De plaats waar hij zich ophoudt, wordt door hem zelf zeer spoedig

op de duidelijkste wijze aangewezen, daar hij voortdurend nieuwe

hoopen moet opwerpen om te kunnen leven. Deze hoopen geven altijd de

richting en de uitgestrektheid aan van het jachtveld, dat hij op dit

tijdstip doorzoekt. Wegens zijn buitengewone vraatzucht moet hij dit

jachtveld voortdurend vergrooten en daarom ook aanhoudend werken aan de

uitbreiding van zijne onderaardsche gangen. Onophoudelijk graaft hij

horizontale galerijen, of liever loopgraven, op geringe diepte onder

de oppervlakte, en werpt, om de losgewoelde aarde te verwijderen,

de bekende molshoopen. "Van alle inheemsche, onder den grond levende

dieren," schrijft _Blasius_, "besteedt de Gewone Mol de meeste moeite

aan zijne kunstvolle woningen en gangen. Hij heeft niet alleen te

zorgen voor de bevrediging van zijn buitengewoon groote eetlust, maar

moet ook zijn woning en de daarmede in gemeenschap staande gangen

op zulk een wijze inrichten, dat hij tegen de velerlei gevaren,

waaraan hij blootstaat, beveiligd is. De meeste kunst en zorg wordt

vereischt voor het gereed maken van de eigenlijke woning, die zijn

leger bevat. Gewoonlijk bevindt zij zich op een van buiten moeielijk

toegankelijke plaats, onder boomwortels, muren enz.; meestal is zij

ver verwijderd van het dagelijksche jachtveld, waar de loopgraven,

die voor 't verkrijgen van 't voedsel dienen en van dag tot dag in

aantal toenemen, zich op allerlei wijzen vertakken en kruisen. Woning

en jachtveld zijn door een langen, meestal tamelijk rechten loopgang

met elkander verbonden. Behalve deze pijpen en loopgraven worden in den

voortplantingstijd nog andere gangen aangelegd, welker doel later zal

blijken. De plaats waar de eigenlijke woning zich bevindt, is dikwijls

kenbaar aan een aardhoop, die zich weinig boven de oppervlakte verheft,

maar een aanmerkelijken omvang heeft. Zij bestaat inwendig uit een

rondachtige kamer van ruim 8 cM. middellijn, die het gewone verblijf

van den Mol is, en uit twee kringvormige gangen: de grootste gang is

ongeveer even hoog als de kamer gelegen en omgeeft haar op een afstand

van ongeveer 16 à 25 cM.: de kleinste, die een weinig boven de kamer

aangebracht is, loopt ten naastenbij evenwijdig met den ondersten ring

en is er overal nagenoeg even ver van verwijderd. Gewoonlijk leiden

drie schuins naar boven en naar buiten gerichte vluchtgangen van de

kamer naar de kleine kringvormige tunnel, die zelf met de groote,

kringvormige gang in gemeenschap staat, door 5 of 6 schuinsche,

naar onderen en naar buiten gerichte verbindingsbuizen, die steeds

met de zooeven genoemde vluchtgangen afwisselen. Van den ondersten

ring gaan ongeveer 8 à 10 nagenoeg horizontale, al of niet vertakte

vluchtgangen straalsgewijs naar alle richtingen uit, die alweder

afwisselen met de laatstgenoemde verbindingsbuizen; op eenigen

afstand van de woning buigen zij zich meestal om en monden in de

gemeenschappelijke loopgang uit. Ook van den bodem der kamer leidt

een veiligheidsbuis naar beneden, die zich weldra opwaarts kromt en

in den loopgang uitkomt. De wanden van de kamer en van de gangen,

