DE KROKODILLEN (Emydosauria).
Er is een tijd geweest, waarin de Kruipende Dieren op aarde
heerschappij voerden; de ontzaglijk groote Reptiliën, die toen de zee
en later ook de moerassen en rivieren bewoonden, zijn uitgestorven
en verdwenen zonder andere sporen van hun bestaan na te laten dan de
versteende beenderen van eenige weinige exemplaren, die in den bodem
voor ons bewaard zijn gebleven. Deze fossielen, die eigenaardigheden
van Walvisch en Vogel, van Krokodil en Slang in zich vereenigen,
bieden, ondanks de scherpzinnige theoriën, waardoor men de waargenomen
feiten heeft trachten te verbinden en te verklaren, nog steeds een
ruim veld voor onderzoekingen aan. Van enkele dezer monsters heeft
men zulke volledige geraamten gevonden, dat hun verwantschap met de
thans nog levende dieren aangetoond kan worden; van andere zijn tot
dusver zeer weinige overblijfselen ontdekt, ternauwernood voldoende
om het vermoeden te wettigen, dat zij aan Reptielen hebben toebehoord.
De naaste, thans nog levende verwanten van de Hagedisachtige reuzen uit
den voortijd--van de Ichthyosauriërs, die aan Walvisschen herinnerden,
van de Plesiosauriërs met vinnen en een Slangenhals, van de met
een vlieghuid uitgeruste Pterodactylen--zijn de Krokodillen. Hoewel
ook zij door de hoofdlijnen van hun gestalte op Hagedissen gelijken,
wijken zij van deze in zeer belangrijke opzichten af. Zij overtreffen
haar en alle overige leden der klasse zoo niet in zwaarte dan toch
in grootte. Niet op dezen grond berust echter de scheiding der beide
groepen; veel belangrijker redenen hiervoor zijn te vinden in het
inwendig samenstel, onder anderen in de ontwikkeling der tanden en
den bouw der tong.
De romp van de Krokodillen is gestrekt en veel breeder dan hoog,
de kop plat en laag, het snuitgedeelte zeer verlengd, de mondspleet
hoekig gebogen, de hals buitengewoon kort, de staart langer dan het
overige lichaam en zijdelings sterk samengedrukt, waardoor hij een
krachtig zwemorgaan vormt; de korte pooten hebben sterk ontwikkelde
voeten, de voorvoeten vijf tot aan den oorsprong gescheiden teenen,
de achtervoeten vier teenen, die door geheele of halve zwemvliezen
verbonden zijn en waarvan de drie binnenste duidelijke klauwen
dragen. De kleine oogen, die door drie leden beschut worden, liggen
tamelijk diep in hunne kassen, zijn eenigszins naar boven gericht en
hebben een vertikaal geplaatste, langwerpige pupil. De gehooropeningen
kunnen door een klepvormige huidplooi, de neusgaten door samendrukking
hunner randen gesloten worden. Harde en dikke, min of meer vierhoekige
hoornschubben en schilden bedekken de bovendeelen en de onderdeelen
van romp en staart. Die van den rug onderscheiden zich door een er
boven uitstekende, overlangsche lijst of kiel, die van den staart
vormen twee zaagvormig getande randen, die verder achterwaarts tot een
enkelen kam ineenvloeien; de schubben van de zijden van 't lichaam zijn
meer afgerond. Op den rug verbeent de lederhuid onder de hoornschilden,
waardoor de huid de aard van een pantser verkrijgt.
De tanden zijn in holten van de kaakbeenderen bevestigd en hebben
een open wortel; in de holte, die de pulpa bevat, dringt de tand
door, die later voor de eerst aanwezige in de plaats zal treden. De
kegelvormige kroon is zeer weinig naar achteren gekromd en zoowel aan
de voor- als aan de achterzijde met een scherpen rand voorzien. Over
't algemeen zijn de tanden gelijk van vorm, doch ten deele verschillend
van lengte; de eerste en de vierde van de onderkaak en de derde van
de bovenkaak zijn in den regel de langste en dikste. De tanden van
de onderkaak komen bij gesloten bek eenvoudig tusschen die van de
bovenkaak te liggen; een uitzondering hierop maken evenwel bij de
Echte Krokodillen de 1e en de 2e, bij de Kaaimans ook de 4e tand
van elke onderkaakshelft, daar deze in kuiltjes van de bovenkaak
passen. De tong is kort en plat, over haar geheele lengte aan den
bodem van de mondholte bevestigd en verschilt hierdoor zeer van de
tong der Hagedissen.--De rechter en de linker hartkamer zijn door
een volledig schot van elkander gescheiden. Uit de linkerkamer komt
het zuurstofhoudend bloed in den rechter aortaboog, den eenigen,
die de slagaders van de vóór het hart gelegen lichaamsdeelen
met bloed voorziet. Uit de rechterkamer wordt het zuurstofvrije,
koolzuurhoudende bloed zoowel in de longslagader als in den linker
aortaboog gestuwd. De beide aortabogen staan met elkander in
gemeenschap, waardoor een vermenging van de beide bloedsoorten tot
stand komt, welk mengsel zich naar de slagaders van de achter het hart
gelegen lichaamsdeelen begeeft, terwijl de voorste gedeelten van het
lichaam zuiver (of nagenoeg zuiver) zuurstofhoudend bloed ontvangen.
Men kent tegenwoordig 24 bepaald verschillende soorten van
Krokodillen, die in drie natuurlijke groepen gesplitst worden, welke
op eigenaardigheden van het gebit gegrond zijn.
De Krokodillen zijn over alle werelddeelen, met uitzondering
van Europa, verbreid: het door hen bewoonde gebied beperkt zich
tot de tropische gewesten en de daaraan grenzende deelen van den
gematigden aardgordel. Ieder werelddeel, Australië uitgezonderd, bezit
eigenaardige soorten van Krokodillen: Azië en Amerika hebben ieder
twee, nergens anders voorkomende geslachten; Afrika wordt bewoond
door één karakteristiek geslacht; in Australië en een aantal daarbij
behoorende eilandengroepen leven wel Krokodillen, doch uitsluitend
zulke, die ook in Azië voorkomen. Alleen de Krokodillen in de engste
beteekenis van 't woord zijn over alle vier genoemde werelddeelen
verbreid.
Snavelkrokodillen of Gavialen (Gavialis) noemt men die soorten, welker
bovenkaak in 't geheel geen kuiltjes bevat tot berging van tandspitsen
der onderkaak en uitsluitend van voren uitsnijdingen vertoont: aan
weerszijden drie, waarin de drie voorste onderkaakstanden bij gesloten
bek gelegen zijn. Het aantal tanden wisselt af van 27 tot 29 in elke
bovenkaakshelft en van 25 tot 26 in elke onderkaakshelft. De snuit is
buitengewoon smal en lang en aan het voorste einde knopvormig verbreed.
De meest bekende soort van dit geslacht, de Gaviaal of Ganges-gaviaal
(Gavialis gangeticus), is in de oogen van vele Indiërs een heilig dier,
aan Visjnoe, den schepper en beheerscher van het water gewijd. De
bovenzijde is donker bruingroen en vertoont bij jonge exemplaren
een teekening, die uit talrijke, kleine, donkerbruine vlekken of
dwarsbanden bestaat; de kleur van de onderzijde gaat door groengeel
in wit over. Volwassen exemplaren bereiken een lengte van 5.75 M.;
in de Europeesche verzamelingen vindt men er echter geen, die meer
dan 5 M. lang zijn.
De Gaviaal komt voor in den Ganges en den Brahmapoetra en hunne
bijrivieren, voorts in den Indus en volgens de nieuwste berichten
ook in den Mahanadi in Orissa en den Kaladyne in Arakan.
Uit den eigenaardigen vorm van den snuit kan men afleiden, dat dit
dier, zoo niet uitsluitend, dan toch hoofdzakelijk Visschen tot voedsel
gebruikt. Ook uit alle overige details van den lichaamsbouw blijkt,
dat het er geheel op ingericht is om in het water te verkeeren. Daar
geen voorbeeld bekend of althans voldoende gestaafd is van een
aanval van den Gaviaal op groote Zoogdieren of op den mensch, mag
men hem als een van de weinige ongevaarlijke Krokodillen beschouwen,
wien geen andere schadelijke werking kan worden ten laste gelegd dan
deze, dat hij door het verslinden van kolossale hoeveelheden visch
den voedselvoorraad vermindert van de menschen, die langs de oevers
van de door hem bewoonde rivieren gevestigd zijn.
De jongen zijn bij 't verlaten van de eischaal 40 cM. lang,
grijsbruinachtig van kleur en met donkere dwarsbanden op den rug en
den staart geteekend. Onmiddellijk na het uitkomen zag Andersson ze
merkwaardig snel wegloopen; een jong, dat hij van de schaal trachtte
te bevrijden, beet reeds flink om zich heen en verwondde hem aan
den vinger.
De Gaviaal van Borneo, de Boeaja-Sapit van de Maleiers, de
Bedjai-Sampit van de Bejadjoe-Dajakkers (Gavialis Schlegelii), mist
den vleezigen knobbel, die bij de vorige soort aan het vooreinde
van den snuit voorkomt; zijn snuit is minder versmald en nadert tot
die van de eigenlijke Krokodillen door de veel langere, tot aan de
tusschenkaaksbeenderen reikende neusbeenderen.
Salomon Müller, de ontdekker van dit merkwaardige dier, zegt van zijn
levenswijze het volgende: "Hij is in de binnenlanden van Borneo vrij
menigvuldig en bewoont bij voorkeur stille, eenzame meren. Vandaar
begeeft hij zich soms naar de zacht vlietende bijrivieren en de met
zwart, stinkend water voorziene kreeken, zelden echter in de grootere
stroomen, waar het water veel drift heeft. Zijn voedsel bestaat uit
Visschen, Waranen, Watervogels, Apen en andere viervoetige dieren. Voor
den mensch is hij veel minder gevaarlijk dan de Indische Krokodil.
"In September 1836 vonden wij bij het meer Lamoeda in Zuid-Borneo
een nest met 20 eieren. Het lag in het bosch, omtrent 10 passen van
den waterkant verwijderd, tegen een grooten boomstam aan. Het bestond
uit een eenigszins plat kegelvormigen hoop aarde, die rijkelijk met
verrotte bladeren en stukjes dor hout doormengd was. Deze mestachtige
hoop was derdehalf voet hoog en van onderen ongeveer 4 voet breed. In
het midden was een holte van omtrent 12 duimen doorsnede, in welke
de eieren lagen, die bijna een voet hoog overdekt waren. De eieren
worden door de broeiing en gisting dezer plantaardige stoffen verwarmd
en de jongen hierdoor uitgebroed, want, daar het nest geheel onder
den schaduw van den boom verborgen lag, kon geen zonnestraal het
bereiken. In de eieren werden bijkans volwassen jongen gevonden,
die, volgens het zeggen der ons verzellende inlanders, na 8 à 14
dagen uitgekomen zouden zijn. De eieren zijn langwerpig van vorm
en aan beide einden gelijkvormig afgerond, een weinig grooter dan
die van een Gans: 98 mM. lang en in 61 mM. breed. Zij verschillen
echter onderling een weinig in grootte en ook in vorm. Hun schaal
is sterk, ruw, met vele onregelmatig verdeelde poriën voorzien en
wit van kleur. Verscheidene Dajakkers en Maleiers verzekerden ons,
dat versche Krokodillen-eieren gansch niet slecht van smaak zijn;
voor velen van hen zijn zij een ware lekkernij".
