Als type van het geslacht der Adders (Vipera) en van de geheele

onderfamilie beschouwen wij de inheemsche Adder (Vipera berus). Het

geslacht kenmerkt zich, doordat de kruin niet met schilden, maar

met schubben bekleed is en er (behoudens zeldzame uitzonderingen)

slechts een enkele reeks van schubben voorkomt tusschen het oog en

de hieronder gelegen bovenlipschilden. De kleur en teekening van

de genoemde soort varieeren zeer sterk: een donkere zigzagstreep,

die zich langs den geheelen rug uitstrekt, is bijna altijd aanwezig

en daarom als kenmerk van belang.

Door haar gestalte onderscheidt de Adder zich van de overige inheemsche

en de meeste Europeesche Slangen; hiervan zijn de naaste verwanten

van de Gewone Adder, de Aspisadder en de Zandadder, natuurlijk

uitgezonderd. De kop is van achteren aanmerkelijk breeder dan de hals,

tamelijk plat en van voren zacht afgerond, de hals duidelijk begrensd

en zijdelings een weinig samengedrukt, de romp merkbaar dikker dan

de hals en even breed als hoog, de rug eenigszins, de buik sterk

afgeplat; de betrekkelijk korte staart wordt in 't laatste derde

gedeelte van zijn lengte in 't oog vallend dunner en loopt in een

korte, harde spits uit. De romp neemt van den hals tot het midden van

't lichaam langzamerhand in dikte toe en wordt van hier weer dunner

tot aan den staart, waarin hij zonder duidelijk merkbare afscheiding

overgaat. Bij het mannetje is de romp korter en slanker, de staart

daarentegen betrekkelijk langer en dikker dan bij het wijfje. De

lengte van het volwassen mannetje bedraagt ongeveer 60 cM., zelden

5 cM. meer, meestal minstens evenveel minder; het volwassen wijfje

is in den regel niet meer dan 70, soms echter 81 cM. lang. Alle

schubben hebben een meer of minder duidelijke, overlangsche kiel, die

echter op de reeks, welke aan de buikschilden grenst, slechts flauw

aangeduid is; de onderzijden is met breede dwarsschilden bekleed, die

op den staart een dubbele reeks vormen. Een zeer belangrijk kenmerk

levert het schild, dat de kloakopening bedekt (het aarsschild),

daar het altijd ongedeeld is en dus niet uit twee schubben bestaat;

deze eigenaardigheid komt bij geen andere inheemsche Slang voor (en

onder de Duitsche Slangen alleen nog maar bij de Aspis-adder). Het

aantal en de vorm der kopschilden varieeren sterk.

Waarschijnlijk vindt men slechts bij weinige Slangensoorten even groote

individueele verschillen van kleur als bij de Adder. Als regel kan men

echter aannemen, dat de grondkleur van het mannetje met lichte, die

van het wijfje met donkere tinten genuanceerd is; bij genen hebben

dus witte, zilvergrijze, licht aschgrauwe, zeegroene, lichtgele

en lichtbruine, bij deze bruingrijze, roodbruine of olijfgroene,

zwartbruine en dergelijke kleuren de overhand. Hoe verschillend echter

de grondkleur ook zij, een donkere, overlangsche, getakte "rugband"

komt er merkbaar op uit en is slechts bij zeer donker gekleurde wijfjes

en bij de zuiver zwarte variëteit weinig of niet waarneembaar. Deze

band loopt zigzagswijs van den nek tot aan het puntje van den staart

over den geheelen rug, aan weerszijden vergezeld door een overlangsche

reeks van donkere vlekken. Behalve deze zigzagstreep verdient ook de

teekening op den kop, waaraan de Adder den Duitschen naam "Kreuzotter"

dankt, vermelding. Twee overlangsche strepen, omgeven door ongeregeld

geplaatste vlekken en streepjes, versieren het midden van de kruin

en komen hier dikwijls zoo dicht bijeen, dat zij elkander raken;

zij beginnen op het oogschild, loopen naar het midden van de kruin,

worden hier soms door een vlek van gelijke kleur verbonden, wijken

vervolgens weer uiteen en vormen verder achterwaarts een duidelijken

hoek, welks top naar voren is gericht; deze hoek neemt als 't ware den

eersten scheefhoekigen vierhoek van de rugteekening tusschen zijne

beenen op. De onderdeelen van de Adder zijn meestal donkergrijs of

zelfs zwart; ieder schild vertoont echter in den regel een aantal

geelachtige vlekken van buitengewoon verschillenden vorm.

Het groote, ronde, vurige oog krijgt door het vooruitstekende

bovenoogschild, waaronder het gelegen is, een eenigszins valsche

(of fiere) uitdrukking en draagt er werkelijk toe bij om de Adder

te kenmerken, vooral wanneer men niet vergeet, dat bij geen enkele

andere inheemsche Slang de pupil een scheeve, van voren en boven

naar onderen en achteren gerichte, overlangsche spleet is. Bij helder

zonlicht krimpt deze spleet tot een nauwelijks merkbare lijn ineen;

in het donker daarentegen verwijdt zij zich zeer sterk. De kleur van

het regenboogvlies is gewoonlijk helder vuurrood, bij donkerkleurige

wijfjes licht roodachtig bruin.

De donkere variëteit werd lang voor een afzonderlijke soort (Vipera

prester) gehouden. Zorgvuldiger onderzoekers vonden het echter vreemd,

dat bijna alle Adders van deze kleur wijfjes waren; toen het bovendien

bleek, dat hare jongen zich in geen enkel opzicht van de Gewone Adders

onderscheiden, kon er geen sprake meer zijn van soortverschil.

De Adder heeft een uitgestrekter verbreidingsgebied dan eenige andere

Europeesche Slang en zelfs dan eenige andere landslang, daar het van

Portugal in 't westen tot het eiland Sachalin in 't oosten reikt,

in Skandinavië den poolcirkel overschrijdt, terwijl de zuidelijke

grens aan de eene zijde door het midden van Spanje, aan de andere

door het noorden van Perzië loopt.

De Adder komt bij ons het meest voor in hooge veen- en droge

zandstreken van Groningen, Friesland en Drente; ook wordt zij in

Overijsel hier en daar, in Gelderland tusschen Arnhem en Wageningen

(tamelijk zeldzaam) en in de omstreken van Barneveld, in Utrecht in

de omgeving van Zeist en Driebergen, in Noordbrabant nabij Vught en

Boxtel aangetroffen.

In de Alpen ontmoet men haar nog op een hoogte van 2000 M., dus boven

de grens van den groei der loofboomen, in oorden, waar zij hoogstens

gedurende drie maanden van het jaar in de vrije natuur kan verkeeren,

drievierde deel van haar leven daarentegen in winterslaap moet

doorbrengen. Voorwaarden voor haar gedijen zijn goede schuilplaatsen,

een voldoende voeding en zonneschijn; andere eischen schijnt zij niet

te stellen aan de streek, die haar een woonplaats zal verschaffen. Al

wat noodig is voor haar leven, vindt zij op steenachtige hellingen

en rotswanden, indien deze met struikgewas begroeid zijn, op heiden,

in het kreupelhout van bosschen, voor zoover dit opene, door de

zon beschenen plekken bevat, vooral echter op hoogen veengrond of

in steppen. Hier en daar zijn de Adders in zulke oorden uiterst

veelvuldig: in het Brennerstädter-woud in Luneburg werden gedurende

den hooitijd binnen drie dagen op een terrein van slechts weinige

hectaren meer dan 30 van deze Slangen gedood. Om dezelfde reden zijn

sommige heidestreken in Noord-Duitschland berucht; in de omstreken

van Berlijn komen moerassige boschgronden voor, waar de vrouwen,

om zich tegen adderbeten te beveiligen, bij het grasmaaien steeds

hooge laarzen dragen. In het echte bergwoud vindt men geen Adders,

hoewel zij een met hooge boomen begroeid terrein niet vermijden,

wanneer de bodem er met heide begroeid is. Streken, waar zij vroeger

niet voorkwamen, worden langzamerhand door haar ingenomen, wanneer

de bodem er zulke veranderingen ondergaat, dat zij er veiligheid

en buit vinden; het tegenovergestelde verschijnsel heeft plaats,

wanneer de omstandigheden voor haar ongunstiger worden.

De eigenlijke woning van de Adder is een hol, dat zij in den grond

vindt onder boomwortels of in het gesteente, een gat van een Muis of

een Mol, een verlaten woning van een Vos of Konijn, een kloof of iets

dergelijks; de voorkeur geeft zij aan een schuilhoek met een klein,

open plekje in de buurt, geschikt om er haar naar warmte begeerig

lichaam aan de stralen van de zon bloot te stellen. Tenzij de aandrift

tot paring haar opwindt en tot omzwervingen op ongewone tijden noopt,

blijft zij over dag steeds in de nabijheid van haar woning, waarheen

zij in tijd van gevaar terugkeert met een door slaapdronkenheid en

traagheid gematigde haast. Wegens haar voorliefde voor zonneschijn

hebben sommigen de Adder ten onrechte een dagdier genoemd. Alle

nachtdieren, geen uitgezonderd, zijn liefhebbers van zonnewarmte,

hoewel zij het licht schuwen; de Kat en de Uil, die zich eveneens door

de zon laten koesteren, zijn hiervan duidelijke voorbeelden: gevangen

Uilen bezwijken, wanneer men hen gedurende geruimen tijd het genot

van zich aan de zonnestralen bloot te stellen geheel onthoudt. Ook

de Adder kan er niet buiten. Het is voor dit dier, welks temperatuur

met die van de omgeving rijst en daalt, een volstrekte behoefte,

uren achtereen languit in den zonneschijn te liggen, een genot om

aan het lichaam de warmte te verschaffen, die het traag omloopende

bloed niet kan leveren.

Eerst als de schemering aanvangt, begint de Adder haar arbeid, haar

kostwinning, haar jacht. Hiervan kan ieder zich overtuigen, die een

door Adders bewoond hok zóó inricht, dat men, zonder door de dieren

opgemerkt te worden, zien kan, wat zij doen. Ook blijkt dit, wanneer

men op plaatsen, waar Adders veelvuldig zijn, 's nachts een vuur

aansteekt. De ongewone verlichting trekt de aandacht van de Adders,

die, nu wakker zijnde, nader komen om het vreemdsoortige verschijnsel

te leeren kennen, dicht bij het vuur kruipen, verwonderd in den gloed

kijken en, naar het schijnt, slechts noode zich verwijderen. Des

nachts, met behulp van vuur, kan men veel gemakkelijker Adders vangen

dan over dag, zelfs op plaatsen, waar men ze 's middags tevergeefs

heeft gezocht.

Wie de Adder nooit anders dan over dag heeft nagegaan, noemt haar

te recht buitengewoon traag, van beweging afkeerig, stompzinnig

en geesteloos, zelfs wanneer men haar met geen andere dieren dan

Slangen vergelijkt; nadat men haar des nachts bespied heeft, zal men

van meening veranderd zijn. Hoewel de Adder ook dan in behendigheid

en snelheid niet wedijveren kan met de slank gebouwde Heiaal of met

de Gladde Slang, is toch van de traagheid, die zij over dag toont,

's nachts weinig te bespeuren. Zeer opgewekt en levendig kruipt

de gevangen Adder door haar hok of doorkruist, als zij in de vrije

natuur verkeert, in alle richtingen haar jachtgebied; in volkomen

tegenspraak met haar houding gedurende den dag, let zij op al wat er

in haar omgeving voorvalt. Uit waarnemingen en proeven is gebleken,

dat zij zich over een vlakken bodem tamelijk snel voortkronkelt; zij

kan niet klimmen, maar wel, zich bij scheef gegroeide stammen omhoog

werken en weet zich ook in 't water goed te redden. Het water mijdt

zij trouwens volstrekt niet in die mate, als gewoonlijk aangenomen

wordt. Zij is geen waterdier, zooals de Ringslang en hare verwanten,

maar schuwt toch het water in 't geheel niet; in een veenstreek,

waar zij niet anders dan zwemmend van de eene droge plek naar de

andere kan komen, gevoelt zij zich zeer goed thuis.

De aard van de Adder is, voor zoover wij haar kennen, alles behalve

innemend; de blinde, ontoombare woede, die zij in haar gramschap

toont, wekt inderdaad afschuw. "Eens", zegt Lenz, "heb ik een Adder

een vol uur achtereen geplaagd; zij hield niet op met te blazen

en naar mij te bijten en bleef nog doorrazen, toen ik er genoeg

van had. Zelfs na het wegnemen van het voorwerp, waarmede men haar

plaagde, bijt zij, door woede vervoerd, dikwijls in de lucht, in

hoopjes mos enz., op een door de zon beschenen plaats zelfs naar

haar eigen of een andere schaduw. Haar lichaam is in dit geval tot

een schijf ineengekronkeld; de hals wordt naar het midden van de

schijf teruggetrokken en bij elke beet 15, hoogstens 30 cM. ver

uitgestoken. Door het terugtrekken van den hals geeft zij altijd

het voornemen om te bijten te kennen; zij bijt bijna nooit zonder

zich op deze wijze voorbereid te hebben en trekt na het bijten even

schielijk den hals terug, tenzij dit onmogelijk is, doordat zij zich

vastgebeten heeft. Zelfs wanneer men haar een voorwerp van de grootte

van een Muis voorhoudt, bijt zij dikwijls mis; bijna alle Vergiftige

Slangen missen niet zelden haar doel. Als de Adder woedend wordt en

bijten wil, bepaalt zij zich niet tot het terugtrekken van den hals,

maar steekt ook (als het voorwerp, waardoor haar toorn wordt opgewekt,

niet in haar onmiddellijke nabijheid is en zij dus den tijd heeft om

zich te bedenken) de tong herhaaldelijk snel uit, ongeveer zoo ver

als de lengte van den kop bedraagt; intusschen gloeien hare oogen;

de tong, die vóór het bijten slechts zelden het voorwerp aanraakt,

blijft gedurende het bijten verborgen. De Adder zal, als zij plotseling

door een vijand verrast wordt en oogenblikkelijk bijt, slechts zelden

vooraf sissen; des te meer en des te heviger hoort men dit geluid,

indien zij meer bedenktijd heeft en haar toorn tot grooter hoogte

stijgt. Het sissen of blazen geschiedt in den regel met gesloten bek

en wordt veroorzaakt door een ongewoon krachtige uit- en inademing;

het bestaat uit twee verschillende en toch onderling overeenkomende

geluiden, die elkander ongeveer in dezelfde tijdruimte opvolgen

als het uit- en inademen van den mensch. Steeds blaast de Adder,

als zij toornig is, zich sterk op, zoodat zelfs magere exemplaren er

dik en vet uitzien. In nog hoogere mate geschiedt dit, wanneer men

haar in 't water werpt; in dit geval wordt door de opgenomen lucht

haar soortelijk gewicht verminderd. Zij is altijd op haar hoede en

onmiddellijk tot aanval en verdediging gereed. Daarom zal men haar

bijna altijd, zelfs bij de minst mogelijke stoornis, met scheef

opgeheven kopje te zien krijgen. Hoewel haar gezicht over dag zeer

slecht is, maakt zij toch wel degelijk verschil tusschen de voorwerpen,

die in haar nabijheid komen; men kan zich licht overtuigen, dat zij

het liefst naar warmbloedige dieren en van deze weder het liefst

naar Muizen bijt. Wanneer een Adder in een zeer helderen, glazen bak,

wordt opgesloten, zal men zien, dat zij veel liever den kop beweegt

naar de bloote hand, indien deze tegen den buitenkant van het glas

wordt gehouden, dan naar een mouw, een stokje, enz.

