DE GESCHUBDE REPTILIËN (Squamata).
Eerste Onderorde: HAGEDISSEN (Lacertilia).
De bevallige Zandhagedis, die ieder waarschijnlijk wel door eigen
aanschouwing zal kennen, kan als type van alle Hagedissen aangemerkt
worden. In den regel kan men bij de leden dezer onderorde duidelijk
kop, hals, romp en ledematen onderscheiden; de pooten kunnen echter
rudimentair zijn of geheel ontbreken, in welk geval de bedoelde
dieren op Slangen gelijken; deze overeenkomst is evenwel slechts
oppervlakkig en verdwijnt bij nader onderzoek. Kenmerkend voor alle
Hagedissen is haar kleed, dat uit hoornachtige schubben bestaat met
of zonder beenplaten er onder; voorts hebben zij een beweeglijke tong
en tanden, die nooit in tandkassen bevestigd, maar aan den bovenrand
van de kaakbeenderen of aan de binnenzijde van een daar aanwezige,
beenige lijst vastgegroeid zijn. De oorschelp, bij de Krokodillen
vertegenwoordigd door een klep, die het trommelvlies kan bedekken,
is hier geheel afwezig; het trommelvlies is op gelijke hoogte met de
omringende huid of op den bodem van een zeer korte gehoorgang gelegen,
bij uitzondering ook wel door de gewone huid overdekt; de oogleden
zijn meestal beweeglijk, de neusgaten gescheiden.
De tong komt in velerlei vormen voor, die voor de onderscheiding
der familiën van belang zijn: zij is met schubjes of met dradige
wratjes bedekt, dik gevleescht, bijna niet uitgesneden of afgerond,
kort en aan den wortel verdikt, dunner uitloopend en van voren meer
of minder ver gespleten, enz.
De Hagedissen, die de soortenrijkste groep van de geheele klasse
vormen, zijn over alle deelen der wereld verbreid met uitzondering van
den kouden aardgordel; zij hebben de meest verschillende woonplaatsen;
haar bij het zeestrand beginnend gebied strekt zich uit tot aan de
grenzen van de eeuwigdurende sneeuw, omvat vruchtbare landauwen zoowel
als wildernissen en woestijnen, waterrijke oorden zoowel als gewesten,
die geheel van water verstoken zijn. In de koudste gedeelten van den
gematigden aardgordel leven slechts weinige leden van deze onderorde;
bij 't naderen van den evenaar neemt het aantal soorten en tevens de
verscheidenheid van vormen en hun kleurenpracht op verrassende wijze
en in klimmende mate toe. Weinige soorten zijn waterdieren, die op de
wijze der Krokodillen, alleen dan aan land gaan, als zij kans zien
een daar aanwezigen buit te grijpen of als zij slapen en zich in de
zon koesteren willen. De meeste zijn landbewoners in de strengste
beteekenis van 't woord en mijden zelfs vochtige terreinen. Niet
weinige leven op boomen, verreweg de meeste echter op den vasten
grond of op rotswanden. Uit de gedaante van haar lichaam kan men
reeds van te voren afleiden, waar zij zich ophouden. De van boven
naar onderen platgedrukte vormen bewonen meestal zandige vlakten en
zoeken onder steenen, tegen muren of in holen een schuilplaats; die,
welker romp zijdelings samengedrukt is, leven in het struikgewas of
tusschen de twijgen; die met een rolrond lichaam eindelijk houden
verblijf in gaten van den grond, of van boomen. De pootlooze, op
Slangen gelijkende Hagedissen ontmoet men op den grond, de wormvormige
onder de oppervlakte der aarde. Ook op dezen regel zijn echter vele
uitzonderingen.
De mensch is vriendschappelijk gezind jegens de Hagedissen en zij
verdienen deze voorkeur. Zonder eenig voorbehoud mag men ze tot de
meest begaafde leden harer klasse rekenen. In geen enkel opzicht staan
zij, wat hare talenten betreft, bij hare verwanten uit andere groepen
achter. Hare bewegingen zijn veelzijdig, behendig, doelmatig en meestal
zeer vlug. De meeste laten bij 't gaan den romp bijna over den bodem
slepen, loopen zeer snel, hoewel met slangsgewijze kronkelingen. Door
den staart met kracht tegen den grond te drukken, kunnen zij zich ook
boven de oppervlakte verheffen en tamelijk groote sprongen doen. De
weinige soorten, die in het water leven, zwemmen en duiken uitmuntend,
hoewel hare voeten niet met zwemvliezen voorzien zijn; ook andere, die
het water angstvallig mijden, weten, wanneer zij toevallig in dit haar
vijandige element geraken, zich hier vrij goed te redden; zij die op
rotswanden en muren rondklauteren of zich in boomen bewegen, doen dit
meestal met een waarlijk verrassende behendigheid. De Boomhagedissen
gebruiken haar langen staart met goed gevolg tot het behouden van het
evenwicht; zij kunnen bijna met dezelfde snelheid, als hare verwanten
op den bodem ten toon spreiden, over de takken loopen of van de eene
twijg op de andere springen. Andere worden door hare schijfvormig
verbreede, van onderen met een oneffene huid bekleede teenen in
staat gesteld om in alle mogelijke houdingen, met den kop naar boven
of naar onderen, even veilig op de boven- als op de onderzijde der
twijgen te loopen. Enkele eindelijk hebben aan de huid van de zijden
van den romp, die door beweging van de ribben kan worden uitgespreid,
het vermogen te danken om als 't ware vliegend te springen, d. w. z.,
van hoog gelegen takken op lagere neer te schieten. De Hagedissen met
rudimentaire of geheel ontbrekende ledematen bewegen zich meestal op
dezelfde wijze als de Slangen, hoewel in dit geval de ribben bij deze
een belangrijker rol spelen dan bij gene.
Een echte stem komt slechts bij weinige Hagedissen voor. De meeste
laten, als zij toornig zijn, hoogstens een blazend gesis hooren; enkele
soorten echter, vooral die, welke een nachtelijke levenswijze hebben,
brengen afgeronde, klinkende tonen voort, geluiden, die niets gemeen
hebben met het gebrul van de Krokodillen, maar veeleer aan de stem
van Kikvorschen of aan die van Sprinkhanen en Krekels herinneren;
men kan bij haar spreken van "piepen" of "klokken", minder dikwijls
van "ratelen" of "sjirpen".
Bij alle zonder uitzondering neemt het gezichtsorgaan den eersten
rang in onder de zintuigen. Dan volgt het gehoor, dat bij verreweg
de meeste fijn mag heeten. Meer bepaaldelijk letten alle soorten, die
een stem bezitten, op geluiden, die zoowel onmiddellijk door de lucht
als door trillingen van den bodem tot hen komen. Minder ontwikkeld
is de reukzin en nog minder de tastzin. Gelijk de Slangen gebruiken
vele Hagedissen haar tong meer als tast- dan als smaakorgaan.
Waarschijnlijk staan de Hagedissen, wat verstand betreft, bij geen
enkel ander Kruipend Dier achter. Zij doen ervaringen op en toonen
dit door hare handelingen. De inheemsche soorten beschouwen ieder
wezen, dat haar in grootte overtreft, en vooral den mensch, als een
gevaarlijken vijand. In de meer zuidwaarts gelegen landen gaan zij
gemeenzamer met den mensch om, komen driest tot in zijn onmiddellijke
nabijheid, noodigen zich als 't ware te gast in zijn woning en worden
eindelijk echte huisdieren, hoewel zij ook op deze plaats voor andere
vijanden in de hoogste mate bevreesd zijn. Alle dierenliefhebbers,
die deze bevallige schepsels in de kooi houden, zijn van oordeel, dat
hunne voedsterlingen hen leeren kennen; hoewel dit niet beteekent,
dat zij haar verzorger van andere menschen onderscheiden, blijkt
hieruit toch, dat zij tot een wijziging van haar oorspronkelijk gedrag
genoopt worden door de ervaring, die zij opdoen. Zij behagen ons door
haar voorkomen; grootendeels te recht beschouwt men ze als beelden
van onschuldige vroolijkheid en opgewektheid; zij zijn levendig,
bedrijvig, voorzichtig en in verhouding tot haar grootte buitengewoon
moedig. Als roofdieren maken zij zich soms schuldig aan handelingen,
die wij van ons eenzijdig standpunt veroordeelen: o. a. zien zij er
volstrekt geen bezwaar in, hare eigene jongen op te eten, en verslinden
de leden van groote soorten hunne kleinere verwanten. Ondanks dit
alles kan men bij haar altijd nog eerder dan bij andere Reptiliën van
gezelligheid spreken: wanneer men ze in grooten getale bijeen vindt,
hetwelk dikwijls voorkomt, kan men opmerken, dat tusschen de leden
van dit gezelschap gedurende geruimen tijd een zekere betrekking
blijft bestaan.
Eenige Hagedissen voeden zich met plantaardige stoffen, zonder evenwel
afkeerig te zijn van een buit uit het dierenrijk; alle overige zijn
roofdieren, die aan verschillende klassen van dieren haar voedsel
ontleenen. De grootste soorten maken jacht op allerlei Gewervelde
Dieren, overvallen kleine Zoogdieren en Vogels en worden, naar men
zegt, soms zelfs voor betrekkelijk groote exemplaren gevaarlijk; zij
plunderen nesten en vervolgen allerlei Reptiliën, minder dikwijls ook
Amphibiën en Visschen; bovendien verslinden zij alle ongewervelde
Dieren, die zij kunnen vangen. De kleine Hagedissen voeden zich
hoofdzakelijk met de laatstgenoemde wezens: vele bij voorkeur met
Gelede Dieren, andere met Wormen en Slakken.
Het dagelijksch leven van de Hagedissen biedt meer afwisseling aan dan
dat van de andere leden harer klasse; over 't geheel genomen is het
echter eentonig. Het bedrijvigst zijn zij in de heete landen onder
de keerkringen, vooral daar, waar alle jaargetijden in hoofdzaak op
elkander gelijken en zij dus niet door ongunstige weersgesteldheid
genoodzaakt worden om voor een tijd een schuilplaats op te zoeken. Hier
beginnen zij reeds in de vroege morgenuren hun dagwerk, blijven
tot omstreeks zonsondergang ijverig bezig en ruimen daarna tot
aan den volgenden ochtend het veld voor hare bij nacht werkzame
verwanten. De eerste en de laatste uren van den dag worden aan de
jacht, de voor- en namiddaguren aan ontspanning, d. w. z. aan het
gezellig samenzijn gewijd; gedurende den heetsten tijd verkeeren zij
in een half-sluimerenden toestand, daar zij het felle branden van de
zon evenzeer schuwen als de koude. In gematigde gewesten ziet men ze
in de middaguren behagelijk uitgestrekt liggen op plaatsen, die voor
de zonnestralen toegankelijk zijn; in de keerkringsgewesten geven zij
op dezen tijd van den dag in den regel aan beschaduwde plaatsen de
voorkeur. Iedere Hagedis vestigt zich in een bepaald gebied en kiest
er een voor haar geschikten schuilhoek uit, of richt dezen naar hare
behoeften in. Van deze plek, die men als de woning van de Hagedis kan
aanmerken, verwijdert zij zich nooit ver en keert bij dreigend gevaar
zoo schielijk mogelijk daarheen terug. Ook die, welke in het water of
op boomen leven, vormen hierop geen uitzondering. Naar het schijnt,
toont iedere Hagedis, bij het kiezen van haar woonplaats, een zeker
overleg, door er voor te zorgen, dat de kleur van de omgeving met de
hare overeenstemt. Hier loert zij op haar prooi, iedere soort op een
eigenaardige wijze. Alle vatten het door haar gekozen slachtoffer
scherp in 't oog, schieten er, zoo noodig met een grooten sprong,
op toe, pakken het, kneuzen het tusschen de tanden en zwelgen het
door, waarbij zoo mogelijk de kop voorgaat. Na een overvloedigen
maaltijd worden ook de Hagedissen traag; nooit echter vervallen
zij, als de Slangen, in een toestand van volkomen afmatting en
onverschilligheid. Met zonsondergang keeren de Daghagedissen geregeld
in hare schuilhoeken terug; bij ongunstige weersgesteldheid blijven
zij hier dikwijls dagen, ja zelfs weken lang. Alle soorten, die niet in
de landen, waar een eeuwige lente heerscht, op boomen of in het water
leven, brengen het ongunstige jaargetijde door in een toestand, die in
hoofdzaak gelijkt op den winterslaap der Zoogdieren. Alle inheemsche
Hagedissen verbergen zich in den herfst in diepe gaten onder den grond,
verslapen hier den winter en ontwaken weer in 't begin van de lente;
dezelfde soorten echter, die bij ons 5 maanden slapend doorbrengen,
bleven in Noord-Europa of in hooge bergstreken 6 à 8 maanden lang in
dezen toestand van verstijving. Dat een dergelijk verschijnsel ook in
de keerkringsgewesten voorkomt, valt af te leiden uit de tot dusver
nog niet zeer talrijke, maar volkomen overeenstemmende waarnemingen
van kundige reizigers.
Kort na haar ontwaken in de lente vangt voor de Hagedissen de
voortplantingstijd aan. Eenige weken later zijn de 2 à 30 eieren,
die het wijfje ter wereld brengt, voor 't leggen gereed. De moeder
heeft intusschen, niet zonder moeite en zorgvuldig overleg, een nest
ingericht, door in den lossen grond of in het mos, in het vermolmde
hout van oude boomstammen, in woningen van Mieren of Termieten,
enz. een gat te graven; de hierin gelegde eieren worden met een lichte
bedekking voorzien. De eieren zelve verschillen weinig van die van
andere Reptiliën; zij hebben, evenals deze, een taaie, weinig kalk
bevattende, lederachtige, buigzame schaal, een grooten, vetrijken
dooier en een zeer vloeibaar eiwit. Weinige weken of maanden nadat de
eieren gelegd zijn, komen de jongen er uit, zonder eenige hulp van
den kant hunner ouders, welker levenswijze zij van den eersten dag
af volgen. Op den zooeven genoemden regel vormen sommige Hagedissen
een uitzondering, door levende jongen ter wereld te brengen; bij haar
blijven de eieren in het lichaam van de moeder, totdat de ontwikkeling
van de kiem afgeloopen en deze tot een geheel zelfstandig leven in
staat is; het jong verbreekt de eischaal, terwijl het zich nog in den
eileider bevindt en verlaat dezen kort daarna. In de noordelijke landen
vervellen de jongen, die in den nazomer ter wereld komen nog eenmaal,
voordat zij een geschikte plaats voor den winterslaap opzoeken.
