DERDE ORDE.

DE SCHILDPADDEN (Chelonia).

Door haar eigenaardigen lichaamsbouw wijken de Schildpadden zoozeer af

van de andere leden harer klasse, dat zij er niet mede verward kunnen

worden. De gepantserde romp, de plompe kop, welks kaken, evenals

die van de Vogels, met hoornscheeden bedekt zijn en nooit tanden

dragen, de zuilvormige, op korte stompjes gelijkende of lange, smalle,

vinvormige pooten zijn kenmerken, welke niet met die van eenig ander

dier vergeleken kunnen worden. Het pantser bestaat uit twee deelen,

het boven- of rugschild en het onder- of buikschild. Het rugpantser is

min of meer bol, langwerpig, rondachtig of hartvormig, het buikpantser

schildvormig, eirond of afgerond kruisvormig. Deze beide deelen

hangen samen door een aanvankelijk kraakbeenig verbindingsstuk,

dat bij sommige gedurende het geheele leven buigzaam blijft, bij

andere verbeent. Gezamenlijk vormen zij dus een doos, die van voren

en van achteren open is voor het doorlaten van den kop, de pooten en

den staart, maar den romp meer of minder volkomen omhult. De kop is

gewoonlijk eivormig, van achteren afgeknot, de hals verschillend van

lengte, maar steeds zeer beweeglijk; de vier pooten zijn gang-, zwem-

of vinpooten; de lengte van den meestal korten, rol- of kegelvormigen,

meer of minder spits toeloopenden staart wisselt zeer sterk af. Het

grootendeels door huidverbeening gevormde pantser is met hoornplaten of

schilden, slechts bij weinige soorten met een lederachtig bekleedsel

bedekt; de eeltachtige huid van kop, hals, pooten en staart is

met plaatvormige schubben van verschillende grootte, met schilden,

knobbels of korrelige vormingen bezet en vertoont dikwijls op sommige

plaatsen eigenaardige sporen of stekels. De hoornplaten, die het

rugschild bekleeden, worden onderscheiden in 5 wervelplaten (boven

de rugwervels) 4 of 5 paar zijde- of ribplaten (boven de ribvormige

beenstukken) en 24 of meer kleinere randplaten, waarbij 1 nekplaat

en 1 of 2 staartplaten; de parige schilden aan de buikzijde van het

pantser heeten keel-, arm- (of bovenborst-), borst-, buik-, schenkel-

(of onderbuik-) en aarsplaten; bij den voorrand en den achterrand van

het verbindingsstuk tusschen rug- en borstschild liggen de oksel- en

de liesplaten. In den regel raken de platen elkander met de randen aan

en zijn dan door naden verbonden; soms echter zijn zij dakpansgewijs

geplaatst. Het aantal, de onderlinge verhouding en de rangschikking der

hoornplaten leveren belangrijke kenmerken op voor de onderscheiding

der soorten. Hare randen stemmen niet overeen met die der door haar

bedekte, platte beenderen, welke, door getande naden onbeweeglijk

verbonden, aan het pantser een groote stevigheid verschaffen.

De zeer beweeglijke halswervels zijn meestal 8 in getal; daarop

volgen 10 wervels, die ieder een paar ribben dragen en daarom

rugwervels heeten; met uitzondering van den eersten en den laatsten,

laten deze in 't geheel geen beweging toe en nemen, doordat hunne

doornuitsteeksels en ribben zich tot platen uitbreiden en met

verbeende gedeelten van de daarboven liggende lederhuid vergroeien,

aan de vorming van het rugpantser deel. De "schijf" van het beenige

rugschild bestaat dus uit 8 middelste stukken en 8 paar zijdelingsche

stukken. Slechts bij één soort ontbreken de wervelstukken. Meestal

strekken de ribben zich tot aan den "rand" van het rugschild uit; de

met haar vergroeide huidbeenderen reiken echter niet altijd zoover,

zoodat dan de uiterste gedeelten der ribben in het skelet als de

spaken van een wiel aan den omtrek van de "schijf" uitstralen en

tusschenruimten (fontanellen) overlaten, die bij het levende dier

door de huid zijn gevuld. Gewoonlijk is het rugschild voorzien van

een uit samenhangende huidbeenderen samengestelden "rand"; met deze

"randstukken" zijn de uiteinden der ribben verbonden, zoodat ook

een rugschild met spaakvormig verlengde ribben een volledigen rand

bezit; deze bestaat uit 10 à 13 paar huidbeenderen en is van voren

door een "nekstuk", van achteren door een "staartstuk" gesloten.--In

het buikschild komen niet anders dan huidbeenderen voor; het heeft

dus niets gemeen met het borstbeen, dat bij de Schildpadden geheel

ontbreekt. In den regel bestaat het uit 9 stukken; één aan den voorrand

en vier opeenvolgende paren er achter. Bij de Landschildpadden en vele

Moerasschildpadden vormen deze stukken een aaneengesloten geheel,

bij de Zeeschildpadden laten zij in 't midden een groote ruimte

of "fontanel" over, waar het borstschild dus eenvoudig uit een met

hoornplaten bedekte huid bestaat. Tusschen deze beide uitersten vormen

de overige Moerasschildpadden den overgang.

De zeer kleine schedelholte is gevuld met hersenen, welker massa

volstrekt niet geëvenredigd is aan die van het lichaam. Schildpadden

van 40 KG. hebben nauwelijks 4 G. hersenen; bij exemplaren van

1 KG. bedraagt het gewicht van de hersenen slechts 0.36 G. Het

oog heeft twee leden en een wenkvlies; de oogbol herinnert door

zijn samenstelling in vele opzichten aan dien van de Vogels. Uit

de inrichting der zintuigen kan men afleiden, dat de Schildpadden

tamelijk goed zien, een middelmatig scherp gehoor en tot op zekere

hoogte een fijnen reuk hebben; ook zijn zij tot het verkrijgen van

smaakgewaarwordingen in staat; over het tastgevoel durven wij geen

oordeel vellen.

Het aantal in 1888 bekende soorten beliep 201; het is niet zeer

waarschijnlijk, dat het veel zal toenemen. In warme, waterrijke

gewesten vertoonen de Schildpadden de grootste verscheidenheid van

vormen; in de richting van den evenaar naar de polen en bij toenemende

hoogte neemt het aantal soorten schielijk af.

Alle levensverschijnselen van de Schildpadden zijn traag, langzaam,

onregelmatig. Zij kunnen ongeloofelijk lang leven zonder te ademen,

zonder haar bloed te zuiveren, na de vreeselijkste verminkingen

zich nog maanden lang bewegen, en dus tot op zekere hoogte

handelingen verrichten, welke op die van de niet verminkte dieren

gelijken. Schildpadden zonder kop bewegen zich nog verscheidene

weken na de onthoofding, trekken b.v., als men ze aanraakt, de pooten

onder het rugschild terug; een exemplaar, welks hersenen door Redi

weggenomen waren, kroop nog 6 maanden lang rond; in de Parijsche

"Jardin des Plantes" leefde een Moerasschildpad 6 jaren zonder voedsel

te gebruiken.

Het ligt voor de hand, dat dieren, welker hersenen en zenuwen zoo

weinig ontwikkeld zijn, geestelijk niet hoog kunnen staan. En toch

toonen de Schildpadden zich in dit opzicht meer begaafd dan men van

haar verwacht zou hebben. Haar verstand is omvangrijker, haar geest

levendiger dan men zou vermoeden. Ook zij handelen met bewustzijn. Zij

ondervinden lust en onlust, herkennen zaken, die nuttig, en zaken, die

nadeelig voor haar zijn, onderscheiden bruikbare voedingsmiddelen van

onbruikbare, vreedzame en onschadelijke wezens van gevaarlijke, geraken

zelfs langzamerhand gewoon aan menschen, die haar welwillendheid

betoonen, gewennen zoo niet aan haar verzorger dan toch aan den

persoon, die haar voedsel verschaft, laten jegens dezen de plompe

schuwheid varen, die zij aanvankelijk toonden, kunnen in de handen

genomen, geprikkeld, tot gramschap vervoerd of gekalmeerd worden.

Hoewel de willekeurige bewegingen van de meeste Schildpadden eveneens

langzaam, traag en plomp geschieden, herinneren toch sommige leden

dezer groep door haar vlugheid aan andere Kruipende Dieren. Bij

't gaan zijn alle plomp en onbeholpen; bij 't zwemmen en duiken

openbaren de Zoetwater- en Zeeschildpadden de grootste mate van

levendigheid waarvoor zij vatbaar zijn; in deze opzichten echter is

hun begaafdheid vermoedelijk niet grooter dan die van eenig ander in

't water levend dier. Verbazing wekt de spierkracht, waarvan alle

soorten bewijzen geven.

De Landschildpadden voeden zich hoofdzakelijk met plantaardige

stoffen; vele eten echter tusschenbeide ook Insecten, Wormen

enz. De Zoetwaterschildpadden leven meestal van dierlijke stoffen;

sommige Indische geslachten zijn echter volslagen planteneters. De

Zeeschildpadden voeden zich gedeeltelijk met wieren en zeegrassen,

gedeeltelijk met Schaaldieren, Vinpootige Slakken, Kwallen en andere

lagere Zeedieren, ook wel met kleine Visschen. Enkele soorten van

Schildpadden zijn geweldige roovers. Zij eten eigenlijk alleen

gedurende de warme zomerdagen of in de keerkringsgewesten gedurende

den regentijd, mesten zich dan binnen weinige weken vet, houden

daarna allengs op voedsel te gebruiken en vervallen in verstijving

of winterslaap, wanneer hetzij de winter, hetzij het droge seizoen

aanvangt. Hetzelfde komt voor bij de weinige soorten, die zich

gedurende het geheele jaar in bosschen ophouden.

Kort na het ontwaken in de lente vangt de voortplanting aan. Het wijfje

graaft met eenige zorg gaten in den grond, gewoonlijk in het zand,

legt hierin eieren en dekt ze toe met een laag zand of modder. De

eischaal is in den regel bard en kalkachtig, alleen bij de familie

der Zeeschildpadden zacht en perkamentachtig; bij sommige soorten

zijn de eieren bolvormig, bij andere meer langwerpig; hun grootte

is betrekkelijk gering. Vele Schildpadden leggen niet meer dan een

dozijn, groote soorten ver over de 100 eieren. De moeder bekommert

zich na het eierenleggen niet meer om haar kroost. De jongen komen

na verloop van eenige maanden uit, kruipen meestal 's nachts uit den

grond en begeven zich dan naar een schuilplaats op het land of naar het

naastbij gelegen water. In tallooze menigte worden zij door Zoogdieren,

Vogels en Kruipende Dieren van andere orden opgezocht en verslonden; de

buitengewoon lange levensduur van de exemplaren, die dit lot ontgaan,

behoedt de meeste soorten echter voor geheele vernietiging.

De Schildpadden zijn voor ons de nuttigste van alle Reptiliën, daar

wij niet slechts de hoornplaten van het pantser der Zeeschildpadden

onder den naam van "schildpad" voor velerlei doeleinden gebruiken,

maar ook het vleesch en de eieren van nagenoeg alle soorten eten en

smakelijk vinden. Enkele soorten hebben een zoo sterke muscuslucht,

dat Europeanen althans geen smaak vinden in de van hun vleesch

bereide spijzen; andere leveren daarentegen, zooals bekend is,

werkelijk kostelijke gerechten.

