zij is in de meeste landen zeer algemeen en bewoont er ongeveer
dezelfde plaatsen als de Teju; met deze stemt zij door gewoonten,
levenswijze, voeding en voortplanting overeen: om kort te gaan, zij is
een Teju in miniatuur. Al hare bewegingen zijn bevallig en vlug. Als
zij zich vrij beweegt, maakt haar romp elegante kronkelingen; door
schrik bevangen, vlucht zij zoo merkwaardig snel, dat de toeschouwer
haar eerder voor een Vogel dan voor een Hagedis zou houden.
Sommige leden van de vorige familie zijn met rudimentaire pooten
uitgerust. Aan deze zijn de Ringhagedissen (Amphisbaenidae) het
naast verwant. Door haar lichaamsbouw tot graven geschikt, leiden
zij gedeeltelijk een onderaardsch leven.
Op Wormen gelijken deze dieren door hun lang, rolvormig lichaam, dat
overal nagenoeg dezelfde dikte heeft en niet met schubben bekleed
is, maar met een taaie, lederachtige huid, die door ringvormige en
overlangsche groeven, welke elkander rechthoekig snijden, in een
groot aantal kleine, langwerpige vierhoekjes is verdeeld. Zelden
zijn tusschen deze vierhoekige huidafdeelingen grootere, veelhoekige
schilden geplaatst; geregeld vindt men echter op den kop grootere
huidplaten. Eén geslacht kenmerkt zich door de aanwezigheid van voorste
ledematen: bij andere merkt men onder de huid sporen van een schouder-
en een heupgordel op. Alle missen een uitwendig zichtbaar gehoororgaan;
de oogen zijn bijna geheel naar boven gericht, hebben geen leden en
zijn hoogst onvolkomen; hoogstens schemeren zij als donkere vlekjes
door de lichaamshuid, die zich ook over hen uitstrekt, heen.
Alle Ringhagedissen zonder uitzondering zijn gravende dieren; de
meesten houden zich bijna voortdurend in Termieten-woningen op. Bij
vele soorten kan de staart als grijporgaan dienst doen. Haar voedsel
bestaat uit kleine Insecten, vooral Mieren en Termieten, ook uit
Wormen.
De Chiroten (Chirotes) onderscheiden zich van alle overige
Ringhagedissen door het bezit van voorpooten met vier teenen, die,
hoewel rudimentair, toch klauwen dragen. Een duidelijke zijdestreep
strekt zich aan weerszijden van den romp, van den schouder tot aan
den aars uit.
De eenige soort van dit geslacht, de Chirote (Chirotes canaliculatus),
die Mexico, Californië en het gebied van de Platte rivier (Wyoming,
Colorado, Nebraska) bewoont, wordt ongeveer 20 cM. lang, is aan de
bovenzijde bruinachtig vleeschkleurig, aan de onderzijde witachtig.
Van het geslacht der Wormhagedissen (Amphisbaena) zijn tegenwoordig
27 soorten bekend, die in de tropische gewesten van Afrika en Amerika
leven. Een der meest bekende, de Ibijara der Brazilianen (Amphisbaena
alba), heeft een lengte van 52 cM., waarvan 2 cM. op den kop en 5
cM. op den staart komen. De bovendeelen zijn glanzig geelbruin, de
zijden lichtgeel, de onderdeelen geelachtig wit; de kop is lichter
gekleurd dan de rug. Haar wetenschappelijke naam alba (= wit) kreeg
deze soort naar de verbleekte exemplaren onzer musea.
De Wormhagedissen leven in den grond en vertoonen zich uitsluitend
's nachts en bij donker weer aan de oppervlakte. Hare gewone
verblijfplaatsen zijn de nesten van Termieten en Mieren, welker
larven zij verslinden. In Suriname heeten zij daarom "Mierenkoningen",
aan den Amazonenstroom "Mierenmoeders", terwijl men ze in de overige
landen van Amerika "Tweekoppige Slangen" noemt. In sommige oorden,
vooral in het binnenland van Zuid-Amerika, schijnen zij veelvuldig
te zijn; wegens haar vreemdsoortige levenswijze blijven zij echter
licht onopgemerkt, zoodat men van haar aantal, haar aard en hare
werkzaamheden geen juiste voorstelling verkrijgt. De bewoners van
de oeverlanden van den Amazonenstroom en ook andere Zuid-Amerikanen
zeggen, dat de Wormhagedissen door de Mieren verzorgd en gevoederd,
kortom met de meeste voorkomendheid behandeld worden. Volgens
hun meening zouden, zoodra de bedoelde Hagedissen een mierennest
verlaten, ook de bouwmeesters van deze woning uittrekken en zich in
alle richtingen verstrooien. Waarschijnlijk is het er net andersom
mede gesteld: de Wormhagedissen volgen vermoedelijk de Mieren,
wanneer deze zich genoopt zien haar nest prijs te geven.
De bewegingen van deze dieren zijn vreemd; dit zal wel aanleiding
gegeven hebben tot de in Zuid-Amerika algemeen heerschende meening,
dat zij voor- en achteruit kunnen kruipen. "De exemplaren, die ik
gevonden heb," zegt de Prins Von Wied, "bewogen zich nagenoeg niet,
tenzij men ze aanstootte, en kropen dan ongeveer als Wormen over den
grond, hetgeen als een bewijs voor de zwakheid van hun gezichtsvermogen
kan gelden." Het langzaam kruipen belet hen niet, behendig in den
grond door te dringen, waarbij het groote snuitschild hun belangrijke
diensten schijnt te bewijzen.
Van de familie der Ringhagedissen werden tot dusver op het oostelijk
halfrond weinige vertegenwoordigers aangetroffen. Een daarvan, de
Grauwe Networmhagedis (Blanus cinereus), wordt 22 cM. lang en heeft
een grijsbruinachtige kleur; zij kenmerkt zich door den vorm van
de schilden op den kop en den betrekkelijk langen, kegelvormigen
staart. Zij werd in Spanje, Portugal, Marokko en Algerië gevonden
en leeft onder de aardoppervlakte, vooral onder steenen en in
mierenhoopen. Aanvankelijk zou men dit dier licht voor een Regenworm
kunnen houden; zijn ware aard blijkt, wanneer het zich beweegt, daar
dit niet door samentrekking en uitzetting van het lichaam, maar door
zijdelingsche kronkelingen geschiedt. Het voedt zich hoofdzakelijk
met kleine Duizendpooten.
De Echte Hagedissen (Lacertidae) hebben een langwerpig rolvormigen
romp; de grenzen tusschen kop en hals vallen duidelijk in 't oog;
de spits eindigende, brooze staart is zeer lang; de vier ledematen
zijn alle met vijf teenen voorzien. Het trommelvlies is uitwendig
zichtbaar; de oogleden zijn goed ontwikkeld en kunnen meestal bewogen
worden. De opperhuid vormt op den kop beenharde, veelhoekige schilden,
op den rug en de zijden korrelige schubben (nooit gesteund door
in de lederhuid gevormde beenplaten), op den buik overlangsche en
dwarse reeksen van vierhoekige schilden. Kegelvormige, holle tanden
met twee- of driespitsige kroon zijn in een groeve van de boven-
en onderkaaksbeenderen vastgegroeid; de tong is plat en gevorkt,
d. w. z., loopt in twee spitsen uit.
Alle echte Hagedissen zijn bewoners van de Oude Wereld; ook in Europa
worden zij door vele soorten vertegenwoordigd. Met uitzondering
van den Hazelworm, behooren alle inheemsche Hagedissen tot deze
familie. In Zuid-Europa is het aantal soorten veel grooter; vooral
Afrika is er rijk aan. De weinige soorten, die Oost-Azië bewonen,
munten uit boven hare verwanten door haar merkwaardige snelheid van
beweging en de buitengewone lengte van den staart, welke het vier-
of vijfvoud is van de lichaamslengte. In 't geheel heeft men ongeveer
100 soorten beschreven, die over 17 geslachten verdeeld zijn. Voor
ons doel zal een beschrijving van de drie inheemsche en van twee
Zuid-Europeesche soorten voldoende zijn.
De inheemsche Hagedissen kiezen hellingen van zonnige heuvels,
muren, steenhoopen, ruimten onder boomwortels, heggen, omheiningen
en struikgewas, zonnige weiden, enz. tot verblijfplaats, graven hier
een hol of maken gebruik van een reeds in den grond aanwezig gat;
zelden verwijderen zij zich ver van dit middelpunt van hun gebied. "Een
eigenaardigheid, die de Hagedissen met zeer veel lagere dieren gemeen
hebben," zegt Leydig, "is haar innige gehechtheid aan het plekje
grond, waar zij ter wereld kwamen. Men zal in streken, die men door
herhaald bezoek goed kent, opmerken, dat de Hagedissen zich jaar
op jaar aan bepaalde oorden houden, zonder zich te verbreiden over
omgevende terreinen, die oogenschijnlijk even goed voor haar geschikt
zijn. Verhuizingen komen eerst dan voor, als het geboorte-oord geen
ruimte genoeg meer aanbiedt."
Bij warm weder vindt men de Hagedissen buiten haar woning; bij
voorkeur liggen zij op een zonnige plek op de loer; hare fonkelende
oogen waren rond naar allerlei buit, vooral vliegende Insecten;
op koele en regenachtige dagen houden zij zich verborgen in hare
holen. Zij zijn in de ware beteekenis van 't woord afhankelijk van
de zon, vertoonen zich, als deze aan den hemel staat en verdwijnen,
zoodra zij zich verbergt. Om zich in de zon te koesteren zoeken zij
steeds de plaatsen uit, die het best toegankelijk zijn voor de warmte
en klimmen daarom bij boomstammen, palen en dergelijke voorwerpen
omhoog. Door de ribben op te lichten en hiermede de huid uit te
spannen, verbreeden zij den romp en maken hem zoo plat mogelijk, als
om geen enkele straal van het levenwekkende hemellichaam verloren te
laten gaan. Hoe feller de zon schijnt, des te duidelijker openbaren
zich haar bedrijvigheid en haar moed. In de morgen- en avonduren zijn
zij soms traag en bijzonder zachtmoedig; op het midden van den dag
merkt men bij haar niet slechts een buitengewone levendigheid, maar
dikwijls ook moed op; soms zelfs zoeken zij ruzie. Hoe meer het einde
van den herfst nadert, des te langer blijven zij in hare holen. Hier
te lande betrekken zij in het begin van October hare winterkwartieren,
die zij niet voor den aanvang van de lente verlaten.
De tijd, waarin zij haar winterslaapplaats opzoeken, hangt niet
slechts af van de door haar bewoonde landstreek, maar is ook voor
verschillende soorten ongelijk en loopt ook uiteen in verband met
leeftijd en sekse: de oude mannetjes verdwijnen in den herfst eerder
dan de oude wijfjes en deze weer eerder dan de jongen. Daarentegen
verschijnen in 't voorjaar de laatstgenoemde het eerst; op hen volgen
de mannetjes, zoodat de wijfjes het laatst voor den dag komen. In
het winterkwartier zijn zij meestal gezellig bijeen; zij liggen er
bewegingloos, met gesloten oogen, doch met geopenden bek, herleven
echter, zoodra men ze verwarmt, beginnen zich te bewegen, te ademen,
openen de oogen en worden langzamerhand geheel wakker.
Bijna alle Hagedissen dragen aanmerkelijk bij tot verfraaiing van
de landstreek, die zij bewonen. In ons vaderland bemerkt men hiervan
niet veel, reeds in Zuid-Europa echter spelen zij in het landschap een
niet onbelangrijke rol. Haar talrijkheid blijkt uit het geschuifel en
geritsel, dat men hier overal hoort; zij verlevendigen iederen muur,
iedere straat, bijna iederen weg. Een werkelijk schitterende pracht
bekoort het oog, wanneer het deze fraai gekleurde, glinsterende dieren
in de middaguren, als haar levenswerkzaamheid de grootste hoogte
heeft bereikt, schijnbaar spelend ziet ronddartelen. Als een snoer
van edelgesteenten kronkelt zich, volgens Erhard, het slangvormige
lichaam van de Smaragdhagedis, dat met de kleur en den glans van
koper, brons en goud prijkt, door de tusschenruimten der twijgen en
bladen van de vijgen- en karoebenboomen der overigens zoo stille
en eentonige Cycladen. In welk ander oord van het zuiden men ook
vertoeft, overal flikkert van het sierlijke schubbenkleed der daar
levende soorten van Hagedissen de glans van juweelen den bezoeker te
gemoet. In welwillendheid en bewondering verandert weldra het angstige
gevoel, dat aanvankelijk door het geritsel en geschuifel dezer dieren
bij vreesachtige personen werd opgewekt. Zelfs wanneer men nog geen
kennis heeft gemaakt met de aantrekkelijke inborst en verrichtingen
dezer Reptiliën, zal men genegenheid voor hen opvatten.
Alle Echte Hagedissen zijn vlugge, wakkere, levendige, met fijne
zintuigen begaafde en betrekkelijk schrandere dieren. Als zij zich
niet in de zon koesteren, doorkruisen zij gaarne het door haar
bewoonde gebied, kortom zij zijn steeds bezig. Duidelijk openbaren
zij dan de veelzijdigheid van haar bewegingsvermogen. Alle kunnen
uiterst vlug loopen, behendig klimmen en, zoo noodig, ook zonder
merkbare inspanning zwemmen; de vaardigheid, welke zij bij ieder
van deze verrichtingen toonen, is echter bij de eene soort en
de andere zeer verschillend. Zoo lenig hare gewrichten zijn, zoo
voortreffelijk ontwikkeld zijn hare zintuigen. De levendigheid van
de oogen getuigt van een scherp gezicht; het vermogen om te hooren
is zoo goed, dat reeds het geringste gedruisch haar aandacht trekt;
een fijn gevoel blijkt uit haar voorkeur voor een warm plekje, een
uitmuntend tastvermogen uit het voortdurend uitsteken en terugtrekken
van de tong. Dit orgaan schijnt echter bovendien nog gevoelig voor
smaakprikkels; alle Echte Hagedissen zonder uitzondering houden
veel van zoete vruchtensappen, honig of suiker en onderscheiden
deze lekkernijen zeer goed van ander voedsel; hierbij bewijst echter
ook de reukzin goede diensten. Geëvenredigd aan de volkomenheid van
hare zintuigen is ook de ontwikkeling van hare geestvermogens. Wat
het verstand betreft, staan zij stellig bij geen ander lid van haar
klasse ten achter; maar overtreffen ook in dit opzicht de meeste van
hare verwanten.