"Gevangen Adders, die een ruime kist bewonen, leven in vrede met

allerlei kleine dieren behalve met Muizen; Hagedissen, Vorschen en

Vogeltjes, die aan het gezelschap van den Adder gewoon waren geraakt,

heb ik dikwijls rustig op haar zien zitten om zich in de zon te

koesteren; ook in de vrije natuur heb ik wel Adders aangetroffen,

waarop Hagedissen zich hadden neergevleid. Andere Slangen en

Hazelwormen gaan eveneens gaarne naast, op en onder de Adder liggen

en behandelen haar dus als ware zij een soortgenoot. Dat Kevers over

haar lichaam loopen, schijnt haar niet te hinderen; van haar kop

schudt zij hen af, zonder boos te worden.

"Algemeen verbreid is de meening, dat de Adder springen kan en

in gramschap haar tegenstander zelfs over een grooten afstand

vervolgt. Zoomin ik als mijn slangenvanger hebben ooit iets van dien

aard gezien of vernomen van personen, die goed met Adders bekend

zijn. Wanneer de Adder plotseling overvallen wordt, terwijl zij

uitgestrekt op den grond ligt, kan het voorkomen, dat zij zich den tijd

niet gunt om het geheele lichaam schijfvormig op te rollen, maar zich

bepaalt tot het terugtrekken van den hals en onmiddellijk daarna met

het doel om te bijten den kop schielijk vooruitwerpt; het gebeurt soms,

dat deze beweging ook het overige lichaam een weinig vooruit doet gaan.

"De Adder, die tusschen gras of struikgewas verborgen ligt en door den

voorbijganger niet opgemerkt zou worden, indien zij zich stilhield,

verraadt dikwijls in blinde woede haar aanwezigheid door woest

te sissen en te bijten, zoodat de wandelaar haar dikwijls eerst

bespeurt, nadat zij hem in 't been of althans in den broek of in

de laarzen gebeten heeft. Soms vlucht zij na den eersten of tweeden

beet; soms sluipt zij weg zonder eenige daad van vijandschap, zoodra

zij menschen in haar nabijheid bemerkt. Des nachts, als zij volkomen

wakker is, handelt zij waarschijnlijk in den regel op de laatstgenoemde

wijze. Dit verklaart het opmerkelijk feit, dat gedurende den nacht

zulke aanvallen veel zeldzamer voorkomen dan men vermoeden zou,

al houdt men rekening met het minder drukke verkeer op de liefste

verblijfplaatsen der Adders na zonsondergang."

De Adder voedt zich bij voorkeur, maar niet uitsluitend met

warmbloedige dieren; Muizen heeft zij liever dan eenigen anderen

buit. Het meest hebben de Aard- of Akkermuizen van haar te lijden,

"daar zij de langzaamste en goedaardigste van alle inheemsche Muizen

zijn, veel minder de vlugge, sluwe Veldmuizen. Spitsmuizen worden

niet verschoond. Hoewel ik nog nooit een Mol in de maag van een

Adder heb gevonden, twijfel ik er volstrekt niet aan, dat zij bij

't ontdekken van een nestje vol jongen, smakelijk smullen zou van

dezen vetten buit." Dat zij de Muizen niet slechts boven, maar ook

onder den grond vangt, blijkt uit de onderzoekingen van Lenz, die

in de maag van de door hem ontlede Adders dikwijls jonge, volkomen

onbehaarde Muizen of Spitsmuizen vond, welke niet anders dan uit

het onderaardsche nest verkregen kunnen zijn. Het is volstrekt niet

onwaarschijnlijk, dat de Adder vele nesten plundert van Vogels, die

op den grond broeden. Men kan dit afleiden uit het geschreeuw en de

van groote onrust getuigende bewegingen der oude Vogels bij het zien

van een Adder. Vorschen eet de Adder vermoedelijk slechts in geval

van nood, Hagedissen alleen gedurende haar jeugd.

Evenals andere Slangen, kan de Adder zonder bezwaar geruimen tijd

vasten; des te meer voedsel gebruikt zij, wanneer haar jacht gelukkig

was.

Het zomerleven van de Adder begint eerst in April, ofschoon men haar

bij gunstige weersgesteldheid reeds omstreeks het midden van Maart

buiten haar winterherberg ziet; bij uitzondering, als het buitengewoon

zacht weer is, vertoonen enkele exemplaren zich reeds vroeger, zelfs

midden in den winter, in de open lucht. In de als winterverblijf

dienende holen vindt men in den regel tamelijk vele Adders bijeen. Een

arbeider te Ees bij Assen vond, terwijl hij bezig was veen te hakken,

den 7en December 1852, op een plekje grond ter grootte van 1 M2 56

Adders; achtereenvolgens werden op hetzelfde stuk land meer dan 500

Adders gedood. (Maitland.)

Volgens de onderzoekingen van Lenz paren de Adders eerst, als zij

bijna haar vollen wasdom bereikt hebben; geen van de exemplaren,

welker lichaam rijpe eieren bevatte, was korter dan 50 cM. Het

aantal jongen hangt af van den leeftijd en de grootte van het wijfje:

bij jonge wijfjes bedraagt het 5 of 6, bij anderen 12 à 14 of zelfs

16. Nauwelijks is het ei gelegd, of het daarin aanwezige jong strekt

zich, verscheurt de fijne eischaal en kruipt er uit. Bij de geboorte

heeft het lichaam een lengte van 18 à 23 cM. of nog iets meer en in

't midden een dikte van ongeveer 1 cM. De kop, de schilden, schubben,

tanden, tandscheeden, enz. hebben denzelfden vorm als bij de volwassen

dieren; het lichaam is echter met een zeer fijne, doorzichtige,

los aanliggende opperhuid bekleed, waardoor de kleur veel lichter

schijnt. Weinige minuten of uren na de geboorte wordt deze opperhuid

afgeworpen; de vervelling is dus de eerste belangrijke verrichting

van het zelfstandige dier. Uit proeven en waarnemingen blijkt, dat

Adders, weinige minuten nadat zij uit het ei zijn gekomen, reeds een

dier vergiftigen kunnen.

De Adder blijft in de vrije natuur boosaardig tot aan haar einde;

hetzelfde geldt van het gevangen dier. Hoewel zij haar zinnelooze

woede mettertijd eenigszins bedwingt en minder dikwijls bijt dan in

den beginne, laat zij zich nooit werkelijk temmen. Daar men haar

nooit kan leeren niet meer naar haar verzorger te bijten, blijft

de omgang met de Adder steeds gevaarlijk. Opmerkelijk is het, dat

gevangen exemplaren zelfs bij de zorgvuldigste verpleging slechts

bij uitzondering voedsel aannemen. Wel geschiedt dit soms, wanneer

men haar hok op zulk een wijze inricht, dat het zoo getrouw mogelijk

een van hare lievelingsplekjes in de vrije natuur nabootst. In den

regel echter wijden deze dieren zich aan den hongerdood; men kan ze

zelden langer dan 9 maanden behouden.

Hoewel van alle inheemsche Slangen de Adder het krachtigst medewerkt

tot de verdelging van schadelijke dieren, is niemand haar dankbaar

voor de diensten, die zij bewijst; ieder tracht haar te dooden waar en

hoe hij kan. Geen enkel inheemsch dier verdient deze onmeedoogende

vervolging zoozeer als de Adder. Nog steeds komen gevallen voor

van menschen, die aan de gevolgen van een adderbeet gestorven

zijn of hierdoor in gevaar hebben verkeerd. Vele van deze gevallen

blijven onbekend; hun aantal kan dus niet met juistheid opgegeven

worden. Linck, die het gemiddeld aantal sterfgevallen van menschen

door adderbeten voor Duitschland op 2 per jaar stelt en het aantal van

hen, die gebeten worden, maar er het leven afbrengen, op 40 begroot,

is waarschijnlijk niet ver van de waarheid. I. Blum deelt mede, dat,

volgens geloofwaardige door hem verzamelde berichten, gedurende

de jaren 1879-1888 in Duitschland 17 sterfgevallen tengevolge van

adderbeten voorgekomen zijn. Vergiftigingen zonder doodelijken

afloop komen zeer dikwijls voor; niet zelden brachten zij ernstige

ziekteverschijnselen en zelfs een langdurig lijden teweeg. Door een

enkel druppeltje addergif kan een lang leven vergiftigd worden.

Ieder, die uit overdreven genegenheid voor de dieren de Slangen in

bescherming neemt, bezondigt zich aan de menschen. Beter zou het zijn,

dat alle Slangen, de schuldige zoowel als de onschuldige, uitgeroeid

werden, dan dat één mensch door den beet van een vergiftige Slang

het leven verliest, of door haar helsch vergif tot een onafgebroken

lijden wordt gedoemd. Het is daarom dringend noodig, dat bescherming

worde verleend aan de natuurlijke vijanden van de Adder, vooral aan

de Bunzing, den Egel en den Slangenbuizerd, en dat geen kwartier

worde gegeven aan het venijnig ongedierte! Het is wenschelijk, dat

ieder onderwijzer zijne leerlingen bekend make met de Adder, hun

leere om zonder gevaar voor zichzelf zulk een dier te dooden, als zij

het vinden. Ieder vader zou zijne kinderen kunnen vertellen, dat een

enkele flinke slag met een stokje op de ruggegraat van de Adder haar

het leven doet verliezen, hoe taai dit overigens ook zij! Laten zij

echter nimmer de roekeloosheid begaan van het gevelde dier op te nemen,

wanneer zij onbekend zijn met de voorzorgsmaatregelen, die hierbij in

acht genomen moeten worden; het dier behoudt nog lang nadat het den

doodelijken slag ontvangen heeft, het vermogen om zich te bewegen;

de gevaarlijkheid van de giftanden blijft onverminderd bestaan,

nadat de kop van den romp gescheiden is. De afgehouwen slangenkop

bijt nagenoeg even woedend om zich heen als vroeger, toen de Slang

nog leefde; minuten, ja zelfs een half uur na de onthoofding richt

hij zich nog steeds naar de zijde, van waar hij zich bedreigd acht;

hieruit blijkt, dat de weinig omvangrijke en niet zeer ontwikkelde

hersenen nog zeer lang haar werkzaamheid behouden. Het gif verliest

zijn schadelijke werking volstrekt niet door den dood van het dier;

zelfs het gedroogde gif, dat weder geweekt werd, is nog in staat

om het bloed van een Zoogdier te bederven. Voorzichtigheid moet dus

ingeprent worden aan ieder, die den lust en den wil openbaart om mede

te werken tot vermindering van het aantal Vergiftige Slangen.

Over de behandeling van hen, die het ongeluk hadden door een Adder

gebeten te worden, verwijzen wij naar hetgeen hierover vroeger werd

medegedeeld.

In het zuidwesten van Europa wordt de Adder gedeeltelijk vervangen

door een verwante soort, die meer dan eenige andere aanspraak heeft

op den naam "Vipera", daar zij aan de Romeinen der oudheid het meest

bekend was en door hen "Vivipara" (de levendbarende) werd genoemd. Zij

wordt gewoonlijk als het type van het geslacht Vipera aangezien; de

eigenaardigheden, waardoor zij zich van onze Adder onderscheidt, zijn

echter van zoo ondergeschikt belang, dat men de slangenkenners, die

beide--de Gewone Adder en de Aspis-adder (Vipera aspis, V. Redii)--als

onderafdeelingen van dezelfde soort aangemerkt willen hebben, niet

terstond ongelijk kan geven. Terwijl bij de Gewone Adder de voorkop

met duidelijke schildjes bekleed is, bestaat bij de Aspis-adder de

bedekking van dit lichaamsdeel uit platte of een weinig dakvormig

uitpuilende schubben, waaronder er zelden meer dan één is, die zich

door haar grootte eenigszins van de overige onderscheidt. De Gewone

Adder heeft gewoonlijk één rij van kleine schubjes tusschen het oog en

de bovenlipschilden; bij de Aspis-adder komen altijd twee dergelijke

reeksen van schubjes voor. Bovendien is de spits van den snuit bij

de laatstgenoemde een weinig verheven en de kant van den snuit boven

de teugelstreek scherper. In deze opzichten verschillen beide Adders

standvastig van elkander, overigens komen zij overeen; slechts na

nauwkeurige onderzoeking en vergelijking vallen de kenmerken in

't oog, die ons veroorloven de eene van de andere te onderscheiden.

De Aspis-adder bereikt bijna volkomen dezelfde grootte als de Gewone

Adder, maar heeft meestal een eenigszins meer gedrongen lichaamsbouw

en een breederen kop. Op den rug ziet men niet, of althans veel

zeldzamer dan bij de Gewone Adder, een samenhangende, getakte band,

maar eenvoudig groote, vaneengescheiden vlekken, die echter geheel

op dezelfde wijze gerangschikt zijn als die, welke den rugband van

de Gewone Adder vormen. De grondkleur, waarop de donkere teekening

uitkomt, kan ook hier verschillende tinten vertoonen, van effen

witachtig grijs tot aschgrauw of grijsgroen en van lichtbruinachtig

tot koperrood of bruinzwart varieeren. Evenals bij de Gewone Adder,

zijn ook bij de Aspis-adder, de mannetjes gewoonlijk lichter van

kleur dan de wijfjes.

De Aspis-adder bewoont een groot deel van Frankrijk, komt in

Zwitserland veelvuldig voor in de Jura en in eenige deelen van de

kantons Waadtland, Wallis en Zuid-Tessino, is in Italië, met inbegrip

van Sicilië, doch met uitzondering van Sardinië de algemeenste van

alle Vergiftige Slangen, wordt echter reeds in Dalmatië en Griekenland

en in Noord-Afrika niet meer aangetroffen. Binnen de grenzen van

Duitschland beperkt zich haar verbreidingsgebied tot Lotharingen

en het zuiden van het Schwarzwald. In Oostenrijk heeft men haar met

zekerheid slechts in Tirol herkend.

In aard en gewoonten gelijkt de Aspis-adder zeer veel op de

Gewone. Hare bewegingen zijn langzaam en zeer plomp. Zij is

bevreesd voor den mensch, tracht hem te ontvluchten en maakt van

hare verdedigingsmiddelen alleen dan gebruik, wanneer men haar

vlucht verhindert, haar aanraakt of den voet op haar zet; ook bijt

zij in den stok of in andere voorwerpen, die men gebruikt om haar te

vangen. Waarschijnlijk gebruikt zij hetzelfde voedsel als de Gewone

Adder en maakt dus bij voorkeur op verschillende soorten van Muizen

jacht.