die bij de woning behooren, zijn zeer dicht, vast ineengestampt en

glad gedrukt. De kamer zelf bevat het leger, dat uit zachte bladen

en gras, meestal jonge graanplantjes, mos, stroo, mest of fijne

wortels bestaat; de meeste van deze materialen worden door den Mol

van de oppervlakte van den bodem aangevoerd. Als er van boven gevaar

dreigt, schuift hij het zachte leger ter zijde en vlucht langs den

ondersten uitweg; als de vijand van onderen of van de zijden genaakt,

dan blijven een of eenige van de verbindingsbuizen naar de kleine

kringvormige tunnel voor hem beschikbaar. De kamer biedt hem in alle

omstandigheden een veilige gelegenheid om te rusten en te slapen

en is daarom zijn gewone verblijfplaats, zoolang hij niet bezig

is voedsel te zoeken. Zij is op een diepte van 30 à 60 cM. onder

de oppervlakte gelegen. De loopgang is wijder dan de dikte van het

lichaam, zoodat het dier zich er gemakkelijk en vlug in bewegen kan;

ook hier zijn de wanden door het samenpersen en vastdrukken van den

grond buitengewoon stevig en dicht. Aan de oppervlakte is deze gang

niet, evenals de gewone jachtgangen, aan opgeworpen aardhoopen kenbaar,

daar de aarde bij het graven eenvoudig zijwaarts werd geperst. De

loopgang dient eenvoudig om de woning op de gemakkelijkst en snelst

mogelijke wijze met het jachtveld in gemeenschap te brengen; niet

zelden maken andere onder den grond levende dieren, Spitsmuizen,

Muizen en Padden, van deze gang gebruik; zij moeten echter goed

oppassen, dat zij den Mol hier niet ontmoeten. Van buiten kan deze

tunnel hieraan herkend worden, dat de haar bedekkende grond een weinig

inzakt en dat de hierop groeiende planten verdorren. Zulk een loopgang

is niet zelden 30 à 50 M. lang. Het jachtveld is meestal ver van de

woning gelegen en wordt dag aan dag, des zomers en des winters in

de meest verschillende richtingen doorwoeld en doorzocht. De hierin

voorkomende loopgraven zijn alleen voor tijdelijk gebruik bestemd; zij

dienen tot het verkrijgen van voedsel en worden niet stevig gemaakt;

de hieruit afkomstige aarde wordt aan de oppervlakte geworpen; zoo

ontstaan de molshoopen, die op korten afstand van elkander gelegen

zijn en de richting der loopgraven kenbaar maken. De Mollen bezoeken

hun jachtveld gewoonlijk drie maal per dag: des morgens vroeg, des

middags en des avonds. Zij moeten dus in den regel zes maal per dag

door den loopgang den weg van hun woning naar het jachtveld en terug

afleggen en kunnen bij deze gelegenheid, zoodra de bedoelde buis

ontdekt is, zonder fout in den tijd van weinige uren gevangen worden."

De ruimte binnen de gangen staat nooit onmiddellijk met de buitenlucht

in gemeenschap; deze dringt echter in voldoende hoeveelheid tusschen

de bestanddeelen van de molshoopen door naar binnen om het dier de

noodige zuurstof te verschaffen. Behalve lucht voor de ademhaling

heeft de Mol echter ook water noodig om te drinken; daarom graaft hij

altijd afzonderlijke gangen, die naar nabijgelegen poelen of beken

leiden. Ingeval deze in de nabijheid niet voorkomen, wordt in de

behoefte aan drank voorzien door het graven van een loodrechte gang,

waarin het regenwater zich ophoopt.

