"Oelar-poenei" noemen, en waarvan zij vertellen, dat zij zich
moeielijk bewegen en meestal opgerold op een boomstam liggen. Zij
zijn onschadelijk, zeggen zij, eten geen Vogels of andere dieren,
maar alleen het voedsel, dat haar gebracht wordt door de Duif, die in
het Maleisch "Poenei" heet en waaraan deze dieren haar inlandschen
naam ontleenen. Het exemplaar, dat men mij bracht, was op een zeer
bijzondere wijze gevangen, n.l. door het een bamboestok voor te houden
en te wachten, tot het dier zijn rustplaats verkoos te verlaten,
om zich om den stok te kronkelen."
De Zwemslangen (Tropidonotus) houden zich bij voorkeur in de nabijheid
van het water op en jagen zoowel in het vochtige element als op het
droge; haar voedsel bestaat grootendeels uit Visschen, Salamanders
en Vorschen; in tegenstelling met verscheidene Glansslangen en
Klimslangen verzwelgen zij haar prooi, zonder deze vooraf dood te
drukken. Haar wetenschappelijken naam danken zij aan de duidelijke
gekielde rugschubben, die elkander dakpansgewijs bedekken. Aan den
ronden, in een tamelijk langen staart eindigenden romp is door een
dunnen hals de platte kop verbonden, welks achterste grens duidelijk
kenbaar is en die zich onderscheidt door den wijdgespleten muil, de
zeer groote of middelmatig groote oogen met ronde pupil, de zijdelings
tusschen twee schilden gelegen neusgaten en de regelmatige bedekking
met schilden.
Een algemeen bekende vertegenwoordiger van dit geslacht is de Ringslang
of Heiaal (Tropidonotis natrix) "de Slang bij uitnemendheid voor ons
volk, de soort, die aanleiding heeft gegeven tot zijne oude sagen en
nieuwe wondersprookjes, het onschuldig slachtoffer van zijn vrees,
van zijn haat, van zijn verdelgingszucht", de meest verbreide van alle
inheemsche Slangen. In al onze landprovinciën komt zij voor, hier en
daar in tamelijk grooten getale; ook in Zuid- en Noord-Holland zijn nu
en dan exemplaren gevonden, doch deze waren er hoogst waarschijnlijk
(volgens Schlegel) met hooi gebracht; in de kuststreken komt zij niet
voor. Zij bewoont veelal zandige gronden, doch houdt zich steeds op
in de nabijheid van stilstaand water, waarin zij dikwijls zwemt. Zij
kan 1.58 M. lang worden, maar blijft, althans hier te lande, gewoonlijk
voluit een derde deel korter; de mannetjes zijn bovendien steeds korter
dan de wijfjes. Twee witte of gele (bij variëteiten uit zuidelijker
streken dikwijls levendig roodgele) maanvlekken achter de slapen--de
"kroon", waarvan de sagen en sprookjes gewagen--kenmerken haar
zoo duidelijk, dat zij nooit met andere inheemsche Slangen verward
kan worden. Voorts is zij op grijzen grond met 4 à 6 langs den rug
loopende reeksen van zwarte vlekken geteekend, verder benedenwaarts,
op de zijden, wit gevlekt en langs het midden van den buik zwart. De
kleur van den rug zweemt soms naar bruin, soms naar groen, soms naar
blauwgrijs; ook ontmoet men wel eens nagenoeg zwarte exemplaren,
waarop de donkere vlekken bijna geheel onzichtbaar zijn. De mannetjes,
wijfjes en jongen verschillen zeer weinig in kleur.
In het Zwitsersche heuvelland worden, volgens Tschudi, 2 of 3
verschillende, standvastige variëteiten waargenomen: een olijfkleurig
grijze, een meer roodachtig grijze en een gevlekte, die het midden
houdt tusschen deze beide. In het zuidoosten en oosten van Europa
ontmoet men bovendien nog: de Rouwringslang (T. natrix var. atra) uit
het Wolgagebied, die over het geheele lichaam donkerzwart is, behalve
aan de onderzijde van den kop, waar enkele lichte vlekken verspreid
staan, voorts de Gestreepte Ringslang (T. natrix var. persa), die
zich onderscheidt door twee smalle, in den nek beginnende en langs
den geheelen rug tot aan den staart reikende, overlangsche strepen
van gele of geelachtig witte kleur.
Het verbreidingsgebied van de Ringslang omvat geheel Europa (met
uitzondering van het hoogste noorden), voorts een zeer aanzienlijk deel
van Vóór-Azië en in Noord-Afrika Algerië. Met struiken begroeide oevers
van moerassen en broeklanden, langzaam stroomende beken en rivieren,
verwaarloosde dammen van vijvers, vochtige wouden, met biezen en
riet begroeide terreinen en het moeras zelf zijn de meest geliefde
verblijfplaatsen van de Ringslang, omdat zij hier haar meest gewenschte
voedsel vindt. Men ontmoet haar echter ook op tamelijk hooge bergen,
ver van ieder water; zij komt hier, volgens Lenz, volstrekt niet
toevallig, maar in elken tijd van 't jaar voor, zoodat er reden is
om aan te nemen, dat zij deze woonplaats niet verlaat. Niet zelden
komt zij dicht bij menschelijke woningen om zich te vestigen in
gaten, die zij in hoopen mest en afval zelf graaft, of in holen van
Muizen en Mollen of ook wel in kelders en stallen. Struck zag haar in
Mecklenburg de voorkeur geven aan eenden- en kippenhokken: vooral in de
eendenhokken vond hij oude en jonge Ringslangen bij dozijnen. In den
herfst ziet men de Ringslang bij goed en warm weer nog in November op
een zonnige plek liggen. Haar winterkwartier verlaat zij in het laatst
van Maart of in April, aanvankelijk, naar het schijnt, met geen ander
doel dan om zich aan de verkwikkende warmte der zonnestralen bloot
te stellen; zij doet dit gedurende eenige weken zonder zich met de
jacht bezig te houden en begint eerst daarna haar zomerleven.
Ieder, die de zeer algemeen heerschende, kinderachtige vrees voor
Slangen van zich afgeschud heeft, zal, als hij de Ringslang heeft
leeren kennen, haar lief en bevallig noemen. Zij maakt zelfs bij
vergelijking met de vlugste en beweeglijkste van hare verwanten
een goed figuur. Ook voor haar is het een groot genot zich in den
zonneschijn uit te strekken en uren lang in deze houding te blijven,
hetgeen echter niet belet, dat zij dikwijls rondzwerft, veel vaker
althans dan de arglistig loerende, trage Adder, die zelfs des nachts
hare uitstapjes tot het kleinst mogelijke gebied beperkt. Wanneer
men haar op den met struikgewas begroeiden oever van een stil
water bespiedt, zal men getroffen worden door haar levendigheid
en beweeglijkheid. Van den oever, aan welks rand zij zooeven in 't
zonnetje lag, laat zij zich zonder gedruisch in 't water glijden,
om zich met zwemmen te vermaken of een bad te nemen. Gewoonlijk
blijft zij zoo dicht bij de oppervlakte, dat haar kopje er boven
uitsteekt en beweegt zich met zijwaartsche kronkelingen, voortdurend
met de tong tastend, vooruit. Ook zwemt zij dikwijls tusschen den
waterspiegel en den bodem, werpt intusschen voortdurend luchtbellen
uit en onderzoekt met de tong de voorwerpen in welker nabijheid
zij komt. Wanneer men haar verschrikt en bevreesd maakt, vlucht zij
geregeld naar de diepte en zwemt hier, hetzij op, of althans dicht
bij den bodem, een goed stuk verder, totdat zij meent veilig weer
naar de oppervlakte te kunnen stijgen. Soms gaat zij op den bodem van
't water liggen en blijft hier geruimen tijd; uren lang kan zij zich
zonder bezwaar onder water ophouden.
Wanneer de Ringslang in 't water een grooten weg heeft af te leggen,
b.v. over een breeden stroom of over een meer moet zwemmen, vult zij
haar groote long zoo sterk mogelijk met lucht en vermindert hierdoor
aanmerkelijk haar soortelijk gewicht; telkens als zij onderduikt,
ledigt zij hare ademhalingsorganen. Dat zij werkelijk door groote
wateren haar weg neemt, is duidelijk genoeg gebleken. Schinz zag haar
bij stil weer midden in het Zurichermeer vlug rondzwemmen; Engelsche
onderzoekers hebben haar herhaaldelijk ontmoet in de zee tusschen
Wales en Anglesea. De Deensche scheepsgezagvoerder Irminger vond
er zelfs één in volle zee op een afstand van 23 KM. van de naastbij
gelegen kust, n.l. van het eiland Rugen. Daar zij pogingen deed om
aan boord te komen, liet hij een boot strijken, ving het dier en zond
het naar Eschricht te Kopenhagen, die het als een Ringslang herkende.
Op den bodem kruipt de Ringslang tamelijk snel; in de vlakte echter
kan men haar altijd wel inhalen, zonder zich buitengewoon in te
spannen. Langs hellingen schiet zij soms met zoo groote snelheid
naar beneden, dat men haar zeer goed met een voortgeschoten pijl
kan vergelijken. Ook in 't klimmen is zij volstrekt niet onervaren;
soms bereikt zij op deze wijze de kroon van tamelijk hooge boomen.
Men noemt de Ringslang een zachtzinnig dier, omdat zij tegen den mensch
slechts uiterst zelden haar gebit gebruikt en met andere Slangen (of
met Reptiliën in 't algemeen) en ook met Amphibiën in de vrije natuur
en in de gevangenschap in vrede leeft, met de Amphibiën althans zoolang
de honger haar niet kwelt. Als roovende Zoogdieren of Roofvogels haar
aanvallen, stelt zij zich sissend te weer; zij tracht hen te bijten,
maar raakt slechts zelden haar vijand; zoo mogelijk vlucht zij echter
voor wezens, die zij gevaarlijk acht, vooral voor die, welke haar
vervolgen om haar te verslinden. Tegen menschen gebruikt zij geen
ander verdedigingsmiddel dan haar buitengewoon stinkenden drek.
Aan Vorschen geeft de Ringslang de voorkeur boven iederen anderen
buit; vooral op den Landkikvorsch maakt zij ijverig jacht. Uit de
ervaringen van Lenz en Boettger blijkt, dat zij het meest houdt van
Boomkikvorschen, althans, dat men pas gevangen Ringslangen, die andere
Vorschen weigerden, gemakkelijk aan 't eten kan krijgen door haar
Boomkikvorschen te geven. In de vrije natuur kunnen zij zich deze
lekkernij slechts gedurende den paartijd van de bedoelde Amphibiën
verschaffen, daar deze zich dan naar den bodem begeven; gewoonlijk
zullen Land- of Waterkikvorschen wel haar hoofdvoedsel uitmaken.
Het is een opmerkelijk feit, dat de Ringslang, zelfs in 't donker,
de verschillende soorten van Vorschen en Padden goed herkennen en
er een keuze uit doen kan; waarschijnlijk wordt zij hierbij door de
reukzin geleid. Zonder fout onderscheidt zij de Zuid-Europeesche
Springkikvorsch (Rana agilis) van den ook bij ons inheemschen
Landkikvorsch (Rana temporaria), hoewel deze beide soorten zelfs door
kenners van Amphibiën niet gemakkelijk uit elkander gehouden kunnen
worden. Als zij niet genoeg Vorschen kan krijgen, behelpt zij zich
ook wel met Padden. Watersalamanders schijnt zij bijzonder graag te
eten; alle bij ons voorkomende soorten weet zij zoowel op het land
als in het water te vangen. Bovendien valt op te merken, dat zij,
evenals hare verwanten, met grooten ijver op kleine Visschen jacht
maakt en hierdoor werkelijk nu en dan schade veroorzaken kan.
De wijze, waarop de Ringslang haar buit verslindt, wekt den afkeer van
den toeschouwer, omdat zij zich niet de moeite geeft, haar slachtoffer
vooraf te dooden, maar het nog levend in haar maag begraaft. Wel
is waar tracht zij gewoonlijk den Kikvorsch bij den kop te pakken;
wanneer dit haar echter niet gelukt, grijpt zij het dier aan,
waar zij kan, b.v. bij de achterpooten en trekt het langzaam in
haar keel. Natuurlijk spartelt de Kikvorsch hevig tegen en kwaakt
erbarmelijk, zoolang zij den bek nog kan openen. Het vasthouden van
dit beweeglijk wild is voor de Slang geen gemakkelijk werk; toch
gelukt het den Kikvorsch slechts zelden zich aan haar onverbiddelijke
vijandin te ontworstelen, daar deze, als er niets tusschenbeide komt,
de ontsnapte prooi onmiddellijk achtervolgt en opnieuw aangrijpt. Het
verzwelgen van een grooten Kikvorsch is een zeer vermoeiende arbeid,
die soms vele uren vereischt. Kleine Kikvorschen worden met veel
minder moeite doorgeslikt; dikwijls pakt en verslindt de Ringslang,
als zij een flinke eetlust heeft, er wel een half dozijn, zonder af
en toe te rusten. Als de honger haar zeer kwelt, neemt zij in korten
tijd wel 100 kikvorschlarven of wel 50 kleine Kikvorschen, welker
gedaanteverwisseling juist is afgeloopen, voor haar maal. Wanneer
zij verschrikt wordt of angst gevoelt, spuwt zij, evenals andere
Slangen, het kort te voren doorgeslikte voedsel in den regel weer
uit, waarbij zij, als het in haar maag aanwezige dier zeer groot
is, den bek zeer wijd moet opensperren. Het verslinden van kleine
Zoogdieren of Vogels is voor haar waarschijnlijk een zeer ongewoon
werk; gevangen exemplaren althans versmaden in den regel Muizen of
Vogels en vogeleieren; dooiers van gebroken eieren daarentegen slikken
zij met blijkbaar welgevallen op. Het kan wel zijn, dat zij zich in
haar jeugd nu en dan met Gelede Dieren en Weekdieren moeten behelpen.
Lang heeft men gemeend, dat de Ringslang niet drinkt. Lenz heeft in
de maag van geen der door hem onderzochte exemplaren water gevonden,
hoewel hij kort voor het ontleden water in het hok had gebracht van het
dier, dat bij heet weer geruimen tijd zonder water was gelaten. Toch is
de hieruit afgeleide gevolgtrekking onjuist: een vriend van den zooeven
genoemden onderzoeker zag een van zijne gevangenen, die midden in den
zomer 14 dagen lang dorst geleden had, een bakje vol water schoon
leeg drinken; ook andere slangenvrienden hebben dezelfde ervaring
opgedaan. Behalve van water maken sommige exemplaren ook wel gebruik
van melk, althans wanneer zij geen ander vocht kunnen krijgen; het kan
wel zijn, dat die, welke eens aan deze vloeistof gewoon geraakt zijn,
er veel van beginnen te houden. Misschien berust hierop de algemeen
verbreide meening, dat de Ringslang aan de uiers van koeien en andere
melkgevende huisdieren zuigt om zich een voor haar leven noodzakelijk
genot te verschaffen.