Meer dan alle overige Kruipende Dieren hebben de Hagedissen last
van vijanden. Tal van roofdieren van allerlei aard maken jacht
op haar. Door spierkracht en moed zijn de groote soorten tamelijk
veilig tegen de aanvallen van andere dieren; de kleine echter vallen
Civetkatten, Marters en Stinkdieren, Gieren, Arenden, Valken en
Buizerden, Uilen, Raven, Hoenderen, moeras- en watervogels, Slangen
en de sterkste leden van haar eigen soort ten buit, zoodat men
zich er eigenlijk over verwonderen moet, dat zij ondanks zoovele
vervolgingen kunnen blijven bestaan. Ook de mensch treedt hier en
daar als tegenstander en vervolger van deze onschadelijke dieren
op, dikwijls slechts uit baldadigheid, uit ruwe moordlust. Eenige
worden ten onrechte voor giftig gehouden, andere voor Slangen
aangezien. Er bestaat maar één giftige Hagedis, n.l. het Dzjila-dier
van Noord-Amerika, en ook deze is voor menschen slechts in beperkte
mate gevaarlijk. Een voordeel, dat iets te beteekenen heeft, brengen de
Hagedissen ons niet; maar zij richten ook geen schade aan. Het vleesch
van eenige groote soorten wordt gegeten en valt zelfs bij Europeanen
in den smaak; andere bekoren ons door haar sierlijke behendigheid
in de vrije natuur of door de bevalligheid van hare bewegingen in de
kooi. Bovendien voeden de meeste zich met dieren, die ons onaangenaam
zijn; slechts weinige worden lastig, doordat haar roofzucht de tamme
Vogels en hunne eieren niet verschoont; anderen jagen schrikachtige
menschen vrees aan door haar overeenkomst met Slangen en door het
verdachte ritselen van de bladen bij haar beweging. Redenen om haar
te vervolgen bestaan er dus niet.
Weinige Kruipende Dieren hebben aanleiding gegeven tot zoovele
fabelachtige verhalen als de Hechtvingers of Gekko's, nachtelijk
levende, hagedisachtige dieren van eigenaardige gedaante, die
in de warme gewesten van alle werelddeelen gevonden worden. Door
de ouden werden zij "Stellio" genoemd, omdat hun rug met kleine,
stervormige vlekken geteekend is. Aristoteles bericht, dat de Stellio
zich in vensters, kamers en grafgewelven ophoudt, langs de muren
klautert, dikwijls naar beneden op de tafel en in het eten valt, in de
voerkribben slaapt, in de neusholten van de Ezels kruipt, hen hindert,
terwijl zij eten en hen door zijn beet vergiftigt, gedurende de vier
koude maanden van het jaar in een schuilhoek verborgen ligt en geen
voedsel gebruikt, in het voor- en najaar echter vervelt en daarna zijn
eigen vel opeet. Tot in den laatsten tijd werden dergelijke sprookjes
verhaald. Zoowel uit Indië als uit Egypte, Peru en Zuid-Europa wordt
bericht, dat uit de platte teenen der Gekko's een vergiftige stof
vloeit. Overal wekken de Gekko's wantrouwen en afschuw, hoewel zij
deze in 't geheel niet verdienen. Wegens hun onbevallig voorkomen en
hun nachtelijke levenswijze gaat van hen dit kwaad gerucht; zij zijn
echter volkomen onschadelijk.
De Hechtvingers (Geckonidae) zijn voor 't meerendeel kleine,
plomp gebouwde Hagedissen van sombere kleur. Hun kop, die van
voren eindigt in een langwerpige, onder het voorhoofd een weinig
ingedrukten, verderop ronden, afgeplatten snoekensnuit met ver zich
uitstrekkende mondspleet, trekt onmiddellijk de aandacht door de
groote, een nachtelijke levenswijze verradende oogen, welker pupil
zich bij blootstelling aan 't licht tot een lijnvormige, vertikale
spleet vernauwt en waaraan de oogleden schijnen te ontbreken. Echte
oogleden komen slechts bij enkele geslachten van deze familie voor;
bij de overige breidt, evenals bij de Slangen, de huid zich over de
oogen uit. Voor zoover zij het oog bedekt, is de huid doorzichtig en
door een ringvormige plooi begrensd, die aan onontwikkelde oogleden
doet denken. Het trommelvlies is aan het einde van een korten,
uitwendigen gehoorgang gelegen. De tanden zijn met de binnenzijde van
de kaakbeenderen vergroeid. De tong is met haar achterste gedeelte
aan den bodem der mondholte vastgehecht, kort, vleezig, afgerond,
van voren met een ondiepe insnijding voorzien. De hals is zeer kort
en dik, de romp gedrongen, afgerond, maar van boven naar onderen als
't ware platgedrukt, soms aan de zijden franjeachtig ingekorven, de
zeer brooze staart middelmatig lang, dik, aan den wortel afgerond of
eveneens platgedrukt, soms aan weerszijden met een huidzoom voorzien;
de pooten onderscheiden zich door hun kortheid, de teenen door hun
zeer vreemdsoortig maaksel, dat als het hoofdkenmerk van de familie
moet worden beschouwd. Bij de meeste soorten zijn zij betrekkelijk
kort en verschillen onderling weinig in lengte; zeer dikwijls zijn zij
door een vlies vereenigd, dat zich meer of minder ver uitstrekt. Aan
de onderzijde is iedere teen voorzien met een hechtkussen, een
zijwaartsche uitbreiding van de huid, met dwars gerichte, vliezige
plaatjes van verschillende grootte, vorm en stand bezet, waardoor
het dier in staat gesteld wordt, langs zeer gladde wanden te loopen,
onverschillig welke richting zij hebben. De huid, die het overige
lichaam bekleedt, vertoont aan haar oppervlakte zeer klein, naast
elkander geplaatste korreltjes of schubjes, waartusschen dikwijls
grootere schubben gelegen zijn.
De familie der Hechtvingers bestaat uit ongeveer 50 geslachten. Voor
ons doel zal een korte beschrijving van drie soorten, die ieder een
geslacht vertegenwoordigen, voldoende zijn.
Halfvingers (Hemidactylus) heeten die soorten, welker hechtkussen
met twee rijen van dwarsplaatjes voorzien is en zich slechts over
de wortelhelft der teenen uitstrekt, zoodat het voorlaatste en het
laatste teenlid er buiten uitsteken.
In Zuid-Europa wordt dit geslacht vertegenwoordigd door den
Schijfvinger (Hemidactylus turcicus), een Gekko van slechts 9 of
10 cM. lengte. Boven de overigens fijnkorrelige huid van den rug
verheffen zich onduidelijk driehoekige, op 14 à 16 overlangsche reeksen
geplaatste wratjes, die deels wit, deels zwartachtig zijn. Ook door
de grijsachtig bruin gevlekte, vleeschroode kleur der bovendeelen
onderscheidt hij zich van zijne overige Europeesche verwanten;
de onderdeelen zijn wit. Men merkt bij dit dier eigenaardige
kleurveranderingen op: in het donker is het bijna melkwit en
doorschijnend; aan 't licht blootgesteld gaat de kleur van den rug
door lichtbruin in donkerbruin over. Het bewoont dezelfde landen
als de Muurgekko; zuidoostwaarts strekt zijn verbreidingsgebied zich
evenwel uit tot aan de oevers van de Roode Zee.
De Huidplooigekko's (Ptychozoon) zijn gekenmerkt door een breede
huidplooi aan weerszijden van het lichaam, die zich ook langs de
staart als een gelobden zoom uitstrekt en doordat de teenen over hun
geheele lengte door een vlies vereenigd zijn.
De eenige bekende soort, de Huidplooigekko (Ptychozoon homalocephalon),
een van de vreemdsoortigste leden der geheele familie, is ongeveer 18
of 20 cM. lang. De bovenzijde is op geelgroenachtig olijfkleurigen,
aan de zijden in roodbruin overgaanden grond met bruine of zwarte
dwarsbanden geteekend, die figuren vormen of zigzagswijs loopen.
Behalve op Java komt deze soort ook voor op Sumatra, Borneo en het
Maleische schiereiland, alsmede op de Ljoe-kjoe-eilanden.
Bij het geslacht der Breedvingers (Tarentola) strekt het hechtkussen
zich over de geheele ondervlakte der teenen uit en is met doorloopende,
niet in tweeën verdeelde dwarsplaatjes voorzien.
Hiertoe behoort de Muurgekko, in Italië Tarantola, in Spanje Carapata,
door de oude Grieken Ascalobotes, door de oude Romeinen Stellio genoemd
(Tarentola mauritanica), een diertje van slechts 12 à 16 cM. lengte,
waarvan de helft op den staart komt. De onderzijde is vuil geelachtig
wit; de kleur van de bovendeelen wisselt af van lichtgeelachtig grijs
door grijs, bruin en zwartbruin tot dofzwart. De kop is zeer oneffen,
de rug met wratten bezaaid, de buikzijde daarentegen met schubben
bekleed en glad. Het verbreidingsgebied van deze soort omvat de
landen, die de Middellandsche Zee omgeven; bijzonder veelvuldig is
zij in Spanje, op de eilanden van Italië en in Noord-Afrika.
Alle Gekko's hebben ongeveer dezelfde verblijfplaats en dezelfde
levenswijze. Zij bewonen rotswanden en boomen, gruishoopen en muren,
zeer gaarne ook menschelijke woningen van den kelder tot aan het
dak. De soorten, die een groene kleur hebben, houden zich uitsluitend
in boomen op; andere worden zoowel hier als op muren en in huizen
gevonden. Zij komen op deze plaatsen in den regel in grooten getale
voor en verraden haar aanwezigheid door geluiden, hetgeen merkwaardig
is, daar zij nagenoeg de eenige Hagedissen zijn, die een stem bezitten.
Verreweg de meeste Gekko's zijn nachtdieren en vallen over dag
weinig in 't oog. Reeds bij zonsopgang zoeken zij een schuilhoek op,
die hen zooveel mogelijk aan de waarneming onttrekt, kruipen weg
onder steenen of losgeschilferde boomschors, in spleten en reten;
slechts dan blijven zij kleven aan een muur of aan een boomstam,
wanneer deze in kleur met hen overeenkomt, of wanneer de ervaring hun
de goede gezindheid heeft leeren kennen van de bewoners der huizen,
waarin zij zich ophouden. Toch worden ook zij, evenals alle Kruipende
Dieren, aangelokt door de verwarmende stralen der middagzon; op muren,
die er slechts tijdelijk aan blootgesteld zijn, bewegen zij zich met
de voortschrijdende schaduw verder. In gewesten, waar hun geen leed
wordt gedaan, ziet men ze bij honderden op een muur, bij dozijnen op
denzelfden boom. Hoewel niet bijzonder vredelievend gezind jegens
soortgenooten, houden zij van gezelligheid, leeren langzamerhand
de meest geschikte woonplaatsen in hun gebied kennen en verzamelen
zich hier in groote menigte. Met het invallen van den nacht worden
zij wakker; dan begint hun jacht op allerlei kleine dieren; vooral
Vliegen, Muggen, Spinnen, Kevers, kleine rupsen, enz. weten zij met
verrassende snelheid te vangen. Het begin van hun werkzaamheid kondigen
zij gewoonlijk aan door een luid, in ieder geval goed hoorbaar,
kort geschreeuw, dat door de woorden "zjekko" of "tokkie" ongeveer
nagebootst kan worden. Hoewel alle overige Gekko's keelgeluiden
maken, heeft de in Middel-Azië levende Wonder-gekko (Teratoscinus)
de zonderlinge gewoonte te sjirpen met den staart, welks bekleeding
uit platen bestaat, die elkander dakpansgewijs bedekken, ongeveer op
dezelfde wijze als een Boktor door het wrijven van den kop langs het
borstschild geluid maakt. A. Strauch meent, dat dit dier hierdoor de
Sprinkhanen kan lokken, waarmede het zich voedt.
De meeste Gekko's blijven gedurende den geheelen nacht aan 't werk;
hun bedrijf is wel geschikt om de aandacht te trekken. Een merkwaardig
schouwspel levert dit dier, wanneer het met bewonderenswaardige
behendigheid, zonder ooit een misstap te doen, omhoog klautert bij
loodrechte, gladde wanden, die het plotseling verlaat om langs den
zolder te loopen met even groote zekerheid, als bevond het zich op den
vloer. Minuten lang blijft het soms op dezelfde plaats en schiet dan
weer haastig vooruit, waarbij het den dikken staart onbeholpen heen en
weer slingert en met slangachtige kronkelingen van het lichaam zich
voortbeweegt. Intusschen merkt het alles op, wat er in de nabijheid
voorvalt en kijkt met de nu groote en schitterende oogen om zich heen,
of het niet ergens een buit bespeurt. Te verwonderen is het niet, dat
het onooglijke dier, waarvan de reiziger overal kwaad hoort spreken,
bij hem aanvankelijk een onaangenamen indruk wekt en zelfs een gevoel
van walging doet ontstaan: dit gevoel behouden echter alleen zij, die
zich de moeite niet geven om de werkzaamheid van het dier na te gaan.
Weken en maanden heb ik huizen bewoond, waarin de Gekko's zich
in grooten getale ophielden; de eerste exemplaren, die ik zag,
heb ik met verwondering waargenomen; weldra echter hield ik veel
van deze eigenaardige en onschadelijke dieren; menigmaal hebben
zij mij op aangename wijze den tijd gekort. Huisdieren zijn zij
in de rechte beteekenis van het woord, trouwer nog dan de Muizen
en stellig nuttiger. Over dag zijn hunne bewegingen echter niet
vrij van onhandigheid, vooral wanneer men hen bedreigt en zij zoo
schielijk mogelijk naar hunne schuilhoeken vluchten; bovendien maakt
het op den toeschouwer geen aangenamen indruk, als hij ziet, hoe de
Gekko's zich in hun angst plotseling, op gelijke wijze als sommige
Kevers, op den grond laten vallen en daarbij gewoonlijk den staart
verliezen. Zoodra echter hun werktijd aanvangt, d. w. z. wanneer
de duisternis ingevallen is, zullen zij, naar ik vertrouw, iederen
onderzoeker zoo niet bekoren, dan toch boeien. Het was ons steeds
een groot genoegen 's nachts te Kaïro, Dongola, Khartoem of elders
in het Nijlland, in het donkere van leem gebouwde huis, zoowel als
in de stroohut, het eerste geschreeuw van de Gekko's te hooren en
daarna hun werkelijk spookachtige bewegingen te bespieden, te letten
op hunne met den grootsten ijver ondernomen jachttochten, kortom van
al hunne handelingen getuige te zijn.
