollen, Denken u.s.w.,

spiegeln.”!

—„Hirnstörungen verursachen Seelen- oder Nerven-störungen”...!

—„Intelligenz, Phantasie, Ethik, Aesthetik, sind ‚bedingt’ und von der

Gehirntätigkeit abhängig, denn [!] sie sind auch Gehirntätigkeit.”

—Het bewustzijn is „Wirkung der Nervenwelle”, het Gehirn „Organ” der

Seele!

—„Die Empfindung findet im Grosshirn statt.”

—„Bewusstsein und Gehirntätigkeit sind Erscheinungsformen eines und

desselben Dinges.”

Ergo: „Da wir nun Energie und Bewusstsein nicht für verschiedene Dinge,

sondern für Erscheinungen gleicher Realitäten (in unserem Gehirn [!]

als Neurokym und [!] Introspektion) halten, wird bei dieser Anschauung

der ewige dualistische Streit zwischen Materialisten und Spiritualisten

absolut gegenstandslos. Alles ist Seele, so gut wie Energie.

Ursprünglicher oder höher ist keiner dieser untrennbaren Begriffe, da

sie eins sind.”!—Après cela tirons l’échelle!...

Dat was dus de Kantiaanse Forel, en nu verschijnen o.a. nog:

Flechsig : bekend psycho-physies materialist, met zijn „bewustzijn

als begeleidend verschijnsel van biophysische voorvallen”

(maar ook ziel functie van lichaam en denken „in de

hersens”!), volgens Mr. L. „van het materialisme naar

het schijnt afkeerig” omdat er volgt.... „volstrekt

echter hiermede niet, zonder meer, als eene resultante

dier voorvallen in mechanischen zin”! en

von Voit : (met „hersenen,.... waar [!] na al de zuiver physische

bewegingsvoorvallen een nieuw verschijnsel,.... de

gewaarwording, wordt losgemaakt [!]”) en, als

materialist last not least,

Kramar : met zijn „stoute hypothese”, de voor Mr. L.

„belangwekkende hypothese”.... ontvouwt „Volkomen in

aansluiting aan Kant’s aether-theorie”.... de

hypothese.... dat „het wezen der ziel met dat van den

wereld-aether”.... identiek is, die aether „is juist de

ziel”!

—Eén ademtocht van Riehl’s kriticisme... en heel die bent met

aanvoerder en al is weggeblazen.

10 : p. 25. Als dus een materie-realist aan Marx en Engels

naief-realisme verwijt op gezag van de kenniskritiek, verwijt hij hun

bij ongeluk niets anders dan z’n eigen Lockiaanse „naieviteit”...

gelijk omgekeerd een Marxist met zijn bewering: „Marx en vooral

Dietzgen waren alles behalve naief-realist” etc.... alleen bewijst, in

deze van gelijke beweging te zijn als zijn bourgeois-tegenstander.

Volgens Prof. A. Dorner in zijn „Encyklopädie der Philosophie” 1910, p.

7 is „seit Kant der Standpunkt des naiven Realismus unmöglich geworden,

d.h. die Meinung, dass unsere unmittelbare Wahrnehmung die Dinge

objectiv zu erfassen vermöge”. Deze dualist beseft allerminst, dat het

door Kant onmogelik geworden „naief-realisme” de leer is, dat de

natuurdingen de oorzaken van onze gewaarwordingen zouden zijn, van welk

„naief-realisme” aanhanger is... Prof. Dorner.

11 : p. 30. Hoe vaak en hoe kortzichtiglik wordt dit, door mij

gespatieerde, deel van de waarheid vergeten! Men gewaagt dan van de

eeuwige nacht,—de nooit verstoorde stilte, (of met Franse wending:

„silence de mort”: Binet) van het mechanies, natuurkundig Heelal...

Zo Du Bois-Reymond in zijn befaamde Leipziger Rede van 1872 „Über die

Grenzen des Naturerkennens”:

„Stumm und finster an sich, d.h. eigenschaftslos, wie sie aus der

subjectiven Zergliederung hervorgeht, ist die Welt auch für die durch

objective Betrachtung gewonnene mechanische Anschauung, welche statt

Schalles und Lichtes [maar evenzeer statt Stille und Finsternis!] nur

Schwingungen eines eigenschaftslosen, dort zur wägbaren, hier zur

unwägbaren Materie gewordenen Urstoffes kennt.”

Evenzo b.v. de meer ethicist dan kriticist gebleven Louis Liard,

Science positive et Métaphysique, II: I.

O duistere „Nachtansicht”... die Nacht is enkel Ansicht van U!—Kant

wijst er ergens terloops even op, dat een blindgeborene nooit enige

voorstelling kan krijgen van ... de duisternis!—(p. 456 K. d. r. V.:

„Der Blindgeborne kann sich nicht die mindeste Vorstellung von

Finsterniss machen, weil er keine vom Lichte hat”...).—Goed Lotze,

Mikrokosmus I: p. 390, over „die mechanische Naturansicht”: „Weder

finster noch hell, weder laut noch still, vielmehr völlig beziehungslos

zu Licht und Klang liege die Welt um uns her” etc.