Ook in gevangenschap gedraagt zij zich als haar bij ons inheemsche

verwante. Nooit slaagt men er in haar eenigszins te temmen; hoewel na

een verblijf van eenige maanden in het hok haar opgewektheid verminderd

is, tracht zij nog een half jaar na het verlies van haar vrijheid haar

verzorger te bijten. Zelden kan men haar bewegen voedsel te gebruiken;

eenige van Wyders gevangenen bleven 16 maanden lang zonder voedsel,

hoewel zij dikwijls water dronken. Evenals de Gewone Adder spuwt zij,

kort nadat men haar gevangen heeft, het nog in de maag aanwezige

voedsel uit. Een zeer dik exemplaar, dat bij gebrek aan een andere

bewaarplaats in een herberg een waterkaraf tot woning kreeg, had tot

verrassing der toeschouwers den volgenden morgen een grooten Mol bij

zich. Het verwijderen van dit doode dier kostte meer moeite dan er

noodig was geweest om de Adder met den door haar verzwolgen buit in de

flesch te brengen. De Aspis-adder leeft in de vrije natuur zoowel als

in de kooi met andere Slangen in vrede; deze vreezen haar niet. Tegen

Huismuizen en Ratten neemt zij echter dadelijk een dreigende houding

aan. De door haar gebeten Muis sterft aan deze enkele wonde binnen

5 minuten, een Rat eerst na 20 minuten en zelden zonder vooraf wraak

te nemen op haar vergiftigen vijand.

Francesco Redi (in 1697 als lijfarts van den Groothertog van Toscane te

Pisa overleden) heeft de ongegrondheid aangetoond van de meeningen der

ouden, die de zetel van het vergif van de Aspis-adder in de galblaas,

het speeksel en zelfs in de spits van den staart zochten. Uit

zijne proeven bleek de vergiftige werking van het gele vocht, dat

bij levende en doode dieren in de slijmvliesscheeden van de groote

bovenkaakstanden gevonden wordt. Fontana heeft in het einde van de

18e eeuw deze onderzoekingen voortgezet. Hij liet meer dan 4000 dieren

bijten door Aspis-adders, waarvan meer dan 3000 exemplaren voor deze

proefnemingen dienst deden. Met alle bekende tegenmiddelen werden

proeven genomen, niet slechts bij een enkel dier, maar bij vele te

gelijk; de slotsom van al deze onderzoekingen was, dat strikt genomen

van geen der bedoelde middelen genezing kan worden verwacht. Fontana

was van oordeel, dat de beet van één Aspis-adder niet voldoende zou

zijn om een mensch te dooden, maar dat hiervoor wel 5 of 6 beten

vereischt worden: ongelukkig is deze meening onjuist gebleken; ons

zijn wel niet vele, maar toch eenige gevallen bekend van menschen,

die aan de gevolgen van één adderbeet stierven.

Een derde Europeesche Vergiftige Slang, de Zandadder (Vipera

ammodytes), is kenbaar aan een eigenaardigheid van de spits van den

snuit, die een met schubben bedekt, zacht hoornachtig verlengstuk

draagt, dat op een kegelvormige wrat gelijkt. Van onze Adder verschilt

zij, door de bedekking van den kop, waarop zich evenals bij de vorige

soort, behalve de bovenoogschilden, geen groote platen bevinden. Door

gestalte en zelfs door kleur en teekening vertoont deze Adder met de

beide vorige soorten een groote overeenkomst. Evenals bij deze, is ook

bij haar de grondkleur zeer veranderlijk, meestal geelbruinachtig, doch

ook wel grijsachtig wit, bij enkele exemplaren in meerdere of mindere

mate rood getint, bij sommige zelfs fraai rozerood. De teekening

bestaat uit een bruinen, getakten band, die in den nek begint, zich

over den geheelen rug en den staart uitstrekt en uit langwerpige,

ruitvormige vlekken is samengesteld, die ieder door twee overstaande

hoeken met de vorige en de volgende verbonden zijn. De rugband is

aan weerszijden begrensd door een zwarte lijn en komt hierdoor beter

uit. De schilden van de onderzijde zijn op geelachtigen grond zwart

gestippeld en gevlekt. De grondkleur kan zeer verschillend en de

rugband meer of minder duidelijk zijn, steeds echter is de Zandadder

gemakkelijk te herkennen aan het uitwas op haar neus. De staart is

van onderen bij de spits vurig steenrood van kleur. Exemplaren van

95 cM. lengte behooren tot de zeldzaamheden; toch is deze Adder over

't algemeen eenige cM. langer dan hare reeds genoemde verwanten.

De Zandadder bewoont Italië, het Oostenrijksche Alpengebied, Istrië,

Dalmatië, het zuiden van Hongarije en Zevenburgen, het Grieksche

schiereiland en nagenoeg alle Grieksche eilanden, Turkije, Syrië,

Klein-Azië en Turksch- zoowel als Russisch-Armenië.

E. Schreiber noemt de Zandadder een volslagen nachtdier; zelfs in

oorden, waar zij tot de algemeenste Slangen behoort, ontmoet men haar

over dag meestal slechts zelden. Het liefst nog verlaat zij over dag

haar schuilplaats na een warmen onweersregen, vooral wanneer deze

onmiddellijk gevolgd wordt door zonneschijn. Des nachts daarentegen

komt zij geregelder te voorschijn; vooral bij lichte maan kan men haar

op geschikte plaatsen dikwijls in grooten getale zien rondkruipen om

voedsel te zoeken. Niet overal trouwens kiest deze Slang hetzelfde

terrein tot woonplaats; in vele gewesten, o. a. in de Zuidelijke

Alpen en den Karst, treft men haar uitsluitend in kalksteengebergten

aan, vooral in dorre, met struikgewas schaars begroeide oorden; op

het Balkan-schiereiland daarentegen is zij vooral in de wijnbergen

veelvuldig. In de echte vlakten zal zij trouwens slechts zelden

voorkomen; meer algemeen ontmoet men haar althans in heuvelachtige

of bergachtige streken.

Volgens Erber voedt de Zandadder zich met Muizen, Vogels en Hagedissen;

de Vogels weet zij zeer listig te besluipen; de argelooze gevederde

zanger krijgt dikwijls te midden van zijn gezang een doodelijken

beet. "Meestal jammerlijk schreeuwend verheft de gewonde Vogel zich

nog eens in de lucht; onmiddellijk daarna stort hij echter ter aarde,

sterft binnen weinige minuten en wordt door de Slang verzwolgen."

De eerste Zandadders, die Effeldt kreeg, werden hem toegezonden met

de opmerking, dat zij in de gevangenschap nooit voedsel aannemen; het

tegendeel bleek echter juist bij deze exemplaren; één van hen greep en

verzwolg zonder aarzeling de Muis, die in het hok geworpen werd. Later

gebeurde hetzelfde herhaaldelijk; enkele exemplaren onderscheidden zich

zelfs door vraatzucht, ontnamen het voedsel aan hunne soortgenooten

en verwanten, scheurden zwakkere individuën onder woedend gesis de

half verzwolgen Muizen uit den bek en verzadigden zich, terwijl de

andere gebrek moesten lijden. Doode Muizen werden niet versmaad,

ten slotte geraakten de Slangen zoozeer gewoon aan dit voedsel,

dat zij het niet meer noodig achtten hare wapens te gebruiken bij

het grijpen van een Muis, om 't even of deze dood was of niet.

De Zandadder leeft in zeer goede harmonie met andere Slangen, ook met

de niet-vergiftige; over 't geheel genomen is zij een betrekkelijk

vreedzaam dier, dat zich om andere dieren, natuurlijk met uitzondering

van Muizen en Vogels, in 't geheel niet bekommert, zoolang men haar met

vrede laat. Jegens haar verzorger toont zij van den aanvang af minder

lust tot bijten dan de Gewone Adder; bovendien wijzigt zij haar gedrag

tot op zekere hoogte naar de omstandigheden, laat zich althans in

meerdere mate temmen dan haar inheemsche verwante en behoort derhalve

tot de weinige Vergiftige Slangen, die den dierenliefhebber werkelijk

eenige voldoening schenken. Toch blijft ook zij altijd gevaarlijk.

"Mijn ervaring over de werking van haar beet op menschen," verhaalt

Erber, "bepaalt zich tot één enkel geval, dat ongelukkigerwijs mijn

vrouw betreft. Ik deel deze gebeurtenis met hare eigene woorden

mede. "Gedurende de afwezigheid van mijn man had ik te zorgen voor

de voedering van de gevangen Reptiliën en Amphibiën en voor het

schoonhouden hunner hokken. Om de Zandadders met versch water te

voorzien, plaatste ik de drie kooien, waarin zij zich bevonden, op

een tafel, opende ze een voor een en stak aan de gevaarlijke dieren

met een langen tang hun waterbak toe. Intusschen werd er aan de deur

gescheld; ik verwijderde mij om de deur te openen, maar vergat in mijn

haast het hok van de Adders te sluiten. Toen ik weer in de kamer kwam,

zag ik tot mijn grooten schrik, dat een van de Zandadders reeds met

de helft van haar lichaam buiten de kooi was gekropen. Verschrikt en

beangst, wist ik niet, wat te doen, had niet zooveel overleg om met

de tang het gevaarlijke dier in de kooi terug te brengen, maar vatte

het onbedachtzaam met de hand aan en wierp het weer in het hok. Dit

duurde slechts een oogenblik; maar hoe vlug ik ook te werk was gegaan,

toch was de Adder, toen ik de kooi sloot, vergramd opgesprongen en

had mij in den linker arm gebeten. Ik werd door den plotselingen

aanval van de Slang zoo verschrikt, dat ik mijn wonde een tijdlang

wezenloos aanstaarde. In 't eerst was er niets bijzonders aan te

zien; het was eenvoudig een zeer kleine schram, zooals een naald

zou kunnen veroorzaken. Het volslagen afwezig zijn van pijn stelde

mij gerust; ik achtte de zaak niet gevaarlijk. Kort daarna werd ik

echter door een duizeling bevangen en gevoelde mij zoo onpasselijk,

dat ik moest gaan zitten; tevens gevoelde ik een hevige, stekende

pijn op de gebeten plaats; deze begon, gelijk ik toen eerst zag,

groenachtig te worden, tevens kromp de schram in 't midden van de vlek

in. Daar de pijn voortdurend toenam, kwam ik tot de overtuiging, dat

het geraden was een van de gewelddadige middelen aan te wenden, die

bij de behandeling van dergelijke wonden gebruikelijk zijn, namelijk

het uitsnijden, uitzuigen of uitbranden van de gebeten plek. Ik nam

dus met de tang een strijkijzerbout, die juist in het vuur lag, en

drukte dezen dapper tegen de wonde. Er ontstond op de gebrande plaats

een groote, donker gekleurde blaar, door vele kleinere, roodachtige

blaren omgeven. Daar de spanning van de huid weldra onuitstaanbaar

werd, knipte ik de blaar door; er kwam een vuil, zwartachtig vocht

uit, dat ik ondanks de hevige pijn zoo volledig mogelijk uit de wonde

drukte. Deze werd daarna zorgvuldig verbonden en was tot mijn niet

geringe blijdschap na verloop van 8 dagen volkomen genezen."

Dat niet alle gevallen zoo gunstig afloopen, blijkt uit de

mededeelingen van Erhard. "Voor de Grieksche wijngaardeniers, die

gewoonlijk barrevoets hun arbeid verrichten en meer bepaaldelijk voor

de kinderen wordt de Zandadder niet zelden noodlottig. Haar gif heeft

een veel heviger werking dan dat van de Italiaansche Aspis-adder,

zoodat van haar beet in 't warme jaargetijde voor een kind of een

zwak mensch doodelijke gevolgen te duchten zijn. Gelukkig is zij zeer

traag. Daar zij nooit uit eigen beweging aanvalt, maar alleen bijt,

wanneer men bij toeval op haar trapt, zou men haar onschadelijk kunnen

noemen, indien de menschen, ondanks hun vrees voor deze Slang, zich

niet met echt Grieksche onbezonnenheid aan hare beten blootstelden."

Een van de grootste, gevaarlijkste en meest bekende Adders van de

tropische en gematigde gewesten van Afrika is de Pofadder (Vipera

arietans). Zij bereikt een lengte van 1.47 à 1.63 M.; de laatstgenoemde

maat zal wel nooit door deze soort overschreden worden. Niet ten

onrechte wordt zij een van de leelijkste van alle Slangen genoemd;

dit geldt echter slechts van haar vorm, niet van haar kleur. Günther

zegt: "Men heeft de Adders de Padden onder de Slangen genoemd; deze

vergelijking wordt het best gerechtvaardigd door op de Pofadder te

wijzen." Werkelijk herinnert deze Slang door haar platten en breeden

kop met ver uitpuilende oogen en door haar wanstaltig dik lichaam

aan een Pad. Tot op zekere hoogte varieeren haar kleur en teekening;

bijzonder in 't oogvallend zijn deze afwijkingen echter niet, wanneer

men bedenkt, dat de Pofadder, evenals iedere andere Slang, kort na de

vervelling de zuiverste kleur vertoont. De aanvankelijk helder zandgele

grondkleur van den romp wordt tot aan de volgende vervelling allengs

donkerder; dit geschiedt in sommige gevallen sterker dan in andere. De

rug prijkt met hoefijzervormige, donkere banden, waartusschen lichte

velden overblijven; ook op den kop komen dergelijke teekeningen

voor. De onderzijde is lichtgeel met zwarte vlekken.

De Pofadder bewoont geheel Afrika bezuiden 17° N.B.; aan de westkust

is zij algemeen, in het zuidoosten nergens zeldzaam, in het binnenland

waarschijnlijk overal verbreid, nader bij de zuidspits komt zij minder

overvloedig voor.

De naam van deze Slang is ontleend aan het hevige gesis, dat zij

voortbrengt, zoodra zij gestoord of, wat op 't zelfde neerkomt, tot

gramschap vervoerd wordt. Zij blaast zich dan gewoonlijk zoo sterk

op, dat de omvang van haar romp bijna verdubbelt. Tevens verheft

zij den kop tot 30 cM. boven den bodem, volgt met gloeiende oogen

iedere beweging van den naderenden tegenstander en wacht het gunstige

oogenblik af om den kop naar voren te werpen.

Over het leven van de Pofadder in vrijen toestand is weinig bekend;

misschien levert het niet veel opmerkelijks op. Zij onderscheidt

zich door haar traagheid, beweegt zich uiterst langzaam en maakt

alleen als zij bijten zal, een bliksemsnelle beweging in de richting

van haar prooi, waarbij het lichaam meestal min of meer om zijn as

draait. Over dag ligt zij gewoonlijk stil in de struiken of in het

lange gras verborgen, des nachts kruipt zij rond en komt dan met

het doel om Muizen te vangen dikwijls in de nabijheid van woningen,

hetwelk niet zelden aanleiding geeft tot ongelukken. Een vrouw in

de Transvaal, die in het donker naar buiten ging, trapte bij het

verlaten van haar huis op een vóór de deur liggende Pofadder, werd

gebeten en stierf in den loop van den volgenden dag. Nog meer gevaar

levert deze Slang op voor het grazende, kleine vee of voor Jachthonden,

daar zij zich te weer stelt, als zij door struiken gedekt is.

