zijn familie. Tot dusver heeft men tien soorten van Spring-spitsmuizen
onderscheiden, die zonder uitzondering in Afrika, vooral in Zuid-
en Oost-Afrika thuis behooren en hier de door de zon geblakerde,
kale gewesten verlevendigen. Zij bewonen bij voorkeur de steenachtige
bergstreken en vinden in diepe en moeielijk toegankelijke gaten onder
steenen, in rotsspleten en in holen van andere dieren een toevlucht
bij ieder gevaar, dat zij zelfs in het minst belangrijke vreemde
verschijnsel meenen te ontdekken. Het zijn echte dagdieren, ja zelfs
ware zonlicht-dieren, die zich gedurende de gloeiende middaghitte
het best op hun gemak gevoelen, en dan ook het ijverigst met de
jacht bezig zijn. Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Insecten,
die zij behendig weten te vangen, of uit barsten en spleten van
het gesteente te voorschijn brengen. Van hun voortplanting weet men
tot dusver nog niets. Aan gevangen dieren zijn, naar het schijnt,
nog geen waarnemingen gedaan.
Een vijfde familie van onze orde draagt den naam van _Borstelegels_
(_Centetidae_), naar een op Madagaskar levenden, egelachtigen
Insecteneter. Zij hebben een gerekten lichaamsbouw, een langen kop,
die in een tamelijk langen snuit eindigt, kleine oogen en middelmatig
groote ooren, geen of een langen, onbehaarden staart, korte pooten
en vijf met stevige klauwen gewapende teenen aan alle voeten. Hun
huid is deels met stekelige borstels, deels met stijve haren bekleed.
Bij den _Tanrek_ (_Centetes Ecaudatus_), valt de in een spitsen snuit
eindigende kop bijzonder in 't oog. Het geheele lichaam is tamelijk
dicht bedekt met stekels, borstels en haren, die in zekeren zin
ongevoelig in elkander overgaan, althans een duidelijk bewijs leveren,
dat de stekels eenvoudig eigenaardig gevormde haren zijn. Alleen aan
den achterkop, in den nek en aan de zijden van den hals komen ware,
eenigszins buigzame stekels van ongeveer 1 cM. lengte voor. De spits
van den snuit en de ooren zijn naakt; de voeten zijn slechts met korte
haren bedekt. De stekels, de borstels en de haren zijn lichtgeel van
kleur, in het midden zwartachtig bruin geringd; dit laatste is op den
rug meer dan aan de zijden het geval. Het volwassen dier is ongeveer
27 cM. lang.
De Tanrek, die oorspronkelijk alleen op Madagaskar inheemsch was, is
van daar naar Mauritius, Mayotte en Réunion overgebracht; hij bewoont
bij voorkeur bergachtige streken, die rijk zijn aan struiken, varens
en mossen, en graaft hier holen en gangen in den grond, die hem een
schuilplaats verschaffen. Het is een schuw, vreesachtig dier, dat het
grootste deel van den dag in de strengste afzondering doorbrengt, en
niet voor zonsondergang te voorschijn komt. Hij vertoont zich alleen,
zoolang het in de bedoelde landen lente en zomer is, d. w. z. na de
eerste regenbuien, totdat het droge jaargetijde aanvangt. Gedurende de
grootste droogte houdt hij zich in de diepste kamer van zijn hol op,
en brengt hier de maanden April tot November slapend door, evenals onze
Egel den winter. Zijn voedsel bestaat grootendeels uit Insecten, voor
't overige echter ook uit Wormen, Slakken en Hagedissen, en bovendien
uit verschillende vruchten. Voor het water heeft hij, naar het schijnt,
een bijzondere voorliefde.
In de gevangenschap eet de Tanrek rauw vleesch, gekookte rijst en
bananen. Gedurende den dag slaapt hij; des nachts is hij wakker. Als
er in zijn hok een hoop aarde is, wroet hij hierin met zijn snuit als
een Zwijn, en wentelt zich er ook graag overheen. Met zijne krachtige
klauwen doet hij pogingen om zijn hok stuk te maken, wat hem niet
zelden gelukt. Met andere dieren van zijn soort strijdt hij dikwijls,
vooral over het voedsel. Voor zoover mij bekend is, werd hij tot nu
toe nog nooit levend naar Europa gebracht.
