1. ZEG MIJ HOE GIJ WAARNEEMT EN IK ZAL U ZEGGEN WIE GIJ ZIJT. DOGMATIES
REALISME VAN PRAGMATISMEN EN „IDEALISMEN”.
Niet aan een terugblik over ’t afgelegde pad zal dit slothoofdstuk
gewijd zijn. Wie onze weg wil overzien, ook eer hij hem gaat, zij
verwezen naar Voorrede, Inleiding en Inhoudsopgaaf. Wij willen nu
genieten van het nieuw-gewonnen uitzicht, met krities oog een weinig om
ons heen kijken op landschappen, heuvels en torens in ’t rond.
Wij zijn dus het materie-realisme kenniskrities te boven, weten en
begrijpen, in welke zin en op welke gronden de werkelikheid van de
stof, de natuur, moet worden geloochend. De wortel van het
materie-realisme bleek ons de dogmatiese, verdubbelende,
waarnemingsleer, die de natuurdingen of objekten door prikkels via
zintuigen en hersenen tot oorzaken onzer gewaarwordingen maakt. Dat
dogmatisme, gemeen aan anti-theologies materialisme en
anti-materialisties dualisme van volks- en kerk-metaphysica hebben wij
uitgeroeid, de objekt-immanentie, dus ook Berkeley’s immaterialisme,
bereikt, en Berkeley zelf, wiens „idealisme” sinds Kant door heel het
koor van veilig zich voelende napraters zonder begrip voor „dogmaties”
is uitgemaakt, de hem toekomende ere teruggegeven. Daar wij ons echter
van meet af georiënteerd hebben aan de kritiese grondvraag der
kennisleer konden wij, dank zij Kant, ons natuur-phaenomenalisme
bevestigen, zuiveren, verdiepen door het ruimte-idealisme. Zo is de weg
gebaand tot zuiver krities Immaterialisme, dat als zodanig, negatief,
dualisme en materialisme waarlik te boven is en positief zijn voorlopig
waarschijnlikste wijl best gefundeerde verwezenliking vindt in een
monisties Psychisme. Dit zuiver Psychisme—een naam m.i. verre te
verkiezen boven „psychies [173] monisme” als klare tegenstelling tot
zijn antipode, het Materialisme, zowèl als tot het Dualisme—kan door
geen realist, hij zij materialist (die als zodanig kleur bekenne, zich
niet langer achter het pseudonym „monist” verschuile!) of dualist, door
geen waarnemingsdogmaticus worden bereikt [174]. Pas achter de berg van
het waarnemingsdogmatisme begint het pad naar het Psychisme.—Zo is de
waarnemingsleer een sjibboleth van elke wijsbegeerte. Want
waarnemingsleer is begin en beginsel van kennisleer, kennisleer
grondslag en richtsnoer van zijnsleer en waardeleer, dus van
wijsbegeerte in haar geheel.—Daarom opent de „transcendentale
Aesthetik” de „Kritik der reinen Vernunft”, daarom werd handhaving,
verdediging en toelichting van Kant’s waarnemingsleer zulk een
integrerend deel van mijn kritiese taak. Geef mij uw waarnemingsleer,
en ik zal u zeggen, wie gij in philosophicis zijt, trots al wat ge
wenst of schijnt, denkt of zegt te zijn. Zeg mij, hoe ge uw
eenvoudigste gewaarwording krijgt, hoe gij het lezen van één regeltje
druks verklaart en begrijpt en ik ken uw plaats in zake dat centrale
wijsbegeerte-probleem, de verhouding van lichaam en geest, ik weet in
hoeverre gij dogmaticus of criticus zijt ten aanzien van ruimte en
materie, van meetkunde en natuurwetenschap, in hoeverre Kant en
kennisleer tot u en gij tot deze zijt doorgedrongen, voor welke
moeilikheden gij staat, bewust of onbewust, en welke gij te boven zijt.
Zulk een toetssteen is ons tans één enkele regel [175], soms één enkel
beeld [176] in zake waarneming!
Daar hebt ge b.v. Bergson. In zijn „Essai sur les Données immédiates de
la Conscience” lezen wij op bl. 99: „De même que la durée fuyante de
notre moi se fixe par sa projection dans l’espace homogène, ainsi nos
impressions sans cesse changeantes, s’enroulant autour de l’objet
extérieur [de huizen van een stad zijn hier bedoeld] qui en est cause,
en adoptent les contours précis et l’immobilité.”—Zijn ze niet heerlik,
die enfants terribles van zulk soort tussenzinnetjes midden in die
diepzinnige grotemensendeftigheden? Zo gewaagde reeds bl. 65 van
„sensations dont la cause est évidemment située dans l’espace”—non,
évidemment!