Hoewel de Ringslang in gunstige jaren tegen het einde van Maart of in
het begin van April haar winterherberg verlaat en kort daarna voor het
eerst vervelt, paart zij zelden voor het einde van Mei of het begin
van Juni. Op het rijpen van de eieren schijnt de weersgesteldheid
niet zonder invloed te zijn; daar men versch gelegde eieren in
verschillende jaargetijden aantreft, de eerste in het einde van
Juli, de laatste in Augustus en September. Jonge wijfjes leggen
15 à 20, oudere 25 à 36 eieren. Deze komen in vorm en grootte met
die van de Huisduif overeen, maar verschillen er van, doordat zij,
evenals alle eieren van Reptiliën, een zachte, buigzame, dus weinig
kalkhoudende schaal hebben, die een geringe hoeveelheid eiwit bevat,
dat slechts een dunne laag vormt om den dooier. Aan de open lucht
drogen zij langzamerhand uit en vergaan; in het water bederven zij
evenzeer; beide verschijnselen komen voor tot groote schade voor de
vermenigvuldiging, die trouwens buitengewoon sterk zou zijn, indien
alle kiemen tot ontwikkeling kwamen. Gewoonlijk kiest het wijfje
met veel overleg de geschiktste plaatsen voor het bergen van hare
eieren: mestvaalten, hoopen bladen, run of zaagsel, losse aarde,
vermolmd hout, vochtig mos, enz.; op deze wijze zijn de eieren aan
de warmte blootgesteld en behouden toch geruimen tijd een matigen
graad van vochtigheid. Het eene ei volgt bij het leggen onmiddellijk
op het andere; alle eieren zijn bij wijze van een snoer kralen door
een geleiachtige massa verbonden. Zij hebben aanleiding gegeven tot
het sprookje van de "haneneieren", die volgens bijgeloovige lieden
tooverkracht bezitten. Drie weken na het leggen is de ontwikkeling van
de kiem afgeloopen; het jong boort een gat in de eischaal en begint
dadelijk de levenswijze van zijne ouders, tenzij een vroeg invallende
koude het dwingt om onverwijld beschutting te zoeken tegen het weder,
door zich te verschuilen in het voor winterherberg dienende gat. Bij
het verlaten van de eischaal zijn de jonge Ringslangen ongeveer 15
cM. lang; hare tandjes zijn echter reeds voor 't grijpen geschikt,
zij zelf dus voor een zelfstandig leven voldoende uitgerust. Als de
weersgesteldheid haar vóór den aanvang van den winterslaap het jagen
en buitmaken van voedsel belet, worden zij door het vet, dat zij uit
den kiemtoestand overhielden, en door haar aangeboren levenstaaiheid
tot aan het volgende voorjaar voor den hongerdood behoed. De moeder
bekommert zich na het leggen der eieren in 't geheel niet meer om
haar kroost.
Men kan de Ringslang gemakkelijk in gevangenschap houden, wijl zij
zonder bezwaar gebruik maakt van het voedsel, dat men haar biedt. Daar
zij hoogst zelden bijt, kan men haar gerust laten verzorgen door
kinderen, die van dieren houden. Mij zijn voorbeelden bekend van
Ringslangen, die drie of vier jaren in de gevangenschap leefden,
hoewel haar geen bijzondere behandeling ten deel viel.
De Zuid-Europeesche Dambordslang (Tropidonotus tesselatus) komt in
grootte en vorm vrijwel overeen met de Ringslang; alleen de vorm
van den kop, de rangschikking der hierop voorkomende schilden en de
teekening verschillen. De meer of minder donkere, olijfkleurig grijze
grondkleur is op den kop nagenoeg onbevlekt; de bovenlipschilden
zijn echter geelachtig met zwarte randen. Op den romp ziet men vijf
overlangsche reeksen van zwarte, meestal vierhoekige, zelden afgeronde
vlekken, die als de velden van een dambord met elkander afwisselen. De
onderzijde heeft op witten, geelachtigen of oranjekleurigen grond
zwarte vlekken, die eveneens bij wijze van een dambord gerangschikt
zijn; soms heeft hier de lichte, soms de donkere kleur de overhand. Bij
een lengte van 1.2 M. bedraagt de middellijn van het dier 5 cM.
De Dambordslang bewoont een groot deel van het gebied van haar
inheemsche verwant, maar blijft meer tot het zuiden en oosten van
ons werelddeel beperkt en dringt niet verder noordwaarts door dan
Middel-Europa, waar zij slechts op enkele plaatsen aangetroffen
wordt; over 't algemeen is zij niet veelvuldig. Met uitzondering
van de eilanden ontmoet men haar in geheel Italië; van hier strekt
haar verbreidingsgebied zich oostwaarts uit tot Klein-Azië, Syrië,
de Kaukasus-landen en de kuststreken van de Zwarte, Asowsche en
Kaspische zeeën. Zij houdt zich veel in en bij het water op; haar
voedsel bestaat uit Visschen en Salamanders. Gevangen exemplaren
worden spoedig tam en kunnen lang in 't leven blijven, als zij hun
liefste voedsel in voldoende hoeveelheid ontvangen.
De Adderkleurige Zwemslang (Tropidonotus viperinus) heet zoo,
omdat op haar donkergrijze, geelachtig of bruin getinte huid een
duidelijk uitkomende, zwartbruine teekening voorkomt, welke dikwijls
een merkwaardige overeenkomst heeft met die van de Gewone Adder en
van de Aspis. De teekening begint met twee donkere, scheefhoekig
vierzijdige vlekken achter den kop, waarop een over den geheelen rug
voortloopenden zigzagband volgt, die zich op het laatste deel van
den staart in afzonderlijke vlekken verdeelt en hier snel in breedte
afneemt. Op elke zijde komt een reeks van ronde, donkere vlekken voor
met een kleine, witte of geelachtig witte stip in 't midden; deze
oogvlekken laten nagenoeg gelijke tusschenruimten over, maar vloeien
soms ineen en vormen dan figuren, die op een liggende 8 gelijken. De
onderzijde is geel, bij het midden van den buik donkergeel, verder
naar achteren wisselen zwarte, vierkante vlekken met roodachtig gele
vlekken van anderen vorm af; de onderkaak is witachtig geel.
Deze soort vervangt de vorige in het westelijke deel van
Zuid-Europa. Zij wordt op Sicilië en Sardinië en in het noordwesten
van Italië gevonden, bovendien in enkele oorden van 't Zuiden van
Zwitserland, in de Fransche kuststreken van den Middellandsche Zee,
voorts in nagenoeg geheel Spanje en Portugal en op de Balearen. Vooral
in het noordwesten van Afrika komt zij veelvuldig voor.
Deze Slangen maken slechts terloops jacht op Kikvorschen, maar voeden
zich hoofdzakelijk met Visschen, waaronder zij eene groote slachting
aanrichten.
Door haar uitwendigen vorm en de gekielde schubben stemmen de
Keeltandslangen (Dasypeltis)--welker eigenaardige, bij geen ander
dier voorkomende slokdarmtanden reeds vroeger ter sprake kwamen--met
de Zwemslangen overeen; over haar plaats in 't stelsel heerscht
echter verschil van meening. Hare zwakke kaken zijn slechts aan het
achtereinde met een gering aantal (4) kleine tanden gewapend. Dit
geslacht wordt door slechts twee soorten vertegenwoordigd, waarvan de
eene (Dasypeltis abyssinica) West-Afrika, de andere--bij de Kapenaars
onder den naam van Eiervreter (Dasypeltis scabra) bekend--Zuid-Afrika
bewoont.
Een tweede groep van Colubriden is met gegroefde tanden uitgerust. Bij
al hare leden zijn de achterste tanden van de bovenkaak grooter en
krachtiger dan de overige en aan hun voorste oppervlakte voorzien
met een diepe, gootvormige groeve. Alle mogen derhalve "verdacht"
genoemd worden; van verscheidene is reeds proefondervindelijk gebleken,
dat haar beet op de Gewervelde Dieren van alle klassen, die haar tot
buit dienen, in weinige minuten een doodelijke werking uitoefent. Deze
Groeftandigen (Opisthoglypha) kunnen over twee onderfamiliën verdeeld
worden: de Land-Groeftandigen (Dipsadinae) en de Water-Groeftandigen
(Homalopsinae).
Een van de weinig talrijke, Europeesche soorten van Landgroeftandigen,
de Katslang (Tarbophis vivax), is de eenige vertegenwoordiger van een
gelijknamig geslacht. Haar romp is cilindervormig, de kop eenigszins
afgeplat en van achteren duidelijk begrensd, de staart betrekkelijk
kort. De kleine oogen hebben een spleetvormige pupil. Op vuil
bruinachtig gelen of grijzen grond is zij met uiterst kleine, zwarte
stipjes geteekend; op de kopschilden komen bovendien kastanjebruine,
op den rug reeksen van zwart- of roodbruine vlekken voor, beginnende
met een groote vlek van dezelfde kleur in den nek. Een donkere streep
strekt zich van het oog naar den mondhoek uit, een reeks van kleine
vlekken over iedere zijde van den romp; de onderdeelen zijn geelachtig
wit en bruin gemarmerd. De lengte van deze Slang bedraagt hoogstens
1.08 M.
De Katslang is verbreid over verscheidene van de landen, die de
Middellandsche Zee omgeven. Men heeft haar aangetroffen in Istrië,
Dalmatië, Albanië, Turkije en Griekenland, maar ook in Egypte,
Palestina, Klein-Azië, de bergstreken aan de Zwarte Zee en verder tot
aan de Kaspische Zee. Rotswanden, met losse steenen bedekte hellingen,
zonnige glooiïngen en oude muren verschaffen haar verblijfplaatsen; zij
schuwt echter groote hitte zoowel als gevoelige koude en komt daarom
gedurende de heete maanden niet anders dan in de morgen- en avonduren
uit haar schuilhoek te voorschijn. Hare bewegingen zijn vlugger dan
die van de Adders, maar langzamer en trager dan die van de Gladtandige
Slangen. Haar voedsel bestaat uitsluitend uit Hagedissen. Duméril vond
in de maag van een door hem ontlede Katslang een half verteerde Gekko.
Wegens haar bijtlust wordt zij in de landen, waar zij voorkomt,
dikwijls voor een Adder gehouden, als zeer vergiftig beschouwd en zoo
ijverig vervolgd, dat zij tegenwoordig in Dalmatië reeds tamelijk
zeldzaam is geworden. Gevangen exemplaren gewennen zich schielijk
aan hun verzorger, maken zonder pruilen gebruik van het voedsel,
dat hun wordt aangeboden en blijven daarom bij doelmatige verzorging
verscheidene jaren leven. Hare bewegingen hebben veel overeenkomst met
die van de Gladde Slang. Zij is zeer ervaren in het klimmen en houdt
zich zoo stevig vast aan de takken, die zij eens omstrengeld heeft,
dat men haar niet losmaken kan, hoe zeer men haar ook plaagt en tot
toorn prikkelt. Haar buit doodt zij door zich er om heen te kronkelen,
geheel op dezelfde wijze als de Gladde Slang.
O. E. Eiffe heeft de giftige werking van den beet van de Katslang
waargenomen bij een kleine Hagedis, die na verloop van 1 1/2 minuut
bezweek. Deze uitkomst kon echter slechts éénmaal verkregen worden,
daar andere proeven van dezen aard een negatief resultaat opleverden.
Als vertegenwoordiger van de Nachtboomslangen of Takslangen (Dipsas)
kiezen wij de prachtig gekleurde en geteekende Dipsas dendrophila,
de Oelar-boerong der Maleiers. Bij de glinsterend zwarte grondkleur
steken 40 à 90 smalle, naar onderen breeder wordende, lichtgele,
ringvormige banden af; de lip- en keelschilden zijn eveneens geel,
maar hebben breede, zwarte randen; de buik is effen zwart of geel
gemarmerd. Volwassen exemplaren bereiken een lengte van 2 M., waarvan
ongeveer een vierde op den staart komt.
De Oelar-boerong is een bewoner van alle Nederlandsch-Indische
eilanden, maar komt ook voor op het Maleische Schiereiland en
Singapore. Op Java ontmoet men haar in alle wouden (hoewel niet in
grooten getale) en zelfs in den plantentuin te Buitenzorg. Bijtlustig
als al hare verwanten, maakt zij zich bij de nadering van een
vijand onmiddellijk tot den aanval gereed, kronkelt zich, gelijk de
Gifslangen, tot een schijf ineen, beweegt trillend den staart heen en
weer, buigt den kop zoo ver mogelijk naar achteren, zwaait hem naar
links en naar rechts onder aanhoudend uitsteken en terugtrekken van
de tong, ontrolt eindelijk eensklaps het voorste deel van den romp,
doet in scheve richting een stoot naar voren, maar mist, door het
licht verblind, zeer dikwijls haar doel. Op Java vreest niemand haar,
daar ieder weet, dat haar beet niet gevaarlijk is; daarentegen wordt
een van hare verwanten voor uiterst vergiftig gehouden.
De Holschubbigen (Coelopeltis) zijn Groeftandigen van gerekten,
krachtigen lichaamsbouw, welker rolronde romp bekleed is met schubben,
die ieder een overlangsche groeve vertoonen. De duidelijk begrensde,
groote en hooge kop is in de teugelstreek met een diepe groeve
voorzien; de oogen zijn groot en hebben een ronde pupil.
De eenige Europeesche vertegenwoordiger van dit geslacht is
de Hagedissenslang (Coelopeltis lacertina), die een lengte van
1.58 M. bereikt, waarvan 35 cM. op den staart komt. De olijfbruine
grondkleur van de bovendeelen zweemt bij jonge dieren min of meer naar
roodbruin; donkerbruine, geel gezoomde figuren van zeer verschillenden
vorm versieren den kop, kleine, langwerpige, zwartachtige vlekken met
gele randen de bovenzijde van den romp en den staart; de laatstbedoelde
vlekken vormen gewoonlijk vijf overlangsche reeksen en zijn op zulk
een wijze gerangschikt, dat iedere reeks met de naburige reeksen
afwisselt. Op de schubben van de beide buitenste, overlangsche reeksen
van iedere zijde vindt men bovendien een meer of minder groot aantal
witachtige of geelachtige vlekken; deze vereenigen zich soms tot een
onafgebroken golflijn; bij andere exemplaren is er slechts een smalle
zoom van over. De onderzijde van romp en staart is geelachtig wit of
bruinachtig geel. Bij deze soort komen vele kleurverscheidenheden voor.
