door slangenbeten gebruik maakt of maakte, kan de veranderingen
tegengaan, die het gif, wanneer het eens in den bloedstroom is
opgenomen, in het bloed en in de centrale deelen van het zenuwstelsel
teweegbrengt. Gerust kan men de talrijke tegengiften, waarop men
vroeger vertrouwde, terzijdestellen. Volgens Weir Mitchell's zeer
nauwgezette onderzoekingen geldt dit ook voor den alcohol. "Het
eerste uitwerksel van het slangengif, de plotselinge vermindering van
de hartwerking, gaf aanleiding den patiënt het gebruik van groote
hoeveelheden alcoholische dranken aan te bevelen, hoewel door dit
middel geen der overige, veel schadelijker gevolgen van het venijn
worden tegengegaan. Ondanks de algemeen heerschende meening, dat
alcohol bij personen, die door Slangen gebeten zijn, een gunstigen
invloed oefent, is het thans vrij wel uitgemaakt, dat vele van deze
patiënten bezweken zijn door de werking van den alcohol, die hun
als geneesmiddel gegeven werd. Er zijn gevallen bekend van menschen,
die terwijl zij smoordronken waren door het gebruik van brandewijn,
door vergiftige Slangen gebeten werden, en toch door de werking van
het gif bezweken." "Van groot nut bij de behandeling van dergelijke
verwondingen zijn alle maatregelen, waardoor de verspreiding van
het gif door het geheele lichaam wordt tegengegaan of althans
vertraagd. Uit vele gevallen van genezing blijkt, dat er in het
organisme werkingen plaats vinden, die het vergiftigde bloed vernieuwen
en de beschadigde weefsels herstellen. Dikwijls is mij gevraagd,
wat ik zou doen, indien ik door een vergiftige Slang gebeten werd en
niet onmiddellijk hulp kon krijgen. In bepaalde gevallen, b.v. als
de verwonding aan den vingertop plaats had, zou ik niet aarzelen
mij van het vergiftigde lichaamsdeel te ontdoen door amputatie of
de wonde met een gloeiend ijzer uitbranden. Indien dit niet kan
geschieden, is het raadzaam om, terwijl er hulp gezocht wordt, het
gif tot het gebeten lichaamsdeel te beperken, door boven de wonde,
dus op een nader bij den romp gelegen plaats, twee banden aan te
brengen, die stijf genoeg aangehaald worden, om de circulatie van het
bloed te verhinderen. Om de verzwakking van de hartwerking tegen te
gaan en den patiënt in staat te stellen, naar huis terug te keeren,
kan het op dit tijdstip nuttig zijn van een alcoholischen prikkel
gebruik te maken. Ten spoedigste moet de wonde behandeld worden
met middelen, die het venijn vernietigen, waarvoor een oplossing
van overmangaanzure kali in water aanbeveling verdient. Door de
weefsels te drukken en te kneeden, wordt het in aanraking komen
van het venijn met het tegengif bevorderd. Tevens is het noodig,
de banden losser te maken om het koudvuur te voorkomen. Natuurlijk
zal dan eenig venijn in den bloedstroom kunnen geraken; maar na
weinige oogenblikken zal men opnieuw de banden kunnen toehalen en
moet men nogmaals het plaatselijk werkend tegengif aanwenden. Als een
dergelijk middel niet of eerst na geruimen tijd beschikbaar is en de
wonde een groote hoeveelheid venijn bevat, kunnen alleen het mes en
het gloeiend ijzer afdoende hulp verschaffen. Bemoedigend is echter
de herinnering, dat in Amerika een slangenbeet zelden doodelijke
gevolgen heeft. Van 9 Honden, die door 9 verschillende Gifslangen
gebeten werden, bezweken slechts 2." Het uitzuigen van de wonde heeft
dit voordeel, dat het onmiddellijk kan geschieden; de lijder of ieder
ander, die deze bewerking verricht, moet echter zeker zijn van de
afwezigheid van wondjes, hoe onbeduidend ook, in de mondholte; daar
hierdoor het gif in het bloed zou kunnen doordringen. Te sterk zuigen
kan bloeding van het tandvleesch veroorzaken en op deze wijze voor den
helper gevaarlijk worden. Volgens Kaufmann verdient bij adderbeten het
inspuiten van een 1-percents oplossing van chroomzuur in de wonde de
voorkeur boven de (door Lacerda Filho te Rio de Janeiro aanbevolen)
1-percents oplossing van overmangaanzure kali, ofschoon ook deze een
nuttige werking scheen te hebben. Op Braziliaansche plantages wordt
van het laatstgenoemde middel tegen slangenbeten een dosis van 1 1/2
à 4 cM3 ingespoten, al naar het geval meer of minder ernstig schijnt,
naar men zegt, met goed gevolg. In den laatsten tijd wordt voor de
behandeling van adderbeten, behalve een oplossing van overmangaanzure
kali (2 percent), ook carbol (5 percent) aanbevolen.
Alle Slangen drinken, sommige zuigend, met volle teugen, onder
duidelijk zichtbare bewegingen der kaken, andere door met de tong
water of dauwdroppels op te nemen, of althans de tong er mede te
bevochtigen. Verscheidene soorten verkwijnen zichtbaar en bezwijken
ten slotte, wanneer zij geen water krijgen; andere daarentegen schijnen
de behoefte aan vocht dagen, ja zelfs maanden lang met eenige weinige
druppels te kunnen bevredigen. Belangrijker nog dan het ruien voor
het leven der Vogels, is voor het leven der Slangen de vervelling;
deze werkzaamheid is een van de eerste, welke het jong na het verlaten
van het ei verricht; door het volwassen dier wordt zij ieder jaar
verscheidene malen herhaald. De vervelling neemt een aanvang met
het losraken van de fijne, doorzichtige opperhuid van de lippen,
waardoor een groote opening ontstaat. In de vrije natuur maken de
Slangen gebruik van mos, heide en andere planten of van oneffenheden
in 't algemeen om haar "hemd" uit te trekken en loopt de vervelling
zeer spoedig af; in de kooi moeten zij zich dikwijls lang tevergeefs
inspannen, voordat zij haar doel bereikt hebben en komt het zelden
voor, dat zij haar huid afwerpen, zonder deze te scheuren.
Volgens de nasporingen van Lenz heeft de eerste vervelling van de
inheemsche Slangen tegen het einde van April of in het begin van
Mei plaats, de tweede in 't laatst van Mei en het begin van Juni,
de derde in het laatst van Juni, de vierde in het einde van Juli en
het begin van Augustus, de vijfde eindelijk van het einde van Augustus
tot het begin van September. Iets dergelijks wordt van de Slangen in
tropische gewesten bericht.--Weinige dagen na de eerste vervelling in
de lente begint de voortplanting. Na ongeveer 4 maanden zijn de eieren,
waarvan het aantal in den regel 6 à 40 bedraagt (bij de Reuzenslangen
echter soms wel 100), voor 't leggen geschikt; de moeder laat ze op
een vochtige, warme plaats achter. Bij enkele soorten ontwikkelen
de jongen zich in den eileider zoover, dat zij onmiddellijk na het
leggen van het ei of reeds in het lichaam van de moeder de eischaal
verbreken. Slechts van eenige Reuzenslangen is het bekend, dat zij
hare eieren uitbroeden. Bij het verlaten van de eischaal worden de
jongen niet door hun moeder geholpen; deze bekommert zich trouwens
ook overigens weinig of niet om haar kroost. De Slangen groeien zeer
langzaam, maar misschien wel gedurende geheel haar leven, op lateren
leeftijd natuurlijk veel minder sterk dan in de jeugd. Waarschijnlijk
kunnen zij zeer oud worden.
De Slangen spelen in de dierenwereld een zeer ondergeschikte
rol. Eenige zijn ons nuttig door het vangen van Muizen en andere
schadelijke Knaagdieren. Het voordeel, dat zij den mensch op deze
wijze verschaffen, wordt ruimschoots opgewogen door de schade, die zij,
althans de Gifslangen, aanrichten: voor den haat, waaronder de geheele
onderorde te lijden heeft, bestaan zeer gegronde redenen. Het is te
prijzen, wanneer men de onschadelijke Slangen niet met de vergiftige
veroordeelt, vervolgt en doodt; de onderscheiding van de Gifslangen van
hare niet-vergiftige verwanten vereischt echter zulk een nauwkeurige
bekendheid met de geheele groep, dat het moeilijk te verdedigen zou
zijn, niet-deskundigen aan te raden sommige Slangen te sparen. Wel is
het geen moeielijke zaak de eenige inheemsche Gifslang van de beide,
ons vaderland bewonende, onschadelijke Slangen te onderscheiden; in
andere landen van West-Europa wordt echter een Slang aangetroffen,
die zooveel op onze Adder gelijkt, dat zelfs de op dit gebied zeer
ervaren Duméril, zich in de herkenning van de soort kon vergissen. In
alle andere werelddeelen komen Slangen voor, waarvan men ook thans
nog niet weet, of zij al dan niet vergiftig zijn. Ieder, die voor de
onschadelijke Slangen in de bres wil springen, moet duidelijk doen
uitkomen, dat het verzoek om deze dieren te sparen, geen andere dan
inheemsche soorten betreft, daar het anders verkeerde gevolgen zou
kunnen hebben.
De Slangen spelen een belangrijke rol in de sagen en bovenzinnelijke
voorstellingen der volken. Niet slechts in de joodsch-christelijke
overlevering, maar in de mythen van ieder volk treden zij op en wekken
soms vrees en afschuw, soms liefde en vereering. De Slang gold als
zinnebeeld van snelheid, van sluwheid, van de geneeskunde en zelfs
van den tijd. Voorheen werd aan Slangen goddelijke eer bewezen en
ook thans nog ontmoet men deze eeredienst bij eenige onbeschaafde
volken. De Indiërs vereerden haar als zinnebeeld van wijsheid;
voor andere volken waren valschheid, list en verleiding in haar
belichaamd; nog andere beschouwden de Slangen als vertegenwoordigers
van Goden. Daar haar goede en ook wel slechte eigenschappen werden
toegedicht, stelde zij soms een god, soms een duivel voor. Men dichtte
haar niet slechts eigenschappen toe, die zij niet bezitten, maar ook
vleugels, pooten en andere haar ontbrekende lichaamsdeelen, een kroon
op den kop en dergelijke tot tooi dienende aanhangselen; de phantasie
hield zich meer met haar bezig dan het waarnemingsvermogen. Daar
Slangen een buitengewonen indruk maken op de lichtgeloovige menigte,
gaven kwakzalvers en ook geneeskundigen zich veel met deze dieren
af. Plinius en andere Romeinsche (ook Grieksche) schrijvers vermelden
verscheidene geneesmiddelen, tooverdranken en dergelijke artsenijen,
waarvoor het lichaam of enkele lichaamsdeelen van verschillende
Slangen de grondstoffen leverden. Aan de Grieken en Romeinen danken
wij de uit Adders bereide pharmaceutische mengsels, die nog lang na
de Middeleeuwen in gebruik zijn gebleven. Nog in de laatstverloopen
eeuwen werden de tot het Addergeslacht behoorende Slangen bij
honderdduizenden in Europa, vooral in Italië en Frankrijk, voor de
apotheken ingezameld. Daar Europa niet genoeg Slangen kon leveren om
aan de vraag naar dit artikel te voldoen, werden zelfs uit Egypte
Gifslangen in zeer grooten getale aangevoerd. Reeds Antonius Musa,
een beroemde arts ten tijde van Keizer Octavianus Augustus, gebruikte
Adders als geneesmiddel. Andromachus van Kreta, de lijfarts van
dezen keizer, vond het "theriacum" uit, dat nog in de vorige eeuw
in bijna alle Europeesche apotheken bereid werd onder toezicht van
pharmaceuten en geneeskundigen, die de talrijke, daarin voorkomende
stoffen onderzoeken moesten. Vooral Venetië was wegens haar theriacum
beroemd. Nog in den tegenwoordigen tijd wordt aan de geneeskracht
van het addervet geloof geslagen; goede gevolgen had dit geloof in
zoover, als het aanleiding gaf tot een ijverige jacht op Adders en
veel bijdroeg tot vermindering van haar aantal.
Tot geruststelling van ieder, die voor Slangen bevreesd is, kan
dienen, dat zij een zeer groot aantal vijanden hebben. Hier te lande
maken Katten, Vossen, Marters, Bunzingen, Wezels, Egels en Zwijnen
jacht op haar, in zuidelijker gewesten de Civetkatten, vooral de
Mangoesten, in Zuid-Afrika ook sommige Hagedissen. Even krachtdadig
worden zij vervolgd door Slangenarenden en Schreeuwarenden, Buizerden,
Raven, Eksters en Gaaien, Ooievaars en andere Moerasvogels benevens
hunne plaatsvervangers uit de Vogelklasse in warme landen. Als
de uitmuntendste van alle slangenverdelgers wordt de Secretaris of
Kraangier beschouwd; ook andere leden zijner orde ontwikkelen echter in
deze richting een grooten ijver; vooral geldt dit van de Edel-, Tand-,
Zing- en Slangenhaviken, van de Sperwerarenden, Berghanen, Giervalken,
Koningsgieren en Raafgieren. Bovendien zijn vele Hoendervogels en
Stapvogels niet gering te schatten als bondgenooten in den strijd tegen
de Slangen. Zij alle verdienen de waardeering en de bescherming van
den mensch; want voor 't meerendeel verslinden zij, behalve Slangen,
ook de door haar vervolgde schadelijke dieren; het nuttige deel van
den arbeid der Reptiliën, die zij buiten staat stellen om kwaad te
doen, wordt dus door hen overgenomen.
De meeste Slangen gewennen licht aan het leven in gevangenschap; vele
verdragen dit jaren, andere althans maanden lang. Voor het welzijn is
warmte, en meer bepaaldelijk vochtige warmte, een volstrekt vereischte;
vooral mag in haar hok een bak met water, die als badinrichting
dienst kan doen, niet ontbreken. In den eersten tijd moet men haar
levende dieren als voedsel geven; als zij er zich aan gewend hebben
deze te grijpen en te verslinden, gelukt het dikwijls ook wel, haar
te leeren zich met doode dieren te behelpen, en zijn zij later zelfs
met stukken vleesch tevreden.
Langzamerhand ontstaat er tusschen de Slangen en haar verzorger een
zekere vriendschappelijke verhouding; zij nemen het voedsel aan,
dat hij haar met de handen of met een tang voorhoudt, laten zich
aanraken, opnemen, ronddragen en zelfs eenigermate africhten. Van
werkelijke gehechtheid aan haar meester blijkt echter niets; eerder
zou men nog van het tegengestelde gevoel kunnen spreken bij soorten,
die sterk, of althans door het bezit van giftanden weerbaar, zijn. De
verhouding van den mensch tot de prikkelbare, kwaadaardige Gifslangen,
die hij gevangen houdt, wordt slechts bij uitzondering langzamerhand
iets minder gespannen. Toch bijten deze dieren soms ook dan nog,
als zij reeds maanden lang voor getemd werden gehouden; in ieder
geval blijft de omgang met hen steeds gevaarlijk en vereischt zooveel
voorzichtigheid, dat ik, op mijn ervaring afgaande, niemand aanraden
mag, zich met hen in te laten.