En nu 3 zinnen waarnemingsleer uit zijn „Matière et Mémoire”:
1: „Les ébranlements des centres.... sont donc moins [niet zozeer!] la
cause réelle de la sensation que la marque de sa puissance et la
condition de son efficacité.”
Juist dit „moins” is karakteristiek voor Bergson’s denktrant, voor zijn
exaktheid, dat kenmerk van intellektuele reinheid. In gelijke geest
toch durft hij „établir positivement que le processus cérébral ne
répond qu’à une très faible partie de la mémoire, qu’il en est l’effet
plus encore que la cause”.... etc.
2: „Il [l’état cérébral] n’en [de la perception] est ni la cause ni
l’effet, ni, en aucun sens, le duplicat; il la continue simplement, la
perception étant notre [?] [177] action virtuelle et l’état cérébral
notre action commencée.” (p. 260).
3: Slotzin en slotsom van zijn boek: „L’esprit emprunte à la matière
les perceptions d’où il tire sa nourriture, et les lui rend sous forme
de mouvement, où il a imprimé sa liberté.”
Voor ons heeft daarmee Bergson vrijwel afgedaan. Wij weten nu, dat zijn
„Matière et Mémoire” reeds honderd jaren vóór z’n verschijnen verouderd
en weerlegd was, dat deze grote franse mode-wijsgeer [178] een
materie-realist is zonder kennis-kritiek en, om op zijn manier te
spreken, minder een materialist dan wel een dualist. Zijn juiste
qualificatie zou zijn, daar hij à la Ziehen’s „Empfindung” „image” voor
stof èn voor gewaarwording gebruikt, op analoge wijze
gewaarwordingsinhoud tot gewaarwordings eigenschap (ruimtelikheid b.v.)
verhaspelt en à la Mach gewaagt van „le tableau [sc. d’images!] dans
son ensemble, c’est-à-dire l’univers”—een imaginair-materialisties
dualist, met een „corps” dat „éprouve des sensations” en een „mémoire
du corps” welks „existence” voor een deel „jouée” is en voor een deel
„rêvée”! Geheel mijn indruk. Want van dat „corps” is voor hem de
„fonction essentielle de limiter, en vue de l’action, la vie de
l’esprit”! „Le rôle du corps n’est pas d’emmagasiner les souvenirs [dat
zou materialisme zijn, foei], mais simplement [ziet hoe simpel] de
choisir, pour l’amener à la conscience distincte par l’efficacité qu’il
lui confère, le souvenir utile”.... Zo verschillen lichaam en geest,
corps et esprit, voor hem „niet ruimtelik maar tijdelik”, of liever,
daar voor hem het tijdelik-geestelike „gradueel overgaat” in het
ruimtelik-stoffelike, „niet zozeer” ruimtelik „als wel” tijdelik: „A
une distinction spatiale nous substituons une distinction temporelle”
met een.... „passage graduel des souvenirs aux mouvements”, gelijk de
ware qualitatieve tijd, welks delen niet „juxtaposés” zijn, maar „se
pénètrent” en het „innerlik” leven met z’n „durée réelle et concrète,
hétérogène,—la durée vivante”.... door telling, quantificering,
wetenschappelike materialisering „pour ainsi dire”.... ruimtelik wordt:
„Il y a un espace réel, sans durée”....
„Il y a une durée réelle, dont les moments hétérogènes se pénètrent....
le trait d’union entre ces deux termes, espace et durée, est la
simultanéité, qu’on pourrait définir l’intersection du temps avec
l’espace.”!
Men begrijpt, dat deze eigen wijsheid aangaande tijd en ruimte van
Kant’s tijd- en ruimte-kritiek niets moet hebben: „On aboutit à
déclarer matière et esprit également inconnaissables”! Dat soort
matière, dat soort esprit voor Kant onkenbaar! Neen, onkenbaar is Kant
voor Bergson’s geest, die zijn begrip van de kantiaanse „mogelikheid”
toont, door, diep-quasi-krities, de hersenbewegingen (zelf dus mogelike
waarnemingsinhoud) te noemen: „ma perception possible de certains
mouvements cérébraux”, op dezelfde pagina (M. et M. p. 253), waar hij
„l’idéalisme kantien” wil laten spreken door de overgang van
gewaarwording naar natuurding, objekt, te noemen: „le passage de la
sensibilité à l’entendement”! Voor Kant’s idealisme physica contra
sensibilité! Op pag. 256 wordt dan dat „possible” van Kant’s „mogelike
ervaring” (waarvan zin noch subjekt voor ons tans meer toelichting
behoeft) als volgt misduid: „tous les états de conscience....
possibles” zou nog maar een klein deel zijn van „la réalité matérielle,
parce que les images [wiens images?] débordent la perception de toutes
parts”! Zo zijn dan eens weer (p. 257) het Kantiaanse „phénomène” en
„chose” voor Bergson.... gewaarwording en natuurding. Hij moest eens
weten, dat juist zijn „chose” voor l’idéalisme kantien.... het
phénomène is! En als B. in zijn „Essai” (p. 72) van „l’intuition ou
plutôt.... la conception d’un milieu vide homogène” beweert: „cet acte
sui generis ressemble assez à ce que Kant appelait une forme a priori
de la sensibilité”—dan komt het mij voor, dat hij zelf ressemble assez
à zeker ook ver buiten Frankrijk beroemd geworden kikkertje.