Tallooze malen heb ik Gekko's gevangen, ze in de hand gehad
om hen en hunne hechtschijven te bekijken, nooit echter heb ik
eenig nadeel ondervonden van het aanraken en hanteeren dezer ten
onrechte vergiftig genoemde dieren; het was trouwens niet mogelijk
eenige stof, die vergiftig zou kunnen wezen, waar te nemen;
daar het "kleverige vocht", waaraan sommige het hechtvermogen
der vingers toeschrijven, in 't geheel niet bestaat. Reeds Home,
die de hechtorganen grondig onderzocht, is tot de slotsom gekomen,
dat de Gekko daaronder een luchtledige ruimte doet ontstaan en zich
op deze wijze vasthecht. Dit is dan ook werkelijk het geval. Hoewel
de aanraking van de hechtschijven de gewaarwording van kleverigheid
veroorzaakt, werd van de aanwezigheid van een lijmachtigen stof, die
dan een vergiftige werking zou kunnen uitoefenen, stellig nog nooit
door een onderzoeker, die zijne persoonlijke ervaringen mededeelt,
melding gemaakt. Als zulk een lijm voorhanden was, zou de Gekko zijne
voeten weldra niet meer voor het aanhechten kunnen gebruiken, daar
zij eerder met stof en vuil bedekt zouden worden, dan aan den muur
kleven. Het is eenvoudig de drukking der lucht, die het dier doet
kleven aan de voorwerpen, waarbij het opklautert; het kan zelfs bij
het gladste spiegelglas, bij marmeren platen enz. omhoog klimmen.
Om andere Reptiliën of Gewervelde Dieren in 't algemeen bekommert
de Gekko zich slechts in zoover, dat hij in ieder sterker wezen een
vijand vermoedt. In Zuid-Europa is het niet gemakkelijk Gekko's waar
te nemen, waarschijnlijk omdat zij hier bijna overal op noodelooze
wijze vervolgd en schuw gemaakt worden; in Afrika daarentegen gedragen
zij zich dikwijls vriendschappelijk jegens den mensch, d. w. z.,
toonen een gemeenzaamheid en een goed vertrouwen, dat zeer innemend
is. Zoo goed echter, als de herinnering aan doorgestane vervolgingen
hun bijblijft, zoo goed geraken zij aan andere dieren en zelfs aan
den mensch gewoon: men kan ze eenigermate temmen. "In de kamer,
waarin de vrouwen van mijn gezin den avond doorbrachten," verhaalt
Tennent, "had eens een van deze tamme en gezellige diertjes de ruimte
achter een schilderijlijst tot rustplaats gekozen. Zoodra de kaarsen
aangestoken waren, verscheen de Gekko aan den muur om het voedsel,
dat men hem gaf, in ontvangst te nemen. Wanneer men hem vergat, liet
hij nooit na door een schel, luid klinkend "tsjiek tsjiek tsjiek" de
aandacht van de aanwezigen op zich te vestigen. In een officierswoning
van de vesting Colombo had men een anderen Gekko gewend dagelijks
aan het souper deel te nemen. Hij verscheen precies op zijn tijd,
zoodra de schotels op tafel werden gezet. De familie verliet haar
woning voor eenige maanden en gedurende haar afwezigheid werd het
geheele huis in orde gebracht. De muren werden opnieuw aangestreken,
de plafonds gewit, het dak vernieuwd, enz. Iedereen dacht natuurlijk,
dat de kleine bewoner door deze ingrijpende verandering verdreven zou
zijn; dit bleek echter niet het geval te zijn. Bij de terugkomst van
zijne oude vrienden verscheen hij met zijn gewone stiptheid, zoodra
de tafel gedekt was, en bedelde als naar gewoonte om voedsel."
Men zou op grond van feiten als de zooeven genoemde kunnen verwachten,
dat de Gekko overal een gewilde gast zal zijn; het tegendeel is echter
waar; het volkomen noodelooze vervolgen en dooden van dit onschadelijke
dier levert, gelijk Prins Lucien Bonaparte zeer te recht opmerkt,
"een duidelijk voorbeeld van de ondankbaarheid der wereld. De Gekko
heeft geen ander doel dan de woning, die hij tegelijk met ons bewoont,
van Spinnen, Muggen en andere lastige Gelede Dieren te bevrijden; voor
deze weldaad krijgt hij geen ander loon dan lasterlijke beschuldiging
en vervolging!"
Het is ongelukkig zeer moeielijk om Gekko's in een kooi te houden
en ze vooral hier te lande door den winter te brengen. Zij zijn
buitengewoon teer; dit blijkt reeds, als men ze vangen wil; bij een
eenigszins ruwe aanraking breekt de staart dadelijk af, alsof hij
uit glas bestond. Dit is echter geen groot verlies; want reeds na
weinige dagen komt aan het overgebleven stompje een uitspruitsel,
dat zich tot een nieuwen staart ontwikkelt en reeds na verloop van
een maand het gewone uitzicht heeft verkregen, met dit verschil, dat
de huid glad blijft, geen doornachtige knobbels vertoont en dat het
nieuwe gedeelte op de plaats, waar het aan het oude vastzit, verdikt
is. In een beperkte ruimte blijft de Gekko steeds vreesachtig en
schuw; voordat hij getemd is, breekt de voor hem meestal noodlottige
winter aan. Daarom ziet men bij liefhebbers van dieren zoo zelden
levende Gekko's.
In het zuiden en oosten van de Oude Wereld leeft de talrijke familie
van de Agamen (Agamidae), die uit Hagedissen van zeer verschillenden
vorm bestaat: de romp is bij sommige gedrongen, bij andere langwerpig,
nu eens van boven naar onderen, dan weer van weerszijden samengedrukt,
over 't algemeen echter krachtig gebouwd; de kop is kort en breed,
de staart bij eenige soorten kort, bij andere lang en spits, in
geen geval echter zoo broos als bij de leden der vorige familie;
de ledematen zijn goed ontwikkeld. De tanden zijn aan den bovenrand
der kaakbeenderen vastgegroeid; in den regel steekt een van hen bij
wijze van een hondstand voorbij de overige uit. De vleezige tong,
die hoogstens aan den top een ondiepe insnijding vertoont, is over
haar geheele lengte met den bodem der mondholte vergroeid en kan dus
niet uitgestoken worden.
"Naar mij gezegd werd," verhaalt Herodotus, "is bij de stad
Butus in Arabië een oord gelegen, waar men vliegende Slangen
aantreft. Ik bezocht dit oord en zag er een ongeloofelijk groote
hoeveelheid beenderen en graten tot tallooze groote en kleine hoopen
opeengestapeld. Het ligt in een door bergen ingesloten dal, dat met
de uitgestrekte Egyptische vlakte in gemeenschap staat. Ik vernam,
dat de gevleugelde Slangen in de lente van Arabië naar Egypte vliegen,
maar, bij den uitgang van het dal Ibissen ontmoetend, door deze om 't
leven worden gebracht, om welke reden de Ibissen bij de Egyptenaren
in hoog aanzien staan. De gedaante dezer Slangen is als die der
Waterslangen; hare vleugels hebben geen veeren, maar komen in maaksel
met Vleermuis-vleugels overeen."
Welke dieren de "vader der geschiedenis" hier op het oog heeft, kan nu
niet meer uitgemaakt worden. Misschien zou men uit hetgeen hem verteld
werd, kunnen afleiden, dat zijn zegsman had hooren spreken over de
kleine Oost-Indische Boom-agamen, die onder den naam van Draken (Draco)
bekend zijn, daar deze, zij het dan ook geen vleugels, een valscherm
bezitten. Deze onschadelijke diertjes hebben met hunne peten, de Draken
en Lintwormen van de fabelleer, die men in de gedaante van gevleugelde
Reuzenslangen of Krokodillen voorstelde, niets dan den naam gemeen.
De meest in 't oog loopende eigenaardigheid van de Draken is
ongetwijfeld hun valscherm, dat door de ribben wordt gesteund. Op
eenige ware ribben (die zich van de wervelkolom tot aan het borstbeen
uitstrekken) volgens 5 of 6 paar valsche ribben, die niet naar de
borst gekromd, maar zijwaarts verlengd en recht zijn. Als baleinen
van een parapluie spannen zij de huid van de zijden van den romp
tot een halfkringvormige schijf uit, die aan weerszijden tusschen
de pooten uitsteekt, doch deze geheel vrij laat en niet door hen
gesteund wordt, zooals het voor 't zelfde doel dienende orgaan der
Vliegende Eekhoorns. In den toestand van rust wordt het valscherm
door het achterwaarts richten der ribben opgevouwen.
De meest bekende soort van dit geslacht is de Vliegende Draak (Draco
volans). Dit bekoorlijke dier bereikt een totale lengte van niet
meer dan 20 cM. Door een beschrijving kan men van zijn schoonheid
slechts een zeer onvoldoende voorstelling geven. De kop van het
levende dier is metaalachtig bruin of groen van kleur en prijkt met
een zwarte vlek tusschen de oogen; de rug en de binnenste helft van
het valscherm zijn deels donkerbruin met metaalachtigen weerschijn,
deels rozerood, welke beide kleuren bij enkele exemplaren onderling
afwisselen en dwarsbanden vormen, die met talrijke zwarte vlekken
en korte lijnen van onregelmatigen vorm geteekend zijn. De keelzak
heeft bij het mannetje een levendig oranjegele, bij 't wijfje een
blauwachtige kleur; de borst heeft zwarte stippels op gelen grond.
Alle Draken zijn Boomhagedissen in de volste beteekenis van 't woord;
zonder er toe gedwongen te zijn, komen zij waarschijnlijk nooit op
den grond; meestal leven zij in de boomkronen. Hunne prachtige kleuren
vallen daarom volstrekt niet in het oog. Men merkt deze dieren, terwijl
zij in de schaduw der bladen liggen of tegen den stam aangeplakt zijn,
eerst op, als men zeer dicht bij hen komt en ziet ook dan niets anders
dan een mengelmoes van bruin en grijs, dat zeer veel op boomschors
gelijkt. In deze omstandigheden wordt zelfs bij nauwkeurige beschouwing
geen ander bewijs van leven opgemerkt dan het rusteloos rondwaren der
oogen, die voorbijvliegende Insecten beloeren. Als een dergelijke prooi
dicht bij den Draak komt, breidt hij plotseling zijn valscherm uit,
maakt, hierdoor gedragen, een grooten luchtsprong, grijpt met bijna
onfeilbare gewisheid den buit en zet zich weder op een andere twijg
neer. De op deze wijze afgelegde weg is steeds schuins van boven naar
beneden gericht en bedraagt soms 6 à 10 Meter. Daar de Draken met hun
"vlieghuid" slechts weinig kunnen stijgen, moeten zij hooger gelegen
punten klimmend langs de takken bereiken; zij doen dit niet, zooals
de andere Boomhagedissen, rennend, met snel opeenvolgende passen,
maar door een aantal meer of minder groote sprongen.
Echte boomdieren zijn ook de Galeoten (Calotes), van welk geslacht
19 soorten het vaste land van Zuid-Azië en zijne groote en kleine
eilanden bewonen. Over 't algemeen zijn zij slank gebouwd; de romp
is zijdelings samengedrukt, de kop heeft den vorm van een korte,
vierzijdige piramide, de staart is lang en rond, de pooten zijn slank
en de voeten hebben zeer lange teenen. De schubben van den rug zijn
regelmatig op schuine rijen geplaatst en vormen in 't midden een kam.
Als de meest bekende soort noemen wij den Bloedzuiger der Singalezen
(Calotes versicolor). Zijn lengte bedraagt 41 cM., waarvan bijna drie
vierde op den staart komt. Het dier onderscheidt zich door zijschubben,
die achter- en bovenwaarts gericht zijn, door twee groepen van stekels
boven iederen gehoorgang en door een matig hoogen kam op den hals en
het voorste deel van den rug, veel meer echter nog door de plotselinge
kleursveranderingen, die een groot deel van zijn huid ondergaat. Soms
heeft het geheele dier een glinsterend roode kleur met zwarte vlekken;
in enkele gevallen blijft de kleursverandering tot den kop beperkt,
in andere strekt zij zich ook over den romp en den staart uit.
De Bloedzuiger is een van de algemeenste Zuid-Aziatische Hagedissen,
want zijn verbreidingsgebied strekt zich van Afghanistan over geheel
Voor- en Achter-Indië tot Zuid-China uit. Op heete, zonnige dagen ziet
men hem met geopenden bek, gewoonlijk eenzaam, op een twijg, soms ook
wel op een muur, in de zon zitten. Na een regenbui echter wijdt hij
zich met den grootsten ijver aan de jacht op allerlei Gelede Dieren;
bij zulk een weersgesteldheid komt hij ook dikwijls op den grond,
waar hij zich anders gewoonlijk niet vertoont. Het wijfje legt 5 à
16 eieren van gewonen vorm, doch met zachte schaal, in holle boomen
of in gaten, die zij zelf in den zachten grond graaft; na acht of
negen weken komen de jongen uit.
Op den grond leven de Slingerstaarten (Stellio), die zich van de
overige Agamen onderscheiden door hun gordelvormig met stekelige
schubben bekleeden staart. De nagenoeg driehoekige kop is plat, in de
teugelstreek uitgehold, in de wangstreek flauw gezwollen; de romp is
nu eens meer dan weer minder forsch ontwikkeld, van boven naar onderen
afgeplat, de tamelijk korte hals met onregelmatige plooien voorzien en
dunner dan de achterkop, de middelmatige lange staart aan den wortel
afgeplat, overigens echter rond; de pooten zijn betrekkelijk lang en
forsch gebouwd.
Van de 5 tot dusver bekende soorten van dit geslacht is de Doornhagedis
of Hardoen (Steltio vulgaris), voor ons de belangrijkste, omdat zij
ook nog in Europa aangetroffen wordt, n.l. in Europeesch Turkije
en op eenige eilanden van de Egeïsche Zee. Bovendien is zij over
het grootste deel van Klein-Azië, Syrië, Noord-Arabië en Egypte
verbreid. In volwassen toestand bedraagt haar lengte 28 cM., waarvan
17 cM. op den staart komen. Haar kleur en teekening zijn, evenals
bij vele andere Hagedissen, tamelijk uiteenloopend. De bruingele
kleur van de bovenzijde kan verdonkeren tot zwartachtig grijs of
verbleeken tot isabel; de teekening bestaat uit groote, lichtgele
plekken op het midden van den rug en zwarte stippels. De onderzijde
is op geelachtigen grond donker gevlekt en geteekend, de onderzijde
van den staart evenwel effenkleurig: vuiloranje of okergeel.