De Hagedissen zijn flinke roovers. Zij maken ijverig jacht op Insecten,
Regenwormen en Landslakken, overvallen soms kleine Gewervelde Dieren,
plunderen nesten uit en verslinden o.a. ook eieren van andere Kruipende
Dieren. Spinnen lusten zij gaarne; gretig verslinden zij Naakte
Tuinslakken; minder begeerig zijn zij naar Regenwormen. Vlinders,
Krekels, Sprinkhanen, Kevers en hunne larven schijnen haar
lievelingskost te zijn. Zij maken echter wel degelijk verschil
tusschen de eene soort en de andere, al gelijken beide zooveel op
elkander, dat een ongeoefend mensch het onderscheid niet opmerkt. In
den gevangen staat geraken de meeste soorten gewend aan rauw vleesch,
mierenpoppen en ei, sommige ook aan vruchten; ook dan echter geven
zij aan levende dieren de voorkeur boven ieder ander voedsel. Zij
vatten haar slachtoffer plotseling aan, dikwijls na een grooten sprong,
kneuzen het met de tanden en slikken het daarna langzaam door. Groote
Insecten grijpen zij met den bek en bedwelmen hen door langdurig heen
en weer schudden; soms laten zij haar prooi dan een oogenblik los,
kijken er naar en vallen er op nieuw op aan. Naar Reptiliën-aard
vervolgen, dooden en verslinden zij ook hare eigene jongen zonder
mededoogen. Op warme, zonnige dagen drinken zij veel; dit geschiedt
door de tong langzaam, maar vele malen achtereen in de vloeistof te
doopen. Gretig en met blijkbaar genot slikken zij honig en suiker op
en verorberen het sap van zoete vruchten, waaruit misschien valt af
te leiden, dat zij in de vrije natuur vruchten niet geheel versmaden.
In de lente, kort na het verlaten van het winterverblijf, ontwaakt in
haar de aandrift tot voortplanting; de mannetjes zijn dan buitengewoon
strijdlustig; vol woede vervolgt het sterkere dier het zwakkere, heft
den romp zoo hoog mogelijk op door het strekken der stijf gehouden
pooten en doet met naar onderen gerichten kop een aanval op zijn
tegenpartij; deze ziet den vijand een tijdlang aan, om vervolgens,
zoodra hij zich overtuigd heeft van diens meerdere sterkte, zijn
heil in de vlucht te zoeken. De aanvaller snelt den vluchteling met
den grootst mogelijken spoed na en is soms zoo toornig, dat zelfs
het wijfje, wanneer het hem in den weg komt, gevaar loopt gebeten
te worden. Den vluchteling tracht hij bij den staart te pakken; een
verminking van dit lichaamsdeel wordt bij de Hagedissen dikwijls
opgemerkt. Ongeveer 4 weken na de eerste paring, gewoonlijk des
nachts, legt het wijfje 6 à 12 eieren; deze hebben de grootte van
boonen, zijn langwerpig rond en vuilwit van kleur. De wijze waarop de
eieren verborgen worden, hangt van de plaatselijke omstandigheden af;
dikwijls dient hiervoor een zonnig plekje in het zand of tusschen de
steenen; soms worden de eieren in het mos gelegd of in de woningen
van de groote zwarte Mieren, die het haar toevertrouwde pand niet
aanraken. De jongen komen in het midden van den zomer uit de eischaal
te voorschijn, zijn dadelijk even vlug van beweging als hunne ouders,
vervellen nog in den herfst van het eerste levensjaar en zoeken daarna
een schuilplaats op voor hun winterslaap.
De oude dieren vervellen in den loop van den zomer herhaaldelijk; dit
geschiedt op onbepaalde tijden; hoe dikker, grooter en beter gevoed
zij zijn, des te vaker heeft de vernieuwing van de opperhuid plaats.
Van Hagedissen in de kooi kan men veel genoegen smaken; ieder die
zich met deze dieren bemoeit, wint reeds na weinige dagen, wel is
waar niet hun genegenheid, maar toch hun vertrouwen. Aanvankelijk
vluchten zij bij de komst van hun verzorger angstig naar den meest
verborgen hoek van hun kooi; later steken zij nieuwsgierig het
kopje buiten hun toevluchtsoord en kijken naar den verstoorder
van hun rust; eindelijk gaan zij bij diens komst niet meer op den
loop, laten toe, dat hij hen aanraakt en streelt, en nemen hem het
hun voorgehouden voedsel behendig en netjes tusschen de vingers
weg. Sommige exemplaren, die op gevorderden leeftijd gevangen zijn,
worden trouwens nooit tam. Een vermakelijk schouwspel verschaft men
zich door aan verscheidene Hagedissen slechts één enkelen, langen Worm
te geven; zij trachten dan elkaar den buit te ontstelen, vatten dezen
op verscheidene plaatsen te gelijk aan en scheuren hem heen en weer,
totdat hij breekt, of de eene hem de andere uit den bek rukt.
Het typische geslacht der Halsbandhagedissen (Lacerta) heeft de
volgende kenmerken: De meer of minder slanke romp is rolvormig of een
weinig van boven naar onderen samengedrukt; de piramidevormige kop
heeft loodrecht benedenwaarts gerichte zijvlakken; de hals is ongeveer
zoo lang als de kop en niet zeer duidelijk begrensd; de staart is
steeds langer dan de romp, slank kegelvorming, dikwijls zeer lang, dun
en spits. De bekleeding bestaat op den kop en den buik uit schilden,
overigens uit schubben, die op den romp ringsgewijs gerangschikt zijn,
aan den staart kransen vormen, aan den hals zich door buitengewone
grootte onderscheiden en tot een ringkraag vereenigd zijn. De vijf
teenen zijn zeer verschillend van lengte en dragen sikkelvormige
zijdelings samengedrukte klauwen, die aan de onderzijde een groeve
vertoonen.
In het zuidwesten van Europa leeft de grootste soort, tevens een
van de prachtigste leden der geheele orde: de Parelhagedis (Lacerta
ocellata). Zij bereikt een lengte van 41 à 61 cM. De schubben zijn
bij haar aanmerkelijk kleiner dan bij de overige leden van haar
geslacht. De kop is van boven bruinachtig en met schilden bedekt; de
zijden van den kop zijn groen; de rug is op donkeren grond zoo dicht
bezaaid met groene of geelachtige, dooreengekronkelde lijnen, dat de
lichte kleur dikwijls de overhand heeft; iedere zijde is bovendien met
ongeveer 25 blauwe, zwart gezoomde vlekken geteekend, hieraan dankt
deze soort haar naam; het onderlijf is effen licht geelachtig groen;
alle overige lichaamsdeelen zijn meer of minder levendig groen of
groengrijs. De jonge dieren verschillen van de oude door hun somber
olijfbruine kleur en de talrijkheid van de witte of blauwachtige,
zwart gezoomde oogvlekken.
De Parelhagedis bewoont het Iberische schiereiland, maar komt ook
voor in het zuiden van Frankrijk en aan de noordwestkust van Afrika;
haar verbreidingsgebied strekt zich noordwaarts even ver uit als dat
van den olijfboom. In Zuid- en Middel-Spanje is zij overal gemeen.
Haar voedsel stemt nagenoeg overeen met dat der inheemsche Hagedissen;
wegens haar aanzienlijke grootte maakt zij echter bij voorkeur jacht
op grootere dieren, vooral op andere Hagedissen, jonge Slangen en
Muizen; bovendien eet zij druiven, versche vijgen en andere zoete
vruchten. "Als zij een buit bemerkt", zegt Schinz, "blijven hare
vurige blikken onafgebroken gericht op het slachtoffer, dat met
groote snelheid besprongen, met de tanden gegrepen en vervolgens door
het hevig schudden van den kop eenige malen heen en weer geslingerd
wordt; daarna glijdt het gevangen en gekneusde dier langzaam door den
slokdarm. Vervolgens lekt zij zich in hoogst genoegelijke stemming den
bek af met de tong, gelijk een Kat doet na het drinken van melk". Duges
heeft haar ook Vogels en Kruipende Dieren, ja zelfs leden van haar
eigen soort zien verslinden.
De Parelhagedis wordt, daar zij zich goed verweren kan, door minder
vijanden bedreigd dan hare kleinere verwanten. Hare gevaarlijkste
tegenstanders zijn de Roofvogels, vooral de Slangenarend en de
Buizerden, die bij dit bedrijf ook de Raaf tot concurrent hebben. De
Spanjaarden houden de Parelhagedis voor vergiftig, zijn bespottelijk
bang voor dit dier en toonen vaker dan wenschelijk is, hun vrees door
het te dooden.
De Smaragdhagedis of Groene Hagedis, de Grüneder der Duitsche
wijnbouwers, de Gruenz der Tirolers (Lacerta viridis), komt in ons
vaderland niet voor, maar neemt onder de in Duitschland levende
soorten den eersten rang in door haar grootte en schoonheid. Zij
bereikt bij onze buren een lengte van 30, in Zuid-Europa van 43 cM. De
levendige, dikwijls iriseerende, groene kleur van het mannetje vertoont
verschillende tinten, die van blauwachtig groen door smaragdgroen tot
seladongroen afwisselen, en gaat op de onderdeelen in groenachtig
geel over. Zwarte stippels, die zich op den kop soms tot vlekken
vergrooten, versieren de bovenzijde; de onderzijde daarentegen is
(met uitzondering van de keel en de onderkaak, die dikwijls blauw
zijn) steeds effenkleurig. Het wijfje komt niet zelden in kleur
met het mannetje overeen, heeft dikwijls ook een blauwe keel, maar
overigens in den regel een meer of minder naar bruin zweemend kleed,
dat aan de zijden met geelachtige, zwart gezoomde, op overlangsche
reeksen geplaatste vlekken prijkt.
De landen ten oosten en ten noorden van de Middellandsche zee moeten
als het vaderland van de Smaragdhagedis beschouwd worden. Zij is
in Portugal en Spanje veelvuldig, komt in Frankrijk voor tot bij
Parijs, bewoont Italië, met uitzondering van het eiland Sardinië,
voorts het zuiden en westen van Zwitserland en het zuiden van Tirol;
zij is op het Balkan-schiereiland een van de algemeenste soorten,
bewoont eveneens het Donaugebied en Zuid-Rusland, Perzië zoowel als
Kaukasië, Klein-Azië, Syrië en Palestina; in geringen getale vindt
men haar bovendien hier en daar in Duitschland en Oostenrijk.
De eenige soort, die algemeen in ons land voorkomt en daarom Gewone
Hagedis wordt genoemd (Lacerta agilis), bereikt een lengte van
hoogstens 25, meestal slechts van 20 of 21 cM., waarvan ongeveer de
helft op den staart komt. Haar kleur kan zeer uiteenloopen. "Het
mannetje is gewoonlijk aan de rugzijde bruinachtig met twee
lichtgele strepen en eenige rijen zwarte vlekken, aan de buikzijde
groenachtig. De rug van het wijfje is gewoonlijk ook bruinachtig,
maar deze kleur gaat op de zijden in blauwgrijs over, terwijl de
buikzijde groengeel of zelfs zuiver geel is. Ook bij 't wijfje is de
rugzijde met zwarte vlekken geteekend; over 't midden van den rug
loopt een zwarte streep, die zich voortzet op den staart, waar zij
aan weerskanten vergezeld wordt door twee andere zwarte strepen"
(Ritzema Bos). Bij sommige exemplaren is de kleur met meer groen
gemengd; in Duitschland heeft men mannetjes van deze soort gevonden,
die, wat kleur en teekening betreft, op de Smaragdhagedis geleken.
De gewone Hagedis (die soms ook Zandhagedis, in de Hollandsche
duinstreken Eidas, in Gelderland en Overijsel meestal Everdas,
in het land van Kuik Egetis wordt genoemd) bewoont Noord-, Middel-
en Oost-Europa, van de Alpen tot het zuiden van Engeland en Zweden,
van den Kaukasus tot aan de Finsche Golf en westwaarts tot aan het
midden van Frankrijk. Hellingen van zonnige heuvels, vooral als
zij met kreupelhout begroeid zijn, heiden, steenglooiïngen, heggen,
woudzoomen, randen van wegen en vooral spoordammen zijn hare meest
geliefde verblijfplaatsen; zij ontbreekt echter ook niet op schrale
weiden en in niet al te vochtige moerassen; zij vestigt zich overal,
waar zij op buit kan rekenen. Bij ons vindt men haar in alle droge,
zandige streken, zoowel op diluvialen zandgrond als in de duinen,
het meest daar, waar kreupelhout groeit.
Met graagte verslinden deze Hagedissen Vlinders, vooral Witjes; zij
bewijzen hierdoor den tuinman een dienst. Boettger verhaalt, dat zijne
tamme Hagedissen, terwijl hij voor haar Witjes ving in den tuin, hem
met hare blikken volgden en alle met opgeheven kop, aan de naar hem
toegekeerde zijde van de kooi, om voedsel bedelden. Om de Vlinders
te grijpen, die hij haar toestak door de mazen van het draadnet,
waarmede de kooi bedekt was, sprongen zij omhoog als Honden. De
Gewone en Kleine Hagedis bewonen nooit hetzelfde oord, zooals licht
verklaarbaar is voor ieder, die waargenomen heeft, hoe fel gene op
de jongen van deze jacht maakt.
Onder de bijna tallooze vijanden van de Gewone Hagedis en van hare
kleinere verwanten verdienen de Gladde Slang en de Adder misschien
wel den voorrang. Verscheidene soorten van Marters, Valken, Raven,
Eksters, Vlaamsche Gaaien, Klauwieren, Huishoenderen, Kalkoenen,
Pauwen, Ooievaars en Eenden maken eveneens jacht op haar en verslinden
haar, oogenschijnlijk met smaak.
De Kleine Hagedis (Lacerta vivipara) komt in ons vaderland zelden
voor. Zooals reeds gezegd werd, ontmoet men haar nooit in oorden,
waar de Gewone Hagedis zich ophoudt. Bij Arnhem, bij Leiden en bij
Nijmegen werd zij in bosschen onder droge bladen gevonden. Haar lengte
bedraagt 15 à 18 cM., waarvan 10 à 11 cM. op den staart komen. De kop,
de romp en de teenen zijn bij haar een weinig tengerder en fijner
gebouwd dan bij de Gewone Hagedis. De donkerbruine grondkleur van de
rugzijde kan in leikleur overgaan, doch vormt steeds donkerder strepen
op het midden van den rug en op iedere zijde. De onderzijde is op
bruinachtig of blauwachtig grijzen, geelachtig witten, safraangelen of
steenrooden grond zwart gestippeld of gevlekt; de keel is blauwachtig,
niet zelden echter rozerood.
Het verbreidingsgebied van de Kleine Hagedis omvat verreweg het
grootste deel van Noord- en Middel-Europa en strekt zich bovendien uit
over geheel Noord-Azië tot aan den Amoer en het eiland Sachalin. Bij
voorkeur houdt zij zich op in de nabijheid van water, in bergstreken
daarom in vochtige kloven, bij bergbeken, bij of in kanalen tot
het afleiden van het water, in dalen echter op vochtige weiden,
in moerassen en bij dammen.
