hiertoe het ineengerolde dier op een tuintafel en ga stil daarnaast
zitten. Moeielijk kan men zich een grootere afwisseling van de
gelaatsuitdrukking voorstellen, dan men nu aanschouwen zal. Hoewel de
gemoedsstemming van het dier natuurlijk zeer weinig te maken heeft
met deze veranderingen der wezenstrekken, heeft het er toch allen
schijn van, dat het gelaat van den Egel in den kortst mogelijken
tijd achtereenvolgens alle gemoedstoestanden uitdrukt van de diepste
neerslachtigheid tot de uitbundigste vroolijkheid. Als men zich
stil houdt, begint de Egel na verloop van geruimen tijd er aan te
denken zijn wandeling te hervatten. Een eigenaardige rilling van
het vel duidt het begin van zijn beweging aan. Zachtjes schuift
hij het voorste en het achterste deel van het stekelpantser uiteen,
zet de voeten voorzichtig op den grond en laat langzamerhand zijn
varkenssnuitje voor den dag komen. Nog is de huid van den kop sterk
geplooid en een sombere toorn schijnt uit zijn laag voorhoofd te
spreken; zelfs de zachtaardige oogjes liggen nog diep verborgen
onder ruige wenkbrauwen. Meer en meer ontplooit zich het gelaat, al
verder en verder, wordt de neus in den wind gestoken, hoe langer hoe
meer het pantser teruggeschoven, eindelijk heeft men op eens weer
het goedaardige gezichtje met zijn gewone tevredene en argelooze
bedaardheid voor zich; op dit oogenblik begeeft de Egel zich opnieuw
op weg, alsof er nooit eenig gevaar voor hem bestaan had.
Als een van zijne verwoedste vijanden, een Hond of een Vos, hem
bespeurt, rolt hij zich ten spoedigste ineen, en blijft in deze
houding, wat er ook gebeure. Door het woedende geblaf of geknor van
zijne vervolgers, weet hij, dat zij vast voornemens zijn hem met booze
bedoelingen te lijf te gaan, en wacht zich er wel voor, een van zijne
door erfelijkheid verworven voorrechten prijs te geven. Toch zijn er
middelen genoeg om den Egel te nopen, oogenblikkelijk zijn bolvormige
gestalte op te geven. Als men hem met water begiet, of in het water
werpt, ontrolt hij zich onmiddellijk: dit middel weet niet alleen
"Reintje van der Schalk", maar ook menige Hond ten nadeele van onzen
vriend toe te passen. Door tabaksrook, dien men hem tusschen de
stekels door in den neus blaast, wordt dezelfde uitkomst verkregen.
De Egel is volstrekt geen onhandige of sukkelachtige jager, integendeel
hij kan op de jacht kunststukjes uitvoeren, die een zekere mate van
begaafdheid verraden. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Insecten;
juist daarom is hij ons nuttig. Hij is echter niet altijd tevreden
met dezen schralen kost, maar verklaart ook aan andere dieren den
oorlog. Van de kleine Zoogdieren of Vogels is geen enkele veilig
voor hem; onder de lagere diersoorten richt hij een groote slachting
aan. Behalve een zeer groot aantal Sprinkhanen, Krekels, Kakkerlakken,
Meikevers, Mistkevers en andere Kevers met hunne larven, verslindt
hij Regenwormen, naakte Slakken, Bosch- en Veldmuizen, kleine Vogels
en zelfs jongen van grootere soorten. Men zou kunnen meenen, dat het
hem niet mogelijk is de kleine, vlugge Muizen te vangen; maar hij
verstaat zijn beroep en brengt zelfs het ongeloofelijk schijnende tot
stand. Eens heb ik hem nagegaan, terwijl hij op de muizenjacht was en
mij terecht verwonderd over zijn slimheid. Hij liep in 't voorjaar
in 't lage koorn rond en bleef plotseling staan voor een muizengat,