Alle kustlanden van de Middellandsche Zee benevens Portugal, Arabië
en Perzië worden door de Hagedissenslang bewoond. Erber vond haar
in geheel Dalmatië overal tamelijk veelvuldig. "In de vrije natuur,
waar zij onder struiken op Muizen, Hagedissen of Vogels loert,
zou men haar dikwijls niet opmerken, als zij haar aanwezigheid niet
door een krachtig gesis verried. In de nabijheid van Zara ving ik het
grootste dier van deze soort, dat eveneens door een hevig gesnuif mijn
aandacht had getrokken. Ik vervolgde het van den eenen struik naar
den anderen en kon het gelukkig nog bij den staart vatten, toen het
in een gat van den grond sloop. Beschadigen wilde ik de Slang niet;
haar onbeschadigd uit den grond trekken was niet mogelijk, daar zij
altijd naar beneden trok. Het ging ook niet aan, haar los te laten
en vervolgens uit te graven, daar dit in den steenachtigen bodem
geen gemakkelijk werk zou zijn geweest. Zoo bleef ik dan, de Slang
voortdurend stijf bij den staart trekkend en haar in onrust houdend,
twee volle uren zitten. Duim voor duim liet het dier zich terugtrekken,
totdat het zich eindelijk snel naar buiten kronkelde. Zijn eerste
werk was, onder hevig gesis mij in 't gelaat te springen, waartegen
ik mij natuurlijk verweerde; onmiddellijk daarna ledigde het zijn
maag, waaruit een sinds kort verzwolgen Wielewaal, vier Muizen en
twee Smaragdhagedissen te voorschijn kwamen; weinige uren na deze
vermoeiende bezigheid stierf het."
Volgens Fischer bewoont de Hagedissenslang woeste, dorre streken en
voedt zich met kleine Zoogdieren, Vogels, Kruipende Dieren en zelfs
Sprinkhanen. Het gif van deze Slang doodt binnen 3 of 4 minuten
Hagedissen, Vogels en Vorschen; het werkt in de eerste plaats op
de ademhaling, daarna op de hartwerking en brengt ten slotte een
volslagen verlamming teweeg. Voor grootere dieren, Honden b.v., bleek
de beet niet gevaarlijk te zijn; de mensch heeft er nog minder last
van, omdat de werking van het gif zich eerst na verscheidene minuten
begint te openbaren; bovendien bijt de Slang slechts zelden.
Boomslangen, welker achterste bovenkaakstanden gegroefd zijn, komen
in de warme landen van beide halfronden in voor hen geschikte oorden
zeer talrijk voor. Bijna alle worden door de inboorlingen voor zeer
vergiftig gehouden en daarom gevreesd en geschuwd; de ervaring en
een zorgvuldig onderzoek van haar gebit hebben echter bewezen, dat
haar beet den mensch volstrekt niet schaadt. Deze Slangen wekken
door haar schoone gedaante en bevallige bewegingen in hooge mate de
belangstelling van den onbevooroordeelden onderzoeker, ook van de
Siameezen, zooals blijkt uit den dichterlijken naam "Zonnestraal",
dien zij aan een dezer Slangen geven.
De buit der Boomslangen schijnt uit zeer verschillende dieren te
bestaan. Zij eten Hazelmuizen, kleine Vogels, bij voorkeur echter
allerlei Hagedissen en Amphibiën, die met haar hetzelfde terrein
bewonen.
Tot de Groeftandige Boomslangen behoort het in Zuid-Amerika levende,
maar ook in West-Indië en op Madagaskar vertegenwoordigde geslacht
der Groene Slangen (Philodryas); een der meest verbreide soorten is
de 82 cM. lange Groene Slang (Philodryas viridissimus), die in Guyana
en het tropische gedeelte van Brazilië overal gevonden wordt. Dit
dier heeft een middelmatig grooten, platten kop, een zijdelings
samengedrukten romp en een langen staart. Schitterend is het effen
groen van de bovenzijde, iets doffer dat van de onderdeelen.
"In het midden van den zomer," schrijft Günther, "werden twee
Zuid-Amerikaansche Groene Slangen aan den Zoölogischen Tuin te Londen
te koop aangeboden. Hun levenswerkzaamheid was ondanks de destijds
zeer hooge temperatuur zeer gering; zij hielden zich zoo stijf, dat
men ze met eenigen schroom aanraakte om het slanke lichaam niet te
breken. In haar hok bewogen zij zich langzaam naar een hoek, hieven
hier het voorste deel van haar lichaam omhoog en bleven bewegingloos
in deze houding liggen. "Groene Slangen kan men niet in 't leven
houden", was het oordeel van den oppasser, die, naar het scheen, reeds
vele leden van verwante Indische soorten had verzorgd. De takken en
twijgen, waarmede hij steeds haar hok had voorzien, wilden zij niet
als rustplaats gebruiken. Daar het groene kleed van deze Slangen recht
gaf tot het vermoeden, dat zij zich alleen op levende en bebladerde
planten op haar gemak zouden gevoelen, werden twee flink ontwikkelde
hortensia's in haar hok geplaatst. Nauwelijks was dit geschied,
of een van de Slangen wendde haar kop naar de planten en scheen
achtereenvolgens iederen tak, ieder blad te onderzoeken. Plotseling,
zoodat men haar beweging nauwelijks met het oog kon volgen, schoot
zij op een van de heesters toe, kronkelde zich eenige malen door
de twijgen en rolde zich ten slotte ineen op een plaats, waar haar
lichaam bijna geheel op groene plantendeelen kon rusten. Dit alles was
zoo snel gebeurd, dat ik, naar de eene Slang kijkend, niet bemerkt
had, dat haar gezellin op dezelfde wijze in den anderen heester een
schuilplaats had gevonden; hoe klein de ruimte ook was, kon ik haar
eerst na eenig zoeken te midden van de bladen onderscheiden. Sedertdien
tijd verkeeren beide exemplaren in blakenden welstand; men heeft
ze nooit meer op den bodem gezien; slechts nu en dan steekt een der
Slangen het voorste deel van 't lichaam boven de plant uit en gelijkt
dan veel op een groenen, onbebladerden tak."
Nog duidelijker zijn de Zweepslangen of Snuffelslangen (Dryophis)
voor het leven te midden van de boomen ingericht. De romp en de staart
zijn buiten verhouding lang en slank; de zeer lange en smalle kop
eindigt in een spitsen, niet zelden slurfvormig verlengden snuit; de
mondspleet strekt zich tot ver achter de oogen uit; deze zijn groot
en hebben een horizontale, spleetvormige pupil; de kleine neusgaten
zijn zijdelings geplaatst. Alle bekende soorten van dit geslacht
bewonen de keerkringsgewesten van Azië.
De Zweepslangen dragen haar naam niet ten onrechte; zij kunnen
werkelijk het best vergeleken worden met het koord van een zweep,
zóó slank, zóó buitengewoon lang is haar romp. In verband met dezen
lichaamsbouw houden zij zich steeds te midden van de groene deelen
der boomen op en gevoelen zich nergens anders op haar plaats. Op den
bodem zijn hare bewegingen onbeholpen en langzaam, in de boomkroon
even bevallig als behendig. Zij maken jacht op Vogels, Hagedissen
en Boomvorschen, in haar jeugd ook op Insecten; haar vraatzucht en
bijtlust zijn buitengewoon groot; onverwachts schieten zij toe op
ieder wezen, dat in haar nabijheid komt en bijten in ieder voorwerp,
dat haar voorgehouden wordt; toch geeft men ze hier en daar als
speelgoed aan kinderen.
De Donkere Zweepslang (Dryophis pulverulentus), die op Ceylon en op de
Anaimalai-bergen van Zuid-Indië op ongeveer 570 M. hoogte leeft, is op
bruingrijzen grond van boven en van onderen purperkleurig gemarmerd
en met donkerbruine stippels geteekend. Daar de huid tusschen de
schubben deels wit, deels zwart is, zal het dier, als het zich strekt,
met onderling afwisselende ringbanden van deze kleuren geteekend zijn;
een bruine teugelstreep reikt tot aan het oog. Van de totale lengte,
die 1.67 M. kan bedragen, komt twee vijfde op den staart.
De Watergroeftandigen (Homalopsinae) verschillen van hare op het
land levende verwanten door de plaatsing der neusgaten, die naar
de bovenzijde van den snuit verschoven zijn, en door den vertikalen
stand van de spleetvormige pupil hare kleine oogen. Zij bewonen het
zuiden van China, Oost-Indië, de Molukken, Nieuw-Guinea en het noorden
van Australië en leven nagenoeg voortdurend in het water; slechts
nu en dan vindt men een enkel exemplaar op vlakke gedeelten van den
oever liggen. Verscheidene Indische soorten zwemmen de rivieren af
tot in zee en gedragen zich hier als echte Zeeslangen. Haar voedsel
bestaat uitsluitend uit Visschen en zwemmende Schaaldieren met zachte
huid. Deze volstrekt niet opvliegende of bijtlustige, kortom aanvallige
dieren zijn goedaardiger dan de meeste Colubriden en zouden tot sieraad
kunnen strekken voor onze aquariën, indien er kans bestond ze levend
over te brengen. Alle leden van deze onderfamilie brengen (evenals
alle overige in 't water levende Slangen) levende jongen ter wereld.
Tot het geslacht der Waterslangen (Homalopsis) behoort de
Boa-waterslang (Homalopsis buccata), die door haar uiterlijk
eenigszins aan een Boa herinnert, maar slechts 1 M. lang wordt. De
rug is met kleine, gekielde schubben bekleed en prijkt met breede,
donkerbruine, zwart gezoomde dwarsbanden, die met smalle, lichtbruine
tusschenruimten afwisselen. De kop is van boven met hoekige figuren,
aan weerszijden met een donkerbruine overlangsche streep versierd;
aan weerskanten van de witachtige onderzijde van den romp komt een
overlangsche reeks van bruine vlekken voor; de onderzijde van den
staart is eveneens bruin gevlekt. Deze soort bewoont Achter-Indië,
het Maleische Schiereiland en de Groote Soenda-eilanden; zij is vooral
op Java veelvuldig, waar men haar Oelar-ajar noemt, evenals andere
in zoet water levende Slangen, onverschillig of zij tot het geslacht
Homalopsis of tot het geslacht Tropidonotus behooren.
De Giftandigen (Proteroglypha) vormen de derde en laatste reeks van
de groote familie der Colubriden. Zij kenmerken zich door het bezit
van gegroefde tanden aan het voorste gedeelte van het bovenkaaksbeen;
bij sommige geslachten komen in dit been geen andere tanden voor dan
deze, bij de overige worden zij gevolgd door eenige kleinere, massieve,
ongevoorde tanden. Alle leden van deze groep, geen enkele uitgezonderd,
zijn vergiftig. Zij worden in twee onderfamiliën gerangschikt: de
Slangadders (Elapinae), die door haar lichaamsbouw voor het verblijf
op den grond of in boomen geschikt zijn, en de uitsluitend in zee
levende Zeeslangen (Hydrophiinae).
De Slangadders (Elapinae), zoo genaamd, omdat zij door haar gestalte
op niet-vergiftige leden van haar familie gelijken, zijn kleinkoppige
Slangen met een korten, tamelijk spits eindigenden staart; haar
lange romp is op de dwarse doorsnede nagenoeg cirkelvormig of door
het uitpuilen van het midden van de rugzijde afgerond driehoekig. De
neusgaten zijn aan de zijden van den afgeronden snuit gelegen; de
teugelschilden ontbreken altijd; de kop is op regelmatige wijze met
groote schilden bekleed; overigens is de bedekking van het lichaam
zeer verschillend.
Deze onderfamilie, die zoowel in de Oude als in de Nieuwe Wereld
vertegenwoordigd is, ontwikkelt op het oostelijk halfrond de grootste
verscheidenheid van vormen. De talrijke Gifslangen van Australië
behooren alle tot deze groep. Gelukkig bewoont geen van hare leden ons
werelddeel. Zij omvat bijna de helft van alle Gifslangen en daaronder
verscheidene van de allergevaarlijkste. Op weinige uitzonderingen
na leven alle Slangadders op den grond; enkele zijn echter ook in
staat om boomen te bestijgen, hoewel zij dit, naar het schijnt,
niet dikwijls doen. Alle maken jacht op kleine gewervelde Dieren;
haar buit bestaat vooral uit onschadelijke Slangen, maar ook uit
Hagedissen. De grootste overvallen haar slachtoffer van uit een
hinderlaag, maar vervolgen het soms ook over een korten afstand,
wanneer zij het niet dadelijk kunnen grijpen; na den beet wachten
zij de uitwerking van het gif af. De kleinere Slangadders schijnen
haar prooi op te sporen, te vangen en eerst gedurende het verzwelgen
te vergiftigen. De mededeelingen over haar voortplanting zijn nog
zeer onvolledig; wat men er van weet, wettigt het vermoeden, dat de
ontwikkeling van de kiem na het leggen der eieren haar beslag krijgt.
Hoewel men misschien mag aannemen, dat de Slangadders over 't
algemeen bij de niet-vergiftige leden harer familie in kleurenpracht
achterstaan, zijn er toch ook, die in dit opzicht naar den prijs kunnen
dingen. Het is zelfs niet onmogelijk, dat men de schoonheidsprijs aan
de Pronkadders (Elaps) zou moeten toekennen, al namen alle Reptiliën
aan den wedstrijd deel.
Dit geslacht, waarvan de meeste soorten in de warmste gewesten
van Amerika thuis behooren en de weinige overige Afrika bewonen,
bestaat uit kleine, maar lang uitgerekte, eenigszins plompe Slangen
met rolronden romp, platten, van achteren niet zeer duidelijk
begrensden kop en korten staart. De mondopening is zeer klein en de
onderkaakshelften kunnen slechts weinig uiteenwijken.
Aan het bovenkaaksbeen komen achter de groote tanden, die voor het
vergiftigen van de prooi dienen, geen massieve tanden voor. Over
de aanwezigheid van giftanden heeft langen tijd eenige twijfel
bestaan; daar bij sommige soorten geen gifkanaal of gifgroeve aan
den tand gevonden werd en bij andere soorten van hetzelfde geslacht
wel. Hoewel volgens de laatste onderzoekingen de Pronkadders niet
tot de gevaarlijkste Gifslangen gerekend moeten worden, is toch het
bewijs geleverd, dat het gif van deze dieren even krachtig werkt als
dat van andere, met gevoorde of doorboorde tanden uitgeruste Slangen
van gelijke grootte.