Den naam vivipara (levendbarend) ontleent deze soort aan de plaats waar
hare jongen zich soms ontwikkelen; soms n.l. verlaten zij de eischaal
reeds vóór de geboorte, meestal echter kort daarna. In Zuid-Duitschland
geschiedt dit gemiddeld in het einde van Juli en altijd 's nachts;
het aantal jongen bedraagt 8, hoogstens 10; nog door de eischaal
omgeven komen zij met tusschenpoozen van 2 minuten ter wereld en
zijn een half uur later er in geslaagd zich te bevrijden. De moeder
bekommert zich volstrekt niet om hen, maar loopt weg, zoodra zij het
laatste ei gelegd heeft. De jongen groeien schielijk; die, welke bij
de geboorte 15 mM. lang waren, hadden na 20 dagen reeds een lengte van
27 mM. Leydig voedde ze met Bladluizen, die gretig verslonden werden.
Nog zeldzamer dan de vorige soort is bij ons de even sierlijke als
behendige Muurhagedis (Lacerta muralis), die op droge, steenachtige,
zonnige plaatsen leeft en enkele malen nabij Nijmegen aan den voet
der walmuren, aan de randen van grindkuilen en greppels op de heide;
bovendien in en bij Groningen aan muren gevonden werd. In Zuid-Italië
bereikt deze soort een lengte van 20 à 24 cM.; in de noordelijke landen
wordt zij slechts 18 à 19 cM. lang. Van hare verwanten onderscheidt
zij zich zoo duidelijk door de slankheid van den romp, den langen
kop met smallen snuit en den zeer spitsen staart, waarvan de lengte
meer dan de helft van de totale lengte bedraagt, dat het bijna niet
mogelijk is haar met een van deze te verwarren. Volgens Leydig is de
grondkleur van den rug bij de in Duitschland gevangen exemplaren bruin
of groen; bij goede verlichting, vooral in 't zonlicht, vertoonen zij
duidelijk een bronsgroenen weerschijn; voorts kan men er een donkerder,
reeds bij den kop beginnende zijdestreep en een uit vlekken of wolkjes
bestaande teekening aan waarnemen. De grensscheiding tusschen zijde en
buik wordt aangewezen door een overlangsche reeks van blauwe vlekken;
de kleur van den buik is meer of minder donkerbruin en wisselt af van
melkwit door geel tot koperrood; soms is zij effen, dikwijls echter
met wolkjes of vlekken geteekend. Van deze soort komen talrijke
kleurverscheidenheden voor.
De Muurhagedis wordt in alle landen, die de Middellandsche Zee omgeven,
zoo niet veelvuldiger dan iedere andere soort van haar familie,
dan toch buitengewoon talrijk en overal gevonden. Van Zuid-Europa
uit heeft zij zich, naar 't schijnt, langzamerhand over 't midden
van ons werelddeel verbreid.
Hare bewegingen en gewoonten, haar aard en levenswijze komen nog
het meest met die van de Smaragdhagedis overeen. Al hare bewegingen
geschieden plotseling, veel vlugger en behendiger dan die van hare
inheemsche verwanten, maar zijn toch niet onbevallig. Voor een
Reptiel is haar verstand opmerkelijk groot; zij toont dit duidelijk
bij iedere gelegenheid door een juiste beoordeeling van den mensch
en van de omstandigheden, waarin zij verkeert: inniger dan eenige
andere soort komt zij met den mensch in aanraking; de ervaring leert
haar, in welke gevallen zij den mensch vertrouwen kan, en wanneer
niet. Toch laat ook zij zich soms op een bijna onbegrijpelijke wijze
verschalken. Eimer leerde, toen hij niet naar wensch slaagde bij de
vangst van Muurhagedissen, die op Capri zeer veelvuldig, maar ook zeer
schuw zijn, van de knapen van dit eiland een bijna nimmer falend middel
om deze vlugge en behendige dieren in handen te krijgen. Hiervoor
is niets anders noodig dan een lange grashalm, welks dunste uiteinde
tot een strik wordt vervormd, die zóó met speeksel wordt bevochtigd,
dat dit als een dun plaatje de opening van de lus vult. Bij 't zien
van de Hagedis gaat de jager op den grond liggen of zitten, brengt
in deze houding zoetjes aan de strik nader bij het diertje en houdt
het eindelijk met ver uitgestrekten arm de lus vlak voor den kop. De
Hagedis blijft als betooverd staan en kijkt verwonderd naar het
onbekende voorwerp; uit nieuwsgierigheid laat zij haar beschroomdheid
varen en volgt den achteruit bewogen strik, die plotseling haar
over den kop geworpen en toegetrokken wordt. Eimer, die aanvankelijk
meende, dat het bonte kleurenspel van het speekselplaatje of het zien
van haar spiegelbeeld de Hagedis aanlokte, bemerkte later, dat het
dier zich ook wel laat verschalken door een strik zonder dergelijk
toevoegsel. Met schitterend succes werd zijn jacht bekroond, toen hij
na deze ontdekking bij latere uitstapjes gebruik maakte van de hulp
van knapen, die in deze wijze van vangst ervaren zijn. Een tot heden
gespaard, prachtig beeld uit ouden tijd (de Sauroktonos) bewijst,
dat deze verrassende kunstgreep niet nieuw is; zij was reeds voor
2000 jaar aan de Zuid-Italiaansche knapen bekend.
De Skink- of Woelhagedissen (Scincidae) vormen een zeer soortenrijke
familie, waarin niet minder verscheidenheid van gestalte wordt
waargenomen dan in die der Teju- en Gordelhagedissen; ook hier vindt
men door het rudimentair worden der ledematen en de verlenging van den
romp allerlei overgangen van den typischen Hagedis-vorm tot dien der
Slangen. De pooten zijn, voorzoover aanwezig, steeds kort. Regelmatige
schilden bekleeden den kop, gelijksoortige schubben den rug, den buik
en de zijden. Een zijdegroeve is hier niet aanwezig.
De Skinkhagedissen bewonen alle werelddeelen van de uiterste grenzen
van den gematigden gordel tot aan den evenaar; zij zijn vooral in
Australië, op de Zuidzee-eilanden, in Oost-Indië en in Afrika talrijk,
in Europa en Amerika daarentegen schaars vertegenwoordigd.
Kleine Woelhagedissen, welker doorzichtige oogleden onbeweeglijk en
met elkander vergroeid zijn, zoodat zij, als die der Slangen, bij
wijze van een horlogeglas het oog bedekken, vormen het geslacht der
Naaktoogigen (Ablepharus), welks vertegenwoordigers in de tropische en
zuidelijke landen van Afrika, Australië en Zuidwest-Azië, maar ook in
Zuidoost-Europa leven; één soort heeft een zeer ongewone verspreiding,
daar zij de tropische gewesten van beide halfronden bewoont.
Vermelding verdient vooral de Sint-Jans-hagedis (Ablepharus
pannonicus), omdat zij tot in Hongarije aangetroffen wordt. Dit
aardige diertje heeft een langwerpig rolvormigen romp, die zoomin van
den hals als van den langen, ronden, langzamerhand dunner wordenden
staart duidelijk gescheiden is; de voorste ledematen zijn ver van
de achterste verwijderd en korter dan deze; het kleed bestaat uit
tamelijk gelijksoortige, gladde schubben. De bovenzijde is grootendeels
bronskleurig olijfbruin, op 't midden van den rug dikwijls met twee
zwarte, overlangsche lijnen geteekend; de zijden van het lichaam zijn
iets donkerder; een zwartachtige, aan weerszijden lichter gezoomde
streep begint bij het neusgat, loopt door tot achter het oog en
zet zich achterwaarts voort als een langzamerhand flauwer wordende,
donkere zijdestreep; de onderzijde is groenachtig zilverkleurig. Van
de lengte, die 9 à 11 cM. bedraagt, komt juist de helft op den staart.
De Sint-Jans-hagedis wordt vooral in Hongarije en hier meer
bepaaldelijk op met kort gras begroeide hellingen gevonden; zij komt
echter ook in andere landen van Zuidoost-Europa, bijvoorbeeld in
Griekenland en Turkije, voorts in Klein-Azië, Syrië en Noord-Arabië
voor, zeer zeker veelvuldiger dan men gewoonlijk veronderstelt. In
het Stadsboschje te Pest en aan de hellingen van de Vestingbergen
van Ofen moet zij niet zeldzaam zijn.
Eén Woelhagedis--de Skink (Scinus officinalis), de Adda der
Arabieren--heeft zich in den ouden tijd een grooten roem verworven
en heeft dezen lang weten te behouden. Bijna alle lichaamsdeelen van
dit dier werden als wonderdadige geneesmiddelen beschouwd, die bij
alle mogelijke ziekten een gunstige werking heetten te oefenen. Als
natuurlijk gevolg van deze meening, die thans ook nog bij enkele
Mahomedanen bestaat, werden de bedoelde diertjes zoo ijverig mogelijk
vervolgd en bij duizenden gevangen. Een drukke handel werd gedreven met
hunne gedroogde of tot asch verbrande lichamen. Met dat al weten wij
slechts weinig van hun levenswijze. Terwijl de andere leden van dit
geslacht over de steppen en woestijnachtige Gewesten van Senegambië,
Noord-Afrika, Arabië, Perzië en Sind verbreid zijn, bewoont de gewone
Skink de Sahara en de woeste gewesten langs de oevers van de Roode
Zee. In Egypte en Nubië is hij niet zeldzaam, in de Algerijnsche en
Tripolitaansche Sahara zeer veelvuldig. Ondanks zijn snellen gang zal
hij zich bij dreigend gevaar niet loopend trachten te redden, maar
onder het zand kruipen; dit geschiedt zoo wonderbaarlijk vlug, dat
hij reeds na weinige oogenblikken een afstand van verscheidene meters
onder den grond heeft afgelegd. Volgens de berichten der Arabieren
verslindt hij, behalve allerlei Insecten, niet zelden ook Schorpioenen.
De Skink heeft een zeer gedrongen lichaamsbouw en korte ledematen. Alle
vier pooten dragen vijf ongelijk lange, van boven naar onderen plat
gedrukte teenen, die aan de zijden als 't ware met franjes bezet en tot
aan den oorsprong vaneengescheiden zijn. De bovenzijde is grijsgeel en
dikwijls met verscheidene dwarsbanden geteekend, die bij het levende
dier paars, na den dood bruin zijn. De onderdeelen zijn effen wit met
paarlmoerglans. In geheel volwassen toestand is deze Skink 21 cM. lang.
In lengte en dikte komt de Koperslang, de Chalcis der Grieksche, de
Seps der latere Romeinsche schrijvers (Chalcides tridactylus), ongeveer
overeen met onzen Hazelworm; op eenigen afstand gezien gelijkt zij
er ook wel eenigszins op; bij nadere beschouwing kan men haar echter
onmiddellijk herkennen aan hare vier rudimentaire pootjes. De kop
wordt naar voren smaller en lager en eindigt in een stompen snuit;
de romp is rolvormig en zeer langwerpig; de staart neemt tot aan
zijn zeer fijne spits gelijkmatig in dikte af. Het lichaam is bedekt
met kleine, tegen de huid aangedrukte, glanzige schubben van fraaien
vorm, die op den kop door groote schilden vervangen worden en hier
een tamelijk groot middelschild omgeven. De bovendeelen zijn glanzig
bronskleurig bruin of zilverkleurig grijs, de onderdeelen witachtig
en paarlmoerglanzig. Volwassen exemplaren kunnen een lengte van 42
cM. bereiken.
De kustlanden van de Middellandsche zee, die door de Koperslang bewoond
worden, zijn Italië, Sicilië, Sardinië, Tunis en Algerië. In sommige
gewesten komt zij zoo talrijk voor, "als het verdroogde gras op het
land," naar Cetti zegt. Bij voorkeur houdt zij zich in vochtige
weilanden op, omdat zij hier het gemakkelijkst haar voedsel kan
verkrijgen, dat uit Gelede Dieren, kleine Naakte Slakken en Wormen
bestaat.
Het volk beschouwt dit dier als een Slang, daar het op gelijke wijze
zich beweegt en om te rusten ineenkronkelt. De kleine pootjes, die
in dit geval onopgemerkt blijven, zijn echter niet nutteloos; bij
het kruipen zijn zij voortdurend in beweging. Meer dan hare verwanten
schuwt zij de koude; nog eerder dan de Schildpadden begeeft zij zich
naar haar winterkwartier; na het begin van October krijgt men haar
niet meer te zien; men kan haar dan alleen vinden door ter rechter
plaatse diep in den grond te graven. Niet voordat het werkelijk lente
geworden is, komt zij weder voor den dag en vangt haar zomerleven
aan. Zij brengt levende jongen ter wereld.
Evenals onze Hazelworm heeft de Koperslang vele vijanden. Allerlei
Zoogdieren, Vogels en Reptiliën maken jacht op haar. Bij de talrijke
schaar van belagers, die haar verslinden, voegt zich uit vrees de
mensch, die ook thans nog deze onschuldige dieren voor zeer vergiftig
houdt en zich verplicht acht er zooveel mogelijk van te dooden.
Tweede Onderorde: WORMTONGIGEN (Rhiptoglossa).
De onderorde van de Wormtongigen (Rhiptoglossa) omvat slechts één
enkele familie, die der Kameleons (Chamaeleontidae). Door den bouw
van den schedel verschillen zij aanmerkelijk van de leden der vorige
onderorde. Ook hun uiterlijk wijkt in belangrijke opzichten af van dat
der Hagedissen. Hun romp is smal, zijdelings zeer sterk samengedrukt,
het midden van den sterk gebogen rug verheft zich tot een scherpen,
overlangschen kam. De kop is piramidevormig naar boven uitgegroeid
of platgedrukt en draagt gewoonlijk een met kammen versierden
helm; de snuit is dikwijls door vreemdsoortige, beenige spitsen en
vliezige lobben verlengd. De hals is zoo kort, dat de groote kop
onmiddellijk op den romp schijnt te volgen. De pooten zijn lang,
mager, rolvormig en alle nagenoeg even lang; de korte teenen, ten
getale van vijf aan iederen poot, zijn tot aan het voorlaatste lid
door een gemeenschappelijke huid bedekt en zóó geplaatst, dat er
steeds twee tegenover de drie andere komen te staan; zij vormen dus
een soort van tang, die aan de binnenste oppervlakte met een korrelige
huid bekleed is en derhalve vast en stevig de twijg omklemt. De overal
even krachtige bevestiging van het lichaam aan de standplaats wordt
zeer bevorderd, doordat de teenen niet uitsluitend aan de buitenzijde
of alleen aan de binnenzijde, maar afwisselend aan deze en aan gene
zijde met hun drieën aan elkander verbonden zijn; aan de achterpooten
vormen de drie buitenste, aan de voorpooten de drie binnenste het
krachtigste blad van de tang. De pooten van de Kameleons zijn in
dit opzicht eenig in hun soort. De rolvormige, stevige staart is
een grijporgaan, neemt naar de spits zeer gelijkmatig in breedte en
dikte af en kan, van daar te beginnen, slakkehuisvormig ineengerold
worden. De buitenste huidlaag draagt, in plaats van schubben, kleine
korrelige verhevenheden, die door fijne plooien vaneengescheiden zijn;
deze inrichting laat een aanzienlijke uitzetting van de huid toe.