Het graven kost den mol weinig moeite. Terwijl hij zich met de

kolossale, spadevormige handen op een bepaalde plaats vasthoudt,

boort hij met behulp van de sterke nekspieren den snuit in den lossen

grond, verkruimelt de hem omgevende aardkluiten met de voorpooten en

werpt ze buitengewoon snel achter zich. Zijne ooren zijn, doordat zij

afgesloten kunnen worden, tegen het binnendringen van zand en aarde

volkomen beveiligd. De losgewoelde grond laat hij in de zooeven door

hem gegraven gang zoolang achter zich liggen, totdat de ophooping hem

te lastig wordt. Dan tracht hij aan de oppervlakte te komen, en werpt

de aarde bij kleine hoeveelheden langzamerhand naar buiten. Gedurende

dezen arbeid is hij bijna voortdurend met een 12 à 25 cM. hooge laag

losse aarde bedekt. In een lichten grond graaft hij met een werkelijk

bewonderenswaardige snelheid. _Oken_ heeft een Mol drie maanden lang

in een kist met zand gehouden; hij nam waar, dat het dier zich,

bijna even snel als een Visch door 't water glijdt, door 't zand

beweegt; de snuit gaat steeds vooraan, daarna komen de voorpooten,

die het zand ter zijde werpen, terwijl de achterpooten medewerken

om het lichaam voort te duwen. Nog sneller beweegt de Mol zich in

de loopgangen, zooals uit zeer aardig bedachte onderzoekingswijzen

(p. 262) gebleken is.

Zooals reeds op p. 259 opgemerkt is, kan hij zich ook in het water

zeer goed redden; er zijn voorbeelden van bekend, dat hij niet alleen

over breede rivieren, maar zelfs over zeearmen gezwommen is.

Het voedsel van den Mol bestaat voornamelijk uit Regenwormen

en Insectenlarven, die onder den grond leven. Bovendien eet hij

Kevers--vooral Meikevers en Mistkevers--en alle overige Insecten, die

hij krijgen kan; ook Slakken en Pissebedden schijnen hem bijzonder te

behagen. Zijn buitengewoon fijne reuk bewijst hem bij het opsporen

dezer dieren goede diensten; hij vangt ze op grootere of kleinere

diepten, al naar zij zelf hooger of lager gaan. Hij jaagt echter

niet alleen in zijne gangen, maar haalt zich af en toe ook van de

oppervlakte, en, naar men zegt, zelfs uit het water een maal. De

Spitsmuis, de Woelmuis, de Vorsch, de Hagedis, de Hazelworm en de

Ringslag, die in zijne gangen verdwalen, zijn verloren.

De honger van dit dier is zoo goed als niet te bevredigen. Hij heeft

iederen dag zooveel voedsel noodig, als zijn eigen lichaamsgewicht

bedraagt, en kan het geen 12 uren zonder eten uithouden. Hiervan

heeft _Flourens_ zich overtuigd door verscheidene zeer merkwaardige

onderzoekingen. Mollen, die door hem gevangen werden gehouden,

versmaadden alle plantaardig voedsel, maar vielen onmiddellijk

op levende Vogels en Vorschen en ook op hunne eigene, zwakkere

soortgenooten aan en verslonden ze; een Pad bleef echter gespaard,

de Mol stierf van honger, zonder dit dier aan te raken.

_Lenz_ plaatste een flinken Mol, dien hij gevangen had zonder hem te

beschadigen, in een kistje, welks bodem met een slechts 5 cM. hooge

laag aarde bedekt was; hier kon men hem meesttijds goed waarnemen,

daar hij geen onderaardsche gangen kon graven. Reeds in het tweede uur

van zijn gevangenschap vrat hij een groot aantal Regenwormen. Allerlei

plantaardig voedsel, ook brood, werd hem voorgezet; dit bleef steeds

onaangeroerd; daarentegen at hij Slakken, Kevers, maden, rupsen

en poppen van Vlinders en vleesch van Vogels en Zoogdieren. Op den

achtsten dag gaf _Lenz_ hem een grooten Hazelworm: oogenblikkelijk

ging hij op het dier af, gaf het een beet en verdween onder den grond,

omdat het zich sterk bewoog. Dadelijk kwam hij echter weer voor den

dag, beet nogmaals en trok zich opnieuw in de diepte terug. Dit deed

hij wel 6 minuten lang; eindelijk werd hij stoutmoediger, pakte de

prooi stevig aan en begon te kauwen, maar had groote moeite met het

stukbijten van de taaie huid. Toen hij er evenwel eerst een gat in had

gemaakt, werd hij zeer onversaagd, drong al vretend steeds dieper door,

maakte krachtige bewegingen met de voorpooten, om het gat wijder te

maken, trok er eerst de lever en de darmen uit, en liet ten slotte

niets over dan den kop, de rugwervels, eenige stukken van de huid en

den staart. Dit geschiedde 's morgens. Des middags vrat hij nog een

groote Tuinslak met gebroken huisje, en des namiddags verslond hij

drie vlinderpoppen. Om 5 uur had hij reeds weder honger en kreeg nu

een Ringslang, die ongeveer 80 cM. lang was; met deze handelde hij

op gelijke wijze als met den Hazelworm.