snuffelde en speurde in de nabijheid, wendde zich langzaam heen en weer
en scheen eindelijk tot de wetenschap te zijn gekomen, aan welken kant
de Muis zich bevond. Toen kwam zijn snuit hem uitmuntend te pas. Met
groote snelheid wroette hij de gang van de Muis open en haalde haar
werkelijk na verloop van korten tijd in; want het piepen van de Muis
en het tevreden geknor van den Egel bewezen mij, dat de ontmoeting de
bedoelde gevolgen had gehad. Nu was het mij dus duidelijk geworden, hoe
hij in 't open veld Muizen jaagt. Hoe hij het aanlegt om in schuren en
stallen dit vlugge wild te overmeesteren, vernam ik eerst onlangs van
mijn vriend _Albrecht_. Een door dezen onderzoeker in huis gehouden
Egel werd bij 't rondloopen in de kamer plotseling een neuswijze
Muis gewaar, die zich buiten zijn schuilplaats had gewaagd. Met
ongeloofelijke snelheid, die echter de gewone plompheid van beweging
niet bedekken kon, schoot de Egel op de Muis toe, en greep haar, voor
dat zij den tijd had om hem te ontkomen. "Deze fabelachtig vlugge
beweging van het schijnbaar zoo logge dier heb ik later nog dikwijls
waargenomen," schrijft mij mijn vriend; "steeds bracht zij mij aan
't lachen; ik kan er geen juiste vergelijking voor vinden. Bijna was
zij te vergelijken met het door de lucht snorren van een rieten pijl,
die door den wind naar rechts en naar links wordt gedreven, en ondanks
deze afwijkingen, toch weer in de juiste baan komt, en het doel treft."
Veel belangrijker dan deze jachtbedrijven is de strijd, dien de
Egel met de Slangen voert. Hij toont hierbij een moed, dien men
niet van hem verwacht zou hebben. _Lenz_ heeft hierover uitmuntende
waarnemingen gedaan. "Den 14en Augustus", bericht hij, "deed ik
een Egel in een groote kist, waar hij twee dagen later jongen ter
wereld bracht, welker huid reeds met kleine stekels begroeid was en
die hij met trouwe moederliefde verzorgde. Om zijn smaak te leeren
kennen gaf ik hem zeer verschillende soorten van voedsel, en vond,
dat hij Kevers, Regenwormen, Vorschen, zelfs Padden (deze echter
niet zeer graag), Hazelwormen en Ringslangen met groot welbehagen
verslond. Aan Muizen gaf hij echter de voorkeur; ooft at hij alleen,
als hij geen dierlijk voedsel kreeg, en toen ik hem eens twee dagen
achtereen niets anders dan ooft gaf, at hij zoo weinig, dat twee van
zijne jongen uit gebrek aan melk verhongerden.--Ook bij ontmoetingen
met gevaarlijke dieren gaf hij bewijzen van grooten moed. Zoo deed
ik eens in zijn kist acht flinke Hamsters; zooals men weet, zijn
dit zeer kwaadaardige Knaagdieren, waarmede niet te gekscheren
valt. Nauwelijks had hij de lucht gekregen van de nieuwe gasten,
of hij zette vol toorn zijne stekels overeind en deed, den neus
dicht langs den grond schuivend, met de kopsteeksels een aanval op
den naastbijstaanden indringer. Intusschen vernam men van hem een
eigenaardig getrommel, als 't ware een strijdmarsch. Zijne kopstekels
vormden een voor aanval en verdediging geschikten helm. Wat hielp het
den Hamster, dat hij blazend naar den Egel beet: hij verwondde zich
eenvoudig den bek aan de stekels, zoodat het bloed er uit druppelde,
en kreeg intusschen zoovele stooten met den stekelhelm tusschen de
ribben en zoovele beten in de pooten, dat hij bezweken zou zijn,
als ik hem niet het leven had gered. Nu keerde hij zich tegen zijne
andere vijanden en takelde hen zoo toe, dat ik ze wegnemen moest.