Nog opmerkelijker dan de genoemde lichaamsdeelen schijnen, zelfs bij
oppervlakkige beschouwing, de oogen van den Kameleon. Zij worden
door dikke oogleden als door een doos omhuld en laten slechts een
zeer kleine, ronde opening voor de pupil vrij. Beide oogen zijn
in hunne bewegingen volkomen onafhankelijk van elkander, zoodat
b.v. het rechteroog naar voren of naar boven, het linker te gelijker
tijd naar achteren of naar beneden kan kijken. Door deze, bij geen
ander Reptiel voorkomende beweeglijkheid is de Kameleon in staat om,
ook zonder dat hij zich beweegt, den geheelen omtrek te overzien en
zijn buit op te sporen.
Het inwendige samenstel van dit dier is niet minder merkwaardig dan
zijn uitwendig voorkomen en herinnert in vele opzichten aan dat van
de voorwereldlijke Dinosauriërs en van de Vogels. De zonderlinge,
voor de levenswijze van dit dier buitengewoon belangrijke tong
verdient een afzonderlijke beschrijving. In den toestand van rust
ligt zij teruggetrokken in de keelholte; bij het gebruik kan zij 10
cM. ver en verder, althans over een grooteren afstand dan een halve
lichaamslengte, uitgestoken worden. Zoodra dit geschied is, heeft zij
de dikte van een ganzeschacht, blijkt bij het betasten elastisch te
zijn, laat zich slechts weinig samendrukken en ziet er in het midden
rood uit; een witte band bevindt zich aan weerszijden op ongeveer 2
cM. afstand van de spits, nader bij deze ziet men voorts eenige aders,
die met bloed overvuld zijn. Door negen paar spieren, die zich van de
borstkas tot aan de hoornen van het tongbeen uitstrekken, wordt de tong
teruggetrokken. Uitgestoken wordt zij door de drukking van het bloed,
dat in hare vaten doordringt, maar niet door het inpersen van lucht,
gelijk men vroeger onderstelde. Deze bloedvaten vullen zich ongeveer
even snel als die van de wangen van een blozend mensch; de tong kan
dus onverwijld dienst doen.
De zonderlinge gestalte en het ernstig voorkomen van den Kameleon,
die langzaam op hooge pooten komt aanstappen en plotseling met zijn
vreemdsoortig werktuig een prooi overmeestert, zijn wel geschikt om
de aandacht te trekken; zij hebben misschien aanleiding gegeven tot
den naam "Chamai-leoon" (= Kleine Leeuw) dien het dier reeds ten
tijde van Aristoteles droeg. Eerder dan aan deze eigenaardigheden
herinnert de naam Kameleon ons echter aan een ander verschijnsel,
dat reeds in overouden tijd de belangstelling van geleerden en leeken
wekte en hen ook thans nog boeit, n.l. aan de kleursveranderingen,
die dit dier ondergaat. Vroeger meende men, dat het zich iedere kleur
kon geven, die het verkoos, en o.a. overal die van zijn omgeving
aannam om zich voor zijne vijanden te verbergen. "Kameleon" noemt
men daarom een mensch, die door eigenbelang gedreven van meening
verandert; de Kameleon is het zinnebeeld geworden van oogendienst,
van de slaafsche onderworpenheid van vleiers en hovelingen.
De kleur van het dier hangt af van tweeërlei cellen met gekleurden
inhoud (pigmentcellen), die in zijn huid voorkomen. Die van de eene
soort vormen de onderste lagen van de opperhuid en zijn grootendeels
wit, aan de buitenzijde echter meer of minder duidelijk geel. De
andere pigmentcellen, ook wel "chromatophoren" genoemd, komen over de
geheele dikte van de huid verspreid voor; zij zijn vertakt, wandloos
en sterk samentrekbaar; in den rusttoestand zijn zij ingekrompen en
worden wegens haar kleinheid niet opgemerkt. Onder den invloed van
de eerstgenoemde pigmentcellen vertoont de huid in dit geval een
witte of lichtgele kleur. Daar uiterst fijne zenuwvezeltjes met
de chromatophoren in gemeenschap staan en haar beweging regelen,
breiden deze cellen zich bij prikkeling van de huidzenuwen uit
en overdekken als 't ware met haar donkere kleurstof den lichteren
ondergrond. Al naar de graad van verwijding, die de cellen ondergaan,
en de eigenaardigheden van de haar bedekkende huidlagen is de tint,
die de huid op deze wijze verkrijgt, verschillend. Door opeenvolgende
verwijding en inkrimping der chromatophoren wisselt de kleur van
de huid af: sommige tinten komen te voorschijn, terwijl andere
verdwijnen. De kleur van den Kameleon kan varieeren van stroogeel tot
lichtgroen, donkergroen, olijfkleur, violet, donkerblauw en zwart. De
kleur van beide zijden kan gelijk zijn of ongelijk; er kunnen vlekken
optreden, rond of hoekig, dicht opeengedrongen of meer verstrooid,
al of niet tot dwarse of overlangsche reeksen vereenigd, donker op
lichten grond of licht op donkeren grond, kortom, het uitzicht van
het dier is aan groote afwisseling onderhevig.
Men onderscheidt ongeveer 55 soorten van Kameleons, die alle het
oostelijk halfrond bewonen. Meer dan de helft van deze behooren thuis
op Madagaskar en de naburige eilanden, de andere helft in de heete en
gematigde gewesten van Afrika. Slechts één soort ontmoet men in het
gebied van de Middellandsche zee, een tweede op het eiland Socotora,
een derde in Zuid-Arabië en een vierde in Indië en op Ceylon. Voor ons
doel is het voldoende de soort, die o.a. ook in Europa aangetroffen
wordt, te beschrijven.
De Gewone Kameleon (Chameleon vulgaris) kenmerkt zich door een
slechts voor de helft getanden, overigens gaafrandigen rugkam, door
het ontbreken van een (bij andere soorten van de kin tot den aars
reikenden) buikkam en door den driezijdigen, stomp piramidevormigen
helm op den achterkop; gelijksoortige, kleine schubben bekleeden
den romp, die van den kop zijn grooter. Van de totale lengte (24
à 28 cM.) komt de helft op den staart. Het verbreidingsgebied van
deze soort strekt zich van Zuid-Spanje over een groot deel van het
kustgebied der Middellandsche zee uit: zij bewoont Andalusië, alle
landen van Noord-Afrika, van Marokko tot Egypte, voorts Arabië, Syrië,
Cyprus, Samos, Chios en Klein-Azië.
Alle Kameleons houden zich uitsluitend op in gewesten, waar het van
tijd tot tijd regent, of iederen nacht sterk dauwt, zoodat zij te allen
tijde een hunner dringendste behoeften, die van water te drinken,
kunnen bevredigen. Hoog opschietende planten, boomen of struiken,
kunnen zij evenmin ontberen, want zij zijn volslagen boomdieren, die
slechts bij uitzondering op den bodem afdalen. Men ziet hen, gewoonlijk
in kleine troepen van 3 à 6 stuks, op een struik of in de kroon van een
boom zitten, zonder beweging, als waren zij aan den tak vastgegroeid;
met de vier klemvoeten en den staart houden zij zich aan een of meer
twijgen vast. Dagen achtereen bepaalt hun beweging zich tot het gaan
liggen op den tak, dien zij tot rustplaats kozen en het opstaan door
het strekken van de pooten; er moet iets bijzonders gebeuren om hen
te nopen niet slechts van stand, maar ook van plaats te veranderen.
De Luiaard en ieder ander op boomen levend dier beweegt zich meer
en vaker dan de Kameleons, wanneer men de oogen en de tong buiten
rekening laat, want gene veranderen onophoudelijk van richting en deze
wordt uitgestoken, zoodra een buit binnen haar bereik komt. Geen der
overige Gewervelde Dieren loert met zooveel volharding op zijn buit
als de Kameleon; men zou hem in dit opzicht kunnen vergelijken met
de laagst ontwikkelde Ongewervelde Dieren, die als het ware aan de
rotsen vastgegroeid zijn. Ieder, die het geluk heeft, een van deze
dieren, welke zoo licht onopgemerkt kunnen blijven, te vinden, zal
zien, dat de beide oogen voortdurend, bij rukken en onafhankelijk
van elkander, in allerlei richtingen gedraaid worden. De Kameleon
behoudt, wanneer zijn zeer krachtige eetlust niet aangewakkerd is
door langdurig vasten, ook bij het zien van Insecten zijn gewonen
stand en blijft rustig wachten, tot een dezer diertjes zich op een
twijg of een blad heeft neergezet. Zoodra dit het geval is, wordt de
kop naar het Insect gedraaid, beide oogen richten zich naar voren, de
mond wordt langzaam geopend, de tong schiet soms wel 20 cM. ver naar
buiten, treft den buit, die er aan vastkleeft, en wordt in den bek
teruggetrokken; een oogenblik slechts merkt men een snelle kauwende
beweging van de kaken op en het Reptiel is weer in zijn vroegeren,
bewegingloozen toestand teruggekeerd. Een Kameleon, die in lang geen
voedsel heeft genoten, zal wel het Insect, dat in zijn nabijheid komt,
over een afstand van eenige meters vervolgen, maar in geen geval den
struik verlaten, waarop hij zich op dat oogenblik bevindt.
Dikwijls wordt beweerd, dat een Kameleon, zelfs wanneer hij zijn best
doet, in den loop van een dag slechts weinige schreden vooruit kan
komen. Dit is echter volstrekt niet het geval. Als hij wil, kan hij
reeds in den tijd van een uur een betrekkelijk grooten weg afleggen.
Van de kleursverandering van de huid maakt men zich dikwijls een
verkeerde voorstelling. Men meent, dat het dier plotseling de meest
verschillende tinten en nuances van alle denkbare kleuren op zijn huid
te voorschijn kan brengen, dat het zonder eenige beperking zijn kleur
in overeenstemming kan brengen met die van het voorwerp, waarop het
zich toevallig bevindt, dat het in staat is willekeurig iedere kleur,
welke dan ook, aan te nemen. Dit alles is echter in meerdere of mindere
mate onjuist. Hoewel het dier in den regel groenachtig is en dus bij de
bladen weinig afsteekt, kan het zijn kleur volstrekt niet gelijk maken
aan die van ieder voorwerp, waarop men het zou willen plaatsen. Van der
Hoeven heeft dit verschijnsel zeer nauwgezet nagegaan en Kameleons na
allerlei kleurswijzigingen laten schilderen. Steeds ziet men op deze
afbeeldingen twee breede, lichte, overlangsche strepen en daartusschen
donkere, roode stippels, die zich van den kop tot aan den staart en
van den rug tot aan den buik uitstrekken en meer dan andere plaatsen
aan kleurswisseling onderhevig zijn.
Des morgens, als het dier zich stil houdt, is de huid gewoonlijk
geelachtig en zijn de beide strepen roodachtig; men ziet dan van
de stippels weinig of niets. Later op den dag heeft de huid nog
weinig verandering ondergaan; de strepen zijn echter witachtig en
de stippels donkergroen geworden; bovendien komen langs den rugkam
donkere schaduwen te voorschijn. Als men het dier 's morgens in de
handen neemt, ziet men de groene vlekken eveneens verschijnen. In
geprikkelden toestand wordt de rug groenachtig, de buik blauwachtig,
terwijl de strepen een witachtige, de vlekken een zwarte kleur
aannemen. Dikwijls is het dier roodachtig bruin met heldere strepen en
zijn de stippels en schaduwen bijna geheel afwezig. Bovendien kunnen
nog allerlei andere kleurswisselingen bij deze dieren voorkomen. Bij
hevige aandoeningen heeft men ze melkwit, en ook wel bijna geheel zwart
zien worden; andere exemplaren worden lichtrood met purperkleurige en
violette stippels. Over 't algemeen loopen de kleur en de teekening
des te duidelijker in 't oog, naarmate het dier gezonder en meer
opgewonden is. Ook op dezen regel komen echter uitzonderingen
voor. Dat licht en warmte op de kleursverandering een belangrijken
invloed oefenen, blijkt o. a., wanneer men slapende Kameleons met een
brandende kaars nadert tot op een afstand van 6 à 10 cM. Na eenige
minuten ziet men, uitsluitend aan de verlichte zijde van het dier,
op de geelachtige, ongevlekte huid lichtbruine vlekken ontstaan, die
allengs donkerder, ten slotte bijna zwart worden en na het wegnemen
van het licht langzamerhand verdwijnen. Jegens zijne soortgenooten is
de Kameleon niet verdraagzamer dan andere Reptiliën, zooals blijkt,
wanneer een enkele keer zijn onverschilligheid jegens ieder wezen,
dat niet als buit kan dienen, plaats maakt voor een ander gevoel. Iets
dergelijks geldt van zijn verhouding tot andere dieren. Zoowel bij
de nadering van een vijand als bij een ontmoeting met een niets
kwaads bedoelenden Vogel is hij gewoon zich op te blazen, zoodat
zijn romp bijna cirkelrond wordt, en vervolgens een sissend geblaas
te laten hooren. De Kameleon hapt soms naar de hand, waarmede men
hem omvat; hij kan met zijn gebit onze huid een weinig knijpen,
maar niet doorboren. Intusschen ondergaat de Kameleon allerlei
kleursveranderingen en verkrijgt zijn lichaam door het opblazen een
geheel anderen vorm; alle ribben puilen uit en de romp wordt min of
meer doorzichtig, zoodat men soms de takken of de staven van de kooi
als donkere strepen er doorheen ziet schemeren.
Evenals de meeste Kruipende Dieren, kan de Kameleon weken en misschien
maanden lang zonder voedsel in 't leven blijven; tegen dorst is hij
minder goed bestand.
Herhaaldelijk is men getuige geweest van het eierleggen van den
Gewonen Kameleon, voor zoover mij bekend echter steeds bij gevangen
exemplaren. "Een van mijne Kameleons", verhaalt Vallisnieri, "toonde
een buitengewone onrust en begaf zich eindelijk langzaam, zonder af
te wijken van zijne gewone luiheid, uit het boompje in zijn hok naar
den bodem, liep hier besluiteloos rond, bleef ten slotte staan in een
hoek, waar geen zand of stof, maar niets dan harde aarde lag en begon
met één voorpoot te graven. De harde grond bood zooveel weerstand,
dat het dier twee dagen achtereen werken moest om een gat te graven
van 10 cM. middellijn en 15 cM. diepte. In dezen kuil afgedaald,
legde het, naar mij bij onderzoek bleek, meer dan 30 eieren. Nadat
deze arbeid met de grootst mogelijke zorgvuldigheid verricht was,
krabde het de kuil met één achterpoot weer vol zand, juist zooals de
Katten doen, als zij hun drek verbergen willen. Hiermede nog niet
tevreden, sleepte het droge bladen, stroo en dorre rijsjes aan en
bedekte hiermede het reeds gevormde heuveltje." De 25 à 35 eieren van
den Kameleon zijn eirond en effen wit; hun schaal is perkamentachtig.