Aan de Marters onder de Roofdieren herinneren de _Spitsmuizen_
(_Soricidae_), die de soortenrijkste familie van de orde der
Insecteneters vormen. Evenals gene bezitten zij alle talenten, die een
echt rooversleven mogelijk maken, op de meest verschillende plaatsen
zijn zij thuis; haar moed, haar bloeddorst en haar wreedheid staan
volstrekt niet in verhouding tot haar geringe grootte.
De Spitsmuizen, die naast de Vleermuizen de kleinste van alle
Zoogdieren zijn, hebben een evenredig gebouwd lichaam en herinneren
door haar uitwendig voorkomen aan de Ratten en Muizen. De romp is
slank, de kop lang, de snuit in de lengte gerekt, het gebit zeer
volledig en uit buitengewoon scherpe tanden samengesteld: gewoonlijk
1 snijtand, 2 éénpuntige valsche kiezen en 3 vier- of vijfpuntige
ware kiezen in elke onderkaakshelft, in iedere bovenkaakshelft 1
of 2 valsche kiezen en 1 ware kies meer. Echte hoektanden komen er
dus niet voor. Eigenaardige klieren bevinden zich aan de zijden van
den romp of aan den wortel van den staart. De romp is met zachte,
fluweelachtige haren bekleed, de lippen, de voeten en de staart met
stijvere haartjes; de wangen dragen lange snorren; de zijden van
den voet zijn bezet met stevige, bij de onbehaarde voetzool scherp
afstekende, borstelige haren.
Tegenwoordig zijn de Spitsmuizen over de Oude Wereld en Noord-Amerika
verbreid, in Australië en Zuid-Amerika daarentegen ontbreken zij
geheel. Zij leven zoowel in de vlakten als in hooger gelegen gewesten,
zelfs op de Voor-Alpen en de Alpen, het liefst echter in dichte
bosschen en kreupelhout, op weiden en velden, in tuinen en huizen. De
meeste geven de voorkeur aan vochtige plaatsen, sommige houden zich
in 't water op. Vele leven onder den grond, graven zelf gaten en
gangen, of maken gebruik van die, welke er reeds zijn, nadat zij den
rechtmatigen eigenaar met geweld of list verdreven hebben. Bijna alle
zoeken de duisternis of de schaduw en schuwen droogte, hitte en licht;
zij zijn zelfs zoo gevoelig voor deze werkingen, dat niet zelden de
zonnestralen de oorzaak zijn van haar dood. Al hare bewegingen, van
welken aard ook, hebben buitengewoon snel en behendig plaats. Zij,
die alleen maar loopen, schuiven pijlsnel over den weg; die, welke
zwemmen, zijn in deze kunst even ervaren, als eenig ander op 't land
levend Zoogdier.
