a. Der realistisch-monistische Parallelismus (Neo-Spinozismus,
Identitätsphilosophie),
b. Der idealistisch-monistische Parallelismus.
a. Elk realisties parallelisme „bleibt tatsächlich im Dualismus
stecken”—trots alle nog zo verleidelike, nog zo „monistiese”
beeldspraak, van binnen- en buiten-kant, concaaf—convex (hol en bol),
wezen en schijn, centrum of inwendigheid en peripherie of
oppervlakkigheid—dat behoeft voor ons geen betoog meer en wordt des te
gretiger toegegeven, wijl het immaterialisme voortdurend met
realistiese identiteits-theorieën en -beelden verward en bestookt
wordt.... o.a. door Busse.
b. Ten aanzien der echte „idealistisch-monistische” Identiteitsleer
faalt echter Busse, faalt elk realist, ten enenmale met die toch
volkomen begrijpelike vraag, die ik hier afdoende wil beantwoorden:
Voor u, idealisten, monisten, is het causalisme, de overgangsleer eo
ipso vervallen, omdat de twee-heid vervallen is, omdat van uw causale
werkelikheid de natuur geen deel uitmaakt—maar is dan niet meteen om
dezelfde reden het parallelisme, de samengangsleer vervallen, die
immers ook een tweeheid, twee reeksen, dus o. i. een dualisme,
onderstelt; en zo gij een parallelisme behoudt, verloochent gij niet uw
monisme, daar uw éne immateriële werkelikheid dan toch samengaat met
iets anders, de natuur?
Ziedaar de grote voordehandliggende vraag der realisten (Busse,
Erhardt, Stumpf, Bolland e tutti quanti).
En ziehier het afdoend antwoord, toegelicht door uiteenzetting en
verduideliking van de „idealisties-monistiese” samengangsleer:
Het krities, immaterialisties parallelisme tussen werkelikheid en
natuur onderstelt inderdaad tweeërlei, twee reeksen, maar slechts één
werkelike reeks, de immateriële werkelikheid zelf, en één phaenomenale,
dus denkbeeldige reeks, de materiële natuur.
De éne tijdelike werkelikheid heeft natuurlik tal van variabele
afhankeliken, van functies, in wiskundige zin, immers tal van werkelike
of denkbeeldige verhoudingswijzen. Zo het geheel, de reeks van haar
geschiedkundige jaartallen in de geschiedboeken of van haar
duizenderlei mogelike statistieke jaarcijfers. Die jaartallen b.v. „gaan
samen” met, parallel aan, het werkelik gebeuren, als een bepaalde
denkbeeldige doorlopende wettelike tijdfunctie, zonder „overgang”,
zonder invloed op dat gebeuren, een samengang, volkomen verklaarbaar en
doorzichtig, niet berustend op toeval, of willekeur of wonderbaarlike
harmonia praestabilita, maar op eigen innerlike, wettelik bepaalde,
noodwendige samenhang.
Precies zo met de natuur, die doorlopende, bepaalde, denkbeeldige
waarnemingsfunctie van de werkelikheid, dat geheel van al de inhouden
der gewaarwordingen, die de werkelikheid veroorzaken kan. Ook hier een
samengang, een parallelisme, berustend op de nauwst denkbare samenhang,
die van substraat en phaenomeen, hier nog eens zonder beeldspraak,
zonder holheid of bolheid, binnen- of buiten-kant, maar ook zonder mijn
„jaartallen” of „statistieken”, exakt causaal te formuleren als volgt:
het substraat (dus de onstoffelike, waarschijnlik in haar geheel zielse
werkelikheid) is de oorzaak van de gewaarwordingen aan wier inhoud het
phaenomeen (dus de natuur, de stoffelike voorwerpenwereld) zijn (ergo
„zinnelike”) eigenschappen ontleent.—Maar ook het bovengebruikte beeld
kan ons nog verder van dienst zijn, gelijk de analogie nog verder gaat:
evenals het denkbeeldig jaartallenstelsel aan een bepaalde eigenschap
of biezonderheid van de werkelikheid zijn bestaan te danken heeft, nl.
de tijdelikheid, zonder zelf eigenschap of deel der werkelikheid te
zijn, evenals elke denkbeeldige statistiek aan een bepaalde,
geabstraheerde eigenschap of zijde of biezonderheid van de werkelikheid
ontleend is (sterfelikheid, geslachtsverschil, misdaad,
behoeftebevrediging enz. enz.), zonder zelf zulk een zijde der
werkelikheid te zijn, zó heeft de natuur aan een bepaalde eigenschap
der werkelikheid haar bestaan te danken—aan het vermogen,
gewaarwordingen te veroorzaken—, zonder zelf werkelik of gewaarwording
te zijn.—Jaartallen en statistieken hebben een grote symboliese waarde,
kennis-waarde: zij wijzen op werkelikheid, maar wijzigen haar niet. Alzo
de natuur, alzo het phaenomeen ten aanzien van zijn substraat en naar
het psychisme de hersenen t.a.v. de geest.—Ook met de waarheid, in
tegenstelling tot de werkelikheid, heeft de bestaanswijze der natuur
haar overeenkomst: Gelijk de natuur het denkbeeldig geheel aller
mogelike waarnemingsinhouden is, zo de waarheid het denkbeeldig geheel
aller mogelike ware oordelen. Beide zijn gelijkelik een functie der
werkelikheid in haar verhouding tot een denkbeeldig universeel subjekt.
En evenmin als de onwerkelikheid van de waarheid iets aan haar waarde,
haar algemeengeldigheid, haar objectiviteit te kort doet, of de
verloochening of vervluchtiging van de waarheid betekent, evenmin doet
de phaenomenaliteit der natuur afbreuk aan haar waarde, haar
objectiviteit, die noch verloochend noch vervluchtigd wordt, zo min als
de natuurwetenschap er iets van haar belangrijkheid, waarheid of
exaktheid bij inschiet. Want de natuur moge dan niet zelf werkelikheid
zijn, zij is die functie der werkelikheid, op wier kennis heel onze
gemeenschap met medemens en buitenwereld, de mogelikheid dus van leven
en samenleven, van doelstelling en doelbereiking berust. Ja, nog een
dieper zin dan voorheen krijgt de natuur, krijgt elk natuurlik gebeuren
als phaenomeen, door onmiddellik symbool te zijn van de transobjectieve
onstoffelike werkelikheid zelve, waarin en waaruit wij zelf worden en
werken als geestelik, denkend en willend, wezen. [208] En gelijk de
waarheid eeuwig één en dezelfde zou blijven, al zou er geen oordelend
enkeling zijn en geen mens die haar kende, zo zou de natuur dezelfde
blijven die zij is, al was er geen waarnemend individu en geen kennis
of begrip der natuur, geen natuurwetenschap.