Bij gevangen Mollen kan men zich zeer duidelijk overtuigen van de

scherpte van hunne zintuigen. Ik deed een Mol in een kist, welks bodem

met een laag aarde van ongeveer 16 cM. dikte bedekte was. Onmiddellijk

woelde hij zich onder den grond. Nu drukte ik den grond vast, en legde

fijn gesneden, rauw vleesch in een hoek. Reeds na verloop van weinige

minuten verhief zich hier de grond, de fijne, buitengewoon buigzame

snuit kwam er boven te voorschijn en het vleesch werd verslonden. De

reuk stelt den Mol in staat het voedsel te ontdekken, zonder dat

hij het behoeft te zien of aan te raken; het reukzintuig is hem

een goede gids door zijne, op een doolhof gelijkende, onderaardsche

gangen. Zijn gehoor is voortreffelijk. Waarschijnlijk gebruikt hij

het vooral om gevaren te ontgaan; want de Mol merkt niet slechts de

geringste trilling van den bodem op, maar hoort ook volkomen duidelijk

ieder gedruisch, dat hem een naderend gevaar doet duchten; hierdoor

gewaarschuwd, tracht hij zich zoo schielijk mogelijk uit de voeten te

maken. Van het gezicht moet worden opgemerkt, dat de Mol wel degelijk

gebruik maakt van zijne oogen; hij laat zich, gelijk bekend is, door

dit zintuig leiden, als hij zwemmend rivieren overtrekt, die te breed

zijn om er onder door te graven. Zoodra hij zich gedrongen ziet om te

zwemmen, schuift hij dadelijk de haren, die de oogen omgeven, uiteen,

zoodat de kleine, glanzige, donkere bolletjes, die hij thans ver naar

buiten gedrukt heeft, goed zichtbaar en voor het gebruik geschikt zijn.

Reeds uit de voorafgaande mededeelingen kan men afleiden, dat de Mol,

in verhouding tot zijn grootte, een vreeselijk roofdier is. Zijn

inborst is hiermede in overeenstemming. Hij is woest, buitengewoon

verwoed, bloeddorstig, wreed en wraakzuchtig; hij leeft eigenlijk met

geen enkel dier in vrede, behalve met zijn wijfje, dat hij trouwens

alleen gedurende den paartijd en zoo lang de jongen klein zijn, bij

zich duldt. Gedurende den overigen tijd van het jaar laat hij geen

enkel levend wezen in zijn nabijheid toe; als gast of medebewoner in

zijn onderaardsche woning, wordt nooit eenig dier, van welke soort

dan ook, opgenomen. Als twee Mollen van dezelfde sekse elkander

ontmoeten, leggen zij steeds de grootst mogelijke woede en ijverzucht

aan den dag. Het spreekt van zelf, dat in den strijd die tusschen hen

ontbrandt, geen kwartier wordt gegeven; het einde van zulk een gevecht

is altijd, dat de overwonnene door den overwinnaar wordt opgegeten.