Dezelfde of een nauw verwante soort werd in Noord-Australië
aangetroffen.
Meer bepaaldelijk wordt de naam van Krokodillen (Crocodilus) gegeven
aan die soorten, welke in 't voorste gedeelte van de bovenkaak (in
de tusschenkaaksbeenderen) twee diepe kuiltjes hebben tot berging van
de spitsen der beide voorste onderkaakstanden en verder achterwaarts,
in ieder bovenkaaksbeen, een halvemaanvormige insnijding, waarin bij
't sluiten van den bek de vierde onderkaakstand wordt opgenomen. Het
aantal tanden bedraagt 17 à 19 in elke bovenkaakshelft en 15 in elke
onderkaakshelft, in 't geheel dus 64 à 68.
De meest bekende Amerikaansche vertegenwoordiger van het genoemde
geslacht is de Spitskoppige Krokodil (Crocodilus americanus). Zijn
verbreidingsgebied omvat een niet onbelangrijk deel van Zuid- en
Midden-Amerika, en van West-Indië; hij bewoont bijna alle landen en
groote eilanden tusschen 30° N.B. en 5° Z.B.
A. von Humboldt zag deze Krokodillen in den Orinoko en diens
bijrivieren in grooten getale; op plaatsen, waar tusschen den waterkant
en het struikgewas een breede grondstrook overblijft, lagen zij
dikwijls bij troepjes van 8 à 10 stuks op het zand. "Bewegingloos,
den muil zoo ver opengesperd, dat de kaken een rechten hoek
vormen, rusten zij naast elkander, zonder eenige van de teekenen
van onderlinge genegenheid, die men bij gezellig levende dieren
gewoonlijk opmerkt. Zoodra zij zich te water begeven, gaan zij
uiteen. Deze kolossale Reptiliën zijn zoo talrijk, dat men den
geheelen stroom langs er bijna op ieder oogenblik 5 of 6 kon zien,
hoewel het wassen van het water in den Apoere toen nog slechts op
een nauwelijks merkbare wijze aangevangen was en dus honderden van
Krokodillen nog in het slijk van de savanne begraven lagen."
Ook in den Neveri wemelt het van deze monsters tot aan den mond dezer
rivier; zij begeven zich zelfs, vooral bij stil weder, tot ver in
zee. "Zij zwemmen uitmuntend en bewegen zich zonder groote inspanning
tegen de sterkste strooming op; het kwam mij echter voor, dat zij,
den stroom afzwemmend, niet snel omkeeren kunnen. Eens werd een groote
Hond, die ons van Caracas af op reis vergezelde, in den stroom door een
kolossalen Krokodil vervolgd; het monster was reeds zeer dicht bij den
Hond, doch deze ontkwam aan het gevaar door om te keeren en tegen den
stroom op te zwemmen. De Krokodil voerde dezelfde beweging uit, maar
deed dit veel langzamer dan de Hond, die gelukkig den oever bereikte."
De aard van den Spitskoppigen Krokodil is trouwens, gelijk Von
Humboldt op vele plaatsen uitdrukkelijk verzekert, zeer verschillend,
al naar de door hem bewoonde streek. In sommige rivieren vreest men
hem zeer, en anderen weinig of niet. "De gewoonten van dieren, die
oogenschijnlijk tot dezelfde soort behooren," zegt deze geleerde,
"vertoonen afwijkingen van plaatselijken aard, die moeielijk te
verklaren zijn. In de Boeritoeka-rivier werden wij gewaarschuwd
onze Honden niet toe te staan uit den stroom te drinken, omdat hier
buitengewoon wilde Krokodillen voorkomen, die niet zelden buiten
het water komen en de Honden tot op den oever volgen. Dat zij hier
met zooveel driestheid optreden, trekt te meer de aandacht, daar zij
in de Tisanao-rivier tamelijk schuw en onschadelijk zijn. Ook in de
Rio-Neveri, waar groote "Krokodillen met snoekenkop" talrijk zijn,
toonen zich deze niet zoo boosaardig als in den Orinoko.
"In de maag van een 3.6 M. langen Krokodil, die door Bonpland en
mij ontleed werd, vonden wij halfverteerde Visschen en ronde stukken
graniet van 8 à 10 cM. middellijn. Men mag niet onderstellen, dat de
Krokodillen deze steenen toevallig doorslikken, want bij 't grijpen
van de Visschen op den bodem van 't water rust hun onderkaak niet op
den grond. Ik geloof, dat zij groote steenen in hun maag opnemen,
om hierdoor het fijnmaken van het voedsel op soortgelijke wijze
te bevorderen, als vele Vogels doen en om tevens een overvloediger
afscheiding van maagsap teweeg te brengen. In den Apoere vinden zij
een rijken buit onder de Waterzwijnen, die bij troepen van 50 à 60
stuks aan den oever van den stroom leven. Deze ongelukkige dieren
hebben in 't geheel geen wapens om zich te verdedigen; wel zwemmen
zij iets beter dan zij loopen, maar toch worden zij in 't water een
prooi van den Krokodil, zooals op het land van den Jagoear. Het is
bijna onbegrijpelijk, hoe zij, ondanks de vervolgingen van twee zulke
gevaarlijke vijanden, zoo talrijk kunnen zijn. Tot onze verbazing
zagen wij een kolossalen Krokodil te midden van een troep van deze
Knaagdieren bewegingloos en slapend op den grond liggen; hij ontwaakte,
toen wij met onze "pirogue" naderden en ging langzaam op het water af,
zonder dat de Waterzwijnen onrustig werden. Onze Indianen schreven
de onverschilligheid dezer dieren aan domheid toe; waarschijnlijker
komt het ons echter voor, dat de Waterzwijnen door langdurige ervaring
weten, dat de Krokodil van den Apoere en den Orinoko hen op het land
niet aanvalt, tenzij een door hem begeerd dier zich, juist als hij
te water gaat, op zijn weg bevindt.
"Voor de bewoners van de Orinoko-oevers vormen de gevaren, waaraan zij
blootgesteld zijn, een onderwerp van dagelijksch gesprek. Zij hebben
de gewoonten van den Krokodil nagegaan, zooals de stierenbevechter de
gewoonten van den stier; zij weten de bewegingen van het gepantserde
Reptiel, de wijze, waarop het zal aanvallen, de driestheid, waarmede
het dit doet, als 't ware vooraf te berekenen. Als zij zich bedreigd
zien, nemen zij met de tegenwoordigheid van geest en vastberadenheid,
die den Indianen en Zambo's, kortom, den kleurlingen in 't algemeen,
eigen zijn, alle middelen te baat, die zij sedert hunne kinderjaren
hebben leeren kennen. In landen, waar de natuur zich zoo machtig en
verschrikkelijk toont, is de mensch voortdurend op zijn hoede tegen
gevaar. Een jong Indiaansch meisje, dat zich zelf uit de kaken van
den Krokodil bevrijd had, zeide: "Ik wist, dat de Kaaiman mij los zou
laten, als ik hem de vingers in de oogen drukte." Dit meisje behoorde
tot de behoeftige volksklasse, tot die kringen, waar de gewoonte aan
lichamelijken nood de geestkracht ontwikkelt."
"Daar de Krokodil wegens het maaksel van zijn strottenhoofd, van
zijn tongbeen en van de plooien der tong den buit onder water wel
grijpen, maar niet verzwelgen kan, zal dit dier zelden een mensch
doen verdwijnen, zonder dat men het zeer dicht bij de plaats,
waar het ongeluk voorviel, te voorschijn ziet komen om den buit
te verslinden. Toch wordt op deze gevaarlijke roovers zelden jacht
gemaakt. Zij zijn zeer sluw en daarom niet gemakkelijk te dooden. Een
kogel heeft slechts dan een doodelijke werking, als het dier in de
keel of in de okselholte getroffen wordt. De Indianen maken zelden
van vuurwapens gebruik, maar vallen den Krokodil met lansen aan, nadat
hij zich vastgebeten heeft aan een stevigen, scherpen, ijzeren haak,
die met vleesch als lokaas voorzien en met een ketting aan boomstammen
bevestigd werd; zij gaan echter het dier niet eerder te lijf, dan
nadat het zich lang tevergeefs heeft ingespannen om los te komen."
Van de gedoode Krokodillen weet men in Zuid-Amerika, naar het schijnt,
slechts weinig voordeel te trekken. Humboldt zegt hiervan niets anders,
dan dat men het vet van den Kaaiman als een uitmuntend purgeermiddel
beschouwt en dat het witte vleesch, in sommige streken althans,
voor een smakelijk gerecht wordt gehouden.
Behalve den mensch hebben de Spitskoppige Krokodillen weinig vijanden,
die voor hen gevaarlijk kunnen worden. Over 't algemeen zijn ook deze
Krokodillen volkomen onverschillig voor dieren, die hun niet tot
buit kunnen dienen. Humboldt verhaalt, dat zij kleine, sneeuwwitte
Reigers op hun rug en zelfs op hun kop laten rondloopen, zonder er
zich om te bekommeren; tusschen beide dieren schijnt een soortgelijke
betrekking te bestaan als tusschen den Afrikaanschen Krokodil en
zijn "wachter". De Krokodillen zijn echter afkeerig van dieren,
die in het water veel drukte maken: Humboldt zag hen onderduiken,
wanneer Dolfijnen in hun nabijheid kwamen. Oude Krokodillen zijn
natuurlijk tegen de aanvallen van andere dieren voldoende opgewassen;
verscheidene Moerasvogels en ook de Raafgieren maken echter met ijver
en behendigheid jacht op de jongen van het reusachtige Reptiel.
De Krokodillen leggen hunne eieren ieder afzonderlijk in gaten van
den grond; tegen het einde van den broedtijd komt het wijfje terug,
roept de jongen, wacht hun antwoord af en helpt hen meestal bij het
verlaten van den kuil. De jongen houden zich liever op in kleine
plassen en watergeulen dan in breede en diepe stroomen; soms zijn
zij in het met riet omzoomde water in zoo grooten getale aanwezig,
dat zij er, bij wijze van spreken, als Wormen dooreenkrioelen.
