In verhouding tot haar grootte is de Water-spitsmuis een geweldig

roofdier; zij verslindt niet alleen allerlei slag van Insecten, vooral

zulke die in 't water leven, Wormen, kleine Weekdieren, Kreeften en

andere Schaaldieren, maar ook Kikvorschachtigen, Visschen, Vogels

en kleine Zoogdieren. De Muis, die zij in hare gangen ontmoet, is

verloren; de jeugdige, nog onervaren Kwikstaart, die zich onvoorzichtig

te dicht bij het water waagt, wordt plotseling met dezelfde

bloeddorstigheid overvallen, als de Los toont bij het bespringen van

een Ree, en in weinige minuten om 't leven gebracht; de Kikvorsch,

die zorgeloos voorbij een der uitgangen van het Spitsmuizen-hol

springt, voelt zich bij een der achterpooten gepakt en wordt, in

weerwil van zijn jammerlijk geschreeuw, in de diepte getrokken, waar

hij weldra het leven verliest. Modderkruipers en Voorntjes worden in

kleine inhammen gedreven en hier op een eigenaardige wijze gevangen:

de Water-spitsmuis maakt het water troebel en bewaakt den ingang van

de bocht; zoodra nu een der vischjes haar voorbijzwemmen wil, schiet

zij toe en vangt het in den regel: zij vischt, zooals het spreekwoord

zegt, in troebel water. Maar niet alleen kleine dieren worden door

haar aangevallen; zij kiest zich soms een prooi, welker gewicht het

hare meer dan zestigmaal overtreft; er zal wel geen ander roofdier

zijn, dat een naar evenredigheid zoo grooten buit overvalt en om

't leven brengt:

"Een landeigenaar van mijn kerspel," zoo verhaalt mijn vader, "kweekte

in zijn vijver fraaie Visschen, en had in den herfst van 1829 voor

de vensters zijner woning in een vergaarbak, die wegens het hierin

steeds toestroomende bronwater nooit dichtvroor, verscheidene Karpers

geplaatst om ze bij gelegenheid te eten. De maand Januari van 1830

bracht een koude van 22°, en bedekte bijna alle beken met een dikke

ijslaag; alleen de 'warme bronnen' bleven er van bevrijd. Eens vond de

eigenaar in zijn vergaarbak tot zijn groote ergernis een dooden Karper,

wien de oogen en de hersenen uit den kop gevreten waren. Weinige dagen

daarna vond hij een tweeden Visch, die op dezelfde wijze toegetakeld

was, en zoo verloor hij den eenen Karper na den anderen. Eindelijk

bemerkte zijn vrouw, dat tegen den avond een zwarte 'Muis' bij den

vergaarbak opklauterde, in het water rondzwom, zich op den kop van

een Karper neerzette en zich hier met de voorpooten vasthield. Eer de

vrouw het bevroren venster had kunnen openen, om het dier weg te jagen,

waren den Visch de oogen uitgevreten. Eindelijk was het openen van

het venster gelukt en werd de 'Muis' op de vlucht gedreven. Nauwelijks

echter had deze den bak verlaten, of zij werd door een rondsluipende

Kat gevangen, aan deze weer ontnomen en naar mij gebracht. Het was

onze Water-spitsmuis." "Hierbij moet ik nog doen opmerken, dat het

mij gebrachte exemplaar niet het eenige was, dat aan den bedoelden

vergaarbak bezoeken bracht; de eene voor, de andere na kwam er. De

eigenaar legde toen een vergiftigden karperkop in den bak en doodde

hiermede werkelijk verscheidene Water-spitsmuizen."

De vijanden van de Water-spitsmuizen zijn bijna dezelfde als die,

welke wij bij de behandeling van de Gewone Spitsmuis hebben leeren

kennen. Over dag hebben zij gewoonlijk niets van hen te lijden; wanneer

zij echter 's nachts langs den oever loopen, worden zij dikwijls een

prooi van Uilen en Katten; de laatstgenoemde bepalen zich er echter toe

haar te dooden, en werpen ze wegens haar muskus-lucht vervolgens weg.