De Wormslangen, zoo genoemd wegens haar vorm en levenswijze, wijken
even sterk af van de overige Slangen als de Ringhagedissen van
de overige Hagedissen; vroeger werden zij bij de laatstgenoemde
onderorde gevoegd. Haar belangrijkste kenmerk is het bezit van
tanden in slechts één van beide kaken--hetzij in de onderste, bij de
Smalmuiligen (Stenostomidae), of in de bovenste, bij de Hagedisslangen
(Typhlopidae)--en de ongeschiktheid van haar bek om verwijding te
ondergaan. Steeds zijn bij haar overblijfselen van den heupgordel
aanwezig. Men verdeelt ze in twee familiën (hierboven genoemd).
Bij de Hagedisslangen is de grens tusschen romp en kop onduidelijk,
de staart kort, het oog klein, door een doorzichtig schildje overdekt,
de tong duidelijk gevorkt. Kleine, rondachtige, gladde, dakpansgewijs
geplaatste schubben bekleeden het lichaam, met uitzondering van het
voorste deel van den kop, dat grootere schilden draagt. Deze familie is
over de keerkrings-gewesten van de Oude en de Nieuwe Wereld verbreid;
in het Noordelijke Rijk van de Oude wereld wordt zij door een gering
aantal soorten vertegenwoordigd, die, naar het schijnt, uitsluitend,
Zuidoost-Europa, West-Azië en Japan bewonen. Alle leven onder den
grond als de Wormen, waarmede zij zich voeden en planten zich voort
door betrekkelijk zeer groote, langwerpige eieren, welker aantal
gewoonlijk gering is. De grootste soort, die men kent, wordt ongeveer
70 cM. lang en heeft een middellijn van 3 cM.
Bij het Zwakoog (Typhlops vermicularis), den eenigen Europeeschen
vertegenwoordiger van zijn familie, hebben beide einden van het
lichaam gelijke dikte; het onderscheiden van den snuit en den staart
kost werkelijk moeite; daar men den mond voor de kloakopening zou
kunnen houden, tenzij men acht geeft op de grootere schilden, die
den afgeronden snuit bekleeden. Het oog schemert als een nauwelijks
zichtbaar stipje door het oogschild heen. De kleur is meer of minder
glanzig geelbruin, van boven donkerder, van onderen lichter; op den rug
en den staart komt een teekening voor, bestaande uit een donkerbruin
stipje op iedere schub bij de spits. Lengte hoogstens 33, dikte 0.8 cM.
Van de levenswijze van dit dier, dat in Griekenland en op verscheidene
Grieksche eilanden, in Klein-Azië, Syrië, Steenachtig Arabië en de
Kaukasuslanden aangetroffen werd, zijn tot dusver geen bijzonderheden
van eenig belang bekend.
Sterk vertegenwoordigd is dit geslacht in het Oostersche en
Australische Rijk. Als voorbeeld noemen wij Typhlops nigro-albus,
een op de Soenda-eilanden levende soort, die door de Maleiers
Oelar-balang (Bonte Slang) wordt genoemd. Snelleman noemt haar:
"een klein, zeer beweeglijk Slangetje, dat op den grond voorkomt,
maar ook opgerold ligt op de bladen van pisangboomen en andere laag
bij den grond staande struiken. In Indië wordt deze soort algemeen
als zeer schadelijk beschouwd en haar beet voor gevaarlijk gehouden,
hoewel zij inderdaad zeer onschuldig is en zich met Insecten voedt."
Zonder eenigen twijfel hebben de ouden met hunne Draken onze
tegenwoordige Reuzenslangen bedoeld. De opmerkelijke grootte van
deze dieren, hun spierkracht en de algemeen heerschende vrees
voor iedere Slang maakt de overdrijving, waaraan de schrijvers der
oudheid zich schuldig hebben gemaakt, verklaarbaar. Van een mensch,
die zich bedreigd acht door verschrikkelijke monsters en zich te
zwak gevoelt om hen te weerstaan, kan het ons niet bevreemden, dat
hij aan de bedoelde wezens een veel aanzienlijker grootte toedicht
dan zij werkelijk hebben, en zelfs ledematen, die niet bestaan. De
zoogenaamde "aarsklauwen" der Reuzenslangen, die men thans als
sporen van achterpooten heeft leeren kennen, werden door de ouden
niet opgemerkt; daarentegen begiftigde de phantasie deze door hen
zoo gevaarlijk geachte schepselen met vreemdsoortige pooten en
wonderbaarlijke vleugels. Het wondergeloof der middeleeuwen breidde
de attributen der Draken hoe langer hoe meer uit. In dien tijd was
de herinnering aan de Reuzenslangen zoo goed als geheel verloren
gegaan en ontwikkelden de onbepaalde voorstellingen der Oostersche
sprookjes zich allengs tot gestalten, waarin het oorspronkelijk type
bijna geheel onkenbaar is geworden.
Tot overdrijving waren echter niet alleen de ouden geneigd, ook bij
hedendaagsche berichtgevers vindt men er vele bewijzen van. Ook
thans nog wordt gesproken van Reuzenslangen van 15 M. lengte en
schroomt men niet te verhalen van Paarden, Runderen en dergelijke
dieren, die door deze monsters aangevallen, gedood en verzwolgen
zouden zijn. Hoewel men de mogelijkheid kan onderstellen, dat de
Reuzenslangen vroeger een aanzienlijker grootte bereikten dan thans,
nu de mensch beter uitgerust is voor den strijd met zijne vijanden en
met zijne vreeselijke wapens hun leven verkort, is het aan geen twijfel
onderhevig, dat zulke Slangen, als door de ouden beschreven worden,
nooit bestaan hebben. Uit eigen ervaring weet ik, hoe buitengewoon
moeielijk het is de lengte van Slangen zonder meting bij benadering te
bepalen. Niet zelden geschiedt dit reeds foutief bij kleine Slangen,
die men rustend voor zich ziet liggen en dus goed kan opnemen. Maar
al te vaak zal het bij nader onderzoek blijken, dat een lengte
van b.v. één meter ruim een derde hooger was geschat; bij Slangen
van 3 M. lengte is de moeielijkheid twee- of driemaal zoo groot en
bestaat er nog veel grooter verschil tusschen de werkelijkheid en
de schatting. Deze is zelfs gladweg onmogelijk, zoodra het dier zich
beweegt. Het kan dus geen verwondering wekken, dat de inboorlingen van
zuidelijker landen, met hun levendige phantasie veel verder gaande in
overdrijving, afmetingen opgeven, die twee- of driemaal zoo groot zijn
als de ware. Dezelfde Indiër of Zuid-Amerikaan, die met den schijn van
volkomen betrouwbaarheid over een ongeveer 15 M. lange Reuzenslang
spreekt, welke hij beweert zelf gezien of geschoten te hebben, zal
den nauwkeurig metenden onderzoeker, die een dier van 6 M. doodde,
verzekeren, dat dit exemplaar alle wezens van dezelfde soort, die
hij vroeger heeft gezien, in grootte ver overtreft.
De familie der Aarsklauwslangen (Boidae), die de "Reuzenslangen"
onder hare leden telt, is kenbaar aan de volgende eigenschappen: De
platte van achteren meer of minder duidelijk begrensde, driehoekig
of langwerpig eivormige kop heeft meestal een zeer grooten muil;
de krachtig gespierde romp is zijdelings samengedrukt, de staart
betrekkelijk kort; sporen van achterste ledematen zijn aanwezig:
aan weerszijden van de kloakopening komt meestal een hoornachtige
aarsklauw voor. De bekleeding van den kop bestaat uit schilden,
soms uit schubben; de rugzijde van den romp is bedekt met kleine,
zeshoekige schubben, de buikzijde met korte, maar breede schilden,
die aan den staart soms een enkele, soms een dubbele reeks vormen. Bij
zorgvuldige ontleding van het dier merkt men duidelijke overblijfselen
van een uit vier beenderen samengestelden heupgordel op. Massieve
tanden komen voor aan beide kaakbogen en aan de gehemeltebeenderen. Het
oog is betrekkelijk klein en heeft een vertikaal gerichte pupil.
Met uitzondering van de Woel-boa's (Erycinae)--een uit 6 soorten van
middelmatige grootte bestaande onderfamilie, welker verbreidingsgebied
zich van Zuid-Europa over Noord- en West-Afrika en in Azië tot Sikhim
uitstrekt en die wij verder buiten rekening zullen laten om alleen
de Reuzenslangen te bespreken--behooren alle Aarsklauwslangen in de
tropische gewesten thuis, overschrijden althans de keerkringen niet
ver. Tegenwoordig bewonen zij alle heete en waterrijke landen van
de Oude en de Nieuwe Wereld, bij voorkeur groote wouden; veelvuldig
zijn zij vooral in boschrijke gewesten, die veel water bevatten;
enkele soorten komen echter ook in droge streken voor. Er zijn
echte waterdieren bij, die met geen ander doel dan om zich in de
zon te koesteren en te slapen de door haar bewoonde rivieren, meren
en moerassen verlaten; maar steeds in het water, of althans aan den
waterkant, jagen; andere schijnen het water te mijden. De inrichting
van de oogen verraadt een nachtelijke levenswijze. Wel ziet men de
Reuzenslangen in hare wouden ook over dag zich bewegen en soms jagen;
haar eigenlijke werkzaamheid begint echter eerst, als de schemering
invalt, en eindigt bij 't krieken van den morgen. Des daags liggen
zij, op de meest verschillende wijzen ineengekronkeld, bij voorkeur
op een zonnige plek te rusten. Enkele kiezen als ligplaats een
rotsblok, een zandbank of een boven het water uitstekenden tak;
andere beklimmen een boom, hechten zich met haar grijpstaart aan
den tak, waarop het lichaam als een kluwen ineengekronkeld is of
waarvan het als een touw naar beneden hangt; nog andere zoeken een
open plek in het woud, een rotsterras of een helling op en strekken
haar lichaam geheel of gedeeltelijk lang uit of kronkelen het tot
een vlakke spiraal ineen. Alle bewegen zich niet meer dan noodig is,
eigenlijk alleen dan, wanneer zij een gevaar duchten of dit trachten
te ontwijken, of wanneer zij lang tevergeefs gejaagd hebben en nu
een buit opmerken. Plotseling ontrolt zich dan het kolossale dier,
om zich met inspanning van al zijn kracht op het begeerde slachtoffer
te werpen, dat, door de stevige tanden gegrepen en door het gespierde
lichaam omstrengeld, spoedig den laatsten adem uitblaast.
Hoewel de Reuzenslang in staat is een buitengewoon groote prooi te
verzwelgen, is de rekbaarheid van hare kaken toch volstrekt niet
onbegrensd. De vreeselijke geschiedenissen, die van haar verhaald
en geloofd worden, zijn onwaar: geen enkele Reuzenslang kan een
volwassen mensch, een Rund, een Paard, een groot Hert door haar
slokdarm stuwen; reeds het doorslikken van een dier ter grootte van
een Ree is, zelfs voor de grootste leden dezer familie, een zeer
moeielijke arbeid. Geheel uit de lucht gegrepen is het praatje, dat
een Reuzenslang bij het verzwelgen van groote dieren wacht, totdat
het deel, dat zij niet kan inslikken, door ontbinding verweekt is,
en de daarbij gevoegde opmerking, dat het speeksel van de Slangen
de rotting zeer bespoedigt. Zeker is het, dat deze dieren, evenals
alle overige Slangen, na een overvloedig maal in een toestand van
traagheid vervallen, welke aanhoudt, totdat de vertering grootendeels
afgeloopen is.