De Schildpadden worden, volgens Dollo, verdeeld in twee onderorden: de

Mozaïekschildpadden< en de Echte Schildpadden. De Mozaïekschildpadden

(Athecae), die in de hedendaagsche periode slechts door één

familie--de Lederschildpadden (Sphargidae)--met één geslacht en één

soort vertegenwoordigd zijn, onderscheiden zich van alle overige

leden der orde, doordat de wervels en ribben vrij zijn, dus niet

vergroeid met het huidskelet. Het rugschild is zwak gewelfd en uit

talrijke, op reeksen geplaatste, veelhoekige beenplaten samengesteld;

het gebrekkig ontwikkelde buikschild bestaat uit smalle beenderen, die

door een zeer groote fontenel in 't midden vaneengescheiden zijn. De

ribben zijn meestal niet verbonden met echte randstukken. De geheele

romp is met een lederachtige huid bedekt. De neusopeningen zijn naar

boven gericht, de oogholten zeer groot. De ledematen zijn in groote,

vinvormige roeiwerktuigen veranderd, waaraan de nagels ontbreken,

hoewel de vingers van den voorvoet sterk verlengd zijn. De gewrichten

van de vingers en teenen laten geen beweging toe.

De eenige thans nog levende soort--de Lederschildpad of Luth

(Dermochelys coriacea)--is een reusachtig dier van nagenoeg 2 M. totale

lengte en 500 à 600 KG. gewicht. De voorste ledematen zijn meer dan

dubbel zoo lang als de achterste. Het volledig verbeende rugpantser is

van voren tamelijk afgerond en loopt van achteren in een staartvormige

spits uit; het is door 7 uitpuilende, overlangsche lijsten in 6 velden

verdeeld. Het onvolledig verbeende, zachte en buigzame buikschild

vertoont 5 overlangsche kielen. De kop, de hals en de pooten zijn bij

de jonge dieren met schildjes bekleed, die langzamerhand verdwijnen,

zoodat de huid van de oude dieren er glad uitziet en slechts de kop

nog kleine schildjes vertoont. De kleur is donkerbruin met lichter

bruine of gele vlekken.

De grootste van alle hedendaagsche Schildpadden wordt van jaar

tot jaar zeldzamer en kan als een uitstervende soort beschouwd

worden. Zij bewoont eigenlijk alle zeeën tusschen de keerkringen en

werd vroeger zoowel bij de Salomonseilanden van de Stille Zuidzee

als aan de kust van Arabië en in de Roode Zee, bij de Bermudas en

de zuidkust van Noord-Amerika, in de zeeën ten zuiden van Indië

zoowel als om Madagaskar geregeld aangetroffen. Nu en dan bezocht

zij ook de gematigde aardgordels. Door weer en wind uit den koers

gebracht, misschien ook door reislust gedreven, heeft zij zich in

den Atlantischen Oceaan bij Europa en de noordelijke Vereenigde

Staten, in de Stille Zuidzee bij Chili vertoond; op al deze kusten

werd zij herhaaldelijk gevangen. Enkele exemplaren zijn zelfs naar

de Middellandsche Zee en naar de Noordzee, misschien ook naar onze

kusten, afgedwaald [1].

Van de levenswijze der Lederschildpad is zeer weinig bekend. Haar

voedsel schijnt hoofdzakelijk uit Visschen, Schaaldieren en Weekdieren

te bestaan. Volgens berichten, die de Prins Von Wied ontving,

verschijnt ieder wijfje met tusschenpoozen van ongeveer 14 dagen

viermaal per jaar op de legplaatsen aan de zeekust en laat hier in

het zand telkens 18 à 20 dozijn eieren achter.

Uit de nieuwste berichten blijkt, dat de schilderingen, door vroegere

schrijvers gegeven van de kracht en de weerbaarheid der Lederschildpad

niet overdreven zijn. Haar vleesch wordt niet gegeten, omdat men aan

het gebruik daarvan slechte gevolgen toeschrijft.

Bij de Echte Schildpadden (Thecophora), die de tweede onderorde vormen,

zijn het rugschild en het buitenschild veel meer ontwikkeld dan bij

de Mozaïekschildpadden. De rugwervels en ribben zijn met elkander

onbeweeglijk verbonden en tot beenplaten verbreed, welke met die van

het huidskelet vergroeien en een echt pantser vormen.

Deze onderorde wordt in drie groepen verdeeld: de Halsbergers

(Cryptodira), de Halswenders (Pleurodira) en de Rivierlederschildpadden

(Trionychoidea). Vele leden van de eerste groep kunnen den kop

(evenals de pooten en de staart) onder het rugschild verbergen; de hals

wordt echter in dit geval teruggetrokken en niet zijwaarts gekromd;

de halshuid verkrijgt ringvormige plooien en bedekt mutsvormig het

achterste deel van den kop. Een belangrijk kenmerk van de Halsbergers

is, dat de bekkenbeenderen wel met het rugschild, doch nooit met

het buikschild verbonden zijn. Evenals bij de Halswenders is bij hen

het beenig pantser met hoornschilden bedekt; deze ontbreken bij de

Rivierlederschildpadden.

Bij de Alligatorschildpadden (Chelydridae) zijn de borstplaten door

een groote tusschenruimte van de randplaten gescheiden; het buikpantser

is zeer klein en van kruisvormige gedaante; de staart is steeds langer

dan de helft van de lengte van 't pantser.

Een monster, zoowel door haar gestalte als door haar aard, een

Krokodil met het pantser van een Schildpad, is de Bijtschildpad,

de Snapping Turtle der Anglo-Amerikanen (Chelydra serpentina). Men

kent twee soorten van dit geslacht, welks verbreidingsgebied zich

van Noord-Amerika over Midden-Amerika zuidwaarts tot in Ecuador

uitstrekt. De kop is groot, plat en driehoekig; de korte en spits

toeloopende snuit heeft buitengewoon krachtige en scherpe, aan de spits

haakvormig gekromde kaken; de hals kan ver uitgestoken worden. De

pooten zijn krachtig, de voorpooten hebben 5, de achterpooten 4

teenen, die door goed ontwikkelde zwemvliezen verbonden zijn. De

staart trekt de aandacht door zijn lengte, zijn aanzienlijke dikte

en den uit beenige spitsen bestaanden kam op het midden van de

bovenzijde. Het weinig gewelfde rugschild vertoont drie reeksen van

middelmatig groote knobbels. De huidkleur wisselt in allerlei tinten

van olijfgroen af. Het rugschild is vuil donker- of zwartbruin,

het borstschild geelbruin, bij de jonge dieren, als naar gewoonte,

lichter dan bij de oude. Deze kunnen een lengte van O.9 à 1 M. en

een gewicht van ongeveer 20 KG. bereiken.

Behalve met de verwante Gierschildpad (Macrolemmys Temminckii) kan

de Bijtschildpad met geen ander lid harer orde verward worden. Beide

soorten bewonen de stroomen en groote moerassen van de Vereenigde

Staten; in enkele gewesten zijn zij vrij talrijk; het liefst houden

zij zich op in water met een modderigen bodem; zelfs de stinkendste

poelen worden niet door haar versmaad. Gewoonlijk liggen zij op

den bodem van het diepe water in het midden van de rivier of van

het moeras; soms echter verschijnen zij dicht bij de oppervlakte,

houden de spits van den snuit er boven en laten zich met den stroom

afdrijven. Vooral in dicht bevolkte streken vluchten zij bij het

geringste gedruisch naar de diepte; in het schraler bevolkte zuiden

zijn zij minder schuw. Met recht worden zij gevreesd en gehaat; de

naam "Bijtschildpad" is goed gekozen: zij bijten naar al wat haar in

den weg komt en laten, wat zij eens gegrepen hebben, niet zoo licht

weer los. Het is geraden, voorzichtig met deze dieren om te gaan,

daar zij prikkelbaar en zeer boosaardig zijn. Het kan voorkomen, dat

zij een mensch, die zich in het door hen bewoonde water begeeft, vol

woede te lijf gaan en hem zeer gevaarlijke wonden toebrengen. Weinland

verzekert, dat het 1 cM. dikke, platte deel van een roeiriem door den

harden roofvogelsnavel van deze Schildpad als door een kogel doorboord

kan worden; andere waarnemers verzekeren, dat zij een tamelijk dikken

wandelstok zonder bezwaar doorbijt.

De Alligatorschildpadden zijn vlugger van beweging dan de meeste

van hare verwanten. Soms begeven zij zich aan land en weten dan

hare looporganen even goed te gebruiken als de Landschildpadden;

zwemmend verplaatsen zij zich zeer snel, vooral bij het vervolgen van

een buit. Haar voedsel bestaat uit Visschen, Vorschen en andere in

't water levende Gewervelde Dieren; zij bepalen zich volstrekt niet

tot een kleinen buit, maar vallen dikwijls ook betrekkelijk zeer

groote dieren, zooals Ganzen en Eenden aan. De landlieden klagen

zeer vaak over door haar gepleegde rooverijen, waarvan Eenden de

slachtoffers zijn; deze worden bij de pooten onder water getrokken

en na verdrinking verslonden.

Agassiz heeft bij zijne onderzoekingen over de

ontwikkelingsgeschiedenis der Schildpadden gebruik gemaakt van de

eieren dezer soort, welke met die van Duiven nagenoeg in grootte

overeenkomen, met een kalkachtige schaal omhuld zijn en zonder veel

moeite verzameld kunnen worden. Het wijfje legt ze ten getale van 20 à

30 in een gat, dat zij niet ver van den waterkant in den grond graaft

en met bladen bedekt. "Maanden lang," zegt Weinland, die aan deze

onderzoekingen een belangrijk aandeel had, "slopen dagelijks jonge

Schildpadden uit de in zand en mos gelegde eieren; merkwaardigerwijze

was de eerste beweging van het kopje, dat door een opening van de

schaal naar buiten gluurde, steeds die van happen en bijten."

Oud gevangen Bijtschildpadden weigeren gewoonlijk alle voedsel;

op jeugdigen leeftijd kan men ze aan den gevangeniskost gewennen.

Een van de vreemdsoortigste Schildpadden is ongetwijfeld de

Grootkoppige Schildpad (Platysternum megacephalum), de eenige

vertegenwoordiger van een gelijknamige familie (Platysternidae). Zij

kenmerkt zich vooral door de platheid van haar rugschild en van haar

zeer breed, uit een stuk samengesteld borstschild, de reusachtige

grootte van haar met een groot schild bekleeden kop, die toch onder

het pantser teruggetrokken kan worden en de buitengewone lengte van

haar geheel met schubben bekleeden staart. De kleur van de bovendeelen

is olijfbruin, die van de onderdeelen deels geel, deels lichtbruin;

een zwarte streep is door het oog gericht. Lengte 40.5 cM.

De Grootkoppige Schildpad bewoont de rivieren van Birmah en Siam en

wordt westwaarts tot in Pegu en Tenasserim gevonden; ook komt zij in

de westelijke gedeelten van de Zuid-Chineesche provinciën voor. Overal

is zij echter zeldzaam. Meer is van dit dier zijne verblijfplaatsen

en levenswijze niet bekend.

De meeste thans levende Schildpadden behooren tot de familie der

Landschildpadden (Testudinidae). Uitwendig zijn zij kenbaar aan

haar met hoornplaten bekleed pantser, welks borstplaten zonder

tusschenruimten over te laten met de randplaten verbonden zijn en

welks buikgedeelte steeds uit 11 of 12 schilden bestaat.

Landschildpadden leven in de heete en gematigde gewesten van alle

werelddeelen, met uitzondering van Australië. De leden dezer familie

vormen een nagenoeg onafgebroken reeks, die met volslagen waterdieren

aanvangt en eindigt met wezens, die uitsluitend voor het leven op het

land geschikt zijn. In deze volgorde zijn de soorten gerangschikt,

die hier vermeld zullen worden.