De tweede onderfamilie, die der _Bever-spitsmuizen_ (_Miogalinae_),

omvat slechts weinig soorten. Zij vormen wat haar uitwendig voorkomen

betreft, een overgang van de Spitsmuizen tot de Mollen. De romp is meer

ineengedrongen dan bij de overige Spitsmuizen, de hals buitengewoon

kort en even dik als de romp; deze rust op korte pooten, welker vijf

teenen door lange zwemvliezen met elkander verbonden zijn; de staart

is langwerpig, afgerond, tegen het einde bij wijze van een roeiriem

zijdelings samengedrukt, geringd en geschubd en slechts spaarzaam met

haren bezet. De oorschelpen ontbreken en de oogen zijn zeer klein. Het

merkwaardigste aan het geheele dier is de neus, die, met nog meer recht

dan bij de Spring-spitsmuizen een slurf genoemd verdient te worden. Hij

bestaat uit twee lange, dunne, onderling vereenigde kraakbeenige

buizen, en kan door twee groote en drie kleine spieren aan iedere

zijde in alle richtingen bewogen en voor de meest verschillende

verrichtingen, vooral voor het betasten van allerlei voorwerpen,

gebruikt worden. Onder den staartwortel ligt een muskusklier, welker

afscheidingsproduct een buitengewoon sterken reuk verbreidt.

Tot dusver kent men slechts één geslacht, dat tot deze onderfamilie

behoort, en hierin twee, in Zuid-Europa levende soorten: de eene

bewoont de Pyreneeën en de hiermede verbondene gebergten; de andere

is in Zuid-Rusland inheemsch. De eerstgenoemde, de _Bisam-spitsmuis_,

de _Almizilero_ der Spanjaarden (_Myogale pyrenaica_), is een dier

van 25 cM. lichaamslengte, waarvan ongeveer de helft voor den staart

gerekend moet worden.

De _Desman_ of _Woechoechol_ (_Myogale moschata_, afgebeeld op p. 269),

onderscheidt zich van de vorige soort o.a. door zijn grootte, want

zijn lichaamslengte kan wel 42 cM. bedragen, als men den 20 cM. langen

staart mederekent.

De Desman bewoont het zuidoosten van Europa en wel hoofdzakelijk de

stroomgebieden van den Wolga en den Don; hij komt echter ook in Azië

voor, n.l. in Boekharijë. Zijn leven is aan het water verknocht; niet

dan hoogst ongaarne onderneemt hij kleine reizen over land om van

de eene beek naar de andere te komen. Overal waar hij aangetroffen

wordt, is hij veelvuldig. Zijn levenswijze is zeer eigenaardig en

gelijkt op die van den Visch-otter. Hij brengt de helft van zijn

leven onder den grond, de andere helft in 't water door. Stilstaand

of langzaam stroomend water, omsloten door hooge oevers, waarin hij

zich gemakkelijk gangen kan graven, lachen hem het meest toe. Hier

vindt men hem, eenzaam levend of bij paren, in grooten getale.

Uitmuntend geschikt tot het zwemmen en duiken, brengt de Desman een

groot deel van zijn leven in 't water door. Zijn voedsel bestaat uit

Bloedzuigers, Wormen, Waterslakken, Muggen, Watermotten en larven van

andere Insecten. Hoe plomp en onbeholpen hij ook schijnt, toch is hij

zeer behendig en vlug. Zoodra het ijs opengaat, ziet men hem bij den

oever onder het water tusschen de riethalmen en andere waterplanten

rondloopen, zich naar alle richtingen draaien, met snelle bewegingen

van de slurf allerlei dieren opzoeken, en dikwijls, om te ademen aan

de oppervlakte komen. Hoe veelvuldig dit dier is, blijkt hieruit,

dat men voor zijn vel, dat tot het omzoomen van mutsen en andere

kleedingstukken dient, slechts weinige centen betaalt.

_Pallas_ is de eenige natuuronderzoeker, die mededeelingen heeft

gedaan over het leven van dit dier in den natuurstaat; tevens heeft

hij over de levenswijze der gevangen dieren berichten gegeven; in

de gevangenschap houden zij het echter slechts kort uit, zelden

langer dan drie dagen. Zoo aangenaam het gevangen dier is door

zijne beweeglijkheid en levendigheid, zoo onaangenaam is het door

de muskuslucht, die het verbreid; deze is zoo sterk, dat zij niet

slechts het geheele vertrek vervult, maar ook overgaat op alle dieren,

die den Desman als voedsel gebruiken.

Zoomin Half-apen, als Vleermuizen, of Insecteneters, maar met

eigenaardigheden van al deze diergroepen voorzien, hebben

de _Huidvliegers_ vertegenwoordigers van een afzonderlijke

familie (_Galeopithecidae_), die slechts één geslacht bevat

(_Galeopithecus_), den onderzoekers voorlang reeds veel hoofdbrekens

veroorzaakt. Tengevolge van de onzekerheid der dierkundigen, heet de

meest bekende soort van deze diergroep ook nog wel _Vliegende Aap_,

_Vliegende Maki_, _Vliegende Kat_, _Wonderbaarlijke Vleermuis_,

_Vleermuis met behaarde Vlieghuid_ enz.