De wijze waarop een Reuzenslang een prooi beloert, besluipt, doodt
en verzwelgt, wordt door verschillende afbeeldingen, die Mützel
naar de natuur geteekend heeft, aanschouwelijk voorgesteld. Tot
toelichting diene de volgende op eigen waarneming berustende
beschrijving: Zoodra een Reuzenslang, die meestal 's nachts, doch
ook wel over dag of in de schemering jaagt, gedurende haar rust een
onbezorgd naderenden buit opmerkt, verheft zich haar kop boven den
stompen kegel, die door de spiraalwindingen van haar lichaam gevormd
wordt. De pupil, die onder den invloed van 't licht tot een smalle
spleet was ingekrompen, verwijdt zich, de tong geraakt in beweging,
wordt beurtelings uitgestoken en teruggetrokken, nu eens naar deze,
dan weer naar een andere zijde gericht; ook uit de beweging van het
puntje van den staart blijkt, evenals bij loerende Katten, dat het
verlangen naar een prooi in de Slang levendig is geworden. Mützel
heeft een Boa constrictor in dezen toestand voorgesteld. Zorgvuldig
bespiedt de Slang haar slachtoffer. Nadat dit eenigen tijd, soms
lang, soms kort geduurd heeft, ontrolt zij zich en begint haar
prooi te besluipen, zooals men in de afbeelding van den Anakonda
kan zien. Langzaam wordt het voorste deel van het lichaam voorbij
de kronkelingen geschoven, die gedurende den rusttoestand naast en
boven elkander liggen; langzaam, doch aanhoudend volgen andere deelen
van den wormvormigen romp. Alle spieren zijn in werking, alle ribben
zijn tegen den grond gedrukt om de zware massa vooruit te schuiven:
tastend onderzoekt de nooit rustende tong het te volgen pad, terwijl
de oogen voortdurend op den buit gericht zijn; meer en meer nadert
het roofdier zijn doel. Het slachtoffer is onbewust van het dreigende
gevaar; daar het de steeds dichterbijkomende Slang niet herkent, als de
vreeselijke vijand, die eenige oogenblikken later de oorzaak zal worden
van zijn dood. Verbluft door het nog nimmer voorgekomen schouwspel,
dat waarschijnlijk zijn nieuwsgierigheid prikkelt, blijft het zitten
en doet hoogstens eenige stappen of maakt eenige sprongen, als 't ware
om de Slang niet te hinderen bij het vervolgen van haar weg. Het komt
weer tot rust en blijft kalm, terwijl de roover, wiens opgewondenheid
meer en meer toeneemt, in de onmiddellijke nabijheid van den begeerden
buit door het bijtrekken van den romp den hals in kronkels legt om
dezen de noodige lengte voor den aanval te geven. Niet zelden blijft
het slachtoffer zelfs dan nog zitten, als de spitsen van de gevorkte
tong zijn lichaam aanraken. Dikwijls heb ik gezien, dat Konijnen,
als 't ware om deze begroeting te beantwoorden, ook van hun zijde
nieuwsgierig de Slang besnuffelden. Eensklaps schiet de slangekop
vooruit; eerst dan wordt de bek geopend; voordat het slachtoffer
weet, in welk gevaar het verkeert, is het gegrepen en door één of
twee ringen van de Slang omstrengeld. Dit geschiedt zoo bliksemsnel,
dat de toeschouwer vaak geen juiste voorstelling kan verkrijgen van
de ware toedracht der gebeurtenis. De Slang grijpt het dier en rolt in
't zelfde oogenblik het voorste gedeelte van haar lichaam op, door den
kop met den buit naar voren te richten en met beide zoovele kringen te
beschrijven, als zij kronkelingen om haar slachtoffer wil leggen. Vóór
het einde van de seconde, bij welker aanvang de stoot plaats had, is
de doodelijke omstrengeling van den gegrepen buit reeds een voldongen
feit. Zelden hoort men hem schreeuwen; zoo dit voorkomt, wordt het
geluid waarschijnlijk op geheel passieve wijze voortgebracht door de
lucht, die tengevolge van de vreeselijke drukking op de longen uit
de luchtpijp ontwijkt. Hoe onweerstaanbaar deze drukking is, blijkt
uit de gelaatstrekken van het omstrengelde dier. De oogen treden
uit hunne kassen, een pijnlijke trek verwringt de lip, krampachtig
trillen de (toevallig niet omstrengelde) achterpooten. Reeds na
weinige oogenblikken echter verliest het slachtoffer zijn bewustzijn;
al naar het een meer of minder taai leven heeft, begint de verflauwing
van den hartslag vroeger of later; ten slotte staat het hart stil en
is het einde daar. Nadat de Slang zich overtuigd heeft van den dood
van haar slachtoffer, ontwikkelt zij langzaam hare kronkelingen en
onderzoekt nu met de tong den buit, in den regel zonder hem geheel
los te laten. Nooit heb ik gezien, dat zij vóór het verzwelgen met
de prooi speelde, zooals de ouden beweerd en enkele berichtgevers
uit lateren tijd herhaald hebben. Het kwam mij altijd voor, dat het
betasten met de tong ten doel had de geschiktste aanvangsplaats voor
het verzwelgen van de prooi te zoeken. De bedoelde plaats is de kop;
wanneer deze het eerst in den bek komt, zal het groote stuk, dat
onverdeeld doorgeslikt moet worden, den geringsten weerstand bieden. Na
een langdurige onderzoeking met de tong, wordt het geworgde dier op
nieuw gegrepen en met zoo wijd mogelijk opengesperden bek neemt de
moeitevolle arbeid van het verzwelgen een aanvang. Beurtelings wordt de
eene en de andere kaakhelft vooruitgeschoven, de reeks van achterwaarts
gekromde tanden telkens op nieuw in de prooi gedrukt om haar vast te
houden, die van den anderen kant vervolgens door een voorwaartsche
beweging van de kaakhelft losgemaakt en verderop weer ingehaakt. Door
deze vele malen herhaalde, kleine rukken wordt langzamerhand het lijk
naar binnen gewerkt. Men ziet intusschen de beide onderkaaksbeenderen
eerst van achteren, later ook van voren meer en meer uiteenwijken,
waarbij de hen vereenigende banden sterk uitgerekt worden. Van den
vroeger slanken vorm van den kop bemerkt men niets meer, slechts
het bovenste deel behoudt ongeveer zijn oorspronkelijke gedaante:
de huid van onderkaak en keel zet zich verbazend uit, en vormt ten
slotte, zoo als door de afbeelding van bladz. 53 wordt toegelicht,
een wijden zak met een stijven ring aan zijn bovensten rand, welke aan
den totebel van den Pelikaan herinnert. Naarmate de onderkaak zich
uitzet, treedt de luchtpijp verder naar voren. Alle speekselklieren
scheiden een overvloed van vocht af en bevochtigen de haren of veeren
van het slachtoffer, voor zoover dit reeds in het achterste deel van
de mondholte is doorgedrongen. Bij het verzwelgen van groote dieren
vereischt de doorgang van de schouderbladen of van de vleugels een
sterk vermeerderde inspanning. Zoodra de Slang deze moeielijkheid
overwonnen heeft, gaan de overige lichaamsdeelen van de prooi
opmerkelijk snel door 't keelgat naar binnen. Nu herkrijgt de kop zijn
gewonen vorm. De uiteengerukte gewrichtsvlakten komen weer bij elkaar
en nadat de Slang eenige malen den muil geopend en gesloten heeft,
als om te gapen, is alles weer in orde. Van buiten kan men duidelijk
zien, hoe opeenvolgende spierwerkingen de prooi intusschen verder en
verder door den slokdarm stuwen, totdat zij in de maag is aangekomen.
Hoe buitengewoon schielijk de spijsvertering plaats heeft, kan men bij
gevangen exemplaren waarnemen. Niet langer dan vier dagen duurt het,
vóór het grootste Zoogdier, dat men hun als voedsel gewoon is te geven,
op de haren na, die met den drek verwijderd worden, volkomen in het
bloed van de Slang is opgenomen. Hoewel zij dan weer eetlust toont,
kan zij zonder bezwaar weken en zelfs maanden lang honger lijden,
althans indien een onachtzame verzorger haar niet reeds vóór dien
tijd te lang heeft laten vasten.
Sommige Reuzenslangen zijn levendbarend; andere leggen eieren, waaruit
de jongen eerst na verloop van geruimen tijd te voorschijn komen. De
moeder bevordert de ontwikkeling van de kiem op een wijze, die bij
geen ander Kruipend Dier werd opgemerkt. Bij gevangen exemplaren
heeft men herhaaldelijk waargenomen, dat het wijfje de eieren met
haar lichaam bedekt en in zekeren zin uitbroedt. De levendbarende
soorten bekommeren zich om het kroost, dat zij ter wereld brengen,
even weinig als de andere Reptiliën om hunne eieren. De jongen
die bij de geboorte bijna 1 M. lang zijn en zoo dik als een duim,
beginnen onmiddellijk de levenswijze hunner ouders, hoewel zij
aanvankelijk tot kleine troepen vereenigd blijven, die nog geruimen
tijd een gemeenschappelijke woonplaats behouden, hetzij op den
grond of in de boomen. Bij gevangen Pythons, heeft men opgemerkt,
dat de groei gedurende de 4 eerste levensjaren het snelst is, daarna
langzamer en na het 14e jaar onmerkbaar wordt; hieruit leidt men af,
dat Reuzenslangen van 6 à 7 M. lengte minstens 28 jaar oud zijn.
De Reuzenslangen zijn, naar bij gevangen exemplaren niet zelden
gebleken is, wel bewust van hun sterkte en laten zich eerder dan vele
andere Slangen, tot drift vervoeren. Toch ontwijken zij in den regel
den mensch en vallen hem slechts bij uitzondering aan. Hoewel zulk een
aanval misschien af en toe in de vrije natuur voorkomt, blijkt echter
uit geen enkel volkomen betrouwbaar bericht, dat Reuzenslangen menschen
kunnen verslinden. Geen Zuid-Amerikaansche jager, geen schrandere,
in de jacht ervaren inboorling van Afrika is ernstig bevreesd voor
deze dieren, die ijverig vervolgd worden, omdat men hun vleesch,
hun vet en hun huid op velerlei wijzen gebruikt. Het vleesch wordt
alleen door de inboorlingen gegeten; aan het vet schrijft men algemeen
geneeskracht toe; de huid wordt tot allerlei versierselen verwerkt. De
jager doodt de Reuzenslang meestal met het geweer. Een schot hagel
in den kop is hiervoor overvloedig voldoende; daar deze Slangen veel
minder taai van leven zijn dan men van deze dieren van haar grootte
en lichaamskracht zou verwachten.
De Reuzenslangen, die reeds eenigen tijd in gevangenschap hebben
verkeerd, zijn beter geschikt om naar Europa verzonden te worden,
dan de sinds kort van hun vrijheid beroofde exemplaren. De
eerstgenoemde kunnen bij behoorlijke verzorging jaren lang in 't
leven blijven. Zoowel in Europa als in Noord-Amerika vinden zij altijd
willige koopers in de eigenaars van menagerieën; daar een beestenspel
zonder Reuzenslang een van zijne grootste aantrekkelijkheden zou
missen. Met angst en beving zien "boeren, burgers en buitenlui" den
"dierentemmer", nadat hij een van zijne onovertrefbare voordrachten
over de geheele dierenwereld heeft gehouden en het onvermijdelijke
drinkgeld ingezameld heeft, een lange kist openen en hieruit de in
wollen dekens gehulde Boa voor den dag halen, haar over zijn schouder
hangen, om zijn hals slingeren, kortom, met dit monster op zulk een
wijze omgaan, dat enkele toeschouwers er kippenvel van krijgen.
Wanneer men de minder belangrijke groep der Woelboa's (Erycinae)
buiten rekening laat, kan men de familie van Aarsklauwslangen
in twee onderfamiliën splitsen: de Python-slangen (Pythoninae)
en de Boa-slangen (Boinae). De eerstgenoemde zijn kenbaar aan
hare met tanden gewapende, bij alle overige Slangen tandelooze
tusschenkaaksbeenderen. Evenals de Boa-slangen hebben zij een
grijpstaart (deze komt bij de Woelboa's niet voor). Van de Erycinae
en Boinae verschillen zij door het bezit van een dubbele reeks van
schilden aan de onderzijde van den staart, die men ook bij nagenoeg
alle overige leden der onderorde aantreft. De Python-slangen
zijn geheel tot de Oude Wereld beperkt en vooral op de Molukken,
Nieuw-Guinea en Australië sterk vertegenwoordigd.
Het grootste deel van Indië wordt bewoond door de Peddapoda der
Bengaleezen, die ook wel Tijgerslang wordt genoemd (Python molurus);
zij vertegenwoordigt het geslacht der Rotsslangen, welks leden
slechts de voorste helft van den bovenkop met regelmatige schilden,
de achterste helft daarentegen met schubben bedekt hebben. De staart
is een echte grijpstaart.
Men heeft Tijgerslangen gemeten, die 6 M. lang waren; grootere
exemplaren zullen, zoo zij al bestaan, waarschijnlijk buitengewoon
zelden voorkomen; de meeste gaan een lengte van 3 1/2 M. niet te
boven. De kop is grijsachtig vleeschkleurig, op de kruin en het
voorhoofd licht olijfbruin, de rug lichtbruin, op het midden met
geelachtig grijze tint, de onderzijde witachtig; een olijfbruine
streep loopt van het neusgat door het oog en achter den mondhoek naar
beneden; een vlek van dezelfde kleur en van driehoekigen vorm bevindt
zich onder het oog, een groote, donkere, Y-vormige of (in plaats
van deze) een onvertakte, langwerpige vlek op den achterkop en den
nek. De rug prijkt met een reeks van groote, langwerpig vierzijdige,
roodachtig bruine vlekken, die zwart gezoomd zijn en een getanden
of rechtlijnigen rand hebben; sommige zijn in het midden hooggeel;
langs de zijden komen kleinere, overlangsche vlekken voor.
Het verbreidingsgebied van deze soort strekt zich over het geheele
Voor-Indische schiereiland tot aan den Himalaja uit. Op Java wordt
zij vervangen door den Dubbelgestreepten Python (Python bivittatus)
en de Netslang (Python reticulatis), die beide ook wel Oelar-sawa of
Rijstvelden-slang worden genoemd.
Onder de bewoners van Indië zijn ook thans nog verhalen over deze
Slangen in omloop, die aan de sprookjes der ouden herinneren. Uit
de nog altijd onvolledige berichten van de natuuronderzoekers en
reizigers, die zich beijverd hebben om volkomen betrouwbare feiten
mede te deelen, blijkt voldoende, dat de Zuid-Aziatische "Draken"
volstrekt niet gevaarlijker zijn dan hunne Amerikaansche verwanten,
nagenoeg dezelfde levenswijze hebben, duidelijk de voorkeur geven
aan het verblijf in moerassige gewesten, op overstroomde rijstvelden,
kortom, in de nabijheid van het water, hoewel zij droge, rotsachtige
oorden niet vermijden en hier zoowel als daar jacht maken op kleine
Zoogdieren en Vogels. Zeer groote exemplaren vergrijpen zich,
naar men zegt, soms aan jonge Muntsjaks en Zwijnsherten, hetgeen
waarschijnlijk aanleiding gegeven heeft tot de verhalen, die ons
willen doen gelooven, dat de Slangen dieren van de grootte onzer
Edelherten verzwelgen. Wel behooren de genoemde Herkauwers tot de
familie van de Herten, maar zij bereiken nog niet eens de afmetingen
van een Ree. Bovendien moet men hierbij in 't oog houden, dat de in
Zuid-Azië levende Dwergmuscusdieren niet slechts door de inboorlingen,
maar ook door de Europeanen gewoonlijk "Herten" worden genoemd. Kleine
Zoogdieren maken het hoofdvoedsel van deze Slangen uit en slechts
oude, volwassen exemplaren vergrijpen zich nu en dan aan biggen
of aan de jongen van kleine soorten van Herten. Groote Zoogdieren
en menschen loopen nooit gevaar door haar verslonden te worden en
zelfs de inboorlingen verzekeren, dat de Pythons niet eens kinderen
bedreigen. Mijns inziens hebben de soms voorkomende aanvallen van deze
Slangen op menschen nooit opzettelijk, maar bij vergissing plaats. Een
dergelijk avontuur is den oppasser Cop in den Londenschen dierentuin
overkomen. Hij hield een van zijne hongerige Pythons een Hoen voor,
zooals hij bij het voederen dezer dieren gewoon was te doen; de Slang
wilde het grijpen, miste het, waarschijnlijk doordat zij weldra
zou vervellen en de doorzichtigheid van de huid vóór hare oogen,
gelijk in dergelijke gevallen regel is, grootelijks was afgenomen;
zij greep daarentegen den linkerduim van den oppasser en wikkelde
zich in 't volgende oogenblik om zijn arm en hals. Cop was alleen,
maar verloor zijn tegenwoordigheid van geest niet; hij trachtte met
de andere hand het dier bij den kop te vatten om het tot loslaten te
nopen; ongelukkig had de Slang het hoofd van den oppasser omstrengeld,
zoodat deze zijn doel niet kon bereiken en genoodzaakt was op den
vloer van het hok te gaan liggen, in de hoop hier krachtiger met zijn
aanvaller te kunnen worstelen. Gelukkig schoten toen, nog juist te
rechter tijd, twee oppassers den man te hulp, dien zij niet zonder
inspanning bevrijdden van het volhardende dier, dat zijn slachtoffer
anders misschien het lot van Laokoon had doen ondergaan.