12 : p. 30. Het is dan ook een merkwaardig „dichotomistisch” of te wel

dualisties naief dogma bij theologen als ten onzent Dr. Kuyper (b.v.

Encyclopaedie der heilige Godgeleerdheid II, pp. 26 en 35) e tutti

quanti en Prof. de Groot (b.v. Denkers van onzen Tijd, p. 127) c.s., dat

’t zien „somatischer” zou zijn dan ’t denken, ja geheel op ons σωμα

berusten zou! Dat is niet alleen infra-Kantiaans, maar zelfs

infra-Cartesiaans oud-roest, al vinden we het nog terug bij een

Dietzgen (Das Wesen der menschlichen Kopfarbeit, p. 64). Descartes

heeft het reeds in de 2de van zijn Meditationes de prima philosophia

van 1641 voor altijd weerlegd.—„Waarnemen” en „denken” zijn enerzijds,

als geestesverrichtingen, gelijkelik en geheel onlichamelik, anderzijds

evenzeer, voor de physiologie, geheel en al „somaties”, daar het

„denken” in soortgelijke verhouding staat tot het centraal zenuwstelsel

als het „waarnemen” tot zintuigen en hersenen beide.

13: p. 34. De zgn. Immanenz-philosophie geeft van het naief realisme de

m.i. volkomen verkeerde voorstelling, als zou het z’n gewaarwordingen

niet een afbeelding achten van de eigenschappen der dingen, maar met

deze... veréénzelvigen [240].

De „gewone” mensen zouden dus denken, gelijk altans deze

„empirio-kritici” doen (naar zij voorgeven), dat hun gewaarwordingen

zelf... zich in de ruimte bevinden, dus als ik b.v. de maan zie, is

mijn maangewaarwording op datzelfde moment naar de maan. Dat wil ik nog

aannemen. Maar waar bevindt zich, op ’t ogenblik van mijn

gewaarwording, mijn Sirius-gewaarwording, of de lichtgewaarwording van

een b.v. 3000 licht-jaren verwijderde ster, die ter plaatse b.v. 2000

jaren lang niet meer bestaat nu ik hem waarneem?—En waar bevinden zich

mijn gewaarwordingen van wat ik achter een spiegel even „veraf” zie als

de dingen zich er vóór bevinden?! De oplossing is eenvoudig genoeg:

mijn gewaarwording is nooit ergens anders dan... „hier”, d.w.z. „in”

mij, als Subject, en dit „hier” heeft een zuiver psychiese betekenis,

die als zodanig noch met „hersenen”, noch met ruimtelike „introjectie”

iets te maken heeft. [241] Mijn maangewaarwordingen zijn precies

evenmin op de maan als in mijn hersenen,—Paulsen heeft gelijk, ’t ene

is precies even absurd als ’t andere, al maken Ziehen c.s. zich zelf

het eerste wijs en alle gewoon-materialistiese physiologen (Sollier,

Forel, Haeckel, Rée) het laatste. Zo belachelik als hun elk de mening

van de tegenpartij voorkomt, zo lachwekkend is voor ons... ’t een mèt

het ander. De gewaarwordingen zijn (in tegenstelling met de

waarnemingsinhouden) onruimtelik, uitsluitend toestanden van („in”) het

niet zelf ruimtelik (= in de ruimte zich bevindend) maar ruimtestellend

(raumsetzend) Subject—en slechts het heterosubjectief phaenomeen van

die gewaarwordingen a.z. is waarschijnlik ... een hersentoestand!—En

inderdaad heb ik dus mijn gewaarwording pas op ’t ogenblik, dat in de

phaenomenale mechaniese wereld het gezichtscentrum van „mijn”

zenuwstelsel beïnvloed wordt door de gevolgen van de aethertrillingen,

die mijn netvlies troffen.

In dat centrum ontstaat dan een bewegingswijziging en niets anders.

Natuurlik neem ik nu niet op de een of andere mysterieuze,

bewusteloos-clairvoyante wijze die bewegingstoestand waar, of „zet”

deze zich „om” in gewaarwording (Hartmann) of wordt (door wie?)

overgezet in een andere vorm, zodat ik mij „hem” bewust zou worden (v.

d. Bergh v. Eysinga) [242] of begaan de hersenen een „Rückwirkung”

(Ziehen)... die gewaarwording zou geven. Niets van dat alles.—Maar die

hersenwijziging is (naar de waarschijnlikste, eenvoudigste hypothese,

weer door Kant ’t eerst gesteld) zelf niets anders dan... ’t

(heterosubjectief) phaenomeen, het zinnelik (of waarnemings-)symptoom

(in meer dan één zin) van... mijn gewaarwording!