Maar ik zou daar bijna weer polemies worden! En zijn dan niet zijn
perception en mémoire „pures”, zijn „phénomène d’endosmose”, zijn
„en-soi” wanneer hij leraart: „la lumière rouge.... accomplit....
correspond, en-soi, à.... des vibrations” even wijsgerig als geleerd?
En imponeert mij niet die kracht en stof, gematerialiseerde kracht en
geïdealiseerde stof van deze ziener: „Nous voyons la force se
matérialiser, l’atome s’idéaliser”? Of die vrijheidsleer, die wel niet
zo zuiver historiseert als Rickert of zo principieel subjectiveert als
Münsterberg of zo empiries psychologiseert als Wundt, maar toch met
haar origineel uitgewerkte tegenstelling:
ruimte—homogeenheid—wettelikheid—praktiese, mechaniserende,
veruiterlikende wetenschap enerzijds en
tijd—heterogeenheid—uniekheid—instinkt en intuïtie—„l’évolution
créatrice” anderzijds, met haar waarschuwing tegen „ces apparences
trompeuses” van gedetermineerdheid, waaronder „une psychologie plus
attentive nous révèle parfois des effets qui précèdent leurs causes”,
met haar tot de slotzin toe volhardend verzet tegen verwarring: „on
confond succession et simultanéité, durée et étendue, qualité et
quantité” en met haar originele vraagstelling: „le temps est-il de
l’espace?” of ook „le temps peut-il se représenter adéquatement par de
l’espace?” en het nog origineler antwoord: „oui, s’il s’agit du temps
écoulé; non, si vous parlez du temps qui s’écoule. Or l’acte libre se
produit dans le temps qui s’écoule et non pas dans le temps écoulé.”?
En is het niet eigenlik een wreed vermaak, ja heiligschennis of op z’n
zachtst Droogstoppelarij, om daar Bergson’s nieuwe fraaie franse
teder-intuïtief-realisties-pragmatisties-idealisties-glanzende
zeepbellen, die zo hoog en ver vliegen, dat ze zelfs in het land der
dichters en denkers al en vogue komen (maar ook die denkers hebben wel
eens te veel gedicht.... en die dichters te veel gedacht) zo maar met
nuchtere kritiese vingers aan te raken en uitéén te doen spatten?
Neen.
Mais revenons à nos moutons:
De dogmatiese waarnemingsleer, prius en posterius van materie-realisme,
leidt bij voldoende doordenken onvermijdelik tot skeptiese bedenkingen,
tot relativismen en subjectivismen, die op miskenning der objectieve,
evenmin transcendente als individuele, waarheid berusten en wier
moderne biologiserende uiting het pragmatisme vormt. Let maar op hun
waarnemingsleer—en ge zult bij al die pragmatisten van diverse
pluimage, bij Poincaré als bij Bergson, bij James c.s., bij Simmel en
Jerusalem en Ostwald het materie-realisme ontdekken. Bij voorbeeld:
Poincaré: „La Valeur de la Science” gewaagt telkens ten aanzien der
sensations van l’objet qui les cause en bedoelt daarmee het natuurding;
zo p. 129: „des mouvements qui permettraient d’atteindre l’objet qui
les cause”, insgelijks p. 263 en p. 270.—Zo dringt dan ook Poincaré’s
meetkunde-logica niet door tot die onbewuste maar subjectief-formele
bron der synthesis a priori, die wij in Kant’s „vorm” hebben leren
kennen en die wel ter dege de „règle générale”, de „règle rigoureuse”
stelt in de plaats van Poincaré’s pragmatisties surrogaat der „raisons
de commodité et de simplicité” en de werkelike bron der axioma’s
tegenover P.’s pragmatistiese verklaring (p. 58): „toutes ces règles,
toutes ces définitions ne sont que le fruit d’un opportunisme
inconscient.” Trouwens, Poincaré’s pragmatisme is van hoog
intellectualisties gehalte. Mooi zegt hij op p. 166: „je ne dis pas: la
Science est utile parce qu’elle nous apprend à construire des machines;
je dis: les machines sont utiles, parce qu’en travaillant pour nous
elles nous laisseront un jour plus de temps pour faire de la science.”
en van de wetenschap zelf (p. 217): „elle sera intellectualiste ou elle
ne sera pas” of op p. 275: „Ce n’est que par la Science et par l’Art
que valent les civilisations” [179]—ja, ook bij hem schijnt even het
dieper besef op te doemen, dat eigenlik heel die commodité op....
waarheid berust en niet omgekeerd! Immers (ook in andere zin
transpragmatisties, zie mijn noot 2 bij bl. 13) verklaart hij op bl.