De voortplanting van de Zuid-Aziatische Pythons heeft men bij gevangen
exemplaren voor het eerst kunnen nagaan in den "Jardin des Plantes"
te Parijs. Daar legde een Pythonwijfje op 6 Mei 1841 achtereenvolgens
15 eieren in 3 1/2 uur en vereenigde ze tot een hoop, waarover zij
zich op zulk een wijze ineenrolde, dat de windingen van haar lichaam
gezamenlijk een plat gewelf vormden, welks hoogste punt door den kop
werd ingenomen. De Slang bleef bijna twee maanden in deze houding;
den 3en Juni kwamen 8 jongen van ongeveer 50 cM. lengte te voorschijn;
deze bereikten, zonder eenig voedsel te gebruiken, in de eerstvolgende
16 dagen een lengte van ongeveer 80 cM., vervelden voor de eerste maal
tusschen 13 en 18 Juli, deden dit nog viermaal tot December van genoemd
jaar en begonnen na de eerste vervelling te eten. In 't eerst gaf men
haar Musschen, die zij op de gewone wijze dooddrukten; later kregen
zij rauw vleesch en kleine Konijnen. Daar haar zooveel voedsel werd
gegeven, als zij verlangden, ontwikkelden zij zich zeer voorspoedig;
reeds in December van haar geboortejaar was haar lengte 1.50 à 1.55,
van één zelfs 2 M. Het laatstgenoemde exemplaar was op den leeftijd
van 20 maanden 2.34 M. lang en had in de 6 eerste levensmaanden ruim
13, gedurende het tweede levensjaar 22 KG. voedsel gebruikt.
De Pythons worden dikwijls gevangen en zijn bij sommige volken
van Zuid-Azië, o.a. bij de Chineezen, geen onwelkome gasten; op de
vaartuigen en in de huizen, waar men ze laat begaan, houden zij zich
ijverig met de vangst van Ratten bezig.
Van de vier Afrikaansche Pythonslangen zullen wij er twee beschrijven.
De Natalsche Python (Python natalensis) is tot het oostelijke deel
van Zuid-Afrika beperkt. De grondkleur van de bovenzijde is op het
voorste derde gedeelte van het lichaam fraai geelbruin, overigens
donker olijfbruin; de onderzijde heeft een bevallige, roodachtig
witte kleur; een groot deel van den bovenkop wordt ingenomen door een
zwartbruine vlek; een reeks van kettingvormig met elkander verbonden,
langwerpig vierhoekige, ongelijkmatig gerangschikte vlekken van
zwartbruine kleur strekt zich over de geheele bovenzijde uit en zet
zich (als een donkere streep tusschen twee gele, overlangsche banden)
ook over den staart voort.
Bij de Assala, Tenne of Hieroglyphenslang (Python sebae), die over
geheel West- en Middel-Afrika verbreid is, beslaat een donkerbruine
of zwartachtige pijlvlek bijna den geheelen bovenkop, zoodat er aan
weerszijden slechts een smalle, geelachtig witte streep overblijft. De
romp vertoont op geelachtig grijzen grond bruinachtige vlekken,
ook dwarsbanden, die, evenals de vlekken, uitgaan van de donkere,
overlangsche streep, waardoor het lichtgele veld, dat de onderzijde
inneemt, begrensd wordt.
De naam "Afgodslang", die gewoonlijk dient tot aanduiding van
de Boa constrictor, komt--zooals reeds door Bosmann opgemerkt en
door reizigers uit lateren tijd bevestigd werd--eigenlijk aan de
Assala toe. Eenige volksstammen aan de kust van Guinea bewijzen haar
goddelijke eer; volgens sommigen is dit de reden van een dergelijk
huldebetoon aan de Reuzenslangen in Zuid-Amerika door de hier levende
afstammelingen van Afrikaansche negers. In de Nieuwe Wereld zou dus
de aanbidding van een Slang vroeger niet bestaan hebben, maar met
het volk, dat haar vergoodt, ingevoerd zijn.
Naar het schijnt, worden de Natalsche Python en de Assala in het
door hen bewoonde gebied nergens veelvuldig aangetroffen, hoewel
zij er evenmin tot de zeldzaamheden behooren; uit de door menschen
bewoonde streken hebben zij de wijk genomen naar veiliger oorden. Oude
exemplaren van 6 of meer M. lengte komen zeer zelden voor. Het zou
kunnen zijn, dat het aantal dezer Slangen grooter is dan men meent,
daar zij zich meestal schuil houden in moeielijk toegankelijke,
met hoogopschietende kruiden en struiken begroeide terreinen en,
evenals hare verwanten, in den regel eerst na zonsondergang
op roof uitgaan. Gewoonlijk stilt de Assala haar honger met
Hazen, Aardeekhoorntjes, Ratten en andere op den bodem levende
Knaagdieren. Waarschijnlijk zijn, behalve deze Zoogdieren, verscheidene
op den grond verkeerende Vogels het meest aan hare vervolgingen
blootgesteld. In de maag van een Assala vond ik een Parelhoen. Drayson
bericht iets dergelijks van de Natalsche Reuzenslang. Eens zag hij een
kleinen Trap herhaaldelijk opvliegen en bemerkte, toen hij dien kant
uitreed, dat de Vogel hardnekkig vervolgd werd door een Python, die
het echter geraden achtte zich zoo schielijk mogelijk te verwijderen,
toen de Trap door een schot werd neergeveld. De ijverige jager,
die reeds lang gewenscht had een Reptiel van deze soort te vangen,
achterhaalde het na een kortstondige jacht en slaagde er in het met
een stokslag te dooden of althans te verdooven.
De Soedaneezen weten zeer goed, dat de Assala niet gevaarlijk is en
gebruiken bij de jacht op dit dier geen ander wapen dan een knuppel;
een enkele, krachtige slag op den kop van het dier is voldoende om
het te dooden. Zijn vleesch wordt in Oost-Soedan met evenveel smaak
gegeten als dat van den Krokodil; men kruidt het met zout en roode
peper; het is sneeuwwit van kleur, maar na het koken nog zoo taai,
dat wij het bijna niet konden kauwen; het smaakt goed, min of meer als
het vleesch van Hoenderen. Naar het schijnt, stellen de Soedaneezen
nog meer prijs op de bonte huid; deze wordt door hen en door de negers
uit het gebied van den Witten en den Blauwen Nijl op zeer smaakvolle
wijze tot allerlei versierselen verwerkt, die vooral tot verfraaiïng
van messcheeden, amuletrollen, brieftasschen, geldzakjes en dergelijke
voorwerpen dienen. Het Python-vet wordt door sommige volken, door
de Hottentotten e.a., zeer heilzaam geacht en zorgvuldig bewaard;
de zieken, die het innemen, vertrouwen vast op de geneeskracht van
dit middel en ondervinden er daarom dikwijls gunstige gevolgen van.
In de dierentuinen en beestenspellen krijgt men de Afrikaansche
Reuzenslangen, vooral de Assala, weinig minder vaak te zien dan hare
Amerikaansche verwanten. Naar het schijnt, geraken zij even licht als
deze aan haar verzorger gewoon, die haar bij doelmatige behandeling
niet minder lang in 't leven kan houden.
De meeste eigenlijke Reuzenslangen behooren tot de reeds vroeger
omschreven onderfamilie der Boa-slangen (Boinae); deze omvat niet
minder dan 20 geslachten met 52 soorten, die voor 't meerendeel de
Nieuwe Wereld bewonen; de overige soorten worden op Madagaskar en
Mauritius, Australië, Nieuw-Guinea en de Molukken, enkele in dorre
zandstreken van de Oude Wereld aangetroffen.
Geen der Reuzenslangen is meer algemeen bekend (althans bij name)
dan de Koning- of Afgodslang (Boa constrictor), een der fraaiste
leden van de geheele onderorde. Hoewel op haar huid slechts weinige,
eenvoudige kleuren voorkomen, vormen deze een zeer sierlijke en
bevallige teekening. De grondkleur is fraai roodachtig grijs; over
den rug loopt een breede, hoekige, overlangsche streep, bestaande
uit groote, bruine vlekken, die een twintigtal geelachtig grijze,
eironde velden insluiten; de kop vertoont drie donkere, overlangsche
strepen. Dit dier kan een lengte van 6 M. bereiken en, volgens sommige
berichtgevers, nog wel langer worden. "Eertijds," zegt de Prins Von
Wied, "hebben exemplaren van 20 à 30 voet en misschien nog wel grootere
bestaan; in geheel onbewoonde streken worden zij thans nog" (1825)
"gevonden. Zij zijn zoo dik als een mansdij en kunnen een Ree vangen
en dooddrukken." Ook Schomburgk spreekt van Reuzenslangen van 6 à 10
M. Geen der genoemde onderzoekers heeft echter zulk een exemplaar
gemeten: beide gronden hun meening blijkbaar geheel op berichten
van inboorlingen, welker geloofwaardigheid niet boven allen twijfel
verheven is.
Het niet goed onderscheiden van verwante soorten heeft dikwijls
aanleiding gegeven tot een onjuiste omschrijving van het
verbreidingsgebied der Koningslang, dat een geringere uitgebreidheid
schijnt te hebben dan er gewoonlijk aan toegekend wordt. Het strekt
zich ten noorden van Rio de Janeiro en Cabo Frio, over het midden en
noorden van Brazilië, geheel Guyana, Venezuela en eenige der kleine
Antillen uit; westwaarts omvat het de bovenste gedeelten van het
Amazonas-gebied tot aan de Andes van Peru en Ecuador. Volgens den
Prins Von Wied en Schomburgk houdt deze Slang zich uitsluitend op in
droge, heete gewesten, in wouden en kreupelhoutbosschen. Zij bewoont
holen in den grond en rotskloven, schuilhoeken tusschen boomwortels en
dergelijke verblijfplaatsen. Niet zelden wordt zulk een woning door 4,
5 of meer van deze dieren gemeenschappelijk gebruikt. Soms beklimmen
zij boomen en beloeren van hier hun prooi. In tegenstelling met hunne
verwanten, die zich bij voorkeur in 't water ophouden, blijven zij
altijd op het droge.
Indien men de Koningslang gedurende den nacht kon bespieden, zou
men waarschijnlijk van haar aard en levenswijze een geheel andere
voorstelling verkrijgen dan wij er nu van geven. Hoewel zij ook over
dag een goede gelegenheid om buit te behalen niet ongebruikt laat,
begint haar eigenlijke jachttijd ongetwijfeld eerst, als de schemering
valt. Dit blijkt duidelijk genoeg uit de wijze, waarop zoowel vrije
als gevangen exemplaren zich gedragen. Alle reizigers, die bij het
doortrekken van de Zuid-Amerikaansche wouden Koningslangen ontmoetten,
verklaren eenstemmig, dat deze dieren op dezelfde plaats bleven of,
indien zij zich bewogen, dit zeer traag deden; zij vluchtten eerst,
als hun vijand zoo dicht bij hen was, dat hij hen met een knuppel
had kunnen doodslaan. Schomburgk ontdekte op een van zijne tochten
een groote Afgodslang, die, hoewel zij hem en zijn Indiaanschen gids
stellig reeds sinds eenigen tijd had gezien, toch niet gevlucht,
maar onbeweeglijk op dezelfde plaats gebleven was. "Indien dit
voorwerp vroeger mijn aandacht had getrokken", zegt de reiziger,
"zou ik het voor het uiteinde van een vooruitstekenden tak gehouden
hebben. Ondanks de tegenwerpingen en de vrees van mijn begeleider en
den onwil van mijn Hond, was ik snel besloten om althans een poging
te doen tot het bemachtigen van dit dier. Een flinke stok, die als
aanvalswapen moest dienen, was spoedig gevonden. Nog altijd verhief
de kop van de Slang zich boven de struiken: voorzichtig trachtte ik
dicht genoeg bij haar te komen om met mijn wapen een bedwelmenden slag
te kunnen toebrengen; juist toen ik dit doen wilde, verdween het dier
tusschen het groene loover en kon ik uit het eigenaardige geritsel en
de beweging der varens opmaken, dat het de vlucht had genomen. Wegens
de dicht opeengegroeide planten was het vervolgen van de Slang niet
mogelijk; ik kon echter zien, welke richting zij nam; spoedig kwam
zij weer bij den rand van de wildernis, waarlangs ik liep, om in haar
nabijheid te blijven. Eensklaps hield de ritselende beweging van het
varenkruid op en kwam de kop van de Slang, die waarschijnlijk naar
zijn vervolger uitkeek, boven het groene gebladerte te voorschijn. Een
goed gemikte slag trof den kop van de Slang met zooveel kracht, dat zij
bedwelmd neerstortte; ik liet haar den tijd niet om weer tot bewustzijn
te komen, maar sloeg nog verscheidene malen. Als een Roofvogel op een
Duif schoot ik toe, ging met de knieën op mijn buit liggen en kneep
hem, met beide handen den hals omvattend, de luchtpijp dicht. Op
mijn geroep kwam, nu het gevaar geweken was, de Indiaan mij te hulp,
hij gebruikte een van mijne bretels om er een strik van te maken,
die hij boven mijn hand om den hals van het dier legde en vervolgens
zoo stijf mogelijk dichttrok. De krampachtige kronkelingen van de
Slang werden door het dichte struikgewas gestuit, zoodat zij het
overmeesteren van den buit niet zoo sterk bemoeielijkten, als anders
het geval had kunnen zijn".
De Prins Von Wied zegt, dat men in Brazilië de Koningslang gewoonlijk
met een knuppel doodslaat, of door een schot hagel neervelt. Ervaren
jagers in Brazilië lachen, wanneer men hun vraagt, of deze Slang
ook gevaarlijk is voor den mensch; dit praatje wordt alleen door
het onwetende volk verhaald en geloofd. Haar voedsel bestaat uit
allerlei kleine Zoogdieren en Vogels, vooral Agoetis, Pakas, Ratten en
Muizen. Dat zij eieren niet versmaadt, kan men afleiden uit het feit,
dat gevangen exemplaren er verlekkerd op zijn. Oude dieren durven,
naar men zegt, ook wel dieren aanvallen van de grootte van een Hond
of een Ree. De Prins Von Wied sprak een Braziliaanschen jager, wiens
Hond het slachtoffer werd van een Afgodslang. Op het geschreeuw van
dit dier afgaande, zag hij het in den poot gebeten en omstrengeld
door een groote Slang, die het zoo sterk samendrukte, dat het uit
den hals bloedde.
In de vrije natuur verslinden de Koningslangen ongetwijfeld geen
andere dieren dan die, welke zij zelf gevangen en gedood hebben,
doch geen aas; gevangen exemplaren kunnen echter langzamerhand ook
aan het laatstgenoemde voedsel gewend worden. Zoo voederde Effeldt
zijne Boa's steeds met doode Ratten, omdat de levende te veel last
veroorzaakten. Deze spijs werd door de Slangen nooit versmaad en
scheen haar zelfs nog beter te smaken, wanneer zij reeds eenigszins
tot ontbinding was overgegaan. Hieruit zou men kunnen afleiden,
dat deze dieren voor reukprikkels ongevoelig zijn.
Dat de Koningslangen zich soms ook in de gevangenschap voortplanten,
is o. a. in "Artis" gebleken. Hier heeft Westerman een zijner Boa's
achtereenvolgens verscheidene levende jongen en verscheidene eieren
ter wereld zien brengen.
In de oostelijke gewesten van Zuid-Amerika wordt van de gedoode Boa's
op velerlei wijze partij getrokken. Het vleesch wordt, naar men zegt,
door de negers gegeten, het vet als een beproefd geneesmiddel bij
vele ziekten gebruikt; de gelooide huid dient voor het vervaardigen
van laarzen, zadelbekleedingen en dergelijke artikels; ook wikkelen
de negers een boa-huid als middel tot het afweren van verschillende
ziekten om hun lichaam.