"Ieder die de vormenrijkdom van de orde der Schildpadden wil leeren

kennen door ze dagelijks in de vrije natuur na te gaan," zegt Weinland,

"moet Noord-Amerika bezoeken, het echte schildpaddenland, waar allerlei

soorten van deze dieren in zoo grooten getale plassen en rivieren,

bosschen en dalen verlevendigen, dat de dierkundige nog in lang niet

haar uitsterven heeft te duchten."

Alle Zoetwaterschildpadden bewonen uitsluitend vochtige gewesten,

de meeste het water van langzaam stroomende rivieren, van poelen en

meren. Voor het leven in het water zijn zij zeer goed uitgerust. Op

het land bewegen zij zich log en langzaam, hoewel aanmerkelijk

vlugger dan alle Echte Landschildpadden, in 't water daarentegen

buitengewoon snel en zeer behendig. Men ziet ze hier rustig aan de

oppervlakte liggen of rondzwemmen en bij het geringste gedruisch, dat

haar verdacht voorkomt, bliksemsnel naar de diepte duiken, waarin zij

op 't zelfde oogenblik zich in het slijk of onder wortels verborgen

hebben. Vooral bij het jagen bewegen zij zich verbazend vlug. De

Noord-Amerikaansche en Europeesche soorten voeden zich hoofdzakelijk

met dierlijke stoffen, n.l. met kleine Zoogdieren, Vogels, Reptiliën,

Amphibiën, Visschen en ongewervelde dieren, die zij steeds onder water

verslinden; verscheidene Indische soorten daarentegen zijn volslagen

planteneters. Met naar de diepte gerichte oogen, gelijk een naar

buit zoekenden Arend, zwemmen zij uren lang aan de oppervlakte van 't

water rond en zoeken den bodem af. Bij het zien van een prooi laten

zij eenige luchtbellen ontsnappen, roeien uit al haar macht naar de

diepte en happen gretig naar de haar lokkende spijs; deze wordt met

de scherpe, nooit loslatende kaken gegrepen en een oogenblik later,

na een krachtigen ruk van den plotseling naar voren gestrekten kop,

verzwolgen.

De ontwikkeling van hare geestvermogens moet natuurlijk geëvenredigd

zijn aan haar geschiktheid tot beweging en haar roofzucht. Hare

zintuigen zijn veel scherper dan die der Echte Landschildpadden;

haar verstand overtreft in alle opzichten dat van deze dieren. Zij

geven goed acht op de bezwaren, die zij op haar weg ontmoeten;

enkele toonen meer sluwheid en voorzichtigheid dan men bij haar

gezocht zou hebben, kiezen de gunstigst gelegen schuilhoeken uit en

doen op schrandere wijze haar voordeel met opgedane ervaringen. Zij

kunnen spoediger getemd worden dan alle overige Schildpadden en leeren

haar verzorger werkelijk kennen, zij het dan ook slechts in beperkte

mate. Zij geraken gewoon aan den omgang met menschen, hoewel zij ze

niet van elkander onderscheiden.

Bij 't naderen van den winter verbergen zij zich tamelijk diep in

den grond en brengen hier het ongunstige jaargetijde in schijndooden

toestand door.

De Noord-Amerikaansche Zoetwaterschildpadden houden zich in de

gevangenschap zeer goed, mits zij verstandig behandeld worden. Enkele

hebben, naar gezegd wordt, 40 of meer jaren op deze wijze geleefd. Een

behoorlijke warmtegraad is een hoofdvereischte voor het gezond blijven

van deze dieren; men kan in dit opzicht niet te nauwgezet zijn.

De Europeesche Zoetwaterschildpad (Emys orbicularis, E. europaea)

bereikt een totale lengte van 32 cM., waarvan 8 cM. op den staart

komen; het pantser is hoogstens 19 cM. lang. De ongepantserde

lichaamsdeelen zijn op zwartachtigen grond hier en daar geel

gestippeld; de teekening van de platen van het rugpantser bestaat uit

reeksen van gele stippels, die als 't ware gesprenkeld zijn op den

zwartgroenen grond; het buikschild is vuilgeel met een gering aantal

onregelmatig verdeelde, bruine stippels of straalswijs gerichte, bruine

vlammen; de kleur en de teekening zijn aan veel variatie onderhevig;

zelfs komen volslagen zwartbruine exemplaren voor.

Het eigenlijke vaderland van deze soort is waarschijnlijk het zuiden

en oosten van Middel-Europa. Zij is algemeen in Albanië, Dalmatië en

Bosnië, Italië, de lage landen langs den Donau en Hongarije, maar ook

in het zuiden van Frankrijk, Spanje, Portugal en Algerië benoorden

het Atlas-gebergte, niet minder in een groot deel van het Russische

Rijk. In Duitschland bewoont zij stroomende en stilstaande wateren in

Brandenburg, Posen, West- en Oost-Pruisen, Pommeren en Mecklenburg,

misschien ook een deel van Silezië: uitsluitend dus het stroomgebied

van den Oder en den Weichsel.

"In ons land," schrijft Schlegel, "werd slechts één voorwerp en wel

bij Leiden waargenomen, hetgeen denken doet, dat het toevallig op

deze plaats was aangeland."

Aan stilstaand, of langzaam stroomend, ondiep en troebel water geeft

zij de voorkeur boven snel vlietende stroomen en heldere meren. Over

dag houdt zij zich stil; kort voor zonsondergang begint zij haar

bedrijf, dat, naar het schijnt, gedurende den geheelen nacht wordt

voortgezet. Gedurende de wintermaanden blijft zij verborgen in

't slijk, komt in 't midden van April, indien de weersgesteldheid

het toelaat, hieruit te voorschijn en laat dan vaker dan gewoonlijk

een eigenaardig gefluit hooren. Zij is voorzichtig en duikt bij 't

geringste gedruisch onmiddellijk naar de diepte. In 't water beweegt

zij zich zeer vlug, maar ook op het land volstrekt niet gebrekkig,

veel sneller althans dan de Echte Landschildpadden. Zij voedt zich

met Wormen, Waterinsecten, Vorschen en Salamanders en de larven

dezer dieren; zij maakt echter ook op Visschen jacht en valt zelfs

tamelijk groote exemplaren aan; het slachtoffer wordt door beten in het

onderlijf afgemat en vervolgens geheel afgemaakt. De Visschen, die op

deze wijze overmeesterd zijn, worden onder water op de graten na geheel

verslonden. Daar bij het afkluiven van den buit de zwemblaas dikwijls

onbeschadigd afgebeten wordt en naar den waterspiegel omhoogstijgt,

kan men uit de op het water drijvende zwemblazen van Visschen de

aanwezigheid van Zoetwaterschildpadden afleiden. In gevangenschap kan

men ze vele jaren lang met Visschen, Regenwormen of rauw vleesch in

't leven houden; zij worden dan weldra zoo tam, dat zij uit de hand

van haar verzorger eten, geraken gewoon aan bepaalde ligplaatsen en

vervallen in een verwarmd vertrek niet in winterslaap; wanneer men

haar echter een kleinen vijver in een afgesloten tuin tot woonplaats

aanwijst, kruipen zij tegen den aanvang van het koele jaargetijde in

den grond.

De Europeesche Zoetwaterschildpad graaft het gat, waarin zij hare

eieren legt, op een voor dit doel geschikte, open plek aan den

oever. Om dit te kunnen doen, verweekt zij vooraf den bodem door het

uitwerpen van een aanzienlijke hoeveelheid water, boort vervolgens

met de spits van den staart een kegelvormig gat en verwijdt dit tot

een eivormige holte door beurtelings met den eenen en den anderen

achterpoot de aarde weg te krabben. Gewoonlijk legt zij 9 eieren;

deze worden onmiddellijk na het verlaten van den kloak één voor één

opgevangen door de achterpooten, die ze onbeschadigd op den bodem

van de holte laten glijden, daarna voorzichtig bedekt met aarde, die

door kloppende bewegingen met het achterste deel van het borstpantser

wordt vastgestampt. In Augustus of September komen de jongen uit den

grond te voorschijn.

Dat dit dier getemd kan worden, blijkt o. a. uit de volgende

merkwaardige mededeeling van Ph. C. Martin: "In mijn aquarium waren

vijf jonge Zoetwaterschildpadden, die nauwelijks de grootte van een

rijksdaalder hadden. Al dadelijk was de kleinste veel levendiger dan

de overige; terwijl deze rustig bleven liggen, wandelde zij wakker

rond. Dit dwergje toonde uit den aard der zaak niet slechts naar

het lichaam, maar ook naar den geest een grootere werkzaamheid dan

zijne lotgenooten. Veel eerder dan deze, liet het zijn natuurlijke

schroomvalligheid varen, en werd daarom de uitverkoren lieveling van

mijn vrouw, die het iederen dag eenige malen in de hand nam en het al

pratende liefkoosde, waarin het blijkbaar veel behagen schepte. Reeds

in de eerste dagen van deze kennismaking werd het August genoemd; al

dadelijk gedroeg het zich zeer verstandig, daar het niet, evenals

zijne dommere broertjes en zusjes bij iedere aanraking den kop

en de pooten onder het pantser terugtrok, maar spoedig toonde een

onvervaarde menschenvriend te zijn en op een echt schrandere wijze het

kopje in alle richtingen wist te wenden. Slechts weinige dagen waren

voorbijgegaan, toen August bewijzen gaf, dat hij zijn naam kende. Als

mijn vrouw nu bij het aquarium komt en alle vijf Schildpadden in

het water zijn, heeft zij slechts eenige malen August te roepen,

om den drager van dezen naam te nopen, zoo schielijk mogelijk op

de tufsteenrots te klimmen, hetwelk dikwijls met zulk een haast

geschiedt, dat hij hals over kop naar beneden tuimelt; onmiddellijk

hervat hij dan de klimpartij en zoodra hij boven is gekomen, bedelt

hij letterlijk om in de hand genomen te worden."

Het vleesch van de Europeesche Zoetwaterschildpad is eetbaar; het

geringe voordeel, dat zij hierdoor en door het verslinden van Slakken

en Wormen den mensch oplevert, weegt niet op tegen de schade, die

zij door het vernielen van de eieren en jongen van nuttige Visschen

aanricht.

Door aard en bewegingen een Landschildpad, in vorm echter

met de Zoetwaterschildpadden overeenkomend, mag de welbekende

Noord-Amerikaansche Doosschildpad (Cistudo carolina) als een overgang

van de in 't water levende tot de op 't land wonende soorten aangemerkt

worden. Het door haar vertegenwoordigde geslacht onderscheidt zich door

een zeer bol rugschild met nekplaat en dubbele staartplaat. Het uit

12 platen samengestelde, eironde borstschild is in twee beweeglijke

stukken verdeeld, die zoo groot zijn, dat zij voor en achter, na het

terugtrekken van kop, pooten en staart, dicht tegen het rugschild

aangedrukt kunnen worden; het dier gelijkt dan op een gesloten doos:

vandaar zijn naam. Het rugschild van de genoemde soort draagt een

stompe kiel in 't midden; overigens vertoonen hare leden, wat bouw,

kleur en teekening betreft, onderling velerlei verschil. In den

regel is de bovenzijde fraai bruin of bruinzwart met een uit gele,

onregelmatige vlekken en strepen bestaande teekening. Dikwijls ziet men

bij bruinzwarte individuën op iedere zijdeplaat een scherp begrensde,

fraai goudgele E. De platen van het borstschild zijn op gelen grond

bruin geaderd. Het pantser is 13 cM. lang en gewoonlijk 11 à 12

cM. breed. De langwerpig eironde kop heeft scherpe, gaafrandige kaken

en is, evenals de vóór- en achterpooten, bruin en geel gevlekt.