Uit de berichten van A. von Humboldt blijkt, dat de Krokodillen van
den Orinoko zomerslaap houden. "Beneden de plaats, waar de Rio-Arauka
haar water met dat van den hoofdstroom vermengt, vertoonden zich
meer Krokodillen dan wij vóór dien tijd zagen, vooral tegenover een
groot meer, dat met den Orinoko in gemeenschap staat. Van de Indianen
vernamen wij, dat deze Krokodillen uit het droge land komen, waar
zij in het slijk der savanne begraven hebben gelegen. Zoodra zij na
de eerste regenbuien uit hun verstijving ontwaken, begeven zij zich
troepsgewijs naar den stroom, waar zij zich weer verstrooien. Het
droge jaargetijde, dat ten onrechte wel eens als de zomer van
de keerkringsgewesten wordt beschouwd, is te vergelijken met den
winter van den gematigden aardgordel. Uit een physiologisch oogpunt
is het zeer merkwaardig, dat het tijdperk, waarin de Alligatoren van
Noord-Amerika wegens de koude in winterslaap verkeeren, hetzelfde is
als dat, waarin de Krokodillen in de Llanos hun zomerslaap houden. Men
wees ons een hut of liever een soort van afdak, waar onze gastheer
getuige was geweest van een hoogst merkwaardige gebeurtenis. Hij sliep
met een vriend op een met leder bekleede bank en ontwaakte vroeg in
den morgen door hevige schokken, een luid getier en het neervallen van
kluiten aarde, die in de hut geslingerd werden. Niet lang daarna kwam
een jonge Krokodil van 1 M. lengte uit den grond onder de slaapplaats
te voorschijn, schoot toe op een Hond, die bij den uitgang lag, kon
dezen wegens de onstuimige haast, die hij maakte, niet grijpen, snelde
naar den oever en stortte zich in de rivier. Men onderzocht den bodem
onder de slaapplaats en vond weldra de verklaring van dit zonderlinge
voorval. In het uitgedroogde, thans tot op groote diepte los gewoelde
slijk had de Krokodil in zomerslaap gelegen; het geraas van de menschen
en Paarden en misschien ook de lucht van den Hond hadden hem gewekt."
De meest bekende, sedert overouden tijd beroemde Krokodil, die den Nijl
bewoont, heeft reeds in Herodotus en in den dichter van het boek Job
beschrijvers gevonden; de eerstgenoemde geeft een getrouw verslag van
hetgeen hij gedurende zijn verblijf in Egypte zelf gezien en gehoord
heeft, door laatstgenoemde wordt, ondanks de beeldrijke taal, waarin
zijne voorstelling is ingekleed, de "Leviathan" uitmuntend geschetst.
"De Krokodil," verhaalt Herodotus, "bewoont het land en het water;
het grootste deel van den dag brengt hij door op het land, waar hij
ook zijne eieren legt en uitbroedt; des nachts echter houdt hij zich
in den stroom op, want het water is nu warmer dan de onbewolkte
hemel en de dauw. Meer dan alle andere dieren neemt hij sedert
zijn jeugd in omvang toe. De eieren zijn niet veel grooter dan die
van Ganzen en de jongen naar evenredigheid; in volwassen toestand
echter is hij 17 ellen lang. Hij heeft vier pooten, varkensoogen,
groote en uitstekende tanden, maar geen tong; ook beweegt hij niet de
onderkaak, maar de bovenkaak tegen de onderkaak, gelijk geen ander
dier doet. De klauwen zijn forsch, de geschubde huid kan op den rug
niet losgemaakt worden. In het water is hij blind, in de lucht echter
zeer scherpzichtig. Daar hij in het water leeft, heeft hij den muil
met Bloedzuigers gevuld. Alle Vogels en andere dieren ontvlieden
hem, met den vogel Trochylus echter leeft hij in vrede, omdat deze
hem nuttig is. Als hij aan land gaat en daar met den kop naar den
wind gekeerd met open muil nederligt, sluipt de Trochylus hierin en
pikt de Bloedzuigers op; uit blijdschap over den hem bewezen dienst,
doet hij den Vogel geen leed. Gedurende de vier strenge wintermaanden
gebruikt hij geen voedsel. In Egypte heet hij niet Krokodil, maar
Champsa; de Joniërs noemen hem Krokodil, omdat hij zooveel gelijkt
op de Hagedissen, die op de muren van hunne tuinen verblijf houden."
Andere schrijvers van de oudheid hebben eveneens over den Nijlkrokodil
geschreven en menige vermeldenswaardige opmerking medegedeeld; over
't algemeen hebben zij het slechts weinige onjuistheden bevattende
bericht van Herodotus weinig aangevuld, maar wel de eenvoudige
voorstelling met verscheidene overleveringen opgesierd.
De Gewone of Nijlkrokodil (Crocodilus niloticus, C. vulgaris) kan,
naar men zegt, 10 M. lang worden. Mijns inziens berust deze opgave
slechts op een schatting; werkelijke metingen hebben waarschijnlijk
nooit een grootere uitkomst dan 5 of hoogstens 6 M. opgeleverd. Van
de zeer nauw aan hem verwante Indische of Lijstenkrokodil (Crocodilus
porosus, C. biporcatus) uit Zuid-Azië en de even weinig afwijkende
Siameesche Krokodil (Crocodilus siamensis) onderscheidt hij zich
vooral door het ontbreken van ieder spoor van lijsten op het voorste
deel van den kop of den snuit. De donker bronsgroene grondkleur,
die op den rug kleine, zwarte vlekken vertoont, gaat op de zijden
van romp en hals in onregelmatig gerangschikte, donkere vlekken en
op de onderdeelen in vuilgeel over; naar het schijnt, komen echter
vele kleurverscheidenheden voor.
Het verbreidingsgebied van den Nijlkrokodil omvat de wateren van
het grootste deel van Afrika, van het kustgebied zoowel als van
het binnenland. In Egypte is hij tegenwoordig bijna uitgeroeid. Door
pijlen en slingersteenen is het niet mogelijk geweest hem te verjagen;
"hij acht ze als stoppelen," zooals Job zegt; men heeft dit doel
echter wel met geweerkogels kunnen bereiken. Ook voor hen is onze
Leviathan niet teruggeweken; heldhaftig hield hij stand in het
bedreigde deel van zijn gebied, totdat de laatste van zijn stam er
het leven moest laten in den strijd met den hedendaagschen mensch. De
voor hem zoo gelukkige toestanden van weleer zijn in Egypte nergens
meer te vinden; "zijne tijden zijn vervuld" sedert het in gebruik
komen van de moderne jachtgeweren, die zich aan zijn pantser niet
storen, sedert een kind den reus kan bedwingen. Reeds is de moedige
Ichneumon, de held der sage, een voorwerp van spot, zijn bedrijf een
mythe geworden. Het is voor Egypte niet meer noodig, dat hij eieren
van Krokodillen verslindt, den Krokodil zelf in den bek sluipt,
om, tot de ingewanden doordringend, hem het hart uit te vreten; de
weinige gepantserde Reptiliën, die kort geleden nog bestonden, zullen
intusschen wel door de kogels van reislustige Europeanen neergeveld
zijn; de Ichneumon moet dus nu, in plaats van krokodilleneieren,
wel hoendereieren eten, gelijk hij trouwens altijd gedaan heeft.
De eenige Krokodillen, die men thans nog in Egypte aantreft, zijn die
van de holen van Maabdes; hier vindt men ze bij duizenden, maar--in
den toestand van mummiën. Anders is het gesteld in Oost-Soedan en
in alle andere binnenlanden van Afrika, waar het geweer de overoude
wapens van de inboorlingen nog niet verdrongen heeft, vooral in die
stroomen, welker oevers door het oerwoud in beslag zijn genomen. Hier
kan men met volkomen zekerheid op iedere groote zandbank minstens één
groote Krokodil en wel een half dozijn van zijne soortgenooten van
verschillenden leeftijd en daaraan geëvenredigde lengte verwachten;
hier en in de broeklanden, meren en moerassen kan men de schoonste
monsters van dit slag met het grootste gemak nagaan. In Soedan is de
raad van den Hebreeuwschen dichter: "Indien gij de hand aan hem slaat,
bedenk, dat er een strijd is, dien gij niet kunt volbrengen," nog in
haar vollen omvang geldig, want men vindt daar bijna geen dorp, welks
bewoners niet een onheil weten te noemen, waaraan hij schuld draagt,
geen mensch, die niet de kracht van den "Timsach" bewondert en tevens
hem zelf vervloekt. De Soedanezen hebben trouwens voldoende redenen
om het monster te verwenschen, waartegen zij zoo goed als niets
vermogen; zonder weerstand te bieden moeten zij voor lief nemen,
dat de vreeselijke roover hunne verwanten en huisdieren medesleurt
onder den waterspiegel: zij kunnen hem ternauwernood bestrijden en in
't geheel niet verjagen.
Een zandbank, waarop de Krokodil het genot kan smaken van in de
zon te liggen, heeft den meesten invloed op de keuze van zijn
verblijfplaats. Gedruisch veroorzakende gedeelten van den stroom
worden door hem gemeden; in stroomversnellingen ontwaart men hem hoogst
zelden. Aan de eens gekozen standplaats is hij zeer gehecht en zoekt
haar met groote volharding steeds weder op. In den regentijd doet
hij soms kleine reizen in het omliggende land, steeds echter door
regengeulen of overstroomde boschachtige gronden.
Algemeen verbreid is de meening, dat de Krokodil zich niet vlug
beweegt; het tegendeel is waar. In het water toont hij een groote
behendigheid, zwemt en duikt zeer snel op iedere diepte en klieft
de golven, als een pijl de lucht. Zijn buitengewoon krachtige staart
is een uitmuntend roeiwerktuig; ook de goed ontwikkelde zwemvliezen
aan de achterpooten bewijzen hem voortreffelijke diensten bij iedere
beweging, die hij wil uitvoeren, bij iederen stand, dien hij in 't
water aanneemt. Uit woede of na een doodelijke verwonding, beukt hij
zoo hevig met den staart om zich heen, dat het gezegde van den ouden
dichter "hij doet de diepte zieden als een pot en brengt het water in
beroering zooals men een zalf mengt," nauwelijks overdreven kan worden
geacht. Ook op het land is zijn beweging volstrekt niet gebrekkig,
ofschoon hij hier slechts bij uitzondering een grooten weg aflegt. Als
hij op een zandbank kruipt, geschiedt dit in den regel zeer langzaam,
door den eenen poot na den anderen te verplaatsen en den romp, die
van achteren meer wordt opgeheven dan van voren, zoo laag te dragen,
dat de buik over het zand sleept; wanneer hij zich echter aan land op
eenigen afstand van den stroom bevindt en opgeschrikt wordt, snelt
hij zeer schielijk naar het water terug; even snel schiet hij uit
het water op het land om een hier aanwezigen buit te grijpen. Dat
het oude, bekende verhaal over de ongeschiktheid van den Krokodil
om een zigzaglijn te volgen, een sprookje is, zal iedereen opmerken,
die eens getuige is geweest van het aan land komen of te water gaan
van een Krokodil, daar het dier gewoon is bij het doorloopen van dezen
korten weg een kring te beschrijven, welks middellijn de lengte van
het lichaam slechts weinig overtreft.