Een van de prachtigste soorten is de Koraalroode Pronkadder (Elaps
corallinus), een Slang van 60 à 70 cM. lengte, waarvan ongeveer 10
cM. op den staart komt. De schitterend vermiljoenroode grondkleur van
dit dier heeft een buitengewoon sterken, op den buik iets dofferen
glans. Aan den romp wordt zij op tamelijk regelmatige wijze afgebroken
door 16 à 19 zwarte, het geheele lichaam omgevende, ongeveer 10 à
14 mM. breede ringen, die nagenoeg gelijke tusschenruimten overlaten
en aan haar voor- en achterrand door een smallen, groenachtig witten
ring zeer zuiver gescheiden zijn van de rood gekleurde gedeelten. Alle
roode en groenachtig witte ringen zijn zwart gestippeld, daar iedere
schub hier een zwarte spits heeft. De voorste helft van den kop is
blauwachtig zwart; op de achterhoofdschilden begint een groenachtig
witte dwarsband, die zich achter het oog naar beneden ombuigt en de
geheele onderkaak kleurt; hierachter ligt een zwarte halsband. De
staart is gewoonlijk niet rood van kleur, maar vertoont op zwarten
grond ongeveer 8 witachtige ringen en heeft een korte, witte spits. Van
deze kleursverdeeling komen, naar het schijnt, weinig afwijkingen voor.
De Koraalroode Pronkadder bewoont de groote wouden en
kreupelhoutbosschen bij Rio de Janeiro, Cabo Frio en aan den Parahyba;
zij komt echter evenzeer in West-Indië en Argentinië en veel verder
westwaarts in Ecuador, Bolivia en de laag gelegen gewesten van het
noordoosten van Peru voor. Op geheel opene plaatsen treft men haar
zeldzamer aan, hoewel zij soms ook hier en zelfs in de nabijheid
van woningen gevonden wordt. Het schijnt, dat zij in moerassen
niet voorkomt en boven alle andere terreinen de voorkeur geeft aan
zandgrond of aan den koelen, vochtigen bodem van wouden, waar planten,
rottende afgevallen bladen en dergelijke stoffen haar een schuilplaats
verschaffen. "De jager, die deze wouden doorkruist, welker bodem met
een dikke laag van plantaardige overblijfselen bedekt is, blijft," zegt
de Prins Von Wied, "verbaasd en verheugd staan, zoodra hij te midden
van het groen, de vuurroode ringen van deze fraaie Slang ontwaart;
alleen de onzekerheid over het gevaar, waaraan hij zich blootstelt,
doet hem aanvankelijk schroomen, zijn hand naar het fraaie dier uit
te strekken. Het bleek ons echter spoedig, dat men zonder gevaar
deze Slangen kan opnemen en levend in den zak vervoeren. Haar voedsel
bestaat uit kleine Gewervelde Dieren: de geringe wijdte van mond en
keel veroorlooft haar niet een grooteren buit te verzwelgen."
"Vaak komt het voor, dat Brazilianen den vreemdeling op deze fraaie
Slang opmerkzaam maken, daar ook zij over den ongewonen gloed harer
kleuren verrukt zijn; evenals de meeste Slangen, wordt dit dier
door hen voor vergiftig gehouden; vele lieden meenen zelfs, dat het
een andere kleine Slang in den hals draagt, waardoor de beet wordt
toegebracht." De oorsprong van het laatstgenoemde verhaal is niet
moeielijk te raden: waarschijnlijk heeft men deze Slang dikwijls
waargenomen bij het verzwelgen van haar prooi, die uit Slangen,
Ring- en Woelhagedissen en andere kleine Reptiliën bestaat. Ook weet
men thans, dat de Brazilianen te recht de Koraalroode Pronkadder
vergiftig noemen.
Volgens een mededeeling van Seba wordt een andere soort van
Pronkadder--de Schootslang of Meisjesslang (Elaps hygiae)--door
vrouwen en meisjes in Zuid-Afrika in het warme jaargetijde als
verkoelend middel gebruikt; zij wikkelen zich dit dier om den hals,
daar het niet bijt. Ook de Prins Von Wied schijnt iets dergelijks
gezien te hebben, daar hij opmerkt: "Als men deze fraaie Slang, nadat
zij gedood is, om den donkeren hals van een Neger of van een Indiaan
gewikkeld ziet, wordt men herinnerd aan de bonte, van vogelveeren
vervaardigde halssnoeren, die de bewoners van Hawaii droegen, toen
Kapitein Cook hen bezocht."
Van de prachtige kleur dezer Slangen krijgt men geen juiste
voorstelling door het beschouwen van de exemplaren onzer musea. Als men
haar de huid aftrekt, verbleeken de fraaie, roode ringen zeer spoedig;
ook de in spiritus bewaarde exemplaren verliezen hun rood hoe langer
hoe meer en na verloop van eenige jaren geheel en al. Uit het feit
dat de vloeistof een lichtroode kleur aanneemt, schijnt te blijken,
dat de bedoelde huidkleurstoffen door den alcohol opgelost worden.
Bij het Aziatische geslacht der Buikklieradders (Adeniophis) zijn de
gifklieren buitengewoon sterk ontwikkeld, aan weerszijden strekken
zij zich over een derde gedeelte van de lengte van den romp uit;
zij zijn dus in de lichaamsholte gelegen, waardoor de ligging der
overige ingewanden een belangrijke wijziging ondergaat.
De meest bekende soort van dit geslacht, de Buikklieradder
(Adeniophis intestinalis), is 57 cM. lang en zeer bont van kleur;
zij komt in Birma, op het Maleische Schiereiland en op de eilanden
van den Oost-Indischen archipel, van Sumatra tot aan de Philippijnen,
veelvuldig voor.
Boengaroem of Boengar noemen de Indiërs eenige groote en uiterst
gevaarlijke Gifslangen van hun vaderland. Deze naam, tot Bungarus
vervormd, dient in de wetenschap tot aanduiding van een 8 soorten
omvattend geslacht, welks leden Oost-Indië en Zuid-China bewonen
en de volgende eigenschappen met elkander gemeen hebben. De kleine,
eivormige kop is weinig breeder dan de hals en eindigt in een stompen
snuit, de romp is op de dwarse doorsnede cirkelvormig of afgerond
driehoekig, tot aan den staart nagenoeg gelijk van dikte; de staart
is betrekkelijk kort. De mondopening is klein, de onderkaak een
weinig korter dan de bovenkaak en met zwakkere tanden gewapend dan
deze. Achter de giftanden, die aan de bolle voorzijde een duidelijke
groeve vertoonen, maar in verhouding tot de grootte van het dier zeer
klein zijn, vindt men 1 à 3 kleine, massieve tanden.
De Pama of Boengaroem-Pama der Indiërs, de Oelar-boelang der Javanen
(Bungarus fasciatus), de grootste soort van haar geslacht, bereikt
een lengte van 1.75 M.; de romp is op zwarten of blauwzwarten grond
geteekend met 25 à 35 gele ringen van ongeveer gelijke breedte,
die nagenoeg op gelijken afstand van elkander verwijderd zijn; de
blauwzwarte kop heeft een bruinen snuit; een vale streep begint op
het midden van het achterhoofdsschild en loopt aan weerszijden scheef
naar onderen en naar achteren, waardoor een halsband ontstaat.
Een tweede soort, de Paragoeda of Pakta-poela (Bungarus caeruleus),
bereikt een lengte van hoogstens 1.29 M. Haar kleur en teekening zijn
zeer ongelijk. In den regel is de bovenzijde blauwzwart of donkerbruin
en met een meer of minder groot aantal witte dwarsbanden geteekend,
welker breedte meestal niet grooter is dan de lengte van een schub
van den rug; soms zijn zij door kleine, witte vlekken vervangen;
de onderzijde is wit.
De Pama werd in geheel Voor-Indië, Assam, Birma, Siam, het zuiden
van China, op Sumatra en Java waargenomen; de Paragoeda schijnt
meer tot Voor-Indië beperkt te zijn en is reeds zeldzaam in Birma,
maar komt vooral in Bengalen en aan de kust van Malabar veelvuldig
voor. Beide soorten houden zich in droge streken op en maken hier
jacht op kleine Zoogdieren en Reptiliën, vooral op andere Slangen en
Hagedissen. Cantor zegt, dat zij, ondanks haar ronde pupil, zich over
dag dikwijls in hare schuilhoeken verbergen, den zonneschijn vermijden,
de schaduw opzoeken en zich op onvaste wijze bewegen; soms maken
zij zonder eenige aanleiding zeer onstuimige bewegingen. Sir Joseph
Fayrer daarentegen zegt uitdrukkelijk, dat zij dagdieren zijn. Zij
vluchten in den regel bij de nadering van een mensch, tenzij deze
haar tot toorn prikkelt; in dit geval kunnen zij even gevaarlijk
worden als iedere andere vergiftige Slang van gelijke grootte. Vóór
den aanval buigen zij, evenals de Adders, den kop ver achterover,
strekken daarna in scheeve richting den halven romp naar voren en
trachten haar vijand te bijten. De Indiërs beweren, dat de beet van
deze Slangen steeds den dood ten gevolge heeft en vreezen haar zeer;
wegens de kortheid van de giftanden is echter in dit geval de kans
op een gunstigen afloop iets grooter dan na den beet van een Brilslang.
De gevaarlijkheid van den beet der Boengaren is door proefnemingen
duidelijk gebleken. Een Hoen, dat door een zeer afgematte Pama
gebeten werd, stierf onder stuiptrekkingen na verloop van 25
minuten. Een groote, forsche Hond kreeg van een Paragoeda een beet
in de dij, schreeuwde luid op het oogenblik, dat hij gewond werd,
hoewel de wonde ternauwernood zichtbaar was, liep daarna echter rond,
schijnbaar zonder eenige last te ondervinden; 25 minuten na den beet
waren de beide achterpooten verlamd. Gedurende het tweede uur braakte
het gewonde dier herhaaldelijk en geraakte meer en meer in een staat
van verdooving; het viel overzijde, begon ongeregeld te ademen en
stierf voordat het uur om was.
Hoevele van de talrijke gevallen van vergiftiging door slangenbeten,
die ieder jaar in Indië voorkomen op rekening van de Boengaren moeten
worden gesteld, is moeilijk uit te maken; waarschijnlijk tast men niet
mis door haar na de Brilslang de gevaarlijkste van alle vergiftige
Slangen van Oost-Indië te noemen. "Op Java," schrijft Schlegel,
"verschuilen zij zich in aardholen, of zelfs onder de gebouwen ter
wille van de Muizen en Ratten, die, aldaar huizende, haar tot een
gemakkelijken buit verstrekken. Dit heeft zelfs in het lage gedeelte
van Batavia plaats en daar zij ook wel eens onder de bedden kruipen,
zoo heeft men gevallen, dat menschen, daaronder tastende zonder te
zien, van zoodanige Slangen gebeten werden. Haar beet schijnt meestal
en wel in zeer korten tijd den dood ten gevolge te hebben."
Toen de Portugeezen zich op Ceylon vestigden, maakten zij er kennis
met een zeer eigenaardige Slang, die door de inboorlingen Kover
Kapel werd genoemd, sanskritsche woorden, die "Koning der Slangen"
beteekenen. De bedoelde naam klonk ongeveer als Cobra de Capello of
"Slang met den hoed", bij verkorting Hoedslang, welke verbastering
meer algemeen in gebruik komend, den vroegeren naam van het dier in
vergetelheid heeft gebracht. Zij wordt ook gebezigd tot aanduiding van
verwante Slangen in Afrika. Hier had een nog zonderlinger vervorming
van den reeds verbasterden naam plaats; de Hollandsche kolonisten
in Zuid-Afrika noemden het dier naar den klank van de Portugeesche
woorden, waarmede zij het hoorden bestempelen, Koperkapel. Evenals de
Indische, waren de Afrikaansche "Hoedslangen" reeds sinds overouden
tijd bekend; meer bepaaldelijk had de in Noord- en Oost-Afrika levende
soort reeds bij de Oud-Egyptenaren grooten roem verworven.--De naam
Cobra de Capello is bovendien een zinspeling op een eigenaardigheid
van dit dier en van zijne verwanten. Het kan den hals schijfvormig
verbreeden door zijwaartsche beweging van de 8 voorste paren ribben,
die langer dan gewoonlijk en bijkans niet gekromd zijn. Dit geschiedt,
wanneer het voorste deel van het lichaam opgericht wordt; de kop is
dan steeds naar voren omgebogen, zoodat de Slang van achteren gezien
een groote, ronde hoed schijnt te dragen. Van voren beschouwd, maakt
de door ribben uitgespannen schijf veeleer den indruk van een schild;
uit dien hoofde zou de naam "Schildadder" het dier nog beter passen
dan de naam "Hoedslang". De wetenschappelijke geslachtsnaam van deze
dieren (Naja) is aan de volkstaal in Indië ontleend; op Ceylon worden
zij Negu (spreek uit: Neezjoe) genoemd.
Stel u een Hoedslang voor, die, verschrikt en geprikkeld door het
zien van een vijand, van een mensch, soms langzaam, soms snel den
verstoorder van haar rust nadert. Het voorste derde gedeelte van
haar lichaam heeft zij opgericht, haar schild uitgebreid; in deze
fiere houding houdt zij zich tot den aanval of althans tot tegenweer
gereed. Het opgeheven lichaamsdeel blijft steeds rechtstandig;
daarachter is iedere spier in werking. Wie bij dit schouwspel bedenkt,
dat de beet van deze Slang even snel den dood veroorzaakt als die
van de Ratelslang of van de Lanskopslang, zal beseffen, waarom de
Naja te allen tijde de aandacht van den mensch getrokken heeft.
De Cobra de Capello, ook wel eenvoudig Cobra (in Indië Tjinta-neezjoe)
genoemd (Naja tripudians), is 1.4 à 1.8 M. lang; de grondkleur van haar
kleed is rungeel en zweemt bij een bepaalde wijze van verlichting naar
aschgrauw; daar echter de tusschenruimten der schubben (en dikwijls
ook de hoeken van sommige dezer plaatjes) lichtgeel of wit zijn, is
de totale indruk van de kleur van het dier bleeker. In den nek hebben
lichtgeel of wit zoozeer de overhand, dat de donkerder gedeelten
er als vlekken uitzien; juist op deze plaats steekt een teekening,
die op een bril gelijkt, duidelijk tegen de lichtere omgeving af. Zij
wordt door twee zwarte lijnen gevormd, welke een veld omsluiten, dat,
met uitzondering van de zwarte vlekken of ringen, die de glazen van
den bril voorstellen, in den regel aanmerkelijk lichter is dan het
overige deel van den hoed- of schildvormig verbreeden hals. Aan deze
teekening dankt de Cobra den naam van Brilslang, waarmede gewoonlijk
ook de overige leden van het geheele geslacht Naja worden aangeduid,
al komt bij hen geen brilvormige teekening voor. De buikzijde van
de Cobra is vuilwit en op het voorste derde gedeelte van den romp
dikwijls met breede, zwarte dwarsbanden geteekend. Op grond van
vrij belangrijke kleurafwijkingen onderscheidt men een groot aantal
variëteiten, die ook bij de inboorlingen verschillende namen dragen.