Onder de zinnen van de Spitsmuizen bekleedt de reuk, naar het
schijnt, de eerste plaats; de volgende komt aan het gehoor toe, dat
ook zeer goed ontwikkeld is; het oog daarentegen is meer of minder
gebrekkig. Hare geestvermogens zijn gering; een zekeren graad van
verstand kan men haar echter niet ontzeggen. Zij zijn in de hoogste
mate roof- en moordzuchtig; zij behooren tot de vreeselijkste vijanden
van kleine dieren, de grootere ontwijken zij zorgvuldig. Reeds bij het
geringste gedruisch nemen de meeste de wijk naar hare schuilhoeken;
hiervoor bestaan voldoende redenen, daar zij tegenover sterke dieren
zoo goed als weerloos zijn. Van ons standpunt gezien, moeten de
meeste niet alleen als onschuldige en onschadelijke, maar zelfs als
hoogst nuttige dieren beschouwd worden, die ons door de verdelging
van schadelijke Insecten belangrijke diensten bewijzen. Haar voedsel
ontleenen zij namelijk bijna uitsluitend aan het dierenrijk: Insecten
en hunne larven, Wormen, Weekdieren, kleine Vogels en Zoogdieren,
in sommige gevallen echter ook Visschen en vischkuit, Kreeften
enz. vallen haar ten buit. Zij zijn buitengewoon vraatzuchtig en
verslinden iederen dag zooveel als haar eigen gewicht bedraagt. Geen
enkele soort kan gedurende langen tijd honger lijden; daarom houden
zij geen winterslaap, maar verrichten, als het weder maar eenigszins
zacht is, hare werkzaamheden ook op den met sneeuw bedekten bodem,
of zoeken haar voedsel op beschutte plaatsen, b.v. in menschelijke
woningen. De stem van alle soorten van Spitsmuizen bestaat uit fijne,
piepende of kwetterende en fluitende klanken; als zij beangst zijn,
verneemt men van haar jammerende geluiden; alle verbreiden, als zij
in gevaar verkeeren, een meer of minder sterken muskus- of civetreuk,
die haar wel is waar gedurende haar leven niet tegen hare vijanden
beveiligt, maar ten gevolge heeft, dat slechts weinig dieren haar
eetbaar achten. De Honden en Katten b.v. laten de door hen gedoode
Spitsmuizen liggen, zonder ze op te vreten; de meeste Vogels daartegen
zullen, daar de reuk- en smaakzin bij hen minder ontwikkeld zijn,
deze prooi als voedsel niet versmaden.
De meeste Spitsmuizen zijn zeer vruchtbaar, daar zij van vier tot
tien jongen werpen. Gewoonlijk komen deze naakt en met gesloten oogen
ter wereld; zij ontwikkelen zich echter schielijk en zijn reeds na
verloop van een maand in staat haar eigenaardig beroep uit te oefenen.
In de eerste onderfamilie vereenigt men de _Spitsmuizen_ in engeren
zin (_Soricinae_). Zij vormen de kern van de familie, hebben 28 à 32
tanden, een langen en smallen schedel en geen zwemvliezen tusschen
de teenen. In Nederland en Duitschland zijn drie geslachten van deze
onderfamilie vertegenwoordigd.
32 aan den top donkerbruin gekleurde tanden, voeten die aan
alle zijden door korte en zachte haren omgeven zijn, alsook
de gelijkmatige en overal even lange beharing van den staart,
kenmerken de _Spitsmuizen_ in den engsten zin (_Sorex_), welker meest
verbreide vertegenwoordiger--de _Gewone_ of _Bosch-spitsmuis_ (_Sorex
vulgaris_)--tot de meest bekende dieren van ons vaderland behoort. Zij
is iets kleiner dan de Huismuis; haar lengte bedraagt, met inbegrip van
den 4 1/2 cM. langen staart, 11 cM. De kleur van de fijne, fluweelen
vacht wisselt af van helder roodbruin tot het glanzigste zwart;
de zijden zijn altijd lichter van kleur dan de rug, de onderdeelen
grijsachtig wit met bruinachtig waas, de lippen witachtig, de lange
snorren zwart, de pooten bruinachtig; de staart van boven donkerbruin,
van onderen echter bruinachtig geel. Op grond van de ongelijke kleur
heeft men verschillende groepen onderscheiden, die door sommige voor
soorten, door anderen voor variëteiten worden gehouden.