271 aangaande de wetenschap: „Mais il est vrai qu’elle est commode, il
est vrai qu’elle l’est non seulement pour moi, mais pour tous les
hommes, il est vrai qu’elle restera commode pour nos descendents; il
est vrai enfin que cela ne peut pas être par hasard.” Het is waar, voeg
ik er bij, geen toeval is het, waarop dat exakt voorspelbaar
onveranderlik nut, die ware waarde der wetenschap berust, het is haar
waarheid!
Georg Simmel: In zijn nòg meer zwaarlijvige dan zwaargeestelike
„Philosophie des Geldes” zien wij in ’t duidelikst en kortst bestek die
gang: realisme wegens dogmatiese waarnemingsleer—relativisme—pragmatisme
vóór ons, hoe krities en kantiaans Simmel zich ook pleegt voor te doen,
zodat men weinig vat op hem heeft.—Op p. 9 dan lezen wij aangaande de
„Sinneseindrücke”: „Wahrend diese aber, wenn auch in weiterem Sinne als
subjectiv zu bezeichnen, doch auf Rechnung des Objekts selbst
geschrieben werden—indem einerseits gewisse Bewegungen des Objekts
selbst sie hervorrufen, und sie andrerseits auf dieses als seine
Eigenschaften projiziert werden”—meer hebben we hier niet nodig [180].—
Op p. 64/5 wordt dan betoogd, hoe insekten, arenden en wij mensen er
allen onderling verschillende „Weltbilder” op na houden, „woraus
unmittelbar zu schliessen ist, dass keines derselben den
ausserpsychischen Weltinhalt in seiner an sich seienden Objectivität
nachzeichnet”.... maar zie, een „höchst auffallende Thatsache”.... op
grond van „ware” voorstellingen handelt elke soort tot z’n behoud, op
grond van verkeerde, „‚falsche’”, tot z’n schade, als bestond er
„Kenntnis jener objektiven Verhältnisse, wie sie an sich wären”.... en
toch.... is er geen „mechanische [maar een niet-mechaniese?]
Abspiegelung”, geen „sich mit der absoluten [?] Objectivität
decken”....! Ra ra hoe kan dat? Men vat het reeds—„waar” betekent
biologies nuttig en „falsch” schadelik!
Aan Kant ook gij, Prof. Simmel! U ontgaat met uw realisme eenvoudig
weer het verschil tussen de kritiese waarheid van het al of niet juist
objectiveren (= al of niet juist oordelen over mogelike ervaring) en uw
dogmaties begrip „waarheid” (= „overeenstemming” van waarnemingsinhoud
en An-sich, „Kenntnis” van het transcendente als zodanig). Voilà tout!
Zo ontwikkelt zich (p. 68) Simmel’s „Relativismus in Hinsicht der
Erkenntnisprinzipien” veridealiseerd met Kant’s befaamde tegenstelling
konstitutief-regulatief („als ob”!) aldus: „dass die Konstitutiven, das
Wesen der Dinge ein-für-allemal ausdrückenden [!]. Grundsätze [z.B.?]
in regulative übergehen, die nur Augenpunkte für das fortschreitende
Erkennen sind.” „An die Stelle der Behauptung: so und so verhalten sich
die Dinge—hat in Hinsicht der äussersten und allgemeinsten Ansichten
vielmehr die zu treten: unser Erkennen hat so zu verfahren als ob sich
die Dinge so und so verhielten.”—Dit heet dan (p. 69) „die Verwandlung
der Dogmatik in Heuristik”.... en dezelve „gestattet.... offenbar eine
gleichzeitige Gültigkeit entgegengesetzter Prinzipien.”
Gelukkig zijn we hier nog niet zo ver gekomen als dat jongste
realisties-pragmatistiese, quasi-idealistiese, zich zelf voor
„idealistischer Positivismus” of zo men wil „positivistischer
Idealismus” uitgevende ontaardingsprodukt van het Kantisme (meer
speciaal van Kant’s Ideeën-leer), dat nu pas onder de auspiciën van
niemand minder dan Vaihinger als „Die Philosophie des Als Ob” („System
der theoretischen, praktischen und religiösen Fiktionen der Menschheit
auf Grund eines idealistischen Positivismus”) in plaats van de oude,
kritiese, vraag deze nieuwe, kritieke, vraag aan de orde wil stellen:
„Wie kommt es, dass wir mit bewusstfalschen Vorstellungen doch
Richtiges erreichen?”
