2. DE STRIJD TUSSEN DUALISME EN MATERIALISME—EEN HOPELOOS DILEMMA.

Zo hebben wij dan nu, met behulp van Kant, dank zij de kritiese

waarnemingsleer als integrerend deel van de kenniskritiek, het

materie-realisme [189] weerlegd, als dogmaties afgedaan en zo zijn wij

dualisme en materialisme gelijkelik en in énen te boven door ons

immaterialisme en in die zin idealisme, waarvan zowel het

niet-realisties, anti-naturalisties monisme van b.v. Riehl, als het

psychisme een verwezenliking is.

Ziedaar dan een van de grote resultaten der kennisleer met haar

„kritiek” ten aanzien van dat centrale levensprobleem der wijsbegeerte,

de verhouding van natuur en geest, van lichaam en ziel, waarvan Stumpf

terecht verklaart: „Darin gipfelt doch das Bestreben jeder Epoche, dass

sie zu dieser für die ganze Weltanschauung massgebenden Frage eine

befriedigendere Stellung gewinne.”

Geest, bewustzijn is het prius der materie. Materie is noch het geheel

der werkelikheid (materialisme) noch zelfs een deel (dualisme), maar,

als mogelike bewustzijnsinhoud, objectief phaenomeen der

werkelikheid—zo luidt de kritiese weerlegging van materialisme en

dualisme te gader.

Wij behoeven dus, zomin als Kant, enig dualist of materialist nog

afzonderlik te gaan bestrijden—want allen, de doden en de levenden,

maar evenzeer de nog komenden zijn ééns en voor al, principieel, a

priori, weerlegd in hun dogmatiese conditio sine qua non—het

materie-realisme.

Zonder de kritiek blijft men binnen dat realisme, waar zonder einde de

strijd woedt tussen anti-theologiese naturalisten en anti- of

supranaturalistiese theologen. Gemeenlik blijven beiden even diep

beneden de wijsbegeerte. Met dit verschil, dat het gros der theologen

alles, het gros der naturalisten niets van haar wil weten. Maar alles

beter weten willen beiden. Ongelooflik laag is dan ook het algemene

peil van die strijd, inzonderheid waar het gaat tegen het materialisme.

Hoe minder de weerlegging van het materialisme lukt, des te beter de

verachting en beschimping. Dat het onzedelik en verderfelik is spreekt

dus van zelf. Maar het is erger. Het is „vulgair”, het

is—anti-materialisties theologenwoord bij uitnemendheid—„oppervlakkig”.

Dat kunt ge horen in alle toonsoorten en klankkleuren uit de

dualistiese boeken en boekjes—en naarmate de snaren kleiner worden, des

te hoger hun toon. Daarom kan het geen kwaad—al blijft de kennisleer

buiten, immers boven, heel deze strijd—er eens uitdrukkelik op te

wijzen, dat binnen het realisme, dus in de ruimtewereld, het

materialisme tegenover het dualisme op nagenoeg alle punten gelijk

heeft. In de wereldruimte zijn zielen noch geesten, ook is er geen

zetel, geen woonplaats der ziel, noch in de hersenen of elders in het

lichaam, noch daarbuiten in heel de nooitgemeten oneindige ruimte des

heelals; de ziel denkt evenmin zonder hersenen als zij waarneemt zonder

zintuigen (al denkt zij, voegt de kennisleer er bij, evenmin „met” de

hersenen, qua orgaan, als zij waarneemt door middel van de

zintuigen)—de nauwste afhankelikheidsbetrekkingen tussen gezond of ziek

geestesleven enerzijds en normale of gestoorde hersenfunctie anderzijds

worden door de dagelikse feiten en proeven van physiologie en

pathologie onomstotelik bewezen; dat het beginsel van het behoud van

arbeidsvermogen voor de levende organismen, voor hersenen of

zenuwstelsels geen uitzondering maakt, is kennistheoreties a priori

even zeker, methodologies even onaantastbaar, als de algemeengeldigheid

van het causaliteitsbeginsel, waarvan het een corollarium vormt, en is

door de bekende proeven van Atwater en Rubner a posteriori bevestigd;

voor de ziel blijft in de ruimtewereld evenmin een mogelike taak als

een mogelike plaats over, zodat haar zelfs Lotze’s stoute

trouvaille-ten-haren-behoeve niet zou helpen (Mikrokosmus I: 3:2: p.