Het is moeilijk een oordeel te vellen over de hoogere begaafdheden
van den Krokodil. Herodotus werd verkeerd ingelicht over het
gezichtsvermogen van dit dier, want het kan onder water uitmuntend
zien en op het land goed genoeg. Het gehoor van den Krokodil is beter
dan dat van andere, misschien wel van alle overige Reptiliën. Dat hij
het geringste gedruisch opmerkt, blijkt spoedig, wanneer men jacht
op hem tracht te maken; in verreweg de meeste gevallen redt hem bij
gevaar zijn scherp gehoor. De reuk, de smaak en het gevoel achten wij
daarentegen bij hem weinig ontwikkeld, zoo niet stomp. Een zekere mate
van verstand kan men hem niet ontzeggen. Doorgestane vervolgingen
worden niet vergeten en geven aanleiding tot voorzichtigheid,
wanneer hetzelfde gevaar hem later nogmaals bedreigt. Oude dieren,
die reeds vele jaren achtereen dezelfde zandbank bewonen, verlaten
haar na herhaalde verstoring van hun rust en kiezen dan, niet zonder
overleg, een ander plekje, waar zij genoegelijk slapen en zich in de
zon koesteren kunnen. Ook behouden zij een herinnering aan plaatsen,
die hun dikwijls een buit verschaften; zoo b.v. ziet men ze telkens
weer loeren op de naar den oever leidende wegen, die door het dorstige
vee of door de waterhalende vrouwen begaan worden. Zij kennen echter
geen verschil tusschen menschen, die voor hen gevaarlijk kunnen worden,
en die, waarvoor zij niet behoeven te vreezen, nemen daarom steeds
het wisse voor het onwisse en gaan te water, zoodra zij menschen
zien. Bij het overvallen van hun buit toonen zij wel degelijk list;
deze is echter niet te vergelijken met de sluwheid van een Zoogdier
of van een Vogel; plompheid, onervarenheid en geringe ontwikkeling
van het verstand blijken ook dan. De aard van den Krokodil verschilt
al naar de omstandigheden waarin hij verkeert. Op het land is hij
erbarmelijk lafhartig, in het water misschien wel niet moedig,
maar toch driest en ondernemend: het bewustzijn van de veiligheid,
die zijn eigenlijk element hem verschaft, schijnt te blijken uit
zijne handelingen. Met zijns gelijken leeft hij gezellig en in
goede verstandhouding; met soortgenooten van gelijke grootte houdt
hij buiten den paartijd vrede; voor kleinere exemplaren blijft hij
steeds gevaarlijk, daar de honger hem alle andere overwegingen doet
vergeten. Om andere dieren bekreunt hij zich alleen dan, als hij van
plan is er een te grijpen en te verslinden; in zijne onmiddellijke
nabijheid duldt hij alleen die, welke hij niet kan grijpen: vandaar
zijn schijnvertoon van vriendschap voor den Krokodilwachter.
De Krokodil is in staat tot het voortbrengen van geluiden, die op een
dof gebrul gelijken, maar laat zijn stem alleen hooren, wanneer hij
in zeer opgewonden toestand verkeert. Toorn geeft hij te kennen door
een blazend of dof sissend gesnuif. Jonge Krokodillen, die pas uit
het ei zijn gekomen, maken een eigenaardig kwakend geluid, gelijkend
op dat van Kikvorschen, die in tevreden gemoedsstemming verkeeren.
Gewoonlijk verlaat het dier tegen den middag den stroom om zich in de
zon te koesteren en te slapen. In 't water kan hij niet goed slapen,
omdat de ademhaling geregeld en met zorg moet plaats hebben, om te
verhoeden, dat hij naar de diepte zinkt, waar ademnood hem spoedig
zou wekken; half sluimerend kan hij echter op den waterspiegel
drijven. Voor zijn middagslaapje kruipt hij zeer langzaam en
voorzichtig op een weinig boven het water uitstekende zandbank, laat
zijne zeegroene oogen bedachtzaam rondwaren en maakt zich, na lang
rondgekeken te hebben, gereed om een uiltje te knappen. Na zich op
de gemakkelijkste wijze uitgestrekt te hebben, opent hij de deksels,
die de neusholten sluiten, snuift, gaapt en spert eindelijk den rijk
getanden muil zoo wijd mogelijk open. Na deze toebereidselen blijft
hij onbeweeglijk op dezelfde plaats liggen en schijnt spoedig in
te slapen. Zijn slaap is echter niet zeer vast; daar ieder ongewoon
gedruisch hem wekt en ijlings naar het water doet terugkeeren.
Wanneer het dier niet gestoord wordt, blijft het tot omstreeks
zonsondergang op het droge, waar soms een groot aantal soortgenooten
met hetzelfde doel bijeen zijn. Alle hebben echter de eilanden
ontruimd, zoodra de avondschemering begint; dan vangt hun jacht aan,
die den geheelen nacht en misschien ook een deel van de morgenuren in
beslag neemt. Hun buit bestaat hoofdzakelijk uit Visschen; deze, hoe
behendig zij ook zijn, worden in voldoende hoeveelheid door de groote,
zwaarlijvige, schijnbaar onbeholpen Krokodillen gevangen. Zij maken het
gewone voedsel van den Krokodil uit, die bovendien op alle groote en
kleine Zoogdieren, welke onvoorzichtig uit den stroom komen drinken,
en zelfs op Moeras- en Watervogels loert. Met groote bedachtzaamheid
nadert hij hunne drink- en rustplaatsen, zwemt, terwijl alleen de
neusgaten een weinig boven den waterspiegel uitsteken, langzaam en
zonder gedruisch op zijn doel af, neemt een gunstig oogenblik te baat,
schiet eensklaps bliksemsnel bij den oever omhoog en lijnrecht op
zijn slachtoffer toe. Nooit zal hij een tevergeefs besprongen buit
op het land vervolgen. De Vogels verschalkt hij door zich rustig te
houden en onverschilligheid te veinzen, en zich daarna, onverwachts
vooruitschietend, te midden van zijne slachtoffers te storten, of
door uiterst langzaam nader te kruipen en eerst nadat de afstand
zijns inziens voldoende verminderd is, tot den aanval over te gaan.
Zelfs op groote Zoogdieren maakt hij jacht; hij sleurt Ezels,
Paarden, Runderen en Kameelen met zich mede in den stroom. Aan de
beide hoofdaders van den Nijl verliezen de herders door zijn toedoen
in den loop van 't jaar geregeld verscheidene van de dieren, die
aan hunne zorgen zijn toevertrouwd. De herders in Oost-Soedan nemen
bij het laten drinken van hunne Kameelen steeds de voorzorg in acht,
ze onder groot geschreeuw bij groote troepen te gelijk in den stroom
te drijven om door getier en beweging de Krokodillen te verjagen. Om
kleiner vee, Runderen, Paarden, Ezels, Schapen en Geiten te drenken,
drijft men het nooit in den stroom, indien deze door gevaarlijke
Krokodillen bewoond wordt, maar laat het den dorst lesschen uit door
dammen omringde watervergaarbakken en vijvers, die naast den stroom
aangebracht zijn en waarin het water vooraf met groote moeite door
de herders moet worden overgeschept; soms omgeeft men een deel van
den stroom door dichte doornheggen en verkrijgt hierdoor een aan de
landzijde open, aan de waterzijde gesloten drinkplaats, waar het vee
tegen de gevreesde roovers beschut is.
Schadelijker nog dan door het rooven van vee wordt de Krokodil door
het dooden van menschen. In alle Soedaneesche gewesten hebben ieder
jaar dergelijke ongelukken plaats; de meeste komen voor bij het
waterscheppen uit den stroom. Het is gebleken, dat de Krokodillen
ook wel menschen uit kano's weghalen; dit behoort evenwel tot
de zeldzaamheden. Pechuel-Loesche was met den zendeling Comber
ooggetuige van zulk een voorval. Het gebeurde omstreeks den middag
bij het Belgische station Manyango aan den Kongo. Op een door klippen
beschutte, maar diepe plek van den stroom zat in een zeer klein,
uit een uitgeholden boomstam vervaardigd schuitje, welks rand zich
nagenoeg niet boven den waterspiegel verhief, een negerhoofdman te
hengelen. Plotseling werd hij door een Krokodil, wiens kop slechts voor
een oogenblik zichtbaar werd, in 't water gesleurd; dit geschiedde zoo
snel, dat de man geen tijd had om te schreeuwen; het eenige gedruisch,
dat de aandacht trok, werd door het omslaan van de schuit veroorzaakt.
Alle niet van schranderheid ontbloote dieren kennen den Krokodil en
zijn wijze van aanvallen. Honden, die in de dorpen aan den stroom
opgegroeid zijn, begeven zich steeds met de grootst mogelijke
voorzichtigheid te water, laten vooraf hunne blikken over den
waterspiegel zwerven, drinken haastig eenige druppels en keeren ten
spoedigste naar den oever terug, waar zij geruimen tijd wachten en
intusschen voortdurend de oppervlakte van het water bespieden, voordat
zij onder inachtneming van dezelfde voorzorgsmaatregelen nogmaals te
water gaan; zoo gaan zij voort, totdat hun dorst gelescht is. Hun
haat tegen den Krokodil blijkt, wanneer men hun een groote Hagedis
vertoont: onder woedend geblaf wijken zij terug als Apen voor een
Slang. Behalve levende dieren verslindt de Krokodil ook alle lijken,
die den stroom afdrijven.
Zoo driest als de Krokodil in 't water is, zoo erbarmelijk lafhartig
gedraagt hij zich op het land. Naar den rivieroever, vanwaar hij zich
hoogst zelden verder dan 100 schreden verwijdert, keert hij bij ieder
vermoeden van gevaar regelrecht terug. Bij het verschijnen van een
mensch neemt hij steeds met den grootst mogelijken spoed de vlucht;
nooit komt het in hem op een mensch, die zich verder landwaarts
begeeft, te vervolgen.
Waarschijnlijk doet de Krokodil nooit anders dan 's nachts tochtjes
over het land, misschien alleen met het doel om een ander water op te
zoeken. Om te jagen verlaat hij den stroom stellig niet. Gedurende het
regenseizoen volgt hij de regengeulen, die kort daarna uitdrogen, soms
zoover, dat hij, wanneer een snel intredende droogte de gemeenschap met
den hoofdstroom verbreekt, zich genoodzaakt ziet om, zoo goed mogelijk
verborgen, de eerstvolgende regenbuien af te wachten. Aanvankelijk
trekt hij nu van den eenen plas naar den anderen; later houdt hij
zich weken lang op in een poel, die nog eenig water bevat, al is deze
in het geheel niet geëvenredigd aan zijn grootte; men ziet daarom
soms in een onbeduidende, ondiepe kolk reusachtige exemplaren;
eindelijk, als ook hier het water verdampt is, begraaft hij zich
onder het slijk. Penney trok met zijne manschappen een regengeul
over, die ongeveer 20 KM. verder in den Blauwen Nijl uitmondde. Om
water te verkrijgen werd in het nu uitgedroogde bed van den geul een
put gegraven. Toen de gravers op een diepte van ongeveer 2,5 M. waren
gekomen, sprongen zij vol schrik weer uit den kuil naar boven en riepen
den alwetenden opperstafarts te hulp, omdat zich in den put een "grijs
ding" heen en weer bewoog. Bij nader onderzoek bleek dit de spits
van den staart van een levenden, zeer grooten Krokodil te zijn. Een
tweede put, die gegraven werd op de plaats, waar men den kop van het
monster verwachtte, maakte het mogelijk dit dier een lans in den nek
te stooten. Het bleek 5 M. lang te zijn, toen men het geheel uit den
grond gegraven had. Wegens dit voorval wordt de bedoelde regengeul
ook thans nog "Chor el Timsach" of Krokodilwater genoemd.