"Een Kameleon, die gezien wordt, is een verloren Kameleon", beweert
een Spaansch spreekwoord zeer te recht, want het beschuttingsmiddel
van dit dier tegen het tallooze heir van vijanden, die het vervolgen,
is de kleur, die, ondanks alle veranderingen, waaraan zij onderhevig
is, weinig in 't oog valt. Niet slechts alle kleine viervoetige
roofdieren en de meeste Roofvogels, maar ook Raven en Hoornvogels,
Reigers en Ooievaars, benevens de groote soorten van Slangen zijn
vijanden van deze weerlooze dieren. De mensch wijdt hun overal een
grootere aandacht dan goed voor hen is. Vermoedelijk worden zij
nergens vergiftig of gevaarlijk geacht; maar hun vreemdsoortige
gestalte valt overal zoozeer in 't oog, dat ieder zich beijvert om
het dier te vangen.
Aanvankelijk toonen de gevangen Kameleons zich zeer prikkelbaar:
zij sissen en blazen als men hen nadert, trachten zelfs te bijten,
kortom, willen van hun verzorger niets weten; weldra echter verandert
hun gedrag: zij zijn aan den mensch gewend geraakt en laten zich nu
zeer veel welgevallen. Bij doelmatige behandeling kan men ze maanden
lang in den gevangen staat in 't leven houden. In de eerste plaats
hebben zij een gelijkmatige temperatuur noodig. Het best blijven
zij gezond in broeikassen, welker standvastige warmtegraad hen
zelfs in staat stelt een langdurigen vastentijd te verduren. Aan een
voldoenden voorraad voedsel mag het hun nooit ontbreken: zij hebben
voor hun onderhoud een aanmerkelijke hoeveelheid Vliegen, Meelwormen,
Spinnen, Sprinkhanen en dergelijke dieren noodig. Nooit nemen zij een
dood Insect aan, hoe smakelijk het er ook moge uitzien. Geen andere
levende wezens worden door hen verslonden. Bovendien zijn een vochtige
lucht en gelegenheid om te drinken hoofdvereischten voor hun welvaren.
In 't zuiden van Spanje houdt men den Kameleon geenszins tot
tijdverdrijf in de kamer, maar trekt partij van zijne eigenaardige
talenten. Men hangt een pot met honig op aan den zitstok van dit dier,
dat nu als kamerjager dienst doet en op onverbeterlijke wijze werkzaam
is tot het verdelgen van de zoo lastige Vliegen.
Derde Onderorde: SLANGEN (Ophidia).
Het belangrijkste kenmerk van de Slangen is de merkwaardige
beweeglijkheid der aangezichtsbeenderen, die het buitengewoon sterk
verwijden van den bek mogelijk maakt. Verscheidene andere Kruipende
Dieren komen, zooals reeds gebleken is, met haar in vorm overeen;
eerst nadat men deze heeft buitengesloten, mag men als kenmerk
eenige waarde hechten aan den langwerpigen, wormvormigen, door een
stevig, zoogenaamd schubbenkleed omsloten romp, die zoomin van voren,
bij den kop, als van achteren, bij den staart, eenige bijzonder in
't oog loopende begrenzing vertoont. Volgens de overtuiging van de
hedendaagsche dierkundigen is de groep der Slangen een eigenaardig
ontwikkelde zijtak van de orde der Geschubde Reptiliën; het verschil
tusschen haar en de tot dusver behandelde Kruipende Dieren wettigt
geen scherpere scheiding, dan die, welke in de plaatsing dezer wezens
in verschillende onderorden opgesloten ligt.
De kop van de Slangen is nooit zeer groot, in den regel echter
breeder dan het daarop volgende deel van den romp, van dezen slechts
bij weinige soorten zeer scherp gescheiden, maar toch duidelijk
herkenbaar, van boven gezien eivormig of driehoekig, gewoonlijk in
verticale richting samengedrukt, d. i. van boven en van onderen
afgeplat. De mondspleet strekt zich dikwijls zoover uit, dat de
mondholte zich nog achter de uiterste grenzen van den kop schijnt
voort te zetten. De gehooropeningen zijn steeds afwezig. De oogen zijn
ongeveer boven het midden van de mondspleet, aan de zijden van den
kop en dicht bij den rand van de bovenkaak gelegen. De neusopeningen
zijn steeds vooraan, dikwijls in de onmiddellijke nabijheid van de
spits van den snuit geplaatst. De bekleeding van den kop verschilt in
meerdere of mindere mate van die van den romp. Een eigenlijke hals
is niet aanwezig; de romp begint bijna onmiddellijk achter den kop
en gaat eveneens op een van buiten bijna onmerkbare wijze in den min
of meer verlengden en hierdoor spits- of stomp-kegelvormigen staart
over. De gezamenlijke lengte van romp en staart is het twintig-
à negentigvoud van de dikte. De kop, de romp en de staart zijn
met een stevige huid bekleed, die een samenhangend geheel vormt;
men kan er duidelijk een lederhuid en een deze bedekkende opperhuid
aan onderscheiden. De lederhuid is niet overal even dik; ook is zij
niet effen; maar met verhevenheden bezaaid met vrij uitstekenden
achterrand, zoodat plooien ontstaan in den vorm van schubben,
die elkander dakpansgewijze bedekken. Daar de opperhuid ook deze
verdubbelingen van de lederhuid volgt, zich op de naar buiten gerichte
oppervlakte verdikt en daarentegen dunner wordt daar, waar zij in de
plooien doordringt, komen de schubben duidelijker uit. Naar den vorm
onderscheidt men: "schubben," welker lengte de breedte overtreft,
dikwijls in 't midden een overlangsche kiel bezitten en vooral aan de
rugzijde van het dier voorkomen;--voorts "schilden," die meestal een
zes- of vierhoekige gedaante hebben, dikwijls breeder zijn dan lang
en vooral op den kop en aan den buik waargenomen worden. Eigenaardig
voor de slangen zijn de "groefschilden", die gewoonlijk ten getale van
twee paar achter elkander aan de "kingroeve" gelegen zijn en de twee
"onderlipsschilden", die meestal in het midden achter het "kinschild"
liggen, en, aan weerszijden vóór de groefschilden geplaatst, de
begrenzing van de kingroeve van voren voltooien.
De kleur en de teekening van de huid bieden een buitengewoon groote
verscheidenheid aan, zoodat hiervan niets in 't algemeen gezegd
kan worden. Er zijn effen gekleurde en bont gevlekte, met ringen,
traliën, strepen, banden, stippels en wolken geteekende Slangen. Enkele
soorten hebben een zeer bescheiden voorkomen, andere prijken met de
prachtigste tinten. Altijd echter harmonieeren teekening en kleur min
of meer met het terrein, dat door de Slang als verblijfplaats wordt
gekozen. Hoewel de kleur en de teekening niet willekeurig veranderd
kunnen worden, zijn zij toch slechts binnen zekere grenzen bestendig,
want, wel beschouwd, vertoonen beide veelvuldige variaties, bij enkele
soorten meer, bij andere minder. Zoo draagt onze Adder bv. wel een
dozijn namen, omdat vroegere onderzoekers de verscheidenheden, die
zij opmerkten, als afzonderlijke soorten meenden te moeten beschouwen
en benoemen. In vele gevallen hebben leeftijd en geslacht hierop meer
invloed, dan men gewoonlijk aanneemt.
De eenvoudigheid en gelijkmatigheid van den lichaamsbouw is in
overeenstemming met den bouw van het beenderenstelsel. Dit bestaat
n.l. alleen uit schedel, wervelkolom en ribben, want de rudimentaire
heupbeenderen en voetstompjes, die bij enkele familiën voorkomen
en de achterste ledematen der overige Reptiliën vervangen, zijn er
slechts onduidelijke sporen van. Toch verdienen zij onze aandacht,
wijl hieruit blijkt, dat de Slangen in vroegere tijdperken uit
vierpootige, hagedisachtige dieren ontstaan moeten zijn. Het
belangrijkste deel van het skelet en tevens dat, waarvan de bouw en
de vorm het eigenaardigst zijn, is de schedel. De tusschenkaaks- en
de neusbeenderen zijn onbeweeglijk met elkander verbonden, daarentegen
zijn de bovenkaaks-, de vleugel- en de gehemeltebeenderen bij de meeste
Slangen zeer beweeglijk en kunnen zoowel naar de zijden als naar
voren verschoven worden. Een niet minder groote verschuiving kunnen
de bestanddeelen van de onderkaak ondergaan. Het tepelbeen hangt
slechts door banden en spieren met den schedel samen en draagt aan
zijn uiteinde het staafvormige vierkantsbeen, waaraan de onderkaak
door een gewricht verbonden is. Deze bestaat gewoonlijk uit twee
volledig vaneengescheiden, staafvormige helften, die van voren slechts
door rekbare, losse vezels onderling vereenigd zijn. Deze inrichting
stelt de Slang in staat haar bek aanmerkelijk te verwijden en een
veel grooteren buit te verzwelgen dan met oog op de grootte van de
mondopening bij gesloten bek mogelijk schijnt. Op den schedel volgt
onmiddellijk de romp, daar er bij de Slangen geen onderscheid tusschen
hals-, borst-, lende- en heiligbeenwervels bestaat. Reeds de 2e, 3e of
4e wervel achter den schedel draagt, evenals iedere volgende wervel van
den romp, een paar ribben, die zich van de verder achterwaarts gelegen
paren slechts door een iets geringere grootte onderscheiden. Bij den
schedel te beginnen, hebben alle wervels ongeveer denzelfden bouw. De
ribben bewijzen aan de Slangen een eigenaardigen en buitengewoon
belangrijken dienst, daar zij tot op zekere hoogte de ontbrekende
ledematen vervangen. Zij eindigen aan de buikzijde in een spierlaag,
die met de groote buikschilden samenhangt, en drukken, als zij van
voren naar achteren bewogen worden, de vrij uitstekende achterranden
dezer schilden tegen de oppervlakte, waarover het dier zich beweegt;
men vindt hier dus een zeer groot aantal hefboomen, die, hoewel zij
geen pooten zijn, toch een soortgelijken arbeid verrichten. De ribben
worden aan den staart al kleiner en kleiner en komen aan de laatste
wervels in 't geheel niet meer voor. Het aantal wervels loopt bij
Slangen van verschillende soort en ongelijke grootte zeer uiteen;
het schijnt slechts bij uitzonderingen minder dan 200 te bedragen
en stijgt bij enkele soorten tot boven 430. Alle Slangen missen het
borstbeen; men bemerkt bij haar geen spoor van een schoudergordel of
van voorste ledematen.
Niet minder opmerkelijk dan het geraamte is het gebit. De
tanden kunnen een belangrijk verschil in maaksel vertoonen,
hetwelk aanleiding geeft tot de onderscheiding van familiën
en onderfamiliën. Tanden vindt men niet alleen aan de boven-
en onder-, maar dikwijls ook aan de tusschenkaaks-, meestal ook
aan de gehemelte- en vleugelbeenderen. Steeds zijn zij aan het hen
dragende been vastgegroeid en worden vervangen, zoodra het noodig is,
doordat een nieuwe tand zich achter of naast den ouden ontwikkelt. Men
onderscheidt drieërlei soort van tanden: massieve, gevoorde, (die aan
de convex gekromde voorzijde voorzien zijn met een diepe, gootvormige
groeve, welke zich van den wortel tot aan de spits uitstrekt) en holle
(die aan de voorzijde bij den oorsprong een gat en vóór de spits een
spleetvormige opening vertoonen, met elkander in gemeenschap staande
door een "giftkanaal", dat den geheelen tand doorboort). Alle zijn
haakvormig naar achteren gekromd en zeer spits, kunnen slechts voor
het bijten en vasthouden van den buit dienen en zijn ongeschikt om
een prooi te verscheuren of om voedsel te kauwen. De massieve tanden
zijn kegelvormig; het harde tandbeen, waaruit zij bestaan, is met
een dunne emaillaag bedekt; de gevoorde tanden zijn te beschouwen
als onvoltooide doorboorde tanden, daar het gifkanaal ontstaan is
door de vereeniging der randen van een vroeger aanwezige groeve.
Voor de levenswijze der Slangen zijn de klieren in den kop van zeer
groot belang; bij de giftige soorten der onderorde kunnen zij een
buitengewoon sterke ontwikkeling bereiken. In 't geheel heeft men
zes paar klieren en één onparige klier opgemerkt. Hoewel zij bij
hetzelfde dier niet altijd voltallig aanwezig zijn, heeft iedere
Slang er toch steeds verscheidene: de voorste ondertongsklieren,
de achterste ondertongsklieren, de neusklier, de traanklieren,
de onderste en de bovenste wang- of lipklieren en eindelijk de
gifklieren. De laatstgenoemde, die zich bijna altijd achter en onder de
oogen en boven de bovenkaak bevinden, zijn langwerpig en zeer groot;
bij enkele soorten strekken zij zich zoover naar achteren uit, dat
zij voor een deel op de ribben rusten. Zij bestaan uit een bladerig
weefsel en bevatten een groote holte. Bovendien onderscheiden zij
zich van alle overige genoemde klieren door haar lange afvoerbuis,
die langs de buitenste oppervlakte van de bovenkaak naar voren loopt,
om hier vóór en boven den giftand uit te monden in de vliezige scheede,
die deze tand omgeeft, zoodat het gif door het in den tand aanwezige
kanaal kan afvloeien. De gifklier is omhuld door een zeer dikke
spierlaag, die (met de kauwspier) dient om haar samen te drukken. Zulke
gifklieren komen voor bij alle Slangen met doorboorde tanden; die
van de Groeftandigen zijn niet met een dichte spierlaag bedekt; zij
kunnen hoogstens door de voorste slaapspier een weinig samengedrukt
worden en zijn dus minder geschikt om het gif in de wonde te brengen.
