Hiermee is dan de taak, die ik mij met „Kennisleer contra
Materie-realisme” als Bijdrage tot „Kritiek” en Kant-begrip gesteld
heb, ten einde gebracht en heb ik de beloften van de Voorrede naar
vermogen vervuld.
„Kritiek” is al zó dikwels voorgezegd (en nagezegd).... zonder
resultaat, dat ik eens gepoogd heb, tegelijkertijd „kritiek” voor te
doen, dus te geven, inzonderheid ook in de Opmerkingen, la critique en
action. Al was die last mijn lust, daardoor heb ik meer dan mij lief
was, naar inhoud en stijl, moeten schoolmeesteren—hier docerend en
corrigerend daar—tot verontwaardiging van die specialiteiten, die ge
persoonlik beledigt in hun leer—en tot geringschatting van die hogere
middelmatigheid, die slechts respekteert, wat haar begrip te boven gaat
en allang en beter wist, wat ge haar leert. [231] Maar daardoor mag ik
hopen, voor menigeen begrijpelik te hebben gemaakt, wat hem tot dusver
onbegrijpbaar was voorgekomen. Om te begrijpen zal de lezer ook hier
nog de moeite van aandachtige studie, van eigen nadenken zich moeten
getroosten, maar daarvoor zal hem dan ook in betrekkelik korte tijd de
vrucht ten deel kunnen vallen van die andere moeite, waaraan de
schrijver zelf tal van zijn beste jaren met graagte gegeven heeft. Men
kan met de kennisleerproblemen, als met alles, zijn spel drijven. Maar
alleen wie er mee geworsteld en voor zijn deel overwonnen heeft, geniet
het voorrecht ook anderen over hun zelfde moeilikheden heen te kunnen
helpen. En altijd zullen er blijven, voor wie die moeilikheden
onoverkomelik zijn. Maar het is, naar Kant’s woord uit de Einleitung
van zijn Prolegomena ook „eben nicht nötig, dass jedermann Metaphysik
studiere”, in de wetenschappelike zin der kritiek. Want van de kunst
moge de bekende versregel gelden: „La critique est aisée et l’art est
difficile”—in metaphysicis geldt veeleer omgekeerd: „Est difficile la
critique et l’art aisé”.
En wanneer ik nu zie, welke nooit-vermoede zeer- en hooggeleerde, wel-
en zeer-eerwaarde misvattingen een kristalhelder denker en schrijver
als Heymans nog te verduren krijgt, dan moet ik wel zonder valse
bescheidenheid meer blaam of lof dan begrip verwachten en de meeste
voldoening zoeken in die stille dank of ondank, die mij deels in ’t
geheel niet, deels uit de feitelike resultaten zal blijken, uit wat de
toekomst ten onzent in philosophicis zal opleveren, uit wat er voortaan
zal worden gedacht en gedrukt en inzonderheid.... niet meer gedrukt.
Daaraan zal ik merken, of mij de kritiese oriëntering van mijn lezers,
zoals ik mij die blijkens de Voorrede heb voorgesteld, al dan niet,
meer of minder gelukt is. Want één ding zal wel voor ieder gebleken
zijn: de kritiek laat niet „alles beim alten” (Messer, Stumpf)—zij
schept een Umwertung der Werte van filosofen en filosofemen. „Dass sie,
als blosse Speculation, mehr dazu dient, Irrthümer abzuhalten, als
Erkenntniss zu erweitern, thut ihrem Werthe keinen Abbruch, sondern
gibt ihr vielmehr Würde und Ansehen durch das Censoramt, welches die
allgemeine Ordnung und Eintracht, ja den Wohlstand des
wissenschaftlichen gemeinen Wesens sichert” zegt Kant’s idealisme
terecht (K. d. r. V. p. 641).
Zo is dan de „Kritiek” en haar dogmadodende, dogmavrije methode, door
Oudheid noch Middeleeuwen noch, zover wij weten, door Oosterse Wijsheid
bereikt, grond en glorie van de nieuwe wijsbegeerte—en behoort haar
overwinning van het dogmatisme als zodanig en van het materie-realisme
in ’t biezonder, tot de hoogste intellektuele zegeningen, die een mens
deelachtig kan worden. Dies zij mijn besluit, wat heel dit werk
getuigen moge: Wilt gij waarheid en klaarheid, zoek eerst de kennisleer
en haar kritiek—en al het andere zal u toegeworpen worden.