Een ander leven vangt in den paartijd aan. Dan verlaten de mannetjes

en wijfjes des nachts dikwijls hun hol en zwerven aan de oppervlakte

rond om andere mollenpaleizen op te zoeken en hier bezoeken af te

leggen. Het is gebleken, dat er veel meer mannetjes dan wijfjes

zijn; eindelijk vindt de mannelijke Mol, misschien na velerlei

moeite en strijd, een wijfje en tracht dit door geweld of goedheid

aan zich te verbinden. Hij vestigt zich daarna met zijn liefje in

zijn eigen of in haar hol en legt hier gangen aan, die op de gewone

jachtgangen gelijken, maar voor een geheel ander doel bestemd zijn,

namelijk om het wijfje er in op te sluiten, wanneer zich een medevrijer

vertoont. Zoodra hij zijn lieve wederhelft op deze wijze in veiligheid

heeft gebracht, keert hij onmiddellijk naar zijn tegenstander

terug. Beide verwijden de gangen, waarin zij elkander aangetroffen

hebben, tot een strijdperk en vechten nu op leven en dood. Intusschen

tracht het opgesloten wijfje haar vrijheid te herkrijgen, graaft nieuwe

gangen en verwijdert zich al verder en verder van haar gevangenis;

de overwinnaar ijlt haar achterna en brengt haar weder terug; na

velerlei strijd geraken de beide brommige kluizenaars aan elkander

gewend. Zij graven nu gemeenschappelijk gangen om zich te beveiligen

en ten behoeve van hun kostwinning; het wijfje legt een nest aan voor

hare jongen, in den regel daar, waar drie of meer gangen in een punt

samenkomen, en waar dus bij gevaar zooveel mogelijk gelegenheden om

te vluchten zijn. Het nest wordt gemaakt door een eenvoudige kamer

dicht te bekleeden met zachte, meestal stuk gebeten plantendeelen,

hoofdzakelijk met bladen, gras, mos, stroo en andere dergelijke

stoffen; het ligt gewoonlijk op tamelijk grooten afstand van de vroeger

beschreven woonkamer, waarmede het door een loopgang verbonden is. Na

een draagtijd van ongeveer vier weken werpt het wijfje in dit nest

3 à 5 blinde jongen, die hulpbehoevender zijn dan de jongen van de

meeste andere Zoogdieren. Aanvankelijk zijn zij onbehaard en ongeveer

zoo groot als een groote boon. Maar reeds in hun vroegste jeugd zijn

zij even onverzadelijk als hunne ouders; zij groeien daarom zeer snel.

De moeder wijdt zeer veel zorg aan haar kroost en schuwt geen gevaar,

waar het de veiligheid van hare jongen geldt. Maar ook het mannetje

bemoeit zich met hen, brengt hun Regenwormen en Insecten en neemt bij

overstroomingen behoorlijk zijn deel aan de gevaren van de redding

der jongen, door ze in den bek op een veilige plaats te brengen. Als

zij ongeveer 5 weken oud zijn, hebben zij tennaastenbij de helft van

de grootte der volwassene bereikt, liggen echter nog altijd in het

nest, en wachten tot een van de ouders hun voedsel brengt, dat zij

dan met ongeloofelijke gretigheid in ontvangst nemen en opeten. Als

hun moeder hun ontnomen wordt, wagen zij het soms, gekweld door

den hevigsten honger, in de loopgang te gaan, waarschijnlijk om hun

verzorgster te zoeken; als zij niet gestoord worden, begeven zij zich

eindelijk ook buiten het nest en zelfs aan de oppervlakte, waar zij

met elkander spelen en stoeien. Hunne eerste pogingen om te woelen

zijn nog zeer onvolkomen; zonder eenigen regel in acht te nemen,

maken zij loopgraven onmiddellijk onder de oppervlakte van den bodem,

dikwijls zoo dicht er bij, dat zij nagenoeg niet met aarde bedekt

zijn; slechts zelden beproeven zij het opwerpen van molshoopen. Maar

het verstand komt met de jaren, en reeds in de volgende lente zijn

zij volkomen ervaren in het bedrijf van hunne ouders.