De naar Europa vervoerde, levende Afgodslangen worden gewoonlijk in
strikken gevangen, die men voor hare schuilplaatsen aanbrengt. Men kan
zien, dat een hol bewoond is, aan de gladheid van den ingang, waar het
dikke, zware lichaam steeds sporen achterlaat; voor deze opening wordt
een strik gezet. Het gevangen dier doet geweldige pogingen om zich
te bevrijden en kronkelt zich sterk; zelden loopt het echter gevaar
van zich te worgen, daar het tegen drukking en stooten tamelijk goed
bestand is, hoewel verwondingen dikwijls zijn dood veroorzaken. Dit
bleek o.a. bij de door Schomburgk gevangen Afgodslang, die, uit haar
bezwijming ontwaakt, den volgenden morgen vergeefsche pogingen deed
om de banden te verscheuren, waarmede zij voorzichtigheidshalve aan
de palen van de hut was bevestigd. Een schot maakte een einde aan
deze worsteling.
In de pakhuizen van de Braziliaansche planters en kooplieden bewijst
de Afgodslang goede diensten door het verslinden van Muizen en Ratten;
zij wordt hier bijna als een huisdier beschouwd en zoo weinig gevreesd,
dat men niet schroomt met haar in dezelfde ruimte te verkeeren en,
zoo noodig, zelfs den nacht door te brengen. Daar zij met weinig
voedsel tevreden is en maanden lang zonder bezwaar kan vasten, is
het niet moeielijk haar te verzenden; zij wordt eenvoudig in een
groote kist gepakt, die men dichtspijkert en met eenige luchtgaten
voorziet; onderweg wordt naar haar niet omgezien. Het dier is ten
gevolge van deze onheusche behandeling en van den honger, dien het
heeft moeten lijden, gewoonlijk zeer slecht geluimd, wanneer het na
aankomst op de plaats van bestemming eindelijk zijn nauwe gevangenis
verlaat. Het toont dan veel neiging tot bijten; soms blijft het een
geruimen tijd pruilen en het voedsel weigeren. In den regel vermindert
echter zijn prikkelbaarheid weldra. Nadat het begonnen is te eten,
geraakt het langzamerhand aan zijn oppasser gewend en laat zich ten
slotte diens behandeling welgevallen. Om gezond te blijven heeft
het een ruim en warm hok noodig met stammen en takken om er in te
klimmen en een in den vloer bevestigden, grooten waterbak, waarin
het kan baden. De kisten, die in de beestenspellen als woningen voor
Reuzenslangen dienst doen, zijn hiervoor volstrekt niet geschikt; de
wollen dekens, waarin men ze wikkelt, met het doel om ze te verwarmen,
brengen soms meer nadeel dan voordeel te weeg. Meer dan eens heeft men
n.l. opgemerkt, dat gevangen Reuzenslangen, misschien wel door honger
gedreven, haar deken inslikten. Een Afgodslang van den Berlijnschen
dierentuin behield de ingezwolgen wolmassa 5 weken en 1 dag in haar
maag; zij dronk in dezen tijd zeer veel en gaf duidelijke blijken van
onpasselijkheid; eindelijk begon zij 's nachts tusschen 11 en 12 uur
het onverteerbare weefsel uit te spuwen; de oppasser hielp haar bij
dezen arbeid, die voorspoedig ten einde werd gebracht.
In dezelfde landen als de Afgodslang ontmoet men ook de beroemde
Anakonda (Eunectes murinus), die een geheel andere levenswijze
heeft dan de genoemde "Landboa" en het geslacht der Waterboa's
vertegenwoordigt. Zij heeft een zeer eigenaardige kleur, waarvan
weinige afwijkingen voorkomen. De bovendeelen zijn donker olijfkleurig
zwart en van den kop tot aan het einde van den staart bezet met
twee reeksen van ronde of rondachtige, zwartbruine vlekken; op
den hals en bij het begin van den staart staan zij paarsgewijs,
overigens afwisselend, soms zeer dicht bij elkander; zelfs vloeien
enkele ineen. De zijden van den kop zijn olijfkleurig grijs, de
benedenranden van de kaken meer geelachtig; van boven de oogen tot
aan den achterkop reikt een breede, vuil geelroode, aan de bovenzijde
zwart begrensde streep; hierbij steekt een zwartbruine streep, die,
van het oog uitgaande, over den mondhoek scheef naar beneden loopt en
vervolgens weer eenigszins naar boven gebogen is, duidelijk af. De
onderdeelen van het dier zijn op lichtgelen grond met zwartachtige
vlekken bezaaid, die op sommige plaatsen twee afgebrokene, overlangsche
lijnen vormen. Aan weerszijden van het lichaam komen twee reeksen
van ringvormige oogvlekken voor; deze zijn geel met zwarten rand.
De Anakonda is de grootste van alle Reuzenslangen der Nieuwe
Wereld. Een door Günther gemeten Slang van deze soort was 29 voet
(8.29 M.) lang. I. von Fischer heeft exemplaren van 7.13 en 7.58
M. lengte gemeten. Kappler zegt, dat een door hemzelf geschoten
en gemeten Anakonda, zonder kop en staart 26 Rijnlandsche voeten,
in 't geheel dus bijna 30 voet lang was en een man van middelmatige
statuur in dikte evenaarde. Zooveel is zeker, dat de Anakonda kolossale
afmetingen kan bereiken en in dit opzicht, met de Indische Netslang,
alle overige leden van haar onderorde overtreft.
"Deze Slang," bericht de Prins Von Wied, "leeft meestal in het water
en kan het in de diepte zeer lang uithouden; zij komt echter dikwijls
aan den oever om zich door de zon te laten verwarmen en haar buit
te verteren. Met den stroom drijft zij de rivier af, houdt zich
met visschen bezig of vleit zich op een rotsblok neder, vanwaar zij
op Waterzwijnen, Agoetis, Pakas en dergelijke dieren loert. In de
Belmonte-rivier zagen mijne jagers de vier pooten van een Zoogdier,
dat zij voor een dood Zwijn hielden, boven den waterspiegel uitsteken;
toen zij naderbij gekomen waren, merkten zij een reusachtige Slang
op, die een groot Waterzwijn met verscheidene windingen van haar
lichaam omstrengeld en gedood had. Oogenblikkelijk losten zij twee
schoten op het monster en kreeg het van den Botokoede een pijl in
het lichaam. Nu liet de Slang haar prooi los en vluchtte; ondanks
hare wonden, geschiedde dit zoo snel, alsof haar niets overkomen
was. Mijne lieden vischten het nog versche, pas gedoode Waterzwijn op
en keerden terug om mij kennis te geven van het voorgevallene. Daar
ik zeer gesteld was op het bezit van de merkwaardige Slang, zond
ik de jagers onmiddellijk weer uit om haar te zoeken; alle moeite
was echter vruchteloos. De hagelkorrels hadden door het water hun
kracht verloren; de pijl werd gebroken teruggevonden aan den oever,
waar de Slang hem had losgeschuurd."
De Anakonda verkeert dikwijls op den bodem van 't water, waar zij ligt
te rusten of hoogstens den kop boven den waterspiegel verheft, om te
zien, wat er aan den oever voorvalt; soms zwemt zij met den stroom
mede de rivier af en loert op iedere soort van buit. De oeverbewoners
haten haar zeer wegens hare rooverijen: Schomburgk schoot er een,
die kort te voren een groote, tamme Muscuseend gegrepen en deze reeds
doodgedrukt had; op een plantage vernam hij, dat de Anakonda soms ook
viervoetige huisdieren, b.v. Zwijnen buitmaakt. Andere onderzoekers
bevestigen deze mededeelingen. "Terwijl wij," verhaalt Bates, "in de
haven van Antonio Malagueita voor anker lagen, werd ons een onwelkom
bezoek gebracht. Omstreeks middernacht werd ik gewekt door een hevigen
slag tegen de zijde van mijn boot, gevolgd door het gedruisch van
een in 't water vallend, zwaar lichaam. Zoo spoedig mogelijk stond
ik op, om te zien wat er gebeurd was; alles was echter reeds weer
rustig geworden; alleen de Hoenderen in onze voorraadskorf, die aan
de eene zijde van het schip, ongeveer 2 voet boven het water hing,
waren onrustig en kakelden. Ik kon niet gewaarworden, wat hiervan de
oorzaak was. Daar mijne manschappen aan den oever waren, keerde ik
naar de kajuit terug en sliep tot aan den volgenden morgen. Toen ik
ontwaakte, zag ik alle Hoenderen op het dek rondloopen en vond bij
nader onderzoek in de korf een groote opening. Een paar Hoenderen
ontbraken. Senhor Antonio verdacht van den diefstal een Anakonda,
die, naar hij zeide, eenige maanden geleden in dit deel van de
rivier gejaagd en een groot aantal Eenden en Hoenderen geroofd
had. Aanvankelijk was ik geneigd de juistheid van zijn verklaring
te betwijfelen en aan een Kaaiman te denken, hoewel wij er sedert
eenigen tijd geen meer in den stroom gezien hadden; eenige dagen later
kwam echter de juistheid van Antonio's verklaring aan het licht. De
jonge lieden van de naburige volksplantingen kwamen bijeen om op het
roofdier jacht te maken, begonnen het op geregelde wijze te vervolgen,
onderzochten alle kleine eilandjes aan beide zijden van den stroom
en vonden ten slotte de Slang bij de uitmonding van een slijkerig
riviertje in de zonneschijn liggen. Nadat zij haar met werpspiesen
gedood hadden, kreeg ik haar den volgenden dag te zien en vond,
na meting, dat het niet eens een buitengewoon groot exemplaar was,
daar het bij een lengte van 6 M. slechts een omvang van 40 cM. had."
Juist van de Anakonda wordt bericht, dat zij soms menschen
aanvalt. Schomburgk doet hierover het volgende verhaal: "Te Morokko
(een zendingspost in Guyana) had iedereen den mond vol van den
aanval van een Reuzenslang op twee bewoners van deze plaats. Een
daar woonachtige Indiaan was weinige dagen geleden met zijn vrouw den
stroom opgevaren om jacht te maken op Vogels. Een opgevlogen Eend was,
door een schot getroffen, op den oever neergevallen. Toen de jager zijn
buit wilde opzoeken, werd hij plotseling door een groote Komoeti-slang
(Anakonda) aangevallen. Daar hij geen enkel wapen had om zich te
verdedigen (het geweer had hij in de schuit achtergelaten), riep hij
zijn vrouw toe, hem zijn groot mes te brengen. Nauwelijks was de vrouw
hem te hulp gesneld, of ook zij werd door het monster aangegrepen en
omstrengeld; hierdoor kreeg de Indiaan echter gelukkig zooveel ruimte,
dat hij den eenen arm gebruiken en de Slang verscheidene wonden
toebrengen kon. Het hierdoor verzwakte dier liet zijne slachtoffers
varen en nam de vlucht. Dit is het eenige, mij bekende voorbeeld van
een aanval van de Anakonda op een mensch." Hoogst waarschijnlijk
was het de bedoeling van de Slang de Eend te grijpen en niet de
Indiaan, waarop zij, door roofzucht verblind, aanviel. Ik acht het
echter niet onmogelijk, dat er ook voorvallen te noemen zijn, die de
tegenovergestelde meening wettigen.
Wanneer het water, waarin de Anakonda verblijf houdt, uitdroogt,
begraaft hij zich onder het slijk en gaat in een toestand van
verstijving over. De eerste natuuronderzoeker, die van dit feit
melding maakte, was Humboldt. "Dikwijls," zegt hij, "vinden de
Indianen kolossaal groote Reuzenslangen in dezen toestand, die zij,
naar verhaald wordt, door plagerij of begieting met water trachten te
wekken." Zulk een winterslaap komt trouwens slechts in sommige deelen
van Zuid-Amerika voor, niet in die streken, welke zoomin door koude
als door onverdragelijke hitte en droogte voor verscheidene Reptiliën
tijdelijk onbewoonbaar worden.
Schomburgk zegt, dat de jongen van de Anakonda reeds in den eileider
de eischaal verlaten en dat hun aantal dikwijls ongeveer honderd
bedraagt. Kappler vond in het lichaam van de door hem gedoode Anakonda
"78 vliezige, 6 duim. (ruim 12 cM.) lange blazen; elke blaas bevatte
een Slang van 1 1/2 voet lengte en ter dikte van eens menschen
duim." Het schijnt, dat de jongen zich onmiddellijk na de geboorte
te water begeven, maar toch nog langen tijd gezellig bijeenblijven en
op de boomen van den naburigen oever gemeenschappelijk verblijf houden.
Het dooden van het groote exemplaar, welks afmetingen hierboven
opgegeven zijn, wordt door Kappler op de volgende wijze beschreven:
"Toen ik in November 1818 in een groot vaartuig, waarmede wij
het drinkwater hadden gehaald, dat voor de bezetting van den post
Nickerie noodig was, naar dezen post terugvoer, vestigden de roeiers
mijn aandacht op een groote Slang, die op den oever lag. Ik zag
aanvankelijk niets anders dan een met modder en aangespoelde bladen
bedekte verhevenheid; eerst toen de stuurman er met den roeiriem
in stak, kon men de gevlekte huid van het dier onderscheiden. Een
stoot, zoo krachtig als die, welke het dier ontving, zou voldoende
zijn geweest om een mensch de ribben te breken; het monster scheen
er niets van gevoeld te hebben. Eerst toen ik het een schot lichten
hagel toezond, hief het den kop, die in het midden van de tot een
kegel opeengestapelde spiraalwindingen gelegen was, een weinig op,
maar liet hem dadelijk weer zakken. Wij lagen vlak bij den wal en
waren slechts ongeveer 6 voet van de Slang verwijderd, toen ik voor
de tweede maal vuurde. Nu echter schoot de Slang, met een snelheid,
die men van zulk een traag dier niet verwacht zou hebben, wel 12
voet omhoog en met opengesperden muil op mij toe, waardoor wij van
top tot teen met modder bespat werden. De aanval kwam zoo onverwacht,
dat ik hals over kop in het vaartuig tuimelde. De stuurman, een neger
zoo sterk als een boom, verweerde zich met een roeiriem; het woedende
dier kronkelde zich om dit wapen en beet in het harde hout. Ik was
intusschen van den schrik bekomen, had mijn geweer opnieuw geladen,
schoot de Slang in den kop en doodde haar onmiddellijk. Met vereenigde
krachten trokken wij haar in het vaartuig, waar ik, omdat de negers
het dier anders niet medenemen wilden, wel genoodzaakt was het den
kop en den staart af te houwen en deze in 't water te werpen."
De Anakonda wordt zonder genade gedood, waar men haar ontmoet. Haar
groote, dikke huid wordt gelooid en dient dan ter vervaardiging van
paardedekken, laarzen en mantelzakken. Het witte vet, waarvan het
dier in bepaalde tijden van 't jaar een groote hoeveelheid bevat,
wordt veelvuldig gebruikt; de Botokoeden eten het vleesch, wanneer
het toeval hun zulk een dier in de handen voert.