De werkelikheid is het prius van jaartallenstelsel en statistiek en
waarheid—zo ook van de natuur. En gelijk het jaartallenstelsel zijn
eigen rekenkundig verband en zijn diskreetheid heeft, terwijl de
werkelikheid een qualitatief continuüm is en blijft, zo heeft de natuur
haar eigen mechaniese wettelikheid en haar atomisme, zonder invloed of
inbreuk op de éénheid, de geestelike zelfstandigheid en
eigenwettelikheid der werkelikheid.—Zo zijn geest en natuur dus waarlik
„ongescheiden onderscheiden”. Zij zijn en blijven „heterogeen”—de
tegenstelling „psychies” en „physies” blijft behouden, wordt zuiverder,
gaver, exakter dan ooit te voren, zodat zelfs voor het Panpsychisme
„psychies” geen zinledig woord wordt, doordat het correlatieve
„physies” zou vervallen: het physiese zelf wordt niet psychies, blijft
superindividueel, en het psychiese, individuele, niet physies, ook de
waarnemingen en voorstellingen behoren uitsluitend tot de psychiese,
nooit tot de physiese reeks, die niet eens werkelike, slechts
denkbeeldige waarnemingsinhouden bevat. „Identiteit” tussen geest en
stof blijft even zinledig als altijd. Identiteit is alléén mogelik en
waarschijnlik geworden tussen geest en het zeker immaterieel substraat,
het reale der stof. Ziedaar de kritiese „Identiteitsleer”. [209]
En een soort „epiphaenomenalisme” is het ook—maar precies het
omgekeerde van het realistiese: De natuur niet feitelik maar ideëel
epiphaenomeen van de werkelikheid, die haar ontologies prius, haar
conditio sine qua non, haar grond is. Dùs, hoor ik vragen, ook dezelfde
tegenwerping in omgekeerde zin: de werkelikheid zou zonder natuur,
zonder organismen, zonder hersenen precies zo haar gang gaan? Neen,
niet dezelfde tegenwerping, want de werkelikheid gaat reeds nu evenzo
zonder (medewerkende, „werkelike”) natuur haar gang als zonder
(medewerkend, „werkelik”) jaartallenstelsel,—maar geen enkele wijziging
van de natuur, is denkbaar, die niet afhankelik zou zijn van, wijzen
op, haar werkelikheidsgrond hebben in, een wijziging, een anders-zijn
van het substraat, het reale.... de onstoffelike, waarschijnlik
psychiese werkelikheid zelf. [210] De betrekkelike zelfstandigheid
(zonder inmenging of overgang) van elk der beide reeksen berust dus
voor de werkelike, zielse reeks op haar echte zelfstandigheid en
volkomen onafhankelikheid van de natuur, voor de stoffelike,
phaenomenale reeks echter uitsluitend op haar functionele bepaaldheid,
op éénzelvigheid, konsekwentie van abstraktie-beginsel: in het geheel
aller mogelike jaartallen of statistieken der levende werkelikheid zal
nooit iets anders dan jaartal of statistiek voorkomen—in het
denkbeeldig geheel aller mogelike waarnemingsinhouden nooit iets anders
dan natuur, ruimteding, objekt. Ziedaar de kenniskritiese zuiverheid
der phaenomenale natuur, die haar voor elke zielsinmenging, voor alle
psychovitalisme, alle mogelike of liever onmogelike „Seelenkräfte”, ’t
zij een „Psychoid” van Driesch (die met deze zijn „Seele als
elementarer Naturfaktor” Wundt’s zielse natuur-„entelechie” profaneert)
of Reinke’s dualistiese „Dominanten” („eine Art von Beseelung, von
Durchgeistigung der materiellen Substanz”) principieel en a priori
vrijwaart en elk niet-realist als Wundt of Heymans of Eisler of Riehl
eo ipso ten aanzien der natuur tot een anti-teleologies,
anti-vitalisties mechanist maakt, daar het voor hem 1o. onmogelik is,
de ziel te vernaturen tot „Naturfaktor”, aangezien dit een verzaking,
een verontwerkeliking zou zijn van de ziel en aangezien onder het
denkbeeldig geheel van mogelike bewustzijnsinhouden geen bewustzijn
zelf kan voorkomen, onder phaenomena geen reale, onder objekten geen
subjekt, zo min als de wereld-voorvallen zelf onder de jaartallen en
2o. onnodig, het zielse bij de natuur in te lijven, aangezien de
doelstellende, willende, bewust of onbewust leidende geest, om werkzaam
en werkelik te zijn niet die bekrompen beperkte gebonden invloed nodig
heeft, die de dualismen en vitalismen nog in de natuur aan de
natuurkrachten, aan „potentiële” en „actuele” energie pogen te
ontfutselen, maar juist voor hem de enige bekende, wellicht de enige
bestaande, oorzakelike werkelikheidsmacht is, de van natuur
onafhankelike, voor natuur onbereikbare [211] macht, waar heel de
natuur aan ontbloeid is.
En nu terug tot Busse om de vruchten te plukken van ons betoog.
„Da ist nun zunächst zu bemerken,”, aldus p. 145 o. c., „dass wir, wenn
wir uns auf den Boden idealistisch-spiritualistischer Weltanschauung
stellen, im eigentlichen und strengen Verstande natürlich einen
psychophysischen Parallelismus nicht vertreten und festhalten können.
Ist die Welt ihrer wahren und wirklichen Beschaffenheit nach nur
psychisch, so gibt es in ihr auch nur psychische Vorgänge und einen
psychischen Zusammenhang. Die physische Reihe, die der Reihe der
psychischen Prozesse parallel gehen soll, verschwindet als solche auf
diesem Standpunkte, ihre Glieder werden zu Bestandteilen der
psychischen Reihe selbst.” Boven weerlegd—het physiese verdwijnt niet
als zodanig en wordt niet psychies („die physische Seite” is niet „ja
in Wahrheit auch eine psychische”, p. 146), niet „Vorstellung”. „Die
Vorstellungen der Körper und ihrer Aktionen sind selbst
Bewusstseinsinhalte, gehören also der psychischen Reihe an.” Zeker,
maar wij onderscheiden die voorstellingen van phaenomena zuiver van de
phaenomena zelf. Erscheinungen zijn geen Vorstellungen, als op p. 149.
Belangrijk, omdat er de grondfout van heel Busse’s boek, zijn
realisties „standpunt” in wordt blootgelegd, is de noot op bl. 159,
waar hij schrijft: „Es ist wichtig, diese Tatsache: dass wir von der
idealistischen Konstruktion und dem mit ihr gegebenen
Kausalzusammenhang zur parallelistischen Konstruktion und der Negierung
psychophysischer Kausalität nur gelangen können, wenn wir den
Wahrnehmungen der physischen Dinge und Vorgänge im realistischen [!]
Sinne wirkliche Dinge und Vorstellungen [wel schrijffout, lees
Vorgänge] gegenüber stellen, also uns auf den Standpunkt des naiven
Realismus stellen, schon hier mit aller Entschiedenheit zu betonen und
festzuhalten. Dieser Standpunkt ist die Voraussetzung sowohl des
Parallelismus als der ihm entgegengesetzten Annahme psychophysischer
Wechselwirkung. Nur auf diesem Standpunkt sind beide und ihr Gegensatz
möglich, auf idealistischer Basis verschwindet sowohl der
psycho-physische Parallelismus als die psycho-physische Wechselwirkung.
Auf dieser realistischen Grundlage muss daher auch der Streit zwischen
Parallelismus und Wechselwirkungslehre ausgefochten werden. Es ist ganz
unzulässig, Nachteile, die einer dieser beiden Theorien auf derselben
etwa erwachsen und sie der anderen gegenüber ungünstiger erscheinen
lassen, dadurch gegenstandslos machen zu wollen, dass man sich, in die
Enge getrieben, auf die idealistisch-metaphysische Auffassung, also auf
einen Standpunkt zurückzieht, auf dem es weder psychophysischen
Parallelismus noch psychophysische Wechselwirkung mehr gibt. Diese
Bemerkung wird später sich als wichtig erweisen.” [212]
Wij weten en begrijpen nu, hoe en waarom „auf idealistischer Basis” wel
de psycho-physiese Wechselwirkung, niet het ps.-ph. parallelisme
verdwijnt; dat en waarom wij tegenover „den Wahrnehmungen der
physischen Dinge und Vorgänge” niet „im realistischen Sinne” „wirkliche
Dinge und Vorgänge” stellen, maar im idealistischen Sinne phaenomenale,
dus immanent-objectieve Dinge und Vorgänge. En „ganz unzulässig” is
het, om de nadelen, die uitsluitend gelden op Busse’s „Standpunkt des
naiven Realismus” (en dan ook uitsluitend aan „naiven Realismus” te
wijten zijn) aan het krities parallelisme in de schoenen te schuiven.