Zó ver heeft tot dusverre geen pragmatisme het gebracht, om een met de
pragmatiese strijdige theoretiese waarheid te erkennen.... en opzettelik
te verloochenen—in bewust zelfbedrog, wijl men de leugen niet missen
kan, niet missen wil! Derhalve lijkt het mij een, ditmaal onbewust,
zelfbedrog en voor de verschillende met name genoemde „Hauptströmungen
der Philosophie der Gegenwart” (Voluntarisme, biologiese Kennisleer,
Nietzsche c.s., Pragmatisme, natuurwetenschappelike Kenniskritiek enz.)
een onverdiende smaad, dat deze „Philosophie des Als-Ob” hun „als
Konzentrationspunkt dienen” kan door haar gewaande Erkenntnis, „dass
ein gemeinsames Band die Differentiale der Mathematik, die Atome der
Naturwissenschaft, die Ideen der Philosophie und sogar die Dogmen der
Religion umschlingt—die Einsicht in die Notwendigkeit bewusster
Fiktionen als unentbehrlicher Grundlagen unseres wissenschaftlichen
Forschens, unseres ästhetischen Geniessens, unseres praktischen
Handelns.” Twee voorbeelden lichten van meet af toe, waarop de
vraagstelling steunt en doelt: 1o. de atomen en 2o. de vrije wil,
voorbeelden zo ongelukkig mis als de vraagstelling zelf:
Ad 1um: „Wir operieren mit ‚Atomen’, obgleich wir wissen, dass unser
Atombegriff willkürlich und falsch ist, und, was eben das Merkwürdigste
ist, wir operieren glücklich und erfolgreich mit diesem falschen
Begriffe: wir kämen ohne ihn nicht so gut, ja überhaupt nicht zum
Ziele.”
Het is mij als immaterialist een waar ironies genoegen, het voor onze
goede, veelbelasterde atomen op te nemen en er nadrukkelik op te
wijzen, dat en waarom ons natuurkundig juist atoombegrip noch
willekeurig is noch foutief, immers het bestaan der atomen, zover zij
kunnen bestaan, evenzeer van individuele willekeur onafhankelik als van
onwaarheid gespeend is. Uit het antwoord, zo-even omtrent de kritiese
waarheid aan Prof. Simmel gegeven, blijkt reeds waar de schoen wringt.
Atomen behoren al of niet tot het rijk van „mogelike ervaring”, van
„phaenomena”—oordelen daaromtrent zijn al of niet juist, i.c. al of
niet waar [181]. Atomen zijn dus in elk geval even „denkbeeldig” als
alle andere natuurdingen, boeken en bergen of wat ook, hebben met deze
het ideële subjekt gemeen. Maar of de natuurwetenschappelike
„hypothese” of onderstelling van atomen al of niet juist is, heeft de
natuurwetenschap, de „ervaring”, zelf te beslissen. Al worden ze nòg zo
„idealisties” uitgemaakt voor „abstrakte begripsdingen”,
„Gedankendinge”, „Rechenmarken”, „Lückenbüsser des Verstandes” enz.
enz., zij hebben, is de atoomhypothese juist, kennistheoreties precies
dezelfde werkelikheidswaarde als tafels en hersenen en cellen en alle
andere objekten of ruimtedingen [182]: die van ideëel mogelike
waarnemingsinhouden. Wij moeten dus wel onderscheiden de
kennistheoretiese betekenis van „hypotheties” („heel de natuur bestaat
slechts hypotheties” d.w.z. slechts indien het subjekt der natuur
vóórondersteld wordt, slechts als functie, afhankelike, van mogelike
waarneming, in tegenstelling tot het bestaan „op zich zelf”,
„absoluut”) van de natuurwetenschappelike zin van „hypotheties” („de
atomen, ionen, ether enz. bestaan slechts hypotheties”, d.w.z. het is
niet zeker, maar slechts meer of minder waarschijnlik, onderstelling,
dat deze dingen tot de ruimtewereld, tot het geheel der ideëel mogelike
ervaring op bepaalde wijze behoren, dat de éne waarnemingsfunctie der
éne werkelikheid ook deze dingen bevat.) [183]—Waar wij het op z’n tijd
bij ongeveer alle partijen moeten verkerven, is het wel aangenaam, in
de strijd tussen de „abstrakte”, mechaniese, atomistiese, natuur en de
zgn. „konkrete”, levende, bonte, klankrijke natuur van Mach c.s. ook
eens aan beide partijen gelijk te kunnen geven: kennistheoreties
bestaan beide gelijkelik.... phaenomenaal en zij verschillen alleen in
subjekt: het subjekt van Mach’s natuur heeft soortelik alle zinnen, dat
der mechanies-atomistiese natuur alleen de bewegingszin. Denkbeeldig—in
die zin dus „fiktief”—is alle natuur als haar subjekt, niet meer en
niet minder dan alle waarheid, als abstractum, in tegenstelling tot de
werkelikheid, il concreto.