Onder de zintuigelijke organen staan ongetwijfeld die van het
gevoel, en meer bepaaldelijk de tastzintuigen, bovenaan. De van
oudsher gevreesde tong, die door onkundigen ook thans nog voor het
aanvalswapen van de Slangen wordt gehouden, dient niet als smaakorgaan,
maar uitsluitend voor het tasten en is hierdoor juist van buitengewoon
groot belang voor het dier. Zij is zeer lang en dun, van voren in twee
draadvormige, spitse helften gespleten en met een hoornachtig laagje
bedekt. Zij ligt verborgen in een onder de luchtpijp voorkomende,
gespierde scheede, die op korten afstand vóór deze, dicht bij de spits
van de onderkaak, zich opent. De tong kan geheel in deze scheede
teruggetrokken, maar ook ver buiten den bek uitgestoken worden en
onderscheidt zich door een buitengewone beweeglijkheid. Door een inham
van de bovenkaak, die zelfs bij gesloten mond nog als een opening
zichtbaar is, kan de tong zich gemakkelijk en snel afwisselend naar
buiten en naar binnen begeven. Het oog is, na de voor 't tasten zoo
uitstekend geschikte tong, het bruikbaarste orgaan voor het doen
van waarnemingen, hoewel het zeer zeker minder volkomen is dan bij
de overige Reptiliën. Een belangrijke eigenaardigheid van dit orgaan
is zijn schijnbare onbeweeglijkheid, waardoor het een glazig uitzicht
verkrijgt. Een doorzichtig vliesje neemt de plaats van de beweeglijke
oogleden in en is bij wijze van een horlogeglas in een plooi van den
rand der ronde oogholte vastgehecht; de hierdoor begrensde doos bevat
den oogbol en staat aan haar binnenzijde door het wijde traankanaal in
gemeenschap met de neusholte. De buitenste laag van dit doorzichtig
vliesje, het verhoornde deel van de opperhuid, wordt verwijderd,
als het geheele lichaam vervelt; gedurende het tijdperk tusschen de
eene vervelling en de andere neemt de doorzichtigheid van de huid,
die het oog bedekt, allengs af. De pupil is bij de dagslangen rond,
bij de Nachtslangen langwerpig: soms dwars, soms verticaal geplaatst.
De eigenaardige bewegingswijze van de Slangen is een gevolg van haar
lichaamsbouw, die, gelijk licht te begrijpen is, tot op zekere hoogte
ook een verklaring levert van haar levenswijze; daar de begaafdheden
der dieren, indirect althans, uit hun lichaamsbouw voortvloeien. Hoewel
de Slangen meer dan de meeste overige leden harer klasse den naam
"Kruipende" Dieren verdienen, is haar bewegingsvermogen veelzijdiger
dan menigeen meent. Het kruipen geschiedt niet uitsluitend op een
vlakken bodem, maar ook bij een helling naar boven en naar beneden,
bij de stammen der boomen omhoog en naar alle richtingen in de
kroon, voorts over den waterspiegel, op den bodem van het water en
tusschen beide door; zij kruipen, klimmen, zwemmen en duiken dus,
en doen dit alles nagenoeg even vlug en behendig. Het kruipen gaat
niet met verticale krommingen, maar met horizontale golvingen van
het lichaam gepaard. Het klimmen is eigenlijk niets anders dan een
opkruipen bij loodrechte vlakken. Een boomstam, die door een Slang
omstrengeld kan worden, levert voor haar volstrekt geen moeielijkheden
op, tenzij de schors zeer glad is: zij schuifelt naar boven met
schroefvormige windingen van het lichaam, dat natuurlijk voortdurend
slangsgewijze bewogen wordt, en doet dit zeer snel, daar zij het
naar beneden glijden met de scherpe achterranden der buikschilden
voorkomen kan. Op de takken kronkelt zij zich bijna even veilig
en snel voort als op den vlakken bodem, vooral wanneer de twijgen
talrijk zijn. Geheel op dezelfde wijze gaat zij bij het zwemmen te
werk, hoewel in dit geval ongetwijfeld de staart de belangrijkste
rol vervult. Vermoedelijk kunnen alle soorten van Slangen zwemmen;
zij, die niet in 't water leven en het gewoonlijk niet opzoeken,
worden echter door de beweging in deze voor haar vreemde middenstof,
naar het schijnt, spoedig vermoeid.
De snelheid van de Slangen werd dikwijls overdreven voorgesteld en
schijnt door het telkens wisselen der kronkelingen grooter dan zij is;
slechts weinige menschen geven zich de moeite de zaak nauwkeuriger te
onderzoeken. Lenz zegt: "Geen slang beweegt zich zoo vlug, dat men haar
niet met een flinken pas, zonder hard te loopen, kan bijhouden. Zij
komt naar verhouding langzamer vooruit dan Hagedissen, Vorschen,
Muizen en dergelijke dieren. Het snelst is haar beweging op mos en
korte heide, waar de veerende onderlaag medehelpt, minder snel op
den naakten grond. Het kruipen over een stuk vensterglas kost haar
zeer veel moeite. Langs steile bergwanden schiet zij vliegensvlug
naar beneden, soms zoo snel, dat het niet mogelijk is te bepalen,
tot welke soort zij behoort en hoe groot zij is."
Bij de ademhaling van de Slangen, die geregeld, zonder tusschenpoozing,
geschiedt, merkt men duidelijk de beweging van de ribben op, die
beurtelings opgeheven worden en dalen. Toch is zij over 't geheel
genomen niet zeer krachtig en wordt eerst bij toenemenden toorn
versneld. Een heesch, lang aanhoudend gesis, dat de ontbrekende
stem vervangt, verraadt deze gemoedstoestand. In verband met den
langwerpigen vorm van het lichaam is slechts één van de longen goed
ontwikkeld, de andere is zeer klein of ontbreekt geheel.
Behalve de tastzin (en bij enkele soorten het gezicht) zijn alle zinnen
van de Slangen zwak. Het orgaan voor den tastzin is de tong. Hoewel
deze een geheel andere rol speelt dan de ouden zich voorstelden, is
zij van 't hoogste belang, zoo zelfs, dat een Slang, die de tong mist,
geen voedsel meer gebruikt, niet in 't leven gehouden kan worden. Een
feit is het, dat iedere Slang, die niet rust, onophoudelijk en in
alle richtingen de tong beweegt om de voorwerpen in haar nabijheid
te onderzoeken, dat zij nooit drinkt of zich te water begeeft,
zonder vooraf den waterspiegel met de tong aan te raken; op dezelfde
wijze onderzoekt zij den reeds gedooden buit vóór het verzwelgen,
en zoo mogelijk ook haar slachtoffer, vóórdat zij het dooddrukt of
vergiftigt. Wanneer er reden bestaat voor de vrees, dat de prooi,
die zij op het oog heeft, haar zal ontsnappen, geeft zij toch vóór
den aanval, door vele malen achtereen de tong uit te steken en weer
terug te trekken, de bedoeling te kennen om de gewone onderzoekingen
te verrichten. Het telkens weer terugtrekken van de tong geschiedt
blijkbaar met het doel om haar door bevochtiging gevoeliger te maken.
De ervaring leert, dat de Slangen, ondanks haar dikke huid, zelfs voor
een zwakke aanraking gevoelig zijn. Evenals andere Reptiliën, vinden
zij warmte aangenaam, daar zelfs die, welke 's nachts werkzaam zijn,
over dag haar schuilplaats verlaten om zich het genot te verschaffen
van door de zon beschenen te worden.
Toch mag men zeggen, dat er over 't algemeen sterke prikkels noodig
zijn om bij de Slangen gevoel te wekken. Eerder dan van gevoeligheid
kan men bij haar van gevoelloosheid spreken. De Slangen zijn even taai
van leven als de andere Reptiliën en verdragen martelingen, die hooger
ontwikkelde wezens schielijk zouden dooden. De bewegingen van Slangen,
die gewond of zelfs aan stukken gehouwen zijn, wekken de verbazing
van den onderzoeker: een afgehouwen kop van een Adder beweegt de tong
op de gewone wijze en kan ook bijten en het gebeten dier vergiftigen.
Uit alle bekend geworden feiten kan men afleiden, dat het gezicht
bij alle Slangen, met uitzondering van eenige Boomslangen, zwak
en onbeduidend is, hoewel de glans en de grootte van het oog het
tegendeel doen vermoeden. Woedende Slangen, zoowel vergiftige als
niet-vergiftige, bijten zelfs naar een schaduw, en missen dikwijls
het voorwerp, waarop zij doelen, indien het niet groot is.
Van de uitdrukking van het slangenoog heeft men meer ophef gemaakt dan
de zaak verdient. "Sprekend, zooals weinige oogen van dieren zijn,"
meent Linck, "spiegelt zich in 't oog van de Slang niet slechts haar
inborst af, maar ook de gemoedsstemming, waarin zij op een gegeven
oogenblik verkeert. Rustig en zacht, doch niet zonder glans, is
het bij de vreedzame leden der onderorde, onheilspellend bij die,
welker wapens wonden, doch niet dooden kunnen; dreigend is het bij
het woedende dier; vreeswekkend is de gloed van het oog der Adder,
die met de spits van hare tanden den dood veroorzaakt. Iets vreemds
verkrijgt echter het oog, zelfs van de zachtaardigste Slang, door
de glasachtige huid, die zich er over heen welft en ook door de
geringe veranderlijkheid van de pupil, die zich slechts moeielijk en
met zichtbare, plotselinge rukken vergroot en vernauwt." De laatste
opmerking is volkomen juist, de eerste laat ik geheel voor rekening
van den aangehaalden schrijver, die zooals meermalen geschiedt,
in het oog iets waarneemt, wat hij er zelf in heeft gelegd. Het oog
van de Slang heeft niets bijzonders, behalve het glazige uitzicht;
de dreigende en onheilspellende uitdrukking is minder een eigenschap
van het oog zelf dan een gevolg van zijn ligging onder de schubben
en schilden, die het overschaduwen; deze zijn bij de Slangen, die
's nachts werkzaam zijn, bijzonder ontwikkeld, steken een weinig
vooruit en brengen denzelfden indruk teweeg als b.v. de vooruitstekende
wenkbrauwbeenderen van een Roofvogel.
Voor zoover wij er over kunnen oordeelen, is de scherpte van het
gehoor nog geringer dan die van het gezicht; uitwendig is er van het
gehoororgaan der Slangen niets te zien; eerst na het verwijderen
van de schubben aan de zijden van den kop bemerkt men er iets
van, daar de korte gehoorgangen geheel onder de huid verborgen
liggen. Het trommelvlies, de trommelholte en de Eustachiaansche
buis ontbreken. Proefnemingen hebben geleerd, dat de Slangen zich
om verschillende muzikale tonen weinig bekommeren, tenzij deze in de
lucht of in den bodem sterke trillingen teweeg brengen.
Niet minder moeielijk is het, zekerheid te verkrijgen over de mate van
ontwikkeling van den reukzin. Boettger, die vele Slangen met ether-
of chloroformdamp verdoofde, voordat hij ze in den spiritus bracht, nam
onmiddellijk na het werpen van het propje watten, waarop de vluchtige
vloeistof gedroppeld was, in de glazen flesch, onder de hierin
aanwezige Slangen een hevige opgewondenheid waar. Zelfs de traagste
Adder begon zich krachtig te bewegen en zocht naar een uitweg om aan
den bedwelmenden damp te ontkomen. Dit doet vermoeden, dat de reukzin
bij de Slangen niet geheel ontbreekt. Een duidelijker bewijs voor deze
stelling is gelegen in het door Fr. Werner waargenomen feit, dat een
Ringslang te midden van een groot aantal soorten van Amphibiën, zelfs
in een donkere ruimte, zonder zich te vergissen steeds die soorten
van Kikvorschen koos, welke haar lievelingsvoedsel uitmaken. Daar
de smaakzin hierbij niet in 't spel kan komen, moet deze verrassende
uitkomst wel aan de werking van den reukzin toegeschreven worden.
Gemakkelijker dan over alle andere verrichtingen van zintuigen,
behalve die van het tastzintuig, kunnen wij een denkbeeld verkrijgen
van den omvang van den smaakzin, omdat wij met zekerheid kunnen
beweren, dat dit vermogen zoo goed als geheel ontbreekt. Dit blijkt
zoowel uit het maaksel van de tong als uit proeven, die met levende
dieren genomen zijn. Aristoteles, overigens zulk een uitmuntend
waarnemer, had ongelijk, toen hij beweerde, dat de Slangen de
grootste lekkerbekken zijn onder de dieren; even onjuist is zijn
mededeeling, dat zij bij 't gebruik van wijn geen maat houden en
zich bedrinken. Waarschijnlijk doet men de Slangen geen onrecht aan
door aan te nemen, dat zij onder de zoo laag ontwikkelde Reptiliën
de laagst ontwikkelde zijn. Hoewel zij bij haar jacht een zekere list
toonen, jegens vijanden zich soms schijnbaar verstandig, jegens haar
verzorger eenigszins voorkomend gedragen, openbaren zij echter in
geen enkele omstandigheid meer verstand dan andere Kruipende Dieren:
zij zijn niet slechts stompzinnig, maar ook stomp van geest.
In alle werelddeelen komen Slangen voor, in het eene echter veel
meer dan in het andere. De wetten, volgens welke de verbreiding der
overige Reptiliën plaats heeft, gelden ook voor haar: hoe hooger de
breedtegraad is, des te schielijker neemt zoowel het aantal soorten als
het aantal individuen af; deze getallen zijn echter voor verschillende
plaatsen, die op denzelfden breedtegraad liggen, volstrekt niet gelijk.
Van de 635 soorten van Slangen, die Günther in het jaar 1858
opnoemde, leven 40 in het Noordelijke Rijk van de Oude Wereld, 80 in
't Ethiopische Rijk, 240 in het Oostersche, 50 in het Australische,
75 in het Noord-Amerikaansche en 150 in het Zuid-Amerikaansche Rijk.
Behalve een rijkelijke voeding, verlangen de Slangen geschikte rust-
en schuilplaatsen en vermijden daarom gewesten, waar zij deze niet
vinden. Over 't algemeen kan men ook van de Slangen zeggen, dat zij
des te talrijker zijn in een streek, naarmate deze meer afwisseling
aanbiedt. Zelden komt het voor, dat zij in een gewest geheel ontbreken;
zij bewonen de woestijn zoowel als het woud, bergstreken zoowel als
vlakten. Een vochtige warmte bevalt haar beter dan droge hitte; toch
bieden zij ook hieraan beter weerstand dan men zou verwachten. Het
gemis van pooten belet haar niet een geschikte verblijfplaats te
bereiken: deze op den vlakken grond, gene op steile hellingen, sommige
in moerassen, andere in het water van meren en rivieren, eenige in de
zee, enkele zelfs onder den grond, niet weinige in boomkronen. Het
oord, waar zij zich eens gevestigd hebben, verlaten zij niet licht,
met andere woorden, hare omzwervingen blijven tot een zeer klein
gebied beperkt. Wel doen ook zij soms kleine reizen, trekken over
rivieren en andere wateren om zich aan den tegenovergestelden oever of
op eilanden te vestigen, begeven zich uit het woud of uit de steppe
naar dorpen en steden, over 't algemeen echter houden zij niet van
omzwerven, maar kiezen zich een standplaats, bij voorkeur zulk een,
die een geschikte schuilplaats bevat; in den omtrek loeren zij op
buit. Er is eenige reden om aan te nemen, dat zij alleen gedurende den
paartijd en bij 't naderen van den winter zich vrijwillig van haar
standplaats verwijderen. Tot het verlaten van de door haar bewoonde
streek worden zij gedwongen, wanneer hier veranderingen plaats vinden,
waardoor zij hare schuilhoeken verliezen of de gelegenheid om te
jagen of de mogelijkheid om zich door de zon te laten verwarmen. In
den regel houden ook zij zich ver van menschelijke woningen op;
dit geschiedt echter alleen, omdat de mensch haar door vervolging
uit de nabijheid van de door hem bewoonde oorden verdrijft; want,
wel verre van de nabuurschap van haar aartsvijand te vreezen, dringen
zij zich dikwijls op zeer ongewenschte wijze aan hem op. Ook bij ons
ontmoet men niet zelden Slangen in tuinen midden in steden; dikwijls
is het moeielijk te verklaren, hoe zij er gekomen zijn; misschien zijn
zij ontgleden aan Ooievaars op weg naar hun nest, of met een lading
brandhout overgebracht. In zuidelijke streken brengen zij zeer tegen
den zin van de bewoners soms bezoek aan de huizen. Vooral de Slangen,
die een nachtelijke levenswijze hebben, dus juist de gevaarlijkste,
zijn hierdoor dikwijls buitengewoon lastig.