Het verbreidingsgebied van de Doosschildpad omvat het grootste deel

van de oostelijke Vereenigde Staten, van Maine tot Florida, en strekt

zich westwaarts uit tot Jowa, Missouri en Texas. In levenswijze stemt

zij met de echte Landschildpadden volkomen overeen. Zij wordt vaker

op droge, dan op vochtige plaatsen gevonden; wanneer men haar in een

vochtig oord bespeurt, kan men er zeker van zijn, dat zij door de een

of andere lievelingsspijs verlokt werd tot een bezoek aan dit overigens

voor haar zoo weinig aantrekkelijk terrein. Zoo kan men er op rekenen,

haar te zullen aantreffen in moerassige streken, waar Nachtreigers

hunne broedplaatsen hebben; omdat er onder de reigernesten steeds een

aantal halfverrotte Visschen liggen, die voor haar echte lekkernijen

schijnen te zijn. Behalve zulke overblijfselen, eet zij Insecten,

Slakken, Wormen, malsche paddestoelen en bessen, de laatstgenoemde

zelfs met een zekere voorliefde. Als een grooter dier haar nadert,

trekt zij den kop, de pooten en den staart onder het pantser terug en

sluit de openingen met het tweekleppige borstschild zoo stevig af,

dat zij tegen den aanval van gewone Roofdieren volkomen beveiligd

is. Wanneer zij getergd wordt, verdedigt zij zich echter door

te bijten; een eens gegrepen voorwerp wordt niet zoo licht meer

losgelaten.

Vervolging heeft de Doosschildpad eigenlijk niet te lijden. Haar

vleesch wordt niet gebruikt, hoewel het goed smaakt.

Alle warme landen der aarde, met uitzondering alleen van Australië

en Nieuw-Guinea, worden bewoond door Echte Landschildpadden; Afrika

bezit, voor zoover men er over kan oordeelen, de meeste soorten,

Europa slechts 2.

De Landschildpadden behooren tot de traagste en onverschilligste

leden van de geheele Reptiliën-klasse. Al hare bewegingen zijn plomp,

log en onbeholpen. Zij zijn in staat zonder te pauzeeren een tamelijk

grooten weg af te leggen, maar doen dit onvergelijkelijk langzaam;

traag verplaatsen zij één voor één hare pooten en schuiven het

zware lichaam als 't ware met tegenzin vooruit. Bij elke beweging

ontwikkelen zij echter een aanzienlijke kracht en toonen een groote

volharding. Landschildpadden, die in 't water geworpen of toevallig

te water geraakt zijn, zinken als steenen naar den bodem, strompelen

hier rustig verder en komen zoo na geruimen tijd weer aan den oever

zonder eenige schade geleden te hebben. Veel meer moeite kost het haar

weer op de pooten terecht te komen, wanneer zij door soortgenooten

of vijanden op den rug gewenteld zijn. Dikwijls wordt hiervoor een

langdurige arbeid van kop en staart vereischt, want de logge pooten

schieten voor deze taak te kort. Opmerkelijk is het, dat zij voor

een andere bewegingswijze, n.l. voor het klimmen, een zekere mate van

geschiktheid toonen. Een echte stem komt, naar het schijnt, bij haar

niet voor: het geplaagde dier laat hoogstens een snuivend geblaas,

maar geen klinkend geluid hooren. De hoogere vermogens dezer dieren

zijn geëvenredigd aan de kleinheid hunner hersenen; dat zij werkelijk

bestaan, blijkt echter uit hun gedrag.

De Landschildpadden voeden zich hoofdzakelijk met malsche

plantendeelen, die zij afplukken of liever afknippen. De grootste

soorten verslinden gulzig allerlei kruiden in aanzienlijke hoeveelheid;

de kleine kiezen met meer zorg deelen van bladen, uitspruitsels en

vruchten; de eerstgenoemde knijpen haar voedsel af, de laatstgenoemde

snijden het met de scherpe kaakranden uit of scheuren het gegrepen stuk

los door het plotseling terugtrekken van den kop. Als de gelegenheid

zich voordoet, eten zij ook allerlei diertjes, b.v. Slakken en

Aardwormen; aan grootere dieren wagen zij zich niet. Zij drinken

zelden, maar veel te gelijk.

Voor den mensch leveren de Landschildpadden geen noemenswaardig voedsel

op. Slechts in de huishouding van sommige wilde en halfwilde volken,

spelen de pantsers als kastjes en dozen voor allerlei huiselijke

doeleinden een zekere rol. Men kan het vleesch van de Landschildpadden

even goed eten als dat van vele Rivier- en Zeeschildpadden; slechts bij

uitzondering echter worden zij met deze bedoeling gevangen. Vaker nog

vangt men ze om ze in de kamer of in den tuin vrij te laten rondloopen.

Het geslacht der Landschildpadden in den engsten zin (Testudo) kenmerkt

zich door een gewelfd rugpantser, een uit 12 platen samengesteld

buikpantser en vergroeide teenen met 5 of 4 klauwen aan de voorpooten

en 4 klauwen aan de achterpooten. Alle hiertoe behoorende soorten

gaan op de teenen en zijn landdieren in de eigenlijke beteekenis van

het woord.

Uit Zuid-Amerika wordt tegenwoordig zeer dikwijls een Landschildpad

levend naar Europa vervoerd, die in Brazilië Sjaboeti heet: de

Woudschildpad (Testudo tabulata). Haar gestalte is tamelijk plomp;

het van boven platte rugschild helt van voren en van achteren sterk

af en is sterk verlengd; de kop is tamelijk groot, de rand van de

hoornachtige kaken fijn getand, de hals middelmatig lang en dik,

de staart zeer dik; de plompe voeten vallen in 't oog door haar

lengte. Het rugpantser is donkerbruin of zwart, iedere plaat met een

gele vlek in 't midden; het buikpantser is bruin en geel. De onbedekte

deelen hebben een zwartachtige kleur en zijn met velerlei oranjegele

of roode vlekken geteekend. De lengte van het pantser bedraagt 55 cM.

De Sjaboeti is over geheel tropisch Zuid-Amerika ten oosten van de

Andes verbreid, bewoont het grootste deel van Brazilië, Paraguay, alle

wouden van Guyana tot op een hoogte van 600 M. boven de oppervlakte

der zee en geheel Venezuela; ook komt zij voor op de Kleine Antillen,

die langs de noordkust van Zuid-Amerika liggen. Op voor haar geschikte

plaatsen schijnt zij zeer veelvuldig te zijn. Ook deze Schildpad

ontleent haar voedsel aan het plantenrijk. Zij eet hoofdzakelijk

afgevallen rijpe boomvruchten, waarvan in haar vaderland zoo velerlei

soorten voorkomen.

Naar men zegt, levert het volwassen dier, in weerwil van de stevigheid

van zijn pantser, dikwijls een buit aan de groote soorten van

Katten. De Indianen, die met de wouden en hunne verschijnselen goed

bekend zijn, verzekeren, dat de Once, als zij zulk een Schildpad vindt,

haar overeind plaatst en met de lange klauwen het vleesch bij stukjes

uit het pantser wegkrabt. De ledige pantsers, die men hier en daar in

het woud verstrooid vindt, zouden de overblijfselen van dergelijke

maaltijden zijn. Daar aan deze Schildpadden geen onaangename lucht

eigen is, worden zij door de Portugeezen, Negers en Indianen gegeten;

in sommige tijden van 't jaar zijn zij zeer vet. In eenige gewesten

worden zij daarom in kleine, ronde perken, die door loodrecht in den

grond geslagen palen begrensd zijn, bewaard, om ze bij de hand te

hebben, zoodra men ze wil gebruiken. In huis kan men ze verscheidene

jaren in 't leven houden; in het hok, dat men haar als woning aanwijst,

beginnen zij dadelijk haar lievelingskost, bananen, te eten, ook

bladen en allerlei vruchten. Wanneer men ze aanraakt, trekken zij

zich in haar pantser terug en blazen als de Ganzen uit de keel.

De Sjaboeti kan in Europa, indien haar 's winters een warme woning

wordt verschaft, verscheidene jaren in 't leven blijven. Haar aard

verschilt niet veel van dien der andere Landschildpadden. Daar zij

hooger op de pooten staat, beweegt zij zich iets sneller.

Opgravingen in de lagere gedeelten van het Himalaja-gebied, in

gronden, die tot de jongste afdeeling van het tertiaire tijdvak

behooren, hebben, nevens beenderen van voorwereldlijke Zoogdieren, de

overblijfselen van een reusachtig Reptiel aan 't licht gebracht. Dit

wezen (Colossochelys atlas) was aan de Landschildpadden verwant;

zijn pantser had een lengte van bijna 3 en een hoogte van bijna

2 M. Het is moeielijk, zich een juiste voorstelling te vormen

van zulke monsters, al vestigt men het oog op de hedendaagsche

Olifantschildpadden, die alle overige op het land levende soorten

der orde in grootte overtreffen. Ook deze zijn thans het uitsterven

nabij. Günther, die er een groot aantal exemplaren van onderzocht

en tot de slotsom kwam, dat hierbij verscheidene soorten moesten

worden onderscheiden, verhaalt haar geschiedenis ongeveer met de

volgende woorden: Bijna alle reizigers uit de 16e en 17e eeuw, die

van hunne ontmoetingen en ontdekkingen in den Indischen Oceaan en

in de Stille Zuidzee verslag gaven, maken melding van de tallooze

Reuzenschildpadden, die zij aantroffen op twee groepen van eilanden

tusschen den evenaar en den steenbokskeerkring. Eén daarvan omvat

de Galapagos-eilanden, de andere de Aldabra-eilandjes (ten noorden

van de Comoren), Réunion, Mauritius en Rodriguez. Beide hebben dit

gemeen, dat zij ten tijde van haar ontdekking zoomin door menschen

als door groote Zoogdieren bewoond werden. Voor de zeelieden van

weleer waren de Reuzenschildpadden van groot belang. Een reis,

die thans in weinige weken volbracht wordt, duurde toen maanden;

elk schip had een zeer talrijke bemanning, maar was slechts zeer

gebrekkig met leeftocht voorzien: de Reuzenschildpadden, waarvan men

binnen weinige dagen met geringe moeite zoovele exemplaren kon vangen,

als men verkoos, kwamen dus steeds goed te pas. Zij konden zonder

voedsel geruimen tijd in de een of andere bergplaats van 't schip in

't leven blijven en duurden dus, totdat men ze noodig had. Elk van

deze dieren leverde 40 à 100 KG. uitmuntend vleesch. Soms nam een

enkel schip op Mauritius of de Galapagos-eilanden 400 Schildpadden aan

boord. De Olifantschildpadden waren in 1691, toen Leguat het eiland

Rodriguez bezocht, hier zoo talrijk, dat men soms 2000 of 3000 van deze

reuzen bijeenzag, over welker ruggen men 100 schreden ver kon loopen,

zonder op den grond af te dalen. Verklaarbaar wordt het ontzaglijk

groot aantal dezer weerlooze dieren, wanneer men bedenkt, dat hun

gebied eertijds door geen enkele vijand bewoond of bezocht werd en de

meeste dus den merkwaardig hoogen ouderdom konden bereiken, waarvan

hun orde voorbeelden oplevert. De groote verandering, die in dezen

toestand gekomen is, heeft ten gevolge gehad, dat thans op Rodriguez,

Mauritius en Réunion geen Reuzenschildpadden meer gevonden worden. Op

de Aldabra-eilandjes heeft een klein, voortdurend verminderend troepje,

aanhoudend bestookt door den op buit belusten mensch, tot dusver den

strijd om het bestaan volgehouden.