De Huidvliegers zijn dieren met een slank gebouwd lichaam, van

de grootte van een Kat, hunne middelmatig lange ledematen zijn aan

elkander verbonden door een breede en dikke, aan weerszijden behaarde

huid. Hunne vijf teenen hebben terugtrekbare klauwen; de duim kan

niet aan de overige vingers tegenovergesteld worden. De korte staart

is mede in de "fladderhuid" opgenomen. De kop is betrekkelijk klein,

de snuit zeer verlengd, de oogen zijn middelmatig groot, de ooren

behaard en klein. De "fladderhuid" is geen vlieghuid, maar slechts

een valscherm, waardoor de valbeweging vertraagd en het dier dus

gedragen wordt, gedurende zijn groote sprongen. Met de vlieghuid

der Vleermuizen heeft dit orgaan dus geen overeenkomst. Het is een

voortzetting van de huid, die den romp bekleedt, begint aan den hals,

is met de voorpooten verbonden, omzoomt deze tot aan de hand, strekt

zich, overal ongeveer even ver voorbij den romp reikend, tot aan de

achterhanden uit en loopt van hier tot aan de spits van den staart.

De _Kagoeang_ of _Koebin_ der Maleiers (_Galeopithecus volans_) bereikt

een totale lengte van 60 cM., waarvan 11 of 12 cM. voor den staart

gerekend moeten worden; op den rug is hij dicht, op de voorarmen echter

dun behaard; de okselstreek en de zijden van het lichaam zijn kaal. Aan

de bovenzijde is hij bruinrood, aan de onderzijde een weinig doffer

van kleur; in de jeugd is de kleur van de bovendeelen bruinachtig

grijs, die van de zijden donkerbruin; op elken leeftijd echter zijn

de ledematen en de fladderhuid met lichte vlekken geteekend. Wanneer

men mag aannemen, dat de verschillende vormen, die onder den naam

_Galeopithecus_ beschreven zijn, alle tot één soort behooren, omvat

het verbreidingsgebied van deze soort de Soenda-eilanden, de Molukken,

de Philippijnen en het Maleische Schiereiland tot aan Tenasserim.

Verscheidene reizigers, te beginnen bij _Bontius_, die misschien

met een der door hem genoemde dieren den Kagoeang bedoelt, hebben

van dit dier melding gemaakt; geen hunner heeft echter, voor zoover

mij bekend is, zijn levenswijze uitvoerig beschreven. Aan _Junghuhn_

is het volgende bericht ontleend: "Wij hoorden slechts één gekrijsch,

dit klonk echter zoo vreemdsoortig en zoo angstig, dat wij aan het

geschreeuw van een kind of aan het gekerm van iemand, die een ongeluk

gekregen had, dachten. Akelig en wanhopend weerklonk het van tijd

tot tijd door den stillen nacht; de Haranen schoven dichter bijeen

rondom de wachtvuren; de vrees voor spoken deed hun vroolijk gesprek

verstommen. Weldra echter werd het geheimzinnige verschijnsel voor

ons ontsluierd: de geest of de verongelukte, wiens stem op een uit

de verte komend, angstig geschreeuw geleek, vertoonde zich aan ons

en zweefde langzaam over onze hoofden heen. Het was een Huidvlieger,

die, terwijl hij zich van den eenen boom naar den anderen begaf,

van tijd tot tijd zijn afschuwelijk krijschend geluid liet hooren."

De scherpe klauwen stellen dit dier in staat om behendig te klimmen;

hij gaat om vruchten te plukken en Insecten te zoeken in de boomen

tot hij den top bereikt heeft, en zweeft dan in schuinsche richting

naar een anderen boom; bij deze beweging herinnert hij, naar Von

_Rosenberg_ opmerkt, aan een vlieger. Terwijl hij gaat of klimt,

is zijn valscherm een weinig samengevouwen en tegen het lichaam

aangelegd, zoodat het de beweging niet bemoeilijkt. Als hij zich van

zijn valscherm bedienen wil, loopt hij naar den top van een tak, doet

van hier uit een krachtigen sprong, strekt in de lucht alle ledematen

uit en zweeft nu langzaam van boven naar onderen over tusschenruimten,

die, naar men zegt, niet zelden 60 M. bedragen. Nooit verheft hij

zich _boven_ de plaats, van waar hij is afgesprongen, altijd _daalt_

hij langs een vlak met betrekkelijk geringen hellingshoek naar beneden.