In landstreken, die het geheele jaar nagenoeg hetzelfde uitzicht
vertoonen, kunnen de Slangen voortdurend ongeveer op dezelfde wijze
hare behoeften bevredigen; deze oorden moeten haar een voldoende
hoeveelheid voedsel, een prettige temperatuur en water om te baden
leveren. Een natuurlijk gevolg hiervan is, dat zij het geheele jaar
door ongeveer dezelfde levenswijze hebben. Deze zal daarentegen
afwisseling vertoonen overal, waar een merkbaar verschil tusschen de
jaargetijden bestaat. In alle gewesten, die een kouden winter of een
heet en droog seizoen hebben, zijn de Slangen genoodzaakt zich tegen
den invloed van de koude of van de droogte te beschutten. Alle Slangen,
die het noordelijk deel van onzen gematigden gordel bewonen, zoeken
vóór den aanvang van den winter diepe schuilhoeken op en brengen hier
het ongunstig jaargetijde in verstijfden toestand door. Hetzelfde
verschijnsel komt voor in de landen onder den keerkring, misschien
alleen bij die soorten, welke, zoo niet in 't water, dan toch in
vochtige oorden leven en last hebben van de droogte. Enkele soorten
komen bijeen om in elkanders gezelschap winterslaap te houden;
misschien geschiedt dit alleen, omdat geschikte schuilhoeken schaars
en moeielijk te vinden zijn, zoodat eenige weinige slaapplaatsen
voor verscheidene, over een bepaald gebied verstrooide Slangen
moeten dienen.
Bij warm, stil weder ziet men op onze breedte in Maart weder Slangen,
die haar winterkwartier verlaten hebben om zich door de zon te laten
verwarmen en waarschijnlijk 's avonds weer naar denzelfden schuilhoek
terugkeeren. Aan jacht en voortplanting denken zij dan echter nog
niet, want hun eigenlijk zomerleven vangt eerst in het begin van April
aan. Toen zij zich in den herfst ter ruste begaven, waren zij vet;
als zij in de lente weer te voorschijn komen, is ongeveer de helft
van haar vet verbruikt.
Verreweg de meeste niet-vergiftige Slangen zijn dagdieren, vele van de
verdachte Groeftandige Slangen en nagenoeg alle Gifslangen daarentegen
nachtdieren. De eerstgenoemde zoeken, zoodra de duisternis invalt,
hare schuilhoeken op, brengen hier in trage rust den nacht door en
komen eerst geruimen tijd na zonsopgang weer voor den dag. Hoewel de
Gifslangen zich over dag dikwijls vertoonen, verkeeren zij dan steeds
in een toestand van slaperige rust; zij beginnen hare werkzaamheden
eerst, als de avondschemering aanvangt. Wanneer men op plaatsen,
waar Gifslangen veelvuldig voorkomen, des nachts een vuur aansteekt,
zal het spoedig blijken, dat het adderengebroedsel tot de nachtdieren
behoort. Van alle kanten komt het op het schijnsel van 't vuur af,
zoodat de jager, die zich over dag te vergeefs beijverde om op deze
plaats een enkele Adder, Aspis of Zandadder te vangen, 's nachts een
rijken buit kan verkrijgen. Ieder, die Gifslangen in gevangenschap
houdt, ondervindt, dat deze dieren, zoo niet uitsluitend, dan toch
in den regel 's nachts eten, dat zij vrijwillig niet anders dan
's nachts werkzaam zijn en op roof uitgaan.
Zonder eenige uitzondering voeden alle Slangen, welker levenswijze
men heeft leeren kennen, zich met andere dieren, hoofdzakelijk,
maar niet uitsluitend, met die, welke door henzelf gevangen of
gedood zijn. De wijze, waarop zij haar buit overmeesteren, is zeer
verschillend. Sommige, waarschijnlijk wel de meeste, gaan op de loer
liggen en overvallen plotseling het slachtoffer, dat in de nabijheid
komt; zij brengen het een doodelijken beet toe en wachten, totdat de
werking van het gif zich openbaart, of vatten de prooi en verslinden
haar, soms dadelijk, soms nadat zij haar vooraf hebben doodgedrukt.
Al naar de soort en de grootte der Slangen zijn de dieren, waarop zij
jacht maken, zeer verschillend. Naar men zegt, kunnen de reuzen uit
deze onderorde werkelijk dieren ter grootte van een Ree verzwelgen:
Falkenstein en Pechuel-Loesche b.v. haalden uit het lichaam van een
door hen geschoten Python een nagenoeg volwassen Draaihoorn-antilope,
die wel is waar, tot ieders bevreemding, den kop miste, maar waarvan
overigens geen enkel been gebroken was. De overige Slangen zijn met
een kleineren buit tevreden en verslinden vooral Knaagdieren, kleine
Vogels, allerlei Reptiliën (de Schildpadden misschien uitgezonderd)
en Visschen; de lagere dieren dienen waarschijnlijk alleen tot voedsel
aan de Worm-, Dwerg- en Dikkopslangen en misschien aan de jongen van
verscheidene soorten, die op lateren leeftijd op Gewervelde dieren
jacht maken. Hoewel het aantal gegevens over de voeding der Slangen
nog zeer onvoldoende is, mag men het er voor houden, dat iedere
soort in meerdere of mindere mate de voorkeur geeft aan een bepaalde
diersoort en zich, zoo mogelijk, geheel tot deze bepaalt. Dat enkele
Slangen vogeleieren eten, wordt reeds bericht door Plinius, wiens
mededeelingen door later waargenomen feiten gedeeltelijk bevestigd
worden. Hieruit blijkt ten duidelijkste, dat sommige Slangen werkelijk
eieren stelen, wegvoeren, verzwelgen, in hun lichaam stukdrukken
en verteren. Vooral de Afrikaansche Keeltandslangen, de Eiervreters
van de Nederlandsch sprekende kolonisten (Dasypeltis scaber), en de
leden van het Indische geslacht Elachistodon zijn, naar het schijnt,
geheel voor het gebruiken van dit voedsel ingericht. Hare tanden zijn
rudimentair, maar de onderste doornuitsteeksels van de voorste wervels
hebben een merkwaardige wijziging ondergaan. Bij beide geslachten
zijn deze uitsteeksels buitengewoon sterk verlengd en eindigen in
een naar voren gericht, met email overtrokken, tandvormig haakje,
welke haakjes ten getale van omstreeks zeven het met hen vergroeiende
deel van den slokdarm doorboren en zoodoende een rij van echte
slokdarmtanden vormen, die bij geen ander dier voorkomen. Zoodra het
ei in dit deel van het spijskanaal doorgedrongen is, verkeert de bek
reeds weer in gesloten toestand, zoodat van den vloeibaren inhoud van
den nu verbrijzelden dop niets verloren kan gaan. Behalve Gewervelde
Dieren, eten sommige Slangen ook ongewervelde, enkele misschien zelfs
Weekdieren en Schaaldieren.
Tot in den laatsten tijd hebben zelfs natuuronderzoekers niet
geschroomd de uitdrukking "betoovering" te gebruiken voor de wijze,
waarop de Slangen een buit bemachtigen. Men heeft n.l. opgemerkt,
dat sommige dieren, b.v. Muizen en Vogels, geen vrees toonen, als zij
Slangen naderen en hierdoor gemakkelijk gevangen worden; ook heeft
men gezien, dat Vogels met kenteekenen van den grootsten schrik om
Slangen fladderden, die hun kroost of henzelf bedreigden, ten slotte
een verkeerde beweging deden en eveneens gegrepen werden. Daar nu,
zoo schijnt men geredeneerd te hebben, het instinct, waardoor het
dier gewaarschuwd wordt tegen de gevaren, die het bedreigen, in
beide gevallen gefaald heeft, moet het genoemde verschijnsel aan de
werking van een bovennatuurlijke kracht toegeschreven worden. Deze
onderstelling heeft in 't geheel geen reden van bestaan; wel zijn
de feiten op zich zelf beschouwd juist, maar de daaruit afgeleide
gevolgtrekkingen deugen niet. Uit mijne tallooze herhaalde waarnemingen
blijkt de ware toedracht van de zaak; zij komt eenvoudig hierop neer,
dat de dieren het groote gevaar, waarmede de Slang hen bedreigt, niet
kennen. Niet ieder Zoogdier--zij het een onnoozel Konijn of een oude
geslepen Rat--, niet iedere Vogel--zelfs niet altijd de wantrouwige,
door vele ervaringen wijs geworden Musch--weet wat een Slang is. Indien
zij al op haar letten, naderen zij haar plomp nieuwsgierig, bekijken
of besnuffelen haar, laten toe, dat de Slang haar met de tong betast
en deinzen eerst dan een weinig terug, als dit orgaan haar op de een
of andere gevoelige plaats krieuwelt. Oude sterke Ratten, die men
bij groote Slangen brengt, toonen volstrekt geen vrees, maar geven
soms een bewijs van driestheid, dat men van haar niet verwacht zou
hebben. Een Rat, die ik aan een gevangen Ratelslang als slachtoffer
aanbood, bekommerde zich in 't geheel niet om het dreigende geratel en
gesis van de Slang, maar vrat, toen zij honger kreeg, een gat in het
lichaam van het vergiftige dier, dat hierdoor ellendig om 't leven
kwam. Een andere, even ongedwongen verklaring kan gegeven worden van
het angstig fladderen van verscheidene Vogels om hun nest, wanneer
zij een Slang zien naderen. Iedere natuuronderzoeker weet, dat zwakke
Vogels in zulke gevallen dikwijls gebreken veinzen en hiermede in den
regel iederen niet bijzonder ervaren vijand, zelfs den verstandigen
mensch, om den tuin leiden. Het zullen verschijnselen van dezen aard
zijn geweest, die men aan "betoovering" heeft toegeschreven.
Daar de Slangen haar voedsel niet verscheuren en soms dieren
verslinden, die tweemaal zoo dik zijn als haar kop, wordt voor het
verzwelgen van den buit een aanzienlijke krachtsinspanning vereischt
en heeft deze verrichting langzaam plaats. Bijna altijd pakken zij
den buit bij den kop aan, houden hem met de tanden vast, schuiven
de eene zijde van den kop vooruit, slaan de haakvormig naar achteren
gekromde tanden een eind verder weer in de prooi, handelen vervolgens
op dezelfde wijze met de zooeven voor het vasthouden dienende helft
van den kop, welker taak intusschen door de andere wordt vervuld
en halen op deze wijze, beurtelings met de linker en met de rechter
tandenreeksen, haar buit verder naar binnen, totdat deze geheel en al
door het keelgat gestuwd is. De buitengewoon groote drukking brengt een
zeer overvloedige afscheiding van speeksel teweeg; dit vergemakkelijkt
de beweging van de prooi door de mondholte, die allengs tot de uiterste
grenzen van rekbaarheid wordt uitgezet. Gedurende het verzwelgen van
een zeer grooten buit wordt de kop op wanstaltige wijze uitgezet en
ieder been van het kaakskelet zoo ver mogelijk verschoven; zoodra
echter de prooi er door is, herkrijgt de kop spoedig zijn gewonen
vorm. Het gebeurt wel eens, dat Slangen dieren grijpen en trachten te
verslinden, welker omvang voor haar ongeloofelijk rekbaar kaakskelet
te groot is; in dit geval liggen zij uren lang op dezelfde plaats
met den buit in den bek, de luchtpijp zoover naar voren bewogen,
dat de ademhaling ongehinderd kan plaats hebben. Soms zijn al hare
pogingen vruchteloos en gelukt het haar niet de prooi door te slikken;
dan verwijderen zij de tanden weer uit haar slachtoffer en werpen
dit weg door den kop te schudden. Geheel onjuist is de bewering,
dat de Slang den eens gegrepen en verzwolgen buit niet meer kan
uitspuwen en soms aan een te groot stuk stikt.--De Gifslangen pakken
haar slachtoffer eerst, nadat het bezweken is, met de kaken aan; zij
doen dit dan met een zekere voorzichtigheid, men zou bijna geneigd
zijn van teederheid te spreken. Bij het doorslikken gebruiken zij
hare giftanden niet, maar leggen deze zooveel mogelijk tegen het
gehemelte aan, door de bovenkaaksbeenderen, die de giftanden dragen,
naar achteren te draaien; de onderkaakshelften spelen in dit geval bij
het doorslikken de hoofdrol.--De spijsvertering geschiedt langzaam,
maar is zeer krachtig. De onverteerbare overblijfselen van de prooi,
vooral veeren en haren, worden door de kloak verwijderd, slechts in
enkele omstandigheden, waarschijnlijk alleen door zwakke of ziekelijke
Slangen, als ballen uitgespuwd. De Slangen verzwelgen een groote
hoeveelheid voedsel te gelijk, maar kunnen daarna weken en zelfs
maanden lang vasten.
Duméril, die zijn geheele leven aan de studie van de Slangen wijdde,
greep eens op een wandeling een Adder, in de meening dat hij een
onschadelijke Adderkleurige Zwemslang (Tropidonotus viperinus)
voor zich had; hij werd gebeten en verkeerde verscheidene
dagen in levensgevaar. Dit feit kan niet genoeg in herinnering
gebracht worden, omdat het duidelijk bewijst, hoe onbetrouwbaar de
uitwendig waarneembare kenmerken ter onderscheiding van vergiftige en
niet-vergiftige Slangen kunnen zijn. Het is onmogelijk, door uitwendig
onderzoek iedere Gifslang, zonder kans op vergissing, als zoodanig te
herkennen. Dit geldt echter niet voor alle soorten of familiën; daar de
Zeeslangen, Ratelslangen en Adders ook uitwendig tot op zekere hoogte
kenbaar zijn; maar juist de Gewone Adder, die het geoefende oog van
een onderzoeker als Duméril bedroog, behoort tot het laatstgenoemde
geslacht! Deze opmerking moet noodzakelijk aan een beschrijving van
de Slangen voorafgaan, om hen, die zich met de studie van de Slangen
willen bezighouden, tegen het roekeloos aanvatten van deze gevaarlijke
dieren te waarschuwen.
