VIERDE ORDE.

DE SNAVELHAGEDISSEN (Rhynchocephalia).

Deze merkwaardige dieren, die men bij oppervlakkig onderzoek

voor Hagedissen zou houden, geven bij ontleding eigenaardigheden

te aanschouwen, die tot de kenmerken van geheel andere orden en

zelfs van andere klassen behooren. Zij toonen o. a. verwantschap met

Hagedisachtige Amphibiën, die hun bloeitijd hadden, toen de lagen van

de steenkolen- en de daaropvolgende dyas- en triasformatie ontstonden,

maar vóór den aanvang van het juratijdperk volkomen verdwenen waren;

wij bedoelen de Labyrinthodonten of "Doolhoftandigen", de hoogst

ontwikkelde leden van de uitgestorven groep der "Dakschedeligen"

of Stegocephalen. De overblijfselen van deze meestal met een

pantser van beenplaten bedekte Amphibiën worden het meest gevonden

in de porphyrachtige zandsteenen en conglomeraten, die in Bohemen en

Saksen den ondergrond (het "liggende") vormen van de koperertshoudende

gesteenten en wegens hun roode kleur door de Saksische mijnwerkers het

"roodliggende" ("rotliegende") worden genoemd, een naam, die door

de aardkundigen overgenomen is. Niet slechts van Amphibie-achtige,

maar ook van Reptiel-achtige wezens uit den voortijd, o. a. van

de Plesiosauriërs, voorts van hedendaagsche Kruipende Dieren (van

Schildpadden en Hagedissen) komen verscheidene eigenaardigheden bij

de hier bedoelde diersoort, bij de Bruggenkop- of Wigtandhagedis

(Sphenodon punctatus, Hatteria punctata), vereenigd voor. De

allernaaste verwant van dit zonderlinge wezen is, merkwaardigerwijze,

het oudst bekende Reptiel: de Oerhagedis (Palaeohatteria) van het

Saksische "rotliegende". De Bruggenkophagedis moet dus beschouwd

worden als het laatste overblijfsel van den oudsten Reptiliën-stam,

als de eenige levende vertegenwoordiger van een sinds lang verdwenen

dierenwereld; zij kan op een langere reeks van voorouders bogen dan

eenig ander Gewerveld Dier.

Door zijn gestalte herinnert dit groote, eenigszins plompe Reptiel

aan sommige Legoeanen. Op den vierzijdigen kop volgt een gedrongen

romp met een samengedrukt driezijdigen staart van ongeveer gelijke

lengte. Aan elken poot komen 5 korte, met korte klauwen gewapende

teenen voor. Zijdelings samengedrukte doornen vormen den kam,

die zich over den nek, het midden van den rug en het midden van

den staart uitstrekt. Kleine schubben bedekken den kop, kleine en

groote dooreengemengd den romp, groote, vierhoekige, op dwarse reeksen

gerangschikte schilden de onderzijde. De somber olijfgroene grondkleur

is op de zijden en de ledematen met kleine, witte en grootere, gele

vlekken gestippeld; de stekels van den rugkam zijn geel, die van den

staartkam bruin.