"Maar wij moeten tot de hoofdzaak overgaan en onzen held volgen in zijn
strijd tegen de Adders. Terwijl wij ons verbazen over zijne daden,
zullen wij moeten erkennen, dat wij in zijn plaats gesteld, zooveel
moed niet zouden toonen. Den 30en Augustus bracht ik een groote Adder
in de kist van den Egel, die juist bedaard bezig was zijne jongen
te zoogen. Ik had mij vooraf er van vergewist, dat deze Adder op dit
tijdstip genoeg gift bezat, daar zij twee dagen vroeger een Muis zeer
snel gedood had. De Egel rook zijn nieuwe huisgenoote (hij laat zich
nooit leiden door het gezicht, maar steeds door den reuk), stond van
zijn leger op, trippelde, zonder eenige voorzorg in acht te nemen, bij
het vergiftige dier langs, berook haar, terwijl zij lang uitgestrekt
lag, van den staart tot aan den kop en besnuffelde bij voorkeur den
bek van den Slang. Deze begon te sissen en beet den Egel meermalen
in den snuit en in de lippen. Als 't ware spottend met haar onmacht,
lekte hij, zonder te wijken, op zijn gemak het bloed van de wonden, en
kreeg intusschen een flinken beet in de uitgestoken tong. Zonder zich
hierdoor van zijn stuk te laten brengen, ging hij voort het woedende
en telkens weer opnieuw bijtende dier te besnuffelen en raakte het
ook dikwijls met de tong aan, zonder toe te bijten. Eindelijk pakte
hij schielijk den kop van de Slang, verbrijzelde dezen tusschen zijne
tanden, hoe het dier ook tegenspartelde, met giftanden en gifklieren,
en vrat haar vervolgens voor de helft op. Toen hield hij op en ging
weer bij zijne jongen liggen, die hij zoogde. Des avonds vrat hij het
overschot van zijn middagmaal op, en bovendien een jonge, pasgeboren
Adder. Den volgenden dag at hij weder drie pasgeboren Adders en bevond
zich evenals zijn jongen, in blakenden welstand. Ook was er op de
gebetene plaatsen geen spoor van eenige ontsteking of opzwelling waar
te nemen. Sedert dien tijd heeft mijn Egel dikwijls met hetzelfde
gevolg een Adder bevochten; altijd ging aan het verslinden van den
buit het fijnkauwen van den kop vooraf, terwijl hij bij onschadelijke
Slangen dezen regel volstrekt niet in acht nam. Bij voorkeur sleepte
hij al wat er van zijn maal was overgebleven, naar zijn nest mede,
om er te gelegener tijd gebruik van te maken."
Deze mededeelingen zijn ongetwijfeld in alle opzichten
merkwaardig. Moeielijk is het te verklaren, hoe een warmbloedig dier
zonder bezwaar beten kan verduren, die voor andere leden van zijn
klasse doodelijk zijn. Bovendien moet men wel in het oog houden, dat
de beet van de Adder Zoogdieren doodt, die minstens de dertigvoudige
grootte en het dertigvoudige gewicht van den Egel hebben, en dus,
naar men zou veronderstellen, ook veel sterker zullen zijn, dan hij
is. Maar onze stekelheld schijnt werkelijk tegen gif bestand te zijn;
want hij verslindt niet alleen vergiftige Slangen, welker gif, zooals
men weet, alleen nadeel doet, als het direct in het bloed wordt
gebracht, maar ook dieren, die vergiftigingsverschijnselen teweeg
brengen, als zij zich in de maag bevinden, zoo b.v. de algemeen bekende
Spaansche Vliegen, die, wanneer zij eenvoudig met de uitwendige huid in
aanraking komen, hier hevige ontstekingsverschijnselen veroorzaken;
andere dieren zouden reddeloos verloren zijn, na het eten van de
bedoelde vergiftige Kevers.