[213] Immers het krities idealisme is geen „standpunt” waarop men zich
naar believen al of niet zou kunnen of mogen stellen (Busse passim,
b.v. p. 259/60); men is nog realist (als Busse) en is het dan tegen
heug en meug ook ten aanzien der verhouding van lichaam en geest, òf
men is het niet meer en kàn het dus evenmin zijn in zake de verhouding
van lichaam en geest als t.a.v. het lichaam op zich zelf. Zo zal dus
geen idealist zich van zijn stuk laten brengen, laten neertrekken op
realisties terrein. Wie een idealist ontmoeten wil en uit het veld
slaan, die moet eerst zien zijn veld te bereiken, zich op de hoogte te
stellen van zijn idealisme.
Omtrent de Identiteit schrijft nu Busse op p. 146: „Versucht man nun
aber, den Parallelismus.... auf der Grundlage
idealistisch-spiritualistischer Weltanschauung wirklich durchzuführen,
so muss man sich vor allem klar machen, dass man man auf dieser
Grundlage wie das psychophysische, so auch das Prinzip der Identität
der beiden Reihen, die Zweiseitentheorie, fallen lassen muss.” Juist,
zo min het een als het ander. „Es hat auf idealistischem Standpunkt
keinen Sinn mehr, zu sagen, die beiden Reihen, die Vorstellungen der
körperlichen Phänomene und die innen in demselben oder in einem anderen
Individuum entsprechenden psychischen Vorgänge, seien identisch, zwei
Seiten einer und derselben Sache.” [214] Dat zeggen wij ook niet. We
zeggen met Busse (149): „Eine derartige Identität lässt sich nun aber
gar nicht behaupten und wird auch von der Identitätsphilosophie nicht
behauptet.” Maar als hij dan Heymans zelf als volgt misduidt: „dass
aber, wie uns hier zwar nicht explicite, wohl [evenmin] aber implicite
zugemutet wird, ein Gehirnprozess und die Vorstellung, die ein ihn
beobachtendes Subjekt von ihm hat, identisch, zwei Seiten einer und
derselben Sache seien, ist eine Behauptung, die im Ernst doch niemand,
der sich, wenn auch nur vorübergehend einmal auf den Boden
realistischer Anschauungsweise stellt, wird verfechten wollen. Damit
ist nun allerdings aber dieser ganzen Identitätslehre das Urteil
gesprochen.”, dan antwoorden wij, dat men zich zelfs niet
„vorübergehend” „einmal auf den Boden realistischer Anschauungsweise”
hoeft te stellen, om zulk een „Identitätslehre” voor onzin te
verklaren, dat echter voor het idealisme, voor Heymans (als voor
Ebbinghaus, maar deze houdt zich lang niet altijd vrij van realistiese
onzuiverheden) nooit een waarneming of voorstelling met een
hersenproces „identiek” is, maar altijd en uitsluitend met het reale
van een hersenproces; zo is dus b.v. B’s waarneming (b.v. van C’s
hersenproces) het reale van een hersenproces van B, dat weer door A
b.v. wordt waargenomen. Heymans bedoelt dus: wat realiter waarneming
van B is en als zodanig uitsluitend tot de werkelike zielse reeks
behoort, kan zonder strijdigheid of vereenzelviging van
ongelijksoortigs phaenomenaliter hersenproces van B zijn, maar behoort
als zodanig uitsluitend tot de natuurreeks. Gelijk men nu tot een goed
verstaander kan zeggen, al is het ietwat onnauwkeurig, de werkelikheid
is in bepaald opzicht (nl. voor en door denkbeeldige waarneming)
natuur, zo kan men ook zeggen: het ziels gebeuren is in zeker opzicht
hersenproces. En zo ontstaat dan de zeker niet aanbevelenswaardige,
realisten van de wijs brengende uitspraak: „hetzelfde” behoort zowel
tot de ene reeks als tot de andere! Men herleze nu Busse’s wonderlike
realistiese Heymans-misvatting (147–151), waarnaar de „schliesslich zu
Grunde liegenden psychischen Originalvorgänge, auf welche doch alles
ankommt”.... „in diesem Parallelismus überhaupt keine Rolle” zouden
spelen, „ausserhalb des Parallelismus selbst” zouden staan, en
„Schliesslich bedeutet doch die Behauptung Heymans, dass eine
identische Bewusstseinserscheinung sowohl als der einen wie als der
anderen Reihe zugehörig betrachtet werden kann, bei Lichte [?] besehen
nichts anderes, als dass wir an jeder Vorstellung den Akt des
Vorstellens und den vorgestellten Inhalt unterscheiden können und dass
beide doch eine untrennbare Einheit bilden. Das wusste man nun freilich
schon lange: um das zu wissen brauchte man nicht erst die Theorie des
psychophysischen Parallelismus aufzustellen. Was aber hat diese
Identität der Vorstellung und des Vorstellungsinhalts zu tun mit der,
welche der Parallelismus behauptet, der Identität zweier Reihen?”
(150). Die laatste vraag kon Heymans’ antwoord zijn op deze
Heymans-duiding.
Zoveel over de identiteit. Op bl. 151 vervolgt dan Busse: „Aber wir
mussen noch weiter gehen, nicht nur die Identität, auch die
Parallelität der beiden Reihen muss auf idealistischem Boden aufgegeben
werden. Um sie festzuhalten, müssten wir eine völlig rätselhafte,
unerklärliche und unbegreifliche prästabilierte Harmonie der beiden
Reihen, der physischen und der psychischen, voraussetzen.” Voor ons een
afgedaan punt, vgk. boven bl. 207 en de noot bij bl. 199. Ook weten we
nu, waarom wij inderdaad „a limine” [p. 166] mogen en moeten afwijzen
„die Möglichkeit, dass in die physische Reihe auch unter Umständen
ein.... psychisches Glied eintreten könne”. Wij zeggen niet „es passt
eine solche Annahme nicht in den Parallelismus hinein und deshalb ist
sie zu verwerfen!”, maar: „es passt eine solche Annahme bloss in den
‚naiven Realismus’ hinein, und deshalb ist sie zu verwerfen!”
2. Wij hebben daarmee Busse principieel afgedaan tot bl. 183—en zullen
aan het tweede „nadeel”: „Die Künstlichkeit der parallelistischen
Theorie” (183–208), speciaal ten aanzien van het causaliteitsbeginsel,
niet al te veel aandacht wijden. Is de theorie waar, is het causalisme
onmogelik juist dewijl alleen werkelikheid werkend, een reale causaal
kan zijn, dan zijn wij geen „Naturalisten der reinen Vernunft”, die
niet de „natuurlike”, voor de hand liggende („nächstliegende” zegt B.
p. 188).... dwaling zouden opgeven voor een desnoods „ziemlich
gekünstelte” waarheid. Al bedenken ook wij bij tijd en wijle, dat
eenvoud het kenmerk van het ware, simplex veri sigillum is, bij tijd en
wijle vergeten wij daarom niet de nauwe verwantschap tussen simplex en
simpel, eenvoud en Einfalt.—Maar.... zelfs die „Künstlichkeit” valt
mee, want die ondoorzichtigheid berust weer, als zo dikwels, op
doorzichtloosheid, te weten op realistiese verwarring met de
„Automatentheorie”, waartegen Busse zich richt met zijn: „Kausalität
und physische Kausalität sind keine identischen Begriffe”. Het krities
parallelisme zou wel waarlik gekunsteld zijn, ja lijnrecht in strijd
met het causaliteitsbeginsel, als het, naar realisties misverstand, een
deel der werkelikheid aan de causaliteit onttrok. Maar juist het
inzicht dat niet alleen al wat werkelik is, maar ook alléén wat
werkelik is, causaal kan zijn, maakt de psycho-physiese
Wechselwirkungslehre onmogelik. Dus niet alleen „Die
Wechselwirkungslehre”, maar evenzeer het monisties parallelisme „setzt
alles Wirkliche in durchgängige Beziehung zueinander und lässt das
Kausalitätsprinzip nirgends abbrechen; sie [auch er] statuiert einen
lückenlosen universellen Weltzusammenhang.” (p. 207) [215]. „Der
psychophysische Parallelismus dagegen teilt die Welt in zwei
beziehungslos nebeneinander herlaufende Welten und sucht das Wunder
ihres durchgängigen Parallelgehens durch das noch grössere Wunder ihrer
heimlichen Identität zu erklären.” Wonder en heimelikheid vervallen met
die „zwei Welten”—en hoe „beziehungslos” reale en phaenomeen, geest en
natuur wel zijn, hebben wij met beeld en begrip verklaard en
opgehelderd. En is eenvoudiger, doorzichtiger verklaring denkbaar van
het ervaringsverband tussen geestesleven en hersenproces, verstands- en
hersenontwikkeling, zielsziekte en hersenstoring, dan deze, dat het
tweede phaenomeen is van het eerste, het eerste reale van het tweede?