329): iets werkt niet, waar het is, maar „es sei da, wo es

wirke”—immers elke beweging is door de beide elementen snelheid en

richting volkomen bepaald en elke bepaalde wijziging van één dezer

beide elementen vereist een bepaalde, exakt te berekenen, „kracht”, die

op een bepaald punt „aangrijpt” en die er volkomen rekenschap van

geeft, in die zin, dat zonder deze ruimtelike kracht die wijziging

onmogelik en met die kracht onuitblijfbaar noodwendig is, zodat alle

wensen, begeerten, overtuigingen, wil of gevoel, beraad of doelstelling

zonder deze physieke kracht ten aanzien van beweging niets vermogen,

niets verklaren en met deze voor de natuurwetenschap, voor physiologie

en physica, een overbodigheid zijn zonder invloed of gevolg, een

toegift, een „surajouté”, een „epiphaenomeen”; de ruimtewereld is het

rijk van de mechanica, van de astronomiese wettelikheid, van het

fatalisme; de oude materialist Feuerbach heeft hier gelijk: de geest is

„das Nichts der Physiologie”! En daarbij is de monistiese, alle

organismen, het menselike niet uitgezonderd, omvattende

ontwikkelingsleer, met haar onafwijsbaar-logies grondbeginsel van

zuiver immanent-oorzakelike verklaring van organiese en correlatieve

kosmiese doeltreffendheid, door zulk een overstelpend, overweldigend

feitelik bewijsmateriaal uit de verschillendste wetenschappen (plant-

en dierkunde, anatomie, embryologie, palaeontologie) gestaafd, dat

tegenstanders nog slechts degenen zijn, die niet beter weten of niet

beter mogen of willen weten en dat het begriploos wonder van een

mythologiese, dualistiese „creatie” uit niets of uit geesteloze stof of

stoffeloze geest, als tegenstelling tot de „evolutie”, nog slechts en

ternauwernood geloofd kan worden door wie zulk een redeloos

transcendent dogma moeten geloven.

Bijgevolg—al weet tegenwoordig elk respektabel theoloog, „dat het

materialisme het bewustzijn niet kan verklaren”—ik vrees, dat er nog

zijn, die met de mond vol tanden zouden staan, als men hun vroeg: „kunt

gij het bewustzijn dan wèl of beter verklaren?” en dan niet eens zouden

vatten, waarom zij zelf niet verplicht zijn tot wat zij van het

materialisme vergen—en zeker niet, dat het psycho-physies

materialisme.... evenmin verplicht is „het bewustzijn te verklaren”,

evenmin tracht, het bewustzijn uit materie „af te leiden”, als enig

dualist.... zodat het dan ook zelf per slot van rekening.... even

dualisties blijft; en al weet tegenwoordig elk respektabel theoloog,

dat geest en stof zó „heterogeen” zijn, dat geest nooit uit stof of

beweging kan worden afgeleid, kan zijn voortgekomen.... ik vrees, dat

een enkele nog ietwat verlegen zou staan, als hij moest opgeven, waarom

dan wèl, trots die heerlike „heterogeneïteit”, stof en beweging uit

geest kan voortkomen of „geschapen” worden en waarom dan licht en

warmte wel uit beweging kan ontstaan (daar hoort men nooit van die

heterogeneïteit!), of waarom dan die heterogeneïteit geen beletsel is

voor „Wechselwirkung”, wederkerige causaliteit tussen geest en stof,

geen beletsel.... aangezien nu eenmaal voor het gros der dualisten heel

die heterogeneïteit niet veel meer is dan een gretig nagepraat

dogma—niet zelden zó goed begrepen, dat het tevens verloochend wordt

door het even dierbaar-klinkend, maar helaas materialisme-belijdend....

