DE SNAVELHAGEDISSEN (Rhynchocephalia).
Deze merkwaardige dieren, die men bij oppervlakkig onderzoek
voor Hagedissen zou houden, geven bij ontleding eigenaardigheden
te aanschouwen, die tot de kenmerken van geheel andere orden en
zelfs van andere klassen behooren. Zij toonen o. a. verwantschap met
Hagedisachtige Amphibiën, die hun bloeitijd hadden, toen de lagen van
de steenkolen- en de daaropvolgende dyas- en triasformatie ontstonden,
maar vóór den aanvang van het juratijdperk volkomen verdwenen waren;
wij bedoelen de Labyrinthodonten of "Doolhoftandigen", de hoogst
ontwikkelde leden van de uitgestorven groep der "Dakschedeligen"
of Stegocephalen. De overblijfselen van deze meestal met een
pantser van beenplaten bedekte Amphibiën worden het meest gevonden
in de porphyrachtige zandsteenen en conglomeraten, die in Bohemen en
Saksen den ondergrond (het "liggende") vormen van de koperertshoudende
gesteenten en wegens hun roode kleur door de Saksische mijnwerkers het
"roodliggende" ("rotliegende") worden genoemd, een naam, die door
de aardkundigen overgenomen is. Niet slechts van Amphibie-achtige,
maar ook van Reptiel-achtige wezens uit den voortijd, o. a. van
de Plesiosauriërs, voorts van hedendaagsche Kruipende Dieren (van
Schildpadden en Hagedissen) komen verscheidene eigenaardigheden bij
de hier bedoelde diersoort, bij de Bruggenkop- of Wigtandhagedis
(Sphenodon punctatus, Hatteria punctata), vereenigd voor. De
allernaaste verwant van dit zonderlinge wezen is, merkwaardigerwijze,
het oudst bekende Reptiel: de Oerhagedis (Palaeohatteria) van het
Saksische "rotliegende". De Bruggenkophagedis moet dus beschouwd
worden als het laatste overblijfsel van den oudsten Reptiliën-stam,
als de eenige levende vertegenwoordiger van een sinds lang verdwenen
dierenwereld; zij kan op een langere reeks van voorouders bogen dan
eenig ander Gewerveld Dier.
Door zijn gestalte herinnert dit groote, eenigszins plompe Reptiel
aan sommige Legoeanen. Op den vierzijdigen kop volgt een gedrongen
romp met een samengedrukt driezijdigen staart van ongeveer gelijke
lengte. Aan elken poot komen 5 korte, met korte klauwen gewapende
teenen voor. Zijdelings samengedrukte doornen vormen den kam,
die zich over den nek, het midden van den rug en het midden van
den staart uitstrekt. Kleine schubben bedekken den kop, kleine en
groote dooreengemengd den romp, groote, vierhoekige, op dwarse reeksen
gerangschikte schilden de onderzijde. De somber olijfgroene grondkleur
is op de zijden en de ledematen met kleine, witte en grootere, gele
vlekken gestippeld; de stekels van den rugkam zijn geel, die van den
staartkam bruin.
Veel belangrijker eigenaardigheden dan de zooevengenoemde uitwendige
kenmerken komen bij de ontleding aan 't licht. Het vierkantsbeen,
dat bij alle Geschubde Reptiliën beweeglijk is, laat, evenals bij de
Kameleons, Schildpadden en Krokodillen, wegens vergroeiing met den
schedel geen beweging toe. Het geraamte van het aangezicht is door
twee beenige bogen, die als "bruggen" de slaapholte bedekken, met de
slaapstreek van den schedel verbonden; van daar de naam der soort. De
beide helften van het onderkaaksbeen zijn, als bij de Slangen, van
voren door een vezeligen band vereenigd. De bovenkaaksrand draagt
een reeks van driehoekige, zijdelings samengedrukte, spits eindigende
tanden, die zoo innig met de kaakbeenderen verbonden zijn, dat men ze
bijna voor getakte uitwassen van deze beenderen zou houden. Hieraan
evenwijdig is een reeks van soortgelijke, doch iets kleinere tanden
aan den buitenrand der gehemeltebeenderen; tusschen de beide reeksen
van bovenkaaksbeenderen blijft aan weerszijden een overlangsche groeve
over waarin de tanden van de onderkaaksbeenderen passen, zoodat de
bovenkaakstanden zijdelings, de onderkaakstanden spits afgeslepen