[216]
Nog één realistiese moeilikheid, die we te boven zijn, dient hier onder
2 aangestipt: hoe wij nu de schijnbare „Wechselwirkung” of overgang
verklaren bij de waarneming der natuur zonder inwerking van de natuur
(objekt, zintuig, hersenen) op de geest en bij de willekeurige beweging
(schrijven b.v.) zonder inwerking van de wil op die beweging, of om met
onze typies-realistiese tegenstander Stumpf te spreken (Leib und Seele,
p. 20/1): „die missliche Frage, was denn nun eigentlich die Wirkung des
Willensentschlusses zur Körperbewegung ist, wenn nicht die Bewegung,
und was denn eigentlich die Ursache der Empfindung ist, wenn nicht die
Nervenreizung.”
Antwoord: Geen objekt, natuurding, zenuwprikkeling is oorzaak der
gewaarwording (gelijk voor de dogmatiese waarnemingsleer, ook van u en
de uwen), maar het reale van objekt en zenuwprikkeling; niet de
beweging, maar het reale der beweging is het werkelik gevolg van het
wilsbesluit—de beweging is het phaenomeen, dat in dit reale en
middellik dus in dat willen zijn conditio sine qua non heeft! [217]
’t Is waarlik, eens begrepen, zo kinderlik eenvoudig, haast groots van
eenvoud!
Daar zegt b.v. nog v. Hartmann in zijn „Kategorien-lehre” (p. 397):
„Die Erfahrung zeigt, dass unser Geist fortwährend von den Dingen
beeinflusst wird und seinerseits sie durch ihr [lees sein] Handeln und
Wirken beeinflusst, dass der bewusste Geist ganz und gar abhängig von
seinem Leibe, der Leib aber wiederum in vieler Hinsicht abhängig von
der Willkür des Geistes ist. Diese Erfahrung muss erst dadurch
beseitigt werden, dass sie für einen falschen, trügerischen Schein
erklärt wird; dann erst wird die Bahn frei für die Behauptung, dass
heterogene Kausalität in diesem engeren Sinne des Wortes unmöglich sei.
Es bleibt dann aber die Aufgabe bestehen, zu zeigen, wie ohne
heterogene Kausalität dieser Schein entstehen könne, und an der Lösung
dieser Aufgabe sind noch alle Systeme gescheitert, die die heterogene
Kausalität geleugnet haben.”
De „Lösung dieser Aufgabe” bieden wij in één zinnetje: die schijnbare
causaliteitservaring ontstaat, doordat men, als v. Hartmann, realisties
het (phaenomenale) lichaam voor een reale houdt—en doordat inderdaad
onze geest voortdurend door het niet-stoffelik reale van de
(natuur)dingen beïnvloed wordt en dit zijnerzijds door zijn actie en
inwerking beïnvloedt; doordat de bewuste geest dualisties-idealisties
geheel en al afhankelik is van en monisties-idealisties zelfs identiek
is met, het reale van zijn lichaam, dit echter wederom in menig opzicht
afhankelik is van de willekeur van de geest!
Ziedaar, wat er aan is van die zgn. „Erfahrung” die wij volgens
Hartmann „künstlich umdeuten” moeten. En hiermee is tevens Busse’s
thema „die Deutung der Tatsache, dass zwischen psychischen und
physischen Vorgängen ein Verhältnis wechselseitiger Abhängigkeit
besteht” zo ongekunsteld mogelik afgehandeld. Wij zijn genaderd tot
3. „Die Konsequenzen des [realistisch verkannten!] psychophysischen
Parallelismus und ihre Undurchführbarkeit” (208–378).
Ook dit hele boekdeel is weerlegd, door de opmerking, dat Busse
volkomen gelijk heeft omdat en zolang hij zich tegen de realistiese
duiding van het parallelisme richt, die hij begrijpt en kent—en
volkomen ongelijk tegenover het idealisties parallelisme, behalve
tegenover dat van een Spinozist zonder materie-realisme als Riehl,
wiens „kritischer Monismus”, de leer, dat het psychiese evenzeer
slechts phaenomeen is en wel van hetzelfde causale reale als waarvan de
natuur het is, „wezenlik” faalt en „wezenlik” falen moet in zijn
pogingen, het geestelike, de zielse reeks, toch causaal te maken ten
aanzien van de natuur-reeks, van bewegingen, al noemt hij het nog zo
zeer „wesentlich” ’t zij voor het reale ’t zij voor de beweging, dus
b.v. „Vorstellung und Wille an der Bewegung, d.i. [?] an dem Vorgang,
der den objectiven Sinnen als Bewegung erscheint, wesentlich
betheiligt” (K. III, p. 183). [218] Hier heeft Busse gelijk (p. 265):
„Empfindung und Vorstellung aber haben an der Hervorbringung des realen
Vorganges, der uns als Bewegung erscheint, keinen Anteil, da sie ja
[volgens Riehl] nur Erscheinungen sind und Erscheinungen doch nicht
Dinge an sich produzieren können.” Maar op deze grond heeft dan ook
Heymans reeds „Die Lehre vom unbekannten Anderen” in zijn „Einführung”
bestreden. En Busse’s gelijk is hiermee uitgeput. Dat zullen wij nu
zien:
a. Wat punt a betreft, in hoeverre het niet-realisties parallelisme al
of niet verplicht is, „zu allen psychischen Eigentümlichkeiten die
physischen Analoga [?] anzugeben” (208–229), daarover is bij Wundt en
Eisler al het nodige te vinden en het volgt uit wat wij zelf reeds
hebben betoogd. Zo doet „der auf psychischer Seite verbleibende Rest”,
de éénheid en de „Synthesen” van het bewustzijn, die in de natuurreeks
evenzeer ontbreken als... het bewustzijn zelf, evenmin iets te kort aan
het parallelisme (of omgekeerd), als de „rest”, die de levende continu
verlopende werkelikheid op de dode diskrete jaartallen vóór heeft.
b. En wat het tweede punt betreft, „Die Geschlossenheit des psychischen
und des physischen Geschehens” (230–321), alleen ten aanzien van dit
laatste, van de natuur heeft Busse bezwaren, gericht tegen wat James’
realisme noemt de „automaton-theory”, in waarheid dus de leer, die uit
de natuur, ook met betrekking tot alle levende wezens, dier en mens, al
het zielse, geestelike streng methodies en principieel uitschakelt....
zodat de natuur even zuiver mechanies verloopt als zij.... zuiver
phaenomenaal en zuiver ruimtelik is. Al wat des geestes is, alle
bewustzijn, alle denken, voelen en willen, blijft dus krities,
methodologies-noodwendig uitgeschakeld, niet omdat het onwerkelik en
werkeloos zou zijn—maar juist omdat het alléén werkelik en werkend is.
De methodiese zuivering der natuur van alle psychismen betekent juist
en berust op de methodiese vrijwaring van de geest, van de
werkelikheid. voor alle mogelike naturalismen en mechanismen. Het
mechanisme der natuur kan evenmin de werkelikheid mechaniseren,
automaties maken, als de ruimte der natuur de werkelikheid ruimtelik of
de stoffelikheid der natuur de geest tot stof maakt, of evenmin als de
sijferende statistiek de werkelikheid zelf maakt tot een sijferstelsel.