Krokodillen van 3,5 M. zijn reeds geslachtsrijp; wijfjes van deze
grootte leggen echter minder en kleinere eieren dan die, welke geheel
volwassen zijn. Hoe dit geschiedt blijkt uit de mededeelingen van
A. Voeltzkow over Oost-Afrika. Den 19en Januari vond deze onderzoeker
op een kale plek van den oever, 5 à 6 schreden van den waterkant,
op den bodem van een kuil van ongeveer 0,5 M. diepte 79 eieren, die
over 4 hoopen verdeeld waren. Het eierenleggen heeft slechts éénmaal
in 't jaar plaats, in de tweede helft van Januari en de eerste helft
van Februari. De moeder maakt geen eigenlijk nest maar toont toch
wel degelijk eenige zorg voor haar kroost, daar zij over dag boven de
eieren de wacht houdt, totdat na ongeveer 2 maanden de jongen uitkomen.
"De Sakalaven hadden mij verhaald," schrijft Voeltzkow uit Madagaskar,
"dat het oude dier tegen den tijd, dat de jongen rijp zijn voor
het uitkomen, den nestkuil opengraaft; ik had geen reden om dit te
betwijfelen, daar ik zelf talrijke kuilen had opgemerkt, waaruit het
zand verwijderd was en waarin gebroken eischalen lagen. Het was mij
echter een raadsel, hoe de moeder te weten komt, wanneer de kiemen
in de eieren ver genoeg ontwikkeld zijn, wanneer het tijd is ze op te
graven. Om het uitkomen van de jongen te kunnen waarnemen hield ik in
de werkkamer van mijn huis te Majunga krokodilleneieren in eenige met
zand gevulde kisten. Eens hoorde ik uit een dezer kisten een geluid
komen; in de meening dat het voortgebracht werd door een van de jongen,
die, de eischaal verlaten hebbend, gevaar liep in het zand te stikken,
groef ik de eieren op en bemerkte tot mijn groote verrassing, dat de
tonen in gave eieren ontstonden. Zij zijn zoo luid, dat men ze, als de
eieren bloot liggen, duidelijk in een naburige kamer hooren kan. Het
geluid geven van de jongen in het ei kan men te voorschijn roepen,
zoodra men wil, door te kloppen tegen de kist of er hoorbaar stappend
langs te gaan, ook door het ei in de hand te nemen en een weinig te
schudden: elke schok noopt het jong in het ei tot het voortbrengen van
geluiden. Daar de moeder, zooals reeds gezegd is, op het nest slaapt,
zullen hare bewegingen bij het loopen van het water naar het nest en
omgekeerd een dreuning van den grond teweegbrengen, die de jongen in
het ei, welke ver genoeg ontwikkeld zijn, aanleiding geeft om zich
te laten hooren. Het oude dier graaft dan het zand weg en na eenigen
tijd komen de jongen uit. Het voortbrengen van deze tonen geschiedt
met gesloten bek en gaat, naar het schijnt, gepaard met een sterke
samentrekking van de buikspieren, ongeveer zooals ons hikken, waarop
trouwens de klank van het bedoelde geluid eenigszins gelijkt."
Herodotus verhaalt, dat de bewoners van Beneden-Egypte in vroegere
tijden Krokodillen in gevangenschap hielden. "Sommige Egyptenaars,"
zegt de vader der geschiedenis, "beschouwen de Krokodillen als heilige
dieren, andere houden ze voor hunne ergste vijanden: gene wonen
rondom het Moeris-meer, deze bij Elefantine. De eerstgenoemden voeden
een Krokodil en maken hem zoo tam, dat hij zich laat streelen. Men
streeft er naar hem een heerlijk leven te verschaffen, hangt hem
gouden ringen met geslepen steenen in de ooren, versiert zijne
voorpooten met gouden armbanden en voedert hem met meelspijs en met
het vleesch van de offerdieren. Na zijn dood wordt hij ingebalsemd en
in een gewijd graf bijgezet. Zulke begraafplaatsen bevinden zich in
de onderaardsche vertrekken van het labyrinth aan het Moeris-meer,
niet ver van de Krokodillenstad." In den tegenwoordigen tijd denkt
in de Nijllanden niemand meer aan het temmen van Krokodillen.
De oude Egyptenaars vingen de Krokodillen op verschillende wijzen. De
jager wierp een groot stuk varkensvleesch, waarbinnen een haak
verborgen was, in den stroom en verschool zich aan den oever
in gezelschap van een big, die hij aan 't schreeuwen bracht. Dit
geschreeuw lokte den Krokodil naderbij, die het stuk vleesch verslond
en met den haak aan land getrokken werd. De jager smeerde hem hier
vooraf de oogen vol modder, om zich tegen zijn aanval te beveiligen
en maakte hem daarna zonder moeite af.
De Tentyriten hadden, naar Plinius verzekert, den moed een zwemmenden
Krokodil in 't water te vervolgen, hem een strik om den hals te werpen,
op zijn rug te gaan zitten en hem, als hij den kop ophief om te bijten,
een dwarshout in den muil te steken. Hierdoor bestuurden zij hun buit
als een aan den toom geleid Paard en dreven hem aan land.
In den tegenwoordigen tijd wordt een andere wijze van jagen gevolgd,
die weinig minder moed vereischt. E. Rüppell heeft haar voor 't eerst
beschreven; zijn verhaal stemt volkomen overeen met dat, hetwelk ik
van verschillende Afrikanen vernam. De jacht begint als de zandbanken,
waarop de Krokodillen slapen en zich door de zon laten beschijnen,
droog komen te liggen door het vallen van het water in den stroom. De
jager vorscht de plaats uit, waar de Krokodil zich gewoonlijk neervleit
en kan nu als schuilplaats voor zich zelf een kuil in 't zand graven,
zoo gelegen, dat het Reptiel bij den dan heerschenden wind niet de
lucht kan krijgen van zijn vijand; hier blijft hij liggen, totdat
de Krokodil het water verlaten heeft en ingeslapen is. Het wapen,
dat bij deze jacht gebruikt wordt, is een werpspies bestaande uit een
driezijdige, ijzeren, met weerhaken voorziene spits, die met behulp van
een ring en 20 à 30 stevige koorden aan een houten steel bevestigd is;
de koorden zijn op sommige plaatsen van elkaar gescheiden, op andere
echter onderling vereenigd; de steel is door een lang touw vastgehecht
aan een lichten, houten klos. "De jager moet in staat zijn om de spies
met zooveel kracht te werpen, dat het ijzer, na het pantser van den
Krokodil doorboord te hebben, ongeveer 10 cM. diep in het lichaam
dringt en hier blijft zitten. Zoodra het dier getroffen wordt, wijken
de houten steel van de lans en de ijzeren spits uiteen, daar het ijzer
slechts losjes in het hout werd gestoken. De gewonde reus slaat woedend
met den staart en tracht het samengestelde koord door te bijten, welks
bestanddeelen echter tusschen zijne tanden komen te liggen en daarom
niet of slechts gedeeltelijk stukgesneden worden. Op geringe diepten
wijst de op 't water drijvende stok, op grootere de lichte houten klos
den door het dier gevolgden weg aan. De jager volgt den Krokodil in
een bootje, totdat hij aan den oever een geschikte landingsplaats
gevonden meent te hebben. Hier trekt hij het dier, als de harpoen
stevig genoeg vastzit, met behulp van het koord naar de oppervlakte
van 't water, geeft hem met een scherpe lans den doodsteek in den
nek of sleept hem nog levend aan land. Indien ik het niet met mijn
eigen oogen gezien had, zou het mij ongeloofelijk voorkomen, dat twee
menschen een Krokodil van bijna 5 M. lengte uit het water trekken, den
snuit dichtbinden en de pooten op den rug aaneenkluisteren kunnen; zij
dooden hem vervolgens door met een scherp mes het verlengde merg door
te snijden." In netten wordt de Krokodil slechts bij toeval gevangen,
groote exemplaren uiterst zelden, omdat zij zich zoo hevig bewegen,
dat zelfs de sterkste vischnetten scheuren.
De Europeanen, de Turken en de bewoners van Middel-Egypte maken
met vuurwapenen jacht op den Krokodil. Hoewel ik meer dan honderd
Krokodillen een kogel toegezonden heb, is het mij nooit voorgekomen,
dat de kogel terugsprong, zooals naar men beweert, dikwijls
geschiedt. Een feit is het echter, dat slechts zeer weinige schotwonden
den Krokodil oogenblikkelijk dooden. Hij heeft een buitengewoon taai
leven, kan zelfs na een doodelijke verwonding meestal nog den stroom
bereiken en is dan voor den jager verloren. Eens loerde ik in een met
matten en zand overdekten kuil van een zandbank in den Blauwen Nijl op
Kraanvogels. Nog voordat de Vogels zich vertoonden, kwam, nauwelijks
15 schreden van mij verwijderd, een Krokodil van ongeveer 5 M. lengte
te voorschijn; deze kroop langzaam uit het water en vleide zich op
een afstand van ongeveer 6 M. van mijn schuilplaats op het zand neer
om te slapen. Om hem waar te nemen onderdrukte ik de wraakzuchtige
neigingen die mij vervulden, hoewel ik voornemens was hem na eenigen
tijd den welverdienden kogel toe te zenden. Een Kraan, die juist toen
onder schot kwam, redde voorloopig het leven van het monster; door
een kogel getroffen viel de Vogel ter aarde. De Krokodil had zich,
zonder te begrijpen vanwaar het schot kwam, bij het hooren van den
knal, zoo spoedig mogelijk te water begeven; nauwelijks echter had
ik den dooden Vogel opgeraapt en mijn geweer op nieuw geladen, toen
het gepantserde dier ten tweedenmale, op dezelfde plaats als vroeger,
voor den dag kwam. Ik mikte nu zonder overhaasting op zijne slapen,
schoot en zag tot mijn voldoening, dat het ondier na het schot een
kolossalen, vertikalen luchtsprong deed, log op den bodem neerplofte
en bewegingloos bleef liggen. Een bedwelmende muscuslucht verbreidde
zich in 't rond; mijn dienaar Tomboldo, die aan 't andere einde
van de zandbank nog in de schiethut zat, sprong juichend op uit
zijn schuilplaats met het verzoek: "Beste Heer, mij de klieren,
mij de muscus voor mijn vrouw; ik moet haar toch wat meebrengen
van de reis."--Wij stonden bij het gevelde dier, wiens geheele
lichaam nog schokte en trilde.--"Neem u in acht voor den staart,"
waarschuwde Tomboldo, "en geef hem liever nog een schot, opdat hij ons
niet ontkome."--Hoewel ik dezen laatsten voorzorgsmaatregel onnoodig
achtte, vervulde ik den wensch van mijn trouwen, zwarten dienaar, hield
den loop van mijn geweer bijna voor 't oor van den Krokodil en joeg
hem een tweeden kogel in den kop. Op hetzelfde oogenblik sprong hij
hoog op, wierp ons met den staart zand en kiezelsteenen in 't gelaat,
maakte stuiptrekkende bewegingen met al zijne lichaamsdeelen en rende
plotseling, alsof hij niet gewond was, naar den stroom, waardoor alle
uitzicht op het verkrijgen van de muscusklieren ons benomen werd.