In beestenspellen of in diergaarden ziet men levende Anakondas even
dikwijls als Afgodslangen.
Aan haar zijdelings samengedrukt lichaam danken vier soorten van
Reuzenslangen den naam Zwaardboa's (Xiphosoma); haar kenmerkt de
diepe groeve, die op ieder lipschild voorkomt.
De Hondskopslang (Xiphosoma canina) kan een lengte van 3 à 4
M. bereiken; exemplaren van deze grootte zijn echter zeldzaam. De
bovendeelen hebben een fraaie, bladgroene kleur, die op het midden een
donkerder tint vertoont, op de zijden met sterk in 't oog vallende,
zuiver witte dubbelvlekken of halve ringen geteekend is en op de
onderdeelen in geelachtig groen overgaat. Het veelvuldigst schijnt zij
te zijn in het gebied van den Amazonenstroom; noordwaarts is zij tot
in Guyana, zuidwaarts over het noorden van Brazilië verbreid. Haar
levenswijze komt vermoedelijk overeen met die van de in Suriname
algemeene, lichtbruine, donkerbruin gevlekte Tuin-boa (Xiphosoma
hortulana), welke zich op boomen, zelfs van plantsoenen, ophoudt en
voornamelijk jacht maakt op Vogels. Van de Hondskopslang werd echter
ook opgemerkt, dat zij uitmuntend zwemt, niet slechts in zoetwater,
maar ook in de zee. Zoo ontmoette Von Spix er een, die over de Rio
Negro zwom; een zeeofficier verzekerde aan Duméril, dat hij een Slang
van deze soort op de reede van Rio de Janeiro had zien zwemmen.
De Glimslangen (Ilysidae) herinneren door haar vorm aan de
Wormslangen; haar kop is klein en afgerond; de grens tusschen kop
en romp is uitwendig nagenoeg onmerkbaar; de staart is kort en
eindigt in een stompe spits; de mondopening is nauw, de bek (ook
het tusschenkaaksbeen) met stevige, onderling gelijke grijptanden
gewapend. De kleine oogen hebben een ronde pupil. Evenals bij de vorige
familie, zijn ook bij deze kleine, uitwendig zichtbare overblijfselen
van achterste ledematen aanwezig. Hare schubben zijn groot en glad.
Een van de veelvuldigst voorkomende leden dezer kleine familie is
de Koraalroode Rolslang (Ilysia scytale). Zij heeft een prachtige,
koraalroode kleur, waarop een groot aantal, langs den rand getande,
zwarte ringen of ringvormige dwarsstreepen zeer goed uitkomen. Haar
lengte bedraagt 60 à 70 cM.
Dit in Suriname menigvuldig voorkomend slangetje is langzaam van
beweging, verwijdert zich nooit ver van haar schuilplaats, die het
onder wortels van oude boomen, in gaten van den grond en dergelijke
holen vindt. Het maakt jacht op kleine Kruipende Dieren, o.a. op
Wormslangen, en brengt jongen ter wereld, die de eischaal reeds
verbroken hebben.
Men moet dit dier levend gezien hebben om in te kunnen stemmen met
de bewondering door zijn prachtige kleur gewekt; bij de in spiritus
geconserveerde exemplaren is zij verbleekt.
De Cilinderslangen (Cylindrophis) verschillen van de Rolslangen
door het gemis van tanden in het tusschenkaaksbeen en doordat de
lichaamshuid zich niet over hare oogen uitstrekt.
Gewoonlijk wordt de Roode Slang, de Oelar-riboe der Maleiers
(Cylindrophis rufa), als voorbeeld van dit geslacht gekozen. Deze van
Birma tot Cochin-China over het Maleische Schiereiland en den geheelen
Oost-Indischen archipel verbreide, vooral op Java veelvuldige, 78 à
83 cM. lange Glimslang heeft een bruine of zwarte kleur. Een band
om den hals is, evenals de onderzijde van den staart, koraalrood;
overigens is de onderzijde wit met onregelmatige, zwarte dwarsbanden.
De leden van dit geslacht leven onderaardsch, graven gangen, komen
slechts nu en dan aan de oppervlakte en voeden zich met Insecten,
Wormen en Wormslangen. Ook zij brengen hunne jongen levend ter wereld.
Linnaeus verdeelde alle hem bekende Slangen over de geslachten Boa,
Coluber en Crotalus; tot het eerste bracht hij de Reuzenslangen, tot
het derde de Adders en de Ratelslangen, tot het tweede de overige
Slangen. Onze indeeling komt in vele opzichten met die van den
grondlegger der wetenschappelijke dierkunde overeen; wij vereenigen
in één familie (Colubridae) alle Echte Slangen, de vergiftige zoowel
als de onschadelijke.
Een volle eeuw is noodig geweest om de natuuronderzoekers tot
het inzicht te voeren, dat een rangschikking, waarbij in de eerste
plaats gelet wordt op de giftigheid of onschadelijkheid der Slangen,
onnatuurlijk en onwetenschappelijk is. Een consequente toepassing
van dit middel tot indeeling is trouwens niet mogelijk, daar er vele
overgangsvormen bestaan, Slangen over welker giftige eigenschappen
men in het onzekere verkeert. Alle Groeftandigen n.l. komen wel is
waar door den bouw van haar lichaam met de Gladtandigen overeen, maar
gelijken door het maaksel en de verrichtingen harer tanden in zoover op
de Echte Gifslangen, dat de door haar toegebrachte wonden voor kleine
dieren bepaald doodelijk, voor menschen en groote Zoogdieren echter
niet gevaarlijk zijn. De gegroefde tanden verschillen van de doorboorde
alleen door hun minder ver voortgeschreden ontwikkeling en de hieruit
voortvloeiende geringere geschiktheid voor het vergiftigen van de
prooi. Van beide is de grondvorm volkomen gelijk; zij volgen denzelfden
ontwikkelingsgang; hun werking berust op hetzelfde beginsel. Ook aan
de zoogenaamde gifklier kunnen wij als klassificatie-kenmerk geen
waarde toekennen, nu het gebleken is, dat de gifklier van de Adder
en de achterste bovenlipklier van de Ringslang en hare verwanten,
wat plaatsing en bouw betreft, overeenstemmen.
Om een gemakkelijk overzicht te geven van de familie der Colubriden,
die alle overige familiën van Slangen in omvang verre overtreft en de
kern van de geheele onderorde uitmaakt, verdeelen wij haar in drie
onderling evenwijdige reeksen: de Gladtandigen, de Groeftandigen
en de Giftandigen. De Gladtandigen (Aglypha) hebben slechts één
soort van tanden, die zoomin een groeve vertoonen, als een kanaal
bevatten. Bij de Groeftandigen (Opisthoglypha) is minstens één van de
achterste bovenkaakstanden aan de voorzijde met een overlangsche groeve
voorzien; zij mogen als "verdachte" Slangen aangemerkt worden; van
eenige leden dezer groep is het reeds gebleken, dat zij in geringe
mate vergiftig zijn. Van de Giftandigen (Proteroglypha) hebben de
voorste bovenkaakstanden een gifgroeve of gifkanaal; alle hiertoe
behoorende Slangen zijn giftig; haar beet is meestal ook voor den
mensch gevaarlijk. Bij vergelijking van deze drie reeksen, valt
een merkwaardige overeenstemming tusschen de haar samenstellende
geslachten in 't oog, zoodat men deze in iedere reeks naar de
levenswijze harer leden splitsen kan in een groep van landbewoners
en een van waterdieren; deze groepen worden voor 't meerendeel als
onderfamiliën beschouwd.
De Gladtandigen, die gezamenlijk één onderfamilie uitmaken
(Colubrinae), kenmerken zich door een slanken romp, die in alle
richtingen even buigzaam is, een meer of minder duidelijk begrensden,
kleinen, langwerpigen, goed gevormden kop en een spits eindigenden
staart; de buitenste laag van de opperhuid bestaat uit gladde
of gekielde schubben, die dakpansgewijs de rugzijde van den romp
bedekken, en uit groote schilden aan de buikzijde. Boven vele andere
Slangen munten zij uit door vlugheid en opgewektheid. Men merkt bij
haar een voor dit slag van dieren betrekkelijk groote schranderheid
op. Misschien mag men haar in dit opzicht den hoogsten rang in de
onderorde toekennen; in alle gevallen behoeven zij bij de Reuzenslangen
niet veel achter te staan.
De leden dezer onderfamilie, die een duizendtal soorten omvat, zijn
over de geheele wereld verbreid, daar zij, hoewel in geringen getale,
zelfs dicht bij den poolcirkel gevonden worden en ook in Australië,
met inbegrip van de eilanden in den Stillen Oceaan, althans door
eenige soorten vertegenwoordigd zijn. Hunne verblijfplaatsen zijn zeer
verschillend. Vele soorten houden van vochtige streken en van water,
andere daarentegen geven aan droge terreinen de voorkeur. De meeste
zijn, zooals hun ronde pupil reeds doet vermoeden, hoofdzakelijk
dagdieren, die zich, als de nacht aanbreekt, naar hunne schuilplaatsen
begeven. Niet weinige echter gaan in de schemering op roof uit, of
zoeken, hiertoe in staat gesteld door hun spleetvormige, verticale
pupil, de hun tot voedsel dienende Hagedissen, gedurende den nacht
in hare schuilhoeken op. Tusschen vele soorten bestaat een niet
onbelangrijk verschil in levenswijze, zooals reeds af te leiden valt
uit de ongelijkheid van de terreinen, waarop zij jagen; ook zij hebben
echter vele eigenaardigheden gemeen. Zij kunnen zich op verschillende
wijzen flink bewegen; betrekkelijk snel kronkelen zij zich over den
bodem voort; alle kunnen zwemmen, sommige zelfs merkwaardig vlug;
ook in 't klimmen zijn zij meer of minder goed ervaren, enkele doen
dit zelfs uitmuntend.
De Gladtandigen voeden zich hoofdzakelijk met kleine vertegenwoordigers
van alle klassen van Gewervelde Dieren. Vooral de Reptiliën en
Amphibiën verschaffen haar een buit; enkele maken ook jacht op kleine
Zoogdieren, andere op Vogeltjes; verscheidene houden zich ijverig
met de vischvangst bezig en kunnen betrekkelijk groote exemplaren
overmeesteren. Sommige kleine soorten verslinden Wormen en Insecten,
de volwassen dieren zoowel als de larven.
In de koudste gedeelten van haar verbreidingsgebied zoeken de
Gladtandigen in 't najaar hare winterkwartieren op, vervallen hier in
een toestand van verstijving en komen eerst nadat de lente werkelijk
aangevangen is, weer voor den dag, vervellen en wijden zich daarna aan
de voortplanting. Het wijfje legt hare 10 à 30 eieren op vochtige,
warme plaatsen; de zon brengt de kiemen tot ontwikkeling; soms zijn
deze in 't lichaam van de moeder zoo ver gevorderd, dat de jongen
onmiddellijk vóór of kort na het leggen de eischaal verbreken en dus
levend geboren worden. In den eersten tijd van hun leven voeden deze
zich met kleine, tot verschillende klassen behoorende, ongewervelde
dieren, maar volgen weldra de levenswijze hunner ouders.
De Gladtandigen verschaffen den mensch geen voordeel, eerder nog
schade; ieder, die deze dieren gespaard wil hebben, mag niet uit het
oog verliezen, dat voor het aanprijzen van zulk een maatregel een
nauwkeurige bekendheid met de bedoelde soort een volstrekt vereischte
is. Vele soorten houden zich in de gevangenschap jaren lang goed, nemen
zonder aarzeling de gevangeniskost in ontvangst, geraken langzamerhand
aan hare verzorgers gewoon en kunnen zelfs eenigermate getemd worden.
De Glansslangen (Coronella) zijn betrekkelijk kleine of middelmatig
groote Gladtandigen met een krachtigen, eenigszins gedrongen,
rolvormigen, in het midden niet samengedrukten romp en middelmatig
langen staart; de korte, tamelijk platte kop eindigt in een afgeronden
snuit en is van achteren niet scherp begrensd; de tamelijk kleine
oogen hebben een ronde pupil.
In geheel Europa, van 't noorden van Noorwegen tot aan het zuiden,
ontmoet men op geschikte plaatsen, hier en daar zeer overvloedig de
Gladde Slang (Coronella austriaca, C. laevis), een van de sierlijkste,
flinkste Slangen van ons vaderland. Haar lengte bedraagt hoogstens
65 cM., waarvan 10 cM. op den staart komen. De grondkleur van de
bovenzijde is gewoonlijk bruin; de teekening bestaat uit een groote,
donkere vlek in den nek, die dikwijls van achteren in breede strepen
uitloopt, en uit twee reeksen van donkerbruine, soms paarsgewijs
verbonden vlekken bij het midden van den rug; een donkerbruine streep
is door het oog gericht en loopt langs de zijde van den hals naar
beneden. De onderdeelen zijn staalkleurig blauw of geelachtig rood
en witachtig; dikwijls komen ook hier donkere vlekken voor. Evenals
bij de meeste Slangen vertoonen de kleur en de teekening menigvuldige
afwijkingen; de kleur van de variëteiten, die men heeft leeren kennen,
wisselt af van grijs tot roodbruin.
Van de Adder, waarmede de Gladde Slang door onkundigen zoo dikwijls
verward wordt, is zij op het eerste gezicht te onderscheiden. Hare
schubben zijn glad en glanzig zonder eenig spoor van een overlangsche
kiel op het midden; bij de Adder zijn zij gekield. Haar kop is
zeer regelmatig met groote schilden bekleed; bij de Adder zijn de
kopschilden klein en zeer onregelmatig van vorm en schikking. Het
aarsschild is in het midden gespleten, bij de Adder onverdeeld. De
pupil is rond en niet, zooals bij de Adder, een vertikale spleet.
Hier te lande wordt de Gladde Slang op diluviale zandgronden
gevonden. In Noorwegen en Zweden komt zij, evenals alle leden harer
orde, uitsluitend op buitengewoon gunstig gelegen plaatsen en ook hier
in geringen getale voor; in het zuiden van Engeland ontmoet men haar
slechts op kalksteengebergten, waar de Hagedissen veelvuldig zijn;
in Duitschland is zij niet zeldzaam in de Hartz en het Thuringer Woud,
en evenmin in de verder zuidwaarts gelegen middelgebergten; hetzelfde
geldt van Oostenrijk, vooral van de Alpenstreken. Noord-Griekenland,
Italië, Noord-Frankrijk, Noord-Spanje en Portugal bewoont zij eveneens,
bovendien Koerland, Lijfland en Polen en bijna alle gouvernementen
van het midden en zuiden van Rusland. In de Duitsche Alpen vindt men
haar nog op een hoogte van 1200 M.
Zij vestigt haar verblijf op droge terreinen, zonnige, steenachtige
hellingen, verlaten steengroeven, bergterrassen, glooiingen, die met
dicht struikgewas begroeid zijn; bij uitzondering komt zij ook wel eens
in het laagland op veengrond voor. Volgens Lenz kruipt zij veel vaker
dan de Adder of de Ringslang onder gladde steenen; soms verschuilt
zij zich zoo onder het mos, dat alleen haar kopje er boven uitsteekt.