Daarmee zijn weer Busse, pp. 230–321, en al de zijnen afgedaan—immers
mèt het natuur-realisme is het naturalisme vervallen. Al wat
phaenomenaal is kan slechts phaenomenaal en phaeno-causaal, al wat
lichaam en beweging is slechts mechanies werken en gewerkt worden,
verklaren en worden verklaard—zo dus ook leven en ontwikkeling der
organismen, ’t zij mens of dier, zover zij zich bewegen, ruimteding,
natuur zijn. In de natuur moet eo ipso elk element, elke wet, elke
verklaring natuurlik zijn, van heel de natuur en elk element en elke
wet echter ligt oorsprong, grond en verklaring, „verklaring” dus in de
diepere, ontologiese, reële zin, uitsluitend in het reale der natuur,
in de werkelikheid, waartoe de geest, waartoe begrip en gevoel,
gedachten en begeerten behoren. Zonder deze werkelikheid zou heel die
natuur er niet zijn. Geen manuskript b.v.—hoewel als zinledig
molekulen- en atomen- of elektronen-stelsel natuurkundig, mechanies, af
te leiden uit het even geesteloos molekulen- of elektronen-spel van
bepaalde hersenen—zonder zijn reale en zonder zijn auctor
intellectualis et realis, de denkende geest, wiens wil en werk op de
betekenis, de zin van het manuskript gericht was en daarom en daardoor
de werkelikheid zódanig beïnvloed en gewijzigd heeft, dat tot haar
phaenomena dit manuskript kwam te behoren. Zo vervalt voor al deze en
dergelijke gevallen (het telegram, Luther, „Austerlitz” etc.) alle
„paradoxie”, waar Busse c.s. zich voor gesteld zien (p. 256/7): „Mag
auch immerhin der Geist eines Kant oder Newton das dem Manuskript der
Kritik der reinen Vernunft oder der mathematischen Prinzipien der
Naturphilosophie zu Grunde liegende intelligibele Ding verursacht
haben: das Manuskript selbst ist und bleibt [zover het betekenisloze
scheikundig-natuurwetenschappelike stof is] das zufällige [geenszins
toevallig, maar wettelik, op boven-omschreven diep, werkelik, geestelik
verband berustend] Produkt des Spiels einer Anzahl von Gehirnmolekülen,
und diese Ansicht bleibt [?] so paradox, wie zuvor.”
Precies zo gaat het nu ook met die „paradoxie” in „Biologie” en
„Kulturgeschichte”, waaromtrent men b.v. Eisler’s uitnemend betoog in
zijn „Leib und Seele” vergelijke.
De werkelike Evolutie, de werkelike „struggle for life” is natuurlik
weer zuiver onstoffelik, een strijd om behoeftebevrediging,
begeertevervulling, waarbij dus gevoelens, neigingen, instinkten,
voorkeur en tegenzin, waarnemingsvermogen der onderscheiden zinnen,
pijn en genot, geheugen, overleg en begrip de grote faktoren,
voorwaarden en wapenen zijn, terwijl de parallele phaenomenale
ontwikkeling der organismen en organen even vanzelfsprekend zuiver
stoffelik is en blijft. En zo behoeft het nauweliks nog vermelding, dat
dan ook nooit evolutie uit stof geest kan voortbrengen, uit een
phaenomeen een subjekt of een reale, een kennistheoreties of ontologies
prius van een phaenomeen [219], zo min als uit geest stof kan ontstaan,
maar dat, zuiver monisties, heel de werkelike ontwikkeling onruimtelik,
immaterieel, ’t zij ten dele ’t zij geheel psychies moet worden
gedacht, van de primitieve, blind-instinktieve, onder- of on-bewuste,
vage, niet- of nauweliks-onderscheidbare kiemen, elementen en faktoren
van het zielse leven, door specialisering, individualisering,
concentrering, organisering, intensificering tot de verheldering,
verruiming, verrijking, verdieping van bewustzijnsleven, tot de volle
ontplooiing van heel ons menselik, persoonlik en gemeenschappelik
begrips- en gemoeds-leven, een ontwikkeling tot steeds machtiger
beheersing der subjektieve en objektieve voorwaarden van geluk, een
ontwikkeling waaraan al de geestelike verworvenheden onzer kultuur,
wijsheid en kunsten en wetenschappen en de vooruitzichten op een
rechtelik en zedelik geordende maatschappelike samenleving, op een
Blijde Wereld, ontbloeid zijn.
c. Ten slotte behandelt Busse’s parallelisme-kritiek Die
psychologischen Konsequenzen des Parallelismus (322–378), die 3erlei
zouden zijn:
α: „Die pluralistische Seelenlehre”, „die subjektlose Psychologie”,
β: „Die psychologische Atomistik (Mind-Stuff-Theorie)” en
γ: „Die mechanistische Psychologie” („Association contra
Apperception”).
Weer in één zinnetje af te doen, gelijk mijn geduldige lezer reeds zal
hebben gedaan: Realisties als hij denkt heeft Busse gelijk, ook dus
t.a.v. Ziehen en derg.—maar van het niet-realisties,
krities-idealisties parallelisme is de enige psychologische Konsequenz,
dat het geen „psychologische Konsequenzen” heeft!
Want volstrekt onafhankelik als de werkelike reeks, waartoe al het
psychiese behoort, is van de phaenomenale reeks, de natuur, heeft en
houdt zij, of liever krijgt juist, haar volle vrije zelfstandige eigen
wettelikheid, psychologies, logies of ethies en haar van alle
physiologismen en naturalismen principieel gezuiverde psychologie,
onverschillig of men het apperceptieve, actualistiese voluntarisme
zonder wil van Wundt of het meer substantialistiese van Eisler’s
„organisch-teleologische” psychologie aanvaardt, dan wel b.v. de
„beschreibende und zergliedernde” psychologie van Dilthey of
daartegenover Ebbinghaus’ psychologie van Einfachste seelische Gebilde
en Allgemeinste Gesetze des Seelenlebens, of wel Fouillée’s Psychologie
des Idées-forces of zijn en anderer „speciale” psychologie of
characterologie („éthologie”) of b.v. Heymans’ logica-psychologie. Zo
volgt, om dit voorbeeld te noemen, het denken zijn eigen logiese
wettelikheid, zonder dat het parallele hersenmechanisme iets te
„verlangen” of te „erzeugen”, te verhinderen of te veroorzaken heeft
(Busse, p. 359 en daarvóór), trots Liebmann’s realistiese „Antinomie”
en Busse’s physiologiserend anti-psychologisme dat (niet zonder
realistiese reden) „weitere Antinomien ethischer Natur” voorziet. Maar
hier doemen problemen op, die tot een ander gebied behoren en niet
afhankelik zijn van de tegenstelling idealisme—realisme of
parallelisme—causalisme, dus basta. Zo verenigt het idealisties
parallelisme zonder „doppelte Wahrheit” [220], die het met Busse kan
verfoeien, zonder zelfweerspreking, het psychologies determinisme ten
aanzien der werkelikheid, waarin karakter en overtuiging, wilskracht en
hartstocht, verstand en gemoed, beraad en gezindheid oorzakelike
determinerende machten kunnen zijn, met het fatalisme ten aanzien der
natuur, waarin van wil of weten, van ziel of instinkt of gevoel geen
sprake kan wezen, zo min als in de werkelikheid van zulk „mechanisme”.
Als dan ook Prof. Bruining in zijn bovenvermeld Gids opstel (zie
tekstbl. 219 noot 1) beweert (p. 492/3): „In beide [materialisme en
monisties psychisme] is de wereldorde in haar geheel een reusachtig
mechanisme, de handelende persoonlijkheid eenvoudig een automaat”....
dan antwoorden wij: voor het materialisme hebt ge met uw „reusachtig
mechanisme” gelijk, zover dat materialisme altans een eindige massa
aanvaardt, (neemt het zijn materie oneindig, dan wordt ook het
mechanisme niet reusachtig, maar oneindig groot), doch voor het
psychisme is niet precies „de wereldorde in haar geheel” maar.... haar
phaenomeen „een reusachtig mechanisme” en niet precies „de handelende
persoonlikheid” maar z’n phaenomeen, z’n lichaam, „eenvoudig een
automaat”. En voor de wereldorde, de werkelikheid zelf van het
psychisme is „reusachtig” even zinledig als „klein” of „groot” of elke
andere afmeting, daar het psychiese nu eenmaal geen afmetingen heeft.