Deze klieren verschaffen aan de hedendaagsche Soedaneezen het grootste
voordeel, dat zij uit het lichaam van een gedooden Krokodil weten
te trekken. Ten tijde van mijn verblijf in hun land verkocht men dit
artikel voor 4 à 6 "speciesthaler", voor welke som men zich destijds
in dezelfde streek twee halfwassen Runderen kon aanschaffen. Met deze
muscusklieren parfumeeren de schoonen van Nubië en Soedan de zalf,
waarmede zij zich het haar en het lichaam besmeren. Aan deze klieren
danken alle lichaamsdeelen van den Krokodil hun doordringende lucht;
het vleesch van de volwassen dieren wordt er oneetbaar door.
In den ouden tijd werden uit den gedooden Krokodil allerlei
geneesmiddelen verkregen. Zijn bloed werd als een voortreffelijk
tegengif beschouwd bij verwondingen door Vergiftige Slangen; het
verdreef ook de vlekken van de oogen; de tot asch verteerde huid
werd dienstig geacht voor het heelen van wonden; het vet was, naar
men zeide, een voorbehoedmiddel tegen koorts, kiespijn en muggebeten;
door een tand als amulet aan den arm te dragen, verkreeg men bijzondere
krachten. Ook hiervan hoort men thans niet meer spreken.
Onder de Aziatische soorten verdient de Indische of Lijstenkrokodil
(Crocodilus porosus, C. biporcatus) in de eerste plaats genoemd te
worden, daar hij de verst verbreide soort van de geheele familie
is. Door het ontbreken van de voorste nekschilden en vooral door twee
zeer lange, bijna van het oog tot aan de spits van den snuit reikende,
parelsnoervormig gelede, beenige lijsten onderscheidt de Indische
Krokodil zich duidelijk van alle overige soorten. De snuit is ook bij
deze soort lang, min of meer versmald en toegespitst, zijn lengte is
het dubbele van de breedte aan de basis, zijn bovenzijde gewelfd en
rijk aan plooien. De onderschenkel is met een getakten kam voorzien. De
kleur is donker olijfgroen, bij de jongen met donkere vlekken. Men
heeft exemplaren gemeten, die 8.6 M. lang waren; in de verzamelingen
behooren die van 5.25 M. lengte echter reeds tot de uitzonderingen.
De Lijstenkrokodil bewoont Zuidoost-Azië en de omliggende eilanden;
men ontmoet hem aan de oostkust van Indië, op Ceylon, in Bengalen,
Birmah, het zuidwesten van China en in geheel Insulinde, voorts in
Noord-Australië en zelfs op de Salomon- en Fidsji-eilanden. Men zou
hem den Krokodil van de zee kunnen noemen, daar hij, vaker dan eenige
andere soort, van de riviermonden uit de zee bezoekt en niet zelden
op een afstand van verscheidene zeemijlen van de kust of bij eb op
droog vallende zandbanken van middelmatig breede zeeëngten tusschen
de eilanden wordt gezien.
"De Indische Krokodil," zegt Schlegel, die Salomon Müller's
aanteekeningen in 't licht heeft gegeven in zijne "Verhandelingen over
de Natuurlijke Geschiedenis der Nederlandsche overzeesche bezittingen",
"wordt vooral in groote menigte aan de groote rivieren van Borneo
en Sumatra aangetroffen; hier komen door deze roofdieren jaarlijks
vele menschen om het leven. Zoo rekent men b.v., dat er alleen aan de
Palembangrivier op Sumatra jaarlijks omstreeks 150 menschen door deze
Krokodillen verslonden worden. Niet onmogelijk is het, dat op Java
en Sumatra veel meer menschen door Krokodillen het leven verliezen
dan door Koningstijgers.
"De Krokodillen liggen, ten einde levende viervoetige dieren of
Vogels te vangen, òf dicht bij den oever onder het water verborgen,
òf onbeweeglijk daarlangs uitgestrekt, op den loer. Zij bezigen dus
in het algemeen hetzelfde middel tot het erlangen van voedsel als de
Katten en vele andere Roofdieren, want ook zij overvallen hun buit
meest onverwachts uit een hinderlaag, waarbij zij met te meer list
en geduld te werk moeten gaan, daar hun sluipen buiten het water,
ook door de onbuigzaamheid van het lichaam, met meer moeite gepaard
gaat. Desniettemin vangen zij dikwerf Herten, Wilde Zwijnen, Honden,
Geiten, Apen en meer andere dieren, wanneer deze den waterkant naderen
om hun dorst te lesschen. De dieren, die veel onder het water leven,
gelijk de Otters en de Waranen of Monitors, zijn gedurig aan de
vervolgingen der Krokodillen blootgesteld, terwijl deze tevens van
hun vroegste jeugd af op alle soorten van Water- en Strandvogels
jacht maken. Hoe ondernemend, stout en gevaarlijk intusschen de
Krokodillen ook in het water zijn, toonen zij zich daarentegen er
buiten ongemeen vreesachtig en schuw. Bij het minste geruisch, dat
zij vernemen, of indien zij een mensch op 40, 60 tot zelfs 100 en
meer schreden afstands gewaarworden, hetzij op het land of in een
kano op het water, vluchten zij onverwijld naar den stroom, waar zij,
spoedig uit het gezicht verdwijnend, zich aan alle verdere vervolgingen
onttrekken. Zij zwemmen voortreffelijk, zoowel stroomop als stroomaf;
in het laatste geval laten zij zich dikwijls zonder merkbare beweging
met de golf wegdrijven. Nooit ziet men hen op een vroolijke of dartele
wijze door het water zwemmen en er buiten vertoonen zij zich nog
slaperiger. Blijken van onderlinge verstandhouding of wederzijdsche
gehechtheid hebben wij nooit bij hen opgemerkt; elk individu schijnt
veel meer van jongs af afgezonderd en voor zichzelf te leven, en
bijaldien men soms eenige hunner dicht bij elkander aantreft, dan
schijnt zulks meer aan hun groot aantal op een plaats te moeten worden
toegeschreven, dan wel naar de zucht om in gezelligheid met elkander te
leven. Wanneer dit roofzuchtig gedierte onder het water op buit loert,
steekt het gewoonlijk alleen de neusgaten boven den waterspiegel,
en in deze houding blijft de Krokodil niet zelden uren lang op een en
dezelfde plek liggen; zoodra hij echter eenig gevaar bemerkt, duikt
hij oogenblikkelijk naar beneden en komt dan een eind weegs verder op
nieuw boven. Minder stil is zijn vlucht van het land naar het water,
wanneer men hem onverwachts door een geweerschot uit den slaap doet
wakker schrikken; met den meest mogelijken spoed stort hij zich dan
op onstuimige wijze in het water; de hierdoor veroorzaakte plof wordt
veelal van eenige geduchte slagen gevolgd, welke hij al duikend met den
staart teweegbrengt. Op het land is de loop van deze dieren over het
algemeen traag en moeielijk, doch korte afstanden kunnen zij soms met
onbegrijpelijke snelheid afleggen. Zij worden echter schielijk moede,
daar hunne onevenredig kleine en zwakke pooten het zware lichaam niet
lang vermogen te dragen: het zakt weldra tot op den grond door en
schuift dan in slingerende beweging daarlangs voort. Het is bekend,
dat de Krokodillen in wilde, moerassige streken soms kleine tochten
over het land ondernemen, zoodat het wel eens gebeurt, dat men in
een geheel afgezonderd liggend moeras of ook in een grooten vijver,
plotseling een dezer dieren ontwaart, waar men hen vroeger nimmer
gezien had. Meerendeels geschieden die verhuizingen des nachts.
"Van alle zintuigen schijnt het gehoor bij de Krokodillen het meest
bevoorrecht te zijn. De scherpheid van het gehoor stelt hen in staat
om zelfs op vrij verren afstand onder het water alles te vernemen,
wat er buiten in den omtrek voorvalt. Zij komen gewoonlijk op ieder
gedruisch dadelijk af, doch altijd in de grootste stilte. Zijn het
menschen of dieren, die den oever betreden, zoo naderen zij bedaard
en houden zich zoolang onder de oppervlakte van het water verscholen,
tot zich een geschikte gelegenheid aanbiedt om een aanval te wagen,
die hun zelden mislukt, daar zij meestal niet eerder op het beloerde
voorwerp toeschieten, dan wanneer het zich genoegzaam zeker onder
hun bereik bevindt. Bij den uitval, het aanbijten en het wegrukken
van den roof zijn de bewegingen der Krokodillen pijlsnel: zelfs
zoo, dat wanneer menschen zulk een gewelddadigen dood ondergaan,
er slechts zelden eenig noodgeschrei of een kreet van angst of
schrik van hen vernomen wordt. De Krokodillen trekken hun buit
altijd onverwijld onder water, maar verschijnen korten tijd daarna,
soms reeds na weinige oogenblikken, op korter of grooter afstand
daarmede weder aan de oppervlakte. Is de prooi klein, dan verslinden
zij die dadelijk al zwemmende, waarbij zij dan alleen den kop boven
water houden; grootere dieren of menschen verslinden zij daarentegen
gewoonlijk eerst tegen den avond of in den nacht, tot welk einde
zij hun roof hier of daar op een eenzamen oever brengen, waar men
dan niet zelden overblijfsels van het lijk aantreft. Zij schijnen
hun prooi door haar hevig heen en weer te slingeren en tegen den
grond te slaan, gedeeltelijk te vermorzelen en verder in stukken te
scheuren. Stemgeluid hebben wij nooit van een Krokodil gehoord en
ook nergens van de inlanders vernomen, dat deze dieren ooit eenig
geschreeuw doen hooren. De Krokodillen zijn over het algemeen meer
nacht- dan wel dagdieren. Zij zijn, evenals de groote Katsoorten,
het gevaarlijkste in den avond en tegen middernacht, waarom dan ook
de inlanders na zonsondergang niet gaarne, doch indien zulks moet,
steeds met alle behoedzaamheid plaatsen langs de oevers der rivieren
en meren bezoeken, waar vele Krokodillen voorkomen. Overvalt hen soms
op een watertocht, dien zij met een kleine kano ondernemen, de nacht,
dan kiezen zij, zoodra het duister begint te worden, meer het middelste
gedeelte van den stroom, waar zich de Krokodillen zeldzamer ophouden
dan langs de stille en rustige oevers.--Toch gebeurt het niet zelden
in Indië en vooral op Borneo, dat er menschen van de oevers of uit de
vaartuigen door deze dieren worden weggehaald en zulks dikwijls zoo
zonder eenige beweging, dat zeer nabij zijnde personen er nauwelijks
iets van bemerken. Zeer oude Krokodillen slaan ook soms met hun staart
de kleine bootjes aan splinters, waarbij dan steeds een van de zich
daarin bevindende menschen tot buit van het roofdier wordt.