Veel talrijker dan in Europa ontmoet men deze Hagedis in
Noordoost-Afrika. De "Hardoen", gelijk de Arabieren haar noemen,
is een algemeen bekend dier. Hem ziet men bijna overal, dikwijls
bij dozijnen te gelijk of in nog grooter aantal op steenen, rotsen,
muren en in huizen, bij welker wanden hij even behendig op en neer
klautert als bij hellende steenmassa's. Hoewel hij een eenigszins
plomp voorkomen heeft, staat hij, wat vlugheid van beweging betreft,
nagenoeg niet achter bij onze Hagedissen.
Het voedsel van den Hardoen bestaat hoofdzakelijk, zoo niet uitsluitend
uit groote Insecten, vooral Vliegen, Vlinders en verschillende soorten
van Vliesvleugeligen. Zoo verdienstelijk hij zich maakt door het vangen
van gene, zoo schadelijk blijkt hij te zijn door het verslinden van
Bijen, gelijk o.a. op de Grieksche eilanden herhaaldelijk gebleken is.
In Egypte wordt de Hardoen, evenals alle groote soorten van Hagedissen,
door de Slangenbezweerders gevangen en aan het publiek vertoond.
De Doornstaarten (Uromastix) zijn groote, plompe Agamen, die woeste
landstreken van Noord-Afrika en Zuid-Azië bewonen. De driezijdige,
platte kop, welks korte snuit stomp afgerond is, herinnert aan
dien van een Schildpad; talrijke, gekronkelde huidplooien omgeven
den hals; de korte, plompe, breede en lage romp is met kleine,
gelijkvormige, afgerond vierzijdige schubjes bedekt; de schubben
van den eveneens afgeplatten staart zijn vooral aan de bovenzijde
gordelsgewijs gerangschikt en eindigen van achteren in een doorn. De
korte, krachtige pooten hebben tamelijk lange teenen, die met sterk
gekromde klauwen gewapend zijn.
De Doornstaart of Dabb der Arabieren (Uromastix spinipes) kan
een lengte van 46 cM. bereiken, waarvan ongeveer 19 cM. op den
staart komen; zijn kleur is tamelijk effen, van boven grijsbruin
of olijfkleurig met onregelmatige, bruine vlekken, van onderen
geelachtig, gedurende den paartijd van boven glanzig grasgroen,
van onderen groenachtig geel.
De Doornstaart is minder plomp van beweging dan van uitzicht;
naar het schijnt, toont hij dit vooral gedurende de schemering. Hij
bewoont woeste, steenachtige gewesten, zonder evenwel de nabijheid
van de door menschen bewoonde plaatsen te vermijden. In de echte
zandwoestijn komt hij niet voor; geregeld ontmoet men hem echter
in alle vlakten, die door den nu en dan vallenden regen met een,
zij het dan ook zeer armoedig, plantenkleed bedekt zijn. Over dag
ziet men hem soms onbeschut op de rotsen zitten, blootgesteld aan de
verwarmende zonnestralen; gewoonlijk echter is hij half verborgen in
de breede spleten van het gesteente. In zeer gunstig gelegen oorden,
dus in zulke, die hem ontoegankelijke schuilplaatsen verschaffen,
merkt men deze dieren soms in aanzienlijken getale op: ik herinner mij,
ze bij dozijnen in één rotsspleet te hebben gezien. Waar dergelijke
toevluchtsoorden ontbreken, graaft hij holen in 't zand, die hij
over dag slechts dan verlaat, als hij zich in de zon wil koesteren,
in de heete middaguren echter weer opzoekt.
Bij het ontmoeten van een mensch snelt de Doornstaart met
vreemdsoortige, slangsgewijze kronkelingen van den korten en plompen
romp en den stijven staart naar zijn hol. Zoolang hij den mensch nog
niet heeft opgemerkt, begeeft hij zich langzaam met waggelende schreden
daarheen, intusschen den kop nu eens naar de eene, dan weer naar de
andere zijde wendend, als om de grootst mogelijke voorzichtigheid
te betrachten. In zijn schuilhoek houdt hij zich na het bereiken
van een zekere diepte volkomen stil; daar hij schijnt te weten,
dat men hem hier niet volgen kan. Als men hem toevallig opzettelijk
den weg naar zijn woning afsnijdt, blijft hij staan, laat een dof
geblaas hooren en maakt zich tot den aanval gereed. Zijn voornaamste
wapen is de staart, waarmede hij krachtige en gevoelige slagen kan
toebrengen. Zelden maakt hij van zijn gebit gebruik; wanneer dit
geschiedt, laat hij het gegrepen voorwerp niet licht weer los, al
zou men hem de kaken stukbreken.
Alle Doornstaarten zijn planteneters, die zich met allerlei bladen
en bloemen, graszaden en andere droge vruchten voeden en slechts bij
uitzondering dierlijke stoffen gebruiken. Bij de Arabieren ziet men den
Dabb nu en dan in gevangenschap, omdat zijn tegenwoordigheid beschouwd
wordt als zegenrijk voor het huis; bovendien worden de 21 ringen
van zijn staart in verband gebracht met de een of andere legende,
waarin het genoemde getal een rol speelt. De Bedoeïnen echter maken
jacht op den Doornstaart, dien zij vetmesten en vervolgens opeten.
Tot de Agamen behoort ook nog een van de vreemdsoortigste Hagedissen,
die men kent, n.l. den Moloch (Moloch horridus), een bewoner van
Zuid- en West-Australië. De kop is zeer klein en smal, de romp forsch
gebouwd, plat, aan dien van een Pad herinnerend; de afgeronde staart
is iets korter dan de romp, aan het einde afgeknot. De pooten zijn
tamelijk stevig, de teenen buitengewoon kort en dik en met lange
klauwen gewapend. Op het midden van den hals komt een langwerpige
bult voor, met groote, zijwaarts gerichte doornen. De kop, de hals
en de romp zijn met schilden van onregelmatigen vorm bekleed, ieder
eindigend in een stekel, die op een rozendoorn gelijkt. De lengte
en de kromming van deze stekels is verschillend. De onderzijde
is oneffen, maar niet stekelig. De kleur van dit dier maakt een
aangenamen indruk, van boven kastanjebruin met drie streepvormige,
overlangsche vlekken. Totale lengte 18 à 22 cM.
Eerst in den laatsten tijd is men bekend geworden met de levenswijze
van dit dier, dat door de kolonisten "Stekelhagedis" of "Doornduivel"
wordt genoemd. Het bewoont zeer zandige terreinen. Uit de kleinheid
en verborgen ligging van zijne oogen, zoowel als uit zijn geheele
uiterlijk, kan men afleiden, dat het over dag werkzaam is en misschien
nooit, althans zeer zelden, 's nachts zijn rustplaats verlaat. Het kan,
gelijk gebleken is, vlug loopen, maar beweegt zich in den regel zeer
langzaam. Zijn voedsel schijnt hoofdzakelijk uit Mieren te bestaan,
nu en dan ook wel uit plantaardige stoffen.
De Moloch verdient zijn naam, die aan de sombere godenleer van de
Kanaänieten ontleend is, slechts ten halve; ondanks zijn schrikwekkend
uiterlijk, is hij zachtzinnig van aard. Hij heeft geen andere
verweermiddelen dan zijne stekels en ook deze zijn zoo zwak, dat een
behendige vanger zich niet licht er aan kwetsen zal. Hij kan niet
bijten, zooals reeds uit de kleinheid van zijn bek valt af te leiden.
De familie van de Legoeanen (Iguanidae) neemt in Amerika de plaats
in van de tot de Oude Wereld beperkte Agamen, maar omvat een veel
grooter aantal soorten; bovendien vertoonen deze meer verscheidenheid
van vorm. Van de Agamen verschillen zij vooral, doordat hunne aan
den wortel ronde, nader bij de spits breedere en meer samengedrukte
tanden bevestigd zijn aan de binnenzijde van een beenige lijst,
die den rand van de kaak vormt.
De Legoeanen zijn in hooge mate karakteristiek voor Zuid-
en Midden-Amerika en worden hier overal in zeer grooten getale
aangetroffen; hun verbreidingsgebied strekt zich ook over de warmste
gedeelten van Noord-Amerika uit. Verscheidene soorten zijn belangrijk
wegens haar vleesch en hare eieren, die gaarne door den mensch
gegeten worden.
In alle warme gewesten van Amerika wordt in wouden, bosschen en
tuinen een talrijk geslacht van allerliefste Hagedissen gevonden, die
den naam Anolis (Anolis), welke zij op de Antillen dragen, in onze
taal behouden hebben. Een belangrijk kenmerk van deze dieren is het
maaksel van den voet. De voorpooten zijn korter dan de achterpooten,
doch overigens even goed ontwikkeld als deze. De groote voet heeft vijf
teenen van zeer ongelijke lengte, welker middelste leden, evenals bij
de Gekko's, verbreed en op de zool van fijne dwarsplooien voorzien
zijn. De huid van deze dieren prijkt met prachtige kleuren en bezit
(in veel hoogere mate dan die van den meer algemeen bekenden Kameleon)
de eigenschap om van kleur te veranderen.
Iedere wetenschappelijk ontwikkelde reiziger, die een deel van Zuid-
of Midden-Amerika doorzoekt, voegt eenige vroeger niet beschreven
leden toe aan deze groep, die thans reeds uit meer dan 100 soorten
bestaat. Anolis vindt men overal, in ieder woud, in ieder bosch,
in ieder plantsoen; soms verlaten zij de boomen en verschijnen op
en in de huizen, in de galerijen en zelfs in de kamers; zij trekken
dus zeer de aandacht en kunnen hoogstens alleen in de dichte wouden
onopgemerkt blijven. Het is wel mogelijk, dat men in 't donkere
oerwoud slechts bij toeval een van deze dieren te zien krijgt,
terwijl het stil en bewegingloos op een tak zit; in de nabijheid
van bewoonde plaatsen is de mensch in zekeren zin gedwongen om op
hen te letten. Buitengewoon levendig, behendig, vlug en vaardig,
maken zij jacht op allerlei Gelede Dieren, vangen hier een Mug,
een Vlinder, een Kever, onderzoeken ginds een spleet, die aan een
Spin tot schuilplaats dient, en maken zich meester van dit dier; als
roofdieren loeren zij op hun prooi, schieten er bliksemsnel op toe,
als een Kat die een Muis vervolgt, en grijpen haar met nagenoeg nimmer
falende zekerheid. Aanhoudend leven zij op voet van oorlog met hunne
soortgenooten. "Zoodra een Anolis", verhaalt Nicolson, "een ander
dier van zijn soort bemerkt, spoedt hij zich naar dezen concurrent,
die hem als een dappere held afwacht. De beide duellanten keeren en
wenden zich vóór den strijd bijna als hanen, bewegen snel en hevig den
kop op en neer, blazen de keel op en kijken elkander met fonkelende
blikken aan. Door een onverhoedschen, woedenden aanval tracht de een
den anderen te overrompelen. Als beide tegenstanders even sterk zijn,
komt er aan den strijd, die meestal in de boomen uitgevochten wordt,
niet spoedig een einde".
Daar deze dieren onschadelijk zijn en een vriendelijken indruk maken,
beschouwt men ze nergens met tegenzin, op sommige plaatsen zelfs
met welwillendheid, misschien wel uit erkentelijkheid voor de goede
diensten, die zij door het vangen van Insecten bewijzen. Alle soorten
kunnen, als zij goed behandeld worden, de gevangenschap geruimen tijd
verdragen; het is niet moeilijk ze levend naar Europa te brengen.
Als vertegenwoordiger van dit geslacht zullen wij den Roodkeeligen
Anolis (Anolis carolinensis) beschrijven. Bij het levende dier is de
bovenzijde glanzig groen, de onderzijde zilverwit, de vuurroode keelzak
met witte schubben bedekt, de slaapstreek zwart, een groote oogvlek
boven de okselholte blauw en de staartstreek met zwarte stippels
geteekend. Het groen heeft echter dikwijls een min of meer bruinachtige
tint of is door bruin vervangen; ook andere kleurswijzigingen komen
veelvuldig voor. De lengte, die bij de mannetjes en wijfjes verschilt,
bedraagt 14 à 22 cM., waarvan twee derde op den staart komt.
In Louisiana, Carolina en op Cuba is de Roodkeelige Anolis een van de
meest gewone Hagedissen; men vindt hem hier op boomen, omheiningen
van tuinen, aan den buitenkant van woonhuizen en niet zelden ook
daarbinnen. Op de boomen beweegt hij zich verwonderlijk snel en vlug,
met sprongen twaalfmaal zoover als zijn lichaam lang is, van den
eenen tak of boom op den anderen. Ieder blad, dat hij aanraakt, kan
hem een voldoenden steun verschaffen; daar zijne breede vingers zich,
evenals die der Gekko's, oogenblikkelijk hechten aan de voorwerpen,
waartegen zij aangedrukt worden, hoe glad deze ook zijn, glad gewreven
hout en glas niet uitgezonderd; zelfs kan hij langs den zolder van
een vertrek loopen. Gevangen exemplaren worden na zeer korten tijd
tam en komen daarom zelfs bij lieden, die overigens geen groote
liefhebbers van Kruipende Dieren zijn, dikwijls voor. Niet zelden
worden zij levend naar Europa gebracht.
Basiliscus noemden de oude Grieken en Romeinen een fabelachtig monster,
dat op een Slang geleek, met bovennatuurlijke krachten begaafd was, een
zeer afschrikwekkend voorkomen had, op onnatuurlijke wijze ontstaan was
en onheil bracht over allerlei levende wezens, zelfs over menschen. De
huishaan, de Slang en de Pad speelden een rol bij het voortbrengen
van dit monster. Wanstaltige eieren, door een haan gelegd, werden
door Slangen en Padden medegenomen en uitgebroed. De Basiliscus had
vleugels aan den romp, een kroon op den kop, vier pooten als die van
een haan en een staart als een Slang; de vergiftige blikken van zijne
fonkelende oogen hadden een nog schadelijker werking dan het "booze
oog", waarvoor de hedendaagsche bewoners van Zuid-Europa en van het
Oosten zoo bevreesd zijn. Het van hem uitgaande gif verspreidde zich,
naar gezegd werd, door de lucht en doodde alle levende wezens, die er
mede in aanraking kwamen; de vruchten vielen verrot van de boomen,
gras en kruiden verschroeiden, de Vogels tuimelden dood ter aarde,
paard en ruiter bezweken. Slechts één dier was in staat om den
Basiliscus te verjagen en onschadelijk te maken: een van de dieren,
waardoor hij werd voortgebracht, n.l. de huishaan. Zijn gekraai, dat
de spoken verjaagt, noopte ook de Basilisken om naar het binnenste
van de aarde de wijk te nemen.