En een „mechanisme”? Tweeërlei betekenis heeft mechanies: 1o. de
eigenlike, ruimtelike, physiese zin: „werktuigelik” zich bewegend,
volgens de wetten der „mechanica” of bewegingsleer en 2o. de
overdrachtelike onruimtelike psychiese zin: „werktuigelik”,
„machinaal”, d.w.z. zonder medewerking van wil en bewustzijn, willoos,
gedachteloos, als een automaat. Welnu, van het 1e kan moeilik sprake
zijn in een onruimtelike wereldorde en van het tweede evenmin in een
wereldorde, waar wil en bewustzijn, gemoeds- en denkleven, subjekt en
persoonlikheid, in plaats van te worden uitgeschakeld of zelfs maar
dualisties gebonden [221] aan enige „werkelike” stof of
natuurwettelikheid, integendeel juist tot het wellicht enig werkelike,
tot het zéker enig kenbare werkelike verheven is! Daarom behoeft geen
idealist zijn intellektueel geweten geweld aan te doen door
indeterminisme om aan het fatalisme te ontkomen (gelijk realisten als
Prof. Bruining) en daarom is dan ook geen enkel krities idealist, zover
ik weet, psychologies indeterminist. [222] Dat is een heugelik
resultaat te meer van de kritiek! En Prof. Bruining’s redenering (ib.):
„Hebben wij, naar de grondgedachte van psychisch monisme, aan te nemen,
dat de waargenomen—door den ‚idealen Beobachter’ waar te
nemen—hersenprocessen, die, zooals er uitdrukkelijk wordt bijgevoegd
‚durchweg[s] den mechanischen Gesetzen sich unterordnen’, eenvoudig de
eigenaardige vorm zijn, waarin het in iemand plaats grijpend psychisch
proces zich in het bewustzijn van den waarnemer voordoet, dan ligt
daarin onmiddellijk opgesloten, dat dit psychisch proces zelf volgens
de wetten der mechanica verloopt” is een redenering van hetzelfde
kennistheoreties gehalte als deze zou zijn: „Hebben wij, naar de
grondgedachte van psychies monisme, aan te nemen, dat de waargenomen
hersenprocessen, die, zoals er uitdrukkelik worde bijgevoegd, geheel en
al stoffelik zijn en in de ruimte blijven, eenvoudig de eigenaardige
vorm zijn, waarin het in iemand plaats grijpend psychies proces zich in
het bewustzijn van de waarnemer voordoet, dan ligt daarin onmiddellik
opgesloten, dat dit psychies proces zelf geheel en al stoffelik is en
in de ruimte zich afspeelt”!
Geen wonder voorwaar, dat de sterkste, de principieelste tegenstanders
van elke mind-stuff-theorie, van elke materialiserende
associatie-psychologie.... de krities-idealistiese parallelisten zijn,
hoe monadologies zij dan ook veelal mogen denken.
En noch voor Kant (naar wij boven zagen, bl. 204) noch voor enig
niet-realist geldt tegen de leer, die de hersenprocessen voor
phaenomeen van het zieleleven houdt, het bezwaar (van realisten als
Busse en Becher) van de samengesteldheid, de atomistiese struktuur
[223] der materie, van de „Vielheit abtrennbarer, selbständiger
materieller Teile” (Becher, Gehirn und Seele, p. 357) tegenover de
éénheid of de continuïteit van het reale. Want niet alleen kan de éne
continu verlopende werkelikheid haar vele velerlei diskrete
statistieken hebben, niet alleen heeft de gedachte die één en
ondeelbaar is haar vele gescheiden klanken in de taal en haar nog
talrijker „abtrennbare”, „selbständige” letters in het schrift, maar
bovendien is ook het geestesleven, de menselike ziel b.v., niet één en
ondeelbaar als een meetkundig punt of als het dogmatiese zieleding van
het oude dualistiese „spiritualisme”, maar—onverschillig of
aktualisties dan wel substantialisties gedacht—in elk geval een produkt
van honderd- en duizendvoudige geestelike „synthese”, die wel geen
samen-stelling, maar toch een „versmelting”, een éénwording onderstelt
van wat een veelheid te voren was en zelfs als „element” of „factor”
tot ander zielsverband, andere individualiteit kan hebben behoord. Zó
alleen zijn meta-physies, psychisties, geboorte, erfelikheid en
bevruchting (éénwording van twee individuele geestelike kiemwerelden,
de substrata van spermatozoön en eicel), het sterven als ont-binding en
die ondoorgrondelike assimilatie-processen der voeding altans
enigermate te begrijpen [224], terwijl b.v. nog Busse zowel als Lotze
in het begriploos creatianisme zijn blijven steken.
We mogen nu de lezer verzoeken, de kritiese slotsom aangaande het
parallelisme zelf op te maken en die te vergelijken met Busse’s
„Gesamtergebnis der [helaas niet in kennistheoretiese zin] kritischen
Untersuchung des psycho-physischen Parallelismus” (p. 378/9) en daarmee
afscheid nemen van Busse’s boek, het beste, grondigste, dat er ten
gunste der overgangsleer, der „Wechselwirkung” en tegen de
samengangsleer geschreven is.
Eer ik nu tot slot nog zal laten zien, wat er waar is van de
„Verzoening” tussen beide, die in het jongste wetenschappelike werk
over lichaam en geest, Becher’s Gehirn und Seele, aan de orde wordt
gesteld, neem ik nog even de uitgegeven en herdrukte rede onder handen
van Prof. Dr. Carl Stumpf over Leib und Seele, waarmee hij als
voorzitter het internationale congres voor psychologie te München in
1896 (en heel wat twistgeschrijf) geopend heeft en die vermoedelik aan
haar common-sense-realisme soortgelijke tweederangs-beroemdheid te
danken heeft als Du Bois-Reymond’s materialistiese ignorabimus-rede.
Aanleiding is mij het feit, dat Stumpf’s rede ten onzent b.v. vertaald
is opgenomen in Mr. Levy’s „Indeterminisme” en haar weerklank tans nog
vindt in de „Zuivere Rede” van Prof. Bolland. [225]
Ook Stumpf dan gaat het parallelisme bestrijden. Maar het ongeluk wil,
dat deze typiese realist, wiens „missliche Frage” wij reeds boven op
bl. 219 beantwoord hebben, van het parallelisme slechts twee
realistiese vormen kent [226] (p. 19), nl. 1o: het epiphaenomenalisties
psycho-physies materialisme en 2o: de dualistiese leer, dat „auch das
Psychische” een eigen gesloten causale reeks vormt (dat is voor zijn
realisties denken „Panpsychismus”—het echte kritiese psychisme,
waarvoor alléén het psychiese werkelik en causaal is, bestaat voor hem
niet eens). Zo is het dus volkomen verklaarbaar (nl. uit gebrek aan
kritiek en begrip), dat hij moet getuigen (p. 21):
„Aber ich kann in der Parallelitätslehre überhaupt statt des
gepriesenen Monismus nur einen Dualismus finden, wie er krasser noch
niemals aufgetreten ist. Die Ungleichartigkeit der Gebiete ist
beibehalten, die Wechselwirkung geleugnet, von der einheitlichen
Substanz, die ohnedies nur ein Scheinbehelf war, ist nicht mehr die
Rede, und so erscheint auch das Parallellaufen der zwei Welten
unfasslicher als selbst nach der verrufenen Lehre der Geulincx und
Malebranche.” Hoe unfasslich die paralleliteit in waarheid is, zal
boven wel gebleken zijn. „Zur Sache selbst müssen wir uns die Frage
vorlegen, ob nicht die Konsequenz der Naturforschung, insbesondere der
Entwicklungslehre, selbst wenn wir die Philosophie beiseite lassen
[neen, dan niet!], dahin drängt, die Welt in allen ihren Teilen als ein
kausal zusammenhängendes Ganzes aufzufassen, worin jedes Wirkliche
seine Arbeit leistet, keines von der allgemeinen Wechselwirkung
ausgeschlossen ist; und—wenn dies jeder bejahen wird [juist, allereerst
en op goede grond de criticus!]—die andere Frage, ob die Gründe, nach
denen die gesamte Welt des Psychischen [n.b.!] von der Wirklichkeit in
diesem Sinne oder von der allgemeinen Wechselwirkung ausgeschlossen
sein soll, so zwingend sind, wie sie vielen erscheinen.” (p. 21/2). Dat
het juist die gesamte Welt des Physischen is, die „von der Wirklichkeit
in diesem Sinne oder von der allgemeinen Wechselwirkung” moet
uitgesloten zijn—ontgaat een Stumpf (als straks een Bolland) natuurlik
volkomen.