Over den aard van de Gladde Slang zijn de meeningen der waarnemers
verdeeld. Eenigen noemen haar zachtzinnig en goedaardig, terwijl
anderen juist het tegendeel beweren. "Dit opvliegend en boosaardig
diertje," zegt Lenz, "bijt niet slechts kort na de vangst vol woede om
zich heen, maar doet dit soms nog verscheidene weken, ja zelfs maanden
daarna. Als men haar een handschoen, een slip van een jas of zoo iets
voorhoudt, slaat zij er in den regel hare tandjes zoo stevig in, dat
zij wel eens 8 minuten of langer aan het voorwerp blijft hangen. Deze
tandjes zijn zoo klein en verheffen zich zoo weinig boven het weeke
tandvleesch, dat men ze bij levende exemplaren bijna niet zien kan;
toch haken hunne scherpe puntjes zich onmiddellijk vast. Hoewel de
Slang licht zoo toornig wordt, dat zij zich zelf, hare soortgenooten,
andere Slangen, enz. bijt, beproeft zij hare tanden niet gaarne
op steenen, ijzer of dergelijke voorwerpen. Als zij geplaagd wordt,
stelt zij zich bijna te weer als een Adder, kronkelt zich ineen, buigt
den hals terug, verbreedt den achterkop en spert bij 't bijten den
bek zoo wijd mogelijk open." Deze bewijzen van boosaardigheid hebben
haar een slechten naam verschaft; zij wordt voor vergiftig gehouden
en zeer gevreesd; inderdaad zou men haar in een dergelijk oogenblik
van drift licht voor een wijfjes-adder kunnen aanzien. De Gladde
Slang is echter niet altijd zoo slecht geluimd. "Soms," zegt Lenz,
"vooral bij nat en koud weder, laat zij zich vangen zonder tegenstand
te bieden; meestal echter tracht zij vlug te ontsnappen en beweegt
zich zeer flink, in allen gevalle veel behendiger dan de Adder en
de Ringslang; op den vlakken bodem kan men haar echter gemakkelijk
inhalen. Wanneer men haar bij de punt van den staart vasthoudt,
kan zij zeer gemakkelijk den kop tot aan de hand opheffen."
Soms ontmoet men haar met andere Slangen, b.v. met Ringslangen,
minder dikwijls met Adders, in denzelfden schuilhoek; ook in de
gevangenschap leeft zij geruimen tijd in vrede met deze dieren; de
goede verstandhouding wordt echter licht verstoord, vooral wanneer
de honger in 't spel komt. Aan de Kleine Hagedis geeft zij de
voorkeur boven iedere andere prooi; ook andere Hagedissen en kleine
Slangen vallen haar niet zelden ten buit; zelfs verslindt zij jonge
Adders, zonder zich aan hare giftanden te storen. De Gladde Slang is
levendbarend, d.w.z., uit de eieren, die in het laatst van Augustus
of het begin van September rijp zijn, komen onmiddellijk na het leggen
3 à 12 jongen te voorschijn; deze zijn 15 cM. lang en zoo dik als een
potlood, trachten bij gunstige weersgesteldheid nog eenig voedsel te
verkrijgen, maar verbergen zich weldra in een schuilhoek, waar zij
geen hinder hebben van de winterkoude.
In de gevangenschap wordt de Gladde Slang in den regel reeds na weinige
dagen zoo tam, dat zij haar verzorger niet meer bijt, als deze haar
in de hand neemt of tegen zijn lichaam houdt om haar te verwarmen;
enkele exemplaren echter blijven, zooals reeds opgemerkt werd,
geruimen tijd ongenegen om met haar verzorger vriendschappelijk om te
gaan. Aanvankelijk bijten alle; ofschoon zij met hare kaken slechts
een geringe drukking kunnen uitoefenen, dringen de scherpe tandjes
toch ver genoeg in en door de huid om bloeding te veroorzaken. Men
kan er echter staat op maken, dat zij, de eene vroeger, de andere
later, de lust om te bijten verliezen. Een andere goede eigenschap
van deze fraaie, vlugge en bevallige diertjes is, dat zij zeer goed
de gevangenschap verdragen, wanneer men ze behoorlijk verzorgt.
Bij de Bijtslangen (Zamenis) overtreffen de beide achterste
bovenkaakstanden de overige in lengte en zijn van deze door een
iets grootere tusschenruimte gescheiden; overigens gelijken zij
veel op de Gladde Slang. Dit geslacht wordt in Zuid-Europa door
verscheidene soorten vertegenwoordigd. Van de veelvuldigst voorkomende
soort--de Pijlslang (Zamenis acontistes)--kent men twee standvastige
verscheidenheden, die vroeger als soorten werden beschouwd. De eene--de
Geelgroene Pijlslang (Zamenis gemonensis)--bewoont het westelijke,
de andere--de Balkanslang (Zamenis trabalis)--het oostelijke deel
van het verbreidingsgebied der soort.
De geelgroene Pijlslang wordt, naar 't schijnt, hoogstens 1.9
M. lang, maar is gewoonlijk kleiner. De kop en de nek vertoonen op
grijsgelen, de rug en de staart op groenachtigen grond onregelmatige,
de onderdeelen op gelen grond regelmatigere, zwarte dwarsbanden; op
het achterste deel van het lichaam wordt deze uit vlekken bestaande
teekening door fijne, overlangsche strepen vervangen, die zich
onderling evenwijdig tot aan de spits van den staart uitstrekken. Bij
andere exemplaren heeft op de bovendeelen (in plaats van de groene)
een fraaie, groengele kleur de overhand, de onderdeelen zijn dan
kanariegeel. Bij nog andere is de bovenzijde olijfbruin en ongevlekt,
bij één variëteit (carbonaria) bijna geheel zwart, de buik grijs,
de geheele onderzijde, evenals de flanken, met staalblauwen glans.
De Balkanslang, die 2.3 M. lang wordt, is van boven op blauwachtig
of bruinachtig grijzen grond met vele, meer of minder duidelijke,
overlangsche strepen geteekend. De bovenzijde van den kop is
steeds bruinachtig en met gele en zwartachtige strepen en stippels
gemarmerd. De bovenlipschilden en de schilden voor en achter de oogen
zijn altijd licht van kleur, bruinachtig of geel, de eerstgenoemde met
smalle, donkere randen gezoomd; de onderdeelen zijn effen bruinachtig
geel of steenrood, een deel van den achterrand der buikschilden aan
de voorste helft van den romp is bij enkele exemplaren zwart gezoomd;
de schilden zelve zijn bovendien met grijze, nevelachtige vlekken
geteekend.
De Geelgroene Bijtslang is, van Hongarije te beginnen, westwaarts
over alle kustlanden van de Middellandsche Zee verbreid, alleen
in Frankrijk dringt zij tot benoorden de Alpen door. In Kroatië,
Krain, Zuid-Karinthië en Zuid-Tirol komt zij veelvuldig, in het
zuiden van Zwitserland daarentegen zelden voor; in vele gewesten
van Zuid-Frankrijk is zij niet ongemeen. In Italië ontmoet men haar
overal, in de omstreken van Rome zeer veelvuldig. Ten oosten van
Hongarije treedt de Balkanslang in haar plaats; deze is van hier
over geheel Zuid-Rusland, voorts van Griekenland over Klein-Azië,
Syrië en Perzië verbreid.
Al naar het door haar bewoonde terrein houdt de Geelgroene Bijtslang
zich op in struiken of langs omheiningen en wegen, in oude muren en in
steenhoopen, zoowel in vlakke als in heuvelachtige gewesten; bovendien
klimt zij in de boomen. Haar voedsel bestaat uit Hagedissen en Muizen,
waarschijnlijk echter ook uit andere Slangen, daar deze, naar bij
gevangen exemplaren gebleken is, door haar aangevallen worden. In allen
gevalle houdt zij, naar 't schijnt, meer van Reptiliën dan van Muizen.
Te recht beschouwt men haar als een van de bijtlustigste en
beweeglijkste der onschadelijke Europeesche Slangen. De geelgroene
verscheidenheid tracht steeds den persoon, die haar wil vangen, te
bijten. Hoewel de grootere Balkanslang bij de nadering van een mensch
gewoonlijk vlucht, is zij zelfs voor een Paard en diens berijder niet
bang; wanneer een ruiter haar onverhoeds aanvalt, aanvaardt zij zonder
aarzeling den strijd. Naar Pallas bericht, rolt zij zich in dit geval
tot een schijfvormige spiraal op, laat den tegenpartij tot op korten
afstand naderen en steekt dan plotseling den kop uit om te bijten,
soms klemt zij zich met de tanden aan de lippen der Paarden vast. Niet
te verwonderen is het daarom, dat deze dieren overal gevreesd worden.
Wegens haar neiging tot bijten kan men de Bijtslang niet gemakkelijk
levend vangen. Erber noemt haar bovendien listig en voorzichtig en
geeft deze eigenschap op als een van de redenen, waarom men haar
zoo zelden vangt. Hij zegt, dat de gevangen exemplaren altijd schuw
blijven.
De Panterslang (Ptyas pantherinus), die het Amerikaansche geslacht
der Renslangen vertegenwoordigt, bereikt een lengte van ongeveer
2 M. en kenmerkt zich door een weinig varieerende teekening. Bleek
vaalgeelachtig grijs is haar grondkleur; drie donkere dwarsbanden staan
op den voorkop, twee breede, overlangsche strepen op den achterkop en
den nek; de teekening van den rug bestaat uit een reeks van groote,
grijsbruine vlekken met zwarten rand; op den hals zijn zij ruitvormig,
overigens onregelmatig en ieder met twee zijdevlekken verbonden;
de geelachtig witte schilden van de kaakranden zijn zwart gezoomd;
een zwartbruine streep loopt achter ieder oog naar den mondhoek.
De Panterslang bewoont Guyana benevens de tropische en gematigde
gewesten van Brazilië tot Rio Grande do Sul. Zij houdt zich bij
voorkeur op in moerassen en drassige, met struiken begroeide
vlakten. Zij beweegt zich met matige snelheid en is op verre na
niet zoo behendig als andere soorten. Het kost daarom geen moeite
haar tot op korten afstand te naderen; zelfs dan geeft zij nagenoeg
geen blijken van onrust. Haar voedsel bestaat uit Padden en Vorschen;
naar het schijnt, komt haar levenswijze dus in hoofdzaak overeen met
die van onze Ringslang.
Tot hetzelfde geslacht rekent men de Zwarte Slang (Ptyas constrictor);
deze in de zuidelijke helft der Vereenigde Staten algemeen bekende
soort wordt 2 M. lang en dankt haar naam aan de blauwglanzige, zwarte
kleur der bovendeelen, die op de onderzijde in licht aschgrauw en op
de borst in witachtig grijs overgaat.
Ook zij geeft de voorkeur aan waterrijke oorden en houdt zich gaarne
op aan de oevers van stroomen, vijvers of meren, vooral daar, waar
het struikgewas meer of minder direct in het water groeit; soms
echter onderneemt zij reizen over het droge land en wordt bij deze
gelegenheid op de meest verschillende terreinen waargenomen. Naar
bericht wordt, munt zij boven al hare verwanten uit door geschiktheid
tot beweging. Zij kronkelt zich even behendig over moerassige, als
over droge en steenachtige terreinen, klimt zeer goed en beweegt
zich daarom gaarne op de takken van struiken en boomen; bovendien
is zij in het zwemmen en duiken zeer ervaren. Haar voedsel bestaat
uit Visschen, Amphibiën, Slangen, Vogels en kleine Zoogdieren; zij
maakt vooral jacht op jonge Ratelslangen en ook op Muizen en Ratten,
maar plundert tevens vele nesten van nuttige Vogels. In sommige
gewesten wordt zij beschouwd als een der werkzaamste verdelgers van
hare gevreesde verwanten, vooral van jonge Ratelslangen. Hoewel men
haar om deze reden nuttig acht, wordt zij op vele plaatsen niet gaarne
gezien, omdat haar roofzucht tamme Vogels niet verschoont, hier en daar
zelfs gevreesd, omdat zij, naar men zegt, buitengewoon strijdvaardig
is. Of zij, zooals men beweert, hierdoor voor menschen lastig wordt,
zullen wij in 't midden laten; dat zij den naam "Renslang" terecht
draagt, wegens de snelheid, waarmede zij zich op haar prooi werpt,
is wel mogelijk.
De Zwarte Slang schikt zich even goed in de gevangenschap als eenige
andere soort van haar familie en kan bij behoorlijke verzorging jaren
lang in 't leven blijven. Met andere Slangen houdt zij geen vrede;
op kleinere dieren past zij zonder eenig zelfbedwang het recht van
den sterkste toe, o. a. door nu en dan een van hare medegevangenen
te dooden en te verslinden.
De Klimslangen of Landslangen i. e. z. (Coluber) hebben een
langen, zijdelings sterk samengedrukten romp; de grens tusschen
den langwerpigen kop en den hals is duidelijk waarneembaar. Het
middelmatig groote oog heeft een ronde pupil. Dit soortenrijke geslacht
is over het grootste deel van Europa, Azië, Noord-Amerika en tropisch
Zuid-Amerika verbreid; het bestaat uit stevige, krachtige dieren,
die niet zoozeer op den grond als wel in boomen en struiken leven
en zich hoofdzakelijk voeden met kleine Zoogdieren en Vogels. Vele
houden zich gaarne in de nabijheid van water op en zwemmen uitmuntend.
Asklepios, de god van de geneeskunde, draagt, zooals men weet, ten
teeken van zijn werkzaamheid, een staf in den hand, die door een Slang
omstrengeld wordt. Welke soort de oude Grieken en Romeinen hiermede
bedoeld hebben, valt thans niet meer uit te maken; tamelijk algemeen
neemt men echter aan, dat het bedoelde dier een vertegenwoordiger van
het geslacht der Klimslangen is geweest en dat de Romeinen er veel toe
bijgedragen hebben om het te verbreiden. Dit zou de reden zijn van de
aanwezigheid van de Esculapius-slang in de nabijheid van badplaatsen
van landen, waar men deze soort overigens niet aantreft. Zoo ontmoet
men haar in Duitschland bij Schlangenbad, in Oostenrijk bij Baden
in de buurt van Weenen, in de Zwitsersche kantons Tessino en Wallis
bijna uitsluitend tusschen de puinhoopen van Romeinsche baden. Het
eigenlijke vaderland van deze Slang is Zuid-Europa, van de Pyreneën
tot aan den westelijken oever van de Kaspische Zee.