Ons zgn. „parallelisme” (een slecht gekozen naam, want hij kan enkel op

gelijktijdigheid doelen, daar ruimtelike „paralleliteit” tussen stof en

geest een woord zou zijn zonder zin!), dat slechts in richting van

abstractie, in methode van wetenschappelik onderzoek („methodologisch”,

„heuristisch”) streng dualisties is (niet één enkele „overgang” of

„inschakeling” of „veroorzaking” over en weer tussen physis en psyche),

vindt dus z’n eenvoudige, monistiese oplossing in een sym-ptomatisme:

de physiese reeks slechts een abstrakt, denkbeeldig, op een universeel

subject betrokken, dus objectief, symptomensysteem van... de concrete

psychiese Werkelikheid, of zo men wil subjectiviteit, die zelf dus

weer, als rijk van het Bewustzijn „phaenomeen” kan zijn van het voor

ons geheel onvoorstelbaar tijdloos, tijdstellend „An sich”.

14: p. 34. Merkwaardige formulering van het dogmaties (realisties)

kennisbeeld „spiegel” bij Herbart, S. W. VIII (Kehrbach ’93) p. 187,

Allgem. Methaphysik, II: IV: § 293: „Man denke sich also ein geistiges

Wesen, eine Intelligenz, lediglich als einen reinen Spiegel für

mehrere, von einander sowohl, wie von dem Spiegel unabhängige Objecte.

Wir fragen hier noch gar nicht, wie das Verhältniss, vermöge dessen die

Spiegelung erfolgt, möglich sey, wir erinnern uns aber, dass zur wahren

und vollkommenen Erkenntniss ein solches Verhältniss muss angenommen

werden, und bemerken leicht, dass eben hier, in der Metaphysik, falls

sie Wahrheit gewährt, wir selbst dergleichen Spiegel seyn mussen.”

Cf. echter § 327 (p. 235): „Wie die Körper ursprünglich aus Elementen

bestehen, die nichts weniger als körperlich sind: so besteht das Wissen

[dat dus afbeeldt?!] aus Anfängen, die mit einem Abbilden nichts gemein

haben. Es besteht aus Empfindungen; die keineswegs etwas Äusseres

abspiegeln, denn sie sind lediglich Selbsterhaltungen der Seele.”

De „Form des Wissens” schijnt door H. „abbildend” gedacht, cf. § 299,

jo. 399, over de „sinnliche” en de „intelligibele Raum”.

Ten onzent kan men de „spiegel”-leer nog zuiver geformuleerd vinden in

het naief dualisties idee- en materie-realisme van Dr. A. Kuyper’s zgn.

„Theorie der Kennisse”, b.v. Enc. II, p. 29: „Aldus opgevat komt dus

‚de wetenschap’ voor ons te staan, als een te zijner tijd met

noodzakelijkheid opgekomene, en steeds voortgaande, drang in den

menschelijken geest, om den kosmos, waarmee hij in organische

verwantschap staat, plastisch naar zijn momenten in ons af te spiegelen,

en logisch in zijne relatiën door te denken.” (Vgk. ook p. 365: „Het is

dus in den spiegel van ons menschelijk bewustzijn, dat de realiteit

haar beeld afspiegelt” enz.; p. 559, p. 102, p. 59, en heel schrijvers

vóór-kritiese waarnemingsleer passim). Gelukkig geeft de geleerde

schrijver authentieke uitleg van de duistere terminologie: p. 26: „Een

atoom en de beweging van dit atoom onderscheidt zuiver het moment en de

relatio.”!

Mr. Dr. Gewin, „Beginselen van Strafrecht”, heeft mijn aandacht op deze

Dr. K.’s „Wissenschaftslehre” gevestigd, daar ik nauwkeurig wenste te

weten, op welke gronden deze heren nog heden de wetenschap zouden

willen „vastleggen” aan zekere dogmata van een bepaalde kerkleer. Wel

mogen we dankbaar zijn, dat de wetenschap zelf in onze tijd naar haar

kluisteraars niet meer behoeft om te zien. Misschien echter vind ik

aanleiding, het wetenschappelik-wijsgerig peil van Dr. Kuyper’s werk

nog eens in een afzonderlike kritiese verhandeling (reeds manuskript)

in het licht te stellen, opdat blijke, wie die man is, die zijn vingers

uitsteekt, niet alleen naar „von Schopenhauer”, „von Nietzsche”, „von

Ritschl”, maar ook naar een Spinoza en een Kant.

15: p. 35. Reeds physiologies kan dit zonder enige geleerdheid in

enkele regels ook aan niet-geschoold intellekt worden duidelik gemaakt:

Nemen we maar het zien van b.v. een rood gebonden, met goudletters

bedrukt boek. Wat is physiologies dit hele zien? Aethertrillingen

(billioenen per sekonde!) bereiken en veranderen (scheikundig

waarschijnlik) de millioenen staafjes en kegeltjes der beide

netvliezen. (Daarop zouden nog, van buiten af, 2 onderling

verschillende omgekeerde gekleurde vlakke beeldjes te zien zijn, maar

zelf plegen wij onze netvliezen niet aldus te bezien!). Nu ontstaan in

de gezichtszenuwen, met hun vezel- en cellen-werelden, twee onderling

verschillende, onvoorstelbaar samengestelde (chemiese of elektriese of

wat voor) bewegingsprocessen, die van kleur noch boek- of lettervorm

ook maar een spoor of zweem „bewaard” kunnen hebben. Geen licht of

kleur noch lettervorm dringt in der eeuwigheid van buiten door die

zenuwen heen. Nog is er geen gewaarwording. Deze ontstaat niet, eer (na

de bekende splitsing en kruising van de gezichtszenuwen) de

zenuwprocessen een wederom chemiese of elektriese of hoe dan ook

mechaniese wijziging van bepaalde hersengedeelten hebben

teweeggebracht. Op dat ogenblik pas is aan het subject (onverschillig

wat dit physiologies moge zijn of niet-zijn) iets „gegeven” (het geheel

van gewaarwordingen, waardoor hij de rode band met de gouden letters

ziet), dus nooit iets anders, dan wat physiologies (in de wereld van de

ruimtedingen) een hersenproces zou blijken, als zodanig voor het

subject zelf onwaarneembaar, maar bovendien onbelicht en evenmin op

boek- of lettervorm als op het rood of goud ook maar in de verste verte

gelijkend en alleen reeds door die eeuwig ondoorzichtelike zenuwmuur van

alle daarachter eventueel aanwezige licht, kleuren en gestalten

gescheiden! En nu zouden de kleuren en vormen, die wij zien,

overeenkomen (of zelfs één zijn!) met, of maar gelijken op, kleuren en

vormen, die zich achter die muur, in de „buitenwereld” zouden bevinden?

O wonderbaarlike toverij! En nog groter toverij, dat wij van die

overeenstemming of gelijkenis ooit zouden weten, want hoe willen we

„vergelijken”, controleren met die „werkelike” kleuren en gestalten,

waar wij evenmin ooit door die lichtloze muur kunnen heendringen naar

„buiten” (want al onze physiologiese „gegevens” zijn binnenmuurs!) als

achtermuurse letters of kleuren kunnen doordringen naar „binnen”! [243]

Overweeg aandachtig dit eenvoudige betoog, dat gelijkelik geldt voor

alle zintuigen, en met Leibniz’ inzicht in onze „vensterloosheid” zal u

plotseling het besef opgaan, hoe naïef-dogmaties elke natuurrealistiese

gewaarwordingsinhoud-verdubbelende waarnemingsleer moet zijn, waarin

toch dualisme en materialisme gelijkelik bevangen blijven, Ziehen, met

zijn ruimtelike cerebrale „Reihenfolge der Empfindungen” of derzelver

„Lage im Gehirn”, die „unserem Bewusstsein” of zelfs „unserem Gehirn”

„gegeben” zou zijn, zo goed als Thomas van Aquino, wiens leer de hier

weerlegde fout aldus formuleert: „Want zien gebeurt alleen dan, als het

voorwerp, dat waargenomen wordt, op eene of andere wijze aanwezig is in

het wezen dat ziet.” „Het zintuig neemt den vorm van het stoffelijke

wezen in zich op, maar niet de stof zelf, gelijk in het was de vorm van

een ring wordt afgedrukt, maar niet het ijzer of goud, waaruit de ring

bestaat.” [244] of zijn hedendaagse volgelingen als b.v. Prof. Dr.

Sebastian Huber, die in zijn gebeeldhouwde zgn. „Noëtik oder Kritik”

nog botweg het realisties dogma stelt (§ 22): „Keine Erkenntnis kommt

zustande ohne Vereiniging [!] von Subjekt und Gegenstand der

Erkenntnis.”.... „So ist daran fest zu halten: sowohl die relativen als

die absoluten Qualitäten der Sinneswahrnehmung sind objektiv real.”....

„Die Existenz der Aussenwelt ist demnach eine unmittelbare Wahrheit,

welche eines Beweises nicht bedarf.”

Wanneer mijn lezer nu die schellen der dogmatiese naiveteit van de ogen

zijn gevallen, dan zal hij mij zeker niet, op grond van deze mijn wat

grof-plastiese maar duidelike muurvoorstelling, de nog naiever mening

toedichten, dat we zonder die „muur”—dus zonder gezichtszenuwen—wèl of

beter ... de „werkelike” vormen of kleuren zouden kunnen „zien”! Maar

men kan nooit weten, waartoe de naiveteit in staat is. Zegt niet Alfred

Binet in zijn „L’Ame et le Corps”, 1905, in volle ernst,—vooraf gaat,

dat de lichamen, die de gewaarwordingen veroorzaken (!) ons slechts

door „l’intermédiaire de notre système nerveux” bekend zijn en dit zelf

weer alleen bij wijze van sensation ... dat ’t licht „ne brille que

dans notre cerveau” (p. 23), dat dáár alleen „le bruit se produit; en

dehors, règne un silence de mort”,—op p. 24: „En résumé, notre système

nerveux qui nous sert à entrer en communication avec les objets [typies

realisties gedacht], nous empêche, d’autre part, de connaître leur

nature. Il est un organe de relation avec le monde extérieur; il est

aussi, pour nous, une cause d’isolement. Nous ne sortons jamais de

nous-mêmes. Nous sommes des emmurés.”