Dezelfde lotwisseling als op de Mascarenen heeft deze diersoort

ondervonden op de Galapagos-eilanden, waar zij aanvankelijk zeer

sterk vertegenwoordigd was, zooals blijkt uit den naam, dien de

Spanjaarden gegeven hebben aan den door hen ontdekten, uit 13 tamelijk

groote en vele kleine eilanden bestaanden archipel. ("Galapagos"

beteekent "Schildpadden".) Hij bleef na de ontdekking in de 15e eeuw

lang onbewoond; nu en dan kwamen schepen hier hun voorraad water en

leeftocht vernieuwen. Hoewel de zeelieden bij dergelijke gelegenheden

een groot aantal Schildpadden buit maakten, vond Darwin in 1835

deze dieren nog op bijna alle door hem bezochte eilanden. Deze,

in 1832 geannexeerd en gekoloniseerd door de republiek Ecuador, van

welks kust zij ± 1000 KM. verwijderd zijn, hadden toen een bevolking

van eenige honderden personen. Later werd hier een strafkolonie

gevestigd, die ook niet lang bestaan heeft; thans wordt alleen het

Chatham-eiland nog bewoond. Om in hun onderhoud te voorzien, hebben

de bewoners tegen de Schildpadden een waren verdelgingskrijg gevoerd,

krachtdadig geholpen door de Zwijnen, die met hen op de eilanden

waren gekomen en er voor een deel verwilderden. Dit had ten gevolge,

dat reeds 11 jaren na Darwin's bezoek op sommige van de eilanden wel

talrijke troepen verwilderde huisdieren, Honden en Zwijnen, doch geen

Schildpadden meer gevonden werden. Deze komen thans slechts op een

enkel eiland in zeer verminderd aantal voor.

De onderstaande aanhalingen uit Darwin's reisverhaal, hebben betrekking

op de soort, die Günther meer bepaaldelijk Olifantschildpad (Testudo

elephantina) heeft genoemd. Zij kan 1.5 M. lang en bijna 1 M. hoog

worden; opmerkelijk zijn bij haar de lengte van den hals, de hoogte van

de pooten en de zwarte kleur van het pantser. Te midden van de zwarte

lava, de bladerlooze struiken en de groote cactussen herinneren deze

kolossale Reptiliën levendig aan dieren uit de voorwereld. Wanneer

zij zich ophouden in hoog gelegen streken van het midden der groote

eilanden, de eenige plaatsen waar bronnen voorkomen, maken boombladen,

een soort van zure en wrange bessen en bleekgroene korstmossen, die

festoensgewijs van de takken afhangen, haar voedsel uit. Zij bewonen

echter ook de lage, droge streken, waar, evenals op de waterlooze

eilanden, haar voedsel hoofdzakelijk uit sappige cactussen bestaat

en zij om het water te bereiken een grooten weg moeten afleggen. Door

het telkens heen en weer reizen zijn de breede en diep uitgeschuurde

paden ontstaan, die zich in alle richtingen van de bronnen naar de

zeekust uitstrekken. "De Schildpadden reizen dag en nacht door en

bereiken, naar gebleken was, door eenige exemplaren met een merkteeken

te voorzien, het doel van haar tocht veel eerder dan men verwachten

zou. Volgens de kolonisten konden de dieren een afstand van ongeveer

13 KM. in 2 of 3 dagen afleggen. Een groote Schildpad, die ik naging,

doorliep een weg van bijna 55 M. in 10 minuten, gelijkstaande met

bijna 6 1/2 KM. per 24 uur, indien het oponthoud, veroorzaakt door het

onderweg eten, op 4 uur geschat wordt. Bij 't gaan is het borstschild

ongeveer 30 cM. van den grond verwijderd. Iemand, die achter hen aan

loopt, schijnen zij niet te hooren. Als ik een van deze kolossen, die

bedaard zijn weg vervolgde, achterhaalde, was het grappig te zien,

hoe hij op 't oogenblik, dat ik hem voorbijstevende, den kop en de

pooten introk, een dof gesis liet hooren en met een luiden plof op

den grond viel, alsof hij dood was. Als ik dan op den rug van het

dier ging zitten, liet het zich door eenige slagen op het achterste

deel van het pantser overreden om op te staan en door te loopen; het

was echter moeielijk op dit rijdier het evenwicht te behouden. Bij de

bronnen zag ik vele Schildpadden. Sommige gingen met uitgestrekten

hals naar den waterkant; andere, die haar dorst gelescht hadden,

verwijderden zich langzaam van de drinkplaats. Zonder zich om den

toeschouwer te bekommeren, staken de pas aangekomen dieren den kop tot

over de oogen in 't water, slikten den eenen mondvol na den anderen

in en deden dit ongeveer tien maal in de minuut. Na een verblijf van

3 of 4 dagen in de buurt van de bronnen keeren de dieren weer naar de

lage streken terug. Zij leven echter ook op eilanden, waar de regen

slechts tijdelijk plassen doet ontstaan."

Evenals hare verwanten, zijn de Reuzenschildpadden traag, onverschillig

en ongevoelig; zij kunnen lang vasten: bij het slachten van dieren,

die 18 maanden achtereen zonder voedsel in het ruim van een schip

hadden gelegen, kon men geen vermagering bemerken. Het was daarom niet

moeielijk ze levend naar Europa over te brengen; vroeger geschiedde dit

dikwijls en kwamen zij niet zelden in dierentuinen en beestenspellen

voor. Gedurende den winter moest het hok goed verwarmd zijn, des zomers

liet men deze dieren op een grasperk naar verkiezing grazen; de dikke

bossen gras, die zij afbeten of afplukten, werden door de beweging van

de onderkaak tot ballen vervormd en, soms met zichtbare inspanning,

doorgeslikt. Het bleek niet duidelijk, dat zij haar verzorger van

andere personen onderscheiden; zij geraakten echter aan den omgang

met menschen gewoon, verloren haar schrikachtigheid en de gewoonte

om te sissen en lieten zich als rijdier gebruiken; soms was het niet

eens noodig haar door stokslagen aan 't loopen te brengen; zij kwamen

trouwens uiterst langzaam vooruit.

Het wijfje legt witte, ronde eieren van meer dan 5 cM. lengte in een

gat, dat zij zelf in zandgrond graaft en later weer met zand vult, of

in een rotsspleet. De jongen worden in grooten getale door Roofvogels

verslonden, de oude dieren hebben, behalve den mensch, geen voor

hen gevaarlijke vijanden. Overal waar Reuzenschildpadden voorkomen,

worden zij om haar vet en vleesch gevangen en gedood. Het vleesch

wordt versch gegeten of ingepekeld, uit het vet wordt een fraaie,

heldere olie bereid. Om te beoordeelen, of het dier vet genoeg is,

ging men op de Galapagos-eilanden op een zeer wreede wijze te werk:

naast den staart werd een gat in de huid gesneden, waardoor men het

bindweefsel onder het rugschild kon bereiken; indien dit niet aan de

verwachting beantwoordde, liet men het dier weer vrij; de wonde genas,

oogenschijnlijk zonder dat het dier er veel pijn van had. Enkele

exemplaren leverden niet minder dan 100 KG. vleesch op; er waren 6

à 8 man noodig om zulk een dier op te tillen. Volgens de Gebroeders

Rodatz kwamen in de eerste helft van deze eeuw op de Aldabra-eilanden

ieder jaar menschen om Schildpadden te vangen en deze vervolgens naar

Madagaskar of naar het vasteland van Afrika te brengen. Tot aan den

verzendingstijd werden zij in perken, door steenen muren omgeven,

bewaard en met gras en bladen gevoederd. In een van deze perken zagen

onze zegslieden 200, in een ander 300 Schildpadden. Een Hamburger

koopman verhaalde aan Kersten, dat nog in 1847 door 100 menschen,

de bemanning van twee schepen, op Aldabra binnen korten tijd 1200

Schildpadden werden buit gemaakt en dat sommige van deze een gewicht

van 400 KG. hadden.

Als vertegenwoordiger van de beide in Europa voorkomende soorten van

dit geslacht wordt gewoonlijk de Grieksche Schildpad (Testudo graeca)

gekozen. Haar pantser is over 't geheel genomen eivormig; het bolle,

middelmatig hooge rugschild is van achteren een weinig verbreed en

steiler afhellend dan van voren; het borstschild is bij 't wijfje plat,

bij 't mannetje een weinig binnenwaarts gedrukt, van voren afgeknot,

van achteren diep ingesneden. Iedere plaat van het rugschild is in

het midden zwart en verder met een gelen en zwarten zoom voorzien;

over het buikschild loopt een breede, onregelmatige, overlangsche

streep van geelachtige kleur; aan de zijden is het eveneens geel,

overigens zwart; de pooten, de hals en de kop zijn vuil groengeel. De

lengte van het pantser bedraagt 14, hoogstens 16 cM., het gewicht

zelden meer dan 0.5 KG.

Deze soort, die ook in Syrië zeer veelvuldig voorkomt, bewoont in ons

werelddeel Griekenland, de Grieksche eilanden, Dalmatië en Turkije,

de lage landen langs den Donau, Beneden-Italië, met inbegrip van de

eilanden Corsica, Sardinië en Sicilië, en ook de Balearen. Zij behoort

in dorre, dicht begroeide gewesten thuis en is in sommige streken zeer

talrijk. Het is voor haar een groot genot zich uren lang aan de stralen

van de middagzon bloot te stellen: Duméril vond deze dieren in Sicilië,

waar zij overal talrijk zijn, aan beide zijden van de wegen liggen, zoo

sterk verhit door den zonneschijn, dat hij gevaar liep zich te branden,

als hij de hand op haar pantser legde. Tegen den aanvang van den winter

kruipen zij diep onder den grond en brengen hier het koele jaargetijde

slapend door; in 't begin van April komen zij weer te voorschijn.

De Grieksche Schildpad voedt zich met verschillende kruiden en

vruchten; bovendien eet zij Slakken, Wormen en Insecten en wordt

daarom in haar vaderland dikwijls in tuinen gehouden om hier jacht te

maken op allerlei ongedierte; het gevolg hiervan is echter dikwijls,

dat zij de fraaiste en sappigste planten afbijt of platdrukt. Zij is

volstrekt niet keurig op haar voedsel. De gevangene dieren worden met

vruchten, salade, wittebrood (in melk of water geweekt), Meelwormen,

Aardwormen en rauw vleesch gevoederd; zij kunnen op deze wijze

gedurende verscheidene menschenleeftijden in 't leven gehouden worden,

wanneer men ze slechts tegen de werking van de koude beschut. Reeds

in Mei of Juni legt het wijfje 8 à 15 bolvormige, witte eieren met

harden schaal, die de grootte van een kleinen noot hebben. Op het

zonnigste plekje, dat zij vinden kan, graaft zij met de achterpooten

een kuiltje in den grond, legt er de eieren in en bedekt ze zorgvuldig

met aarde; de verdere zorg voor hare nakomelingschap laat zij aan den

grooten bron van warmte en licht over. Op een der eerste regendagen

van September komen de jonge Schildpadjes voor den dag; zij hebben

dan ongeveer de grootte van een halven notendop en zijn de aardigste

diertjes, die men zich voorstellen kan.