Men vindt de Gewone Spitsmuis in Nederland, Duitschland, Zweden,
Engeland, Frankrijk, Italië, Hongarije en Galicië, waarschijnlijk
ook in het naburige Rusland, in hooge streken, zoowel als in lage,
op bergen en in dalen, in bouwlanden en tuinen, in de nabijheid van
dorpen of in de dorpen zelve en gewoonlijk dicht bij het water. Des
winters komt zij in de huizen of althans in de stallen en schuren. Bij
ons is zij de algemeenste soort van de geheele familie. Zij bewoont
bij voorkeur onderaardsche holen en vestigt zich daarom gaarne in
de gangen van den Mol of in verlaten muizengaten, voor zoover zij
geen door de natuur gevormde barsten en spleten in het gesteente of
in den bodem vindt. In den zachten grond graaft zij met den snuit
en de zwakke voorpooten zelf gangen, die in den regel zeer dicht
onder de oppervlakte gelegen zijn. Evenals de meeste andere leden
harer familie, is ook zij een volkomen nachtdier, dat over dag niet
dan ongaarne zijn onderaardsch verblijf verlaat. Nooit doet zij dit,
zoolang de middagzon schijnt; werkelijk zou men zeggen, dat zij zeer
veel last heeft van de zonnestralen; men veronderstelt dan ook, dat
de talrijke doode Spitsmuizen, die men in 't heetst van den zomer aan
wegen en bij slooten vindt, door de zon verblind, den ingang van hun
hol niet hebben kunnen terugvinden en daarom bezweken zijn.
Onophoudelijk ziet men de Spitsmuis bezig, met haar snuit in alle
richtingen te snuffelen, om voedsel te zoeken; elk dier, dat zij vindt
en overmeesteren kan, is verloren; zij vreet soms zelfs hare eigen
jongen op en in ieder geval de gedoode dieren van haar eigen soort. "Ik
heb," zegt _Lenz_, "dikwijls Spitsmuizen in kisten gehad. Met Vliegen,
Meelwormen, Regenwormen en dergelijk voedsel kan men ze bijna in
't geheel niet verzadigen. Ik moest ieder elken dag een geheele
doode Muis of Spitsmuis of een Vogeltje, zoo groot als zij zelf,
geven. Zoo klein zij ook zijn, vreten zij iederen dag een Muis op en
laten niets dan vel en beenderen over. Zoo heb ik ze dikwijls goed
vet gemest; zij sterven echter, wanneer men ze honger laat lijden,
reeds na verloop van korten tijd. Ook heb ik getracht haar met brood,
rapen, peren, hennep-, papaver-, kool- en kanariezaad enz. te voeden;
zij verhongerden echter liever, dan dat zij er een hap van namen. Als
zij vet gebakken pannekoeken kregen, beten zij er in terwille van
het vet; wanneer zij echter een in een val gevangen Spitsmuis of
Muis vonden, begonnen zij oogenblikkelijk deze te verslinden. Bij
goede verzorging kan een Bosch-spitsmuis maanden lang in een kist in
't leven gehouden worden."
_Welcker_ bond een stevige draad aan den achterpoot van een levende
Spitsmuis, en liet haar op het veld in de door Muizen bewoonde gaten
kruipen. Na verloop van korten tijd kwam uit de gang, waarmede de
proef genomen was, een hoogst beangste Veldmuis naar buiten gekropen,
met de Spitsmuis op haar rug. Het onverzadelijke roofdier had zich met
de tanden aan den nek van zijn slachtoffer vastgehecht, doodde dit in
korten tijd en vrat het op. De bewegingen van de Bosch-spitsmuis zijn
buitengewoon snel en behendig; zij loopt vlug, als 't ware schuivend
over den bodem, springt tamelijk ver, kan bij scheef staande stammen
naar boven klauteren, en in geval van nood tamelijk goed zwemmen. Haar
stem bestaat uit een schel, fijn kwetterend, bijna fluitend, maar zacht
geluid, zooals ook van andere leden harer familie wordt vernomen. De
reuk is ongetwijfeld de volkomenste van hare zinnen. Het komt dikwijls
voor, dat levend gevangen Spitsmuizen, die weder losgelaten worden,
in de val terugkeeren, alleen omdat deze de lucht van Spitsmuizen aan
zich heeft. Naar het schijnt, laat de Spitsmuis zich niet door haar
gezichtsvermogen leiden; ook haar gehoor moet tamelijk zwak zijn; de
fijne neus echter vervangt de beide genoemde zintuigen bijna volkomen.