Met den naam van dit monster wordt door de dierkundigen een geslacht
van Legoeanen aangeduid. Het mannetje is gekenmerkt door het bezit
van een hoogen, vliezigen helm op den achterkop en van een vliezigen
kam, die door de doornuitsteeksels van de wervels gesteund wordt,
op den rug en op het begin van den staart.
De Helmbasiliscus (Basiliscus americanus), heeft op den kop een
spits toeloopende kap, van buiten met gekielde schubben bekleed en
van binnen door een kraakbeenige lijst gesteund. Het levende dier
heeft waarschijnlijk een groene kleur; bij de in spiritus bewaarde
exemplaren is de bovenzijde roodachtig bruin, de onderzijde vuilwit;
onregelmatige, afgebroken dwarsstrepen loopen van den rug langs de
zijden; achter het oog en bij den mondhoek komt een witte streep
voor. Totale lengte 80 cM., staartlengte 56 cM. Het vaderland van
deze soort is Panama en Costarica. Haar voedsel bestaat, voorzoover
men weet, uitsluitend uit plantaardige stoffen.
De Galapagos-eilanden hebben een zeer eigenaardige fauna en flora: de
daar levende planten en dieren worden voor 't meerendeel nergens anders
gevonden. Men vindt er o. a. vier soorten van Hagedissen, die tot de
Legoeanen behooren, waarbij twee, die hoogst merkwaardige afwijkingen
vertoonen. Geen van beide is vlug van beweging; haar voedsel bestaat
uit planten; de eene leeft op het land, de andere behoort in 't water
thuis en is de eenige Hagedis, die recht heeft op den naam van zeedier,
de eenige, die uitsluitend van waterplanten leeft.
De Zeehagedis (Amblyrhynchus cristatus), een zeer groote Legoeaan,
met een totale lengte van 135 cM., waarvan 80 cM. op den staart
komen, kan een gewicht van 12 KG. bereiken. De geheele bovenzijde van
den kop is bekleed met een mozaïek van schilden van veelhoekigen,
meestal 4- à 6-zijdigen vorm en van ongelijke grootte. Het lichaam
is grootendeels zeer krachtig gebouwd en op hals, nek en rug voorzien
van een zijdelings samengedrukten kam, die zich tot aan de spits van
den staart uitstrekt.
De kleur en de teekening veranderen met den leeftijd. Op den rug
wisselen vuilgrijze en zwarte vlekken, die meer of minder regelmatige,
dwarse strepen of reeksen vormen, met elkander af. De kop is van
onderen donker vuilgrijs, de keelstreek zwart, de buikzijde overigens
vuil geelbruin, de kam op den rug met afwisselende, gele en zwarte,
of grijze en zwarte strepen geteekend. Bij uitzondering ontmoet men
zuiver zwarte exemplaren.
Op de Galapagos-eilanden is het aantal Zeehagedissen zeer groot. Op
het land houden zij zich steeds aan de rotsachtige kust op; nooit
ziet men ze meer dan tien schreden van de zee verwijderd.
Zij zwemmen zeer snel en zonder inspanning met slangsgewijze
kronkelingen van den romp en den afgeplatten staart; de voeten
worden bij deze beweging niet gebruikt, maar tegen de zijden van den
romp aangedrukt. Een matroos liet een Zeehagedis, die met een groot
gewicht bezwaard was, in de zee zakken, in de meening haar op deze
wijze oogenblikkelijk te zullen dooden; tot zijn verwondering had
het dier niets geleden, toen hij het na verloop van een uur weer
boven water bracht. De ledematen zijn met sterke klauwen gewapend
en hierdoor uitmuntend geschikt voor het kruipen over de oneffene
oppervlakte der verbrokkelde lavamassa, waaruit de kust bestaat. Op
zulke plaatsen, eenige meters boven de branding ziet men deze niet
fraaie Reptiliën bij troepjes van 6 of 7 op de zwarte rotsen zitten,
waar zij zich met wijd uitgestrekte pooten in de zon koesteren.
Opmerkelijk is het, dat dit dier niet in het water vlucht, wanneer
het beangst wordt gemaakt. Men kan het licht op een in de zee
vooruitstekende plaats drijven; hier evenwel laat het zich eerder bij
den staart grijpen, dan dat het in 't water springt. Het verdedigt
zich niet tegen den mensch.
De andere vreemdsoortige Hagedis van de Galapagos-eilanden, die wij
Klierenkop (Conolophus subcristatus) zullen noemen, is zoo mogelijk
nog plomper en logger van beweging dan de vorige. Zij is even leelijk
als deze en heeft wegens den kleinen gelaatshoek een buitengewoon
dom voorkomen. De meer of minder helder citroengele kleur van den
kop gaat op den rug naast den kam in steenrood of roestrood, verder
zijwaarts door roodbruin in vuil donkerbruin over. Dit dier bereikt
een lengte van 107 cM., waarvan 54 cM. op den staart komen. Zijne
bewegingen zijn traag en slaperig. Het bewoont holen, die het soms in
hoopen lavagruis, vaker evenwel op vlakke plaatsen van het zachte,
vulkanische gesteente graaft. Het zoekt zijn voedsel over dag en
verwijdert zich niet ver van zijn woning. Als men het bevreesd maakt,
zoekt het op zeer linksche wijze zijn schuilhoek weer op. Wegens den
steilen stand zijner pooten kan het zich niet snel bewegen, tenzij bij
een helling naar beneden. Het toont geen vrees, als men het nadert,
maar kromt den staart omhoog, richt het voorste deel van het lichaam
op door het strekken van de voorpooten, maakt met den kop snelle,
knikkende bewegingen in loodrechte richting en trekt een zeer boos
gezicht, hierover behoeft men zich echter niet veel te bekommeren,
daar het voldoende is met den voet op den grond te stampen om dezen
planteneter te nopen den staart te laten zakken en zoo snel mogelijk
het hazenpad te kiezen.
"Twee soorten van bloeiende ingas" (Amerikaansche boomen van
de familie der mimosaceën) "hadden een buitengewoon groot aantal
Legoeanen aangelokt. Telkens als onze roeiriemen in het water plonsden,
stortten 3 of 4 van deze groote dieren zich uit de boomen in 't water,
of verdwenen, merkwaardig vlug van de eene twijg op de andere sluipend,
in het dichte gebladerte van de kroon, welk toevluchtsoord hen echter
niet tegen het scherpziende oog van de Indianen en hunne wis treffende
pijlen beschutten kon. Er volgde een tooneel vol leven en beweging,
waarbij ieder zich beijverde om van dit kostelijke wild de grootst
mogelijke hoeveelheid te verkrijgen. De jacht met geweren leverde
minder goede uitkomsten dan die met pijlen; de met hagel geschoten
Legoeanen storten zich oogenblikkelijk in 't water, voor zoover zij
niet doodelijk gewond waren, en kwamen niet weder te voorschijn; door
de lange pijlen werd dit echter verhinderd. Wij schoten verscheidene
exemplaren van 2 M. lengte en 30 cM. dikte. In weerwil van het
schrikwekkend voorkomen dezer dieren is hun vleesch uitmuntend en
zijn hunne eieren zeer smakelijk. Dat zij steeds zeldzamer worden,
is voor een groot deel toe te schrijven aan hun eetbaarheid; vooral
is dit het geval in de kuststreken, waar niet alleen inboorlingen,
maar ook Europeanen, kleurlingen en zwarten jacht op hen maken."
Met deze woorden beschrijft Schomburgk een ontmoeting met den Legoeaan
(Iguana tuberculata), de meest bekende vertegenwoordiger van het
uit twee soorten bestaande geslacht en in zekeren zin het type
van de familie van dien naam. Het geslacht kenmerkt zich door den
langwerpigen, zijdelings samengedrukten romp, den grooten vierzijdigen
kop, met korten hals, de stevig ontwikkelde pooten, de zeer lange
teenen en den zeer langen staart, die zijdelings samengedrukt en
met gelijkvormige, gekielde schubben bedekt is; het voorste deel van
den grooten, hangenden keelzak draagt een stekeligen kam; de rugkam,
die uit lange, op zaagtanden gelijkende schubben bestaat, reikt van
den nek tot aan de spits van den staart.
De Legoeaan bereikt een lengte van 1.4 à 1.6 M., waarvan 1 M. of
meer voor den staart. De fraaie bladgroene kleur van zijn huid gaat
op sommige plaatsen in blauw, donkergroen, bruin en grijs over; de
onderzijde en de pooten zijn gestreept; de staart is met verscheidene
duidelijke, breede, donkere banden omgeven. De kleur kan trouwens
zeer verschillen, te meer, omdat de huid van den Legoeaan, evenals
die van den Kameleon, chromatophoren bevat.
Alle Legoeanen bewonen het tropische deel van Zuid-Amerika en de
landen om en in de Golf van Mexico, dus ook de Antillen; alle leven
op boomen, bij voorkeur op die, welke aan den waterkant staan. Hier
bewegen zij zich met groote behendigheid, springend en klimmend van
de eene twijg op de andere. Zeer goed weten zij zich tusschen de
bladeren te verbergen en onzichtbaar te maken voor het ongeoefende
oog. Tegen den avond dalen zij niet zelden op den bodem af en zoeken
hier voedsel. Een gevaar ontvluchten zij, indien dit mogelijk is,
in de kroon van een hoogen boom, of, zooals hierboven reeds gezegd
werd, op den bodem van het water, waar zij even goed thuis zijn, als
de Waranen. Hoewel men hen in de vrije natuur en in de gevangenschap
nu en dan Insecten heeft zien eten, lijdt het geen twijfel, dat
plantaardige stoffen hun hoofdvoedsel zijn.
Gewoonlijk vluchten zij bij 't zien van den mensch, hun gevaarlijksten
vijand; in 't nauw gebracht stellen zij zich evenwel moedig te weer,
blazen den keelzak op om een schrikwekkend voorkomen te verkrijgen,
sissen, blazen, springen op hun tegenstander toe, trachten hem te
bijten en laten hetgeen zij eens met hun krachtig gebit gegrepen
hebben, zoo licht niet meer los. Bovendien kunnen zij met den
krachtigen staart hevige en pijnlijke, ja zelfs gevaarlijke slagen
toebrengen.
Hoewel in West-Indië vrij algemeen beweerd wordt, dat het vleesch
van de Legoeanen ongezond is, en meer bepaaldelijk, dat het sommige
ziekten verergert, stoort niemand zich aan deze meening en tracht ieder
integendeel zich dit smakelijk gerecht te verschaffen. Catesby zegt,
dat de Legoeanen een courant handelsartikel zijn en op het vasteland
door voorname lieden voor hooge prijzen gekocht worden. Het vleesch
wordt gemakkelijk verteerbaar, voedzaam en smakelijk genoemd; men
eet het gebraden, maar vaker nog gekookt. De eieren, die bijna geen
eiwit bevatten en bij het koken niet hard worden, dienen gewoonlijk
voor het bereiden van soep. Het opsporen van dit eigenaardige wild is
het werk van een bepaald soort van jagers, die verschillende wijzen
van vangst in praktijk brengen. Gewoonlijk gebruiken zij Honden,
die voor deze jacht zijn afgericht.
Gevangen Legoeanen zijn aanvankelijk onhandelbaar en zeer valsch,
trachten hun meester te bijten en bedreigen ieder dier, dat in hun
nabijheid komt; niet zelden dooden zij kleine huisdieren of hunne
medegevangenen. Langzamerhand vermindert hun woede: na verloop van
eenige weken laten zij zich aanraken. Zij kunnen zoo tam worden,
dat men ze vrij in den tuin of in huis kan laten loopen. In Europa
ziet men ze soms in diergaarden.
Tot de Legoeanen rekent men tegenwoordig ook de Padhagedissen
(Phrynosoma), die zich kenmerken door een korten, dikken, platten romp,
een zeer korten kop en een platten staart, die korter dan het overige
lichaam, en vooral bij den wortel zeer breed is. Zeer vallen zij in
't oog door de gedoornde schubben, die aan den achterkop en aan de
zijden van den romp tusschen de overige, kleinere opperhuidsvormingen
gelegen zijn.
De bekendste vertegenwoordiger van dit geslacht, de Tapayaxye
(Phrynosoma cornutum), een plomp, leelijk dier van 10 cM. lengte
(waarbij 3.8 cM. voor den staart), bewoont Mexico en de zuidwestelijke
Vereenigde Staten. Het wordt tegenwoordig vaak levend naar Europa
gebracht en in terrariën gehouden, waar het vooral bij felle
zomerwarmte zeer bedrijvig wordt. Men voedt het met levende Insecten,
daar het doode dieren versmaadt.
De Gordelhagedissen (Zonuridae) zijn o.a. kenbaar aan een diepe, met
kleine schubben bekleede huidplooi, die achter de voorste ledematen
begint, zich tot aan de achterpooten uitstrekt en een scheiding vormt
tusschen de rug- en de buikzijde van den romp. Haar lichaam is met
dikke schildjes en schubben bedekt. Deze vormen een soort van pantser,
welks beweeglijkheid bevorderd wordt door de genoemde groeve en door
de regelmatige plaatsing van de harde huidbekleedselen op dwarse
reeksen of gordels.
Sommige leden van deze familie komen in vorm en levenswijze met de
Hagedissen overeen; andere gelijken door de groote lengte van den
romp, de geringe ontwikkeling of het ontbreken der ledematen en de
bewegingswijze op Slangen. Zij bewonen de tropische gewesten van
Afrika tot Kaapland en Madagaskar. Hunne bewegingen zijn verrassend
snel; die, welker ledematen rudimentair zijn, kronkelen hun lichaam op
hoogst bevallige wijze, misschien iets langzamer dan onze Ringslang,
maar toch vlug en behendig; evenals hunne familieverwanten in 't
algemeen, maken zij een aangenamen indruk. Eenige komen uitsluitend
op den vlakken grond voor, of kunnen zich hoogstens langs hellende
vlakken naar boven bewegen; andere daarentegen zijn rotsbewoners en
ervaren klimmers. Hun voedsel ontleenen zij aan het dierenrijk. Van
hun voortplanting is nog niet veel bekend; men weet echter, dat zij
niet veel van die der Hagedissen verschilt.
De tot deze groep behoorende Gordelstaarten (Zonurus), gelijken
door hun kort ineengedrongen gestalte op de Slingerstaarten; zij
hebben vier pooten, een platten, driezijdigen kop en een dikken,
middelmatig langen staart. De bovenhals en de rug zijn bekleed met
groote, vierzijdige, schilden of schubben, die dwarse reeksen vormen,
de onderdeelen met groote, plaatvormige schilden, de ledematen aan de
bovenzijde met gekielde schubben, die elkander dakpansgewijs bedekken;
kransgewijs geplaatste stekelschubben beschutten den staart.