„ignorabimus”; en al weet tegenwoordig elk respektabel theoloog, dat

het materialisme „wetenschappelik heeft uitgediend” [190], dat het

„dood” is—„il y a des morts qu’il faut qu’on tue”, want het leeft, niet

in die oude, dode, paradetrits der theologen: Büchner-Vogt-Moleschott

(van deze laatste vooral zouden ze nog veel kunnen leren, als ze hem

lazen in plaats van hem eeuwig te doden), niet in die oude

edel-redelike David Friedrich Strauss, die zo onverbloemd en onvervaard

de konsekwenties van het wetenschappelik, maar helaas nog realisties,

denken heeft getrokken, als wellicht geen theoloog vóór en nauweliks

één na hem, maar het leeft, het leeft sterker en vuriger en machtiger

dan ooit, in natuurvorsers, biologen, physiologen en pathologen als

Flechsig en Meynert, Loeb en Ramon y Cajal, Verworn en Zander, Forel en

Benedict en Cramer, Pikler en Kroell en Jäger en Rau, Kassowitz en

Schneider, in de „positivistiese” maar naturalistiese volgelingen van

Spencer en Comte, in Bain en Lewes en Huxley en Maudsley, in Paulhan en

Ribot en Le Dantec en Sollier en Grasset en Delbet, of Winkler en

Jelgersma ten onzent, in veldwinnende sensualistiese filosofenscholen,

het „empiriokriticisme” van Avenarius c.s., in Mach en Petzoldt en

Ziehen, in het energetisme van Ostwald als in het anti-energetisme van

Boltzmann, in de psychologie van Münsterberg c.s., in de via Feuerbach

van Hegel afstammende Carneri en Dietzgen c.s., in sociologen en ethici

als Gumplowicz en Durkheim en Ratzenhofer en Kautsky c.s., Cresson en

Bayet, in ongeveer heel de criminele anthropologie en -sociologie, van

de prima tot en met de terza scuola, Aschaffenburg zo goed als Ferri,

Vargha, Laurent, Garofalo, als Bleuler en Hamon e tutti quanti, ten

onzent b.v. Aletrino, Wijnaendts Francken en Steinmetz, het leeft en

bloeit, niet alleen in al die bekende en de duizenden minder of niet

bekende mannen der wetenschap, maar evenzeer in de steeds wijder

kringen en lagen, die aan het kerkelik dualisme, maar niet aan het

realisme ontwassen, natuurlikerwijze openstaan en opengaan voor een

„natuurwetenschappelike wereld- en levens-beschouwing”, voor een

beweging, die weliswaar nog niet adogmaties of zuiver anti-dogmaties

kan denken, maar toch reeds anti-dogmaties en zonder dogma denken wil

als b.v. de Monistenbund, voor de populair-wetenschappelike

materialismen van Haeckel, van Clouston (met een tiental onderling

strijdige realistiese theorieën over de verhouding van lichaam en

geest), van Paul Dubois, van Duncan (de niet ongewone verbinding van

materialisme met deïsme, die trouwens aan zijn geheel buitengewone

leerrijkheid ten aanzien der nieuwe natuurwetenschap, The new

Knowledge, geen afbreuk doet) en van de spring-levende kerngezonde

bezield-naturalistiese Bölsche, of ten onzent van Dr. Buekers (met zijn

even dogmaties als dilettanties „monisme”) en Dr. Snijders, ja, het

bloeit zelfs in het anti-naturalisme van natura-listen-huns-ondanks als

Dilthey [191] en Eucken [192] of ten onzent van Embden [193], het leeft

en bloeit niet alleen, dat „dode” materialisme, maar wat meer zegt, het

heeft nog een grote, een grootse taak—de ruimtewereld van alle

dualistiese smetten, van al wat ziel of zielachtig („Psychoid”) is, te

helpen zuiveren en verlossen. Daarna pas kan en zal het zelf ter ziele

gaan. Want het materialisme is de eerste helft van de grote

kennistheoretiese waarheid wier tweede helft de dood is van het

materialisme: de geest is niet in de ruimtewereld, maar de ruimtewereld

in de geest.—Al hebben dus dualisme en materialisme het

materie-realisme gemeen en zijn zij in zoverre voor de kenniskritiek

lood om oud ijzer, zelfs kennistheoreties, methodologies heeft het

materialisme nog op het dualisme wat voor, gelijk het dit veelal

overtreft in anti-dogmatiese gezindheid. En wanneer dit dualisme, als

in onze dagen—met behulp van „terug-gevonden” zieltjes, die als

geleerde physiologiese bolletjes in de ruimte (van hun atoom-woninkjes,

hun cellen en hun zenuwbanen!) hun weg kunnen en willen vinden en hun

taak en „plicht” van „gidsen, telefonisten, chefs” volbrengen met de

waarlik bovenmenselike knapheid, ordelikheid en liefheid van de

spiritistiese gedachtestof (zie Meyer, Opm. 32)—zijn even blinde maar

toch allicht minder bijgelovige, meer wetenschappelike mede-realisten

van de materialistiese wal in een dualistiese moddersloot tracht te

helpen, dan heeft het van de kenniskritiek slechts de materialistiese

hoon te verwachten, die zulk verderfelik pogen verdient.—Zònder

materie-kritiek is datzelfde materialisme onweerlegbaar, dat mèt de

materie-kritiek weerlegd is. Zo blijft elke realistiese, dus

dualistiese, „weerlegging” van het materialisme een machteloos,

hopeloos pogen, van te voren tot mislukking gedoemd. Zelfs de meer dan

40 bladzijden door heel Busse’s denken en weten daaraan gewijd, zijn

verloren, verspilde moeite, die slechts bewijst, dat uit „materie”

alleen niets ziels is „af te leiden” of te „verklaren”, dat iets

anders, geesteliks, naast de materie dient aanvaard, dus oud nieuws,

door niemand gereder toegegeven dan door het psycho-physies

materialisme, dat dan ook door Busse met de naam van

„Pseudomaterialismus” wordt vereerd en later als „Automatentheorie”

voor zijn realisme optreedt als de onhoudbare afschrikwekkende

konsekwentie van het.... niet-realisties parallelisme van Wundt of

Heymans, die er juist de principieelste bestrijders en weerleggers van

zijn. Trouwens, wij zullen straks nog nader zien, hoe ook Busse’s

dualisme, als dat van zijn meester Lotze (een dualist, voor wie qua

denker mijn eerbied zeker niet geringer is, dan b.v. voor Fechner), al

wil het tenslotte een „idealistisch-spiritualistischer Monismus” zijn,

het oude verloochende materie-realisme in zich draagt als de parasiet,

die het ten dode doemt.