Hoe ongevoelig deze dieren ook zijn, toch kunnen zij een temperatuur

beneden het vriespunt niet verdragen; hieraan blootgesteld, bezwijken

zij spoedig. Geen nadeel lijden zij daarentegen door bijna een jaar

lang te vasten; de allervreeselijkste verminkingen verdragen zij met

een ons onbegrijpelijke onverschilligheid. Nadat haar de hersenen,

die ongeveer de grootte van een boon hebben, ontnomen zijn, loopen

zij nog wel 6 maanden rond; de afgesneden kop bijt nog na verloop

van een half uur; het hart klopt nog 14 dagen na de onthoofding.

Het vleesch van deze Schildpad, die men op Sicilië en in andere

gewesten van Italië geregeld ter markt brengt, wordt overal gegeten;

de daarvan bereide soep valt zeer in den smaak.

Door de tot vinnen vervormde pooten, waarvan de voorste aanmerkelijk

langer zijn dan de achterste, verschillen de Zeeschildpadden

(Chelonidae) van de overige leden harer orde. Het met hoornplaten

bekleede pantser onderscheidt hen van de Lederschildpadden, die

eveneens uitsluitend in zee aangetroffen worden en vroeger met

haar onder den naam van "Zeeschildpadden" werden samengevat. Alle

ledematen der Cheloniden zijn lange, platte vinnen geworden, die aan

de vinpooten der Robben herinneren. Eigenaardig is ook het maaksel van

het hartvormige, flauw gewelfde rugschild; dit is meestal onvolledig

verbeend: in het skelet bereiken wel de ribben, doch niet de daarbij

behoorende huidbeenderen den "rand," zoodat tusschen dezen en de

"schijf" groote fontenellen voorkomen, die natuurlijk bij het volledige

dier, evenals de groote fontenel in het midden van het borstschild,

door de onverbeende huid gevuld zijn. Eerst op lateren leeftijd komt

tusschen borstschild en rugschild een verbinding door een naad tot

stand. De hals en de kop kunnen slechts ten deele, de ledematen in

het geheel niet onder het rugschild teruggetrokken worden. Andere

kenmerken zijn: de kortheid en de dikte van den vierzijdigen kop;

de gladde, scherpe, soms aan den rand getande hoornscheeden, die de

kaken bekleeden, zijn aan de spits haakvormig gekromd; bij gesloten

bek is de ondersnavel geheel door den bovensnavel omgeven.

De vier soorten van Schildpadden, die tot deze familie behooren,

leven in de zee, soms op een afstand van honderden zeemijlen van de

kust, zwemmen en duiken voortreffelijk en bezoeken het land alleen

om er hare talrijke, weekschalige eieren te leggen.

De Soepschildpad (Chelone mydas), die 450 KG. zwaar kan worden en dan

een pantser van 1.1 M. heeft, kenmerkt zich, doordat de hoornscheede

van de bovenkaak van voren niet haakvormig gekromd, maar afgeknot

is, door de naast, niet over elkander liggende hoornplaten van het

rugschild en door het bezit van een enkel paar schilden tusschen de

neusgaten en het voorhoofdsschild. De niet zeer standvastige kleur

van de bovenzijde is in den regel dof bruinachtig groen, geelachtig

gevlekt of gemarmerd; de onderzijde is geelwit of vuilwit.

Deze soort, die alle zeeën van den tropischen en subtropischen

aardgordel bewoont, schijnt hier overal veelvuldig te zijn. In de

Middellandsche zee, waar zij door een andere soort (Chelone cephala)

vervangen wordt, komt zij slechts als dwaalgast voor. Deze Schildpadden

zijn, evenals hare verwanten, volslagen zeedieren. Zij houden zich

bij voorkeur in de nabijheid van de kust op, maar worden toch ook

dikwijls op zeer grooten afstand van het land, dikwijls midden in den

Oceaan, gevonden. Hier ziet men ze dicht bij de oppervlakte zwemmen,

soms ook wel oogenschijnlijk slapend, op den zeespiegel liggen;

bij de geringste storing verdwijnen zij echter oogenblikkelijk in

de diepte. Haar ronddartelen herinnert levendig aan het vliegen van

groote roofvogels, b.v. Arenden; de onverstoorbare volharding en de

bevalligheid van hare bewegingen zijn bewonderenswaardig. Deze dieren

paren kracht aan snelheid, kunnen op allerlei diepten even goed zwemmen

als duiken en nemen in het water alle denkbare houdingen aan. Daar

waar zij veelvuldig voorkomen, ziet men ze soms bij groote troepen;

over 't algemeen schijnen zij zeer gezellig te zijn.

In tegenstelling met de verwante Bissa, die een volslagen roofdier

is, eet de Soepschildpad zeeplanten, vooral wieren; daar waar zij

veelvuldig is, bedekken tal van plantendeelen, die door haar afgebeten

zijn, het water. Op bepaalde tijden verlaten de wijfjes den oceaan en

begeven zich naar vaste, haar sinds lang bekende plaatsen om er eieren

te leggen. Zij kiezen hiervoor zandige stranden van onbewoonde eilanden

of van kusten, die ver van het gewoel der menschen verwijderd zijn,

en bezoeken dezelfde legplaats ieder jaar, misschien wel gedurende

haar geheele leven, al moeten zij een weg van honderden zeemijlen

afleggen om deze plek, vermoedelijk haar geboortegrond, te bereiken.

De Soepschildpadden, die overigens tamelijk veilig zijn tegen vijanden,

verkeeren gedurende den tijd van 't eierleggen in een zeer gevaarlijke

positie. Groote roofdieren en menschen maken ijverig jacht op de dan

weerlooze dieren. De onbewoonde, woeste kusten van Brazilië, waar de

Schildpadden gewoon zijn aan land te komen, worden slechts zelden door

reizigers bezocht; in den legtijd komen hier echter alle Indianen uit

den omtrek bijeen. "Vele van de Schildpadden, die aan land komen om

eieren te leggen," zegt de Prins Von Wied, "vinden hier den dood,

daar haar langzaamheid en onbeholpenheid op den vasten grond niet

minder groot is dan haar vlugheid in 't water. De Indianen vangen

deze dieren, om door het uitkoken van hun vleesch olie te verkrijgen,

en verzamelen in groote korven de talrijke eieren, die reeds in het

zand gelegd, of nog in het lichaam van hunne slachtoffers aanwezig

zijn. Vele gezinnen bouwen hutten van palmbladen op het strand en

blijven hier verscheidene dagen of weken wonen, om iederen dag eieren

te kunnen zoeken."

Voorzichtig naderen de jagers van de landzijde de onbewoonde

kuststreken, waar de Zeeschildpadden eieren leggen; in kleine booten

begeven zij zich naar het strand van de hun als legplaatsen bekende,

onbewoonde eilanden; zij houden zich schuil, tot de schroomvallige

dieren aan land gekropen en ver genoeg van 't water verwijderd

zijn. Zoodra de Schildpadden onraad bespeuren, spoeden zij zich

onmiddellijk naar de zee om den vijand te ontkomen; op plaatsen,

waar het strand een voldoende helling heeft, slagen zij er dikwijls

in, zich snel om te draaien en zich over het zand naar beneden te

laten glijden. Wanneer de jagers echter op het juiste oogenblik hun

schuilplaats verlaten, verhinderen zij de vlucht van hun buit door

dezen om te wentelen, zoodat het rugschild op den grond rust. De

Zeeschildpad, die in dit geval verkeert, slaagt er nooit in haar

vrijheid te herkrijgen, hoewel zij woedend met de vinnen om zich

heen en op haar pantser slaat en zich zoo krachtig inspant, dat hare

met bloed doorloopen oogen ver uit hunne kassen puilen. In dezen

hulpeloozen toestand blijven zij liggen en komen ellendig om 't leven,

indien de jagers wreed genoeg zijn om meer Schildpadden om te wentelen

dan zij medenemen kunnen, zooals soms gebeurt. Voor het omwentelen van

zeer groote en zware dieren zijn hefboomen noodig. Vele exemplaren

worden in netten gevangen, andere met den harpoen buitgemaakt. De

jacht geschiedt altijd 's nachts; den volgenden morgen zoekt men

de gevangen dieren op en werpt ze in hiervoor bestemde bakken,

of brengt ze dadelijk op de schepen, waarmede zij vervoerd zullen

worden. In de bakken, die natuurlijk met zeewater gevuld moeten zijn,

zwemmen de gevangen dieren langzaam rond, dikwijls drie of vier

boven elkander. Zij nemen zelden voedsel aan, vermageren daarom snel

en verminderen in waarde. Die, welke men op de Europeesche markten

ziet, komen meestal uit West-Indië, vooral van Jamaica. Gedurende

de reis liggen zij, met touwen vastgebonden, op een geschikte plaats

van het dek op den rug; het stuk zeildoek, waarmede zij bedekt zijn,

wordt zoo dikwijls met zeewater overgoten, dat het voortdurend nat of

althans vochtig blijft; men steekt elk van deze arme stakkers een met

zeewater doortrokken stuk wittebrood in den bek en vertrouwt voor 't

overige op de buitengewone taaiheid van hun leven. In de Europeesche

havensteden bewaart men ze in groote kuipen met zeewater, dat om de

twee of drie dagen ververscht wordt. Het slachten geschiedt door het

dier den kop af te houwen en het 1 of 2 dagen lang zoo op te hangen,

dat al het bloed er uit druppelen kan. Eerst dan acht men het vleesch

geschikt voor de bereiding van de bekende, smakelijke soep.

In sommige tijden schijnt het vleesch van deze Schildpad schadelijke en

zelfs vergiftige eigenschappen te hebben. Te Pantoeroe ten zuiden van

Colombo werden in October 1840 28 personen, die schildpaddenvleesch

gegeten hadden, kort na den maaltijd zwaar ziek; 18 van hen stierven

in den volgenden nacht.

De Echte Karetschildpad of Bissa (Chelone imbricata), die met

de vorige soort door lichaamsbouw, gestalte en bewegingen veel

overeenkomst vertoont, bewoont nagenoeg dezelfde zeeën. Zij is

echter aanmerkelijk kleiner; haar bovenkaak is van voren sterk

haakvormig omgebogen; tusschen de neusgaten en het voorhoofdsschild

komen twee opeenvolgende paren schilden voor; de hoornplaten van het

rugschild zijn min of meer dakpansgewijs gerangschikt en liggen dus

gedeeltelijk over elkander heen. Van kastanjebruin tot zwartbruin

wisselt de grondkleur van deze met gele vlammen gekleurde platen af;

die van het borstschild zijn effen geel, de schilden van den kop en

van de ledematen zijn donkerbruin met gele randen. De lengte van het

pantser zal waarschijnlijk nooit meer dan 84 cM. bedragen.

De Bissa is een roofdier in de volste beteekenis van 't woord;

zij gebruikt geen ander dan dierlijk voedsel: behalve Weekdieren,

waarschijnlijk ook Visschen; door hare vlugge bewegingen is zij

misschien in staat om betrekkelijk groote en behendige waterbewoners

buit te maken. Ook zij wordt door den mensch fel vervolgd, echter

niet om haar vleesch--dat, naar men zegt, ziekteverschijnselen

veroorzaakt--en ook niet om hare eieren,--hoewel ook zij het meest

gevangen wordt, nadat zij zich aan land begeven heeft om voor haar

nakomelingschap te zorgen, waarvoor zij steeds dezelfde oorden

opzoekt. Het "schildpad", waarvan een volwassen Bissa 2 à 6 KG. kan

opleveren, geeft aanleiding tot de vangst van dit dier. Om dit product

te verkrijgen worden afschuwelijke wreedheden gepleegd. De hoornplaten

geraken alleen na een sterke verhitting van het rugpantser los;

het ongelukkige dier wordt daarom boven een vuur opgehangen en zoo

lang geroosterd, totdat het gewenschte doel bereikt is. De Chineezen,

inziende, dat het schildpad door droge warmte gemakkelijk bedorven kan

worden, maken tegenwoordig gebruik van kokend water om de hoornlaag

van het been af te scheiden. Nadat de bewerking afgeloopen is, wordt

de Bissa weer in vrijheid gesteld; men laat haar weer naar de zee

loopen, in de meening dat het schildpad weer aangroeit.