De Brilslang bewoont geheel Indië, het zuiden van China, Birma,
Siam, het Maleische Schiereiland, de Groote Soenda-eilanden (met
uitzondering van Celebes), de Andamanen en Ceylon; westwaarts strekt
haar verbreidingsgebied zich uit over Afghanistan, het noordoostelijke
deel van Perzië en de zuidelijke districten van Toerkmenië tot aan
de Kaspische Zee. In den Himalaja vindt men haar tot op een hoogte
van 2500 M. Evenals de meeste overige Slangen, schijnt zij zich niet
tot een bepaald terrein te bepalen, maar zich overal te vestigen,
waar zij een geschikte schuilplaats en een voldoende hoeveelheid
voedsel vindt. Hare liefste woningen zijn verlaten nestheuvels van
Termieten, oude muren, opeenhoopingen van steenen of hout, leemen
wanden, waarin gaten voorkomen en allerlei andere verhevenheden met
holen of overdekte tusschenruimten, die voor schuilhoeken kunnen
dienen. Tennent vestigt de aandacht op het feit, dat, behalve een
soort van Gladtandige Slang--de Rattenslang (Ptyas Blumenbachii)--,
zij het eenige lid van haar onderorde is, dat de nabuurschap van
menschelijke woningen niet vermijdt. Zij wordt hierheen gelokt door de
voor woonplaats geschikte riolen en misschien ook door hoop op buit,
daar Ratten, Muizen en kleine kuikens van haar gading zijn. Zoolang
niemand haar stoort, ligt zij gewoonlijk lui en traag voor den ingang
van haar schuilplaats, neemt hierin bij de komst van een mensch ten
spoedigste de wijk en gaat alleen, na in 't nauw gebracht te zijn,
haar aanvaller te lijf.
"De zwartbruine Brilslang is," volgens Dr. S. Müller, "op de
Soenda-eilanden niet zeldzaam. De Soendaneezen op Java bestempelen
het jonge dier met den naam van Oraisindoek, d.i. Lepelslang, naar
den lepelvormig uitgezetten hals, het oude met dien van Orai-babi,
d. i. Varkenslang, naar de zwartblauwachtige kleur gelijk die van
een Chineesch Zwijn. De Maleiers in de Padangsche bovenlanden
van Sumatra kennen deze Brilslang vrij algemeen onder den haar
bijzonder kenmerkenden naam van Oelar-bieloedakh, d. i. Gifspuwende
Slang. Door de Bejadjoe Dajakkers op Borneo is ons voor haar de naam
Hantiepeh-poera, d. i. Dorpslang opgegeven, omdat men haar dikwerf
in bewoonde plaatsen en zelfs binnen de huizen aantreft. Zij kiest
bij voorkeur tuinen, velden en weilanden, de oevers van rivieren,
opene, met struiken begroeide vlakten en diergelijke tot verblijf;
gedurende den dag verbergt zij zich vaak in aardholen, onder oude,
omgevallen boomstammen en steenhoopen, in rotsholen, kelders enz.,
somwijlen ook kruipt zij midden op den dag heen en weder, naar voedsel
zoekende. Wordt zij vervolgd, dan tracht zij zich met snelle sprongen
door de vlucht te redden, doch is weldra afgetobd. In dit geval richt
zij zich plotseling in schier rechtstandige houding op, waarbij haar
staart tot steunpunt dient, zet den hals breed uit, blikt met waterpas
gerichten kop op den haar bedreigenden vijand, naar wien zij onder een
vervaarlijk gesis en voorwaartsche bewegingen met het bovenlijf, een
speekselachtig schuim uitwerpt. Haar voedsel bestaat uit Kikvorschen,
kleine Hagedisachtige dieren, Muizen en Vogels."
Alle onderzoekers noemen hare bewegingen langzaam; toch is zij
behendiger dan men gewoonlijk meent: zij kan niet slechts zwemmen,
maar ook tamelijk goed klimmen. Zoo doodde men aan boord van een
schip een Cobra, die er niet anders dan langs den ankerketting
heeft kunnen komen. Tennent bericht over een Brilslang, die gevonden
werd in de kroon van een palmboom, "aangelokt, naar men beweerde,
door het palmsap, dat juist afgetapt werd", waarschijnlijk echter,
omdat zij daarboven Vogels vangen of nesten plunderen wilde. Ook op
daken van huizen treft men haar niet zelden aan.
De Cobra eet geen andere dan kleine dieren, naar het schijnt, vooral
Reptiliën en Amphibiën; Tennent althans zegt, dat zij jacht maakt
op Hagedissen, Vorschen en Padden; volgens Fayrer vangt zij ook
Visschen en Insecten. Dat zij voor jonge Hoenderen, Muizen en Ratten
gevaarlijk kan worden, werd reeds gezegd; volgens Fayrer plundert zij
ook vogelnesten en tracht vooral uit hoenderhokken en duiventillen
eieren te rooven. Zij bekommert zich niet veel om andere Slangen en
maakt dus waarschijnlijk geen jacht op deze dieren. Zij drinkt veel,
maar kan ook lang zonder nadeel dorst lijden, zooals gebleken is bij
gevangen exemplaren, die weken en zelfs maanden achtereen niets te
drinken kregen.
Volgens Fayrer legt de Cobra hoogstens 18 witte, langwerpig eivormige
eieren met zachte schaal, zoo groot als die van onze Huisduif. Phipson
spreekt van 12 à 20 eieren. De Indiërs verhalen, dat men op plaatsen,
waar een Brilslang gevangen werd, na verloop van korten tijd ook een
tweede exemplaar van deze diersoort ziet verschijnen en schrijven dit
toe aan een zekere gehechtheid van het mannetje en het wijfje voor
elkander, aan een duurzamen band tusschen de leden van een paar. Iets
dergelijks berichten de schrijvers der oudheid van een verwante soort,
van de Uraeus-slang of Aspis. De Singaleezen beweren dat de jongen
vóór de eerste vervelling (die volgens hen op den 13en levensdag
plaats heeft) niet vergiftig zijn.
De Brilslang, die ook thans nog door de Hindoes met heilig ontzag
wordt bejegend en waaraan een bijna goddelijke vereering ten deel valt,
speelt in hunne godsdienstige overleveringen een belangrijke rol. Zoo
wordt verhaald, dat eens, toen Boeddha bij een bezoek aan de aarde in
de middagzon lag te slapen, een Cobra met haar schild het goddelijk
aangezicht overschaduwde. Bij zijn ontwaken was de god hierover
zoo verheugd, dat hij de Slang een buitengewone genade beloofde;
hij vergat echter zijn belofte, zoodat de Slang zich genoodzaakt
zag hem er aan te herinneren in een tijd, toen de Wouwen een groote
slachting aanrichtten onder de leden van haar geslacht. Om de Cobra
te beveiligen schonk Boeddha haar den bril, waarvoor de Roofvogels
bang zijn. De wijze, waarop de Indische slangenbezweerders met de
Cobra omgaan, is wel geschikt om zelfs den ongeloovigen Europeaan
een hoog denkbeeld te geven van hun bekwaamheid; de kunst, die zij
vertoonen, berust op hun nauwkeurige bekendheid met den aard en
de gewoonten van de Slang. Verscheidene schrijvers hebben beweerd,
dat de Cobra, evenals haar Afrikaansche zuster, vooraf onschadelijk
wordt gemaakt door het uitbreken van de giftanden. Reeds door Davy
werd deze bewering ten stelligste tegengesproken; latere onderzoekers
scharen zich geheel aan zijn zijde. Het komt misschien wel eens voor,
dat de slangenbezweerders aan de dieren, waarmede zij hunne kunsten
verrichten, de doodelijke wapens ontnomen hebben, in den regel echter
zijn deze aanwezig en zou de Slang er dus gebruik van kunnen maken,
daar de wijze, waarop zij afgericht wordt, zeer zeker niet in staat
is om haar het bijten af te leeren. De kunstenmaker voorkomt dit
gevaar, dat hij dikwijls, doch niet altijd, op een dolkoene wijze
uitlokt, uitsluitend door zijn behendigheid en oplettendheid. Het
is trouwens geen zeldzaamheid, dat een van deze lieden door een
beet van een Brilslang het leven verliest. "De slangenbezweerder,"
schrijft Davy, "prikkelt de Cobra door haar te slaan of door snelle,
dreigende bewegingen met de hand en kalmeert haar weder door zijn
stem, door met de hand langzaam kringen te beschrijven en door zachte,
streelende liefkoozingen. Als zij kwaad wordt, weet hij behendig haar
aanval te ontwijken, en wacht dan, tot zij weer bedaard genoeg is,
om met haar te spelen. Dan brengt hij den bek van het dier aan zijn
voorhoofd en strijkt zich er mede langs het gelaat. Het publiek meent,
dat de man werkelijk een toovermacht bezit, waardoor hij zonder gevaar
met de Slang kan omgaan; de ongeloovige toeschouwer steekt den draak
met deze meening en verdenkt den kunstenmaker van bedrog te plegen
met Brilslangen, die vooraf van de giftanden beroofd zijn: toch is
dit een dwaling en heeft het publiek gelijk. Ik heb zulke Slangen
onderzocht en gezien, dat hare tanden gaaf zijn. De slangenbezweerders
bezitten wel degelijk een toovermacht, al is het geen bovennatuurlijke,
n.l. zelfvertrouwen en moed. Zij kennen de gewoonten en de neigingen
van de Slang, weten, dat zij ongaarne haar doodelijk wapen gebruikt
en eerst na vele voorafgaande plagerijen zal bijten. Ieder, die even
omzichtig en vlug van beweging is als deze menschen, kan hun spel
nabootsen; ik heb het meer dan eens gedaan. Met elke Hoedslang kunnen
de slangenbezweerders hunne kunsten verrichten, om 't even of zij pas
gevangen werd of lang opgesloten is geweest; zij wagen het echter met
geen andere Vergiftige Slang". De waarheid van de mededeelingen van
Davy werd op Ceylon op een treurige wijze bevestigd door den dood van
een slangenbezweerder, die bij zijne voorstellingen met buitengewone
driestheid te werk ging; hij werd door een van zijne Slangen in de
borst gebeten en stierf nog op denzelfden dag.
Een zeer aanschouwelijke beschrijving van de slangenbezwering gaf
Rondot: "Tegen 6 uur 's avonds komt een Indische slangenbezweerder
aan boord. Hij is armoedig gekleed, zijn tulband is tot onderscheiding
met drie pauweveeren getooid. In zijne zakken draagt hij halsbanden,
amuletten en dergelijke voorwerpen, in een plat korfje een Cobra de
Capello. Hij maakt op het voordek toebereidselen tot het geven van
een voorstelling; wij zetten ons op de banken van het achterdek neer,
de matrozen zijn in een kring geschaard.
"Het korfje wordt neergezet en het deksel er af genomen. De
Slang ligt ineengekronkeld op den bodem. De kunstenmaker hurkt op
eenigen afstand van haar neer en begint op een soort van klarinet
een sleepend, droefgeestig, eentonig wijsje te spelen. De Slang
ontrolt zich gedeeltelijk, rekt zich uit en rijst omhoog. Zij
steunt als 't ware op den staart, die nog ineengekronkeld in het
korfje ligt. Na een poosje wordt zij eenigszins onrustig, maakt
bewegingen om, met de tong tastend, haar omgeving te onderzoeken,
ontplooit en verbreedt haar schild, geeft haar gramschap te kennen
door het voortbrengen van een meer snuivend dan sissend geluid,
door het versnellen van de tongbeweging en door zich herhaaldelijk
met kracht naar voren te krommen in de richting van haar meester,
alsof zij hem wil bijten, schiet intusschen dikwijls omhoog en
doet onbehouwen sprongen. Hoe meer zij haar schild beweegt, des te
breeder wordt het. De slangenbezweerder houdt de oogen voortdurend
op de Cobra gevestigd en kijkt haar buitengewoon strak aan. Nadat op
deze wijze ongeveer 10 of 12 minuten voorbijgegaan zijn, vermindert de
opgewondenheid van de Slang langzamerhand; eindelijk is zij tot bedaren
gekomen en wiegelt heen en weer, alsof zij onder den invloed komt van
de allengs verflauwende muziek van haar gebieder; de beweging van de
tong blijft echter nog altijd buitengewoon snel. Hoe langer hoe meer
schijnt de Cobra in een toestand van slaapdronkenheid en droomerigheid
te vervallen. Hare oogen, die aanvankelijk met onheilspellenden gloed
op den bezweerder waren gericht staren nu onbeweeglijk naar hem als
onder den indruk van een betoovering. De Hindoe, gebruik makend van
dezen toestand van wezenloosheid van de Slang, nadert haar langzaam,
zonder zijn spel te staken en drukt eerst den neus en dan de tong op
haar kop. Dit duurt niet langer dan één oogenblik; de Slang herkrijgt
onmiddellijk haar vroegere levendigheid en schiet met razende woede
op den bezweerder toe, die ternauwernood den tijd heeft om buiten
het bereik van het giftige dier te komen.
"Nadat de man opgehouden heeft te spelen, komt een van de
scheepsofficieren bij hem met den wensch om ook te zien, hoe de Hindoe
zijne lippen op den geschubden kop van het dier drukt. De arme drommel
begint opnieuw zijn eentonig wijsje te spelen en vestigt zijn starenden
blik weder op de Cobra. Al zijn moeite is echter tevergeefs. De Slang
verkeert in een toestand van buitengewone opgewondenheid; niets is
in staat haar te kalmeeren. Zij wil zelfs de korf verlaten, zoodat
men genoodzaakt is er het deksel op te doen.
"Het wil er niet bij ons in, dat de Cobra nog in het bezit is van
hare giftanden en dat er geen veinzerij schuilt achter de vrees,
die de Hindoe voor haar laat blijken. Wij verlangen daarom, dat
de man twee Hoenderen door het dier zal laten bijten en beloven
hem hiervoor een Spaanschen piaster. Een zwarte kip wordt de Slang
voorgehouden. Deze richt de helft van haar lichaam omhoog, bijt het
Hoen, na het een oogenblik aangestaard te hebben en trekt onmiddellijk
den kop terug. De losgelaten Vogel maakt van zijn vrijheid gebruik
door vol schrik de vlucht te nemen, braakt na verloop van 6 minuten,
strekt de pooten uit en sterft. Het tweede Hoen, dat tweemaal door
de Slang gebeten wordt, sterft na verloop van 8 minuten."