Hoezeer dus het dualisme ook te kort schiet in de strijd tegen het

materialisme, dat van de kritiek zijn volle recht krijgt tot leven en

sterven, er is anderzijds toch ook weer niemand, die dat

anti-materialisties dualisme, zelfs in zijn onwetenschappelikste, ja

anti-wetenschappelikste uitingen, zo goed kan begrijpen en waarderen

als juist de criticus, die inziet voor welk een taak het dualisme zich

op zijn beurt gesteld ziet: de „verloren” geest te heroveren op de

natuur, wat vrijheid, wat leven, wat armslag, wat invloed te redden

voor rede, wil en gemoed, te herwinnen op het noodlottig, benauwend,

almachtig, onverbiddelik mechanisme der materie. Het voelt diep de

ondragelikheid en onmogelikheid der fatalistiese konsekwentie: wij zijn

de „marionetten”, de slaven en onschuldige slachtoffers onzer hersenen,

ons werk is hun werk, wij hebben het toekijken en meedraaien als

bewuste weerhanen, die de winden der bewegingswerkelikheid niet

„constitueren” maar „constateren”, heel ons bewustzijnsleven, ons

denken en dichten, willen en wensen is de „reflex”, de „Abglanz”, de

„innere Spiegelung”, de „schaduw” van de werkende, werkelike toestanden

en wijzigingen van ons brein, ons centraal zenuwstelsel, ons

lijf-organisme; zonder de al- of niet-welwillende medewerking van ons

bewustzijn, zonder ons geestesleven, dus zonder gezicht en gehoor en

geheugen en kennis, zonder behoeften en begeerten, gevoelens en begrip

(mits maar met dezelfde ogen- en oren- en hersenbeweging enz.), zouden

alle dingen.... precies zo hun gang gaan als nu, de „grote”

wereldbollen en de „kleine” cel- en atoom-werelden verder wentelen niet

alleen, maar dezelfde boeken geschreven en gedrukt en gekocht en ter

hand genomen (zij het ook niet gelezen of begrepen), dezelfde scholen

en kerken en laboratoria gebouwd en bevolkt (zij het ook zonder geloof

en wetenschap), dezelfde concerten gegeven en bezocht (maar niet

gehoord), dezelfde werken van beeldende kunst voortgebracht (maar niet

gezien noch bewonderd) worden, post- en telegraaf- en spoorwegverkeer,

staatsinrichting en rechtspleging, volkshuishouding en gezinsleven

blijven, wat ze voor de waarneming zijn.... ziedaar het

„epiphaenomenalisme” van de geest met zijn universele onoorzakelikheid,

met „l’universelle irresponsabilité”, de „Nuovi Orizzonti” voor recht

en zedeleer....

Absurd? Paradox? Een gevaar, een pest, de dood der kultuur? Alles wat

ge wilt—maar als het waar is? Vivat veritas, pereat mundus.

En daar staat nu het arme dualisme, ziet zijn heiligste have onteigend,

zijn hoogste waarden ontwerkelikt en ontwijd—heel de kultuur

ontmenselikt, verzaakt en ontzield.

Hoe begrijpen en eerbiedigen wij zijn „je maintiendrai”!

En welk een tragiek in deze worsteling, van te voren verloren!

Want àl wat het dualisme toekent aan de geest, moet het

anti-natuurwetenschappelik ontnemen aan de natuurwettelikheid, aan het

brein, gelijk omgekeerd, al wat de hersenphysiologie voor de wording

onzer daden, onzer levensactie verovert, gaat ten koste van de

dualistiese ziel!

Zo wordt dan voor het realisme elke geestesvrijheid een

indeterministiese inbreuk op de natuurcausaliteit [194], elke

geestesoorzakelikheid een vitalisties ingrijpen in het

natuurmechanisme. Ja, wij mogen zelfs zeggen: In de wijsbegeerte [195]

is het indeterminisme de fatalismevrees van het realisme—en even zo:

het vitalisme is de automatismevrees van het realisme.

Zo blijft de tweespalt woeden tussen gemoed en verstand, tussen

„geloof” en „wetenschap”, tussen natuur (des geestes) en leer (der

natuur), waarbij men van weerskanten gewoonlik een eerbiedwaardig

ongelijk en een laakbaar gelijk heeft.