Het door den Gordelstaart (Zonurus cordylus) bewoonde gebied strekt
zich van het Kaapland noordwaarts tot aan de Kunene-rivier uit. Dit
dier is 18 cM. lang en zeer ongelijk van kleur. Bij de meeste
exemplaren zijn de rug en de staart vuil oranjegeel, de kop en de
pooten lichter geel, de onderdeelen wit; andere hebben zwartbruine
bovendeelen; bij nog andere zijn deze op bruinen grond donkerder
gestreept, enz. Alle Gordelstaarten bewonen rotsachtige gewesten, bij
voorkeur steile, moeielijk toegankelijke hellingen. Hier loopen zij
tamelijk langzaam rond en zoeken voedsel of warmte, totdat het een of
ander gevaar hen opschrikt en noopt hun schuilplaats op te zoeken. Zij
zijn niet gemakkelijk te vangen, zelfs wanneer men hun woonplaatsen
kan bereiken; zij klemmen zich buitengewoon stevig vast; als men ze
losrukken wil, houdt men vaker den staart dan het dier in de hand.
Nauw verwant aan de leden der vorige groep zijn de Slanghagedissen
(Anguidae), die zich van de Gordelhagedissen hoofdzakelijk
onderscheiden, doordat haar huid beenplaten bevat, waarin
onregelmatige, vertakte of straalsgewijs gerangschikte kanalen
voorkomen en doordat zij het voorste deel van de tong in een scheede
van het achterste deel terugtrekken kunnen. Alle leden van deze
familie leven op den grond, slechts weinige soorten beklimmen ook
wel lage struiken en scheefstaande boomen.
In schaduwrijke dalen van de steppen Nazyn en Koeman aan den Wolga,
later ook bij de rivieren Terek en Sarpa, ontdekte Pallas een groote
Slanghagedis; de Russen noemen haar Scheltopoesik, evenals alle op
Slangen gelijkende dieren. Andere onderzoekers vonden deze soort in
Hongarije, Istrië, Dalmatië, Griekenland, Klein-Azië, Syrië, Perzië,
Transkaukasië, Transkaspië en Toerkestan. Erber ontmoette haar het
veelvuldigst in de nabijheid van het Lago di Bocagnazzo bij Zara in
Dalmatië, maar ook elders bijna in het geheele land. Hare liefste
verblijfplaatsen zijn dalen, die dicht begroeid zijn met struikgewas;
deze verschaffen haar zulke uitmuntende schuilhoeken, dat zij, ondanks
haar aanzienlijke grootte, niet licht wordt opgemerkt, vooral omdat
zij, bewust van haar weerloosheid, bij de nadering van den mensch
geregeld vlucht. Allen, die de levenswijze van deze Hagedis hebben
nagegaan, prijzen haar als een van de nuttigste Reptiliën, daar zij
zich hoofdzakelijk met schadelijke dieren voedt. Haar gewone buit
bestaat uit Muizen en Slakken; de laatstgenoemde worden met schelp
en al verzwolgen; zij maakt echter ook jacht op Adders, die zij doodt
en verslindt, zonder zich te bekommeren om de voor andere Hagedissen
noodlottige giftanden. Toen Erber eens een Scheltopoesik in het hok van
een Adder plaatste, nam zoowel deze als gene onmiddellijk een dreigende
houding aan, hoewel beide de tegenwoordigheid van andere Slangen met
onverschilligheid hadden gadegeslagen. Daar de genoemde onderzoeker
slechts één Scheltopoesik bezat, wilde hij dezen niet in gevaar brengen
en nam hem weer weg. Toch wordt, waarschijnlijk op grond van latere
proeven, de Scheltopoesik door Erber een der bedrijvigste verdelgers
van Adders genoemd. Ondanks zijn geschiktheid voor 't rooversbedrijf
komt het niet in hem op tegen den mensch zijne wapenen te gebruiken;
hij bijt nooit, laat zonder vrees toe, dat men hem in de handen
neemt en schijnt zelfs mettertijd een zekere genegenheid voor zijn
verzorger op te vatten. Van andere Hagedissen onderscheidt hij zich
zeer gunstig door zijn bedrijvigheid. Hij is aanhoudend in beweging,
kruipt met bevallige kronkelingen voortdurend in zijn kooi rond,
beweegt tastend de tong heen en weer en onderzoekt zeer zorgvuldig
iedere holte, iedere spleet tusschen de steenen en het mos. Als men
hem in de kamer vrij laat rondkruipen, begint hij onmiddellijk jacht
te maken op allerlei ongedierte; de leelijke Kakkerlakken, die in
zoovele woningen voorkomen, zoekt hij in al hunne schuilhoeken op en
vervolgt ze zelfs in den schoorsteen.
Merkwaardig is de wijze, waarop de Scheltopoesik een Muis, een Mol
of dergelijk dier vangt en doodt. Direct na het grijpen van den buit
begint hij zich met ongeloofelijke snelheid rond te wentelen; deze
beweging wordt voortgezet, totdat het slachtoffer zoo suf en duizelig
is, dat het zijn vijand niet meer ontkomen kan. Nu eerst verbrijzelt
de Scheltopoesik den kop van zijn buit en begint hem te verslinden;
hiervoor wordt een geruimen tijd vereischt, daar hij zijn prooi
steeds stuksgewijs verzwelgt en zijn gebit niet scherp genoeg is om
de huid en de pezen door te snijden. Voor Hagedissen is hij een zeer
lastige buurman, daar hij haar den staart afbijt en dezen verslindt;
van het overige lichaam schijnt hij niet te houden.
De Scheltopoesik (Ophisaurus apus, Pseudopus Pallasii) vertegenwoordigt
het geslacht der Gepantserde Slanghagedissen, dat zich door de volgende
kenmerken onderscheidt: De romp, welke op dien van een Slang gelijkt,
is lang, rolvormig, een weinig zijdelings samengedrukt en bijna even
dik als de hals; de duidelijk begrensde, vierhoekige kop eindigt in
een spitsen snuit en is bijna even lang als hoog; de dunne, in een
punt uitloopende staart is iets langer dan het overige lichaam. Van
de voorpooten is geen spoor aanwezig; de achterste ledematen zijn
door knobbeltjes aan weerszijden van de kloakopening aangeduid. De
oogen hebben een ronde pupil en volkomen leden; de gehooropeningen
zijn als kleine, overlangsche spleten duidelijk zichtbaar.--De gewone
kleur van de genoemde soort is vuil roodbruin of donker stroogeel: de
kop is een weinig lichter, de benedenzijde van den romp bruinachtig
vleeschrood. Oude exemplaren zijn na de vervelling van boven donker
koperrood, op den kop roodachtig groen. De jongen zijn op grijzen
grond donkerbruin gevlekt en met dwarsbanden geteekend; soortgelijke,
donkere, dwarse strepen bevinden zich aan de zijden van den kop. Van
de totale lengte, die 1.1 M. bedraagt, komen 65 cM. op den staart;
de rudimentaire achterpooten zijn ongeveer 1 cM. lang.
Niet slechts van de voorste, maar ook van de achterste pooten is
uitwendig geen spoor meer te zien bij een soort, die de oostelijk
Vereenigde Staten en Mexico bewoont en door de Anglo-Amerikanen
Glasslang (Glasssnake) wordt genoemd (Ophisaurus ventalis); aan
het geraamte merkt men echter een weinig ontwikkelden schouder-
en heupgordel op. Als Hagedis is dit dier uitwendig kenbaar
aan de oogleden, die voor beweging geschikt zijn, en aan het
trommelvlies. Zijn kleur is zeer verschillend. Enkele exemplaren
zijn helder groen met zwarte en gele vlekken, andere bruinachtig met
donkerbruine strepen op de zijden, nog andere hebben oogvlekken op
bruinen grond. De lengte bedraagt ongeveer 80 cM.
De Glasslang bewoont bij voorkeur zeer droge terreinen, maar steeds
zulke, die haar geschikte schuilplaatsen aanbieden. De wortels van een
ouden boom of stronk, holen in heuvelhellingen, enz. verschaffen haar
een toevluchtsoord, waarin zij na elke storing zoo spoedig mogelijk de
wijk neemt. Zij komt zeer vroeg in 't voorjaar, vroeger dan de Slangen,
te voorschijn en houdt zich reeds ijverig met de jacht bezig, terwijl
deze nog in winterslaap verkeeren. Haar voedsel bestaat uit Insecten
en kleine Reptiliën, vooral jonge Hagedissen en dergelijke dieren.
Deze door fraaie teekening en zachtzinnigen aard aanbevelenswaardige
soort kan niet gemakkelijk in onbeschadigden toestand gevangen worden,
omdat zij bij aanraking buitengewoon licht breekt en dus haar naam
met volle recht draagt. Dit zal wel de reden zijn, waarom men haar
zoo zelden in een terrarium te zien krijgt.
Aan het ontbreken van de groeve aan weerszijden van den romp, het gemis
van voorste en achterste ledematen, de kleine en meestal verborgen
gehooropening en de lichaamsbekleeding, die uit kleine zeszijdige,
gladde, glanzige schubben bestaat, welke overlangsche reeksen, aan de
zijden van 't lichaam echter dwarse rijen vormen, zijn de Hazelwormen
(Anguis) uitwendig kenbaar. Een algemeen bekende vertegenwoordiger van
dit geslacht is de Hazelworm, die in Gelderland ook wel Blindslang
wordt genoemd (Anguis fragilis). Bij ons treft men deze soort in de
zandstreken van alle oostelijke provinciën aan, niet in de duinstreken
(Ritzema Bos).
De bovendeelen zijn gewoonlijk fraai loodkleurig grijs, de zijden
roodachtig bruin; de buik is blauwachtig zwart en prijkt dikwijls met
geelwitte stippels; het zal echter moeielijk zijn twee Hazelwormen te
vinden, die volkomen gelijke kleur hebben. O. Lenz verhaalt, dat er
bij de 33 exemplaren, die hij eens in den tijd van een halfuur op een
terrein van ongeveer 600 schreden omvang buit maakte, geen twee waren,
die in kleur en teekening volkomen overeenstemden. Zeer oude exemplaren
hebben op de bovenzijde dikwijls groote of kleine, op overlangsche
reeksen geplaatste, fraaie, blauwe vlekken en stippels. De jongen
zijn aan de rugzijde zilverwit, aan de buikzijde zwart en van boven
met één breede of twee smalle, donkerzwarte strepen geteekend. Het
mannetje en het wijfje verschillen niet in kleur; beide zijn echter
in staat van kleur te veranderen. De iris is geelrood. Het volwassen
dier heeft een lengte van 43 cM., met inbegrip van den staart, die
ruim 23 cM. lang is.
De Hazelworm bewoont bijna geheel Europa, van 't zuiden van Zweden
tot Griekenland en Spanje, voorts Kaukasië en Georgië, ja zelfs
bijna geheel West-Azië. Hij wordt overal gevonden, in vlakten en in
bergstreken, zelfs nog op bergen van 1450 M. hoogte, op vochtigen
grond echter meer dan op drogen. Hoewel hij de meest verschillende
terreinen tot woonplaats kiest, houdt hij zich het liefst op in
beukenbosschen, vooral daar, waar dicht struikgewas en hoog gras,
of desnoods losse steenen, den bodem bedekken. In verband met de
gesteldheid van het terrein zijn de plaatsen, waar hij rust en zich
verschuilt, verschillend. In den lossen grond graaft hij een meer of
minder diep gat; in streken, die dicht begroeid zijn met mos of gras,
verbergt hij zich tusschen deze planten in het struikgewas onder
wortels op glooiende rotsachtige terreinen onder waterpas liggende,
platte steenen. Vooral de laatstgenoemde ruimten zoekt hij gaarne op;
dikwijls is hij er de commensaal van Mieren, welker gezelschap hij
zoo weinig schuwt, dat hij soms in mierenhoopen zijn intrek neemt.
In het midden of in het einde van October kruipen de Hazelwormen in
reeds aanwezige of door hen zelf gegraven holen om hier winterslaap
te houden. Het graven geschiedt door borende bewegingen met den
kop. Soms is het winterverblijf een zeer nauw gat en slechts 7 tot
30 cM. diep, soms een gebogen gang van ongeveer 1 M. lengte, welker
opening van binnen met gras en aarde gesloten is. Hier zijn zij
soms met hun twintigen of dertigen bijeen, alle geheel verstijfd,
sommige met half opgerold lichaam, andere dooreengekronkeld of
recht uitgestrekt. Het dichtst bij den uitgang liggen de jongen;
daarop volgen al grootere exemplaren; in het achterste deel van het
hol hebben een oud wijfje en een oud mannetje hun winterbed. Welken
invloed verlaging van temperatuur op hen heeft, blijkt uit de door
Lenz genomen proeven. Bij 1.4 à 2° boven nul waren zij tamelijk stijf,
maar verroerden zich nog, als men ze opnam; ook bleven zij eenigen
tijd langzaam rondkruipen, nadat men ze in de kist met zemels, die hun
tot winterverblijf diende, teruggebracht had. Alle hielden de oogen
stijf dicht; slechts twee openden ze een weinig, toen zij in de hand
genomen werden; de overige sloten ze onmiddellijk weer, nadat men ze
met geweld geopend had. Toen de temperatuur gedaald was tot 3° onder
nul, lagen alle verstijfd in de zemelen; geen enkele bevroor echter,
hoewel verscheidene echte Slangen, die met de Hazelwormen dezelfde
kist bewoonden, door de koude bezweken. Tegen een nog strengere koude
zijn ook zij echter niet bestand. In de lente komen zij bij gunstig
weder reeds in 't midden van Maart weer voor den dag.
Het voedsel van den Hazelworm bestaat bijna uitsluitend uit Naakte
Slakken en Regenwormen; bovendien eet hij onbehaarde rupsen; het is hem
niet mogelijk dieren buit te maken, die zich sneller bewegen. De door
Lenz verzorgde exemplaren naderden zonder eenigen haast de Wormen,
die hij hun toewierp, betastten deze meestal vooraf met de tong,
sperden dan langzaam den bek open en hapten eindelijk toe. De roover
wachtte nu tot zijn prooi, die zich aanvankelijk zoo krachtig mogelijk
kronkelde, eenigszins afgemat was en verzwolg haar vervolgens zonder
overhaasting; dit geschiedde met afwisselende bewegingen van den kop
naar rechts en naar links, waarbij telkens de tanden een eind verder
in den buit geslagen werden. Het doorslikken van een Regenworm duurde
5 à 6 minuten; één of twee exemplaren van middelmatige grootte zijn
trouwens voldoende voor een maaltijd. Water drinkt de Hazelworm even
dikwijls en op dezelfde wijze als de Hagedissen.