De Mol houdt geen winterslaap, gelijk vele andere Insecteneters doen,

maar is des zomers en des winters voortdurend in beweging. Hij volgt

de Regenwormen en Insecten na en begeeft zich met hen diep in den

grond of naar de bovenste aardlaag.--Van de middelen, die uitgedacht

zijn om de levenswijze van een zoo verborgen levend dier na te gaan,

wil ik er slechts één als voorbeeld aanhalen. Om de snelheid van

de beweging van den Mol in zijne gangen te onderzoeken, plaatste

_Lecourt_ een aantal stroohalmen op een rij in de loopgang, zoodat

zij door den voorbijsnellenden Mol aangeraakt en in beweging gebracht

moesten worden; boven aan deze stroohalmen had hij kleine, papieren

vlaggetjes bevestigd. Nu maakte hij den Mol, die in zijn jachtveld

bezig was, verschrikt door op een hoorn te blazen, totdat het dier

in den loopgang terugkeerde. Achtereenvolgens vielen de vlaggetjes

naar beneden, zoodra de Mol de stroohalmen aanraakte, waardoor de

onderzoeker en zijne helpers in staat gesteld werden om de snelheid

van de bewegingen met zekerheid te bepalen. Deze kwam overeen met

die van een Paard in den draf.

Er is geen twijfel aan, dat de Mol door het wegvangen van Regenwormen,

Veenmollen, engerlingen en andere schadelijke dieren veel nut sticht;

hij moet daarom op alle plaatsen, waar men de door hem opgeworpen

hoopen gemakkelijk uit den weg ruimen kan, als een der nuttigste

Zoogdieren aangemerkt worden. Niet minder waar is het echter, dat

men hem in tuinen niet kan dulden, omdat hij hier door het woelen in

den grond, waaruit kostbare planten hun voedsel trekken, of door het

losmaken van deze gewassen een belangrijke schade aan de kweekerij

zal veroorzaken. Bovendien brengt hij de waterkeeringen, die het

land tegen overstroomingen beveiligen, door zijn woelen in gevaar;

bij hoogen waterstand dringt het water door de gangen heen, en spoelt

ze uit, zoodat op deze wijze een dijkbreuk kan ontstaan. Op de weiden,

in de bosschen, op de akkers is hij onze bondgenoot en verdient hij

onvoorwaardelijk beschermd te worden, op andere plaatsen veroorzaakt

hij ontzaglijk veel ergernis en schade. Men kent vele middelen om

hem te verdrijven; het is echter in alle gevallen het verstandigst

dit werk aan een ervaren mollenjager op te dragen, daar deze de kunst

om Mollen te verdelgen veel beter verstaat, dan beschrijvingen haar

leeren kunnen. Slechts een enkel middel wil ik aangeven, omdat het nog

weinig bekend is en goed helpt. Als men een tuin of een ander stuk

grond dat netjes in orde moet blijven, voor den Mol beveiligen wil,

behoeft men niets anders te doen, dan er omheen een massa afgehouwen

doornstruiken, scherven en andere puntige voorwerpen, ongeveer tot op

een diepte van 60 cM. in den grond te begraven. Zulk een beschermende

muur weert iederen Mol af, want als hij er doorheen dringen wil,

verwondt hij zich het gelaat aan de een of andere spits en bezwijkt

dan in den regel zeer schielijk aan de gevolgen van deze verwonding.

De Mol heeft behalve de mensch nog vele andere vervolgers. De

Bunzingen, Hermelijnen, Uilen en Valken, de Buizerden, Raven en

Ooievaars loeren op hem, terwijl hij de aarde uit zijne loopgraven

naar buiten werkt, de Wezel vervolgt hem zelfs in zijne gangen,

waar hij ook niet zelden een slachtoffer wordt van de Adder. De

Rattenvangers scheppen er genoegen in den gravenden Mol te bespieden,

hem door een plotselinge beweging uit den grond te slingeren en door

eenige beten om 't leven te brengen. Slechts de Vossen, Marters,

Egels en de genoemde Vogels verslinden hem; de andere vijanden laten

hem liggen, nadat zij hem gedood hebben.