De voeding, waarschijnlijk ook de voortplanting van de Pofadder, zal

wel niet veel verschillen van die der overige Adders. Ook zij maakt

uitsluitend jacht op allerlei soorten van klein wild, waarschijnlijk

vooral op Ratten, Muizen, Aardeekhoorntjes en dergelijke Knaagdieren;

nu en dan vangt zij ook wel een Vogel, die onbedachtzaam zijn

gevaarlijken vijand nadert.

Een woedende Pofadder levert een schrikwekkend schouwspel op. "Eens",

verhaalt Drayson, "zag ik een wijfje van deze soort op het toppunt

van woede. Zij was met hare jongen door eenige Kaffers uit haar

schuilhoek, een omgevallen boomstam, opgejaagd en was blijkbaar van

zins zich te verdedigen. De Kaffers besloten de geheele familie te

dooden, maar waagden het niet in de nabijheid van het woedende dier

te komen. Toevallig kwam ik kort na het vinden van het Slangennest

bij de toen nog besluitelooze mannen, leidde den aanval, liet hen

groote steenen aanbrengen en met deze den strijd aanvangen. Na

weinige minuten was het doldriftige dier met zijne jongen gedood;

alle werden op een hoop hout gelegd en verbrand, om te verhoeden,

dat een der barrevoets loopende mannen, toevallig op een adderkop

trappend, zich zou wonden aan de giftanden, die nog lang na den dood

hun doodelijke werking behouden".

Drayson noemt het een opmerkelijk feit, dat in Zuid-Afrika, waar het

krioelt van Vergiftige Slangen, deze dieren zoo zelden een ongeluk

veroorzaken. Voor een groot deel is dit misschien een gevolg van de

vreesachtigheid der Slangen; de Pofadder evenwel behoort niet tot die

soorten, welke haar heil in de vlucht zoeken, als een mensch haar

nadert: over dag laat zij dit na uit traagheid en des nachts uit

domheid of boosaardigheid, of omdat zij te zeer overtuigd is van de

onfeilbaarheid harer wapens. Meestal echter reist men in Zuid-Afrika

te paard of in een wagen en is hierdoor beter nog dan de inboorling

door zijn scherpzichtig oog tegen de Slangen beveiligd; bovendien zijn

de gevaarlijkste soorten van Slangen eerst na zonsondergang wakker

en wordt de reis slechts zelden gedurende den nacht voortgezet. In

't open veld overnachtend, wordt het kamp omringd met een kring van

vuren, die de Vergiftige Slangen wel is waar aanlokken, maar toch

het binnenste van het kamp tegen hen beveiligen; daar de dieren,

naar mij bij ervaring gebleken is, wijselijk omkeeren, als zij zeer

dicht bij de vlam gekomen zijn.

Van alle Adders, die men tot dusver in gevangenschap heeft gehouden,

neemt de Pofadder misschien het gemakkelijkst voedsel aan. Het is niet

moeielijk de eischen, die zij aan het leven stelt te bevredigen. Een

warm hok, welks vloer met zand of kiezelsteentjes bestrooid is en

af en toe een voor haar geschikte buit zijn voldoende. Men ziet haar

daarom zeer dikwijls in dierentuinen.

Geen der Vergiftige Slangen heeft naast de Aspis meer de aandacht

van de ouden getrokken dan de Egyptische Cerastes of Gehoornde Adder

(Cerastes cornutus), behoorende tot een gelijknamig geslacht, dat

zich van het vorige onderscheidt door de kleine, halvemaanvormige

neusgaten, het soms aanwezige, soms ontbrekende, stekelige hoorntje

boven het kleine oog, maar vooral door de schubben, die aan de zijden

van den romp op schuinsche rijen staan en ieder voorzien zijn met

een stompe, korte kiel, die den top van de schub niet bereikt. De

bedoelde, veelvuldig voorkomende en meest bekende soort bereikt een

lengte van hoogstens 65 cM. en verraadt zich op het eerste gezicht

als een kind der woestijn, daar de kleur van haar schubbenkleed als

't ware een afspiegeling is van die van het zand; zij is meer of

minder levendig geel met bruinachtige tint en prijkt met bruine,

hoekige of rondachtige dwarsvlekken.

Het beeld van den Cerastes komt in de heilige schrijftaal van de

oude Egyptenaars veelvuldig voor, daar zijn oorspronkelijke naam "Fi"

later gebruikt werd om de klank F voor te stellen.

Het verbreidingsgebied van deze Adder strekt zich uit over geheel

Noord-Afrika, met uitzondering van Marokko, en over Steenachtig en

Gelukkig Arabië; het reikt echter voorbij den woestijngordel. Zij

leeft hoofdzakelijk in de woestijn, over dag steeds geheel onder

het zand verborgen op plaatsen, waar wijd en zijd in 't rond geen

water te vinden is; haar kruipen veroorzaakt door het over elkander

wrijven der schubben een hoorbaar gedruisch. Dat zij een nachtslang

is vermoedde reeds Bruce; daar ook hij de ervaring opdeed, dat zij

's nachts op het kampvuur afkomt. Op geen van mijne jachttochten

in de woestijn of de steppe heb ik er een gezien; des nachts echter

heb ik mij dikwijls aan haar geërgerd. Men moet ervaren hebben, wat

het zeggen wil, een dagreis in de woestijn achter den rug te hebben,

om te begrijpen, hoe zeer men dan naar rust verlangt. Van 's morgens

vroeg tot tegen den middag en van 's namiddags tot zonsondergang heeft

men op den rug van een weerbarstigen Kameel gezeten, de aanhoudend

droge lippen met den lauwwarmen, stinkenden inhoud van de waterzakken

bevochtigend, de kwellingen van den honger tot zwijgen brengend met

een weinig rijst, met moeite weerstand biedend aan de hitte van den

dag en met smachtend verlangen uitziend naar het nachtleger in het

zand: eindelijk wordt de plaats bepaald, waar het reisgezelschap

den nacht zal doorbrengen. De Kameelen worden ontladen; over een

ondiepe kuil in den grond, die door het afgraven van de bovenste

zandlaag verkregen is, wordt een tapijt gelegd: ieder stopt zich

een pijp en gaat zitten bij het hoogopvlammend vuur, dat intusschen

is aangestoken. Ieders gemoed verkeert in een behagelijke stemming;

zelfs de kok, die ons schraal avondmaal begint gereed te maken, neuriet

zijn eentonig lijfdeuntje. Plotseling wordt dit door een luiden vloek

afgebroken. "Wat is er aan de hand, jongen?"--"Dat Allah ze verderve,

haar en haar vader en haar gansche geslacht en ze verbanne naar den

diepsten afgrond der hel! Een Slang, Heer; maar zij braadt al in

't vuur!"--Het geheele kamp komt in rep en roer; ieder wapent zich

met een tang, gaat zitten op een baal goederen of op een kist en

wacht hier de ongenoode bezoekers af. Daar komen ze aankruipen,

soms wel bij dozijnen. Wie had kunnen denken, dat er in den omtrek

zoovele Gehoornde Adders leven!--Voorzichtig gaat nu eens deze, dan

weer gene met een ijzeren tang in de hand het giftige gedierte na,

pakt het te rechter tijd in den nek en knijpt den tang stijf dicht,

opdat de buit hem niet zal ontkomen. Midden in het helder brandende

vuur werpt hij den vervloekten zoon der hel en bespiedt met boosaardig

genot zijn doodsstrijd.

Waarmede de Gehoornde Adder te midden van de woestijn zich eigenlijk

voedt, is moeilijk te zeggen. Mogelijk maken op plaatsen, waar geen

Muizen zijn, Hagedissen haar voornaamste voedsel uit. Zeker weet men,

dat zij ook op Vogels jaagt.

In de gevangenschap schikt de Gehoornde Adder zich even goed als een

van hare verwanten. Verbazend lang kan zij vasten: zonder bezwaar kan

zij een half jaar lang zonder voedsel blijven. In de kooi zoowel als

in de vrije natuur woelt zij, indien hiervoor gelegenheid bestaat,

haar geheele lichaam onder het zand, zoodat slechts de oogen, de beide

hoorntjes en misschien hier en daar nog eenige plaatsen van de ruglijn

zichtbaar blijven. Door eigenaardige, zijwaartsche bewegingen van de

ribben, door den romp afwisselend te verbreeden en samen te trekken

en bij elke verbreeding het zand op zijde te schuiven, bedelven zij

zich; deze bewegingen volgen echter zoo snel opeen, dat voor het in

den grond kruipen meestal niet meer dan 10, hoogstens 20 seconden

noodig zijn. Het is niet onwaarschijnlijk, dat kleine Vogels de maar

eventjes boven het zand uitstekende hoorntjes voor het uiteinde van

een Worm of van een larve aanzien en voor deze vergissing met hun

leven moeten boeten.

Een andere in Egypte voorkomende Adder--de Efa (Echis carinata)--,

die tot het geslacht der Zandrateladders behoort, zou op het eerste

gezicht licht met den Cerastes verward kunnen worden: bij beide is

het lichaam betrekkelijk slank en vormen de schubben op de zijden van

den romp schuinsche, op het midden van den rug rechte reeksen. In

hoofdzaak stemt de Efa met de leden der beide vorige geslachten

overeen; zij verschilt van hen vooral door de bekleeding van de

onderzijde van den staart, die uit één reeks van schilden bestaat,

terwijl deze bij de overige Adders twee reeksen vormen.

De Efa is een kleine, maar sierlijke Slang van hoogstens 60 cM. lengte

en een sterk varieerende zandkleur: op een meer of minder lichten,

bruingelen grond komen onregelmatige, donkerbruine of zwarte banden,

streepjes, stippels of andere teekeningen voor; de onderzijde

daarentegen is lichtgeel, effen of bruin gestippeld. Men heeft

deze soort aangetroffen in geheel Noord-Afrika, Palestina, Arabië,

Perzië, de Aralo-Kaspische steppen en Voor-Indië. Ook zij wordt door

de slangenbezweerders voor hunne vertooningen gebruikt.

De Efa, hoe klein zij ook is, behoort tot de prikkelbaarste,

opvliegendste en gevaarlijkste Adders. In enkele provinciën van Indië,

vooral in Sind, schrijft men aan haar de meeste van de sterfgevallen

door slangenbeten toe; vooral de veldarbeiders hebben veel van haar

te lijden. Haar grootte in aanmerking genomen, is zij buitengewoon

driftig en strijdlustig; zelfs wanneer zij slechts op zelfverdediging

bedacht schijnt, is zij steeds geneigd om een tegenstander, hoe groot

en sterk deze ook moge zijn, hare giftanden te laten voelen. Door

proefnemingen is de krachtige werking van haar gif gebleken; een door

haar gebeten Hoen stierf na 4 minuten, een ander binnen ongeveer 2

minuten, een Hond in 4 uren.

De Groefkopadders (Crotalinae) hebben aan weerszijden van den snuit

tusschen de neusgaten en de oogen een diepe groeve, een blinden zak,

die zoomin met den neus als met de oogen in verbinding staat. Bovendien

onderscheiden deze Slangen zich van de Echte Adders door den slankeren

vorm van het lichaam en meestal ook door de grootere lengte van

den soms voor 't klimmen geschikten staart. De kop is eivormig of

stompdriehoekig, van achteren verbreed, duidelijk van den hals afgezet;

de neusgaten zijn aan de zijden van den snuit gelegen; de middelmatig

groote oogen hebben een vertikaal geplaatste, spleetvormige pupil. Het

schubbenkleed stemt in hoofdzaak met dat van de Echte Adders overeen.

De Groefkopadders, waarvan men ongeveer 60 soorten kent, komen het

talrijkst voor in het Oostersche Rijk, ontbreken geheel zoowel in het

Ethiopische als in het Australische Rijk en worden in het Noordelijke

Rijk van de Oude Wereld slechts door weinige soorten vertegenwoordigd,

die Tartarye, Tibet, Noord-China, Japan en Formosa bewonen; een grooten

rijkdom van vormen ontwikkelt deze onderfamilie echter in de Nieuwe

Wereld, vooral in Noord-Amerika.

De levenswijze van de Crotalinen komt in hoofdzaak overeen met die

van de Adders, hare naaste verwanten; evenals deze, zijn zij volslagen

nachtdieren, die den dag slapend of sluimerend doorbrengen en dan in

hare schuilplaatsen verborgen blijven, of vóór deze gaan liggen om

zich aan den weldadigen invloed der zonnestralen bloot te stellen;

het schijnt echter, dat zij, althans sommige van haar, minder traag

zijn dan de Echte Adders. Verscheidene soorten van Groefkopadders

klimmen; enkele, die aan haar groene kleur als boomdieren kenbaar zijn,

brengen haar leven in de twijgen door; andere zijn in 't zwemmen

bijna even bekwaam als de Zwemslangen en maken vooral op Visschen

jacht; de meeste echter verlaten den bodem niet en voeden zich met

allerlei kleine Zoogdieren en Vogels. Haar voortplantingswijze komt

volkomen overeen met die der Viperinen, daar ook bij haar de eieren

zich in het lichaam van de moeder zoover ontwikkelen, dat de jongen

onmiddellijk na het leggen de eischaal verbreken.

Hoewel de Groefkopadders over het algemeen, wat gevaarlijkheid

en boosaardigheid betreft, wel niet veel boven de Echte Adders

zullen uitmunten, worden zij meer gevreesd dan alle overige Slangen;

werkelijk mag men hare giforganen het hoogst ontwikkeld achten. Het

gevaar, waarmede sommige den mensch bedreigen, moge overdreven

voorgesteld zijn, eenige, en wel vooral de vreeselijke Lanskopslang

en de Boschmeester, schijnen den schrik te rechtvaardigen, die door

haar naam verwekt wordt.

De meest bekende Groefkopadders zijn de Ratelslangen (Crotalus);

van alle overige onderscheiden zij zich door het aanhangsel, dat zij

aan het einde van den staart dragen, den zoogenaamden "ratel", over

welks beteekenis men tevergeefs allerlei gissingen heeft gewaagd. Zij

bestaat uit een meer of minder groot aantal ineengeschoven, een weinig

samengedrukte, hoornachtige, holle kegels; iedere kegel vertoont

aan zijn buitenste oppervlakte drie verhevenheden, is met de spits

naar het staarteinde gericht en wordt gedeeltelijk overdekt door

den daarachter gelegen kegel, die zich aan twee der drie genoemde

verhevenheden vasthecht, doch er zoo los mede verbonden is, dat alle

kegels bewegelijk zijn en over elkander wrijven kunnen. Blijkbaar

is deze ratel een opperhuidsvorming, ongetwijfeld niets anders dan

een reeks van overblijfselen van vroegere vervellingen. Met zijn

ontwikkeling en groei was men tot voor korten tijd niet voldoende

bekend. Bij gevangen Ratelslangen, die men verscheidene jaren achtereen

heeft nagegaan, werd wel een vergrooting, maar geen vermeerdering

van het aantal leden van den ratel waargenomen; het blijkt dus, dat

het aantal leden jaren lang onveranderd kan blijven. De onderstelling

van eenige onderzoekers, dat bij de vervelling een nieuw lid gevormd

wordt, doordat de opperhuid van het vóór den ratel gelegen deel van

de buikzijde van den staart zich omkrult en niet afvalt, maar zich

naar de reeds aanwezige kegels vervormt, is in overeenstemming met

de waargenomen feiten; niet bij elke vervelling echter schijnen de

voorwaarden voor de vorming van een nieuw lid van den ratel aanwezig

te zijn. In allen gevalle zijn voor de ontwikkeling van den ratel

vele jaren noodig. 15 à 18 kegels aan één ratel behooren reeds tot de

groote zeldzaamheden; ook is het niet zeker, dat een dergelijk dier

dit aantal nog zal kunnen vergrooten. De meest samengestelde ratel,

die men heeft waargenomen, telde volgens A. Günther 21 leden.