Men moet een Fransman zijn om met zoveel bon sens over dit onderwerp in

deze tijd aldus te kunnen filosoferen,—om kennistheoretiese waarheden

zo ongemerkt te verkeren in hun dogmaties tegendeel.

In elk geval is deze bon sens heel wat sympathieker, dan de verfransing

van Kantisme zonder bon sens bij Renouvier c.s., even onfrans als

onkrities.

16: p. 39. Dr. C. J. Wijnaendts Francken, die krachtens intellekt en

geestesallure een van onze eerbiedwaardigste, consequentste

materialisten zou kunnen zijn, schijnt zich zelf te willen doemen tot

een allesbehalve benijdenswaardige positie in de wijsbegeerte ten

onzent: door zijn materialistiese geestverwanten als „dualist” of

„idealist” te worden verdacht—terwijl psychisme en dualisme hem

niettemin als materialist moeten afwijzen, zodat hij met al zijn weten

en kunnen „hier und dort verloren” is, als de vleermuis, muis noch

vogel.

Wie tot waarnemingsleer die van Locke heeft (het in de tekst weerlegd

„spiegel”-dogmatisme, met „een physiek-materieele wereld als oorzaak”

van de gewaarwordingen; aldus b.v. in de Psychologische Omtrekken II §

2, over het „Phaenomenaal karakter onzer kennis”) en als metaphysica

het (ten onrechte) anti-metaphysies wijl (deels terecht)

anti-dualisties naturalisme—die is materialist—in z’n goede consequente

ogenblikken „epiphaenomenalist”—en die moet de Paulsens of Adickes geen

„weerlegging van het materialisme” en deszelfs „gebrekkigen,

‚erkenntnisstheoretischen’ grondslag”, ja zelf geen trap aan Haeckel,

gaan nadoen. Want hoe onverdiend-zacht Dr. W. F.’s oordeel ook zij:

„Trouwens in wijsgeerig doorzicht ligt niet Haeckel’s grootste kracht”,

het lokt de opmerking uit, dat altans Dr. W. F. geen enkel wijsgerig

inzicht op Haeckel vóór heeft, wèl in zoverre beneden hem blijft, als

Haeckel een apostel is van zijn materialistiese overtuiging (al

verkiest ook hij het geüsurpeerde materialistiese modewoord „monisme”

[245] boven het veelgesmade „materialisme”) en Dr. W. F. een

verloochenaar.

Dr. W. F. is geen empirist of materialist sans phrase, hij is een

wèl-empirist-maar, een wèl-materialist-maar. Ik geef twee zinnetjes,

die deze zijn houding typeren: „Wel kan men de waarheid der

causaliteitswet willen bewijzen uit de ervaring [wel!]; maar het zoeken

naar zulke empirische gegevens gaat alreeds uit van de aanwezigheid van

een vast causaal verband, en veronderstelt reeds het bestaan van

regelmaat en wet.” (Inleiding tot de Wijsbegeerte, p. 83.—Dr. W. F. ziet

hier het apriori natuurlik even helder in, als wie ’t hieruit zou

moeten leren. Hij geeft dan ook over het apriorisme zowel in deze

„Inleiding”, p. 76 ss., als elders, b.v. Psychologische Omtrekken, p.

61 ss., slechts de bekende vermaterialisering en verSpencerisering ten

beste, met een ruimtelik zenuwstelsel als prius van ruimtevoorstelling

en met „typische denkvormen”, die op de „oneindige reeks” ervaringen

van het mensengeslacht.... „berusten”!) en: „De psychische

verschijnselen dragen een bizonder karakter, dat ze niet zonder meer

vergelijkbaar maakt met physische. Wèl kan men hun kenmerkend

bestanddeel, het bewustzijn, een functie [c [246]] van de

hersenwerkzaamheid noemen, een functioneelen verschijningsvorm [a] van

bepaalde stoffelijke processen onder bepaalde omstandigheden en

voorwaarden. Maar hoe het daaruit geboren wordt [b], blijft ons

volkomen duister, aangezien voor onze voorstelling die beide grootheden

zóó verschillend zijn van karakter, dat wij de klove tusschen haar niet

kunnen overbruggen.” (Inlg. p. 113/4). Stel u voor, het bewustzijn

geboren uit processen,... wier logies prius het bewustzijn is! Men

ziet, hoe goed Dr. W. Fr. heeft opgestoken, dat psyche en physis

kennistheoreties „heterogeen” zijn! Maar tegenover het dogmaties

agnosticisme van zijn echt materialisties „Ignorabimus”, sc. hoe,

hebben wij de kritiese zekerheid te stellen van ons echt

phaenomenalisties „Negamus”, sc. dat!—

Zo goed en zo kwaad als bij Haeckel, waren bij Dr. W. F. allerlei (op

z’n minst [247] 4) variëteiten van materialisme dooréén: (a) het

aequatief of identiteitsmaterialisme: bewustzijn bestaat in, is een

verschijningsvorm van, hersenprocessen, deze „worden bewust”; daar naast

(b) het causatief materialisme: bewustzijn is een gevolg van

hersenprocessen; (c) het attributief materialisme: bewustzijn is een

eigenschap of toestand of „functie” van hersenprocessen; en als variant

daarvan (d) het parallelisties (en wijl realisties steeds min of meer

dualisties: de physiese reeks reëel, terwijl aan de psychiese toch ook

een zekere realiteit moeilik kan worden ontzegd!) psycho-physies

materialisme: bewustzijn gepaard met, begeleidingsverschijnsel van,

hersenprocessen.