En zie—niet alleen het dualisme komt in opstand tegen de

„Automatentheorie”—het materialisme zelf verloochent deze zijn

fatalistiese konsekwentie op twee punten: 1o. Ten aanzien der

betekenis, die het zelf aan de geest zijns ondanks metterdaad toekent.

2o. Ten aanzien der ontwikkelingsleer, der biologiese nutteloosheid van

het bewustzijnsleven.

Wat het 1e punt betreft kan ik mij bepalen tot een aanhaling van een

anti-materialist als Busse, die op p. 33/4 waar en waardig van de

materialistiese filosofen getuigt: „Praktisch werten sie das Geistige

ganz anders, als sie es ihren Theorien zufolge werten müssten. An

Idealismus der Gesinnung, an idealistischer Denkweise beschämen

sie—viele von ihnen wenigstens—manchen Vertreter idealistischer

Weltanschauung. Selbstlos stellen sie sich in den Dienst der Wahrheit,

deren Erforschung sie ihr Leben gewidmet haben; tief eingewurzelt ist

ihnen die Verehrung, die unbedingte Achtung vor der Wahrheit. Frei und

offen, mutig und entschlossen treten sie für ihre Überzeugungen ein und

geben lieber irdische Vorteile aller Art auf, als dass sie ihnen untreu

werden. Unbekümmert um alle Verlockungen, Drohungen, Verleumdungen und

Vorurteile halten sie treu zu der Fahne, zu der sie geschworen, halten

sie fest an dem, was sie als wahr erkannt haben. Begeistert stellen sie

sich in den Dienst der Menschheit, arbeiten sie an der Vervollkommnung

und Veredlung des Menschengeschlechts, voller Enthusiasmus kämpfen sie

für Aufklärung und Geistesfreiheit, leidenschaftlich eifern sie gegen

Gewissenszwang und Knechtung des Geistes.” etc. En ik zou er willen

bijvoegen: heel die zgn. „stofverering” [196] van het materialisme is

ten slotte—wijl het aan zijn „materie” alle geestesfuncties, ook de

hoogste van gevoel en begrip, alle schatten van schoonheid, goedheid en

waarheid, toeschrijft—en wijl bovendien de geest toch ook van zijn

materie het prius is en blijft—niets dan middellike verering van de

geest!

2o. Slechts bij hoge uitzondering denkt en voelt een materialist niet

„monisties” genoeg, om niet een aanhanger der ontwikkelingsleer, we

kunnen met een „Schlagwort” zeggen, om niet Darwinist te zijn, in die

ruime zin, waarin ook b.v. Hugo de Vries trots en vanwege zijn

mutatie-leer, een echte Darwinist is.—Welnu, het materialisme is als

epiphaenomenalisme onverenigbaar met het Darwinisme—zonder een

nauweliks noemenswaard maar toch straks even aan te stippen

wondergeloof. Want een onoorzakelik „begeleidingsverschijnsel” is ook

biologies zonder nut, een overtollige toegift. Waardeloos is in de

struggle for life heel het voelen, willen en denken, waardeloos zijn de

begeerten en behoeften, honger en geslachtsdrift, waardeloos de sociale

instinkten, moed en haat en meegevoel, waardeloos geheugen en

denkvermogen.... en bijgevolg door geen selectie, geen natuurlike

teeltkeus tot ontwikkeling te brengen, noch te verklaren noch te

begrijpen, dan alleen als uitbroedsels van een harmonia praestabilita

(naar Heymans opmerkt) gelijk er door geen wondergeloof, geen

Als-Ob-filosofie onwaarschijnliker kon worden bedacht, immers een

harmonia praestabilita van twee reeksen, door geen denkbaar, laat staan

verklaarbaar verband in tijd aan elkander gepaard, waarvan de éne

slechts ruimtelik-organiese elementen bevat in een werkelike evolutie,

die geen enkele begrijpelike evolutie-faktor meer heeft overgehouden—en

de andere bestaat uit een niet-causale opeenvolging van steeds

bewuster, rijker en voller, „ontwikkelder” psychies, geestelik

leven.... als louter overdaad, grondeloze luxe, die biologies recht

noch reden van bestaan heeft en toch.... zózeer juist al datgene bevat,

wat evolutie, ook die der eerste reeks, der organismen, begrijpbaar zou

maken, zózeer de schijn wekt „als-of” het zelf evolutie-faktor en

evolutie-produkt ware, dat.... de materialistiese biologen zelf hun

materialisme voor deze schijn in de steek laten, die schijn voor

werkelikheid nemen en hun eigen parallelisme door zielig causalisme

breken. [197] Immers—aan de ijzeren logica der evolutie-leer is geen

ontkomen: wat geen gevolg heeft, heeft geen nut, wat niet door waarde,

niet teleologies verklaard kan worden, is niet oorzakelik te verklaren,

ergo: wat geen evolutionair gevolg heeft, kan geen evolutionair gevolg

zijn.