Zeven weken na de paring werpt het wijfje, 3 à 6, in zeldzame
gevallen zelfs 8 blinde jongen, in een opzettelijk hiervoor gereed
gemaakt leger, onder dichte hagen, hoopen bladen en mos, of in
korenvelden. De pas geboren jongen zijn ongeveer 6.5 cM. lang, zien
er in den beginne wit uit, en schijnen bijna volkomen kaal, daar
de stekels zich meestal eerst later vertoonen. Dat zij reeds bij de
geboorte aanwezig kunnen zijn, heeft _Lenz_ waargenomen bij Egels,
die te zijnen huize ter wereld kwamen (p. 256). De stekels staan
op een zeer zachte, veerkrachtige onderlaag; de rug is nog volkomen
zacht; wanneer men een stekel aanraakt, b.v. met den vinger, prikt
men zich er niet aan, maar drukt hem in den zachten rug naar beneden,
waaruit hij echter dadelijk weer oprijst, zoodra men den vingertop
wegneemt. Alleen wanneer men den stekel zijdelings met den nagel, of
met een ijzeren tangetje aanvat, voelt men, dat hij hard is. Tegen den
herfst zijn de jonge Egels zoover gevorderd, dat ieder hunner zelf zijn
voedsel kan zoeken; voordat de koude dagen komen, zijn zij allen met
smeerbuikjes voorzien, en denken er aan, om, evenals de oude dieren,
een winterkwartier voor zich gereed te maken. Dit is een groote,
verwarde, uit stroo, hooi, bladen en mos samengestelde hoop, van binnen
echter hol en zorgvuldig met zachte bouwstoffen gevoerd. De materialen
voor den nestbouw worden door den Egel op den rug thuis gebracht;
hij verzamelt ze op een vreemdsoortige wijze. Hij wentelt zich n.l. op
de droge bladeren om, daar waar deze het dichtst op elkander gelegen
zijn; er hechten zich tal van bladen aan zijne stekels, waardoor hij
een zeer vreemd voorkomen verkrijgt. Op soortgelijke wijze brengt hij
ook ooft naar huis. Men heeft vaak aan de waarheid van dit verhaal
getwijfeld; _Lenz_ heeft het echter gezien, en tegenover zulk een
waarnemer zou twijfel een misdrijf zijn, waaraan wij ons niet willen
schuldig maken. Zoodra de eerste strenge vorst invalt, begraaft de
Egel zich diep in zijn leger, en brengt hier het koude winterseizoen
in een onafgebroken winterslaap door. De gevoeligheid van het dier,
die reeds in den tijd, waarin het zich op zijn vlugst beweegt, zeer
gering is, neemt thans nog op een merkbare wijze af. De winterslaap
duurt gewoonlijk tot in Maart. In gunstige omstandigheden kan de in
vrijen toestand levende Egel waarschijnlijk 8 à 10 jaren oud worden.
Om een Egel te temmen, heeft men hem eenvoudig op te nemen en
op een voor hem geschikte plaats te brengen. Aan deze veranderde
omstandigheden geraakt hij weldra gewoon; hij verliest in den kortst
mogelijken tijd alle beschroomdheid voor den mensch. Voedsel neemt
hij zonder bezwaar van hem aan; ook zoekt hij het zelf in huis en
hof en nog meer in schuren en bergplaatsen. In sommige streken wordt
hij als huisdier hoog geschat en vooral gebruikt in magazijnen waar
men geen Kat kan houden. Voor het verdelgen van lastige Insecten,
vooral voor het opeten van de leelijke Kakkerlakken, is de Egel
uitnemend geschikt; hij oefent dit beroep zeer ijverig uit. Als
zijn meester hem vriendelijk en verstandig behandelt, en voor een
verborgen schuilhoekje gezorgd heeft, veroorzaakt de gevangenschap
den Egel volstrekt geen verdriet.
Onaangenaam wordt de in huis gehouden Egel door zijn nachtelijk
gestommel. Zijn logge aard blijkt bij zijne zwerftochten evenals
bij iedere andere beweging. Van den spookachtigen gang der Katten
is bij hem niets te bemerken. Ook is hij een onzindelijk dier;
de muskusachtige reuk, dien hij verbreidt, is volstrekt niet
aangenaam. Daarentegen kan hij ons door de potsierlijkheid van
zijne bewegingen genoegen verschaffen. Gemakkelijk gewent hij zich
aan allerlei soorten van voedsel en ook aan de meest verschillende
dranken. Van melk houdt hij bijzonder veel; alcoholische dranken
vallen echter ook wel in zijn smaak en hebben op hem de gewone
uitwerking. _Ball_ verhaalt van zijne gevangene Egels verscheidene
aardige stukjes, o.a. ook, dat hij ze meer dan eens dronken maakte. Hij
gaf aan een van hen zwaren wijn of brandewijn te drinken; de Egel
gebruikte er zooveel van, dat hij zeer spoedig "in kennelijken staat"
verkeerde. Een pas gevangen Egel werd, naar hij bericht, na zijn
eersten roes onmiddellijk tam; dit had ten gevolge, dat de genoemde
onderzoeker later, en steeds met goed gevolg, zijne Egels op deze
wijze temde.