Graaf Karl von Görtz geeft in zijn "Reis om de Wereld" een eenigszins
andere beschrijving van de bedoelde vertooning. De Cobra's, waarmede
hij de slangenbezweerders te Madras kunsten zag verrichten, lagen
eveneens in platte korven ineengerold; de hoofdman van de troep vatte
ze echter een voor een bij den kop en begon, nadat hij ze eerst vrij
op den grond neergelegd had, een oorverscheurende muziek te maken op
een wonderlijk soort van klarinet, die aan haar einde met een kleinen
pompoen voorzien was. De Slangen richtten den kop en den hals omhoog,
keken haar meester stijf in 't gelaat en breidden haar schild sterk
uit, maar gaven geen andere bewijzen van opgewondenheid. Toen de man
haar de vuist voor den kop hield, maakte deze een beweging als om te
bijten; de bek werd echter niet geopend, ook niet bij het vervangen
van de vuist door den top van den neus en het puntje van de tong. De
kunstenmaker trachtte de Slangen niet te betooveren door ze stijf
aan te kijken; daarentegen hield hij de hand dikwijls achteloos in
de nabijheid van de dieren, die hij eindelijk zelfs om zijn hals
wikkelde. Er was niets te bespeuren van een dansende beweging der
Slangen; deze toonden duidelijk, dat zij nog even boosaardig en
woedend waren als gewoonlijk, maar ook, dat zij den slangenbezweerder
vreesden. Het was gemakkelijk te raden, dat men ze afgericht had door
ze in harde of heete voorwerpen te laten bijten. "Hare giftanden
waren gebroken; ik heb mij hiervan persoonlijk overtuigd en de
slangenbezweerders erkenden het gewillig."
"Op de Indische eilanden," zegt Dr. S. Müller, "wordt de Brilslang
volstrekt niet tot ten vermaak strekkende spelen (zoogenaamde dansen
enz.) gebruikt. De Slangen, waarmede de priesters op Java somwijlen
goochelkunsten, maar verschillend van die der Hindoe's, ten uitvoer
brengen, zijn doorgaans niet giftig. Het zijn gewoonlijk soorten van
de geslachten Python en Coluber."
Behalve de slangenbezweerders houden zich ook de brahminen
met de vangst en de africhting van de Brilslang bezig. Volgens
de mededeelingen van Johnson onderzoeken de vangers op geschikte
plaatsen alle holen in den grond en beginnen te graven bij die met
een door het in- en uitkruipen van de Slang gladgeschuurden ingang,
daar zij weten, dat deze plaats gewoonlijk oneffen is, wanneer het
hol bewoond wordt door dieren, die pooten hebben. Het op deze wijze
ontdekte hol van de Slang wordt voorzichtig geopend, totdat men
het dier bereikt heeft; dit tracht men met de linkerhand bij den
staart te vatten, terwijl de rechter een verder naar voren gelegen
deel van het lichaam omspant. Men trekt nu de Slang met de linkerhand
zooveel mogelijk door de rechter, totdat deze den nek tusschen duim en
wijsvinger heeft. Johnson verzekert, dat hij op deze wijze ook in de
open lucht Slangen heeft zien vangen. Zij die zich met dit werk bezig
houden, gaan trouwens nooit alleen op de jacht en hebben altijd de
benoodigdheden bij zich om een slangenbeet te kunnen behandelen. Zoo
draagt een van hen gewoonlijk een vuurpot, bestemd voor het gloeiend
houden van een klein ijzeren voorwerp, zoo groot als een tand van
een gewone vork en van den vorm van een slangetand, waarmede men,
als aan iemand het ongeluk overkomt van gebeten te worden, dadelijk de
gewonde plaats uitbrandt, nadat men eerst het bloed er uitgedrukt en
uitgezogen heeft, terwijl men tevens door een band om het gekwetste
lichaamsdeel te leggen de verbreiding van het gif tegengaat. Anderen
bepalen zich tot het plaatsen van een zoogenaamden "slangensteen" op
de wonde. Inwendig gebruikt men dikwijls met goed gevolg een aftreksel
"gongea" genaamd, van wilde hennep of tabak en bezoargeest.
Fayrer heeft gedurende drie opeenvolgende jaren een reeks van
onderzoekingen ingesteld, om de werking van het gif der Indische
Slangen en meer bepaaldelijk der Brilslang te leeren kennen. Als
proefdieren werden bij voorkeur Honden en Hoenderen, maar bovendien
Paarden, Runderen, Geiten, Zwijnen, Katten, Mungo's, Konijnen, Ratten,
Wouwen, Reigers, Hagedissen, onschadelijke en vergiftige Slangen,
Vorschen, Padden, Visschen en Slakken gebruikt. Het bleek, dat het gif
van de Brilslang op al deze dieren werkt en dat de werking buitengewoon
hevig en meestal ook merkwaardig snel is. Tegenmiddelen van den meest
verschillenden aard werden onderzocht; zij beantwoordden in 't geheel
niet of slechts in zeer geringe mate aan de verwachting. Het bleek,
dat beten, die een groot bloedvat treffen, onvoorwaardelijk den
dood ten gevolge hebben. Met volkomen zekerheid werd de onjuistheid
aangetoond van de meening, dat het slangengif alleen dan werkt,
wanneer het onmiddellijk in het bloed komt, maar dat het integendeel
ook door alle slijmvliezen opgenomen wordt en zelfs van uit de maag
in het bloed kan geraken.
Bij menschen openbaren de gevolgen van den slangenbeet zich dikwijls
op een andere wijze dan bij dieren; terwijl b.v. de mensch in dit
geval zoo koud wordt als een lijk, heeft men bij Honden juist het
tegendeel, n.l. een koortsachtigen toestand, opgemerkt. Daar in Indië
betrekkelijk vele lieden door Brilslangen gebeten worden en hierdoor
meestal ook het leven verliezen, is men met het verloop der ziekte
bij vergiftigde menschen voldoende bekend.
De inboorlingen van Indië, vooral de slangenvangers en bezweerders,
maken gebruik van vele geneesmiddelen bij slangenbeten. Een daarvan,
dat zeer sterk aanbevolen wordt, achten wij vermeldenswaardig, hoe
weinig baat men er ook bij zal vinden. Het is de "slangensteen," die
op Ceylon "pemboe keloe" wordt genoemd en welks gebruik de Singaleezen
waarschijnlijk overgenomen hebben van de slangenbezweerders, die van de
kust van Koromandel overkomen. "Meer dan één goed gestaafd geval van
genezing door dezen steen," zegt Tennent, "werd mij medegedeeld door
ooggetuigen. In Maart 1854 zag een mijner vrienden, terwijl hij met
een regeeringsbeambte in de buurt van Bintenne door den dsjungel reed,
een Tamil, die met een anderen persoon van den tegenovergestelden kant
kwam, plotseling in het woud springen en met een Cobra de Capello
terugkeeren, die hij met beide handen aan den kop en den staart
gegrepen had en vasthield. Hij riep zijn metgezel te hulp om de Slang
in een sluitkorfje te pakken, maar ging hierbij zoo onhandig te werk,
dat het dier hem in den vinger beet en dit lichaamsdeel eenigen tijd
met de tanden vasthield, alsof het niet in staat was den kop terug
te trekken. Het bloed vloeide uit de wonde en de gebetene scheen
onmiddellijk de hevigste pijn te lijden. Dadelijk opende de vriend
van den lijder zijn gordel en haalde er twee slangensteenen uit,
ieder ter grootte van een kleinen amandel, donkerzwart van kleur en
buitengewoon glad van oppervlakte; op iedere wonde werd een van deze
steenen gelegd; zij bleven er aan kleven en zogen al het bloed op,
dat uit de wonden vloeide; ongeveer 3 of 4 minuten bleven zij op hun
plaats, terwijl de metgezel van den lijder diens arm van den schouder
tot bij den vinger drukte en kneedde; eindelijk vielen zij vanzelf
af. Naar het scheen, was de pijn toen geweken. De patiënt bewoog
de hand, trok zich aan de vingers, totdat de gewrichten kraakten en
vervolgde zijn weg, zonder eenige bezorgdheid te toonen."
Volgens Johnson is de bereiding van de slangensteenen een geheim van
de brahminen, die hieraan belangrijke inkomsten te danken hebben. Voor
onze scheikundigen is de samenstelling van dit geneesmiddel echter geen
geheim gebleven. Zij hebben aangetoond, dat het uit gebrande beenderen,
kalk en een verkoold hars bestaat, welke stoffen vele tusschenruimten
overlaten, die door capillaire werking vloeistoffen, en dus ook
bloed of gif, in zich kunnen opnemen. Dat zulk een voorwerp bij de
behandeling van slangenbeten een gunstigen invloed kan oefenen, valt
niet te betwijfelen; stellig is deze echter van geringere beteekenis
dan die van een laatkop; gevallen van genezing door slangenbeten zooals
het hierboven aangehaalde, kunnen derhalve slechts voorgekomen zijn
bij licht gewonde en zwak vergiftigde patiënten.
Hoewel de berichten over het ontzettend groot aantal in Indië
voorkomende sterfgevallen door slangenbeten geen volkomen vertrouwen
verdienen, valt het niet te betwijfelen, dat ieder jaar vele menschen
door het gif van de Cobra het leven verliezen. Men zou kunnen meenen,
dat het bezit van zulk een gevaarlijk wapen het dier, dat er mede
uitgerust is, in vele gevallen vrijwaart tegen de aanvallen zijner
vijanden en hun aantal beperkt. Deze gevolgtrekking schijnt echter
onjuist te zijn. De Indiërs noemen een tamelijk groot aantal kleine
roovers uit de klasse der Zoogdieren op--waarvan de Mungo in de
eerste plaats vermelding verdient--, die, naar gezegd wordt, een
verdelgingsoorlog voeren tegen vergiftige Slangen. Bovendien wordt
bericht, dat men een belangrijke vermeerdering van het aantal Slangen
heeft opgemerkt in alle gewesten, waar veel jacht wordt gemaakt op
Pauwen en andere wilde Hoenderen en deze bijgevolg in talrijkheid
zeer afnemen. Hieruit zou dus blijken, dat deze groote en fiere
Vogels met de Brilslangen op dezelfde wijze handelen als onze tamme
Hoenderen met de Adders. Op Ceylon worden, naar men beweert, vele
Slangen verdelgd door Herten, die, met alle vier pooten te gelijk
opspringend, ze onder hunne hoeven verpletteren.
Soortgelijke voorstellingen als door de Indische slangenbezweerders
gegeven worden, kan men op elken feestdag op de openbare pleinen
van Kairo zien. Doffe, maar ver hoorbare tonen, voortgebracht op een
grooten kinkhoren, vestigen de aandacht op een man, die voornemens
is aan de zonen en dochters van de "roemrijke hoofdstad en moeder
der wereld" een voor hen buitengewoon aantrekkelijk schouwspel te
verschaffen. Weldra heeft zich een kring gevormd om den "hauï" en de
vermakelijkheid neemt een aanvang. Een schunnig gekleede jongen speelt
de rol van hansworst, een Mantelbaviaan vertoont zijne kunsten en de
levensgezellin van den straatartist gaat rond om het kleine kopergeld
in te zamelen, dat het karige loon is voor hetgeen ten tooneele wordt
gevoerd. Het merkwaardigste nummer van het program moet nog worden
vertoond: het zal ieder overtuigen, dat de man, die door velen met
eenige vrees wordt beschouwd, werkelijk tooverkunsten machtig is.
Bedrijvig loopen en springen de kunstenmaker, de hansworst en de
Aap rond: telkens moet nog het eene of andere voorwerp verschoven,
of aangebracht worden. Eindelijk neemt de "hauï" een van de lederen
zakken, waarin hij al zijne benoodigdheden bergt, werpt hem te midden
van den kring, opent de strik, die hem tot dusver gesloten hield,
neemt in plaats van den kinkhoren de "soemara", een instrument, dat
door muziekhatende demonen uitgevonden schijnt te zijn, en begint
een eentonig wijsje te spelen. Er komt leven en beweging in den zak;
deze komen al nader en nader bij de opening, ten slotte ziet men de
kleine eivormige kop van een Slang zich er boven verheffen. Op den
kop volgen de hals en het bovenlijf, die dezelfde houding aannemen
als zij bij de Brilslang hebben; vervolgens kronkelt het dier zijn
geheele lichaam uit den zak en begint dadelijk in een kring, die door
den bezweerder in zekeren zin omschreven wordt, zich langzaam op en
neer te bewegen; het kleine kopje wiegelt fier op den tot een schild
verbreeden hals, de fonkelende oogen volgen iedere beweging van den
man. Een algemeene ontzetting bevangt de toeschouwers, daar allen
weten, dat deze Slang de te recht gevreesde "Haje" is; bijna niemand
weet, dat de goochelaar zonder gevaar met de gramschap van dit dier
kan spotten, daar hij de voorzorg heeft genomen het van de giftanden
te berooven. Op soortgelijke wijze als wij dat van den dierentemmer in
het beestenspel gewoon zijn, laat de "hauï" de Slang in alle richtingen
draaien, om te toonen hoe tam zij is, vat haar bij den hals, spuwt haar
in 't aangezicht of bespat haar met water en drukt haar plotseling,
zonder dat de toeschouwer er iets van bespeurt, op een bepaald punt
in den nek. Op hetzelfde oogenblik strekt de Slang zich tot haar
volle lengte uit en wordt stijf als een stok. Door de drukking op
het ruggemerg in de nekstreek is zij in een toestand van verstijving
gebracht. Verklaarbaar wordt ons hierdoor het verhaal uit Exodus:
"En Aaron wierp zijn staf neder voor Pharao's aangezicht en voor het
aangezicht zijner knechten en hij werd tot een Slang. Pharao riep nu
ook de wijzen en de guichelaars, en de Egyptische toovenaars deden
ook alzoo met hunne bezweeringen. Want een iegelijk wierp zijnen staf
neder en zij werden tot Slangen".
De hier bedoelde Slang was onder den naam van "Aspis" reeds bij de
Grieken en Romeinen beroemd; voor de oude Egyptenaars, die haar
"Oera" ("de rechtstandige") noemden, was zij het zinnebeeld van
waardigheid; haar beeltenis ziet men aan de tempels, in steen gehouwen
aan weerszijden van den wereldbol; een nabootsing van haar gestalte
was het versiersel, dat de koning als teeken van zijn hoogen rang
en oppermacht aan het voorhoofd droeg; van haar oud-Egyptischen naam
is de nieuwere aanduiding "Uraeus" afgeleid. Hoe het raadselachtige
Nijlvolk er eigenlijk toe gekomen is om haar zoo hoog boven alle andere
dieren te verheffen, moeten wij in 't midden laten: misschien heeft
de eigenaardige houding, die zij soms aanneemt, hiertoe aanleiding
gegeven, of de dienst, dien zij aan den landbouw bewijst door het
verdelgen van Ratten en Muizen, of anders de vreeselijke werking van
hare giftanden. Bijna iedere Romeinsche of Grieksche schrijver weet ons
iets van de Aspis mede te deelen, van hare gewoonten en levenswijze,
van de vereering, die haar ten deel viel, van het gebruik, dat van haar
werd gemaakt. Ieder van hen mengt trouwens in zijne berichten waarheden
en fabelen, persoonlijke herinneringen en verdichtselen dooreen.