Zo moet ook het materialisme zelf aan de geest, aan het

bewustzijnsleven toekennen, wat het niet kan en mag, immers aan de

hersenen, aan het organisme te kort moet doen.

Het materialisme kan zijn materie even min vrij houden van dualistiese

smetten en buitensporigheden als het dualisme zijn ziel voor

materialistiese afhankelikheden en beperkingen vrijwaren kan.

3. DE VERLOSSING. DE WARE KRITIES-MONISTIESE „HETEROGENEÏTEIT” EN

„IDENTITEIT”, WAARDOOR DE LEER VAN OVERGANG (CAUSALISME,

„WECHSELWIRKUNG”), VERVALLEN IS EN DE LEER VAN DENKBEELDIGE SAMENGANG

(IDEËEL PARALLELISME) ZEGEVIERT. BESLUIT.

Tot dan de Kritiek aan heel dat hopeloos antagonisme tussen geest en

natuur, lichaam en ziel een eind maakt door beider echte

kennistheoretiese „heterogeneïteit”—en daardoor het „Kunststück”

volbrengt, aan elk van beide.... alles te geven, alles, wat zij maar

kunnen verlangen en krijgen: heel de werkelikheid aan de geest—heel de

ruimtewereld aan het lichaam! Elk krijgt op zijn beurt het rijk alléén,

maar ook alléén zijn eigen rijk, de geest dat der konkrete

onafhankelike werkelikheid zelf, de natuur dat der abstrakte,

objectieve phaenomenaliteit, [198] afhankelik van haar denkbeeldig

subjekt. Met deze kritiese heterogeneïteit, hebben wij tevens een

tweede belangrijk resultaat bereikt ten aanzien der verhouding van

geest en natuur, lichaam en ziel. Het geldt de grote tegenstelling

causalisme (naam, die ik voorstel voor het Duitse Wechselwirkungslehre)

of parallelisme [199]—wil men betere, misschien minder beeldende, maar

altans begrippelik-zuivere hollandse termen, dan zou ik voorstellen:

Overgangsleer of Samengangsleer.

De kritiese heterogeneïteit nu betekent de principiële,

kennistheoretiese weerlegging ééns en voor altijd van het causalisme.

Mèt het materie-realisme staat en valt zelfs de mogelikheid, de

denkbaarheid van de Wechselwirkung, van de wederkerige causaliteit, dus

van het causalisme, van de overgangsleer. Want causaal-zijn, oorzaak

zijn, kan alleen wat werkzaam, dus wat werkelik is, in causaal verband

staan kunnen (en moeten) dus alleen delen der werkelikheid. De natuur

of ruimtewereld, de natuurwetenschappelike kosmos, de stof of materie

nu is „phaenomeen”—is dus niet een deel van de werkelikheid (als bij

het dualisme—Busse [200] b.v.) laat staan de gehele werkelikheid (als

bij het naturalisme), maar is een bepaalde verhouding der werkelikheid.

Maar dan toch een werkelike verhouding? Zelfs dat niet. Immers een

denkbeeldige verhouding, de verhouding van de werkelikheid niet tot

iets werkeliks, maar tot denkbeeldige denkend-waarnemende

subjectiviteit. Dus een abstraktie. Maar geen willekeurige, immers een

volkomen („eindeutig”) bepaalde, dus in die zin (wacht u voor

Hegeliaanse misduiding) konkrete abstraktie. Onbegrijpbaar, logies

ondoorzichtelik, was het causalisme, was de „Wechselwirkung” tussen

„denkende” en „ruimtelike” substantie reeds bij de realistiese

„heterogeneïteit” van Descartes c.s. waaruit het „occasionalisme”

voortkwam en het dieper monisme van Spinoza. Maar deze

onbegrijpelikheid moge voor een rationalisties verleden onaannemelik

geweest zijn, bij het positivisties heden vindt zij weinig bedenking.

Onmogelik echter, ondenkbaar, is het causalisme pas geworden door de

kenniskritiese heterogeneïteit tussen materie en bewustzijn als

phaenomeen en reale.—Vervallen, weerlegd, is dus in één slag heel het

tweede deel van Busse’s „Geist und Körper”: „Die psychophysische

Wechselwirkungstheorie”, zowel het eerste hoofdstuk: „Die Vorteile der

Theorie” als het tweede: „Die Schwierigkeiten”. Met geen van beide

hoeven wij ons dus meer in te laten. En evenals wij te voren de

loochening van het An-sich, van het reale, het substratum der materie

als betrouwbaar kenmerk van materie-realisme [201] hebben leren kennen,

zo hebben wij tans een tweede zeker symptoom van materie-realisme in de

Wechselwirkungstheorie, in de overgangsleer. [202]

„Eine solche vorgegebene Gemeinschaft zwischen zween Arten von

Substanzen, der denkenden und der ausgedehnten, legt einen groben

Dualism zum Grunde und macht die letztere, die doch nichts als blosse

Vorstellungen des denkenden Subjects [gewaarwordingsinhouden, niet van

een enkeling!] sind, zu Dingen, die für sich bestehen.” (K. d. r. V. p.