De Esculapius-slang, Geelachtige of Schlangenbader Slang (Coluber
aesculapius) is gemakkelijk te herkennen aan den kleinen, van
achteren niet duidelijk begrensden kop met afgeronden snuit,
den krachtigen romp, den langen, slanken staart en het eenvoudig
gekleurde kleed, dat aan de buikzijde en op den kop uit regelmatige
schilden, overigens uit gladde (aan de achterste lichaamshelft soms
onduidelijk gekielde) schubben bestaat. De bovendeelen zijn gewoonlijk
bruinachtig grijsgeel, de onderdeelen witachtig; op den achterkop
bevindt zich aan iedere zijde een geelachtige vlek, op den rug en
aan de zijden komen kleine, witachtige, x-vormige stippels voor. De
kleur vertoont trouwens vele afwijkingen: er zijn zeer lichte en bijna
zwarte Esculapius-slangen. Zij kunnen een lengte van 1.5 M. bereiken;
exemplaren van deze grootte ontmoet men echter alleen in Zuid-Europa.
Ieder, die dit dier in de vrije natuur of in gevangenschap heeft
nagegaan, zegt, dat het niet alleen door zijn uiterlijk, maar ook
door zijn aard bevallig is.
In Zuid-Europa houdt het bij voorkeur verblijf op een rotsachtig
of althans steenachtig, schaarsch met struikgewas begroeid terrein
en ontbreekt daarom in streken met een andere grondgesteldheid
dikwijls geheel. Bij Schlangenbad, de eenige woonplaats van dit dier
in Duitschland komt het veelvuldig voor en wordt het meestal op oude
muren aangetroffen. Op den bodem beweegt het zich niet bijzonder vlug
of behendig, misschien zelfs minder snel dan zijne verwanten; des te
beter is het in 't klimmen ervaren. In dit opzicht evenaart het bijna
de Boomslangen, die het grootste deel van haar leven in de boomen
doorbrengen. Gewoonlijk tracht de Esculapius-slang zich bij dunne
boomstammen, die zij omstrengelen kan, omhoog te kronkelen, totdat
zij de takken bereikt heeft, waarlangs en waartusschen zij daarna
haar weg vervolgt. In een dicht woud gaat zij van den eenen boom op
den anderen over en kan zich op deze wijze over een grooten afstand
verplaatsen. Bij een muur klautert zij onbegrijpelijk vlug omhoog,
daar ieder uitsteeksel, hoe klein het ook zij, haar een voldoenden
steun verschaft en zij op een waarlijk kunstige wijze van iedere
oneffenheid van het gesteente partij weet te trekken.
Haar voedsel schijnt hoofdzakelijk uit Muizen te bestaan, bovendien
maakt zij echter jacht op Hagedissen en vangt, als de gelegenheid
gunstig is, Vogels of plundert nesten uit. Toch kan het wel zijn,
dat zij te recht door hare vrienden wegens het verdelgen van Muizen
als zeer nuttig wordt beschouwd.
"Van alle Duitsche Slangen", zegt Linck, "brengt die van
Schlangenbad het geringste aantal nakomelingen voort. Met de
Ringslang is zij de eenige, welker kiemen na het leggen der
eieren nog een ontwikkelingstijdperk van verscheidene weken moeten
doorloopen. Gewoonlijk legt zij omstreeks 5 eieren, meestal in vermolmd
hout, soms ook in een dikke, droge moslaag en laat ze daarna aan hun
lot over. De eieren zijn langwerpig, doch een weinig minder buikig
dan die van Duiven en gelijken eenigszins op mierenpoppen in 't groot".
Geen enkele Duitsche Slang wordt zoo dikwijls gevangen als de
Esculapius-slang. In Schlangenbad is de vangst van dit dier een bron
van inkomsten voor arme lieden. Zij zoeken het op, zoodra het ontwaakt
is uit den winterslaap, temmen het en vermaken er de badgasten mede;
soms verkoopen zij ook wel een enkel exemplaar aan een liefhebber. Als
het badseizoen afgeloopen is, worden de gevangenen weer vrijgelaten,
daar zij in de kooi slechts zelden voedsel gebruiken; in Schlangenbad
althans houdt men het er algemeen voor, dat zij het nooit doen. Erber
verhaalt echter, dat twee Esculapius-slangen, die hij lang in de
kooi hield, gezamenlijk in den loop van een zomer 108 Muizen en 2
Hagedissen verslonden. Een exemplaar, dat 14 maanden achtereen geen
voedsel had gebruikt, intusschen echter geregeld vervelde en ondanks
deze hongerkuur niet merkbaar vermagerde, was ten slotte toch weer aan
't eten geraakt; kort daarna lag het dood in zijn hok; "dit was het
eerste dier van deze soort, dat ik door den dood verloor."
In het eerst is de gevangen Esculapius-slang zeer boosaardig en bijt
vol woede naar de hand van haar meester of naar Muizen, die in haar
hok gebracht worden. Soms duurt haar boosheid lang, of keert terug,
wanneer de schijnbaar getemde Slang in haar behagelijke rust gestoord
of na een langdurig uitstapje weer in haar hok teruggebracht wordt;
na eenige weken echter wordt de gevangene, wanneer men zich veel met
haar bemoeit, zoo tam en goedaardig, dat men werkelijk bij haar van
vriendschap voor haar verzorger kan spreken; nooit tracht zij dezen te
bijten, zelfs wanneer hij haar plaagt. Naar men beweert, keert zij, na
het herkrijgen van haar vrijheid, soms vrijwillig naar haar hok terug.
Van haar bekwaamheid in 't klimmen, lenigheid en neiging om uit haar
kooi te ontsnappen, verhalen Lenz en Linck aardige staaltjes. Linck
kreeg in 't begin van Juni een paar van deze dieren uit Schlangenbad,
nam ze uit de met mos en kruiden goed gevoerde kist en liet ze wegens
dringende bezigheden in een groote, goed gesloten kamer aan hun lot
over. Na verloop van een uur keerde hij naar zijne gasten terug,
maar vond ze niet meer. Alle hoeken werden doorzocht, alle mogelijke
schuilplaatsen doorsnuffeld,--vergeefsche moeite! Eindelijk ontdekte
hij het mannetje 3 M. boven den grond lang uitgestrekt op een stok
van een gordijn, in welks plooien hij zich van den grond af omhoog
heeft moeten werken; van hier keek hij rustig neer op wat er onder
hem voorviel. Naar het nog ontbrekende wijfje werd verder gezocht,
wederom lang vruchteloos, totdat eindelijk aan de zitting van een
stoel een onbeduidende beweging werd opgemerkt. Bij het omkeeren
van dit meubel zag men de vluchtelinge, die zich om de springveeren
van de zitting had gekronkeld en vast besloten was om zich in den
veroverden schuilhoek te handhaven, zooals uit verscheidene pogingen
om te bijten bleek. Het kostte veel moeite het dier los te wikkelen.
De Gestreepte Slang (Coluber quaterradiatus), een van de grootste
Europeesche Slangen, bereikt een lengte van 1.8 à 2 M. Van boven is
zij op olijfbruinachtigen, naar vleeschkleur zweemenden grond, aan
weerszijden met twee zwartbruine, overlangsche strepen geteekend,
van onderen daarentegen eenvoudig stroogeel. Van 't oog naar den
mondhoek loopt een zwarte streep. Van deze kleursverdeeling komen vele
afwijkingen voor. Erber ving enkele zuiver zwarte exemplaren. Andere
onderzoekers merkten op, dat de jongen regelmatige, zwarte dwarsstrepen
op den kop, aan de bovenzijde van den romp echter drie reeksen van
groote, bruine vlekken hebben, aan de zijden eveneens gevlekt zijn en
aan de onderzijde zwartachtig staalgrijze, vierkante velden vertoonen.
Het verbreidingsgebied van de Gestreepte Slang omvat een deel van
Zuid- en Zuidoost-Europa, het strekt zich van Onder-Italië en Dalmatië
minstens tot aan het binnenland van Klein-Azië uit. Behalve misschien
in de omstreken van Napels en op eenige Grieksche eilanden is deze
soort nergens veelvuldig; ongetwijfeld komt dit van de voortdurende
vervolging, die zij in de meeste landen te verduren heeft.
Volgens alle onderzoekers is zij een onschadelijk en zeer nuttig
dier; zelfs wanneer men haar vangt, bijt zij niet; in zeer korten
tijd geraakt zij aan haar verzorger gewoon. Verdienstelijk maakt
zij zich door het verslinden van Ratten, Muizen en kleine Slangen,
daarentegen vormen ook de nuttige Mollen, kleine Vogels en Hagedissen
een deel van haar buit. Erber zag een Gestreepte Slang achtereenvolgens
zeven kippeneieren uit een nest halen; nadat zij deze in hun geheel
verzwolgen had, brak zij ze, door haar lichaam tegen een boompje
te drukken. Toen hij daarna de Slang gevangen en in zijn stevig
dichtgeknoopten rokzak geborgen had, wreekte zij zich over het verlies
van haar vrijheid door het uitspuwen van de geheele eierenstruif.
Terwijl de tot dusver genoemde Colubriden zich slechts tijdelijk
in de boomen begeven om er voedsel te zoeken, zijn de Woudslangen
(Herpetodryas) reeds nagenoeg volslagen boomdieren. Hare oogen zijn
grooter dan die van de Klimslangen, dikwijls zeer groot, haar romp
is een weinig sterker zijdelings samengedrukt. Olijfgroene kleuren
hebben bij haar de overhand.
In de wouden van geheel Brazilië, Guyana en Venezuela en ook op
de Kleine Antillen leeft een tot dit geslacht behoorende soort, de
Sipo (Herpetodryas carinatus), die 2.3 M. lang wordt en een prachtig
voorkomen heeft. Volgens de beschrijving van den Prins Von Wied hebben
de bovendeelen een fraaie, zachte, meer of minder donkere, geelgroene
of olijfgroene kleur, die op den rug een bruinachtige tint vertoont;
de onderdeelen zijn deels groenachtig, deels hooggeel; de eerstgenoemde
kleur heeft gewoonlijk op den buik, de laatstgenoemde aan de onderzijde
van kop, keel, hals en staart de overhand. Tot metaalglanzig bruin
wisselen de tinten van de groen gekleurde lichaamsdeelen af; op het
midden van den rug bevindt zich een lichtere, overlangsche streep,
die dikwijls aan weerszijden door een donkerder rand begrensd wordt.
De Sipo is in Suriname en Brazilië een van de meest gewone Slangen;
zij bewoont vooral het op zandgrond groeiende struikgewas op korten
afstand van de zee. Van zandgrond schijnen deze Slangen veel te houden
en ook van vochtige en moerassige terreinen in de nabijheid van de
zee, die met biezen, riet en andere moerasplanten begroeid zijn en aan
onze weilanden herinneren. Hier vindt men ze veel in kreupelbosschen,
waarvan de recht opschietende, witbloeiende trompetboomen (Tecoma)
en de stijve, breedbladige Clusia's deel uitmaken; gewoonlijk
liggen zij op de bladen of op dikke takken, niet zelden echter op
den grond. Bij de nadering van een mensch vluchten zij zoo snel,
dat men haar ternauwernood volgen kan; het vlugst bewegen zij zich in
't gras, iets langzamer over het naakte zand. De Prins Von Wied vond
den slanken hals van deze Slang dikwijls buitengewoon sterk uitgezet
door de groote Padden, die haar slokdarm vulden; het schijnt, dat
zij zich hoofdzakelijk met Amphibiën voedt.
Men kan de Sipo met de handen grijpen; in tijd van nood stelt zij
zich echter ook tegen menschen te weer, gelijk uit het volgende
jachtavontuur van Schomburgk blijkt: "Op een van mijne jachttochten
zie ik een Slang van 2 M. lengte langzaam op mij afkomen; de
afstand is echter te groot om te onderscheiden, of zij giftig dan
wel onschadelijk is. De beide loopen van mijn geweer zijn geladen;
ik leg aan, schiet en zie het dier met krampachtige kronkelingen
in een kring ronddraaien. Door een gedruisch van vleugelslagen
in de twijgen van den boom, waaronder ik sta, wordt mijn aandacht
afgeleid, ik kijk op en zie twee fraaie, mij onbekende Papegaaien,
die hier in de schaduw hadden gezeten, en, na bekomen te zijn van
den door het schot veroorzaakten schrik, spoedig weer post vatten
op den uitersten top van een twijg. Daar de Slang doodelijk gewond
schijnt, laat ik door het tweede schot van mijn geweer een der beide
Vogels naar beneden tuimelen. Terwijl ik mijn geweer op nieuw laad,
zie ik de Slang met moeite naar een dichten struik kruipen en er
in verdwijnen. Na haar tevergeefs gezocht te hebben met het geladen
geweer in de hand, moest ik wel naderbij komen en voel nu plotseling
tegen den schouder een stoot van het gewonde dier, dat mijn nadering
bemerkt en zich tot een sprong voorbereid had; ik stuif met geweld
achteruit en blijf verstijfd van schrik staan, niet wetend of een
vergiftige Slang mij gewond heeft of niet; ik zie het dier nogmaals
zich gereed maken voor een sprong en voorkom dezen nog te rechter
tijd door een gelukkig schot. Bij nader onderzoek blijkt het, dat
ik in 't geheel niet gewond ben en herken ik mijn woedenden vijand,
niet als een vergiftige Slang, maar als een onschadelijke Sipo."
Het best bewerktuigd voor het leven in de boomen zijn waarschijnlijk
de Boomslangen (Dendrophis), welker langgerekte, dunne romp zijdelings
samengedrukt en dus hoekig is; de buikschilden (die, zooals gewoonlijk,
een enkele reeks vormen) vertoonen aan weerszijden een lijstvormige
verhevenheid of kiel. Daar zij om op haar prooi te loeren, zich
verschuilen tusschen de bladen van de boomen, die haar tot woonplaats
dienen, noemt men ze ook wel Bladslangen. Zij komen veelvuldig voor in
Zuid-Amerika, Middel-Afrika en Oost-Indië, zijn zeldzaam in Australië
en ontbreken geheel in de beide Noordelijke Faunistische Rijken.
Een zeer bekende vertegenwoordiger van dit geslacht is de Glansslang,
de Sjokari van de Hindoes (Dendrophis pictus), een prachtige Boomslang
van 1.14 M. lengte, waarvan niet recht een derde gedeelte op den
staart komt. De kleur van de bovendeelen is glanzig bronskleurig
bruin, welke kleur soms door een gele, overlangsche streep op het
midden van het voorste derde gedeelte van den rug beter uitkomt;
de zijden prijken met een gelen band; de effen gekleurde onderzijde
heeft een min of meer gele of lichtgroene tint.
Deze wijd en zijd verbreide soort komt in geheel Voor- en Achter-Indië
en op alle Indische eilanden voor. Snelleman zegt van haar "wellicht
de meest algemeene soort in Indië en den Archipel" en verder: "Het
fraaist gekleurd zijn voorzeker de Boomslangen; jammer slechts, dat
men haar te midden van zooveel boomen zoo zelden ziet! Haar groene
kleur in allerlei tinten is daaraan ongetwijfeld grootendeels schuld,
maar behalve dat hebben sommige soorten een eigenaardige wijze van
rusten, door namelijk met de punt van den staart een paar malen om een
boomtak geslagen met den kop naar beneden in het gras te hangen. Zulk
een houding is, in een land, waar vele boomen met luchtwortels groeien,
zeer bedriegelijk."