De _Klim-egels_ of _Toepei's_ (_Tupaiidae_) vormen een derde familie

van Insecteneters. Letterlijk vertaald beteekent de Duitsche naam

dezer familie "Spitshoorntjes"; hij duidt aan dat deze dieren op

Eekhoorntjes gelijken, hoewel de overeenstemming slechts oppervlakkig

kan zijn. Hun kop loopt uit in een langen snuit, welks stompe spits

gewoonlijk naakt is; de romp is gestrekt, de staart lang of zeer lang,

pluimvormig, tweerijig behaard, de vacht dicht en zacht. De oogen zijn

groot, de ooren langwerpig en afgerond, de voeten hebben naakte zolen

en vijf van elkander gescheiden teenen, die met korte, sikkelvormige

klauwen gewapend zijn. Het wijfje heeft vier tepels aan den buik.

De Klim-egels bewonen Achter-Indië en den Indischen Archipel. Zij

zijn echte dagdieren, die hunne rooverijen in het heldere zonlicht

uitvoeren. Door hun vacht en hunne bewegingen gelijken zij op de

Eekhorentjes; de inboorlingen in de door hen bewoonde landen hebben

voor hen en de Eekhorentjes slechts één naam.

Een van de grootste soorten is de _Tana_ (_Tupaia tana_, _Cladobates

tana_). Deze dieren onderscheiden zich van hunne verwanten,

behalve door de grootte, ook door den langen staart; zij hebben een

donkerbruine, naar zwart zweemende vacht, die aan de onderdeelen

een roodachtig waas vertoont, aan den kop en aan den snuit met grijs

gemengd is. Wat grootte betreft, komt de Tana nog het meest met ons

Eekhorentje overeen; de lengte van zijn lichaam bedraagt niet recht

20 cM., die van den staart evenveel.

De Tana is een vlug en wakker dier, hoewel zijne bewegingen niet zoo

snel zijn als die van onze Eekhorentjes, die zulk een uitstekend

gebruik weten te maken van hunne lange, gekromde nagels en bijna

even behendig zijn in 't klauteren als de Apen. Zijn voedsel bestaat

uit Insecten en vruchten, die hij zoowel in de takken als op den

bodem zoekt.

Nauwkeuriger, hoewel volstrekt niet in voldoende mate, zijn

ons de _Spring-spitsmuizen_ (_Macroscelidae_) bekend, die een

der opmerkelijkste familiën van de orde vormen. Evenals de meeste

Klim-egels door hun staart op de Eekhoorntjes gelijken, herinneren de

Spring-spitsmuizen aan andere Knaagdieren, n.l. aan de Springmuizen,

door de lange, dunne, bijna onbehaarde achterpooten. Bovendien hebben

zij van alle Insecteneters den langsten neus; deze is bij haar een

echte slurf geworden en heeft aanleiding gegeven tot haar Duitschen

naam, die letterlijk vertaald "Slurfspringers" beteekent, terwijl

haar wetenschappelijke naam "Langschenkels" beduidt. De slurf is in

het midden slechts dun behaard en heeft aan den wortel een reeks van

tamelijk lange haren; de spits is geheel kaal. Bovendien vallen aan

den kop de groote oogen, de omvangrijke, van binnen met lijstvormige

plooien voorziene ooren en de lange snorharen in 't oog. De tamelijk

korte, dikke romp rust op ledematen, welker voorste paar zeer van

het achterste verschilt. De achterpooten zijn buitengewoon lang;

zooals reeds gezegd is, komen zij door hun maaksel overeen met die

van andere woestijnbewoners, en wel van de Springmuizen. De vacht is

zeer dicht en zacht. Het gebit bestaat uit 40 tanden.

De _Olifant-spitsmuis_ (_Macroscelides typicus_) is 25 cM. lang,

met inbegrip van den 11 1/2 cM. langen staart en van de bijna 2

cM. lange slurf. De bovendeelen zijn roodachtig bruin of muiskleurig;

de onderdeelen en de pooten evenwel meer of minder zuiver wit.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 05: Robben; Hoofdstuk 06: Insecteneters · 第 5 / 7 段