329/30).

Mèt het materie-realisme zijn dan ook al die zwarigheden aangaande de

samenhang van geest en materie verdwenen, want even onmogelik als de

causaliteit is tussen een reale als de geest en een phaenomeen als de

materie, even bezwaarloos is de causaliteit, en anderdeels zelfs de

identiteit tussen geest en het reale van materie! Want dit reale, dat

zeker onstoffelik en onruimtelik is, hoeft overigens in geen enkel

opzicht soortelik van de ons bekende geestelike, zielse, subjectieve

werkelikheid te verschillen, kan daarmee volkomen homogeen en voor een

deel identiek zijn. „Wetenschap” daaromtrent, een kennen van dat reale,

van dat An-sich is onmogelik: „Da nun Niemand mit Grund vorgeben kann,

etwas von der transscendentalen Ursache unserer Vorstellungen äusserer

Sinne zu kennen” (K. d. r. V. p. 328). Onderstelling, hypothese blijft

dit psychisties Monisme, dat zo al niet zijn leven, dan toch zijn

levenskracht te danken heeft aan Kant. Dies wil ik u en mij het

voorrecht niet onthouden, in onze tans bereikte resultaten letterlik op

te kunnen nemen de paar bladzijden zelf van Kant, die hier mogen

volgen:

„Denn alle Schwierigkeiten, welche die Verbindung der denkenden Natur

mit der Materie treffen, entspringen ohne Ausnahme lediglich aus jener

erschlichenen dualistischen Vorstellung: dass Materie, als solche,

nicht Erscheinung, d.i. blosse Vorstellung des Gemüths, der ein

unbekannter Gegenstand entspricht, sondern der Gegenstand an sich

selbst sei, so wie er ausser uns unabhängig von aller Sinnlichkeit

existirt.” (p. 329).

„Bedenkt man aber, dass beiderlei Art von Gegenständen hierin sich

nicht innerlich, sondern nur, sofern eines dem andern [let wel: der

Gegenstand äusserer Sinne erscheint dem Gegenstand des inneren Sinnes,

der Seele] äusserlich erscheint, von einander unterscheiden, mithin

das, was der Erscheinung der Materie, als Ding an sich selbst, zum

Grunde liegt, vielleicht so ungleichartig nicht sein dürfte, so

verschwindet diese Schwierigkeit, und es bleibt keine andere übrig, als

die [onoplosbare], wie überhaupt eine Gemeinschaft von Substanzen

möglich sei” (p. 699/700 uit de 2e druk!).

Na de plaats, in de noot bij mijn tekst bl. 78 geciteerd en hier te

vergelijken, schrijft Kant:

„Ob nun aber gleich die Ausdehnung, die Undurchdringlichkeit,

Zusammenhang und Bewegung, kurz alles, was uns äussere Sinne nur

liefern können, nicht Gedanken, Gefühl, Neigung oder Entschliessung

sein oder solche enthalten werden, als die überall [= überhaupt] keine

Gegenstände äusserer Anschauung sind, so könnte doch wohl dasjenige

Etwas, welches den äusseren Erscheinungen zum Grunde liegt, was unseren

Sinn so afficirt, dass er die Vorstellungen von Raum, Materie, Gestalt

etc. bekommt, dieses Etwas, als Noumenon (oder besser, als

transscendentaler Gegenstand) betrachtet, könnte doch auch zugleich das

Subject der Gedanken sein, wiewohl wir durch die Art, wie unser

äusserer Sinn dadurch afficirt wird, keine Anschauung von

Vorstellungen, Willen etc, sondern bloss vom Raum und dessen

Bestimmungen bekommen. [203] Dieses Etwas aber ist nicht ausgedehnt,

nicht undurchdringlich, nicht zusammengesetzt, weil alle diese

Prädicate nur die Sinnlichkeit und deren Anschauung angehen, sofern wir

von dergleichen (uns übrigens unbekannten) Objecten afficirt werden.