Het schildpad overtreft niet alleen door fraaiheid en kwaliteit

iedere andere soort van hoorn, maar kan ook gemakkelijker verwerkt

worden. Om dikke platen te verkrijgen, is het voldoende de ongelijk

dikke en brooze platen, die men van het dier verkrijgt, in kokend

heet water te verweeken en daarna tusschen metalen pletrollen samen te

persen. Bij een voldoende drukking kleven zij zoo vast aaneen, dat men

de samenstellende deelen niet meer onderscheiden kan; deze grondstof

behoudt den vorm, dien haar door drukking in verweekten toestand werd

gegeven, nadat men haar langzaam weer hard heeft laten worden; zij is

dus uitmuntend geschikt voor het vervaardigen van dozen en kammen. Het

afval wordt gebruikt tot aanvulling van de oneffenheden tusschen de

platen, die bij een behoorlijken warmtegraad zoolang geperst worden,

totdat alle deelen innig aaneenverbonden zijn.

De tweede groep van de Echte Schildpadden omvat de Halswenders of

Rivierschildpadden (Pleurodira); deze trekken den meestal langen

hals met den kop in tijden van gevaar niet terug, maar buigen hem

zijwaarts en achterwaarts om hem tusschen het rugschild en borstschild

te verbergen, zoodat de spits van den snuit op het schouderblad

komt te liggen. Een tweede eigenaardigheid van deze dieren is, dat

de bekkenbeenderen zoowel met het rugschild als met het borstschild

vergroeid zijn. De kop en de hals zijn gewoonlijk plat, de oogen bijna

boven op, in plaats van aan de zijden van den kop geplaatst, de kaken

nooit getand, de teenen door sterk ontwikkelde zwemvliezen vereenigd.

De eieren van verscheidene Zuid-Amerikaansche leden dezer groep

zijn voor vele volksstammen zeer nuttig; over 't algemeen is de

beteekenis dezer in moerassen en rivieren levende Schildpadden voor de

menschelijke huishouding niet gering. Wat haar levenswijze betreft,

kunnen wij volstaan met te verwijzen naar de onderstaande, aan een

der grootste natuuronderzoekers van alle tijden ontleende beschrijving

van één dezer dieren.

De bedoelde soort--de Arraoe (Podocnemis expansa) van het geslacht

der Beenplaatschildpadden (Podocnemis) en van de familie der

Pelomedusen (Pelomedusidae)--is een groot dier, welks pantser 77

cM. lang kan worden (het wijfje is ongeveer tweemaal zoo groot als

het mannetje). Zij bewoont het geheele tropische Zuid-Amerika ten

oosten van den Andes, waar ook de 4 overige leden van haar geslacht

voorkomen. Evenals deze, heeft zij de hals en de pooten bijna naakt

(het geslacht ontleent den naam aan een reeks van schubben op den

voorarm en aan de buitenzijde der achterpooten); groote en dikke

schilden bedekken den kop, waaraan een diepe en breede groeve tusschen

de oogen de aandacht trekt; van de kin hangen twee baarddraden naar

beneden; de rand van het matig gewelfde rugschild steekt in horizontale

richting uit.

"De Arraoe," schrijft Alexander von Humboldt, "is een groote

Zoetwaterschildpad met zwemvoeten, een zeer platten kop, twee vleezige,

zeer spitse aanhangsels onder de kin, 5 teenen aan de voorpooten en

4 aan de achterpooten, die van onderen gegroefd zijn. Het rugpantser

heeft 5 middel-, 8 zijde- en 24 randschilden, is van boven zwartgrijs,

van onderen oranjegeel; de lange pooten hebben dezelfde kleur als

het rugschild. Tusschen de oogen is een zeer diepe groeve. De nagels

zijn zeer dik en gebogen. De aarsopening bevindt zich aan het laatste

vijfde gedeelte van den staart. Het volwassen dier weegt 20 à 25 KG. De

eieren, welke in grootte die van een Duif overtreffen, hebben een

aangenamen smaak en zijn bij de bewoners van Guyana zeer gezocht; hun

kalkschaal is, naar men zegt, zoo stevig, dat de kinderen der Otomaten,

die veel van kaatsen houden, ze elkander kunnen toewerpen. (De Terekay

is kleiner dan de Arraoe; haar pantser bestaat uit evenveel platen,

doch deze zijn eenigszins anders verdeeld.) Deze schuwe, vreesachtige

dieren, houden bij 't zwemmen den kop boven water, maar verbergen hem

bij 't geringste gedruisch; zij mijden de door menschen bewoonde oevers

of de door booten verontruste gedeelten van den stroom. De oevers,

waar bijna alle Schildpadden van den Orinoco ieder jaar schijnen

bijeen te komen om eieren te leggen, liggen tusschen de uitmonding

van de Apoere in den Orinoco en de Raudales of groote watervallen;

hier komen de drie terreinen voor, die wegens hun eierenopbrengst het

meest beroemd zijn. De Arraoe gaat niet hooger op dan de watervallen;

de Terekay komt zoowel in den Boven-Orinoco als beneden de watervallen

voor, bovendien in de Apoere, de Oeritoeko en de kleine rivieren,

die door de Llanos van Caracas vloeien.

"Tegen 11 uur in den voormiddag kwamen wij met onze boot aan een

eiland midden in den stroom en stapten aan wal. Dit eiland, dat door de

Indianen van de zendingpost Oeroeana als hun eigendom wordt beschouwd,

is beroemd wegens haar Schildpaddenvangst of, zooals men hier zegt,

wegens den "eierenoogst", die hier jaarlijks gehouden wordt. Wij vonden

er meer dan 300 Indianen in hutten van palmbladen gelegerd. Behalve de

Goeanos en Otomakos uit Oeroeana, die beide voor wilde, onbedwingbare

stammen worden gehouden, waren hier ook Karaiben en andere Indianen

van den Beneden-Orinoco verzameld. Iedere stam had een afzonderlijke

legerplaats en was te onderscheiden aan de kleur, waarmede de huid

zijner vertegenwoordigers beschilderd was. Te midden van de tierende

menigte zagen wij eenige blanken, vooral kooplieden uit Angostura,

die de rivier opgevaren waren met het doel, om van de inboorlingen

schildpaddenolie te koopen. Ook ontmoeten wij hier de zendeling van

Oeroeana, die ons verhaalde, dat hij met de Indianen, die eieren

gingen zoeken, medegekomen was, om iederen morgen in de open lucht

de mis te lezen en om zich olie voor de altaarlamp te verschaffen,

vooral echter om den vrede te bewaren in dezen "vrijstaat van Indianen

en Kastilianen," waar ieder voor zich alleen wil hebben, wat God aan

allen schenkt.

"Vergezeld door dezen zendeling en door een koopman, die zich er

op beroemde, dat hij reeds tien jaren geregeld bij den eierenoogst

tegenwoordig was, gingen wij het eiland rond, dat op soortgelijke

wijze bezocht wordt, als bij ons de jaarmarkten. Wij kwamen op een

effene zandvlakte. Zoover het gezicht reikt, zeide men ons, liggen

de schildpaddeneieren onder de bovenste aardlaag van den oever. De

zendeling droeg een langen stok in de hand en toonde ons, hoe men

hiermede de uitgestrektheid van de eieren-bevattende laag bepaalt,

zooals de mijnbouwkundige de grenzen van een laag mergel, ijzeroer

of bruinkool onderzoekt. Als de stok loodrecht in den grond wordt

gestoken, wijst het plotseling ophouden van den weerstand aan, dat

men doorgedrongen is tot in de holte of tot in de losse aardlaag,

waarin de eieren geborgen zijn. Het bleek ons, dat deze laag over 't

algemeen zoo gelijkmatig verdeeld is, dat de stok over een plek van

20 M. middellijn rondom een gegeven punt haar overal bereikte. Men

spreekt daarom hier van vierkante roeden eieren, alsof men het heeft

over een terrein, waaronder een ertslaag ligt en dat in vakken is

verdeeld om het geregeld te exploiteeren. De eierenlaag strekt zich

echter op verre na niet over het geheele eiland uit, maar houdt op

overal waar de grond zich verheft, omdat de Schildpad naar deze kleine

hoogvlakten niet omhoogkruipen kan.

"De tijd, waarin Arraoe hare eieren legt, valt samen met dien

van den laagsten waterstand. Daar de Orinoco op den dag van de

lente-dag-en-nacht-evening begint te wassen, liggen de diepste

gedeelten van den oever van het begin van Januari tot den 29sten

Maart droog. De Arraoes vereenigen zich reeds in Januari tot groote

zwermen, verlaten het water en koesteren zich op den zandigen oever

in de zon. Gedurende de maand Februari vindt men de Arraoes bijna

den geheelen dag op den oever. In het begin van Maart vereenigen de

verspreide troepen zich en zwemmen naar de weinige eilanden, waar

zij gewoon zijn hare eieren te leggen: waarschijnlijk kiest iedere

Schildpad hiervoor ieder jaar denzelfden oever. Weinige dagen vóór

het leggen komen zij bij duizenden in lange reeksen op de oevers

van de eilanden Coecoeroeparoe, Oeroeano en Pararoema, strekken den

hals en houden den kop boven water, om te zien, of zij hier niet door

"Tijgers" of door menschen bedreigd worden. De Indianen, die er het

grootste belang bij hebben, dat de vereenigde zwermen bijeenblijven,

plaatsen wachten langs den oever om te verhinderen, dat de dieren

verstrooid worden en om te bevorderen, dat zij in vrede hunne eieren

kunnen leggen. Men beduidt de menschen op de vaartuigen, dat zij

't midden van den stroom moeten houden en de Schildpadden niet door

hun geschreeuw moeten verjagen.

"De Indianenkampen op drie bovengenoemde plaatsen worden in de laatste

dagen van Maart of in de eerste dagen van April geopend. De eierenoogst

heeft steeds op dezelfde wijze plaats. Als het kamp opgeslagen is,

benoemt de zendeling een plaatsvervanger, die de landstreek, waar

de eieren liggen, naar het aantal Indianenstammen, die aan den oogst

deelnemen, in afdeelingen splitst. Hij begint met op de reeds genoemde

wijze te onderzoeken, hoe ver de eierenbevattende laag zich in den

grond uitstrekt. Volgens onze metingen reikt zij tot 40 M. van den

oever en ligt op een gemiddelde diepte van 1 M. De hiervoor benoemde

persoon wijst aan, hoe ver iedere stam werken mag. Niet zonder

verwondering hoort men den eierenoogst schatten op gelijke wijze als

de opbrengst van een korenveld. Het komt voor, dat een terrein van

40 M. lengte en 10 M. breedte 100 kruiken (of voor 500 gulden) olie

oplevert. De Indianen graven den grond met de handen open, leggen de

ingezamelde eieren in kleine mandjes, "mappiri" genaamd, dragen ze

naar het kamp en storten ze uit in groote, met water gevulde, houten

troggen. Hier worden de eieren met schoppen vergruisd, omgeroerd

en aan de zon blootgesteld, totdat de bovendrijvende, olieachtige

bestanddeelen van den eidooier dik geworden zijn. De afgeschepte

olie wordt boven een flink vuur gekookt en blijft, naar men zegt,

des te beter van kwaliteit, naar mate zij sterker gekookt werd. Goed

toebereid, is zij reukeloos, helder en zeer licht geel van kleur. De

zendelingen achten haar gelijk aan de beste boomolie. Men gebruikt

haar niet uitsluitend als lampolie, maar ook (en wel bij voorkeur)

voor de spijsbereiding, daar zij aan de spijzen geen onaangenamen smaak

mededeelt. Het is echter moeielijk volkomen zuivere Schildpaddenolie te

verkrijgen; de meeste heeft een rotlucht, welke hierdoor veroorzaakt

wordt, dat in eenige van de eieren de jongen reeds tot ontwikkeling

waren gekomen.