Ook over de heterogeneïteit oreert nu Stumpf, die, naar wij op bl. 225
gezien hebben, zo min als enig materialist tegen het ontstaan van geest
uit stof bezwaar zou hebben of weten, als volgt: „Die Ungleichartigkeit
wird nach den Untersuchungen Humes kein Einsichtiger mehr als
ernsthaftes Argument gelten lassen [zolang hij realist blijft]. Ursache
und Wirkung brauchen nicht gleichartig zu sein. Nur die Erfahrung kann
lehren, was als Ursache und Wirkung zu einander gehört. Am wenigsten
sollte derjenige die Wechselwirkung des Heterogenen beanstanden, der
seine substanzielle Einheit lehrt: denn die substanzielle Verbindung
der beiden Welten soll doch eine noch innigere sein als die bloss
kausale.”—Dat inderdaad de verhouding van grond en phaenomeen nog
„inniger” is, dan „die bloss kausale” (immers het reale hoeft niet eens
feitelik in een bepaald geval causaal te zijn om toch zijn bepaald,
denkbeeldig, phaenomeen te hebben) en dat de Wechselwirkung niettemin
onmogelik en ondenkbaar blijft, behoeven wij er tans nog één woord aan
te verspillen? Stumpf’s vernuftige pogingen om dan het psychiese
causaal te maken in de natuurreeks kunnen wij met het stilzwijgen dat
ze voor ons verdienen voorbijgaan. Eerst op bl. 29/31 wordt ook enige
realistiese rhetoriek gewijd aan „der sogenannte idealistische, besser
psychistische Monismus, der sich gleichfalls als eine Überwindung oder
höhere Fassung der alten Parallelitätslehre gibt”, maar hem toeschijnt,
„in Wahrheit nicht über die Schwierigkeiten hinauszuführen, sondern nur
darüber hinwegzutäuschen.”, rhetoriek van het volgend allooi (ik geef
al wat Stumpf er tegen in te brengen heeft):
„Nun sollte man denken: da, wo Kausalität ist, ist auch Realität; und
solange wir nicht imstande sind, das Fallgesetz als Gesetz von
Willenstätigkeiten zu verstehen und an beobachtbaren Willenstätigkeiten
zu verifizieren, solange muss es eben als Gesetz einer nichtpsychischen
Realität angesehen werden. Aber lassen wir diese Bedenken. Was ist denn
eigentlich für die Beseitigung des bösen Dualismus gewonnen, wenn man
die physischen Dinge als blosse Erscheinungen definiert? Kann man das
Körperliche dadurch überhaupt wegdekretieren? Sind Erscheinungen ein
absolutes Nichts, sind Ausdehnung, Gestalt, Farbe nun wirklich ganz aus
der Welt verschwunden? Wenn nicht, wo bleibt der Monismus? Und wird
nicht auch gerade die Verschiedenheit und der Gegensatz, indem man sie
als Erscheinungen mit dem Wesen kontrastiert, erst recht betont? Und
sind wir [?] uns, aufrichtig gesprochen, über das Verhältnis jetzt
klarer wie vorher? Warum muss denn das Wesen überhaupt erscheinen und
so verschieden von sich selbst erscheinen?
„Mir wenigstens bleibt es unfassbar, wie geistreiche [!] Männer nur
einen Augenblick sich darüber täuschen können, dass mit solchen
Redewendungen das Problem, welches man damit [!] wegzuschaffen meint,
erst anfängt, und dass sie, selbst als Redewendungen betrachtet, einen
Rückschritt gegen die fruchtbaren Fragestellungen bedeuten, zu denen
wir in dieser Angelegenheit von andern Standpunkten aus bereits geführt
sind: weil sie eben verleiten, sich bei der bequemen [voor u toch te
moeilike] Distinktion Wesen—Erscheinung zu beruhigen und das Verhältnis
der beiden zu einander als etwas Bekanntes, durch sich Klares, keiner
[!] Erörterung Bedürftiges hinzunehmen.” [227]
Elk nader commentaar zou geringschatting van mijn lezers zijn—slechts
wil ik u tans nog van Stumpf’s rede de Nederlandse echo laten horen uit
Prof. Bolland’s
„Zuivere Rede” (p. 431/3): „Kinderlijk is ook de theorie van de
psycho-physische ‚evenwijdigheid’, waarin op grond van het zoogenoemde
axioom der geslotene natuurcausaliteit [zie boven bl. 205] eene
natuurlijk geestelijke en geestelijk natuurlijke wederkeerigheid van
werking wordt verloochend; dit ‚parallelisme’ vooronderstelt eene
mechanistisch atomistische wereldopvatting [zolang men vóór de
kennisleer staat—niet als men er „achter” is], door onzen landgenoot
Heymans o.a. [o.a.!] wel eens in uiterst bedenkelijk klinkende zinnen
begunstigd [alléén naar Prof. Bolland c.s.’ grove misvatting] en tot op
heden nog altoos uitdrukkelijk te verloochenen [een onwaarheid; heel
Heymans’ wijsbegeerte, niet alleen zijn groot kennistheoreties
hoofdwerk, maar speciaal zijn Einführung is een uitdrukkelike
verloochening niet alleen, maar de kritiese weerlegging bovendien....
edoch natuurlik uitsluitend voor wie „begrip heeft om te begrijpen” en
voor wie derhalve zulk een „uitdrukkelike” verloochening even
belachelik als overbodig zou zijn, terwijl de anderen.... rustig mogen
doorgaan, Heymans te eren met hun smaad]. Intusschen laat deze de
stoffelijke reeks alleen gelden als subjectief [!] ideëele
verschijnselen in bewustheden en hij beschouwt het tweevoud der
evenwijdigheden als eenen schijn [!], waarboven een universeel
bewustzijn [integendeel, ieder begrijper!] zoude verheven zijn; hoewel
hij zelf van zijn psychisch monisme, zijne zielige [bollands-hollands]
aleenheidsleer, spreekt, is zijne ‚metaphysica op grondslag der
ondervinding’ dus een universeel bewustzijnsspiritualisme, waarin hij
de evenwijdigheden laat gelden als eenen ‚schijn voor—God’ [dat deze
god schijn zowel als deze schijn god slechts op Prof. Bolland’s
dogmatiese „waan en inbeelding” berust, begrijpt nu na mijn kritiek
hoop ik elk van mijn lezers]. Een beletsel voor een ‚minder’ dan
universeel bewustzijn, ook zonder ondergrond van ondervinding het
stijve [i.p.v. slappe?] psycho-physische parallelisme voor waan en
inbeelding te houden, is die [?] theorie van onzen
proefondervindelijken zielkundige [228] niet [voor wie er niet bij
kan]. In eene openingsrede voor het psychologische congres van 1896
heeft Carl Stumpf de ‚zielig-natuurlijke (of natuurlijk-zielige)
evenwijdigheidsleer’ terecht [cf.!] als een ‚dualisme’, eene leer van
tweespalt gequalificeerd, die onbegrijpelijker blijft dan zelfs het
oude onverhelderde occasionalisme, waarin voor het ob- en subjectieve
correspondeeren de almachtige God aansprakelijk werd gesteld, en hij
heeft gewezen op de noodzakelijkheid, den samenhang der wereld
[precies!] ‚in allen deele’ te erkennen als eene algemeene
wederkeerigheid van werkzaamheid, waarvan ook het psychische [zie bij
Stumpf!] niet is uitgesloten.” „Zuivere Rede” vervolgt op bl. 433: „de
‚psycho-physische parallelisten’ of zielig natuurlijke
evenwijdigheidsmannen voegen daaraan [aan de „ondoordachtheid” van „de
mechanistische opvatting van warmte niet als warmte maar als beweging”;
ondoordacht is hier alleen dat bollandse „niet als—maar als”] dan de
ondoordachtheid toe, ‚omzetting’ van warmte in beweging natuurlijk,
doch verkeering of omkeering van wenschen in bewegingen onmogelijk te
achten [natuurlik onmogelik, maar weer alléén voor voldoende
kennisleerbegrip, even onmogelik als de verkering van lichtbronnen in
hun eigen schaduwbeelden of, zuiverder nog, van tijdvakken in hun eigen
jaartallen!]. Maar [kostelik, dit „maar”!] de werkelijkheid zelve en
als zoodanig is meer dan werkeloosheid [o uil in Athene], zij is als
zoodanig de werkzaamheid zelve, en werkzaam zijn is verkeeren, omkeeren
of omzetten [betrekkelik!], hetzij men dit begrijpelijk vindt of niet.”