worden. De beide tusschenkaaksbeenderen hellen steil naar onderen af en
vormen een soort van snavel, met welks onderrand een paar eenigszins
getakte snijtanden zoo innig verbonden zijn, dat de grens tusschen
been en tand niet zichtbaar is. Deze eigenaardigheden van den kop
worden uitgedrukt door de namen "Snavel-" en "Wigtandhagedissen".--De
wervellichamen zijn van voren en van achteren trechtervormig uitgehold,
evenals bij vele Beenvisschen, eenige Amphibiën en verscheidene
voorwereldlijke Reptiliën. Beweegbare ribben, ten deele met haakvormige
uitsteeksels voorzien, zijn gehecht aan de 5 achterste van de 8
halswervels en aan alle 17 rompwervels. Alle ribben zijn valsch,
d. w. z. bereiken het borstbeen niet, met uitzondering van die der 3
voorste rompwervels. Achter deze komt aan de buikzijde van den romp
een "buikborstbeen" en een stelsel van "buikribben" voor, die in
aantal en ligging overeenkomen met de buikschilden der oppervlakte,
maar dubbel zoo talrijk zijn als de valsche ribben; iedere dwarsreeks
van buikschilden is dus te vergelijken met één buikschild van een
Slang en beter nog met één der deelen van het buikpantser van een
Schildpad. Het trommelvlies ontbreekt, evenals bij de Slangen. Men
mag dus de Bruggenkophagedis beschouwen als een Reptiel, dat over
't geheel genomen den vorm van een Hagedis heeft, in eenige zeer
belangrijke opzichten echter op den ontwikkelingstrap der Amphibiën is
blijven staan, en andere, minder gewichtige bijzonderheden vertoont,
die men bij de Schildpadden en Slangen terugvindt.
De berichten over de woonplaats en de levenswijze van dit dier,
dat nergens anders dan op Nieuw-Zeeland aangetroffen wordt, zijn tot
dusver zeer onvolledig. Het eerste komt voor in de beschrijving van
Cook's derde reis: "Naar men zegt, komen op Nieuw-Zeeland reusachtige
Hagedissen voor, 2.6 M. lang en zoo dik als het lichaam van een mensch;
het heet, dat zij soms menschen aanvallen en verslinden. Zij wonen
in gaten in den grond en worden gedood door voor den ingang van het
hol een vuur aan te steken."
Dieffenbach zegt, dat de inboorlingen deze Hagedis, die zij Toeatera
of Narara noemen, in hooge mate vreezen. Hoewel hij alle plaatsen,
waar zij heet voor te komen, onderzocht en een aanzienlijke belooning
uitloofde aan ieder, die hem er een bracht, werd zijn wensch eerst
weinige dagen voor zijn vertrek door de ontvangst van een enkel
exemplaar vervuld. "Zij was gevangen op het rotsachtig eilandje
Karewa, in Plenty-baai op een afstand van 2 mijlen van de kust
gelegen. Uit de verhalen, die mij gedaan werden, schijnt te blijken,
dat de Bruggenkophagedis indertijd op alle eilanden talrijk voorkwam,
in holen en dikwijls ook op zandige heuvels aan de kust leefde en
door de inboorlingen om haar vleesch vervolgd en gedood werd. Door de
jacht en ongetwijfeld ook door het invoeren van Zwijnen is dit dier
zoo zeldzaam geworden, dat vele sinds lang in het land gevestigde
personen het nooit gezien hebben".
Bennett bericht, dat deze Hagedissen in het jaar 1851 op enkele
eilandjes van de genoemde Plenty-baai nog in vrij groot aantal te
vinden waren. Een gezelschap van officieren ving hier in een half
uur tijds ongeveer 40 Bruggenkophagedissen van 8 à 60 cM. lengte,
die zich door de zon lieten koesteren. Van een exemplaar, dat in
1869 levend naar Engeland kwam, wordt gezegd, dat het met smaak
Meelwormen en andere Insecten at, buitengewoon traag, maar ook zeer
goedaardig was en zonder te bijten of op een andere wijze weerstand
te bieden, zich liet behandelen. Van andere gevangenen vernam men,
dat zij plantaardig voedsel niet versmaadden. Ook nog in onzen tijd
wordt de Bruggenkophagedis nu en dan van de eilandjes ten oosten van
het Noordeiland levend of dood naar Europa gebracht; zulke exemplaren
worden wegens hun zeldzaamheid duur betaald.