De overige eigenaardigheden van de Ratelslangen vallen veel minder in

't oog. Haar kop is van boven en van voren met meer of minder talrijke,

groote schilden, overigens echter, evenals het geheele bovenzijde van

den romp, met langwerpig ruitvormige, gekielde schubben bedekt; de

onderzijde is met breede schilden bekleed, de hals (evenals bij alle

Adders) duidelijk begrensd, de romp is krachtig en (in vergelijking

met dien van andere Vergiftige Slangen) tamelijk slank, de giforganen

zeer ontwikkeld.

De Ratelslangen komen uitsluitend voor in Noord- en Zuid-Amerika. Zij

bewonen bij voorkeur dorre, zandige, of steenachtige woestenijen,

vooral zulke, die met lage struiken begroeid zijn; hier houden zij

echter meer van de nabuurschap van waterstroomen dan van watervrije

plaatsen.

Evenals bij de meeste van hare verwanten, is ook bij de Ratelslangen

het geven van een algemeen geldige beschrijving van een soort

moeielijk; daar de kleur en de teekening van hare leden buitengewoon

vele afwijkingen kunnen vertoonen. Ter onderscheiding van de soorten

let men daarom vooral op de schilden van den kop.

De Noord-Amerikaansche Ratelslang (Crotalus durissus) heeft, behalve

de groote wenkbrauwschilden boven ieder oog, op het voorste gedeelte

van den snuit nog twee paar groote schilden, waartusschen kleinere

zijn ingeschoven. De grondkleur van de bovendeelen is dof grijsbruin;

de teekening bestaat soms uit drie rijen van groote, onregelmatige

vlekken, soms uit dwarsbanden, die van voren en van achteren hoekig

begrensd zijn en op den donker gekleurden staart onduidelijk worden;

de onderzijde is op geelachtig witten grond met kleine, zwarte

stippels geteekend. Zeer oude wijfjes bereiken, naar men zegt,

bijna 2 M. lengte; exemplaren van 1.6 M. behooren echter reeds tot

de zeldzaamheden.

Het verbreidingsgebied van de Ratelslang strekt zich van de Golf van

Mexico noordwaarts tot 46° N.B. uit. Alleen in de westelijke Vereenigde

Staten reikt het zoo ver; volgens alle berichtgevers komt deze Slang

aan de oostzijde hoogstens tot bij het Champlain-meer voor. "Men mag

aannemen", zegt Geyer, "dat zij niet meer thuis behoort in streken,

waar wegens veelvuldige nachtvorsten gedurende den zomer geen maïs

verbouwd kan worden".

Het liefst bewoont de Ratelslang gewesten, waar rotsachtige, zonnige of

in 't algemeen woeste terreinsverhoogingen aan vruchtbare, grasrijke

dalen, rivieren, beken of weiden met bronnen grenzen; alleen wanneer

een sterke dauw geregeld de uitgestrekte vlakte verfrischt, vindt

men haar in deze streken, anders niet. Voor weersveranderingen is

deze Slang zeer gevoelig: zij verandert daarom reeds in den loop

van den dag bijna ieder uur van verblijfplaats. Op den fraaien,

helderen morgen van een heeten dag baadt zij zich in den dauw en kiest

daarna een geschikt plekje uit op een pad of op een breeden steen

om zich door de zon te laten verwarmen of drogen. Later, gedurende

de middaghitte, zoekt zij droge, beschaduwde plaatsen op, waar zij

rustig kan liggen, maar verwijdert zich ook dan niet ver van het

door de zon beschenen terrein. Als het verscheidene nachten achtereen

niet gedauwd heeft, vindt men haar dikwijls aan den rand van poelen

en stroomen; doch alleen als zij aan 't jagen is, begeeft zij zich

werkelijk te water. Voor regen is zij zeer gevoelig. Hare woningen zijn

verschillend, al naar zij zich in bebouwde streken of in wildernissen

ophoudt. Hier woont zij gezellig in zoogenaamde "herbergen", daar

steeds afzonderlijk; hier neemt zij holen van andere dieren in bezit,

daar behelpt zij zich met schuilhoeken. De holen, waarvan zij gebruik

maakt, worden gegraven door Prairiehonden, Aardeekhoornen, Ratten,

Muizen en zelfs door Oeverzwaluwen, hoewel de laatstgenoemde voor de

groote Reptiliën bijna ontoegankelijk schijnen te zijn. De Ratelslang,

kan echter met de stevige schubben van kop en romp zeer gemakkelijk

in de vaste aarde of in losse zandsteen boren, als hierin reeds een

gang aanwezig is, die eenvoudig verwijd moet worden.

In de nabijheid van door menschen bewoonde oorden vindt men haar zelden

of nooit in grooten getale, tenzij gedurende den paartijd, in het

einde van April of het begin van Mei. Hier houdt zij zich op in spleten

en kloven van rotsen, in muren en onder gebouwen, in holle boomen en

onder platte steenen, in houtmijten en in takkebossen; zelfs vindt men

haar onder den vloer van woningen, in de schuilplaatsen van Ratten en

Muizen. Waarschijnlijk hangt de keuze van haar winterkwartier, evenals

bij andere Slangen, zeer dikwijls van toevallige omstandigheden

af. Het dier, dat door een warmen Octoberdag nog eens uit zijn

"herberg" gelokt en door de plotseling invallende koude verrast wordt,

ziet zich genoopt, de schuilplaats, die het naast bij de hand is, als

winterbed te gebruiken; daarom vindt men in de prairiën dikwijls onder

enkele steenen in 't open veld Ratelslangen, die hier met gevulde maag

den winter willen doorbrengen. Haar winterslaap gelijkt volkomen op

dien van andere Reptiliën, met dit verschil, dat deze, indien zulks

mogelijk is, een droge, afgesloten plaats tot winterkwartier kiezen.

De meeste onderzoekers noemen de Ratelslang buitengewoon traag en

langzaam van beweging; Palissot de Beauvois zegt zelfs, dat zij minder

kwaadaardig is dan de meeste andere Slangen, nooit uit eigen beweging

een dier aanvalt, dat zij niet als voedsel noodig heeft, en nooit bijt,

tenzij men haar opgeschrikt of aangeraakt heeft. "Dikwijls ben ik

haar op een afstand van slechts weinige centimeters voorbijgegaan,

zonder dat zij de geringste neiging toonde om mij te bijten. Ik

werd haar aanwezigheid steeds vooraf gewaar door het geluid van haar

ratel. Terwijl ik mij zonder haast verwijderde, verroerde zij zich niet

en liet mij den tijd een stok af te snijden om haar te dooden". Dit

bericht is slechts voorwaardelijk juist, daar het betrekking heeft op

de houding van de Slang gedurende haar rusttijd; als zij werkelijk

wakker is, gedraagt zij zich anders. "De Ratelslang", zegt Geyer,

"beweegt zich snel, zonder zich zeer te vermoeien, te krommen of

te buigen; hierdoor schijnt haar beweging langzamer dan deze blijkt

te zijn, wanneer men let op den weg, dien zij in een bepaalden tijd

aflegt. Op haar prooi werpt zij zich met toenemende snelheid, zoodat

deze ten slotte op die van een Vogel gelijkt. Zoo zag ik eens bij

een boerderij in Missouri een Ratelslang uit een boom naar beneden

schieten, een jong Hoen bij den vleugel grijpen en zoo snel naar een

kale rotspunt dragen, dat ik haar nauwelijks volgen kon. Een gemikte

steenworp bracht haar tot stilstand: zij kronkelde zich om haar

slachtoffer en liet het met den bek los, maar beet het, toen ik mij

stil hield, in den kop. Ten tweeden male door een steen getroffen,

liet zij haar buit nogmaals los, vatte hem vervolgens weer bij den

vleugel en hief hem tamelijk hoog op, als 't ware om zich te vermaken

met zijn doodsangst. Weldra toonde zij neiging om verder te gaan,

werd goed geraakt door een steen, liet het halfdoode Hoen varen en

kronkelde zich ineen om haar vijand het hoofd te bieden. Toen doodde

ik haar". Audubon's beschrijving stemt met dit bericht overeen en maakt

ook melding van de geschiktheid van de Ratelslang om te klimmen. Liever

nog dan in de boomen, begeeft zij zich te water, hoewel zij de

gelegenheid hiervoor waarschijnlijk niet zoekt. Dat zij soms over

meren of rivieren zwemt en zich in 't water zeer snel beweegt, werd

reeds veel vroeger door Kalm opgemerkt. "Zij ziet er dan als 't ware

opgeblazen uit en drijft ook als een blaas op den waterspiegel. Het

is niet raadzaam haar hier aan te vallen, daar de ervaring leert,

dat zij geneigd is om plotseling in het vaartuig te springen".

Het voedsel van de Ratelslang bestaat uit kleine Zoogdieren, Vogels

en Amphibiën, vooral Vorschen. Of zij werkelijk soms een door haar

gegrepen dier omstrengelt en het zonder te bijten op gelijke wijze

als een niet-vergiftige Slang dooddrukt, of integendeel, na het

bijten altijd rustig de uitwerking van haar gif afwacht, durf ik

niet beslissen; het laatste acht ik echter het waarschijnlijkst. Men

zegt, dat zij na een overvloedig maal een buitengewoon sterke,

onaangename lucht verbreidt, die niet slechts voor dieren met fijn

bewerktuigd reukorgaan, maar ook voor den mensch duidelijk waarneembaar

is. Verscheidene onderzoekers ontkennen dit, door anderen wordt het ten

stelligste bevestigd. Dat er iets van waar moet zijn, kan men afleiden

uit het feit, dat dieren met de aanwezigheid van Ratelslangen bekend

worden, zonder ze te kunnen zien; Paarden b.v. worden plotseling

schichtig en springen op zij, wanneer zij zulk een Slang op een

afstand van verscheidene schreden voorbijgaan.

In het begin van de lente komen de Ratelslangen, na van huid gewisseld

te hebben, schitterend met hare levendigste kleuren, levenslustig en

met gloeiende oogen, uit hare winterkwartieren te voorschijn. Mannetjes

en wijfjes zwerven over de opene, zonnige plekken van het bosch rond;

bij een ontmoeting omstrengelen zij elkander en vormen griezelige

kluwens, die uit 20, 30 of meer Slangen bestaan. De koppen zijn in

alle richtingen naar buiten gekeerd, de kaken opengesperd, een luid

gesis en geratel weerklinkt. In deze houding blijven zij verscheidene

dagen op dezelfde plaats.--De eieren worden in Augustus gelegd,

weinige minuten daarna verbreken de jongen de hen omhullende schaal,

zonder dat de moeder zich verder om haar kroost bekommert. "Slechts

éénmaal", schrijft Geyer, "was ik in de gelegenheid om het uitkomen van

jonge Ratelslangen waar te nemen. In de maand Augustus bij een bezoek

aan een verlaten Mormonen-kolonie aan den Missouri zag ik een oude

Ratelslang zich koesteren in de zon vóór den ingang van een hut. Bij

mijn komst kroop zij onder den drempel, waar ik een kleine Ratelslang

van ongeveer 15 cM. lengte opmerkte. Ik stiet met een stok onder

den drempel, hoorde, hoe het oude dier zich ratelend verwijderde,

maar zag verscheidene jongen en vond, nadat ik den drempel, een

groot blok hout, had weggewenteld, ongeveer 40 eieren tusschen eenige

steenen in den drogen grond; vele daarvan waren reeds door de jongen

verlaten. De eieren waren verschillend van vorm, iets kleiner dan

die van Duiven en vaal van kleur. De pas geboren Slangetjes toonden

reeds een opmerkelijken lust tot bijten. Dat de Ratelslang in tijd

van gevaar hare jongen in den bek neemt, is stellig een fabel; hier

zou zij reden gehad hebben om haar kroost op deze wijze te beschermen;

zij deed het niet, maar vluchtte".

"De ergste vijand van de Ratelslangen is een zeer strenge winter,

vooral wanneer deze vroeg en plotseling invalt. Uitgestrekte

overstroomingen gedurende het voorjaar zijn voor haar niet minder

nadeelig, zoo ook bosch- en steppenbranden. Het is wel eens gebeurd,

dat geheele districten door strenge winters, overstroomingen of brand

verlost zijn geraakt van de Ratelslangen, die zich hier vroeger in

grooten getale ophielden". Volgens vele berichten, ook uit lateren

tijd, zijn de Zwijnen in dezelfde richting werkzaam. "Zoodra een Zwijn

een Slang ziet", bericht Brown, "schiet het er luid knorrend op toe,

zet haar, nog voordat zij heeft kunnen bijten, een poot op den nek,

stampt met de overige pooten en vreet het verpletterde dier op. De

Indianen zijn met de vijandschap tusschen de Zwijnen en de Slangen

zeer goed bekend; meer dan eens heb ik een Indiaansche vrouw bij de

kolonisten om een stuk versch varkensvleesch hooren vragen, dat zij

zich bij het bessenplukken om de hand wilde binden, om zich tegen de

beten van Ratelslangen te beveiligen. Het zou zelfs kunnen zijn, dat

de dikke speklaag het Zwijn tegen het doordringen van het gif in het

bloed behoedt". Een beter beschuttingsmiddel acht Pechuel-Loesche de

slijkkorst, waarmede het Zwijn zich bij het wentelen in modderpoelen

bedekt en de door vuil en hars aaneenklevende borstels, die de huid als

't ware met een pantser voorzien. Wanneer evenwel het dier werkelijk

krachtig genoeg gebeten wordt, sterft het.