"Bij dag ontwaart men de Krokodillen dikwijls slapend aan den
waterkant, waar zij dan als een boomstronk uitgestrekt liggen en den
muil soms wijd geopend houden. Zij kiezen daartoe bijzonder effene
plekken uit, die, of tusschen hoog riet en gras, door een grooten,
afhangenden boomtak belommerd zijn, of ook wel geheel open en
vrij aan de stralen der zon zijn blootgesteld en waar deze dieren
veelal iederen dag komen rusten. Op deze rustplaatsen worden in
eenige streken van Borneo de Krokodillen op een eigenaardige wijze
gevangen. De Dajakkers leggen er eenige planken neer, die van boven
met een sterk klevende boomhars bestreken zijn. Wanneer zich nu een
Krokodil op zulk een plank neerlegt en daar eenigen tijd op gerust
heeft, geraakt de plank door de hars zoo stevig aan het lijf van het
dier vast, dat zij er alleen met moeite en kracht van afgetrokken kon
worden. Zoodra de inlanders zien, dat een Krokodil in dezen toestand
verkeert, gaan zij met pieken en zware houwers gewapend en voorzien
met eenige lange rottingen, die hun als bindtouw dienen, zoo te water
als te land er op af. Het beangstigde dier geeft zich alle moeite
om bij het naderende gevaar naar onderen te duiken, maar de plank
maakt dit onmogelijk; het wordt dan op de oppervlakte van 't water
ronddrijvend, onder een woest gespartel en geworstel afgemaakt. Deze
wijze van Krokodillen vangen laat zich voornamelijk op die plaatsen
met goed gevolg aanwenden, waar zij geen gebrek aan voedsel hebben en
daarom niet licht op lokazen afkomen. Waar echter minder voedsel is,
worden zij meerendeels met lokaas gevangen, daar deze handelwijze
minder oplettendheid vereischt en tevens met minder omslag en gevaar
bij het dooden der dieren gepaard gaat.
"Ofschoon men in sommige rivieren en baaien langs de kusten van Java
vrij veel Krokodillen heeft opgemerkt en zij zelfs op de reede van
Batavia niet zeldzaam zijn, brengen zij toch, daar en elders op dit
eiland, over het algemeen den mensch minder nadeel toe dan wel in
andere streken van den Oosterschen Archipel. De oorzaak daarvan laat
zich verklaren uit het overvloedige voedsel, dat zij in deze wateren
aantreffen. Doode paarden, Buffels, Geiten, Honden, kortom allerlei
krengen komen in deze zoo dicht bevolkte landstreken in menigte de
rivier afdrijven; bovendien wordt uit de talrijke schepen en inlandsche
vaartuigen, welke hier gedurig rondkruisen of op onderscheidene reeden
ten anker liggen, dagelijks een groote hoeveelheid ingewanden van
Kippen, Eenden en ander gedierte over boord geworpen; dit een en
ander schijnt toereikend te zijn om de vraatzucht der Krokodillen
te bevredigen.
"In het Maleisch, de meest verspreide taal van Oost-Indië, heeten
deze dieren Bowaja of Boeaja."
Even verklaarbaar als de felle vervolging, die deze dieren ook in Azië
ondergaan, is de vereering, die hun hier en daar ten deel valt. Op
de Soenda-eilanden merkte S. Müller geen eigenlijke vereering op,
wel komt deze echter op het Indische vasteland voor. In de gewesten
waar men den Krokodil voor zoo heilig houdt, dat men geen hoogeren
wensch kent dan na den dood in een Krokodil veranderd te worden,
vervolgt men dit dier nooit, maar tracht veeleer vriendschap met hem
te sluiten. Orlich bezocht in 1842 de heilige Krokodillenvijver in de
nabijheid van de stad Karratsjie, een beroemde bedevaartplaats voor
de inboorlingen. Hier leefden ongeveer 50 Krokodillen, waaronder
sommige van 5 M. lengte. De Brahmaan, die met de verzorging van
deze vertegenwoordigers van Visjnoe was belast, riep ze, terwijl de
reiziger er bij stond, tot zich, om ze te voederen. Orlich was niet
weinig verbaasd over de gehoorzaamheid der heilige dieren voor hun
aanbidder; uit het water gekomen, vormden zij een halven kring om hun
verzorger en wachtten met wijd opengesperden muil zijne bevelen af;
door aanraking met een rietstok lieten zij zich gewillig leiden. Een
Geit werd voor hen geslacht en de stukken onder hen verdeeld. Na den
maaltijd diende de rietstok om hen weer naar het water te drijven.
De gevangen Lijstenkrokodillen worden gewoonlijk doodgeslagen en
niet verder gebruikt. In sommige streken, o. a. van Borneo en Siam,
wordt hun vleesch gegeten.
Bij de Alligators (Alligator) is ook voor het bergen van de spits
van den vierden onderkaakstand aan weerszijden van de bovenkaak
een diepe kuil aanwezig. Het aantal tanden bedraagt minstens 17 in
iedere kaakhelft, maar kan boven tot 20, onder tot 22 stijgen en
dus in 't geheel 84 zijn. Het neusmiddelschot is verbeend; onder de
buikschilden bevinden zich geen huisbeenderen, of deze zijn zeer dun
en onbeduidend. Van dit geslacht zijn 3 soorten bekend, waarvan 2 in
Noord-Amerika en 1 in het zuidoosten van China. Het woord "Alligator"
is ontstaan door verbastering van het Portugeesche woord "el Lagarto",
dat "Hagedis" beteekent. De naam "Kaaiman", waarmede de leden van
dit en het volgende geslacht meestal aangeduid worden, is ontleend
aan de taal van sommige Amerikaansche negerstammen.
De Alligator of Kaaiman met den snoekenkop (Alligator mississippiensis,
A. lucius) is kenbaar aan den breeden, platten snuit, welke veel
gelijkt op dien van een Snoek en aan de schilden in den nek. Hij kan
4,5 M. lang worden, maar is reeds bij het bereiken van de helft dezer
lengte als volwassen te beschouwen. De bovendeelen zijn gewoonlijk
vuil olijfgroen, hier en daar met donkerder vlekken geteekend, de
onderdeelen zijn vuil lichtgeel.
Het verbreidingsgebied van den Alligator is beperkt tot de
zuidoostelijke Vereenigde Staten van Noord-Amerika en strekt zich
van den mond der Rio-Grande noordwaarts tot 35° N.B. uit. In bijna
alle stroomen, beken, meren en moerassen van Zuid-Carolina, Georgië,
Florida, Alabama, Mississippi en Louisiana ontmoet men hem zeer
algemeen; verder noordwaarts komt hij zeldzamer, in Noord-Carolina
slechts hier en daar voor. In de bedoelde stroomen ziet men de
Alligators op de slijkerige oevers en op groote, drijvende boomstammen
in de zon zich koesteren of zwemmend hun voedsel zoeken. In Louisiana
zijn alle moerassen, bochten, stroomen, vijvers, meren vol van deze
dieren; men merkt ze overal op, waar zooveel water is, dat zij zich
verbergen en voedsel vinden kunnen; evenzoo is het gesteld in de andere
hierboven genoemde staten tot aan den mond van den Arkansas, en ook
in de meer westwaarts gelegen stroomen. Op de Red-River waren zij,
voordat hier stoombooten voeren, zoo buitengewoon veelvuldig, dat men
ze bij honderden langs den oever of op de ontzaglijk groote massa's
drijfhout zag. De kleine lagen of zaten op den rug van de grootere;
soms hoorde men van hen een gebrul als dat van duizend wilde stieren,
die elkander willen bevechten. Evenals vele andere hier levende dieren
waren zij zoo weinig schuw, dat de bedrijvigheid op den stroom of aan
den oever nauwelijks eenige wijziging in hunne gewoonten bracht. Om
de booten, die hun op een afstand van weinige meters voorbijvoeren,
bekommerden zij zich niet, tenzij men op hen schoot. In brak water
waren en zijn zij zeldzamer.
Op het land beweegt de Alligator zich gewoonlijk langzaam en met
tegenzin. Zijn gang is een gebrekkig gescharrel; de eene poot
na den anderen wordt op plompe wijze naar voren verplaatst; het
zware lichaam schuurt intusschen over den grond en de lange staart
sleept over den bodem. Zoo komt hij uit het water, zoo kruipt hij
over de velden of in de wouden rond, om een andere woonplaats, waar
hij voedsel hoopt te vinden, of een geschikte legplaats voor zijne
eieren op te sporen. Op het land zijn deze dieren, waarschijnlijk
wegens hun onbeholpenheid, erbarmelijk lafhartig. Wanneer zij bij
het reizen van het eene water naar het andere een vijand bespeuren,
gaan zij zoo plat mogelijk op den bodem liggen, drukken den snuit er
tegen aan en blijven bewegingloos in deze houding, waarbij intusschen
de zeer beweeglijke oogen voortdurend op den tegenstander letten. Als
men nader bij hen komt trachten zij niet te vluchten en wagen evenmin
een aanval, maar verheffen zich eenvoudig op hunne pooten en blazen,
alsof zij een smidsblaasbalg in 't lijf hebben. Zonder eenig gevaar
te loopen, kan men ze nu doodslaan, wanneer men zich slechts op
een eerbiedigen afstand houdt van den staart, het meest gespierde
lichaamsdeel en in zekeren zin ook het beste wapen van dit dier. Door
een krachtigen slag met den staart kan het een mensch dooden.