De Egel heeft, behalve den onwetenden, boosaardigen mensch, nog vele
andere vijanden. De Honden haten hem uit den grond van hun hart. Zoodra
zij een Egel ontdekt hebben, doen zij al wat mogelijk is om aan
het stekelige dier hun haat te toonen, o.a. door een voortdurend,
woedend geblaf. De Egel echter volhardt in zijn lijdelijk verzet, zoo
lang de Hond zich met hem bezig houdt en laat het aan den aanvaller
over zich een bloedigen neus te halen. De woede van den Hond vindt
waarschijnlijk zijn grond in de ergernis over de ervaring, dat hij
tegen zijn gepantserden vijand niets kan uitrichten, en bovendien
bij iederen aanval zich kwetst. Vele Jachthonden bekommeren zich
trouwens niet om de stekels, als zij hun woede aan den Egel willen
koelen. Zoo bezat een vriend van mij een Patrijshond, een teef, die
alle Egels, welke zij vond, dadelijk doodbeet. De Vos maakt naar men
zegt, ijverig jacht op den Egel, en weet hem op een valsche manier
te dwingen zich te ontrollen; met de voorpooten wentelt hij den
stekeligen bol langzaam naar het water en werpt hem er in; daar het
dier gevaar loopt te verdrinken, herneemt het zijn gewone houding en
wordt door den Vos, die het naspringt, in 't water doodgebeten. Ook
verhaalt men, dat hij den opgerolden Egel op den rug wentelt, en hem
daarna met den stinkenden inhoud van zijn blaas besproeit; het arme
dier hierdoor tot vertwijfeling gebracht, ontrolt zich en wordt in
't zelfde oogenblik door den aartsdeugniet bij den neus gepakt en
gedood. Op deze wijze komen vele Egels om 't leven, vooral gedurende
hun jeugd. Zij hebben echter een nog veel gevaarlijker vijand in den
Ooruil. "Niet ver van Schnepfenthal," verhaalt _Lenz_, "staat een
rots, de Thorsteen, aan welks top zich vele Ooruilen ophouden. Daar
heb ik dikwijls, behalve den drek en de vederen van deze Uilen, ook
vellen van Egels, en in de uit onverteerbare stoffen bestaande ballen,
die de Uilen uitbraken, stekels van Egels aangetroffen."
Ook nog na zijn dood moet de Egel den mensch diensten bewijzen, althans
in sommige gewesten. Zijn vleesch wordt waarschijnlijk alleen door
Zigeuners en dergelijk rondzwervend gespuis gegeten; deze hebben voor
dit dier een eigenaardige toebereidingswijze uitgedacht. De Egel wordt
door de zwervende kookkunstenaars met een dikke laag goed gekneed,
kleverig leem bedekt en, met dit hulsel voorzien, in het vuur gelegd;
van tijd tot tijd moet het dier omgedraaid worden. Zoodra de leemlaag
droog en hard is, wordt het gebraad van 't vuur genomen; nadat het
een weinig bekoeld is, neemt men het bekleedsel er af, waardoor
meteen de stekels losgeraken en in het leem blijven steken.--De
stekelige huid werd door de Oude Romeinen voor het kaarden van wol,
of liever voor het rouwen van wollen stoffen gebruikt. De egelvellen
waren destijds een handelsartikel van zooveel belang, dat de handel
daarin bij senaatsbesluit geregeld werd. Bovendien gebruikte men het
egelvel bij wijze van hekel. Ook thans nog maken sommige veehouders
van het egelvel gebruik, als zij een kalf het zuigen ontwennen willen;
zij binden n.l. het nog zuiglustige dier een stukje egelvel op den
neus, en laten het dan aan de moeder zelf over, den zuigeling, die
haar nu veel last veroorzaakt, van zich af te weren. Soms wordt het
egelvel in zijn ware gedaante door mutsenmakers tot een vreemdsoortig,
stekelig hoofddeksel verwerkt.