_Wallace_ zag dit dier op Singapore en Borneo, overvloediger echter op

Sumatra in de omstreken van Palembang. "Het is," zegt hij, "traag in

zijne bewegingen, althans over dag; bij het beklimmen der boomen gaat

het slechts eenige voeten achtereen voort en houdt dan een oogenblik

stil, als ware het vermoeid van den arbeid. Gedurende den dag is

het doorgaans in rust, vastgeklampt aan de stammen der boomen. Zijn

olijfkleurige of bruine vacht, besprenkeld met onregelmatige,

witachtige vlekken, gelijk volkomen op de kleur van een met mos

begroeiden stam, en strekt dus zonder twijfel tot bescherming van

het dier. Eens, bij heldere schemering, zag ik een dezer dieren op

een tamelijk open plaats tegen een boomstam oploopen, en vervolgens

in schuinsche richting door de lucht naar een anderen boom zweven,

dien het nabij het ondereind bereikte, en waarin het onmiddellijk

begon op te klimmen. Ik paste den afstand tusschen de beide boomen af,

en bevond, dat deze omstreeks 210 voet bedroeg; daarentegen schatte

ik het bedrag der daling slechts op 35 à 40 voet; deze is dus minder

dan één op vijf. Dit bewijst, naar het mij toeschijnt, dat het dier

eenig vermogen moet bezitten om zich in de lucht te sturen, daar het

anders bij zulk een verren afstand geringe kans zou hebben om juist op

den stam terecht te komen. De _Galeopithecus_ voedt zich met bladen,

heeft een zeer omvangrijke maag en lange, ineengekronkelde darmen. De

hersenen daarentegen zijn zeer weinig ontwikkeld; de staart dient

het dier waarschijnlijk om zich gedurende den maaltijd nog beter

vast te houden. Het onderscheidt zich door zulk een taai leven,

dat het bijna niet mogelijk is, het door een der gewone middelen

van kant te maken. Men zegt, dat dit dier slechts één jong werpt,

en mijn eigene waarneming bevestigt deze bewering; want ik schoot

eens een wijfje met een zeer klein blind en naakt schepseltje aan

haar borst geklampt; het was geheel kaal en sterk gerimpeld, zoodat

het mij de jongen van Buideldieren in het geheugen riep, tot welke

het in enkele opzichten een overgang schijnt te vormen. De vacht,

die zich van den rug over de ledematen en het vlies uitstrekt, is

kortharig, maar uiterst zacht; haar samenstelling gelijkt op die van

de Chinchilla-vacht." Het vel wordt deswege als pelswerk hoog geschat.

Op den bodem beweegt dit dier zich met moeite en op een onbeholpen

wijze. _Jagor_ kreeg op Samar, een van de Philippijnen waar de

Huidvliegers niet zeldzaam zijn, een levend wijfje met haar jong. "Het

scheen een onschadelijk, onbehendig dier te zijn. Toen het van zijne

banden bevrijd was, bleef het op den bodem liggen, alle vier ledematen

zijwaarts gestrekt, zoodat de buik op den grond rustte, en bewoog zich

vervolgens met korte, logge sprongen, zonder zich daarbij op te heffen,

naar den naastbijgelegen wand, die uit geschaafde planken bestond. Toen

de Kagoeang daar aangekomen was, tastte hij lang met de binnenwaarts

gekromde, scherpe klauwen van zijne voorpooten rond, tot het hem

eindelijk duidelijk werd, dat het hem onmogelijk zou zijn op deze

plaats omhoog te klauteren. Zoodra het hem gelukt was, in een hoek,

of door gebruik te maken van een toevallig aanwezige spleet, eenige

voeten omhoog te klimmen, viel hij weldra weer naar beneden, omdat hij

het betrekkelijk veilige standpunt van zijne achterpooten liet varen,

voordat de klauwen van de voorpooten een nieuw aanhechtingspunt hadden

gevonden; de val veroorzaakte hem echter geen leed, daar de schok

door de snel uitgespannen vlieghuid gebroken werd. Het dier had zijne

vergeefsche pogingen zoo vaak herhaald, dat ik er niet verder op lette,

en--na verloop van eenigen tijd was het verdwenen. Ik vond het in een

donkeren hoek onder het dak terug, waar het waarschijnlijk den nacht

wilde afwachten om de vlucht verder voort te zetten. Blijkbaar was

het er in geslaagd den bovenrand van het planken beschot te bereiken

en zijn lichaam tusschen dezen rand en den vast daarop liggenden,

veerkrachtigen, van bamboes gevlochten zolder heen te wringen. Het

arme dier, dat ik voorbarig voor dom en onhandig had gehouden, had

dus in de bestaande omstandigheden de grootst mogelijke behendigheid,

schranderheid en volharding getoond."

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 05: Robben; Hoofdstuk 06: Insecteneters · 第 7 / 7 段