Ad 2um: „die Annahme der Willensfreiheit ist die notwendige Grundlage
unserer sozialen und juristischen Ordnungen [inderdaad, als èn
oorzakelik bepalende èn oorzakelik bepaalde, dus deterministiese
vrijwilligheid, tegenover wilbeheersende dwang en wiluitschakelend
fatalisme], und doch sagt uns unser logisches Gewissen, dass die
Annahme der Willensfreiheit ein logischer Nonsens ist [sc. in de zin
van een indeterministies, dus ongedetermineerd, niet oorzakelik bepaald
willen]. Aber darum geben wir jene [eerstbedoelde] Vorstellung doch
nicht auf: denn sie ist nützlich ja unentbehrlich [en wat meer zegt—in
overeenstemming met de waarheid,—logies en empiries gegrond!].”
Zo hebben wij ook dit 2e voorbeeld onmiddellik door de nodige
onderscheiding, om het pragmaties te zeggen, „onschadelik” gemaakt, ook
dit punt in ’t reine gebracht en afgedaan.
De wis- en schei-kundigen, rechts- en god-geleerden mogen de rest (die
ik niet gelezen heb) voor hun rekening nemen.
Van „bezoedeling en vergiftiging” van het theoreties geweten in
Duitsland heb ik in Hoofdstuk I gesproken als een noodlottig en niet
alléén aan Kantverploerting te danken gevolg van Kant’s „Primat der
praktischen Vernunft”. Maar even onschuldig als de al dan niet
„historiese” Jezus of de dichters der bijbelse verhalen zijn aan de
kerkelike dogmastelsels of aan de gruwelen van Roomse, Spaanse of
Russiese Inquisities, even weinig schuldig is Kant aan deze
anti-logiese „Nonsens”, deze heilloze Quasi-wijsheid, deze hopeloze
zelf-begoochelings-dogmatiek, die, zo zij in waarheid meent—en niet als
„bewusstfalsche Vorstellung” fingeert—, „dass hier ein System der
Erkenntnistheorie geboten wird”, ja zelfs „dass hierin auch die Keime
zu einer vollbefriedigenden Welt- und Lebensanschauung enthalten sind”,
zich zelf zéker zal bedriegen, immers zich zelf zéker niet bedriegen
zal. Want al wijzigt het realisme, naar een woord van Guyau, zijn
„ignorabimus” in.... „illudemur”, men kan ieder ten slotte willens en
wetens knollen voor citroenen verkopen—behalve zich zelf!
Ten aanzien van de nieuwe quasi-kenniskritiese „vraag” gaan wij dus in
naam van Kant vooralsnog over tot de orde van de dag.
Ook op het pragmatisme zelf hoeft hier niet dieper ingegaan—als uiting
van skepticisme vooronderstelt het onbewuste kennis-dogmatiek,
realisme;—voor ons is het voldoende, de dogmatiese waarnemingsleer als
zijn prius bij enkele van zijn voormannen in het licht der kritiek te
hebben gesteld.
Want de kritiek is de rots in de branding der hedendaagse filosofieën
en quasi-filosofieën. Daar boven zien wij, hoe die moderne
pragmatismen, ethicismen en aestheticismen, die tot waarheid dogmaties
niet meer willen en krities nog niet kunnen komen, van de nood een
deugd maken door de wijsbegeerte van waarheidsvorsing te verlagen tot
levensbroodwinning, braafheidsdienst of kunstvermaak, door het nuttige,
het zedelike of het schone uit te geven voor het ware. En ook de
wemeling van „idealismen” en „monismen” heden ten dage wordt door de
kritiek onverbiddelik op hun kennistheoreties, al of niet
dogmaties-realisties gehalte gekeurd—en de waarnemingsleer alleen reeds
openbaart het materie-realisme zowel in Hartmanniaans „konkreet
monisme” als in Hegeliaans „absoluut idealisme”, in het „ethies
idealisme” van Münsterberg en Rickert c.s. als in het „objectief
idealisme” van Eucken en Bergmann, evenzeer in het „kennistheoreties
monisme” van de „empiriocritici” of de Immanenzphilosophen (met hun
voorstellings- of gewaarwordingsnaturalisme) als in het „monisties
spiritualisme” van dualisten (t.a.v. natuur en geest) als Lotze en
Busse, of zelfs in het „psycho-monisme” of „pan-psychisme” [184] van
een Verworn of een Forel.