Veel belangrijker eigenaardigheden dan de zooevengenoemde uitwendige

kenmerken komen bij de ontleding aan 't licht. Het vierkantsbeen,

dat bij alle Geschubde Reptiliën beweeglijk is, laat, evenals bij de

Kameleons, Schildpadden en Krokodillen, wegens vergroeiing met den

schedel geen beweging toe. Het geraamte van het aangezicht is door

twee beenige bogen, die als "bruggen" de slaapholte bedekken, met de

slaapstreek van den schedel verbonden; van daar de naam der soort. De

beide helften van het onderkaaksbeen zijn, als bij de Slangen, van

voren door een vezeligen band vereenigd. De bovenkaaksrand draagt

een reeks van driehoekige, zijdelings samengedrukte, spits eindigende

tanden, die zoo innig met de kaakbeenderen verbonden zijn, dat men ze

bijna voor getakte uitwassen van deze beenderen zou houden. Hieraan

evenwijdig is een reeks van soortgelijke, doch iets kleinere tanden

aan den buitenrand der gehemeltebeenderen; tusschen de beide reeksen

van bovenkaaksbeenderen blijft aan weerszijden een overlangsche groeve

over waarin de tanden van de onderkaaksbeenderen passen, zoodat de

bovenkaakstanden zijdelings, de onderkaakstanden spits afgeslepen

worden. De beide tusschenkaaksbeenderen hellen steil naar onderen af en

vormen een soort van snavel, met welks onderrand een paar eenigszins

getakte snijtanden zoo innig verbonden zijn, dat de grens tusschen

been en tand niet zichtbaar is. Deze eigenaardigheden van den kop

worden uitgedrukt door de namen "Snavel-" en "Wigtandhagedissen".--De

wervellichamen zijn van voren en van achteren trechtervormig uitgehold,

evenals bij vele Beenvisschen, eenige Amphibiën en verscheidene

voorwereldlijke Reptiliën. Beweegbare ribben, ten deele met haakvormige

uitsteeksels voorzien, zijn gehecht aan de 5 achterste van de 8

halswervels en aan alle 17 rompwervels. Alle ribben zijn valsch,

d. w. z. bereiken het borstbeen niet, met uitzondering van die der 3

voorste rompwervels. Achter deze komt aan de buikzijde van den romp

een "buikborstbeen" en een stelsel van "buikribben" voor, die in

aantal en ligging overeenkomen met de buikschilden der oppervlakte,

maar dubbel zoo talrijk zijn als de valsche ribben; iedere dwarsreeks

van buikschilden is dus te vergelijken met één buikschild van een

Slang en beter nog met één der deelen van het buikpantser van een

Schildpad. Het trommelvlies ontbreekt, evenals bij de Slangen. Men

mag dus de Bruggenkophagedis beschouwen als een Reptiel, dat over

't geheel genomen den vorm van een Hagedis heeft, in eenige zeer

belangrijke opzichten echter op den ontwikkelingstrap der Amphibiën is

blijven staan, en andere, minder gewichtige bijzonderheden vertoont,

die men bij de Schildpadden en Slangen terugvindt.

De berichten over de woonplaats en de levenswijze van dit dier,

dat nergens anders dan op Nieuw-Zeeland aangetroffen wordt, zijn tot

dusver zeer onvolledig. Het eerste komt voor in de beschrijving van

Cook's derde reis: "Naar men zegt, komen op Nieuw-Zeeland reusachtige

Hagedissen voor, 2.6 M. lang en zoo dik als het lichaam van een mensch;

het heet, dat zij soms menschen aanvallen en verslinden. Zij wonen

in gaten in den grond en worden gedood door voor den ingang van het

hol een vuur aan te steken."

Dieffenbach zegt, dat de inboorlingen deze Hagedis, die zij Toeatera

of Narara noemen, in hooge mate vreezen. Hoewel hij alle plaatsen,

waar zij heet voor te komen, onderzocht en een aanzienlijke belooning

uitloofde aan ieder, die hem er een bracht, werd zijn wensch eerst

weinige dagen voor zijn vertrek door de ontvangst van een enkel

exemplaar vervuld. "Zij was gevangen op het rotsachtig eilandje

Karewa, in Plenty-baai op een afstand van 2 mijlen van de kust

gelegen. Uit de verhalen, die mij gedaan werden, schijnt te blijken,

dat de Bruggenkophagedis indertijd op alle eilanden talrijk voorkwam,

in holen en dikwijls ook op zandige heuvels aan de kust leefde en

door de inboorlingen om haar vleesch vervolgd en gedood werd. Door de

jacht en ongetwijfeld ook door het invoeren van Zwijnen is dit dier

zoo zeldzaam geworden, dat vele sinds lang in het land gevestigde

personen het nooit gezien hebben".

Bennett bericht, dat deze Hagedissen in het jaar 1851 op enkele

eilandjes van de genoemde Plenty-baai nog in vrij groot aantal te

vinden waren. Een gezelschap van officieren ving hier in een half

uur tijds ongeveer 40 Bruggenkophagedissen van 8 à 60 cM. lengte,

die zich door de zon lieten koesteren. Van een exemplaar, dat in

1869 levend naar Engeland kwam, wordt gezegd, dat het met smaak

Meelwormen en andere Insecten at, buitengewoon traag, maar ook zeer

goedaardig was en zonder te bijten of op een andere wijze weerstand

te bieden, zich liet behandelen. Van andere gevangenen vernam men,

dat zij plantaardig voedsel niet versmaadden. Ook nog in onzen tijd

wordt de Bruggenkophagedis nu en dan van de eilandjes ten oosten van

het Noordeiland levend of dood naar Europa gebracht; zulke exemplaren

worden wegens hun zeldzaamheid duur betaald.

Het Leven der Dieren. Derde Deel, Hoofdstuk 1 tot 4, De Kruipende Dieren · 第 9 / 10 题