Er zijn weinig dieren, die zoo ongezellig zijn, en zich tegenover hunne
soortgenooten zoo afschuwelijk gedragen, als de Spitsmuizen; alleen
de Mol evenaart hen in dit opzicht misschien. Niet eens de dieren
van verschillende sekse leven, behalve in den paartijd, in vrede met
elkander. Behoudens de genoemde uitzondering, vreet de eene Spitsmuis
de andere op, zoodra zij haar te pakken kan krijgen. Dikwijls ziet
men twee van deze dieren zoo woedend met elkander vechten, dat men ze
met de handen kan grijpen; zij vormen in den letterlijken zin van 't
woord één klomp, en rollen over den bodem, de tanden stijf in elkanders
lichaam geslagen, de eene de andere vasthoudend met een woede, waarmede
de scherpste Bullenbijter eer zou inleggen. Het is een groot geluk,
dat de Spitsmuizen niet zoo groot zijn als Leeuwen: zij zouden de
geheele aarde ontvolken en ten slotte moeten verhongeren. Het is
een hoogst zeldzaam verschijnsel, dat men de Spitsmuizen vereenigd
ziet tot groote gezelschappen, waarin vrede heerscht of schijnt
te heerschen. _Cartrey_ hoorde eens in de droge bladen een lang
aanhoudend geritsel en geschreeuw, dat, naar hem bleek, veroorzaakt
werd door een talrijke schare van Spitsmuizen, door hem geschat op
ongeveer honderd stuks, die met elkander schenen te spelen en onder
aanhoudend gepiep en gekwetter heen en weer liepen. Waarom zij dit
deden, kon men niet ontdekken; misschien was het een vrijage op groote
schaal. De drachtige Spitsmuis bouwt zich een nest van mos, gras,
dorre bladen en plantenstengels, het liefst in metselwerk of onder
holle boomwortels, voorziet het met verscheidene zijgangen, bekleedt
het van binnen met zachte stoffen en werpt hier tusschen Mei en Juli
5 à 10 jongen, die naakt, met gesloten oogen en ooren ter wereld
komen. Aanvankelijk verzorgt de oude haar kroost zeer liefderijk;
haar liefde bekoelt echter schielijk en de jongen beginnen dan zelf
hun voedsel te zoeken. Zooals reeds opgemerkt werd, zwijgt in dit geval
de stem des bloeds volkomen; iedere Spitsmuis beschouwt reeds in haar
jeugd al het vleesch, dat zij meester kan worden, als voedsel, zij het
dan ook, dat dit vleesch van hare eigen broers en zusters afkomstig is.
Opmerkelijk is het, dat de Spitsmuizen slechts door weinige dieren
gegeten worden. De Katten dooden ze, waarschijnlijk, omdat zij ze
aanvankelijk voor gewone Muizen houden, maar eten ze nooit. Ook de
leden van de Marter-familie versmaden ze, naar het schijnt. Slechts
door eenige Roofvogels, en ook door den ooievaar en de Adder, worden
zij zonder aarzeling en zelfs met smaak verslonden. Zeker is het,
dat de tegenzin van de scherp ruikende Zoogdieren zijn grond heeft in
den afkeer, die bij hen wordt opgewekt door de lucht, welke van de
Spitsmuizen uitgaat. Deze doordringende, op muskus gelijkende lucht
wordt veroorzaakt door twee klieren, die zich aan de zijden van
den romp en wel dichter bij de voorpooten dan bij de achterpooten
bevinden, en gaat over op alle voorwerpen, die met de Spitsmuis in
aanraking komen.
Het is mogelijk, dat het vooroordeel, waaronder de Spitsmuizen in
vele gewesten van Europa te lijden hebben, ook ten deele op deze reuk
gegrond is. Hier en daar, b. v. in Engeland, worden deze onschadelijke
dieren bijna nog meer gevreesd dan vergiftige Slangen. Iedereen ziet
in, dat een Spitsmuis met hare fijne, dunne tandjes den mensch in
't geheel geen kwaad kan doen; toch wordt haar beet voor vergiftig
gehouden, en verwacht men er de vreeselijkste gevolgen van. Zelfs
het aanraken van een Spitsmuis wordt als een stellige voorbode van
de eene of andere ramp aangemerkt; zoowel dieren als menschen, die
op deze wijze door de Spitsmuis "getroffen" zijn, zullen, naar men
beweert weldra ziek worden, ingeval zij niet ten spoedigste een in
zulke gevallen dienstig geacht middel toepassen.