Volgens Geyer hebben de Wezels, Opossums en Dassen ten onrechte den

naam van Ratelslangen-verdelgers gekregen. "Niet minder onbetrouwbaar

zijn de verhalen over de jacht, die de Roofvogels op Ratelslangen

maken. Behalve de Buizerd of de Gier zijn de Roofvogels te zwak om

met goed gevolg dezen strijd te voeren. Een Valk met gaffelstaart,

die een ijverig vervolger van Ratelslangen heet te zijn, trof

ik veelvuldig aan op plaatsen, waar ik zelden een Ratelslang

zag; het is echter wel mogelijk, dat deze Vogel jonge Slangen

verslindt. Zeer vele Ratelslangen worden op de landwegen gedood,

zoowel toevallig als opzettelijk. Zij komen hier om zich in de

zon te koesteren, gaan in het wagenspoor liggen en worden onder de

wielen verpletterd. Ieder geeft zich gaarne de moeite van het paard

te stappen om het aantal dezer leelijke dieren te verminderen. In

hun nabijheid heb ik een zekere huivering nooit kunnen overwinnen,

hoewel ik dikwijls Ratelslangen ontmoet en er vele gedood heb,

slechts éénmaal, n.l. in de punt van den schoen, gebeten en dus nooit

gewond werd. Wie in Amerika voor een Ratelslang uit den weg gaat,

doet dit slechts met de bedoeling om een steen of een stok te zoeken

om haar te dooden. Zij wordt dus niet zeer gevreesd; zelfs kleine

knapen gaan haar te lijf. Deze onophoudelijke vervolging heeft haar

doel niet gemist; in de bewoonde gewesten van Noord-Amerika behooren

Ratelslangen tot de zeldzaamheden." Volgens Castelnau worden in alle

gewesten, die men in kultuur wil brengen, vooraf groote klopjachten

gehouden om er de Ratelslangen zooveel mogelijk uit te roeien. Bij

een dergelijke jacht werden, naar dezelfde reiziger bericht, in de

buurt van het Georges-meer op één dag 400 exemplaren gedood. Volgens

Geyer schuwen de aasetende dieren het lijk van de Ratelslang, met

uitzondering van een soort van Kevers. Onder de blanke bewoners van

Amerika vindt men enkele waaghalzen, die Ratelslangen met de bloote

hand aanvatten. Een zoon van den beroemden generaal Clarke, die deel

uitmaakte van de karavaan, waarmede Geyer het Rotsgebergte bezocht,

had steeds zijne zakken vol met ratels. Zoodra hij een Ratelslang zag,

liep hij haar na, zette haar den linkervoet op den kop, rukte haar

met de rechterhand den ratel af en liet haar vervolgens los; toch

werd hij nooit gebeten. Meer ontzag hebben de inboorlingen voor de

Ratelslang. De Sioux, Dacotas of Nadowessiërs dooden haar niet, maar

roemen haar list en beschouwen een ontmoeting met haar als een gunstig

voorteeken. Wegens deze slangenvereering hebben hunne erfvijanden hun

den naam "Naddowessjoe" gegeven, die Ratelslang beteekent. De naam

Sioux is eenvoudig de laatste lettergreep van dit woord. Bij geen der

andere Indianenstammen komt de bedoelde religieuse slangenvereering

voor, ook niet bij de Slangenindianen of Sjosjonen.

Vele dieren kennen en vreezen de Ratelslang. De Paarden en Runderen

schuwen haar en vluchten, zoodra zij haar opmerken; de Honden houden

haar staande, maar blijven op een eerbiedigen afstand; Vogels laten

een luid angstgeschreeuw hooren, zoodra zij haar opmerken.

Verscheidene waarnemers hebben beweerd, dat de Ratelslang steeds

gewoon is te ratelen, voordat zij bijt; dit is echter niet geheel

juist. "Bij het langzaam kruipende dier," zegt Geyer, "sleept de

ratel over den grond; de vluchtende Slang heft het uiteinde van

den staart op, maar maakt aanhoudend hetzelfde ratelende geluid

als vroeger; alleen als zij haar prooi vervolgt, hoort men hiervan

niets. Het ratelen klinkt als het gedruisch, dat een scharenslijper

voortbrengt en heeft een merkwaardige overeenkomst met het rammelen

van de zaden der wikke-peulen in het korenveld. In de prairieën

langs den bovenloop van de Missouri leven kleine Sprinkhanen, die

bij het wegvliegen hetzelfde gedruisch veroorzaken. De Ratelslang

waarschuwt niet altijd, maar alleen, wanneer zij verschrikt wordt, of

zich bedreigd acht. Zeer dikwijls zag ik zulk een dier liggen op een

plaats, vanwaar ik een oogenblik te voren slechts 10 cM. verwijderd

was." Voor zoover wij kunnen nagaan, is het ratelen eenvoudig een

bewijs van vermeerderde opgewektheid, die zich ook bij andere Slangen

door een hevige beweging van de spits van den staart verraadt.

De beet van de Ratelslang is altijd zeer gevaarlijk, omdat de

buitengewoon groote tanden zoo scherp zijn als naalden en ook door een

dichte bekleeding of een dik vel kunnen heendringen. "Zij bijt," zegt

Geyer, "met een kracht, die men bij haar niet vermoed zou hebben." De

werkingen van het gif openbaren zich op zeer verschillende wijzen,

al naar de Ratelslang meer of minder opgewonden is. Bij vochtig,

koel weder wordt de beet minder gevaarlijk geacht; als zeer vergiftig

beschouwt men den beet van dieren, die pas hunne winterkwartieren

verlaten hebben, en de wonde, die zij gedurende de hitte in Augustus

toebrengen. In dezen tijd is men nergens veilig voor de Ratelslang;

zij verkeert dan in de grootste opgewondenheid, is strijdlustig en

laat dikwijls reeds op een afstand van verscheidene schreden haar

geratel hooren.

Volgens sommigen verdient in gevallen van vergiftiging door een

Ratelslang het gebruik van groote hoeveelheden brandewijn of andere

sterk alcoholische dranken aanbeveling. "Op een avond van de maand

September van het jaar 1820," verhaalt Mayrand, "trok een luid

geschreeuw van een vrouw mijn aandacht; eenige minuten later werd ik

geroepen en vernam, dat de slaaf Essex door een Ratelslang gebeten

was en op sterven lag. Ik vond hem beweging- en sprakeloos; zijne

kaken waren gesloten, de pols sloeg onregelmatig en was nauwelijks

merkbaar. Menschelijkheid en eigenbelang noopten mij al het mogelijke

te doen tot redding van den patiënt. Ik had de gunstige werking van

alcoholische dranken hooren roemen en besloot de sterkste opwekkende

middelen, die ik bezat, aan te wenden, mengde daarom een theelepel

vol fijngestooten Spaansche peper met een glas brandewijn, liet de

kaken openhouden en goot den zieke dit mengsel in. De eerste dosis

en ook drie of vier van de volgende porties werden uitgebraakt; het

vijfde glas eindelijk bleef in de maag. De polsslag werd krachtiger,

nadat ik 5 of 6 glazen gepeperden brandewijn had ingegeven, maar

verminderde schielijk weder; ik begon daarom opnieuw brandewijn met

peper in te gieten. Hoewel ik nu vreesde, dat de groote hoeveelheid

opwekkende middelen doodelijke gevolgen kon hebben, moest ik er toch

mede voortgaan, omdat de pols spoedig weer zwakker werd, zoodra ik

het ingieten naliet. Nadat de zieke meer dan een liter brandewijn met

peper had verzwolgen, sprak hij met zijne landslieden; het ingeven

van het middel werd voortgezet, met dit gevolg, dat de gewonde

na 2 uren zoozeer versterkt was, dat ik hem aan eenige oppassers

kon overlaten. Den volgenden morgen was de toestand aanmerkelijk

verbeterd; toch was de patiënt nog buitengewoon slap. Ik gaf hem nu

ieder uur een matige dosis geest van hertshoorn in en ook versterkende

voedingsmiddelen. Gedurende den nacht werden 3 liter brandewijn

verbruikt; ongeveer een van deze werd echter vermorst. Een groot

stuk van het vleesch onder de kaken werd vurig en viel af, rondom de

wonde ging een stuk iets kleiner dan een rijksdaalder verloren; de

genezing, ondersteund door pappen en wasschingen met een afkooksel van

de schors van den rooden eik, volgde nu echter spoedig." Welk aandeel

in dit en dergelijke gevallen de alcohol aan de genezing heeft gehad,

moeten wij in 't midden laten. Indien werkelijk de alcohol zulk een

doeltreffend middel tegen slangenbeten is, als vroeger werd beweerd,

zouden de onderzoekers uit lateren tijd, welker meeningen reeds zijn

medegedeeld, een gemakkelijker taak hebben gehad, dan, blijkens hunne

ervaringen, het geval is geweest.

De Ratelslangen kunnen bij eenigszins doelmatige verzorging zeer goed

gevangen gehouden worden: van sommige is het bekend, dat zij 10 à 12

jaar in de kooi in 't leven zijn gebleven. Aanvankelijk verkeeren zij,

evenals hare verwanten, bijna voortdurend in geprikkelden toestand;

langzamerhand vermindert haar boosaardigheid; ten slotte leeren zij

haar oppasser werkelijk als een verzorger kennen, bijten althans

niet meer zoo onzinnig als vroeger naar hem en naar de menschen,

die bij haar hok komen. Met hare soortgenooten kan zij goed overweg.

Ook op Ratelslangen hebben de dierentemmers hunne kunsten

beproefd. Volgens een zekeren Neale is muziek een middel om deze

dieren te beheerschen; een zachte melodie zou voldoende zijn om de

weerbarstigste exemplaren te kalmeeren. Naar men zegt, heeft deze

man herhaaldelijk voorstellingen met werkelijk getemde Ratelslangen

gegeven. Hij kon ze als touwen om zijn hals slingeren, ze kussen,

ze den bek openen om de giftanden te laten zien, enz. Voor de

juistheid van deze berichten kunnen wij niet instaan. Dat de omgang

met Vergiftige Slangen altijd hoogst gevaarlijk blijft, leert de

geschiedenis van nagenoeg alle dierentemmers, die met dergelijke

dieren "werken"; de eene vroeger, de andere later begaat een

onvoorzichtigheid, waarvoor hij met zijn leven boet.

Van de zes bekende soorten van Ratelslangen behooren vier tot de

noordelijke helft van Amerika, slechts één van deze komt ook ten

zuiden van de landengte van Panama voor. Reeds in het zuiden van de

Vereenigde Staten wordt, behalve de reeds genoemde gewone soort,

de Ruiten- of Diamantratelslang (Crotalus adamanteus) gevonden;

verder zuidwaarts, in Midden-Amerika grenst haar verbreidingsgebied

aan dat van de Cascavella (Crotalus horridus), de eenige soort die

tot dusver in Zuid-Amerika werd aangetroffen.

De Cascavella, door de Brazilianen zoo genoemd, gelijkt op haar

Noord-Amerikaansche verwanten door den vorm en de rangschikking

van de schilden op den kop, met dit verschil, dat de 4 schilden

van het voorste deel van den snuit zich tot het midden van den kop

uitstrekken en elkander hier aanraken. Twee breede, donkerbruine

of zwarte, evenwijdige, overlangsche strepen, die ieder boven een

oog beginnen, loopen over den kop en den hals; de onderdeelen zijn

eenvoudig geelachtig wit. In afmetingen stemt de Cascavella met de

Gewone Ratelslang overeen.

"De Cascavella," zegt de Prins Von Wied, "is over het grootste deel van

Zuid-Amerika verbreid, bewoont het geheele binnenland van Brazilië,

wordt in Minas Geraës aangetroffen en komt verder noordwaarts tot in

Guyana en aan den Amazonen-stroom voor." Door andere onderzoekers

weten wij, dat zij ook in 't zuiden niet ontbreekt en o. a. in Rio

Grande do Sul en in de La-Plata-Staten leeft. "In de zeer vochtige

kustwouden schijnt zij zich niet op te houden; haar gebied begint

verder binnenwaarts, in de droge, meer steenachtige gewesten van

den sertong op ruige weiden, op nog niet ontgonnen landerijen, in

doornachtige, rotsachtige, droge en heete kreupelhoutbosschen, enz." In

Guyana bewoont zij de savanne en de hier voorkomende ijlere en minder

hoog opschietende kreupelbosschen, tot op een hoogte van 2000 M.,

doch ontbreekt, evenals in Brazilië, in de dichte wouden van de kust.

Over dag ontmoet men de Cascavella uitsluitend in rustenden

toestand. Zij blijft tot een schijf ineengerold, traag op dezelfde

plaats liggen en bijt alleen naar menschen of dieren, die in haar

onmiddellijke nabijheid komen. Dikwijls verliest een veefokker door

haar verscheidene dieren op één dag; alle worden op een bepaald

gedeelte van het pad of van de weide gebeten; naar de bewerkster

van dit onheil zoekend, vindt men de gevaarlijke Slang nog steeds

op dezelfde plaats. Wanneer men niet toevallig te dicht bij haar

komt of haar op een afstand van eenige schreden opmerkt, heeft men

niets te vreezen; want kort voordat zij bijten wil, brengt zij door

beweging van den staart het bekende, maar volstrekt niet luide en

daarom niet ver hoorbare geluid voort. Toch kan de grootst mogelijke

omzichtigheid niet altijd verhoeden, dat men te dicht bij zulk een

dier komt en in den voet gebeten wordt. Dit ondervonden niet slechts

blanken, maar ook inboorlingen, hoewel dezen niet licht iets ontgaat,

wat tot waarschuwing zou kunnen dienen.

Het voedsel van de Cascavella bestaat hoofdzakelijk uit kleine

Zoogdieren, in zuidelijke gewesten uitsluitend uit kleine Halfhoevige

Knaagdieren; bovendien maakt zij jacht op alle Vogels, die zij meent

te kunnen verschalken. Haar voortplanting verschilt waarschijnlijk

niet van die harer verwanten.

De gevolgen van haar beet kan men door het volgende bericht van

Schomburgk leeren kennen: "De zon naderde reeds tot de kim en nog was

Essetamaipoe niet teruggekeerd. Dit viel ons niet eerder op, dan toen

wij een anderen Indiaan met den meesten spoed over den heuvel naar ons

toe zagen komen: het zekerste teeken van een belangrijke nieuwstijding

of van een ongeluk, daar de Indianen zich in den regel met afgemeten

schreden naar een dorp begeven. De Indiaan had Essetamaipoe, door

een Slang gebeten, bewusteloos in de savanne gevonden. Met alle

beschikbare hulpmiddelen voorzien, snelden wij naar de plaats, waar

de ongelukkige lag. Een wonde boven den enkel van den rechtervoet,

die met een mes op een werkelijk vreeselijke wijze uitgesneden en

met een lap verbonden was, wees ons de plaats aan, waar de Slang haar

beet had toegebracht. Het been was opgezwollen en de hevigste krampen

schokten het geheele lichaam van den bewusteloozen lijder, die bijna

onkenbaar was wegens de verandering die de gelaatstrekken door de

krampen hadden ondergaan. Terwijl de arme Essetamaipoe door de savanne

ging, had hij op een Ratelslang getrapt, had haar uit wraakzucht

gedood en daarna eerst met echt Indiaansche ongevoeligheid voor

pijn de wonde uitgesneden en verbonden. Nadat dit op de hooggelegen

savanna was voorgevallen, had hij zich nog met moeite voortgesleept

tot in de nabijheid van het pad, waar hij meer kans had om gevonden te

worden en was hier bewusteloos neergezonken. Naar het gestolde bloed

te oordeelen, moest de verwonding reeds verscheidene uren geleden

plaats gehad hebben; het uitzuigen en uitbranden van de wonde kon

dus niets meer baten; daarom waschten wij haar eenvoudig met ammonia

uit en goten dit middel met water verdund den bewusteloozen patiënt

in. Dit hielp, naar het scheen. Het bewustzijn keerde terug en de

zieke, die over pijn in de borst en in de okselstreek en ook over

scheuten in de ledematen en in den rug klaagde, werd in zijn hangmat

naar Pirera vervoerd. Verscheidene dagen lang bleef het been tot aan

het heupgewricht gezwollen tot een vormelooze massa, die geheel stijf

was; tevens ondervond de lijder bij de geringste beweging ondragelijke

pijnen. Na 3 weken had een warme, verweekende pap van kawassa-brood

niet slechts de zwelling, maar ook de lijkachtige uitdrukking van het

gelaat en de pijnen verdreven; 5 weken later sloot zich de wonde en

kon de zieke den voet weer gebruiken."