Al deze vormen van materialisme (de voorbeelden volgen onmiddellik)

hebben de kennistheoretiese grondslag gemeen, nl. dat het stoffelike,

het hersenproces, [248] gedacht wordt als het primaire, causale, reale,

als een soort „substraat”, „achtergrond”, „bestaansvoorwaarde” voor het

geestelike, dat als secundair, onwerkzaam („duister”!) bij-produkt of

bij-verschijnsel optreedt. Dus precies het omgekeerde van de waarheid,

die de kennistheorie leert en ook dit mijn geschrift duidelik tracht te

maken.

Nu toon ik u bij Dr. W. F. eerst deze materialistiese wortel en

vervolgens zijn bont materialisties gewas, waarbij b.v. identiteit (a)

en causaliteit (b) beurtelings ontkend en verondersteld worden, en de

„functie” van c een vage, ruime „afhankelikheid” aanduidt, die ook voor

b en d moet fungeren. We hebben nl. bij Dr. W. F. niet alleen

l’embarras du choix, maar evenzeer le choix des embarras!

Als volgt: „Alle geesteswerkzaamheid gaat gepaard met [d] zekere

processen in het centrale zenuwstelsel; alle psychische verschijnselen

veronderstellen een physischen achtergrond. Zij zijn een functioneele

uiting [c?] van bepaalde wijzigingen in een stoffelijk substraat, van

zekere ons in haar wezen onbekende bewegingen en omzettingen[?] in die

materie, die een psychisch karakter verkrijgen [a of c], doordat zij

met bewustzijn gepaard gaan [d]. Dit wil evenwel geenszins zeggen, dat

stoffelijke en geestelijke verschijnselen geheel [!] samenvallen en,

naar sommige materialistische schrijvers beweerd hebben, geheel [dus

ten dele?] te vereenzelvigen zijn. Want het is duidelijk, dat bij een

dergelijke opvatting de begrippen causaliteit [dus b!] en identiteit

ten eenenmale met elkander verward worden. Wel zijn de

bewustzijnsverschijnselen functies [c] van bepaalde materieele

veranderingen in de georganiseerde substantie; maar de betrekking

tusschen die beide is niet eenvoudig zonder meer eene van oorzaak en

gevolg [dus niet b .... n.b. wijl .... niet a!], aangezien het

materieele en het psychische in wezen verschillend [„heterogeen”, zie

boven!] en dus niet onmiddellijk met elkander vergelijkbaar zijn in

dien zin, dat het eene zou kunnen verklaard worden als eene omzetting

[dat zou a zijn] van het andere.” (P.O. p. 22). Brr.... „Elke

psychische werkzaamheid veronderstelt zekere physische verandering,

maar niet omgekeerd.” (kennistheoreties alléén omgekeerd!). „De

bewustzijnsverschijnselen treden slechts op bij bepaalde materieele

processen, waarmede zij in vaste regelmatigheid verbonden zijn [d].

Psychisch kennen wij alleen een reeks afzonderlijke verschijnselen, die

ieder op zichzelf langs physischen weg zijn te voorschijn geroepen [b],

daar ieder van hen zekeren physischen achtergrond tot voorwaarde

heeft.” (ib. p. 25). Zo schrijft Dr. W. F. in zijn § over „Het verband

tusschen lichaam en zielsverschijnselen”! Soortgelijk ellendig geknoei

in de Inlg. p. 109: „Elke psychische werkzaamheid veronderstelt zekere

physische veranderingen, maar niet omgekeerd” en p. 111, zijn

geamendeerd Haeckelisme: „De stoffelijke hersenprocessen zijn niet

zoozeer te beschouwen [niet zoozeer!] als de onmiddellijke oorzaak der

psychische [hersenprocessen?!], dan wel als de onmisbare voorwaarde

daarvan, gebonden als deze zijn aan [d] bepaalde physische bewegingen

en omzettingen [a?].” Op bl. 112 volgt dan: „Want al die feiten

bewijzen wel de onmiskenbare afhankelijkheid der psychische

verschijnselen van physische toestanden”.... maar „Een

afhankelijkheidsbetrekking is een veel ruimer begrip dan een causale

betrekking”.... en Dr. W. F.’s begrippen moeten „ruim” genoeg zijn om

het materialisme van a, b, c en d tegelijk te omvatten! Immers, tans

volgt pagina 113/4, boven geciteerd, waar bewustzijn uit hersenprocessen

geboren wordt! Maar nademaal Dr. W. F. meer dan één krities klokje

heeft horen luiden over het materialisme, geeft hij er na zoveel moois

ook nog deze draai aan op p. 115:.... „al moge het als

wereldbeschouwing niet voldoen,.... toch als werkhypothese bij het

natuurwetenschappelijk onderzoek”.... enz. En deze zijn § 5, aan de

weerlegging van „de materialistische theorie” gewijd, eindigt nu

symbolies met Forel’s „Gehirn und Seele” (vgk. opm. 9), terwijl elders

de fatale (immers hersenfatalistiese) slotsom luidt: „Uit al het

voorgaande volgt, dat het wilsgevoel slechts een begeleidend

verschijnsel is, maar dat de eigenlijke oorzaak van ons handelend

optreden te zoeken is in processen van het centrale zenuwstelsel”....