In het water, zijn eigenlijke element, is de Alligator levendiger
en stoutmoediger. Soms komt het voor, dat hij hier zelfs den mensch
aanvalt. In den regel echter vermijdt hij den heer der schepping
angstvallig, vooral wanneer deze hem wil bestrijden. De "cowboys" of
herders van het rundvee waden in Noord-Amerika, wanneer zij bij een
door Alligators bewoond water komen, met knuppels gewapend hierin op,
om een weg voor hun vee te banen of om te verhoeden, dat het gedurende
het drinken lastig gevallen wordt door de vraatzuchtige Reptiliën. Als
zij regelrecht op den kop van den Alligator afgaan, hebben zij niets
te vreezen en kunnen zelfs zonder gevaar te loopen dien kop met
hun knuppel beuken, totdat het dier uit den weg gaat. Soms ziet men
menschen, Muildieren en Alligators dicht bij elkander in het water;
het vee doet angstige pogingen om de Krokodillen te ontwijken; de
herders zijn druk in de weer met hunne stokken; de Alligators kijken
met begeerige oogen naar de dieren, die zij zoo gaarne buit zouden
willen maken, maar houden zich uit vrees voor de pijnlijke slagen op
een eerbiedigen afstand.
Schapen en Geiten, die aan den waterkant komen drinken, Honden,
Herten en Paarden, die zwemmend de overzijde trachten te bereiken,
loopen gevaar door de Alligators verdronken en later verslonden
te worden; het eigenlijke voedsel van deze Krokodillen bestaat
echter uit Visschen. Wanneer de rivieren buiten hare oevers treden,
hetgeen in het door hen bewoonde gebied ieder jaar gebeurt, vullen
de groote, met haar samenhangende moerassen en ondiepe meren zich
niet slechts met water, maar ook met Visschen; op deze maken de
Alligators jacht. Bij afnemende waterstand, als de geulen, die deze
meren verbinden, droogvallen, worden de Visschen genoopt zich naar de
diepste plaatsen te begeven; de Krokodillen volgen hen en trekken van
den eenen kuil naar den anderen. Na zonsondergang is het gedruisch,
dat deze roovers met hun staart maken, ver hoorbaar; naderbij komend,
ziet men, hoe zij door hunne bewegingen het water beroeren en de
Visschen zoo beangst maken, dat deze bij honderden boven het water
uitspringen, met het doel, om hunne verwoede vijanden te ontwijken;
dikwijls echter worden zij juist door de staartslagen in de nabijheid
van den veeltandigen muil gedreven.
In den zomer legt het wijfje hare betrekkelijk kleine, witte, met
een harde kalkschaal bedekte eieren, welker aantal soms meer dan 100
bedraagt, in een eigenaardig nest. Zij bouwt dit op een hiervoor
geschikte, meestal 50 à 60 schreden van den waterkant verwijderde
plek in het dichte struikgewas of rietveld, voert in den bek bladen,
stokken en dergelijke materialen aan, legt de eieren en dekt ze
zorgvuldig toe. Van nu af houdt zij voortdurend in de nabijheid van
het nest de wacht en schiet woedend toe op ieder wezen, dat hare
eieren nadert. De temperatuursverhooging, die een gevolg is van de
rotting der plantaardige stoffen, waaruit het nest bestaat, bevordert
de ontwikkeling der kiemen; de jonge Alligators werken zich behendig
door de hen bedekkende plantenmassa heen en worden door de moeder naar
het water geleid, gewoonlijk eerst naar kleine, afgezonderde plassen,
om hen tegen de mannetjes en de groote Moerasvogels te beveiligen.
De jacht op den Alligator wordt bemoeilijkt door de taaiheid van
zijn leven; want ook deze Krokodil wordt slechts door een kogel,
die de hersenen of het hart doorboort, onmiddellijk gedood, beter
echter door een flink schot hagel. Vaker nog dan van geweren,
maakt men gebruik van groote netten; de plassen worden hiermede
leeggevischt, de gevangene exemplaren op den oever getrokken en met
bijlen doodgeslagen. Enkele negers vangen den Alligator zeer handig
in een strik, dien zij hem over den kop werpen, wanneer hij in de
nabijheid van den oever zwemt en waaraan zij hem vervolgens uit het
water trekken. Een door een schot gewonde Alligator, brengt onder
de medebewoners van den plas zulk een groote opschudding en vrees
teweeg, dat zij in den regel een andere woonplaats opzoeken, of zich
althans gedurende verscheidene dagen verborgen houden; zij letten
daarentegen veel minder op een metgezel, die door een kogel of een
schot hagel oogenblikkelijk gedood werd. Bij de Red-River werden in
vroegere jaren, toen schoenen, laarzen en zadels van alligatorleer
in de mode waren, duizenden van deze dieren gedood. D. Gronen schat
het aantal jonge Alligators, die ieder jaar in Florida ter wille van
hun huid, hunne tanden en hun op olie gelijkend vet gevangen worden,
op 6000. Er wordt een prijs van 25 dollars voor de 100 stuks betaald.
Het is deze soort van Krokodillen-familie, die men in dierentuinen
en beestenspellen het veelvuldigst te zien krijgt. Ieder jaar
worden verscheidene honderden levende Alligators op de Europeesche
wildedierenmarkt gebracht; alle vinden koopers: de kleine,
die de eischaal nog slechts sinds kort verlieten, worden door
dierenliefhebbers gekocht voor hun aquarium en zoover getemd, dat
zij ten slotte het voedsel, dat hun verzorger hun voorhoudt, uit de
hand nemen; de groote exemplaren komen in het bezit van eigenaars
van beestenspellen en worden door hen zoolang medegevoerd, totdat
zij door mishandeling, honger en koude bezwijken. Oud gevangen dieren
versmaden gewoonlijk het voedsel, dat men hun geeft; exemplaren van
1 1/2 M. lengte daarentegen geraken spoedig aan den gevangeniskost
gewoon, indien men hun slechts een ruime woning verschaft, bij voorkeur
een kleine vijver in een tuin. Met een levenden buit moet men ze aan
't eten brengen, b.v. door vleugellamme Musschen, levende Duiven,
Hoenderen enz. op het water te werpen; later nemen zij ook stukken
rauw vleesch aan, die men door een daaraan bevestigd touw in beweging
brengt; eindelijk sperren zij reeds, wanneer men hun dit voedsel toont,
den muil open en wachten onder vroolijk geklok, "tot de gebraden
Duiven hun in den bek vliegen." Oude Alligators hebben een geduchten
eetlust; zij kunnen per week 8 KG. vleesch verorberen. Bij zorgvuldige
behandeling kunnen zij ook in de open lucht jaren lang de gevangenschap
verduren; hiervoor is echter noodig, dat hun de gelegenheid wordt
verschaft om zich gedurende den winter behoorlijk tegen den invloed
van de koude te beveiligen, b.v. door zich onder het slijk te begraven;
indien dit niet geschiedt, komen zij den eersten winter niet door.
Het geslacht van de Kaaimans (Caiman) onderscheidt zich van dat
der Alligators door het ontbreken van het beenig neusmiddelschot
en door het bezit van een uit beweeglijke beenplaten samengesteld
buikpantser. De vijf bekende soorten van dit geslacht zijn tot Middel-
en Zuid-Amerika beperkt.
Zoowel bij den Jacare (Caiman latirostris) als bij den Gebrilden
Kaaiman (Caiman sclerops) zijn de bovenste oogleden voor een deel
verbeend, voor een deel vliezig en met een klein, naar boven gericht
hoorntje voorzien; bij beide zijn de voorranden der oogholten door
een halvemaanvormige, beenige dwarslijst verbonden, die met het
verbindingsstuk van een bril vergeleken wordt; bij beide zijn de
voorste nekschilden groot en op 2 (hoogstens 3) dwarsrijen geplaatst:
bij den Jacare echter vormen de achterste nekschilden 3 of 4, bij den
Gebrilden Kaaiman steeds 5 dwarsrijen. De Jacare bereikt een lengte
van 3.5 M.; de Gebrilde Kaaiman wordt hoogstens 2.8 M. lang; bij
dezen is de snuit betrekkelijk iets langer dan bij genen. Bij beide
zijn de bovendeelen donker olijfbruin, de zijden met grijsachtige
vlekken gemarmerd, de onderdeelen groengeelachtig wit.
De Jacare bewoont Zuid-Amerika ten oosten van de Andes, van den
Amazonenstroom tot de La-Plata-rivier, de Gebrilde Kaaiman geheel
Middel- en Zuid-Amerika van de landengte van Tehuantepec tot aan de
La-Plata-rivier op ongeveer 32° Z.B.
Azara en de Prins Von Wied hebben de levenswijze van den Jacare
met voldoende nauwkeurigheid beschreven. Hij houdt meer van stille
rivierarmen of stilstaande wateren dan van snel vlietende stroomen
en is daarom in de groote, moerassige bosschen van het binnenland
bijzonder talrijk. Zoolang deze vraatzuchtige roover, in het water
rustend, op buit loert, ziet men van hem niets anders dan het voorste
deel van den kop, die zoover opgeheven wordt, dat het hoogliggende
oog juist over den waterspiegel kan gluren en dat de neusgaten lucht
kunnen opnemen. In deze houding blijft hij over dag op dezelfde plaats,
of zwemt tegen den middag naar den oever of naar een rotsblok, waar
hij in de zon gaat liggen slapen; de nadering van een mensch of van
een Hond drijft hem echter onmiddellijk in het water terug.
"Het voedsel van den Jacare bestaat uit alle levende wezens, die hij
vangen kan. In de maag van een jongen Kaaiman vond ik hoofdzakelijk
overblijfselen van Visschen en Watervogels, bovendien kiezelsteentjes
en zand; ik vernam tevens, dat deze dieren soms groote steenen in de
maag hebben. De Braziliaansche visschers beweren, dat de Jacare soms
een zwemmend of badend mensch aanvalt; een hunner toonde mij zelfs
aan zijne beenen en armen litteekenen van door dit dier veroorzaakte
wonden. Over 't algemeen kan men echter deze Krokodillen niet als
gevaarlijk voor den mensch beschouwen. Alle die ik zag, waren zeer
schuchter en verdwenen onmiddellijk, zoodra men hen tot op een afstand
van 30 of 40 schreden naderde."
De bewoners van Paraguay maken ijverig jacht op den Jacare; de
Europeanen doen dit met vuurwapenen, de Indianen met een eigenaardige
soort van pijlen. De pijl wordt den Kaaiman in de zijde geschoten en
is zoo ingericht, dat de schaft afvalt, zoodra de ijzeren spits in
het lichaam doorgedrongen is; de schaft, die nu nog door een touw met
de spits verbonden is, wijst, op het water drijvend, de plaats aan,
waar het gewonde dier zich verborgen heeft. De Spanjaarden maken bij
deze jacht ook wel gebruik van een aan beide einden spits toeloopend
stuk hout, dat, aan een lijn vastgehecht, met runderlong omgeven, in
't water geworpen wordt; de Kaaiman slikt dit lokaas door en wordt
dan met geringe moeite op het land getrokken.
De Prins Von Wied bezat verscheidene levende, jonge Jacares. Zij
gedroegen zich wild en onstuimig, bliezen den buik en de keel op,
als men ze aanraakte of plaagde, sisten tevens als een Gans op het
nest en openden den muil. Wanneer men ze van achteren aanraakte,
keerden zij zich buitengewoon vlug om, beten flink van zich af en
sloegen hevig met den staart. De onaangename muscuslucht der oude
dieren was ook bij hen reeds aanwezig.