Het is mogelijk, dat de Hazelworm ook wel over dag een buit, die
hem voor den bek komt, grijpt en verzwelgt, in den regel echter gaat
hij eerst in de schemering op de jacht. Over dag ligt hij, evenals
andere Reptiliën, uren lang in den zonneschijn en houdt gewoonlijk
den kop naar den grond gericht. V. Gredler noemt den Hazelworm een
betrouwbaren weerprofeet, wiens verschijning onmiddellijk vóór en
gedurende een weersverandering in verband zou kunnen staan met het
gelijktijdig omhoogstijgen van de Regenwormen.
De bewegingen van den Hazelworm zijn langzaam en gelijken zoo min op
die van de Hagedissen als op die van de Slangen. Bij een helling naar
beneden kruipt hij tamelijk snel, op den vlakken bodem zoo langzaam,
dat men, gewoon stappend, hem gemakkelijk bijhouden kan; naar boven
beweegt hij zich nog minder vlug. Op een stuk vensterglas kost het
hem zeer veel moeite vooruit te komen; langzamerhand gelukt hem dit
echter door zijwaartsche kronkelingen van het lichaam. Op dezelfde
wijze redt hij zich vrij goed uit den nood, als men hem in het
water werpt, dat hij vrijwillig nooit bezoekt. Gewoonlijk houdt het
dier den kop boven water en richt soms ook de buikzijde naar boven;
altijd echter tracht het zoo schielijk mogelijk weer op het droge te
komen. Hoewel de Hazelworm soms "Blindslang" wordt genoemd, is zijn
gezichtsorgaan goed ontwikkeld en neemt zonder eenigen twijfel onder
zijne zintuigen den eersten rang in. Moeielijk is het over het gehoor
een bepaald oordeel uit te spreken, hoewel proeven bij gevangen
dieren schijnen te bewijzen, dat de Hazelworm ook in dit opzicht
niet misdeeld is. Hij laat geen schuwheid blijken; nog minder kan
men list bij hem opmerken. Gewoonlijk ontkomt hij aan zijne meeste
vijanden door zich, wanneer hij gegrepen wordt, buitengewoon heftig
te bewegen; in den regel heeft dit het afbreken van een stuk van den
staart ten gevolge. "Terwijl het afgebroken stuk", zegt Lenz, "nog vol
leven ronddanst en door den vijand gegrepen wordt, maakt het verminkte
dier van de gelegenheid gebruik om te vluchten. Dit feit zal men vaak
opmerken bij de voedering van allerlei dieren met Hazelwormen." Het
heeft aanleiding gegeven tot hun wetenschappelijken naam (= Brooze
Slang). Gewoonlijk laten zij zich vangen zonder zich op eenigerlei
wijze te verdedigen; slechts bij uitzondering maken zij in dit geval
als verweermiddel gebruik van hun gebit, hoewel zij hiermede geen
hunner vijanden kunnen afschrikken. Mettertijd schikken zij zich in de
gewijzigde omstandigheden van het leven in de gevangenschap. Dat zij in
de kooi verdraagzaam zijn jegens Slangen, Vorschen en Hagedissen, is
licht te begrijpen. Zelfs volwassen exemplaren laten zich gewoonlijk
niet lang nooden, wanneer men hun voedsel aanbiedt; zij verduren
bij doelmatige behandeling jaren lang het leven in de kooi. Wanneer
deze voor een deel met aarde gevuld en bovendien met steenen en mos
voorzien is, voldoet zij aan alle eischen, die de Hazelwormen aan een
dergelijke verblijfplaats stellen. Het houden van deze dieren is wel
aan te bevelen; zij zullen den dierenvriend veel genoegen verschaffen.
Bij den Hazelworm is de volledige ontwikkeling van de kiem in de
eischaal reeds tot stand gekomen, voordat deze het lichaam van de
moeder verlaat. De geboorte van de jongen heeft plaats in de tweede
helft van Augustus of in de eerste helft van September; de eieren
worden met tusschenpoozen van verscheidene minuten gelegd; onmiddellijk
daarna verlaten de jongen de vliezige, dunne, doorzichtige eischaal.
Ook thans nog ziet het groote publiek in den Hazelworm een Slang
en "dus" een hoogst vergiftig dier, dat daarom fel vervolgd en
zonder mededoogen gedood wordt, waar het zich ook vertoont. Het
zou verstandiger zijn deze Hagedis te sparen. Zelfs verdient het
aanbeveling haar in den tuin te houden en te beschermen.
Een Hagedis, die door het maaksel van hare tanden overeenkomt met
de Groeftandige Slangen en, evenals deze, haar prooi vergiftigt,
was reeds aan Hernandez, den lijfarts van Philips II, bekend. Zoowel
aan de bovenkaak als aan de onderkaak heeft zij tanden, die aan de
voorzijde een groeve vertoonen; alleen die van de onderkaak staan
aan haar wortel in gemeenschap met de afvoerbuis van een gifklier,
overeenstemmend met de ondertongsklier van onze Hagedissen. Volgens
Sumichrast (1825) gaat dit dier op den rug liggen, voordat het bijt
en worden op deze wijze misschien ook de bovenkaakstanden met gif
voorzien. De ervaring heeft de juistheid aangetoond van de meening
der inboorlingen, dat de beet van deze Hagedis ook voor den mensch
doodelijke gevolgen kan hebben. Zij is het eenige bekende lid van
haar onderorde, dat deze eigenschap bezit.
Het Dzjila-dier (Heloderma horridum) ontleent zijn naam aan een der
landstreken, waar het voorkomt, het stroomgebied van de Rio Gila
(spreekt uit: Dzjila), een bijrivier van den Colorado in Arizona. Het
wordt tot een afzonderlijke familie, die der Korsthagedissen
(Helodermatidae), gebracht welke slechts één geslacht met twee
soorten omvat, die Mexico en de aangrenzende deelen van de Vereenigde
Staten bewonen. De kleur van dit merkwaardige dier herinnert aan die
van onzen Landsalamander. De huid van de bovendeelen is donker- of
aardbruin en met kleine vlekken bezaaid, welker kleur van geelachtig
wit, door oranjegeel tot roodachtig geel afwisselt; de staart is met
verscheidene gele ringen geteekend; de onderzijde heeft op vuilbruinen
grond geelachtige vlekken.
Men ontmoet het Dzjila-dier uitsluitend aan de westzijde van de
Cordillera en niet anders dan in droge gewesten. Het heeft een
nachtelijke levenswijze, beweegt zich langzaam en plomp, maakt jacht
op allerlei kleine dieren--ongevleugelde Insecten, Regenwormen,
Duizendpooten, kleine Kikkers enz.--, die het hoofdzakelijk op
boschpaden vangt; ook graaft het soms de eieren van de Legoeanen op
en versmaadt zelfs rottende stoffen niet.
Sumichrast heeft eenige proeven genomen, die de vergiftige werking van
den beet van dit Reptiel boven allen twijfel verheffen. Hij liet door
een zeer jong en slecht gevoed Dzjila-dier een Hoen in de zijde bijten;
de Vogel stierf onder duidelijke vergiftigings-verschijnselen. Een
groote Kat, die in den achterpoot gebeten werd, verviel, na hevige
pijn geleden te hebben, in een toestand van uitputting, waarvan zij
weer herstelde, hoewel zij ook daarna uiterst mager en stompzinnig
bleef. Deze bij Vogels en Zoogdieren verkregen uitkomsten werden
aangevuld door een ervaring, die J. Stein persoonlijk betrof. Hij
werd bij het overbrengen van een Dzjila-dier in een andere kooi in
den vinger gebeten. Dit lichaamsdeel en de geheele arm zwollen sterk
op onder de hevigste pijnen, hetgeen met een belangrijke verstoring
van den gezondheidstoestand gepaard ging. Nog lang daarna was de huid
van den gekwetsten arm geel en perkamentachtig.
De Waranen (Varanidae) ontleenen hun naam aan het Arabische woord
"waran", dat "Hagedis" beteekent en waarmede eenige van de meest
bekende Egyptische soorten dezer familie aangeduid worden. Met
de overige Hagedissen stemmen zij overeen, door den langgerekten
vorm van het lichaam, den breeden rug zonder kiel (of overlangsche
verhevenheid) en de volkomen ontwikkelde voor- en achterpooten, welker
vijf teenen met krachtige nagels gewapend zijn. Zij verschillen
van hunne verwanten o. a. door hun lange tong, die, evenals bij
de Slangen, in twee draadvormige spitsen uitloopt en in een scheede
teruggetrokken wordt. Ook de kop is niet ongelijk aan dien der Slangen,
naar verhouding langer dan bij de overige Hagedissen; de hals, de
romp en vooral de staart zijn eveneens slanker. De tanden zijn groot,
kegelvormig, aan de binnenzijde van den bovenrand der kaakbeenderen
vastgegroeid en tamelijk ver van elkander verwijderd. De bovenzijde
van den kop is met kleine schilden bekleed, het overige lichaam met
vierhoekige, op regelmatige dwarsreeksen gerangschikte plaatschubben,
die op den rug klein en knopvormig, op den buik weinig grooter zijn.
De Waranen bewonen het oostelijk halfrond, vooral Afrika, Zuid-Azië,
Australië en Oceanië. Eenige soorten zijn volslagen landdieren en zelfs
woestijndieren, die een voor hen geschikt hol tot schuilplaats kiezen,
in welks nabijheid sommige zich over dag, andere meer in de schemering
of zelfs des nachts met de jacht bezig houden. Verscheidene Waranen
moeten waterdieren genoemd worden; daar zij zich uitsluitend in de
nabijheid van 't water, in moerassen of aan rivieroevers ophouden
en bij gevaar steeds zoo schielijk mogelijk in het water hun heil
zoeken. Alle zijn buitengewoon vlug van beweging. Over den vasten bodem
loopen zij met groote, slangsgewijze kronkelingen van het lichaam snel
genoeg, om kleine Zoogdieren of zelfs Vogels in te halen; ondanks
hun grootte klimmen zij uitmuntend. Die, welke in 't water thuis
behooren, zwemmen en duiken behendig en lang achtereen, hoewel zij geen
zwemvliezen bezitten. Hoewel de Waranen, wat voorkomen, bewegingen,
aard en gewoonten betreft, niet aan de Krokodillen, maar aan de
Hagedissen herinneren, zijn zij, in overeenstemming met hun meerdere
grootte en lichaamskracht, roofzuchtiger, moediger en strijdlustiger
dan hunne kleinere verwanten. Voor den mensch, en waarschijnlijk
ook voor andere groote dieren, nemen zij steeds de vlucht, voor
zoo ver dit mogelijk is: de landbewoners trachten bliksemsnel hunne
holen te bereiken, de waterbewoners zoeken even haastig hun gewone
verblijfplaats op. Wanneer de weg daarheen hun wordt afgesneden,
stellen zij zich zonder aarzeling te weer; de pooten en de krachtige
staart stellen hen in staat hoog boven den grond op te springen om
een fellen aanval te doen op het gelaat en de handen van hun vijand.
De Waranen gebruiken allerlei dieren als voedsel. De Nijlwaraan, die
reeds aan de oude Egyptenaren bekend was, zooals uit afbeeldingen van
dit dier op oude gedenkteekenen blijkt, werd vroeger beschouwd als
een der gevaarlijkste vijanden van den Krokodil, wiens eieren en pas
geboren jongen hij, naar men onderstelde, opzoekt en verslindt. Hoewel
men als zeker mag aannemen, dat de Waranen bij voorkomende gelegenheden
werkelijk de jongen van den Krokodil verslinden en evenmin de eieren
van dit reusachtig Reptiel sparen, valt een dergelijke buit hun
slechts zelden ten deel. Die, welke op den vasten grond leven, maken
jacht op Muizen, Vorschen, Gelede Dieren en Wormen; de waterlievende
leden der familie voeden zich waarschijnlijk vooral met Vorschen,
maar versmaden stellig geen zwak Zoogdier, dat, aan den waterkant
loopend, de voorzichtigheid uit het oog verliest,--geen Vogel,
die de behendigheid mist om aan de aanslagen der in 't water op hem
loerende vijanden te ontkomen. Op plaatsen waar men geen jacht op
hen maakt, of waar het hun niet moeielijk valt zich te verbergen,
worden de Waranen algemeen gevreesd en gehaat wegens de opruiming,
die zij houden onder de hoendereieren en kuikens.
De eieren der Waranen worden, naar het schijnt, in vrij groot
aantal te gelijk in den grond gelegd; soms vindt men ze in een
Termieten-nest. Ze zijn omstreeks 5 cM. lang, rolvormig, aan beide
einden afgerond en vuilwit van kleur. Zij smaken zeer goed; hetzelfde
geldt van het vleesch van den Waraan, dat met kalfsvleesch vergeleken
wordt. Zoowel wegens het voordeel, dat zij op deze wijze opleveren,
als wegens de door hen aangerichte schade spelen de Waranen in hun
vaderland geen onbelangrijke rol in de huishouding van den mensch.
De Nijlwaraan (Varanus niloticus) onderscheidt zich van de overige
leden zijner familie door den zijdelings samengedrukten staart, die aan
de bovenzijde een duidelijke kiel vertoont, door den vorm der tanden,
die voor in den bek kegelvormig zijn, verder achterwaarts een stompe
kroon hebben, voorts door de plaatsing der ronde neusgaten. Een
volwassen exemplaar is 1.7 M. lang, waarvan 1 M. op den staart
komt. De grondkleur is geelgroen; de teekening bestaat uit zwarte
vlekken, uit hoefijzervormig gerangschikte, gele stippels tusschen de
schouders en de flanken en uit reeksen van groenachtig gele punten;
vóór iederen schouder ziet men een zwartachtigen, halfcirkelvormigen
band; op het eerste derde deel van den staart komen geelgroene, op
het overige stuk geelachtige ringen voor. De onderzijde is geel met
meer of minder duidelijke, zwarte dwarsbanden.
Naar het schijnt, komt de Nijlwaraan in alle rivieren van Afrika voor,
met uitzondering van het noordwestelijke deel. In Egypte vindt men
deze Hagedissen veel meer dan in Nubië; in Oost-Soedan worden zij
op sommige plaatsen in aanzienlijken getale aangetroffen, maar dan
steeds eenzaam, niet in troepen. In den regel wordt de aanwezigheid
van het dier opgemerkt, wanneer het zich begint te bewegen en naar de
rivier snelt: in het water houdt het zich meestal verborgen; op het
land ligt het gewoonlijk bewegingloos in de zon. In tegenstelling met
den Krokodil kiest het tot rust- en slaapplaats een bij een waterplas
vooruitstekend deel van den steil afhellenden oever, bij voorkeur
een rotsterras, dat aan dezen eisch voldoet; soms ontmoet men het
in het struikgewas langs den oever, zelden op aanmerkelijken afstand
van het water, waarin het woont.