(P.O. p. 105; vgk. ook Sociale Ethiek, p. 117).

Op deze gemene materialistiese wortel nu stoelen de navolgende

materialistiese stammen:

a (aequatief materialisme): „Slechts een zeer gering deel der processen

die zich in ons centrale zenuwstelsel afspelen, wordt ons [?!] bewust”

(P.O. p. 32). Evenzo: „Het bewustzijn alzoo is te beschouwen als een

functie [c] of begeleidend verschijnsel [d] van een klein gedeelte der

stoffelijke processen die zich in het organisme afspelen. Wij nemen

waar dat bepaalde processen gepaard gaan met [d] bewustzijn, alhoewel

het ons alsnog onmogelijk is aan te geven, waarvan het afhangt of dit

al dan niet het geval is, m.a.w. of een werkzaamheid van het centrale

zenuwstelsel ons [?] al dan niet bewust wordt [a].” (ib. p. 36). [249]

Eindelik p. 59: „en zoo moet men wel met Maudsley tot de slotsom komen,

dat een groot deel van ons denken bestaat in onbewuste

hersenwerkzaamheid.”

b (causatief materialisme): In zijn „Sociale Vertoogen” schrijft Dr. W.

F., nog wel onmiddellik na een zuiver krities citaat van Heymans, op p.

244: „Maar overigens [!] is het duidelijk, dat de moreele degeneratie

van den misdadiger slechts het gevolg kan zijn van moleculaire

afwijkingen in het centrale zenuwstelsel, al onttrekken die zich nog

ten eenenmale aan onze zintuigelijke waarneming” en op p. 254: „Want,

gelijk reeds boven opgemerkt, elke moreele degeneratie kan in laatste

instantie slechts het gevolg zijn van afwijkingen in het centrale

zenuwstelsel, al onttrekken deze zich ten eenenmale aan onze

zintuigelijke waarneming. Immers wij mogen van de veronderstelling

uitgaan, dat aan alle psychische verschijnselen een physisch correlaat,

d.i. een stoffelijk substraat ten grondslag ligt, en dus ook dat alle

zielkundige afwijkingen ten slotte wijzen op zekere somatische

wijzigingen.”

Op zulke plaatsen betrappen wij een schrijver en négligé, zien wij zijn

materialisme en action, niet wat hij er voorzichtiglik van zegt, maar

wat hij er feitelik en wezenlik van blijkt te denken. Achter „correlaat”

en „substraat”, achter „functie” en „verschijningsvorm” en al dat

fraais meer, maskeert Dr. W. F. dus eigenlik ook slechts het wegens een

zekere welgeaccrediteerde „heterogeneïteit” zo braaf verloochende

b!—Maar gaan we verder:

„Want niet de waargenomen stoffelijke wereld buiten ons, maar de

psychische gewaarwordingen binnenin ons zijn het primaire en

onmiddellijk empirisch gegevene; [was dit maar tot Dr. W. F.

doorgedrongen, doch de zin is helaas nog niet uit:] en het is slechts

een hypothese, wanneer wij daarnevens nog een physiek-materieele wereld

als oorzaak dier psychische verschijnselen aannemen....” (P.O. p. 28)!

En op p. 66: „Onder de zoo straks genoemde materieele sporen, die den

grondslag vormen van het geheugen, verstaan wij de bizondere

praedispositie van het zenuwstelsel om bij voorkeur dezelfde

associatiebanen te laten inslaan en dezelfde psychische produkten te

leveren als vroeger.” Hoofdstuk V, over de gemoedsaandoeningen, eindigt

aldus: „Ongetwijfeld bestaat er een nauw verband tusschen de

gemoedsbewegingen en de innervatieprocessen, die inwendig tot

bewustzijn komen [a]; maar er bestaat daarom nog geen voldoende grond

om nu ook aan te nemen, dat deze laatsten de uitsluitende [?] oorzaak

[dus niet b?] der eersten zijn, en om beiden zonder meer tot een

psycho-physische identiteit te verklaren [dus niet a? of niet d?]. Hoe

ze in werkelijkheid oorzakelijk samenhangen [weer terecht bij b!]

blijft alsnog een open vraag, wier volledige oplossing aan de toekomst

blijft voorbehouden.”! Hier wordt dus zelfs het „Ignorabimus” (zie

boven) nog weer verloochend en overtroefd door een Haeckeliaanse wissel

op de toekomst!—Eindelik nog uit het slothoofdstuk, p. 117, waar „wij

omtrent de ware physiologische oorzaken en juiste verklaring dezer

psychische verscheidenheden nog zoo in het duister rondtasten.” Ook

zulk een zinnetje speaks volumes.

c (attributief materialisme): „Het [geheugen] is niet een aanhangsel,

maar een integreerend [?] bestanddeel van bepaalde toestanden der

zenuwelementen.... Het herinneringsvermogen berust op een organischen

grondslag, d.w.z. op inhaerente [?] eigenschappen der levende materie.”