"De geheele opbrengst van de oeverterreinen, waar ieder jaar eieren

ingezameld worden, kan men op 5000 kruiken begrooten. Daar 200

eieren een wijnflesch vol olie opleveren, zijn er 5000 noodig voor

een kruik. Als men aanneemt, dat iedere Schildpad 100 à 116 eieren

legt en dat een derde hiervan gedurende het leggen breekt, zoo komt

men tot het besluit, dat, om deze 5000 kruiken met olie te vullen,

330,000 Arraoe-schildpadden op de drie oogstplaatsen 33 millioen

eieren moeten leggen. Door deze berekening blijft men echter nog

ver beneden het werkelijke aantal Schildpadden in de rivier. De

hoeveelheid eieren, waarvan de jongen reeds uitgekomen zijn, voordat

de mensch aan 't inzamelen gaat, is zoo verbazend groot, dat ik bij

het kamp van Oeroeana den geheelen oever van den Orinoco bedekt zag

met een gewemel van jonge 2 1/2 cM. breede Schildpadjes, die met

moeite ontsnapten aan de hen najagende kinderen van Indianen. Voeg

hier nog bij, dat niet alle Arraoes op de drie genoemde eilanden

komen, dat vele tusschen den Orinoco-mond en de samenvloeiing met de

Apoere afzonderlijk en een paar weken later eieren leggen, zoo komt

men noodzakelijkerwijze tot de slotsom, dat het aantal Schildpadden,

die ieder jaar aan de oevers van den Beneden-Orinoco eieren leggen,

nagenoeg een millioen moet bedragen.

"De inzameling van de eieren en de bereiding van de olie duren 3

weken; slechts in dezen tijd staan de zendingsposten met de kust

en met naburige beschaafde landen in verkeer. De Franciskanen,

die ten zuiden van de watervallen gevestigd zijn, komen bij den

eierenoogst, niet zoozeer om zich olie te verschaffen, als wel om

blanke gezichten te zien. De oliehandelaars behalen een winst van

60 à 70 percent; daar de Indianen hun de kruik olie voor een harden

piaster verkoopen en de kosten van verzending slechts 2/5 piaster

per kruik bedragen. Alle Indianen, die aan den eierenoogst deelnemen,

nemen ook groote hoeveelheden in de zon gedroogde of zacht gekookte

eieren mede naar huis. Onze roeiers hadden ze in hunne korven of in

katoenen zakjes steeds bij zich. De smaak kwam ons niet onaangenaam

voor, zoolang zij nog onbedorven waren.

"Men wees ons groote, door Jagoears geledigde schildpaddenpantsers. De

"Tijgers" loeren op de Arraoes, wanneer deze aan den oever komen om

eieren te leggen, overvallen ze gedurende haar verblijf op het land en

wentelen ze op den rug om ze gemakkelijker te kunnen verslinden. De

in dezen toestand gebrachte Schildpadden kunnen niet weer overeind

komen; daar de "Tijger" er veel meer omwentelt, dan hij in één nacht

opeten kan, doen de Indianen dikwijls hun voordeel met zijn list en

boosaardige hebzucht.

"Wanneer men bedenkt, hoeveel moeite het den reizenden

natuuronderzoeker kost om het pantser van een Schildpad te ledigen,

indien hij het rugschild en het borstschild in hun verband wil laten,

kan men zich niet genoeg verwonderen over de behendigheid van den

"Tijger", die met zijne klauwen ditzelfde werk zoo flink verricht,

alsof de aanhechtingen van de spieren met het mes van een heelmeester

waren losgemaakt. De "Tijger" vervolgt de Schildpad zelfs in het water,

voor zoover dit niet zeer diep is, graaft ook hare eieren uit, kortom

is met den Krokodil, de Reigers en de Raafgieren de vreeselijkste

vijand van de pas uit het ei gekomen Schildpadden. Behalve de zooeven

genoemde wilde dieren doen ook de wilde Indianen veel afbreuk aan de

oliebereiding. Zoodra de eerste, minder belangrijke regenbuien (door

hen "schildpaddenregens" genoemd) voorkomen, trekken zij naar de oevers

van den Orinoco en dooden met vergiftigde pijlen de Schildpadden,

die met vooruitgestoken kop en uitgespreide pooten zich door de zon

laten koesteren."

Van Januari tot Juli bewonen de Arraoes de plassen en oevermeren van de

overstroomde wouden en eten bijna niets anders dan boomvruchten. Door

de felle vervolging, die zij te verduren hebben, is haar aantal reeds

merkbaar verminderd.

Een der vreemdsoortigste leden van de geheele orde is de Matamata

(Chelys fimbriata), de eenige vertegenwoordigster van het geslacht

der Franjeschildpadden (Chelys) en van de gelijknamige familie

(Chelydae). Het zeer weinig gewelfde rugschild vertoont drie

overlangsche reeksen van dikke, gekielde knobbels, die door diepe

groeven vaneengescheiden zijn. De kop is zeer plat en driezijdig;

de oogen zijn buitengewoon klein; de mondspleet strekt zich tot aan

de oorstreek uit; de neus is tot een middelmatig langen, dunnen snuit

verlengd, aan welks spits de neusgaten voorkomen: de hals is tamelijk

lang, maar zeer breed en plat, de staart kort, het zwemvlies tusschen

de vijf teenen van de voorvoeten en de vier teenen van de achtervoeten

sterk ontwikkeld. Boven elke gehooropening bevindt zich een dun,

tamelijk groot, naar boven gericht, driehoekig aanhangsel, dat aan

een oorschelp herinnert; de kin is met twee baarddraden voorzien, de

keel met een in franjes verdeeld aanhangsel; soortgelijke huidfranjes

zijn aan weerszijden van den hals op reeksen geplaatst. Zij bereikt

volgens Dumeril een totale lengte van 2.2 M., waarvan op het pantser

1.23 M. en op den hals 72 cM. komt. De bovenzijde is bijna effen

kastanjebruin, de onderzijde vuil groenachtig geel.

De Matamata is tot Guyana en Noord-Brazilië beperkt; men heeft haar in

den Amazonenstroom en de naburige stilstaande wateren, in de rivieren

Essequebo, Roepoenoeni en Takoetoe alsook in de meren en rivieren van

de savanna aangetroffen. Daar waar zij voorkomt, schijnt zij talrijk

te zijn. "Gewoonlijk," zegt Schomburgk, "had zij zich bij den oever

in 't zand gewoeld, zoodat het water ongeveer een vingerbreed hoog

boven haar rugschild stond, en scheen daar bewegingloos op een prooi

te loeren. Zij liet zich grijpen zonder beweging te maken; wegens den

onaangenamen reuk, dien zij verbreidde, deden wij dit echter slechts

zelden. Onze Karaïben vielen met een ware woede op haar vleesch

aan." Misschien dienen de vreemdsoortige aanhangsels aan den kop als

lokaas voor die Visschen, welke gemakkelijk te verschalken zijn.

De derde reeks van de Echte Schildpadden omvat

de Rivierlederschildpadden (Trionychoidea). Van alle overige

onderscheiden zij zich door het ontbreken der hoornplaten op haar

pantser; dit is slechts door een zachte huid bedekt. Het rugschild

is zwak gewelfd en onvolledig verbeend: het beenig schijfgedeelte

heeft een zachten, lederachtigen zoom, die hoogst zelden door eenige

randbeenderen gesteund wordt; in het midden van het borstschild komen

groote fontenellen voor. De kaken zijn met vleezige lippen voorzien,

doch hebben een hoornachtigen rand; de neusgaten zijn aan de spits

van een zachten, beweeglijken snuit geplaatst. De teenen hebben zeer

sterk ontwikkelde zwemvliezen; slechts de drie binnenste van elken

voet eindigen in scherpe klauwen. De kop en de hals kunnen onder het

pantser verborgen worden; bij sommige kan dit ook met de pooten en den

korten staart geschieden; ter beschutting van de teruggetrokken organen

zijn dan achter aan het borstschild links en rechts eigenaardige

kleppen aanwezig; ook het voorstuk is beweeglijk. Naar het schijnt,

kunnen de papillen van het slijmvlies, dat de keelholte bekleedt,

de rol van kieuwen vervullen; tusschen het bloed van de talrijke

haarvaten dezer organen en het hem omgevende water heeft dezelfde

uitwisseling van gassen plaats, als in de longen tot stand komt.

Bij de Drieklauwen (Trionyx) zijn in het geheel geen randbeenderen

aanwezig en kunnen de achterpooten en de staart niet onder het pantser

verborgen worden.

Hoewel de meeste soorten van dit geslacht het Oostersche rijk

bewonen en slechts enkele in Noord-China en Japan, in Afrika en in

Noord-Amerika gevonden worden, is nog steeds de Woeste Drieklauw

(Trionyx ferox), de grootste van de Noord-Amerikaansche soorten, ons

het nauwkeurigst bekend. Zij kan een gewicht van 35 KG. bereiken en is

dan 1.6 M. lang, waarvan 85 cM. op het pantser komen. Haar rugschild

is op donker leigrauwen grond met talrijke, groote oogvlekken en,

vooral aan den rand, met donkere stippels geteekend; de onderzijde

is vuilwit, de leikleurige kop van boven aan weerszijden donker

gevlekt, in de oogstreek met een tot aan den hals reikenden en hier

uitvloeiende, lichte, donker gezoomde slaapstreep versierd; de kin,

de voeten en de staart zijn zwart en wit gemarmerd; de iris is geel.

De Woeste Drieklauw wordt aangetroffen in de Savannah- en

Alabama-rivieren en in alle stroomen, die zich in de Golf van

Mexico uitstorten, dus in het zuidoosten van de Vereenigde Staten,

van Georgië tot West-Louisiana. In de meeste wateren van het door

haar bewoonde gebied is deze soort veelvuldig. Men ziet haar bij

stil weer in grooten getale aan de oppervlakte drijven, en in de

rivieren dikwijls talrijk op de rotsen verschijnen, om zich hier in

het ondiepe water door de zon te laten koesteren. Gewoonlijk ligt zij,

onder wortels en waterplanten verborgen, op buit te loeren. Zij maakt

jacht op Visschen, Amphibiën en Watervogels, zwemt langzaam op het

uitgekozen slachtoffer af, strekt dan bliksemsnel den betrekkelijk

langen hals en grijpt zonder fout haar prooi. Voor de boeren is zij

door het vangen van jonge Eenden en Ganzen lastig. Naar men zegt,

richt zij onder de jonge Alligators een groote slachting aan; door

de oude wordt zij echter opgegeten.

In Mei zoeken de wijfjes zandige plekken op aan den oever van het door

haar bewoonde water en beklimmen, hoewel zij zich overigens zelden

of nooit op 't droge begeven, in dezen tijd heuvels van meer dan 1

M. hoogte. Hare eieren zijn bolvormig en betrekkelijk broos van schaal.

Het Leven der Dieren. Derde Deel, Hoofdstuk 1 tot 4, De Kruipende Dieren · 第 8 / 10 题