Ten onzent heeft Dr. R. A. Reddingius in een opstel „Geest en Stof”
(Vragen des Tijds, 1907, II:197–228) gemeend „de grondgedachte van het
psychisch monisme van Fechner” weer te geven en toe te passen in een
uiteenzetting, die aldus begint: „Wat op ons, onze zintuigen, inwerkt,
kan door ons waargenomen worden; wij noemen het lichaam of ding.”
terwijl bl. 202 aldus vervolgt: „Uit ontelbare waarnemingen blijkt ons
dan reeds dadelijk, dat stoffelijke gebeurtenissen in onze hersenen en
geestelijke gebeurtenissen op dezelfde plaats [!] en op hetzelfde
tijdstip voorvallen. Maar wat op dezelfde plaats en op hetzelfde
tijdstip voorvalt noemen wij een eenheid.” Zo is in 2 zinnen het
„monisme”—wel te verstaan materialisme—bereikt, met
„prikkelingscomplexen, die men voorstellingen noemt” en met de zuiver
materialistiese konsekwenties van pp. 210 ss., eindigend in een typies
materialisties-empiristies citaat uit Kassowitz’ „Allgemeine Biologie”:
„Der moderne Mensch tut das Gute.... weil ihm die ethischen Grundsätze
durch Erziehung und Beispiel sozusagen zur zweiten Natur oder, wie wir
uns ausdrücken müssen, zum gesicherten Besitzstande seiner
Reflexapparate geworden sind.”
Maar zelfs de eerbiedwaardige Fechner zelf, hoe diep en fijn een geest
ook, is door onvoldoende waarnemingskritiek (trillingen oorzaak van
gewaarwording, Zend-Avesta II p. 332/3 en passim) zijns ondanks diep in
een materie-realisme blijven steken, waarvoor het materiële „die Basis,
die Unterlage, den Sitz” van het psychiese vormt, dat door de stof
„getragen” wordt, er op „rust” (ib.), zodat „aller Geist von etwas
Leiblichem getragen wird und nur auf Grund dieses Trägers besteht”
(III: 273) en met de geest als „zelf-waarneming”, „zelf”-phaenomeen van
de hersenen. Reeds het beeld, waarmee zijn leer aangaande de verhouding
van lichaam en geest (Z.-A. II: 312–387) aanheft bevat die realistiese
onjuistheid:
„Um mit einem Bilde zu beginnen, so ist das Leibliche oder Körperliche
gleich einer Schrift, das Geistige, Psychische.... wie der zugehörige
Sinn der Schrift, in solcher Weise aber, dass die, als lebendig zu
fassende Schrift sich selbst nur unter der Form ihres Sinnes, Andern
nur unter der Form der äusseren Zeichen erscheinen kann.” (p. 313).
Die „lebendige Schrift”, die „sich selbst als Sinn erscheint”, dat zijn
de zich zelf als geest waarnemende hersenen van het psycho-physies
materialisme. Ergo: „Ihm [sc. „der, welcher denkt, empfindet”]
erscheint Gehirn und Nerv mit den darin vorgehenden Bewegungen als
Gedanke, Empfindung, weil er selbst Gehirn und Nerv ist, einem andern
als Materie und Bewegung, weil er ihnen gegenübersteht.” (p. 317). Als
nu zijn voorstelling „für den ersten Anblick ganz materialistisch”
mocht lijken, verweert Fechner zich met.... „materiellen Bewegungen,
welche Gedanken zu tragen vermogen”! En zo kan een ander van het
hersenproces, als hij het „von aussen ansieht” (!).... natuurlik „nicht
dieselbe Erscheinung davon [!] haben.... als das Gehirn unmittelbar von
sich selbst auf seinem innern centralen Standpunct hat”! Zo blijkt
Fechner’s tegenstelling van „äussern und innern Standpunct der
Betrachtung” ruimtelik (dus ruimte-realisties) gedacht, in plaats van
kennistheoreties, altans wat dat „äussere” betreft. En zo vervalt hij
telkens in het bekende vermaterialiseerde Spinozisme: één zelfde
„Wesen” met „zwei Seiten”.... en dat Wezen, die Substantia dan als
ruimtelike, stoffelike werkelikheid gedacht. Vgk. pp. 324 ss. [185]—Wij
vinden bij Fechner dan ook voortdurend een zien „van” of „met” het oog,
een luisterend oor enz. (het lichaam dualisties als „orgaan” der ziel)
een opvatting, die hij gebruikt en nodig heeft voor zijn analogie van
de aarde, die „met” ons, mensen, kijkt, hoort enz. en waardoor hij
(III: 112–4) tot (kras-materialistiese) passages komt als: „Es ist an
sich sonderbar zu glauben, dass das Sehen erst hinter dem Auge beginne;