De Uraeusslang, Aspis, Haje of Egyptische Brilslang, die door de
kolonisten in Zuid-Afrika ook wel Spuwslang wordt genoemd (Naja
haje), is nog iets grooter dan haar Aziatische verwante, daar de
lengte van een volwassen exemplaar 2.25 M. kan bedragen. Van haar
kleur kan geen algemeen geldige beschrijving gegeven worden, evenmin
als van die der Brilslang. De meeste Aspiden, en meer bepaaldelijk
de Egyptische, zijn aan de bovenzijde effen stroogeel en hebben
lichtgele onderdeelen, hoewel hier in de halsstreek verscheidene
breede, donkerder dwarsbanden voorkomen, welke ieder zich over eenige
buikschilden uitstrekken. Er zijn echter tal van verscheidenheden:
de bovendeelen kunnen alle tusschen stroogeel en zwartbruin gelegen
nuances vertoonen, terwijl ook aan de onderdeelen zeer verschillende,
hoewel meestal iets lichtere kleuren waargenomen zijn. Enkele van
deze variëteiten heeft men wel als afzonderlijke soorten beschouwd;
de veranderlijkheid van de Uraeusslang is echter zoo groot, dat men,
volgens Günther, soms exemplaren ontmoet, welke men ternauwernood
van een Brilslang kan onderscheiden. Wanneer men alle Aspiden als
leden van één soort aanmerkt, omvat het verbreidingsgebied van
dit gevaarlijke dier geheel Afrika ten zuiden van den Atlas. In de
Nijllanden komt het op geschikte plaatsen zeer veelvuldig voor; in
Tunis en Zuid-Marokko ontmoet men het in kleinen getale, in geheel
Zuid-Afrika is het algemeen, aan de westkust ontbreekt het nergens;
in de binnenlanden hebben Livingstone en alle reizigers van den
nieuwsten tijd het herhaaldelijk waargenomen, of het als inheemsch
hooren aanduiden. De verblijfplaatsen van de Aspis zijn ongelijk. In
het boomlooze Egypte bewoont zij het bebouwde land en de woestijn;
zij zoekt tusschen puinhoopen en in rotsspleten een schuilplaats of
gebruikt het hol van een Renmuis of van een Springmuis tot woning; in
Soedan en in Zuid-Afrika houdt zij zich in het met struiken begroeide
land of in de steppe op, waar zij overal gelegenheid vindt om zich te
verbergen; in de gebergten (die zij volstrekt niet vermijdt) vindt zij
schuilplaatsen genoeg onder groote rotsblokken of zelfs in het dichte
struikgewas, dat hier den bodem bedekt. Zij is nergens zeldzaam, hoewel
men haar niet zoo dikwijls ontmoet, als men zou kunnen verwachten.
De Egyptenaars vreezen de Haje zeer en dooden haar, waar hun dit
mogelijk is. Hoewel zij in den regel bij 't zien van een mensch ten
spoedigste vlucht, zal zij zich, wanneer iemand haar in 't nauw
brengt, onmiddellijk oprichten en te weer stellen; ook in andere
gevallen geeft zij zeer duidelijke bewijzen van prikkelbaarheid
en woede. Niet zelden bepaalt zij zich tot zelfverdediging; soms
echter gaat zij aanvallenderwijs te werk. "Een van mijne vrienden,"
schrijft Anderson, "was bezig met het opzoeken van een zeldzame plant;
op eens schoot een Aspis op zijn hand toe. Hij had den tijd niet zich
om te draaien, maar liep achteruit zoo snel hij kon. De Slang volgde
hem echter op den voet en zou hem ingehaald hebben, indien de jacht
eenige seconden op deze wijze voortgeduurd had. In 't zelfde oogenblik
echter struikelde hij over een mierenhoop en viel ruggelings op den
grond. Terwijl hij lag, zag hij de Slang pijlsnel voorbijschieten."
De Haje komt, naar 't schijnt, door de wijze waarop zij zich
beweegt, en haar geschiktheid hiervoor volkomen overeen met de
Brilslang. Behendig kruipt zij over den bodem, gaat dikwijls en uit
eigen beweging te water, zwemt zeer goed en klimt als haar verwante.
De buit van de Aspis bestaat uit allerlei kleine dieren, vooral uit
Veld-, Ren- en Springmuizen, Vogels, die op den grond leven en hunne
jongen, Hagedissen, andere Slangen, Vorschen en Padden. Hoewel zij
over 't algemeen schadelijke dieren verslindt, kan de dienst, dien
zij hierdoor den mensch bewijst, bezwaarlijk van groote beteekenis
zijn, zoodat de ijverige vervolging, die zij tegenwoordig overal te
verduren heeft, volkomen gerechtvaardigd is.
Iedere Egyptische kunstenmaker vangt zelf de Aspiden, die hij voor
zijne voorstellingen noodig heeft en doet dit op een zeer eenvoudige
wijze. Gewapend met een langen, stevigen stok van mimosa-hout, "naboet"
genaamd, begeeft hij zich naar het terrein, waar de gewenschte buit
zich ophoudt en doorzoekt alle schuilplaatsen, waarvan de Hajes
gebruik maken, totdat hij er een te zien krijgt. Aan het eene einde
van den stok is een handvol lompen vastgemaakt; dit einde houdt hij
de Slang voor, zoodra zij zich dreigend opricht en aanstalten maakt
om van de verdediging tot den aanval over te gaan. Woedend bijt zij
in de lompen, dadelijk trekt de jager met een vlugge beweging den
stok terug om het dier de tanden uit te breken. Nooit echter bepaalt
hij zich tot één dergelijke poging, maar fopt en plaagt de Slang zoo
dikwijls, totdat zij vele malen gebeten heeft, hare giftanden stellig
kwijt geraakt en tevens geheel uitgeput is. Nu drukt hij haar kop met
den stok stijf tegen den grond, komt voorzichtig nader, pakt haar bij
den hals, drukt op de hem bekende plaats van den nek (waardoor zij in
een soort van stijfkramp vervalt) en onderzoekt haar bek om te zien,
of werkelijk de giftanden afgebroken zijn.
Over het leven van de Haje in de gevangenschap heeft Günther uitvoerige
en belangwekkende berichten gegeven, op grond van waarnemingen
door hem gedaan in den Londenschen dierentuin. "De beide prachtige
exemplaren van de zwarte variëteit van de Uraeusslang moeten, daar
zij levendig van aard en groot zijn, een vrij ruim hok bewonen. Men
heeft de glazen wanden tot op een derde van de hoogte met olieverf
ondoorzichtig gemaakt, zoowel om de Slangen, die anders wegens haar
prikkelbaarheid voortdurend in een toestand van opgewondenheid zouden
verkeeren, meer rust te verschaffen, als om haar, wanneer zij onrustig
worden, eerder te nopen zich op te richten en over het donkere deel
van het glas heen te kijken. Zij doen dit nu altijd bij de geringste
aanleiding. Wanneer zij bij zulk een gelegenheid of bij de voedering
te dicht bij elkander komen, is een gevecht onvermijdelijk: het
lichaam wordt dan hoog opgericht, de hals zoover mogelijk uitgebreid;
ieder tracht hooger te zijn dan de tegenpartij, intusschen doen
zij voortdurend haar best elkander te bijten. Verwondingen komen
opmerkelijkerwijze bij een dergelijken twist niet voor; toen echter
eenigen tijd geleden een derde exemplaar in hetzelfde hok werd
gebracht, had er een strijd plaats, waarbij de nieuweling gebeten
moet zijn, daar deze den volgenden morgen dood gevonden werd. De
dieren, die men in het hok van deze Slangen brengt, worden door
haar gedood, zelfs wanneer zij er niets van eten. De bijtbeweging
geschiedt buitengewoon snel; hoewel men de Slang met het dier in
aanraking zag komen, zou men toch kunnen meenen, dat het niet gebeten
werd, totdat men het eenige weinige seconden later na kortstondige
stuiptrekkingen ziet bezwijken. De bek wordt bij 't bijten slechts
zeer weinig geopend; de wonde is eerder een schram dan een steek. De
Hajes gaan dikwijls en gedurende geruimen tijd in 't water liggen;
's winters kruipen zij echter geheel onder het tapijt van haar hok."
Tot de Hoedslangen behoort ook nog de Zuid-Aziatische (ook op de
Soenda-eilanden voorkomende) Reuzenhoedslang (Naja bungarus),
het vreeselijkste, althans het grootste lid van haar geslacht,
die de voor een Gifslang buitengewoon groote lengte van 3.38 à
4.26 M. bereikt. Het voor verbreeding geschikte deel van den hals
is bij haar naar verhouding kleiner dan bij de overige Hoedslangen;
de kleur varieert zeer; de bovendeelen zijn in den regel olijfgroen,
de onderdeelen bleekgroen.
Het voedsel van de Reuzenhoedslang schijnt hoofdzakelijk uit andere
Slangen te bestaan. De jacht, die zij op Slangen maakt, heeft
aanleiding gegeven tot de in sommige streken van Indië verbreide
meening, dat haar door haarsgelijken koninklijke eer wordt bewezen.
De gevangen exemplaren, die Fayrer van slangenbezweerders kreeg,
misten hare giftanden en hadden daarom haar levendigen aard geheel
verloren; zij hadden zich, naar 't scheen, geschikt naar den wil
van haar gebieder en gedroegen zich geheel op dezelfde wijze als de
Brilslangen, waarmede de straatkunstenaar speelt.
Het gif van dit dier werkt zeer krachtig. Een Hond sterft ongeveer
14 minuten na gebeten te zijn, een mensch soms na 3 minuten. De
Reuzenhoedslang verdraagt de gevangenschap goed; een groot exemplaar
van deze soort heeft in den Londenschen dierentuin 12 jaar en 7
maanden geleefd en werd gedurende dezen tijd bijna uitsluitend met
Engelsche Slangen gevoederd.
Een van de gevaarlijkste Slangen van Australië is de beruchte
Zwarte Adder (Pseudechis porphyriacus), van het geslacht der
Schijnadders. Haar lengte bedraagt 1.6 à 2.5 M. De bovendeelen zijn
prachtig glanzig zwart of donker olijfbruin, de onderdeelen niet
minder fraai lichtrood, de zijden helder karmijnrood. Het wijfje
wordt wegens haar kleur Bruine Slang of Bruine Adder genoemd.
Volgens het eenstemmig getuigenis van alle deskundigen is er
geen werelddeel en zelfs geen land, dat naar verhouding zoovele
vergiftige Slangen voortbrengt als Australië. Minstens twee derde
van alle Slangen, die men tot dusver in de verschillende gedeelten
van dit vasteland gevonden heeft, zijn vergiftig; verscheidene van
deze behooren tot de gevaarlijkste leden van de geheele groep. "Waar
men zich ook bevindt", verzekert "the Old Bushman", "in het dichte
woud of op met struikgewas begroeide terreinen, in open steppen of
in broeklanden, aan de oevers van rivieren, plassen of waterkuilen,
overal kan men zeker zijn van een ontmoeting met de fel gehate vijandin
van den mensch, met de Zwarte Adder. Zij dringt tot in de tent of de
hut van den jager door en ligt ineengekronkeld onder zijn beddelaken:
nergens is men veilig tegen haar; men moet zich er over verwonderen,
dat zij niet veel meer menschen doet sneven, dan in werkelijkheid
door haar het leven verliezen." Volgens de berichten van denzelfden
opmerker, vallen alle Slangen van Zuid-Australië in winterslaap:
zij verdwijnen tegen het einde van Maart en komen in September weer
te voorschijn. De Zwarte Adder schijnt meer verbreid en veelvuldiger
te zijn, dan een der overige soorten; zij wordt althans vaker gezien;
hier draagt ook veel toe bij, dat zij over dag werkzaam is. Door de
veelzijdige ontwikkeling van haar bewegingsvermogen munt zij boven
de overige Australische Gifslangen uit; zelfs verlaat zij, naar men
bericht, niet al te zelden den vasten bodem en vervolgt klimmend of
zwemmend haar weg.
Daar de Vergiftige Slangen van Australië veel schade aanrichten
en menig ongeluk veroorzaken, worden zij algemeen gevreesd en
fel vervolgd. Vele van de Runderen en Schapen, die men des zomers
stervend of dood in de vlakte ziet liggen, zijn waarschijnlijk door
slangenbeten om 't leven gekomen, hoewel zij, de Schapen althans,
deze gevaarlijke schepsels dooden, door er met de vier pooten te
gelijk op te springen en ze zóó te verpletteren. De inboorlingen
zijn zeer bevreesd voor alle Slangen; maar worden zelden gebeten,
omdat zij onderweg steeds de grootst mogelijke voorzichtigheid in
acht nemen en hunne adelaarsoogen alles opmerken, wat zich voor hen
bevindt, om 't even of het zich beweegt of niet. Door de langdurige
gewoonte in hooge mate omzichtig geworden, loopen zij nooit door
een geul of stappen nooit in een kuil, die zij niet geheel overzien
kunnen. Zij eten de Slangen, die zij eigenhandig gedood hebben, nooit
echter die, welke in haar doodsstrijd zich zelf een beet toebrachten,
zooals dikwijls schijnt voor te komen.
In den regel vlucht de Zwarte Adder ten spoedigste, zoodra zij een
mensch hoort of ziet; in 't nauw gebracht of vertoornd door een
vervolging, valt zij dapper op haar belager aan; wegens de wijze
waarop zij dit doet, noemen de kolonisten haar "Springslang".
De zwarte oorspronkelijke bewoners van Australië beweren, dat de
beet van deze Slang zelden doodelijk is voor den mensch; ook Bennett
heeft eenige gevallen hooren noemen van menschen, die, na door
haar gebeten te zijn, genazen, zonder eenig geneesmiddel te hebben
gebruikt. Bedenkelijke gevolgen heeft zulk een beet altijd. Volgens
genoemden onderzoeker, "ging een kolonist aan de Clarence-rivier, toen
hij vernam, dat een Zwarte Adder zich in zijn huis bevond, met een stok
gewapend op het dier af om het te dooden; hij was echter niet handig
genoeg en werd aan den voet gebeten. De eerste gevolgen van den beet
waren een opmerkelijke versuffing en neiging tot slapen. De gewonde
gebruikte in- en uitwendig ammonia, insnijdingen werden gemaakt in
het gekwetste lichaamsdeel en boven de wonde werd een stevig verband
aangebracht; men liet den zieke heen en weer loopen, hoewel hij een
zeer groot verlangen om te slapen te kennen gaf en ook in andere
opzichten zich gedroeg, alsof hij met opium vergiftigd was. Uren lang
hield deze toestand aan; langzamerhand kwam er verbetering in." Op
soortgelijke wijze behandelen de zwarten een gebeten persoon. Uit de
dus verkregen genezingen mag men niet afleiden, dat het gif van deze
Slangen geen krachtige werking uitoefent, maar wel, dat niet zelden
de hoeveelheid gif onvoldoende is om den dood te veroorzaken.