Diese Ausdrücke aber geben gar nicht zu erkennen, was für ein

Gegenstand es sei, sondern nur: dass ihm, als einem solchen, der ohne

Beziehung auf äussere Sinne an sich selbst betrachtet wird, diese

Prädicate äusserer Erscheinungen nicht beigelegt werden können. Allein

die Prädicate des innern Sinnes, Vorstellungen und Denken,

widersprechen ihm nicht. Demnach ist selbst durch die eingeräumte

Einfachheit der Natur die menschliche Seele von der Materie, wenn man

sie (wie man soll) bloss als Erscheinung betrachtet, in Ansehung des

Substrati derselben gar nicht hinreichend unterschieden.

„Wäre Materie ein Ding an sich selbst, so würde sie als ein

zusammengesetztes Wesen von der Seele, als einem einfachen, sich ganz

und gar unterscheiden. Nun ist sie aber bloss äussere Erscheinung,

deren Substratum durch gar keine anzugebende Prädicate erkannt wird;

mithin kann ich von diesem wohl annehmen, dass es an sich einfach sei,

ob es zwar in der Art, wie es unsere Sinne afficirt, in uns die

Anschauung des Ausgedehnten und mithin Zusammengesetzten hervorbringt,

[204] und dass also der Substanz, der in Ansehung unseres äusseren

Sinnes Ausdehnung zukommt, an sich selbst Gedanken beiwohnen, die durch

ihren eigenen inneren Sinn mit Bewusstsein vorgestellt werden können.

Auf solche Weise würde eben dasselbe, was in einer Beziehung körperlich

heisst, in einer andern zugleich ein denkend Wesen sein, dessen

Gedanken wir zwar nicht, aber doch die Zeichen derselben in der

Erscheinung, anschauen können. Dadurch würde der Ausdruck wegfallen,

dass nur Seelen (als besondere Arten von Substanzen) denken; es würde

vielmehr wie gewöhnlich heissen, dass Menschen denken, d.i. eben

dasselbe was, als äussere Erscheinung, ausgedehnt ist, innerlich (an

sich selbst) ein Subject sei, was nicht zusammengesetzt, sondern

einfach ist und denkt.” (305/6).

Volgt op dezelfde bladzij de plaats, waarop ik reeds, in de tekst bl.

70, de volle aandacht gevestigd heb:

Het onkenbaar intelligibele substraat der materie behoeft in niets van

de ziel te verschillen.

Ja, in de 2e druk geeft Kant zelfs in een onbewaakt en weinig opgemerkt

[205] ogenblik zijn behoedzame onthouding ten aanzien van deze en

dergelijke hypothesen prijs en zegt positief: „Also bleibt die

Beharrlichkeit der Seele, als bloss Gegenstandes des inneren Sinnes,

unbewiesen, und selbst unerweislich, obgleich ihre Beharrlichkeit im

Leben, da das denkende Wesen (als Mensch [206]) sich zugleich ein

Gegenstand äusserer Sinne ist, für sich klar ist.” (p. 692).

Zo levert Kant ons een voorbeeld van onze waarheid: wie het

materie-realisme te boven is, kàn geen causalist meer zijn, geen

aanhanger der „Wechselwirkungslehre”, kan geen overgang tussen geest en

stof meer voor mogelik houden.

Bijgevolg is hij parallelist.

Tertium non datur.

Zo hebben wij, uitsluitend op grond van het materie-phenomenalisme en

de daaruit voortvloeiende kennistheoretiese heterogeneïteit van geest

en natuur, die wederkerige werking uitsluit, ons krities,

niet-realisties parallelisme bereikt. Gelijk dus de „nadelen” van de

overgangsleer vanzelf voor ons verdwenen zijn, zo vallen ons niet

alleen „Die Vorteile des Parallelismus”, die ook Busse (G. u. K.

119–129) moet erkennen, vanzelf in de schoot [207]: „die Möglichkeit,

die Ansprüche idealer Weltauffassung mit der Forderung

materialistischer [lees mechanistischer] Naturerklärung zu vereinigen”

en de „Verträglichkeit mit den Prinzipien der Geschlossenheit der

Naturkausalität und der Erhaltung der Energie”, maar bovendien zijn al

„Die Nachteile des Parallelismus” (niet minder dan pp. 129–379!)

tegelijk met het realisme verdwenen en in evenzoveel „Vorteile”

verkeerd.

Dat zij hier ten slotte nog even aangetoond (voorzover niet reeds een

Heymans of een Eisler het hebben gedaan), waardoor tevens te beter zal

uitkomen, hoe wij al die ellende, waarin wij dualisme en materialisme

zagen blijven steken, tans waarlik achter en onder ons weten.

Busse behandelt die „Nachteile des Parallelismus” in 3en: 1. „Der

metaphysische Unterbau”, 2. „Die Künstlichkeit”, 3. „Die Konsequenzen

und ihre Undurchführbarkeit”.

Kennisleer contra Materie-Realisme: Bijdrage tot "Kritiek" en Kantbegrip · 第 27 / 36 题