Het is wel mogelijk, dat de oude Egyptenaren den Waraan hebben leeren
kennen als verdelger van de door hen als goden vereerde Krokodillen
en hem daarom op hunne gedenkteekenen een eereplaats waardig keurden;
in den tegenwoordigen tijd echter weet dit dier zich ook zonder jonge
Krokodillen zeer goed te redden. Het maakt jacht op kleine Zoogdieren
en Vogels, die in Egypte overal, en dus ook in de onmiddellijke
nabijheid van den stroom, in groote getale voorkomen, misschien ook
op jonge, weekhuidige Schildpadden, hoofdzakelijk echter op Visschen;
het plundert nesten van strandvogels, bezoekt zelfs duiventillen
en hoenderhokken en vangt tevens Insecten. De gevangene Waranen,
waarvan Geoffroy Saint-Hilaire melding maakt, waren zeer roofzuchtig
en overvielen met moorddadige bedoelingen alle kleinere dieren,
die men in hun kooi bracht.
Daar de Waraan, evenals de meeste Hagedissen, zich zeer goed schikt in
gewijzigde omstandigheden, is het niet moeilijk gevangen exemplaren in
't leven te houden. Wanneer het hok op doelmatige wijze ingericht is,
zullen de handelingen van den bewoner, die zich zoowel op 't droge
als in 't water uitmuntend thuis gevoelt, zoo niet een aantrekkelijk,
dan toch een opmerkelijk schouwspel opleveren.
Op het vasteland van Indië, in het zuiden van China en op alle
eilanden tot aan de noordkust van Australië, vooral echter op de drie
groote Soenda-eilanden, ontmoet men den Dubbelgestreepten Waraan,
de Kabaragoya der Singalezen (Varanus salvator, V. bivittatus). De
bovenzijde vertoont op zwarten of bruinen grond dwarse reeksen van
gele stippels of oogvlekken; de onderzijde is effen geel, een zwarte
band strekt zich langs de slapen uit, aan weerszijden van den hals ziet
men een geelachtig witte, overlangsche streep, die aanleiding gegeven
heeft tot den soortnaam van het dier. Het kan 2.2 M. lang worden.
"Men vindt het allerwege in eenigszins wilde streken", schrijft
S. Müller, "met uitzondering echter van de hoogere gedeelten der
groote bergen en over het geheel van de groote bergbosschen, welke
het zelden tot verblijf kiest. Bij voorkeur houdt het zich op in meer
bewoonde gedeelten van het land, en wel het liefst in de nabijheid
van het water, het moge zoet zijn of zout, en in zulke streken,
die met wild struikgewas begroeid zijn, waarin het evenzeer een
geschikte hinderlaag als, bij vervolging, een veilige schuilplaats
vindt. Deze Waraan is waakzaam, schuw en behendig in de vlucht;
zijn loop is eenigszins waggelend. Ontbreekt hem op het land de
gelegenheid zich aan het oog van een naderenden vijand te onttrekken,
en vindt hij een rivier, een meer, moeras of zoetwaterplas in zijn
nabijheid, dan richt hij zijn loop dadelijk derwaarts, stort zich
in den vloed of de dras en verdwijnt. Minder gaarne werpt hij zich
in zeewater, hetwelk alleen in den hoogsten nood zijn toevlucht
schijnt te zijn. Hij zwemt en duikt zeer goed en daar hij tevens
eenige kromstammige boomen met gelijk gemak beklimt, vereenigt hij
in zijn levenswijze alle kenmerken in zich van een waar zoogenaamd
tweeslachtig dier. Somwijlen strekt hij zich vrij langs de takken
uit en vlijt zich ter ruste, doch, wordt hij onverhoeds door den
mensch verrast, dan verlaat hij onmiddellijk zijn rustplaats en
springt ter aarde. Hij zoekt steeds gedurende den dag naar voedsel,
bestaande in allerlei Insecten, vooral Sprinkhanen, Kevers enz. en
hunne larven, zooals ook Schaaldieren, Visschen, Kikvorschen en andere
Hagedisachtige dieren, Vogels en kleine Zoogdieren, en het vleesch van
krengen en andere overblijfselen van dierlijke zelfstandigheden. Op
zekeren tijd schoten wij aan het zeestrand ter westkust van Sumatra
een voorwerp van ruim zes voet lengte, waarover zich eenige Maleiers
uit de nabijheid zeer verheugd toonden, vermits dit dier hun reeds
meer dan een dozijn Hoenders had ontroofd en zij reeds dikwijls
tevergeefs getracht hadden het te dooden. Wij vonden de maag van dit
voorwerp gevuld met pas verslonden kleine Visschen, voornamelijk van
het geslacht Equula, die door de visschers bij duizendtallen op het
zand worden uitgelegd om hen later gedroogd te verkoopen. De jacht op
Vogels, Hoenders, Muizen enz. wordt door dezen Waraan uitgeoefend, door
deze dieren op de wijze der Katten eerst te bekruipen en vervolgens
plotseling te bespringen. De volwassen voorwerpen van den "Biejwakh"
zijn meestal rijkelijk van vet voorzien, hetwelk door de inlanders,
gelijk dat der Krokodillen, als zeer heilzaam wordt beschouwd voor
allerlei huidziekten, rheumatieke aandoeningen enz., tot welk einde
zij de ziekelijke deelen daarmede inwrijven. Geen der inlanders,
welke Mahomedanen zijn, gebruiken het vleesch van deze dieren tot
voedsel; doch sommige heidensche volken en bepaaldelijk de inwoners
van de eilanden Nias en Batoe bewesten Sumatra, mitsgaders sommige
Dajakkers op Borneo en onderscheidene Alfoersche volksstammen in
de Molukken, toonen zich in meerdere of mindere mate liefhebbers
daarvan. Deze Waraan is, evenmin als een der overige soorten van het
geslacht, waartoe hij behoort, eigenlijk valsch of boos van aard. In
gevangenschap zal hij dan alleen naar iemand bijten, wanneer hij
getergd en verontrust wordt. Komt men hem te na, dan opent hij wel
den scherp getanden bek en keert zijn grooten muil den mensch dreigend
tegen, maar een aanval waagt hij zelden. Voor het overige speelt hij,
gelijk men het noemt, onophoudelijk met zijn tong, welke als die der
Slangen, lang is en in twee punten uitloopt, door haar in gedurige
beweging ver buiten den mond uit te steken en dan weder in te trekken."
De leden van de lagere kasten in Indië maken zich van dezen Waraan
gewoonlijk meester door hem op te graven uit zijn hol; zij eten daarna
met smaak het vleesch van den dus verkregen buit. Veel belangrijker
echter is voor de Indiërs de rol, die hij speelt bij de bereiding
van de doodelijke vergiften, die de Singaleezen, zelfs in den
tegenwoordigen tijd, maar al te vaak gebruiken en waarvan slangengif
en arsenikum de werkzame bestanddeelen zijn. De onschuldige Hagedis
is tengevolge van dit hokuspokus der gifmengers in zulk een kwaden
naam gekomen, dat men voor haar tegenwoordig algemeen een belachelijke
vrees koestert.
In Amerika worden de echte Hagedissen (en, zoo men wil, ook de Waranen)
vertegenwoordigd en in zekeren zin vervangen door de Tejuhagedissen
(Tejidae). Ten deele evenaren deze hare verwanten in de Oude
Wereld wat grootte betreft, ook komen zij met hen in lichaamsbouw
overeen; belangrijk echter is het verschil in schedelvorm, gebit
en schubbenkleed. De vorm van de hoogst ontwikkelde leden dezer
familie herinnert duidelijk aan die onzer inheemsche Hagedissen. Bij
andere is het aantal teenen tot vier verminderd. Ook zijn er, welker
ledematen rudimentair zijn. Enkele, die uitwendig geen spoor van
achterste ledematen vertoonen, herinneren door haar voorkomen aan
de Wormhagedissen.
Alle soorten leven in de warme gewesten van Amerika, de grootste
natuurlijk tusschen de keerkringen. Enkele komen slechts op heete
zandvlakten voor, andere tusschen de hooge grassen der weidegronden,
nog andere in wouden, enkele hebben een half-onderaardsche
levenswijze. Haar woning is een door de natuur gevormd of door haar
zelf gegraven hol, waarin zij bij dreigend gevaar haar toevlucht
zoeken. Door aard en bewegingen herinneren zij zoowel aan de
Waranen als aan de echte Hagedissen, sommige ook aan de Woel- en
Wormhagedissen. Zij zijn zeer vlug en levendig; de grootste voor
't rooven zeer geschikte soorten maken niet slechts op Gelede Dieren,
Wormen en Slakken, maar ook op kleine Gewervelde Dieren jacht, soms tot
schade voor den mensch. Hoewel zij groote vijanden en meer bepaaldelijk
den mensch zoo lang mogelijk ontwijken, gaan zij echter, na in 't nauw
gebracht en tot toorn vervoerd te zijn, moedig op hare aanvallers los
en kunnen dan zelfs aan groote Honden moeite veroorzaken. De eieren
worden in holle boomstammen gelegd. Eenige soorten, vooral de grootste,
worden als smakelijk wild beschouwd en althans in sommige oorden,
geregeld gejaagd; de overige laat men met vrede.
De Teju's (Tupinambis) kenmerken zich door den ronden, voorbij het
midden eenigszins samengedrukten staart en de talrijke huidplooien
van den hals.
De meest bekende soort van dit geslacht, die door de Indianen van
de zeekust Tejuixin of bij verkorting Teju, door de Portugeesch
sprekende Brazilianen Lagardo, in Suriname Salompenter wordt genoemd
(Tupinambis teguixin), heeft een lengte van 92 cM., waarvan trouwens
bijna drie vijfde op den staart komt, en is tamelijk bont van kleur. De
grondkleur is bruinachtig zwart met zwakken, blauwachtigen weerschijn;
de teekening bestaat op den nek uit witachtig gele, op de zijden van
hals en kop uit reeksen van witachtige vlekken; de rug vertoont 9 à 10
dwarse, uit ronde, gele vlekken samengestelde strepen; op den staart
merkt men onregelmatig verspreide, gele vlekken en enkele reeksen
van vlekken op; de pooten zijn aan de buitenzijde met geelachtige
stippels bezaaid; op de roodachtig gele onderdeelen komen afgebrokene,
zwarte dwarsbanden voor; ook op de keel en den onderhals vindt men
dwarsstrepen; deze zijn hier echter geel met zwartachtigen rand.
De Teju is over het grootste deel van Zuid-Amerika, van Guyana tot
Uruguay, verbreid, bewoont ook de West-Indische eilanden en is in de
meeste dezer landen zeer veelvuldig, meer echter, naar het schijnt,
in de kuststreken dan in het binnenland. In bebouwde streken zoekt
hij bij voorkeur de suikerplantages en de hieraan palende wouden
op; in Brazilië bewoont hij droge, uit zand- of kleigrond bestaande
gewesten en leeft hier in het struikgewas, in voorwouden of zelfs in
de groote oerwouden van het binnenland. Elk dezer dieren gebruikt
als woning een gat in den grond, dat het onder boomwortels graaft
en met een wijde opening voorziet. Naar dit hol neemt het de wijk,
zoodra het vervolgd of door een ongewoon verschijnsel verschrikt wordt.
De Teju is sterk en zeer vlug, maar buitengewoon schuw; in bewoonde
gewesten kan men hem zelden tot op korten afstand naderen; hij bijt
uiterst fel, zelfs door dikke laarzen heen en tracht de Honden,
die hem aanvallen, met zijn stevigen, gespierden staart geweldige
slagen toe te brengen. Zittend, houdt hij den kop hoog, hetwelk hem
een eigenaardig voorkomen verschaft en zeer goed staat, een indruk,
die nog versterkt wordt door het vurige oog; loopend, ijlt hij pijlsnel
voor zich uit, waarbij de romp en de lange, over den grond sleepende
staart slangsgewijs bewogen worden. De tong is aanhoudend in beweging;
zij wordt uitgestoken en ingetrokken, zelfs wanneer hiervoor volstrekt
geen reden schijnt te bestaan.
Het voedsel van den Teju bestaat uit alle levende wezens, die in
grootte bij hem achterstaan, vooral uit Muizen, Vorschen, Wormen,
Gelede Dieren, maar ook uit eieren en dergelijke spijzen.
Over de voortplanting van dit dier geeft Schomburgk eenige
inlichtingen. "De eieren", zegt hij, "vond ik dikwijls in de groote,
kegelvormige nesten, die een soort van Termieten, niet slechts in de
wouden, maar ook in plantages, in stompen van afgehouwen boomen aanlegt
en tot op een diepte van 1 M. onder de aardoppervlakte uitbouwt. De
Salompenter holt deze nesten uit, verslindt de bewoners en legt zijne
eieren ten getale van 50 à 60 in de dus gevormde ruimte, in welker
wand hij een groote, ronde opening heeft gemaakt, zoodat hij, bij den
boomstam opklimmend, er gemakkelijk kan binnensluipen. De witte eieren
hebben een zeer harde schaal; die van groote, oude wijfjes zijn bijna
zoo lang als duiveneieren, maar dunner en aan beide einden stomp."
De Teju behoort tot de schadelijke dieren wegens zijn driestheid
en roofzucht; dikwijls komt hij dicht bij menschelijke woningen en
plundert de hoenderhokken. De schade, die hij aanricht, maar meer nog
de smakelijkheid van zijn vleesch, geeft aanleiding tot een algemeene
en felle vervolging; met Honden, die voor deze jacht afgericht zijn,
wordt dit wild in het woud opgezocht en in zijn hol gedreven, waarna
men het uitgraaft en doodslaat of met hagel schiet, indien het den
jager er den tijd toe laat. Het vleesch komt na een goede bereiding
het meest met dat van Hoenderen overeen, is wit van kleur, lekker
van smaak en daarom zeer gezocht.
De Ameiven (Ameiva) zijn Teju-hagedissen met ronden staart zonder kam
en kleine, kegelvormige, zijdelings samengedrukte tanden met twee-
of driespitsige kroon. Zij nemen in Midden- en Zuid-Amerika de plaats
in van onze Hagedissen, hebben in hoofdzaak dezelfde levenswijze en
dragen in Brazilië denzelfden naam.
De algemeenste en meest bekende soort--de Ameive (Ameive
surinamensis)--wordt 38 à 53 cM. lang. Haar rug is grasgroen; de
zijden van den romp zijn op groenen of bruinachtigen grond met zwart
en geel gevlekte dwarsstreepen geteekend.