Volgens de meening van jagers en inboorlingen neemt de Reuzen-ijsvogel
de voornaamste plaats in onder de natuurlijke vijanden van de
Zwarte Adder; bovendien wordt hiertoe gerekend een groote Hagedis,
waarschijnlijk een Warane.
Veel doeltreffender dan de werkzaamheid dezer vijanden is het vuur;
ieder jaar wordt het verdorde gras van de weidegronden in brand
gestoken om de vruchtbaarheid van den bodem te verhoogen door de
overblijvende asch: duizenden Vergiftige Slangen en andere schadelijke
dieren worden dan door het vuur gedood. Het is te verwachten, dat
het aantal Slangen verminderen zal, naarmate de bevolking toeneemt
en het land meer geregeld bebouwd wordt.
De tweede onderfamilie van de Giftandigen omvat de Zeeslangen
(Hydrophiinae). Zoo moeielijk het is de andere afdeelingen van
de onderorde der Slangen te begrenzen, zoo gemakkelijk kan men de
Zeeslangen herkennen en van alle overige onderscheiden: door haar
roeistaart kenmerken zij zich zoo duidelijk, dat zij onmogelijk
met andere verward kunnen worden. Bij oppervlakkige beschouwing
gelijken zij meer op Aalachtige Visschen, dan op Slangen. Haar kop is
betrekkelijk klein, het voorste deel van den romp bijna rolvormig,
het overige gewoonlijk zijdelings samengedrukt; de zeer korte,
van weerszijden buitengewoon sterk samengedrukte staart kan met een
loodrecht geplaatste roeiriem vergeleken worden. De neusgaten zijn
aan de bovenzijde van den snuit gelegen in groote neusschilden; de
kleine oogen hebben een ronde pupil. De kop is altijd met groote,
onregelmatige schilden, de romp met kleine schubben bekleed, die
elkander dakpansgewijs bedekken of met randen aaneengevoegd zijn en
zich aan de onderzijde slechts bij uitzondering in een smalle reeks
van buikschilden vervormen. Het gebit van de bovenkaak bestaat uit
korte, gegroefde giftanden, waarachter nog een aantal kleinere tandjes
voorkomen, de onderkaak is over haar geheele lengte met massieve
grijptanden gewapend.
Met het fabelachtige monster, dat niet in de zee, maar af en
toe in de verbeelding van de zeelieden spookt en vervolgens ook
in de nieuwsbladen de ronde doet, hebben de Zeeslangen van de
wetenschap niets gemeen. Geen enkele van de 50 soorten, die men heeft
onderscheiden, bereikt een lengte van 3.5 M.; die, welke meer dan 1
M. lang zijn, behooren reeds tot de zeer zeldzame uitzonderingen.
Met den opmerkelijken lichaamsbouw van deze Slangen staan haar
verblijfplaats en levenswijze in verband, zoodat deze onderfamilie in
alle opzichten een goed gesloten geheel vormt. Alle Zeeslangen leven,
zooals haar naam aanduidt, uitsluitend in de zee, komen (behoudens
enkele uitzonderingen) nooit op het land en zwemmen evenmin uit
eigen beweging de rivieren op. Alle brengen hare jongen levend
ter wereld. Zij bewonen den Indischen Oceaan en de Stille Zuidzee,
van de Kaap de Goede Hoop en de kusten van Madagaskar tot aan de
landlengte van Panama en van Nieuw-Zeeland tot Japan, vooral echter
die gedeelten van den Oceaan, welke tusschen de kust van Zuid-China
en die van Noord-Australië gelegen zijn. Naar het schijnt, komen zij
in aard, zeden en gewoonten onderling overeen.
Bij de Platstaarten (Platurus) is de romp bijna rolvormig, op den
rug dakvormig; haar schubben- en schildenkleed gelijkt op dat van de
andere Slangen.
Van de drie bekende soorten van dit geslacht komt de Geringde
Platstaart (Platurus laticaudatus) het veelvuldigst voor en is het
meest bekend. Haar lengte kan 1 M. bedragen. De grondkleur van de
bovenzijde is meer of minder helder blauwachtig of groenachtig zwart,
die van de onderzijde wisselt af van geelachtig tot guttegomgeel;
25 à 50 zwarte ringen omgeven het geheele lichaam; een zwarte vlek
op de kruin is aan weerszijden door een overlangschen band verbonden
met dwarse vlekken op den achterkop en den nek.
Volgens Cantor wordt deze soort in de Golf van Bengalen bij de kust
van Pondichery, in de buurt van de Nikobaren, Andamanen en Molukken,
van Timor, Celebes, Nieuw-Guinea en Zuid-China aangetroffen. Het
schijnt, dat zij niet uitsluitend de zee bewoont, daar men verscheidene
exemplaren op de kust gevonden heeft.
Bij de Pelamiden (Hydrus) is de kop plat, de snuit zeer lang, de hals
dik, de romp kort, sterk zijdelings samengedrukt, van boven stomp en
van onderen scherp en kort.
De Tweekleurige Zeeslang of Plaatjesslang (Hydrus bicolor), is van
boven donker bruinzwart, aan de onderzijde licht geelbruin, okergeel of
citroengeel; beide kleuren zijn scherp van elkander gescheiden, behalve
aan het staartgedeelte, waar zij banden of vlekken vormen. Zelden
wordt het dier meer dan 85 cM. lang.
Ook de Plaatjesslang is een van de algemeenste en meest bekende soorten
van haar onderfamilie, daar haar verbreidingsgebied zich uitstrekt
over den Indischen Oceaan en het tusschen de keerkringen gelegen deel
van de Stille Zuidzee. Zij komt veelvuldig voor in de nabijheid van de
kusten van Bengalen, Malabar, Sumatra, Java, Celebes en Zuid-China,
voorts in de Perzische Golf en aan de westkust van Midden-Amerika;
men heeft haar echter ook in de buurt van Japan, van Madagaskar en
zelfs van de Kaap de Goede Hoop waargenomen.
Bij de Roeistaartslangen (Distira) is de kop klein en langwerpig, de
romp lang, van voren dun en rond, van achteren dik en samengedrukt,
de staart breed. Het schubbenkleed is bij de verschillende soorten
ongelijk; de schubben aan het voorste derde deel van den romp zijn
altijd echter dakpansgewijs gerangschikt.
Vermelding verdient de Gestreepte Roeistaartslang (Distira
cyanocincta), daar ook zij een van de veelvuldigst voorkomende
Zeeslangen is. Zij kan 1.75 M. lang worden. De grondkleur van de
bovenzijde is olijfgroen; de onderdeelen zijn groenachtig geel. De
teekening bestaat uit 50 à 75 zwarte dwarsbanden, die zeer verschillend
kunnen zijn: de jongen hebben ringen, die dikwijls op het midden van
den buik ineenvloeien, maar, naarmate het dier ouder wordt, hoe langer
hoe meer van de buikzijde terugwijken en hier verflauwen of zich in
vlekken verdeelen, in den regel echter ten slotte tot de rughelft
beperkt blijven en op het midden van den romp het breedst zijn.
Het verbreidingsgebied van deze soort reikt van de Perzische Golf
tot aan de Japansche Zee.
Ervaren zeelieden, die den Indischen Oceaan herhaaldelijk doorkruist
hebben en steeds nauwkeurig acht gaven op de hier voorkomende
verschijnselen, beschouwen de aanwezigheid van Zeeslangen als een
kenteeken van de nabijheid van het land, daar deze dieren zich slechts
bij uitzondering ver van de kust verwijderen. Het liefst houden zij
zich op in de breede zeearmen tusschen de eilanden. Waarschijnlijk
trekt het betrekkelijk stille en niet al te diepe water, dat zij
hier vinden, haar zeer aan; de belangrijkste reden voor haar voorkeur
zal echter wel zijn, dat de dieren, die zij tot voedsel gebruiken in
deze gedeelten der zee in overvloed voorkomen. Wel is waar heeft men
ze soms in volle zee aangetroffen, maar dan steeds als afgedwaald
beschouwd. In het jaar 1837 werden de kolonisten van Nieuw-Zeeland
op hoogst onaangename wijze verrast door de ontdekking, dat zich
in de nabijheid van hunne eilanden een groot aantal Zeeslangen
ophielden. Gelukkig bleek de vrees, die door de verschijning van
deze vergiftige dieren opgewekt werd, ongegrond: de vreemde gasten
verdwenen spoedig weer; misschien zijn zij teruggekeerd naar de
plaatsen vanwaar zij kwamen, misschien in den vreemde omgekomen. Een
dergelijk verschijnsel werd, naar men zegt, ook in de nabijheid
van Panama en bij Kaapstad waargenomen. Voor zoover bekend, is tot
dusver nog nooit een dergelijke Slang naar den Atlantischen Oceaan
afgedwaald. Soms komt het voor, dat deze dieren door den vloed tot in
de kustrivieren worden gevoerd; ook hier neemt men ze echter altijd
slechts gedurende korten tijd waar, daar zij in zoet water niet kunnen
leven. Gevangen Zeeslangen sterven na 2 of 3, of hoogstens 10 dagen,
zelfs wanneer men ze in zeewater houdt. Ook uit andere waarnemingen
blijkt, dat deze Slangen in niet mindere mate zeedieren zijn dan de
Cetaceeën en de Oceaanvogels; buiten de zee kunnen zij niet bestaan.
Over haar levenswijze zijn, gelijk licht te begrijpen is, de
mededeelingen verre van volledig. In tegenstelling met hare verwanten
uit andere familiën ziet men de Zeeslangen gewoonlijk in grooten
getale bijeen, soms in troepen, die over een zekere uitgestrektheid
het water letterlijk vullen. Zij zwemmen hier met den kop boven water
en doen dit op soortgelijke wijze als andere Slangen; hoewel deze,
althans voorzoover zij slechts tijdelijk in 't water verblijf houden,
verre bij haar achterstaan, wat lichtheid, vlugheid en bevalligheid
van beweging betreft. Bij stil weder liggen zij schijnbaar slapend,
niet zorgeloos, maar toch ook niet schuw aan de oppervlakte. Soms laten
zij zich door een tusschen haar doorzeilend schip nauwelijks storen,
terwijl een andere maal het geringste gedruisch, dat haar verdacht
voorkomt, de nadering van een boot b.v., tot een algemeene vlucht
aanleiding geeft: terwijl zij naar de diepte duiken, ledigen zij de
longen; een aantal achtereenvolgens naar boven stijgende luchtbellen
is dan het eenige, waaruit haar aanwezigheid blijkt. Dat zij tot
aanzienlijke diepten afdalen, blijkt uit den inhoud van haar maag; ook
heeft men opgemerkt, dat zij geruimen tijd onder water kunnen blijven.
De Zeeslangen zijn zeer behendige, opvliegende en kwaadaardige dieren;
in haar element bijten zij even woedend als andere Gifslangen op het
land naar iederen werkelijken of denkbeeldigen vijand, zoodat ook zij
in haar drift soms zich zelf wonden toebrengen. Door de inboorlingen,
die het visschersbedrijf uitoefenen, worden zij te recht zeer gevreesd;
haar gif is even werkzaam als dat van de overige Giftandige Colubriden.
Het voedsel voor de Zeeslangen bestaat uit Visschen en Schaaldieren;
deze vallen aan de jongen, gene aan de volwassenen ten buit. Alle
Zeeslangen zijn zeer vraatzuchtig. Gewoonlijk zijn de bovenste
waterlagen haar jachtgebied; bij stormachtig weer echter jagen zij op
grootere diepten. Bij gevangen exemplaren heeft men kunnen waarnemen,
dat de pupil zich sterk kan vergrooten en verkleinen, zoodat het oog
op zeer verschillende diepten (bij velerlei lichtsterkten) dienst
kan doen. Het volle, niet door het water verzwakte daglicht oefent
een zoo hevige werking op haar oog uit, dat de pupil zich tot een
stipje samentrekt en zijzelf letterlijk verblind zijn, gelijk uit
hare onbeholpen bewegingen blijkt.
Van de voortplanting der Zeeslangen is nog niet veel bekend. De
drachtigheidsduur zal waarschijnlijk ongeveer 7 maanden bedragen. De
jongen verbreken de eischaal bij hun geboorte en beginnen dadelijk
de levenswijze hunner ouders.
Als vijanden van de Zeeslangen heeft men de Oost-Indische Zeearend en
de Haaien leeren kennen. In de maag van Haaien vond Peron geregeld
overblijfselen van Zeeslangen; deze worden hoogst waarschijnlijk
gedurende haar slaap door den Roofvisch gevangen en zonder eenige
vrees voor de giftanden door den wijden slokdarm gestuwd. Niet
minder gevaar loopen zij bij hevige stormen, waardoor zij dikwijls in
menigte op het land geworpen worden. De met ruig gekielde schubben
bekleede Zeeslangen zijn dikwijls begroeid met allerlei wieren,
Mosdiertjes enz. en voeren soms een drijvend woud mede, dat met
allerlei vastgehechte Schaaldiertjes bevolkt is. Dit eigenaardig kleed,
dat misschien haar te pas komt bij het verkrijgen van haar voedsel,
wekt in hooge mate onze belangstelling, daar het een der middelen is,
waarvan de natuur zich bedient om aan laag ontwikkelde zeeplanten en
zeedieren een grooter verbreidingsgebied te verschaffen. Naar het
schijnt, spelen de Zeeslangen hierbij een belangrijke rol en zijn
zij in staat om vele van de wezens, die haar lichaam als woonplaats
hebben uitgekozen, over een grooten afstand te vervoeren.
De laatste familie van de Slangen is die der Adders (Viperidae);
alle hiertoe behoorende soorten zijn vergiftig en brengen, voorzoover
men ze heeft kunnen nagaan, hare jongen levend ter wereld. Zij hebben
een dikken romp, een platten, dikwijls driehoekigen kop, een korten,
stompen staart, zeer korte bovenkaaksbeenderen, die geen andere
tanden dragen dan ongegroefde, doorboorde, haakvormige giftanden,
voorts oogen met spleetvormige, loodrecht geplaatste pupil. Door
deze kenmerken onderscheiden zij zich doorgaans van de Slangadders,
hoewel er overgangsvormen bestaan, die de omschrijving van deze beide
groepen bemoeielijken.
Duidelijk zijn de beide onderfamiliën, waarin men de Viperiden
verdeelt--de Echte Adders (Viperinae) en de Groefkopadders
(Crotalinae)--kenbaar aan de diepe groeve tusschen het neusgat en het
oog, die bij laatstgenoemde voorkomt. De Adders bewonen uitsluitend de
Oude Wereld en worden vooral in Afrika door een groot aantal soorten
vertegenwoordigd. Het verbreidingsgebied van de Groefkopadders omvat
Amerika van de Vereenigde Staten tot Patagonië en strekt zich verder
over Azië, westwaarts tot aan de grenzen van Europa uit.