De Insecteneters, welker voorste ledematen als 't ware tot spaden
vervormd zijn, worden in een familie vereenigd, die men wegens haar
betrekkelijk hooge ontwikkeling op die der Egels laat volgen; hare
leden hebben zich bijna geheel onder de aardoppervlakte teruggetrokken
en leiden hier een in alle opzichten eigenaardig leven.
De _Mollen_ (_Talpidae_) zijn over het grootste deel van Europa,
een groot deel van Azië, Zuid-Afrika en Noord-Amerika verbreid. Deze
familie omvat geen groot aantal soorten; het is echter mogelijk,
dat vele Mollen-soorten tot dusver aan de aandacht der deskundigen
ontsnapt zijn. Alle soorten hebben zulke eigenaardige organen en
een zoo in 't oogloopende gestalte, dat zij onmiddellijk kenbaar
zijn. De ineengedrongen romp is rolvormig en gaat zonder duidelijk
merkbare afscheiding in den kleinen kop over, die zich tot een spits
toeloopenden snuit verlengt, terwijl de oogen en ooren onbeduidend
en uitwendig bijna niet of in 't geheel niet zichtbaar zijn. De romp
rust op vier korte pooten: de voorste zijn graafwerktuigen geworden
en in verhouding tot de overige lichaamsdeelen reusachtig groot; de
achterpooten daarentegen zijn smal, langwerpig en gelijken op pooten
van Ratten; de staart is kort of ontbreekt. Het gebit bestaat uit
36 à 44 tanden. Het maaksel en de stand der voorvoeten vereischen
een naar verhouding zoo krachtige ontwikkeling van het bovenste of
voorste gedeelte van de borstkas, als bij geen ander dier voorkomt. Het
schouderblad is smaller en langer, het sleutelbeen dikker en langer
dan bij eenig ander Zoogdier. De bovenarm is buitengewoon breed, de
voorarm sterk en kort. De handwortel bestaat uit tien beenderen. Men
ziet dadelijk in, dat deze reusachtige voorste ledematen alleen voor
't graven kunnen dienen; zij zijn spaden, welker maaksel men zich
ternauwernood volkomener voorstellen kan. Aan deze beenderen hechten
zich buitengewoon krachtige spieren; juist hierdoor wordt de naar
verhouding zeer forsche ontwikkeling van het voorste gedeelte van
't lichaam veroorzaakt.
Alle Mollen bewonen bij voorkeur vlakke, vruchtbare gewesten, hoewel
zij ook wel in bergachtige streken voorkomen. Zij zijn echte kinderen
van de duisternis; het licht is hun zeer onaangenaam. Daarom komen
zij zelden vrijwillig aan de oppervlakte der aarde; zelfs in den
grond zijn zij 's nachts ijveriger werkzaam dan over dag. Door hun
lichaamsbouw zijn zij inderdaad ongeschikt om aan de aardoppervlakte
te verkeeren. Zij kunnen zoomin springen als klimmen, ja zelfs
ternauwernood behoorlijk gaan; toch kunnen verscheidene soorten zich
snel over den grond voortbewegen, waarbij zij dezen alleen met de
zool van de achterpooten en den binnenrand der handen aanraken. Des
te sneller loopen zij in hunne onderaardsche gangen; werkelijk
bewonderenswaardig is de snelheid, waarmede zij deze graven. Ook zijn
zij goed ervaren in de zwemkunst, hoewel zij slechts in geval van
nood dit talent toepassen. De breede handen zijn uitmuntend geschikt
voor roeiriemen en, zooals licht te begrijpen is, worden de krachtige
armen in 't water nog veel minder spoedig vermoeid dan bij het graven
in den grond.