Het is waarschijnlijk, dat sommige soorten van Marters en de als

slangenjagers bekende Roof- en Moerasvogels het leven van menige

Cascavella verkorten, daar zelfs Huiskatten met goed gevolg strijd

met haar voeren. De mensch doodt de Ratelslangen, waar hij ze ook

vindt, zonder ze verder te gebruiken. Geen enkele Zuid-Amerikaan,

niet eens de wilde Indiaan, eet slangenvleesch. De ratel wordt echter

niet weggeworpen, maar integendeel dikwijls voor een goeden prijs

verkocht, daar men hem als een middel tot genezing van velerlei

ziekten beschouwt.

In Zuid-Amerika scheppen alleen de Negers behagen in het houden

van Vergiftige Slangen. "De kunst om zulke Slangen te temmen,"

zegt Schomburgk, "schijnen de Negers uit hun vaderland medegenomen

te hebben; niet zelden komt het voor, dat Ratelslangen, die hare

giftanden behouden hebben, door hen zoo goed afgericht zijn, dat

zij ze zonder gevaar om den arm slingeren en met haar op den meest

vriendschappelijken voet verkeeren kunnen."

"Stomme Ratelslang" (Crotalus mutus) noemde Linnaeus een van de

vreeselijkste Groefkopadders van Zuid-Amerika, den Boschmeester

van de Nederlandsche kolonisten van Guyana, den Soeroekoekoe der

Brazilianen. Dit dier komt in de meeste opzichten met de Ratelslangen

overeen, doch heeft over het midden van de rugzijde een kielvormige

lijst, terwijl tevens de staart niet in een ratel eindigt, maar aan

de onderzijde 10 à 12 dwarsrijen van kleine, stekelvormige schubben

en aan de spits een doorn draagt. Op grond van deze eigenaardigheden

wordt de bedoelde Slang als vertegenwoordigster van een afzonderlijk

geslacht, dat der Lachesis-slangen (Lachesis) beschouwd.

De Boschmeester (Lachesis muta, L. rhombeata) bereikt een lengte

van 2.5 (volgens A. Kappler zelfs van 4) M. en is van boven op

roodachtig gelen grond geteekend met een overlangsche reeks van groote,

zwartbruine ruiten, die ieder twee kleinere, lichtere vlekken bevatten;

de onderzijde is bleek geelachtig wit met porseleinachtigen glans. De

kleur van den rug wordt op den hals donkerder; de teekening gaat op

den kop in onregelmatige vlekken van zwartbruine kleur over. Van het

oog tot aan den mondhoek loopt een breede, zwarte, overlangsche streep

op lichteren grond.

"Indien de Boschmeester veelvuldiger was dan hij is, en niet beperkt

bleef tot de wouden der bergstreken, waar hij over dag op den grond

ineengerold ligt, zou de reiziger," zegt Schomburgk, "geen stap kunnen

doen, zonder in doodsgevaar te verkeeren. Wel verre van, gelijk hare

verwanten, voor den mensch te vluchten, wacht deze Slang, volgens

de overeenstemmende berichten der Indianen, den naderenden reiziger

rustig af en schiet ter rechter tijd pijlsnel op hem toe. Zij is zonder

eenigen twijfel de vergiftigste en gevaarlijkste van alle in Guyana

voorkomende Groefkopadders; men zegt, dat haar beet steeds doodelijk

is." Alle overige onderzoekers zijn dezelfde meening toegedaan en

verzekeren, dat de Boschmeester veel meer gevreesd wordt dan de

Ratelslang.

"In Noord- en Middel-Brazilië," zegt de Prins Von Wied, "wordt deze

Slang overal gevonden. Zij is groot, fraai geteekend, bereikt, naar

men bericht, de dikte van een mansdij en houdt zich bij voorkeur op in

koele, schaduwrijke wouden, waar men haar gewoonlijk ineengerold op den

bodem ziet liggen. Zij klimt niet in boomen. Haar levenswijze en hare

gewoonten gelijken, naar het schijnt, veel op die van de Ratelslang. De

grootte en dikte van haar lichaam en hare voortreffelijke wapens

stellen haar in staat een tamelijk groot dier te overmeesteren. Men

zegt, dat haar beet zeer schielijk den dood veroorzaakt. Bij Rio de

Janeiro stierf een Neger na 6, een andere na 12 uur aan de gevolgen van

zulk een verwonding. Een van de vergiftigingsverschijnselen schijnt te

zijn, dat het bloed den lijder uit mond, neus en ooren vloeit. Naar men

verhaalt, komt genezing dikwijls voor, wanneer de behandeling spoedig

plaats heeft; het is echter moeielijk in deze berichten waarheid van

leugen te onderscheiden, daar hierover tal van fabels in omloop zijn."

Een merkwaardig geval van vergiftiging wordt door Schomburgk

medegedeeld: "Gedurende mijn eerste verblijf te Bartika-Grove vond ik

daar een kleurling, wiens zoon eenige weken vóór mijn aankomst door den

verraderlijken Boschmeester in den linker wang was gebeten. De vader,

die zijn zoon in bewusteloozen toestand vond en de wonde uitgezogen

had, gevoelde reeds na verloop van een kwartier een onlijdelijke pijn;

zijn hoofd zwol op tot een wanstaltige grootte; duidelijk vertoonden

zich verschijnselen van vergiftiging, die, naar het bleek, een gevolg

was van het binnendringen van een deel van het uitgezogen gif in een

holle kies. De knaap stierf en de vader was, toen ik nogmaals zijn

woonplaats bezocht, nog steeds niet genezen."

"De Indianen en Negers," zegt de Prins Von Wied ten slotte, "eten

soms het vleesch van de Soeroekoekoe, nadat zij hem snel den kop

afgehouwen hebben. Gewoonlijk waagt men een geweerschot aan deze Slang,

wanneer men haar ontmoet; daar zij wegens haar grootte en gevaarlijke

eigenschappen zeer gevreesd en gehaat wordt, doodt men haar te allen

tijde en overal. Soms wordt zij in slagvallen gevangen en blijft dan

gewoonlijk lang in 't leven."

Levend wordt de Boschmeester slechts zelden naar Europa gebracht.

Het geslacht der Driehoekskoppen (Ancistrodon) omvat Groefkopadders

zonder ratel, met een driehoekigen kop, een langen romp, die met

gekielde schubben bekleed is, en een zeer korten staart, die als

klimorgaan geen dienst kan doen.

Een van de meest bekende en verst verbreide Noord-Amerikaansche soorten

van dit geslacht is de Mokassinslang [Ancistrodon (Trigonocephalus)

contortrix]. Haar lengte bedraagt ongeveer 1 M. De grondkleur van de

bovendeelen is fraai koperbruin; de teekening bestaat uit ongeveer

16 roodachtig bruine, donkerder gezoomde dwarsbanden over den rug;

deze hebben aanleiding gegeven tot den naam der Slang, omdat zij aan

een "mokassin" (lederen kous) herinneren, Tusschen deze dwarsbanden

komen onregelmatige vlekken op de grondkleur voor. De buikschilden zijn

bleek koperrood en aan de zijden met groote vlekken geteekend. Op den

kop ziet men een breeden band, die zich van de spits van den snuit

tot aan den mondhoek uitstrekt.

Het verbreidingsgebied van de Mokassinslang strekt zich uit van

den 45en graad N.B. tot aan het zuidelijkste deel van de oostelijke

Vereenigde Staten. Hare verblijfplaatsen zijn moerassige streken,

vooral uitgestrekte, met hoog gras begroeide weidegronden; haar voedsel

bestaat uit Veldmuizen, Vogels en waarschijnlijk ook Vorschen. Hoewel

haar beet ongeveer even veel gevaar oplevert als die van de Ratelslang,

wordt zij wegens hare vluggere bewegingen door de Amerikanen veel

meer gevreesd.

Nauwkeuriger berichten dan over de Mokassinslang heeft men over haar

naaste verwante, de Wateradder of de Waterlanskopslang [Ancistrodon

(Trigonocephalus) piscivorus], die eveneens Noord-Amerika bewoont

en hier uitsluitend in moerassen en broeklanden, bij rivieren en

meren leeft. Ook zij is een groote Gifslang, daar haar lengte soms

1.5 M. bedraagt. Van de Mokassinslang onderscheidt zij zich door de

twee gladde schildjes, die achter de groote achterhoofdsschilden

voorkomen. Haar kleur varieert sterk. De teekening van de meeste

Wateradders bestaat uit meer of minder regelmatig gerangschikte,

donkere banden op glanzig groenachtig grijzen grond en gelijkt over

't geheel genomen op die van de vorige soort. Hare schuilplaatsen zijn

te vinden op de oevers en eilanden of eilandjes van meren, broeklanden,

moerassen, vijvers, rivieren en beken; op droog, dor land ontmoet men

haar niet. Des zomers liggen zij dikwijls in grooten getale op twijgen,

die boven het water uitsteken; zoodra haar een werkelijk of denkbeeldig

gevaar bedreigt, laten zij zich in het water vallen en zwemmen vlug

en haastig weg. Haar voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Visschen en

Amphibiën; zij verschoonen echter ook geen Zoogdieren en Vogels,

kortom geen Gewerveld Dier, tenzij het te groot is om verzwolgen

te worden. Deze Slangen zijn de schrik van de negers en van allen,

die zich met het verbouwen van rijst bezig houden; zij worden veel

meer gevreesd dan de Ratelslangen, die, naar men zegt, niet bijten,

tenzij haar gramschap wordt gewekt, terwijl de Wateradders daarentegen

zonder vooraf getergd te zijn, op ieder levend wezen, dat haar nadert,

aanvallen en het trachten te vergiftigen. Niet slechts de menschen

vreezen haar, maar ook alle dieren, die de moerassen bewonen of zich

in de nabijheid van het water ophouden.

Gemakkelijker dan alle overige Groefkopadders, ja zelfs dan alle

overige Vergiftige Slangen kan de Wateradder in gevangenschap gehouden

worden; zij neemt dadelijk zonder eenig bezwaar het haar verschafte

voedsel aan en plant zich in haar hok ook voort.

Het soortenrijkste geslacht van de geheele familie is dat der

Hartkopadders (Trimeresurus). Zij zijn betrekkelijk slank gebouwd,

hebben een driehoekigen kop, die, met uitzondering van de voorste

spits van den snuit en de wenkbrauwstreek, geheel met kleine schubben

en niet met schilden bekleed is; de staart is tamelijk lang, dikwijls

voor 't vasthouden geschikt en loopt in een fijne spits uit.

Dit geslacht omvat wel 25 soorten, die over Oost-Indië, Zuid-China,

de Lioe-kioe-eilanden en tropisch Amerika verdeeld zijn. Vele zijn,

zooals reeds uit haar rolstaart blijkt, echte boomslangen, die het

grootste deel van haar leven in de boomkronen of althans op planten

doorbrengen en slechts nu en dan op den bodem afdalen; andere leven

uitsluitend op den grond.

Van de levenswijze der in Nederlandsch-Indië voorkomende Hartkopadders

zegt S. Müller in hoofdzaak het volgende: "Deze trage dieren, die,

naar het schijnt, geen vijand kennen en zeer zeker geen vijand

schuwen, brengen het grootste deel van hun leven, ineengerold tot

een kring, waarvan de kop het middelpunt uitmaakt, in een schier

onbeweeglijke rust door; slechts dan worden zij gevaarlijk, wanneer

mensch of dier onopmerkzaam te dicht bij hen komt of hun schijnbaren

doodslaap stoort. De twee Roodbruine soorten--bekend onder den naam

van Oelar-bedoedak of Orai-lemah (Trigonocephalus rhodostoma en

T. puniceus)--houden gaarne verblijf op sombere, min of meer duistere

en vochtige plaatsen, o.a. tusschen dicht bijeenstaande bamboeshalmen,

onder oude, omgevallen boomstammen, in holen onder den grond of van

rotsen, dichte struiken, doornige heiningen, enz. De eerste dezer

twee toeft steeds op den bodem, doch de andere slingert zich soms

door struiken, kruipt in kleine boomen en in bamboesriet en vlijt zich

tusschen de gaffels of op twijgen en bladeren ter ruste. Ditzelfde is

met alle groene soorten het geval, met dit onderscheid evenwel, dat

deze meer in droge en warme oorden behagen scheppen en zich dikwerf

vrij op de groene takken neervlijen, of wel, daaromheen geslingerd,

zich in de zonnehitte koesteren. Trigonocephalus puniceus daarentegen

geeft meest de voorkeur aan die lichte plaatsen, welker kleur met die

van zijn lichaam overeenkomt, zoodat hij slechts bij toeval opgemerkt

wordt. Doorgaans is de beweging van de Hartkopadders langzaam, van de

Gewone soorten evenwel minder dan van de Roodbruine. Bij het doen van

een aanval daarentegen zijn de bewegingen van alle zonder onderscheid

zeer snel; zulk een aanval geschiedt alleen door beweging van het

lichaam, nagenoeg zonder daarbij van plaats te veranderen. Zij beginnen

gewoonlijk met den kop bedaard, doch eenigszins trillend omhoog te

richten; na hun slachtoffer juist in het oog gevat te hebben, schieten

zij met geopenden muil pijlsnel er op af, slaan er hunne lange,

gevaarlijke giftanden met kracht in, maar trekken den kop spoedig weer

terug om hun vorigen stand te hernemen. Anders gaan zij te werk bij

het bespringen van Kikvorschen, kleine Hagedisachtige dieren (vooral

van het geslacht Scincus) of een dergelijken hun tot voedsel dienenden

buit; dezen houden zij dadelijk vast en beginnen hem onmiddellijk

te verzwelgen. De beet van de Groene soorten, meer bepaaldelijk van

den Oelar-biroe (Trigonocephalus viridis) schijnt minder gevaarlijke

gevolgen te hebben, dan die van de Roodbruine. Dr. Kühl was tijdens

zijn verblijf te Buitenzorg getuige van den dood van een inlander,

5 minuten nadat hij onder het grassnijden in den gouvernementstuin

door een grooten Trigonocephalus rhodostoma gebeten was. Ons echter

is geen voorbeeld van zulk een snelle doodelijke uitwerking van een

slangenbeet bekend, wel dat menschen en dieren één of meer uren na

de verwonding stierven. Trigonocephalus viridis echter wordt door

de inboorlingen van Timor voor geenszins zoo gevaarlijk gehouden;

inderdaad kwam ons noch op Timor, noch op Sumatra, waar deze soort

insgelijks verre van zeldzaam is, eenig voorbeeld ter oore, dat

een door deze Slang veroorzaakte verwonding doodelijke gevolgen

heeft gehad. Russell zegt hetzelfde op grond van het getuigenis der

bewoners van Koromandel. De Timoreezen noemen deze Gifslang Esau, de

Rottineezen Keisau, de bewoners van Poeloe Samauw en de zoogenaamde

Koepangneezen Smolo. Door de Maleiers aan de westkust van Sumatra wordt

zij met de 2 andere Groene soorten, die dit eiland bewonen en welker

beet veel gevaarlijker is, onder den algemeenen naam Oelar-biesa

(= Giftige Slang) samengevat. De bewoners van de Indische eilanden

kennen weinige hulpmiddelen tegen de schadelijke werking van het

slangengif in het dierlijk lichaam. Zij bepalen zich tot zulke kuren,

van welke alleen in lichte gevallen redding te verwachten is. Zij

besmeren gewoonlijk de gewonde deelen met sirie-kalk of gekauwde

kruiden en wortelen, dienen ook wel inwendig eenig afkooksel toe,

prevelen af en toe gebeden en stellen tooverkunsten in het werk. Het

meest vertrouwen zij echter op de zoogenaamde slangensteenen. Met

het uitsnijden of uitbranden der wonde laten de inlanders zich

zelden in; wel maken zij soms eenige insnijdingen of prikken in de

huid en zuigen het bloed met den mond er uit, hetwelk van alle door

hen aangewende middelen zeker wel het verstandigste en heilzaamste

mag heeten. Allerlei bijgeloovige meeningen zijn over de Slangen in

omloop. Zoo zouden sommige der Orai-lemah gedurende hun leven nooit

eenig voedsel nemen, maar afgezonderd als verworpenen op deze aarde

vertoeven en hunne oogen onafgebroken naar de zon gericht houden. Na

verloop van zeker tijdsbestek zouden deze boetelingen zich in de lucht

verheffen en booze geesten worden, die soms gedurende den nacht de

gedaante van groen-, geel- en rood-lichtende, vurige bollen aannemen,

op de woningen der menschen neerstrijken en daar allerlei onheilen,

vooral ziekte en sterfte, teweegbrengen."