und man mag immerhin sagen, das Gehirn sieht, aber es sieht durch das
Auge, wie das höhere Wesen, dem wir angehören, durch uns sieht” etc. en
„dass, was im Auge vorgeht durch seine Fortwirkungen sich wirklich im
Gehirn auch wiederspiegeln kann”!—Slechts even nu en dan breekt de zon
van het zuiver psychisme door de wolken van het materie-realisme: II:
348: „denn für sich existirt gar nichts Materielles, es hat als solches
eine Existenz blos für den Geist gegenüber, als Ausdruck von etwas sich
geistig selbst Erscheinenden für anderen Geist; ist in sofern ganz
Function des Geistigen und Verhältnisses von Geist zu Geist.” Dat is
stralend juist. Maar—reeds weer op p. 349 keren de „Bewegungsprocesse”
terug „wie sie sich geistig selbst erscheinen”, gelijk het III: 276
luidt: „der Fluss des Geistigen ist ja nur die Selbsterscheinung des
leiblichen Flusses”. Zo geeft Fechner (III: 118) de juiste
zelf-qualificering aan zijn leer: „Begeistung der Materie”. Inderdaad,
het blijft materie-realistiese „bezieling” van de stof (i.c. van de
„hele wereld” sc. ruimtewereld!), de „zelfverinwendiging der natuur”
van Prof. Bolland c.s., streng te scheiden en te onderscheiden van het
krities psychisme. [186]
Van Prof. Bolland’s „absoluut idealisme” moge hier na al het voorgaande
nog één zin waarnemingsleer volgen: Spreuk 472: „Tusschen de wereld
[sc. de onbezielde ruimtewereld, de natuur!] en haar bezielde
verenkeling bemiddelen de zinnen in verscheidenheid van
ontvankelijkheid.” Al kunnen wij die „ontvankelijkheid” met geven en
nemen laten gelden, wij weten nu, dat het in elk geval moet zijn:
tussen de (onruimtelike) werkelikheid en haar (niet als stof bezielde
maar zelf zielse [187]) verenkeling. Klaagt dus Dr. Dèr Mouw (Kritische
Studies, p. 212/3), na gewaagd te hebben van „één Zon, één Maan, die
afgespiegeld [!] of gesymboliseerd worden door de vele, juist hierdoor
van droomen verschillende, bewustzijnstoestanden” en van „de vele
zonnen in de vele bewustzijnswerelden” tegenover een „Ding-an-sich
Zon”: „Met een bollandist zal men, zooals ik zei, niet vaak zoover
komen, dat hij het secundaire, het reproductie-karakter van
waarnemingen zoowel als van begrippen inziet. Het symbolische van alle
kennis, het sphingische van de Natuur—daar wil hij niet aan.” dan
moeten wij daartegen opmerken: het ongeluk is juist, dat de
bollandisten de dogmatiese reproductie-leer der waarneming zonder
bedenking delen. [188]
De sprekendste proeve van zulk bollandisties-realisties
waarnemingsdogmatisme levert ons de „Natuurfilosofie” van Dr. J. Clay.
Deze onderscheidt (Tijdschr. v. Wijsbeg. I: 500–514: „De Natuur”) met de
termen, die ook een zekere Spinoza heeft gebruikt—zij het ook in ietwat
andere, nl. wijsgerige, zin—de „natura naturata” (bij Spinoza: de
natuur, als „attribuut” der „substantie”) van de natura naturans (bij
Spinoza: deus sive substantia, het An-sich of reale, de zijnsgrond of
„causa libera” der natuur) als volgt:
„natura naturata”: „het voortgebrachte zakelijke, het bestaande”
(n.b.!) oftewel „het gezamenlijke der bijzondere verschijnselen, die
bestaan en gebeuren en die [nu komt het] de oorzaak zijn van onze
gewaarwordingen”. Dr. Clay voegt er bij: zo wist het reeds „het
speculatieve denken der Ouden”....
„natura naturans”: „het voortbrengende onzakelijke, het werkzame, het
ideëele” oftewel „het algemeene overal werkende en scheppende
beginsel”.
Mocht u nu dit natuur-realisme bij geval nog niet duidelik genoeg zijn
gebleken, of mocht gij in het „scheppend beginsel” van Dr. Clay’s
„natura naturans” toch nog iets van Spinoza’s diepte vermoeden, dan
worde door een voorbeeld van elk, dat Dr. Clay zelf ter beschikking
stelt, uw twijfel weggevaagd:
„natura naturans”: de „wet” van het behoud van „arbeidsvermogen” (een
scheppend beginsel!),
„natura naturata”: (dus oorzaak van gewaarwordingen!) een „lichaam
ergens op zeker oogenblik in beweging”!
Sapienti sat.