Het kleinste inheemsche Zoogdier is de _Dwergspitsmuis_ (_Sorex
pygmaeus_); in het deel van Europa, dat ten noorden van de Alpen
ligt, vindt men er geen kleiner. Met inbegrip van den 3 1/2 à 3
3/4 cM. langen staart, bedraagt de lichaamslengte van dit diertje
8 1/2 cM. "Er is mij," schrijft _Schlegel_, "slechts één voorwerp
van deze kleine Spitsmuis bekend geworden; het werd in Gelderland
dood op den weg gevonden. Deze soort heeft veel overeenkomst met de
Gewone Spitsmuis, maar zij is een vierde kleiner, haar snuit en haar
staart zijn daarentegen naar evenredigheid langer, en laatstgenoemde
overtreft in dit opzicht den romp. De vacht is op de bovendeelen min
of meer donker grijsbruin, welke kleur op de zijden in het rosgele
trekt en allengs in het witgrijs der onderdeelen overgaat.
"De Dwerg-Spitsmuis bewoont het grootste gedeelte van Midden-Europa
tot in de warmste gewesten van Siberië. Zij houdt zich in boschrijke
streken op, en behoort, zooals het schijnt, nergens onder de algemeen
voorkomende dieren. Waarschijnlijk wordt zij echter wegens haar
kleinheid en omdat zij in het hout verscholen leeft, veelal over het
hoofd gezien. Zij heeft in hare gewoonten veel overeenkomst met de
Gewone Spitsmuis."
Bij de _Veldspitsmuizen_ (_Crocidura_) bestaat het gebit uit 28 à
30 witte tanden. Voor het overige stemmen zij met de leden van het
vorige geslacht overeen.
De _Huis-spitsmuis_ (_Crocidura aranea_), een diertje van 11 1/2
cM. totale en 4 1/2 cM. staartlengte, is aan de bovenzijde bruingrijs,
aan de onderzijde zonder scherpe afscheiding lichter, aan de lippen
en de voeten bruinachtig wit behaard.
"Deze soort," zegt _Van Bemmelen_, "komt waarschijnlijk in ons geheele
land voor; door mij werd zij waargenomen in Noord- en Zuid-Holland,
Utrecht, Gelderland, Overijsel en Groningen." Het verbreidingsgebied
van de Huis-spitsmuis strekt zich van Noord-Afrika over Zuid-,
West- en Middel-Europa tot in Noord-Rusland uit en omvat verder
Centraal-Azië en het noordoosten van Siberië. Naar het schijnt,
komt zij in Engeland, Denemarken en Skandinavië niet voor. Volgens
_Blasius_ is zij in zekeren zin aan veld en tuin gebonden, geeft aan
beide althans bepaaldelijk de voorkeur boven het woud en den woudzoom,
waar zij evenwel soms gevonden wordt. Geen van hare verwanten gewent
zich zoo licht aan de omgeving van den mensch, geen dezer dieren komt
zoo dikwijls in gebouwen, vooral in schuren en stallen, als zij. In
de vrije natuur maakt zij des morgens vroeg en in de avonduren jacht
op allerlei soorten van kleine dieren, van het kleine Zoogdier tot
den Worm; in de huizen snoept zij van den voorraad vleesch, spek en
olie. Bijna in ieder opzicht gelijken hare zeden en gewoonten op die
van de Gewone Spitsmuis.
Een tweede, tot dit geslacht behoorende soort met dertig tanden,
de _Wimper-spitsmuis_ (_Crocidura suaveolens_), verdient vermelding,
omdat zij, met een soort van Vleermuis, het kleinste van alle thans
bekende Zoogdieren is. Haar totale lengte bedraagt slechts 6 1/2
cM., met inbegrip van den 2 1/2 cM. langen staart. De kleur van
de fluweelzachte vacht is licht bruinachtig of roodachtig grijs,
de staart is van boven bruinachtig, van onderen lichter, de snuit en
de pooten zijn vleeschkleurig, de voeten dragen witachtige haartjes;
oudere dieren zijn lichter en roestkleurig, jonge donkerderen meer
grijs. Opmerking verdient de betrekkelijk zeer groote oorschelp.