De Boomadder, de Broedroe-Pam der Maleiers (Trimeresurus

gramineus)--hierboven o.a. Oelar-biroe genoemd en met haar vroegeren

soortnaam (Trigonocephalus viridis) aangeduid--bereikt een lengte van

71 cM., en is op de bovendeelen sapgroen of grasgroen, aan de zijden

iets lichter, op de onderdeelen groenachtig wit van kleur. Een witte

streep strekt zich soms van de eveneens witte bovenlip tot aan de

zijde van den hals uit. De staartspits is prachtig rood.

Het verbreidingsgebied van deze soort strekt zich van Voor-Indië

over de Oostindische eilanden en tot in China uit. Haar kleur gelijkt

zoozeer op die van de bladeren der boomen, dat het bijna niet mogelijk

is haar er van te onderscheiden. Het gif van de Boomadder, hoewel

algemeen niet zeer sterk werkend genoemd, kan toch wel degelijk den

dood van een mensch veroorzaken. Zoo maakt de zendeling Hänsel melding

van een door deze Slang gebeten vrouw, die hij binnen een half uur

aan de gevolgen van de wonde zag sterven.

Tot de Amerikaansche soorten van Hartkopadders, die den rolstaart

missen en welker leven dus streng aan den bodem gebonden is, behoort

o.a. de beruchte Lanskopslang (Trimeresurus lanceolatus). Deze bereikt

een lengte van 2 M. en de dikte van een mansarm. Haar kleur is zeer

verschillend; zelfs de jongen van één worp wijken in dit opzicht

uiteen. De meer of minder levendige, roodgeelbruine grondkleur kan

door bruin tot grijsbruin en zwart varieeren; de teekening bestaat

uit een van het oog naar den nek loopende, zwarte streep, die echter

niet zelden ontbreekt, en uit twee reeksen van onregelmatige, iets

lichtere, soms getijgerde dwarsvlekken langs den rug. Bij enkele

exemplaren hebben de zijden een prachtig roode kleur.

"Op de eilanden Martinique en Santa Lucia", zegt Rufz, "is de

heerschappij van de Lanskopslang in bosch en woud nog onbeperkt; zelfs

daar, waar de mensch een woning heeft en het land bebouwt, kan hij

zich niet zonder gevaar in de schaduw van een boom verfrisschen, kan

niemand zonder begeleiding van slaven door de velden trekken, niemand

in het bosch een pleizierwandeling doen, niemand zich door de jacht

ontspannen. Des nachts wordt men gekweld door benauwde droomen over de

Slangen, waarvan men des daags zooveel afgrijselijks hoort verhalen."

De Lanskopslang komt op de beide eilanden overal veelvuldig voor:

zij bewoont de bebouwde velden, de moerassen, de wouden, de oevers

der rivieren, kortom het geheele eiland van de zeekust tot aan de met

wolken gekroonde bergen; zij zwemt in den stroom, schommelt zich op

de twijgen, komt in de nabijheid van de steden en dringt op het land

niet zelden tot in de huizen door, wanneer deze met kreupelhout en

hoog gras omgeven zijn. De Sint-Pieters-bergen worden als hare meest

geliefde verblijfplaatsen beschouwd. Dit 1500 M. boven den zeespiegel

gelegen gebergte, is verscheurd door afgronden van vele honderden

meters diepte en dicht begroeid met boomen en struiken, honderdvoudig

doorvlochten met slingerplanten en als door touwen aaneenverbonden; het

gesteente is hier verborgen onder een dikke laag van losse teelaarde,

door de sinds onheugelijke tijden opeengehoopte, rottende plantendeelen

gevormd; stervende stengels en welig tierende, door prachtigen vorm en

schitterende kleuren het oog bekoorende planten zijn hier saamgeweven

tot een zoo dicht gewelf dat daaronder steeds een sombere schaduw

heerscht, dat muffe lijklucht er de overhand heeft en de frissche

adem des levens er niet kan doordringen. De doodsche stilte van het

woud wordt slechts zelden afgebroken door de eenvoudige tonen van een

Vogel, die den naam van Bergfluiter draagt; andere Vogels merkt men

hier zelden op. Deze voor menschen ondoordringbare, duistere wildernis

wordt bewoond door tallooze Lanskopslangen, welker heerschappij over

dit gebied door geen enkel levend wezen wordt betwist.

In het bebouwde land zijn de dichte suikerriet-aanplantingen de meest

geliefde verblijfplaatsen van de vreeselijke Slang; in allerlei

boschjes, die haar een schuilplaats kunnen verschaffen, komt zij

eveneens veelvuldig voor. Een rotsspleet, een holle boom, een door

Ratten of Landkrabben gegraven gat, dient haar tot woning; zij dringt

echter ook dikwijls door in de stallen en huizen der landlieden,

want des nachts zwerft zij ver rond, niet zelden gebruik makend van

de wegen, die over dag van menschen wemelen.

Gedurende den rusttijd, dus over dag, ligt zij ineengekronkeld tot een

schijf, waarvan de kop het middelste deel uitmaakt; bij de geringste

stoornis schiet de kop naar buiten, ongeveer half zoo ver als het

lichaam lang is, waarna het zich oogenblikkelijk weer kringsgewijs

ineenrolt. Wanneer men, terwijl zij zoo op den bodem rust, op eenigen

afstand om haar heengaat, draait zij voortdurend mede, zonder dat

men recht weet hoe, zoodat hare oogen steeds op den rustverstoorder

gevestigd blijven. Bij 't kruipen draagt zij den kop hoog en verkrijgt

hierdoor een sierlijk en fier voorkomen. Haar beweging is zoo licht,

dat men er aan zou kunnen twijfelen, of zij den bodem wel aanraakt;

men hoort niet het minste gedruisch en ziet niet het geringste spoor

op den grond. Het zwemmen kost haar geen merkbare inspanning.

De paring heeft in Januari plaats; de eieren worden in Juli gelegd. De

jongen verlaten onmiddellijk de eischaal. Vele, waarschijnlijk wel

de meeste, bezwijken in hun jeugd, daar zij door de moeder niet

beschermd en door allerlei, zelfs zwakke dieren, door Huishoenderen

b.v., gedood worden. Ruimschoots wordt dit verlies echter vergoed door

de groote vruchtbaarheid van de Lanskopslang, die 20 à 60 eieren legt.

Deze Slang voedt zich in haar prille jeugd met Hagedissen, later met

kleine Vogels, ten slotte hoofdzakelijk met Ratten, welk ongedierte,

door Europeesche schepen naar de eilanden overgebracht, zich hier

ontzettend vermenigvuldigd heeft. Zij zoekt echter ook onder het

pluimvee haar buit en kan in volwassen toestand Huishoenderen en

zelfs jonge Kalkoenen, ook Buidelratten, verzwelgen. Hoewel zij zich

verdienstelijk maakt door het aantal Ratten te helpen verminderen,

zal niemand haar willen sparen: door het vergiftigen van menschen

richt zij te veel onheil aan. "Dat zij den mensch bijt, die haar te na

komt, is zeker," zegt Rufz; "het komt echter waarschijnlijk nooit of

althans hoogst zelden voor, dat zij van verre op hem toeschiet en den

vluchteling vervolgt; anders zouden de eilanden, waar zij leeft voor

menschen onbewoonbaar zijn. Uit de berichten, die mij in 1843 door

geestelijken en ambtenaars verstrekt werden, blijkt, dat gemiddeld

in iedere gemeente van het eiland ieder jaar 1 à 3 sterfgevallen

door de Lanskopslang veroorzaakt worden. Het aantal personen, die,

na gebeten te zijn, in 't leven blijven is wel 10-maal grooter;

daar echter in dit gunstigste geval de beet een langdurige ziekte

en dikwijls ook verminking van ledematen tengevolge heeft, is er

reden om het verlies, dat de Lanskopslang aan de kolonie berokkent,

zeer hoog te schatten. In sommige jaren komen sterfgevallen door deze

oorzaak veel talrijker voor dan gewoonlijk; met name zijn in dit jaar

(1843) de beten zoo gevaarlijk, dat, naar Venancourt mij bericht,

in zijn gemeente binnen 7 maanden reeds 18 menschen aan de gevolgen

van een slangenbeet bezweken zijn.

"Bij het oogsten van het suikerriet, worden de negers gedurende den

arbeid steeds op een rij geplaatst, waarin zooveel mogelijk de mannen

met de vrouwen afwisselen; van tijd tot tijd spoort de opzichter allen

aan om zich voor de Slang in acht te nemen. Zoodra er een zichtbaar

wordt beginnen de vrouwen jammerlijk te schreeuwen en vlucht de

geheele rij; de moedigste neger keert vervolgens terug en doodt het

vergiftige dier, dat bij al die drukte op dezelfde plaats gebleven

of slechts weinig achteruit geweken is."

Bij 't bijten zet de Lanskopslang den bek ontzettend wijd open,

werpt den kop met kracht vooruit en bereidt zich dadelijk voor tot

een nieuwen aanval door zich na den beet snel ineen te kronkelen. In

buitengewoon kwaadaardige stemming bijt zij vele malen achtereen. De

gevolgen van den beet zijn vreeselijk: het gewonde lichaamsdeel zwelt

op, neemt weldra een blauwachtige kleur aan en wordt door koudvuur

aangetast; brakingen, stuiptrekkingen, pijn in de hartstreek,

een onoverwinlijke neiging tot slapen leiden na weinige uren of

dagen tot den dood; in 't gunstigste geval veroorzaakt de beet

ziekteverschijnselen van allerlei aard, die jaren lang aanhouden,

duizelingen, pijn in de borst, verlamming, verzweringen, enz. Tallooze

geneesmiddelen, voor 't meerendeel aan het plantenrijk ontleend,

heeft men beproefd. De gelukkige inval om den Afrikaanschen Secretaris

naar Martinique over te brengen heeft geen ander gevolg gehad, dan

dat de bewoners zich een tijdlang konden vermaken met op dezen Vogel

te schieten. Lenz heeft aangeraden, slangenverdelgende Zoogdieren,

vooral Bunzingen, Dassen en Egels, op het eiland te acclimatiseeren;

deze zouden niet slechts vele vergiftige Reptiliën dooden, maar ook

het aantal Ratten verminderen, die het voornaamste voedsel van de

Slangen uitmaken.

Twee andere leden van het geslacht der Hamerkopadders, die op het

Zuid-Amerikaansche vasteland leven en ongeveer even gevaarlijk zijn

als de Lanskopslang--de Sjararaka en de Labaria--komen in vorm, kleur

en aard zoozeer met elkander overeen, dat zelfs slangenkenners ze

moeielijk onderscheiden kunnen en sommigen ze als verscheidenheden

van één soort beschouwen.

De Sjararaka (Trimeresurus jararaca) wordt, volgens de metingen

van den Prins Von Wied 1.42 M. lang, maar kan, naar aan Tschudi werd

medegedeeld, een lengte van 1.8 M. bereiken. Op grijzen of grijsbruinen

grond is zij met tamelijk ver uiteenstaande, donkerbruine dwarsbanden

geteekend, die soms ieder in twee vlekken verdeeld en meestal door

een iets lichteren hof omlijst zijn. Van het oog naar den mondhoek

loopt een breede, zwarte, overlangsche streep. De buik is grootendeels

geelachtig wit.

De Labaria (Trimeresurus atrox) gelijkt door vorm en lichaamsbouw,

door de eigenaardigheden van het schubbenkleed en zelfs door de

verdeeling der kleuren op de Sjararaka, maar heeft op den rug donkere,

ruitvormige vlekken, die met X-vormige, donkere teekeningen afwisselen;

de buik is niet witachtig, maar donkerder en aan weerszijden met een

paar reeksen van witte vlekjes versierd.

De Sjararaka is de algemeenste Gifslang van Brazilië en

overal verbreid, daar zij zich even gaarne in het droge, heete

kreupelhoutgebied als in de hoogstammige, vochtige oerwouden

ophoudt. De Labaria komt in geheel Guyana voor, is even veelvuldig

aan de kust als in het binnenland en wordt hier en daar ook in de

open savanne aangetroffen, ofschoon zij ijle wouden boven de steppe

schijnt te verkiezen. Beide slangen worden zeer gevreesd en zijn ook

inderdaad uiterst gevaarlijk. "De Indianen en zelfs de Portugeesche

jagers," zegt de Prins Von Wied, "gaan altijd blootsvoets op de

jacht. Schoenen en kousen zijn hier duur en zeldzaam; de landman

gebruikt deze artikelen alleen op feestdagen en is daarom veel meer

blootgesteld aan den beet van Slangen, die dikwijls in de droge bladen

verscholen liggen; toch komen gevallen van verwonding zeldzamer voor,

dan men zou kunnen meenen. Den jager in tropische gewesten zij het

dragen van goede, sterke laarzen en zeer wijde broekspijpen aanbevolen,

daar zij hem tamelijk goed vrijwaren tegen den beet van Vergiftige

Slangen." Deze heeft wel niet altijd den dood, maar toch steeds

ernstige ziekteverschijnselen ten gevolge, wanneer niet oogenblikkelijk

doelmatige middelen tot verwijdering van het gif worden aangewend.

Het Leven der Dieren. Derde Deel, Hoofdstuk 1 tot 4, De Kruipende Dieren · 第 6 / 10 题