(P.O. p. 64). Of, zonder omwegen: „Het geheugen toch is een eigenschap

der hersensubstantie....” (P.O. p. 68).

d (psycho-physies materialisme): P.O. p. 25 (boven geciteerd), p. 34/5:

„Het bewustzijn op zichzelf is van niets de oorzaak;.... en veelal

[n.b., soms dus niet?!] blijft het volkomen duister, waarom het zich

paart aan physiologische verrichtingen, die evengoed ook zonder dien

zouden plaats grijpen.” Evenzo p. 36: „Wij nemen waar” dat

hersenprocessen „gepaard gaan met” bewustzijn (zie boven), of p. 105,

reeds geciteerd en b.v. tot slot Inlg. p. 101/2, waar we nog eens al

dit knoeierig materialisme-tegen-wil-en-dank bijéén hebben: „Het

bewustzijn is zeer zeker moeilijk [dus niet onmogelik!] [a] te

verklaren als bewegingsverschijnsel, noch vertegenwoordigt het een

bizondere kracht. Het wijst slechts op een toestand [c?]: beweging gaat

niet over of zet zich niet om in bewustzijn, wat onmogelijk ware omdat

beide heterogene begrippen zijn [warmte en beweging dan?]; maar

bepaalde bewegingsverschijnselen in het centrale zenuwstelsel verwekken

[b?] processen, die gepaard gaan met [d] bewustzijn. Het bewustzijn is

dus te beschouwen als een functie [a of b of c] of [men mag kiezen! ’t

is bij Dr. W. F. toch alles één materialistiese pot nat] begeleidend

verschijnsel [d] van een klein gedeelte der stoffelijke processen die

zich in het organisme afspelen, hoewel wij nog hoegenaamd niet in staat

zijn aan te geven waarvan het afhangt of deze al dan niet met

bewustzijn gepaard [d] gaan.”— —Het ligt geheel in de lijn van al deze

verwarde contradictore halfslachtigheden en ondoordachtheden, dat nu

ook nog een inconsequente μεταβασις εἰς ἀλλο γενος, de dualistiese

„Wechselwirkung”, telkens dit epiphaenomenalisme komt doorbreken.

Evenals bij de waarneming volgens Dr. W. F. stof, causaal, inwerkt op

geest, zo beïnvloedt omgekeerd het psychiese ongegeneerd de physiese

reeks: P.O. p. 42, waar „aandachtsvestiging den bloedtoevoer naar de

hersenen verhoogt”, p. 51 omtrent de verbeeldingskracht: „Hoe

ingrijpend die kan inwerken ook op de physieke verschijnselen des

lichaams”, p. 81 ss.: „welk een grooten onwillekeurigen invloed de

affecten oefenen op tal van physiologische processen die in het lichaam

plaats grijpen” en de voorbeelden aldaar, gelijk op p. 82/3: „Zoo

vinden tal van pathologische toestanden van het zenuwstelsel.... hun

primaire [n.b.!] oorzaak in stoornissen van het gemoedsleven.—Maar ook

omgekeerd kunnen physieke veranderingen in het organisme sterke

wijzigingen in het gevoelsleven wakker roepen.”! Hiertoe behoren ook de

selectie-dualismen, aangewezen in opm. 33, die men wel wil vergelijken.

Holderdebolder dogmatiseert, oreert en doceert Dr. W. F. er op los,

zonder zweem van kritiese bezinning, onverschillig of hij zijn

materialisme „critisch realisme” noemt (Inlg. p. 64), dan wel „critisch

idealisme” (P.O. p. 28)—het is alles, behalve „critisch” in de

kenniskritiese, kantiaanse zin van transcendentaal (vgk. hierover opm.

6 en 7 en bl. 22–24 tekst), het staat er, als onbewust dogmatisme,

juist lijnrecht tegenover—wat Dr. W. F. in even onbewuste zelfkritiek

onovertrefbaar juist en scherp formuleert, als hij het noemt: een „niet

transcendentaal, maar critisch idealisme”! [250]

En van de ontwikkeling of verdieping, die Prof. v. d. Wyck onlangs naar

ik meen bij Dr. W. F. heeft bespeurd, vermag ik kennistheoreties geen

spoor te vinden. Integendeel—ook zijn jongste produkt, het najaar 1911

verschenen geschrift over Het Bewustzijn, hult in gewaad van

anti-metaphysies agnosticisme louter slechte, dogmatiese,

materialistiese metaphysica—die nu de welwillende lezer er zelf uit

moge halen.

Kennisleer contra Materie-Realisme: Bijdrage tot "Kritiek" en Kantbegrip · 第 31 / 36 题