Maar.... dat juist tot deze werkelike werkzaamheid van werkzame
werkelikheid.... de natuur, de physiese kosmos, niet behoort dan voor
kritiekloos dogmatisme, dat is juist het voorondersteld inzicht der
kritiek, waardoor zij alle zuivere rederijkerij, ’t zij die van de
duitse Prof. Stumpf of van de nederlandse Prof. Bolland, te boven is.
En het blijkt nu eenmaal Prof. Bolland’s noodlot, dat hij zelf nergens
zieliger is, in de ware zin des woords, dan waar hij tegen Heymans en
diens zogenoemde „zieligheid” zich keert en te keer gaat.
En nu nog Prof. Erich Becher’s „Gehirn und Seele” en zijn „Versöhnung
von Parallelismus und Wechselwirkungshypothese”.
Dit leerrijk boek toch bewijst ons in elk geval één ding—dat men over
heel de wetenschap der hersenphysiologie van onze tijd kan beschikken
(indien altans die kennis eens „lebendigen und wirren Meinungskampfes”,
die verzameling van jammerlik-weinig zékere feiten en experimenten en
erbarmelik-veel meer of minder interessante, aannemelike, mogelike,
denkbare duidingen, opvattingen, meningen, voorstellingen,
beschouwingen, onderstellingen, theorieën en stelsels [229] reeds
wetenschap mag heten) en toch nog achterblijven bij begrip en inzicht
ten aanzien van wel en niet mogelike verhouding tussen hersenen en
geest, voor meer dan een eeuw zonder die hersenphysiologie door Kant al
bereikt.
Zó overwegend, zo albeheersend is ten deze de materie-kritiek.
In het 3e deel nu, „Das Leib-Seele-Problem” (328–396; zie over 1 en 2
de laatste noot) lezen wij aangaande de heterogeneïteit tussen lichaam
en geest op bl. 365: „Da wird im Anschluss an alte
metaphysisch-erkenntnistheoretische Vorstellungen gesagt, Seelisches
und Körperliches könnten nicht aufeinander wirken, weil sie so völlig
verschieden seien. Dies zu Descartes’ Zeiten gewichtige Argument ist
freilich in unseren Tagen zurückgetreten; das hängt mit dem Wandel der
Kausalauffassung zusammen.” Volkomen juist—zolang de materie een reale
blijft. Maar als Becher op p. 366 dan vraagt: „Wer sagt uns, dass
dagegen Seelisches und Körperliches wegen ihrer Verschiedenheit nicht
aufeinanderwirken können, wo wir gegenseitige Beeinflussung
verschiedener Realitäten doch sonst überall sehen? Nur die Erfahrung
könnte uns belehren, dass zwischen Seelischem und Körperlichem ein
Wirkungszusammenhang unmöglich ist.”, dan moet het antwoord luiden: De
kenniskritiek, die ons leert, dat en waarom het lichamelike niet tot de
„Realitäten” behoort, dat en waarom „einordnen” van „das Seelische” „in
den Naturzusammenhang” (p. 380) even onnodig als onmogelik en
ondenkbaar is, gelijk diezelfde kenniskritiek de onmogelikheid leert
van Becher’s „Möglichkeit eines Zusammenwirkens körperlicher und
seelischer Faktoren im Gehirn” (327) en wederom de kenniskritiek het
als een illusie van Becher moet kenschetsen, als hij meent (366): „Wird
eine spiritualistische Deutung der physischen Erscheinungen anerkannt,
so kommen sich der parallelistische Monismus und die
Wechselwirkungslehre so nahe, dass eine Aussöhnung der Gegner nicht
unmöglich erscheint.” Van die „Versöhnung von Parallelismus und
Wechselwirkungshypothese” toch kan geen sprake zijn—zolang wederkerige
causaliteit, Wechselwirkung, tussen geest en stof onmogelik blijft.
Ja—als de „Wechselwirkungslehre” deze zou laten vallen.... als zij „die
Materie spiritualistisch deutet” en dus haar Wechselwirkung tussen
geest en stof vervangt door die tussen geest en het onstoffelik reale
der stof, als zij gaat zeggen (367): „Das uns bekannte Seelenleben
steht.... in Kausalbeziehung zu jenem Seelischen, das nicht in unserem
Bewusstsein gegeben ist, das physischen Erscheinungen zugrunde
liegt.”—dan is zij op hetzelfde ogenblik, niet het parallelisme
genaderd, maar.... parallelisme geworden! En zelfs al neemt gij nu,
zuiver dogmaties, „materielle [?] Dinge-an-sich”, „Atome-an-sich” aan
(373) [230] en Wechselwirkung tussen deze en ons zieleleven (374), dan
nòg houdt ge een zuiver parallelisme t.a.v. zieleleven en stof (die
geen Ding-an-sich, maar „Erscheinung” is.... en blijft), tenzij ge de
natuurwetenschappelike „stof” zelf voor dat Ding-an-sich houdt, maar
dan zijt ge wederom zuiver realisties overgangsman, causalist,
Wechselwirkungstheoretiker. En daar dit wel uw bedoeling zal zijn (vgk.
de laatste noot), staat dan inderdaad uw „Auffassung der
Wechselwirkungslehre wohl näher als dem Parallelismus.” Schrijft gij
echter (374/5): „Mit den materiellen Dingen-an-sich, dem Seelenleben,
und den in diesem enthaltenen Sinneswahrnehmungen eines Teiles der
materiellen Dinge-an-sich kommen wir in der Wissenschaft durchweg aus.”
en meent gij: „Statt von einer Versöhnung des Parallelismus mit der
Wechselwirkungslehre könnte man also vielleicht besser von einer
Überführung des ersteren in die letztere sprechen.”, dan vergeet gij
tweeërlei:
1o: Wechselwirkung wordt niet, wordt nooit bestreden door enig krities
parallelist (naar ook Erhardt waant in zijn „Psycho-physischer
Parallelismus und erkenntnistheoretischer Idealismus”) tussen geest en
het onstoffelik reale der stof, maar uitsluitend tussen geest en stof.
2o: Geen wetenschap, allerminst natuurwetenschap of physiologie,
bekreunt zich om uw dogmatiese „materielle Dinge-an-sich”.
Natuurwetenschap bemoeit zich uitsluitend met de natuur, d.w.z. met de
materie, het phaenomeen, de waarneembare wereld zelf en niet, nooit of
nergens met haar onwaarneembaar reale of substraat.