Als men bedenkt, hoe groot het aantal menschen is, die ieder jaar door
Gifslangen hun leven verliezen, hoe vele, zelfs, in onze streken,
aan haar een langdurige ziekte te wijten hebben, begrijpt men
den schrik, dien ieder onervaren mensch bij het zien van een Slang
bevangt; dan worden ook de over Slangen handelende verhalen, sagen en
fabels, die bij volken uit vroegeren en lateren tijd voorkomen, ons
duidelijk. Vooral uit tropische gewesten komen dikwijls schrikbarende
berichten over sterfgevallen tengevolge van slangenbeten. Volgens
statistische bescheiden verliezen alleen in Indië ieder jaar nagenoeg
20.000 menschen door deze Reptiliën het leven. Deze groote getallen
schijnen evenwel geloofwaardiger dan zij zijn. In werkelijkheid zijn
zij het uitvloeisel van een mystificatie op groote schaal. Mannen, die
als onderzoekers en jagers een grondige bekendheid met Indië hebben
opgedaan, weten geen mededeelingen te doen, die eenige bevestiging,
hoe onvolledig dan ook, van de bedoelde officieele opgaven leveren
kunnen. R. Garbe verhaalt, dat er, nadat hij in de eerste dagen
van zijn verblijf in Indië eenige Gifslangen had gezien, meer dan
een jaar voorbijging, voordat hij op zijne tochten er weer eens een
ontmoette, die hij met een stokslag doodde. Van de gevreesde dieren
in Indië in 't algemeen sprekend, zegt hij eenvoudig: "Al deze dieren
zijn in de werkelijkheid niet zoo boosaardig als in de boeken over
natuurlijke geschiedenis." Geloofwaardige geneeskundigen op Java,
Sumatra en Hongkong, waarheidslievende planters en reizigers in
Nederlandsch-Indië, Cochinchina, Kambodsja en op Ceylon hebben
schriftelijk en mondeling verklaard, dat de genoemde statistieke
opgaven onjuist zijn en dat daaraan niet de geringste bewijskracht
kan worden toegekend.
Waarschijnlijk zal men in andere landen, waar de Gifslangen talrijk
zijn, door dergelijke nasporingen, als op Java verricht werden,
zoo niet tot gelijke, dan toch tot weinig afwijkende uitkomsten
geraken. Dit blijkt o.a. uit hetgeen door Tschudi van Brazilië,
door Hasse, Büttikofer, Pechuel-Loesche en anderen van Afrika, door
Mackleay van Australië bericht wordt. Allen verklaren eenstemmig,
dat het gevaar van door vergiftige Slangen gebeten te worden in deze
deelen van haar verbreidingsgebied betrekkelijk gering is.
Bij alle verscheidenheid van vorm, lichaamsbouw en levenswijze
hebben de Gifslangen in hare giforganen een kenmerk, waaraan zij
zonder fout--en door eenigermate geoefende onderzoekers ook met vrij
geringe moeite--van de niet-vergiftige Slangen onderscheiden kunnen
worden. Alle hebben n.l. aan de bovenkaak groote, doorboorde tanden,
die bij sommige alleenstaan, bij andere van kleinere, massieve
tanden vergezeld zijn. Bij de over dag werkzame Gifslangen is deze
giftand steviger aan het bovenkaaksbeen bevestigd, dan bij die, welke
's nachts wakker zijn; bij deze, zoowel als bij gene is hij echter
niet met een wortel, maar slechts door verbeenend bindweefsel met het
bovenkaaksbeen verbonden. De giftand zelf kan eigenlijk niet bewogen
worden: dat de Adders hem tegen het gehemelte aanleggen kunnen, is
een gevolg van de beweeglijkheid van het bovenkaaksbeen, dat stevig
aan den tand is vastgehecht. In den regel is aan iedere zijde van de
bovenkaak slechts één giftand volkomen ontwikkeld. Daar er echter aan
elk bovenkaaksbeen steeds verscheidene (1 à 6) meer of min volledig
ontwikkelde reserve-tanden gevonden worden, kan het voorkomen, dat
twee van deze, in elke groeve één, op denzelfden trap van ontwikkeling
verkeerend, te gelijker tijd in functie treden. De reserve-tanden
zijn niet stevig aan het been gehecht; de meest ontwikkelde is altijd
het naast bij en achter den giftand geplaatst. Aan weerszijden van
den giftand merkt men een vliezige plooi van het tandvleesch op,
waardoor een scheede wordt gevormd, welke den tand omsluit, wanneer
de kaken in den toestand van rust verkeeren. Van alle overige tanden
onderscheiden de giftanden zich door hun aanzienlijker grootte
en duidelijk priemvormige gedaante; bij alle Gifslangen zijn zij
volgens hetzelfde grondplan gebouwd. Behalve een bij den oorsprong
aanwezige, aanvankelijk met een bloedrijk weefsel gevulde holte, die
voor de voeding van den tand dient en bij alle slangentanden zonder
uitzondering voorkomt, bevat iedere giftand nog een overlangsch kanaal,
dat steeds aan de bolle voorzijde van den tand gelegen is en hier twee
openingen vertoont. De eene opening, die een afgeronden vorm heeft,
bevindt zich dicht bij de basis van den tand. Wanneer bij het openen
van den bek het bovenkaaksbeen, en hierdoor ook de giftand, opgericht
wordt, komt de bedoelde opening van het gifkanaal tegenover het einde
van de afvoerbuis van de gifklier te liggen, waardoor het gif in den
hollen tand zal doordringen; de onderste opening, die boven de spits
van den giftand ligt, is spleetvormig. Bij de meeste Gifslangen zijn
deze beide openingen door een fijne spleet met elkaar verbonden en
is het gifkanaal van voren dus niet geheel gesloten; bij de overige
soorten is het gifkanaal volkomen gesloten en wordt de spleet hoogstens
door een fijne lijn vervangen. Hiernaar onderscheidt men "gevoorde" en
"gladde" giftanden. Deze wapens hebben, al naar de soort en de grootte
van het individu, een verschillende lengte; alle Gifslangen, die over
dag jagen, bezitten betrekkelijk kleine, alle, die een nachtelijke
levenswijze hebben, betrekkelijk groote giftanden. Bij onze Adder
bereiken de giftanden een lengte van 3 à 4, hoogstens van 5 mM., bij
de Lanskopslang worden zij 25 mM. lang. Zij zijn zoo hard en broos
als glas, maar buitengewoon spits, en dringen daarom even gemakkelijk
als een scherpe naald in zachte voorwerpen, zelfs in zacht leer door;
van harde glijden zij daarentegen dikwijls af, of breken, wanneer de
stoot, die de Slang er mee toebrengt, krachtig is. Als een van deze
tanden verloren is gegaan, komt de onmiddellijk daarachter gelegen
reserve-tand er voor in de plaats; zulk een wisseling schijnt echter
ook zonder eenige uitwendige oorzaak met een zekere regelmatigheid
plaats te vinden, ieder jaar éénmaal, misschien vaker.
Iedere gifklier scheidt een betrekkelijk geringe hoeveelheid vocht
af: die van een bijna 2 M. lange Ratelslang hoogstens 4 à 6 druppels;
een klein gedeelte van zulk een druppel is trouwens voldoende om in
het bloed van een groot Zoogdier binnen weinige minuten een noodlottige
verandering teweeg te brengen. De gifklier is overvuld met gif, wanneer
de Slang in geruimen tijd niet gebeten heeft; het gif heeft in dit
geval een krachtiger werking dan wanneer de voorraad gif gering is;
het vernieuwen van den verbruikten voorraad heeft echter zeer schielijk
plaats; ook het versch bereide gif is in de hoogste mate schadelijk.
Het gif zelf kan met speeksel vergeleken worden, of verdient dezen
naam geheel; het is zoo helder als water, dun, doorzichtig, licht
geelachtig of groenachtig van kleur; het zakt naar den bodem, wanneer
het bij water wordt gevoegd, maar vermengt zich er ook wel mede tot een
zwak troebele vloeistof; het kleurt blauw lakmoespapier rood en heeft
dus een zure reactie. Het bevat, volgens Mitchell's onderzoekingen,
een eiwitachtige stof (het werkzame bestanddeel), een dergelijke stof
van gecompliceerder samenstelling, die geen werking uitoefent, een
gele kleurstof en een niet nader te bepalen bestanddeel, voorts vet en
vrij zuur en eindelijk zouten, waarin een zeker gehalte aan chloor en
phosphorus. Het gif verdroogt gemakkelijk; het vormt een vaste korst,
wanneer het op een voorwerp wordt gestreken en gelijkt dan op een
glanzig vernis; jaren lang behoudt het zijne noodlottige eigenschappen.
In de laatste jaren hebben Weir Mitchell en E. Reichert talrijke
proeven met slangengif genomen. Volgens hen is de behandeling van de
wonde met overmangaanzure kali de beste geneeswijze; in mindere mate
zijn voor dit doel ijzerchloride en jodiumtinctuur aan te bevelen;
ook door het gebruik van bromiumpreparaten werden goede uitkomsten
verkregen. De plaatselijke verschijnselen na den beet zijn meestal
buitengewoon hevig: in de eerste plaats heeft een sterke zwelling
plaats door het uittreden van vocht of bloed uit de haarvaten; hierop
volgen ettering en koudvuur. Bij een langzamer verloop zijn ook aan
andere lichaamsdeelen zeer duidelijk vergiftigings-verschijnselen waar
te nemen; de overgang van bloed uit de haarvaten in het celweefsel
strekt zich zeer ver over het geheele lichaam uit en gelijkt op dien,
welke in sommige gevallen van bloedvergiftiging optreedt. Men heeft
opgemerkt, dat dit bloed de eigenschap van te stollen verloren heeft
en dat de roode bloedlichaampjes eigenaardige veranderingen ondergaan
hebben.
De dood door slangengif kan volgens de bedoelde onderzoekers op
verschillende wijzen verklaard worden; de oorzaak kan zijn een
verlamming van die deelen der hersenen, welke de ademhaling regelen,
of een hartverlamming, of bloeduitstorting in het verlengde merg,
misschien ook wel een groote verandering van de roode bloedlichaampjes.
Slechts wanneer de maag ledig is, wordt het ingeslikt gif in het
bloed opgenomen; gedurende de spijsvertering evenwel wordt het door
de werking van het maagsap onschadelijk gemaakt.
Welke bloedontledende stof eigenlijk in het slangengif aanwezig is,
weet men nog niet, hoewel hierover verscheidene onderzoekingen zijn
ingesteld; onze kennis van het gif bepaalt zich tot zijn uitwendig
voorkomen en zijn werking.
In 't algemeen kan hiervan nog gezegd worden, dat de
vergiftigings-verschijnselen des te heviger zijn, naarmate de Slang
grooter en de temperatuur van de omgeving hooger is; bovendien bestaat
er eenig onderscheid tusschen de werking van het gif van verschillende
Slangen. Hoe sneller en volkomener de bloedsomloop van het gebeten
dier is, des te schielijker openbaren zich de gevolgen van den beet;
warmbloedige dieren blijven na zulk een verwonding minder dikwijls
gespaard en sterven na een korter tijdsverloop dan Reptiliën,
Amphibiën of Visschen; de ongewervelde dieren schijnen er minder
nadeel van te ondervinden. Twee Gifslangen van dezelfde soort kunnen
elkander bijten, zonder dat er vergiftiging plaats vindt. Woedende
Slangen bijten dikwijls zichzelf in den staart, zonder hierdoor te
lijden. De uitslag is geheel anders, wanneer de vergiftige Slangen,
die elkander bijten, tot verschillende soorten behooren; in een
dergelijk geval heeft het gif op de slachtoffers in vele gevallen
dezelfde uitwerking als op andere dieren.
Naar men beweert, zijn enkele Zoogdieren en Vogels tegen de werking
van het slangengif op een voor ons onbegrijpelijke wijze bestand;
o.a. wordt dit van den Mol, den Bunzing en den Egel bericht. Het is
echter zeer de vraag, of de gevolgtrekkingen, die uit de talrijke
proeven van den slangenkenner Lenz afgeleid worden, werkelijk op
goede gronden berusten; daar nieuwere proeven--b.v. die, welke
door C. Struck bij Egels genomen zijn--lijnrecht tegenovergestelde
uitkomsten opleverden. Een Egel, die door een Gifslang aan de lip
gebeten werd, bezweek. De Mungo, die ook tegen slangengif bestand heet
te zijn, zal wel degelijk sterven aan de gevolgen van een flinken beet.
Over 't algemeen openbaart de werking van het slangengif zich bij alle
dieren min of meer op dezelfde wijze, hoewel de verschijnselen, die
op den beet volgen, verschillen kunnen of althans ongelijk schijnen
te zijn. Daar ook in onzen tijd ongelukkig maar al te vaak gevallen
van vergiftiging van menschen door Slangen voorkomen, zijn wij niet
alleen met de zichtbare gevolgen van den beet, maar ook met het lijden
en de gewaarwordingen van den vergiftigde nauwkeurig bekend. Op het
oogenblik van de verwonding gevoelt het slachtoffer gewoonlijk een
hevige, onvergelijkelijke pijn, die snel als een elektrische schok
door het geheele lichaam trekt; in vele gevallen echter komt in
zoover het tegendeel voor, dat de gebetene een gewaarwording krijgt,
alsof hij zich aan een doorn geprikt heeft. De onmiddellijk daarop
volgende vermoeidheid in alle lichaamsdeelen, een buitengewoon snelle
krachtsvermindering, aanvallen van duizeligheid en telkens herhaalde
flauwten zijn de eerste onbedriegelijke kenteekenen van de plaats
hebbende verandering van het bloed; zeer dikwijls komen brakingen voor
(ook van bloed), bijna even dikwijls diarrhee, soms bloedingen uit
mond, neus en ooren. De krachtsvermindering openbaart zich verder
door een bijna onweerstaanbare slaperigheid en het merkbaar afnemen
van de hersenwerkzaamheid; vooral de verrichtingen van de zintuigen
worden veel zwakker, zoodat b.v. volslagen blindheid en doofheid
kunnen optreden. Naarmate de krachten afnemen, vermindert het gevoel
van pijn, zoodat, wanneer het einde van den vergiftigde nadert, deze
geen pijn meer schijnt te gevoelen, maar in een doffe bewusteloosheid
verzonken is. Niet altijd echter lijdt de patiënt op deze wijze:
dikwijls wordt hij uren achtereen door de hevigste pijnen gekweld
en is zijn zenuwstelsel zoo overprikkeld, dat iedere beweging, ieder
gedruisch in zijn omgeving hem onverdragelijke smarten veroorzaakt. Op
het erbarmelijk gejammer van den gebeten mensch, op het uren lang
aanhoudend, klagend gehuil van den gebeten Hond, volgt ook dan een
toestand van bewusteloosheid, waarin de lijder betrekkelijk kalm den
laatsten adem uitblaast.