De reuk, het gehoor en het gevoel zijn de meest ontwikkelde zinnen;
het gezichtsvermogen is zeer gering. De stem bestaat uit sissende en
piepende geluiden. De geestvermogens zijn gering, hoewel niet in die
mate, als men gewoonlijk meent te moeten aannemen. Naar het schijnt,
zijn evenwel de zoogenaamde slechte eigenschappen bij hen veel meer
ontwikkeld dan de goede; want alle Mollen zijn in de hoogste mate
onverdragelijke, twistzieke, bijtlustige, roof- en moordzuchtige
dieren, die zelfs den Tijger in wreedheid overtreffen en zeer gaarne
een van hunne soortgenooten opvreten, zoodra hij hun in den weg komt.
Hun voedsel bestaat uitsluitend uit dieren, nooit uit plantaardige
stoffen. Onder den grond levende Insecten van allerlei soort, Wormen,
Pissebedden enz., vormen het hoofdbestanddeel van hun maal. Bovendien
verslinden zij kleine Zoogdieren en Vogels, Vorschen en naakte
Slakken, wanneer zij ze meester kunnen worden. Hun vraatzucht is
even groot als hun beweeglijkheid; zij kunnen slechts zeer korten
tijd zonder bezwaar honger lijden en vervallen daarom ook niet in
winterslaap. Juist om deze reden worden zij nuttig als verdelgers van
Insecten; daarentegen veroorzaken zij door hun woelen in den grond
den menschen veel ergernis.
Een- of tweemaal per jaar werpt het wijfje 3, 4 of 5 jongen en
verpleegt deze met zorg. De kleine dieren groeien schielijk en blijven
ongeveer 1 of 2 maanden bij hun moeder. Dan beginnen zij op de wijze
van hunne ouders zelfstandig voedsel te zoeken. Gevangen Mollen kan
men slechts met groote moeite in 't leven houden, daar men hun groote
vraatzucht niet voldoende bevredigen kan.
De _Mol_--in Gelderland _Graafmuul_, in Friesland _Mole_, in Groningen
_Wule_, in Drente _Wient_ (_Talpa europaea_) genoemd--de type van de
familie, is een soort van een tot Europa en Azië beperkt geslacht,
en kan, daar de kenmerken van de familie reeds opgegeven zijn, met
weinige woorden beschreven worden. De lichaamslengte bedraagt, met
inbegrip van den 2 1/2 cM. langen staart, 15, hoogstens 17 cM., de
schouderhoogte ongeveer 5 cM. De zeer korte pooten gaan in nagenoeg
horizontale richting van den rolvormigen romp uit. Van den zeer
breeden, handvormigen voorpoot wordt de oppervlakte, die bij andere
dieren naar binnen en onderen gericht is, altijd naar buiten en naar
achteren gekeerd. De teenen zijn kort, de middelste heeft de grootste
lengte, de overige worden aan weerszijden langzamerhand korter; alle
zijn door spanvliezen bijna volkomen verbonden. De oogen zijn ongeveer
zoo groot als een papaverzaadje, liggen halverwegen tusschen de spits
van den snuit en de ooren en zijn geheel en al bedekt door de haren
van den kop; zij hebben echter oogleden en kunnen naar verkiezing
buitenwaarts gedrukt en teruggetrokken worden; zij zijn dus voor
het gebruik geschikt. De kleine ooren hebben geen oorschelp. De effen
zwarte beharing is overal zeer dicht, kort en zacht, fluweelachtig. Met
uitzondering van de voorhanden, de zolen der achterhanden, de spits
van den snuit en het uiteinde van den staart bedekt de vacht het
geheele lichaam. Haar glans is vrij sterk en vertoont nu eens een
bruinachtigen, dan weer een blauwachtigen of zelfs witachtigen
weerschijn. Uiterst zelden vindt men gele en witte Mollen.
Het verbreidingsgebied van den Mol strekt zich uit over Europa,
Noord-Afrika en reikt door Azië tot aan den Altaï en zelfs tot
in Japan. In Azië vindt men hem noordwaarts tot aan den Amoer en
zuidwaarts tot aan den Kaukasus; in de Alpen treft men hem nog op een
hoogte van 2000 M. aan. Hij is overal veelvuldig, en vermenigvuldigt
zich daar, waar men hem niet vervolgt, merkwaardig sterk. In Nederland
ontbreekt hij op de meeste eilanden. Volgens _Van Bemmelen_ kwam hij
er vroeger wel voor, maar is er uitgeroeid.