De Wimper-spitsmuis komt voor in nagenoeg alle landen, die rondom
de Middellandsche Zee en de Zwarte Zee gelegen zijn. Men heeft haar
in het Noorden van Afrika, in het zuiden van Frankrijk, in Italië
en in de Krim gevonden. Haar levenswijze stemt met die van hare
geslachtsgenooten overeen.
Van de overige Spitsmuizen verdient één soort, de _Water-spitsmuis_
of _Graver_ (_Crossopus fodiens_), een afzonderlijke vermelding. Zij
heeft, met inbegrip van den bijna 5 1/2 cM. langen staart, een lengte
van 11 cM. Van hare reeds genoemde verwanten onderscheidt zij zich,
doordat hare teenen aan de onderzijde met stijve, dikke en tamelijk
lange haren bezet zijn, die de rol van zwemvliezen vervullen.
Naar het schijnt, is de Water-spitsmuis over bijna geheel Europa
en een deel van Azië verbreid, en op voor haar geschikte plaatsen
overal te vinden. In de meeste gewesten van ons vaderland komt zij
vrij algemeen voor. De noordelijke grens van het door haar bewoonde
gebied bereikt zij in Engeland en de oeverlanden van de Oostzee, de
zuidelijke grens in Spanje en Italië. In de gebergten begeeft zij zich
tot op aanzienlijke hoogten, in de Alpen tot ongeveer 2000 M. boven
den zeespiegel. Bij voorkeur bewoont zij de wateren in bergachtige
streken, het liefst die, waarin zelfs bij de strengste koude nog
open plaatsen voorkomen, daar deze in den winter, om vrij in en uit
te gaan, onontbeerlijk zijn. Beken in bergachtige woudstreken, waar
zuiver water over een uit zand of grind bestaanden bodem vloeit, welker
oevers met boomen bezet, en door tuinen of weiden omgeven zijn, worden
door haar, naar 't schijnt, gaarne tot verblijfplaats gekozen. Even
gaarne houdt zij zich echter op in vijvers met helder water en een
bedekking van eendenkroos. Soms vindt men haar hier in verbazend
grooten getale. Dikwijls woont zij in het midden van de dorpen, en dan
liefst in de nabijheid van den door 't stroomend water in beweging
gebrachten molen. Zij leeft echter niet uitsluitend in 't water,
maar loopt ook wel rond in de weiden, die bij de beken gelegen zijn,
kruipt onder hooischelven weg, komt in de schuren en stallen, zelfs
in woonhuizen, en wordt waargenomen op velden, die ver van het water
af liggen. In den lossen grond bij het water graaft zij zelf gangen;
liever maakt zij echter gebruik van de gangen der Muizen en Mollen,
die zij in de nabijheid van haar verblijfplaats vindt. Steeds moet de
hoofdgang van haar woning verscheidene uitgangen hebben, waarvan er één
onder den waterspiegel, een andere daarboven gelegen is, en nog andere
haar in staat stellen, om ook aan de landzijde te ontvluchten. Deze
holen dienen het dier als slaapplaats en toevluchtsoord, en verschaffen
het, als het vervolgd wordt, een veilige schuilplaats.
In deze woning brengt de Water-spitsmuis in oorden waar veel geloop
is, gewoonlijk den geheelen dag door; daar, waar zij geen vervolgingen
heeft te vreezen, is zij, vooral in de lente gedurende den paartijd,
ook over dag druk in beweging. Zelden zwemt zij bij den oever langs,
liever gaat zij dwars door het water van den eenen oever naar den
anderen. Als zij een tocht langs de beek wil doen, loopt zij langs
den benedenrand van den walkant, of onder water over den bodem van
de beek. Zij is een bijzonder wakker, schrander en behendig dier,
dat den onderzoeker in ieder opzicht genoegen verschaft.