De hierboven bedoelde Zeeleeuwen-kudde, die eenige klippen in de

nabijheid van San Francisco bewoont, kan zich hier veilig achten,

omdat het verboden is op haar te schieten of haar op een andere wijze

lastig te vallen. Van een bezoek aan deze dieren geeft _Finsch_

het volgende verslag: "Een zeer breede, maar ook zeer stoffige

weg leidt door woeste, schaars begroeide duinen, welker zand in

voortdurende beweging is, zoodat de lucht hierdoor soms als door

een nevel verduisterd wordt, naar het zoogenaamde 'Klippenhuis,' een

uitspanningsoord, dat dicht bij de rotsachtige kust van den Stillen

Oceaan op een afstand van ongeveer drie kwartier uurs van San Francisco

gelegen is, en door de bewoners van deze stad druk bezocht wordt. Reeds

van verre klinkt het ruischen van de hevige branding den naderenden

gast in de ooren; tevens hoort hij echter een vreemdsoortig geblaf,

dat sterker en algemeener wordt, hoe nader hij komt. De oorsprong

van dit geluid zoekend, merkt hij drie hooge, kegelvormige klippen

op, die op een afstand van weinig meer dan 150 passen van den oever

gelegen zijn, en welker onderste gedeelte zich op sommige plaatsen

loodrecht boven de oppervlakte van de zee verheft. Tegen den voet van

deze steenklompen breken de golven met hevig geraas, dat echter niet

zelden overstemd wordt door de levende wezens aan hun top en op hunne

hellingen. Omstreeks 60 kolossale zeedieren liggen op de grootste

van de schuins afhellende rotsen der klip in groepen van hoogstens

15 stuks, of ook wel eenzaam; zij hebben zich in de spleten en op de

smalle kammen der rotsen op hun gemak neergevleid, en worden als 't

ware beheerscht door een buitengewoon groot mannetje, dat op den top

van den rots troont en aan alle bewoners van 'Frisco' onder den naam

'Ben Butler' bekend is. Nu en dan steekt deze hoog geplaatste den kop

omhoog, blaast den dikken hals geweldig op en laat zijn zwaar geblaf

weerklinken, waarmede behalve de zwakkere, fijnere en hoogere stemmen

van alle overige leden van het gezelschap, ook het heesch geschreeuw

der talrijke Meeuwen, het gekras der Zeeraven, die in lange rijen

op de rotskammen en op afgezonderde klippen en rotspunten zitten

en de doffe basstem van de Bruine Pelikanen zich vermengen. Zelfs

de onverschilligste toeschouwer wordt geboeid door het verrassend

schouwspel, dat deze zoo verschillende dieren opleveren en ziet dan

tevens met bewondering, hoe deze schijnbaar zoo logge en stijf-ledige

reuzen de hoogste toppen van de klip beklimmen. Dikwijls ziet men, dat

zij zich in zee begeven, door zich eenvoudig langs den zacht hellenden

rotswand naar beneden te laten glijden, of door van een hoogen spits

zich naar beneden te storten. Als Dolfijnen spelen zij in de golven,

springen soms uit het water, stoeien met elkander, spelen krijgertje

en maken bewegingen, alsof zij onderling verwoed aan 't vechten zijn,

hoewel deze strijd naar alle waarschijnlijkheid niet ernstig gemeend

is en alleen tot tijdverdrijf dient. Met boosaardig opengesperden

muil zullen b.v. twee reuzen vreeselijk tegen elkander brullen, om in

't volgende oogenblik vreedzaam naast elkander te gaan liggen en door

liefkoozingen met de tong van een vriendschappelijke gezindheid blijken

te geven. Uren lang kan men dit voortdurend afwisselend schouwspel

gadeslaan en zal men altijd weer wat nieuws waarnemen en ontdekken."

De Zeeleeuwen verdragen de gevangenschap zeer goed, worden zeer tam

en toonen als zij jong gevangen zijn, een groote gehechtheid aan hun

oppasser. Van de Zeeleeuwen in den Amsterdamschen dierentuin verhaalt

Dr. _Rombouts_ het volgende: "Wat ons vooral opvalt bij den Zeeleeuw,

is zijn verstandig gelaat. Zijne heldere oogen bespieden voortdurend

de omgeving. Hij richt zich zoover mogelijk op de voorpooten op, rekt

zijn hals uit en ziet over de hoofden der toeschouwers in het rond,

alsof hij iets zoekt; plotseling keert hij zich om en schuift over

den rand van het bassin naar de andere zijde, om dan weer op dezelfde

wijze uit te kijken naar datgene wat zijne belangstelling wekt. Gij

zijt nieuwsgierig te weten, wat het zijn kan en keert u om, ten einde

zijn blik te volgen. Gij bemerkt spoedig, dat het de oppasser is,

die door den Zeeleeuw zoo scherp in het oog wordt gehouden. Elke

beweging, die den man maakt, wordt door het dier gevolgd onder het

uitstooten van rauw geblaf."

"De oppasser is intusschen het verblijf van den Zeeleeuw binnen

getreden en nauwelijks wordt dit door het dier bemerkt, of met één

sprong is het weer over den rand van het bassin en in de nabijheid van

den man, wiens komst hij reeds zoo lang heeft verbeid. De oppasser

wandelt bedaard verder en de Zeeleeuw huppelt hem achterna. Beiden

verdwijnen achter het grotwerk, om na een kort tijdsverloop weder

te voorschijn te komen, boven aan den waterval. Met moeite heeft de

Zeeleeuw het zoover gebracht, want klimmen behoort niet tot zijne

dagelijksche bezigheden. Met de voorste ledematen ondersteunt hij zich

boven op den rand van den afgrond, en eensklaps, wanneer de oppasser

een paar vischjes naar beneden werpt, stort hij zich van boven neer in

de golven, die bruischend omhoog spatten. Eenige oogenblikken daarna

zien wij den kop weer boven water komen met den gevangen visch in

den bek. Het dier wordt nooit moede dit kunststuk te verrichten,

wanneer het weet, dat daarmede een vischje te verdienen valt."

De _Zeebeer_ (_Otaria ursina_) is kleiner dan de Zeeleeuw, daar zelfs

de grootste mannetjes van den snuit tot aan het puntje van den staart

slechts 2 à 2.5 M. lang zijn en de wijfjes zelden meer dan de helft

van deze lengte bereiken. De beharing, die aan den hals en aan de

voorzijde merkbaar langer, langs de rugzijde eenigszins verlengd

is, bestaat uit niet bijzonder stijf bovenhaar en uit buitengewoon

zacht en fijn, zijdeachtig wolhaar, dat de huid dicht bekleedt. De

donkerbruine grondkleur van het vel gaat bij enkele exemplaren in

bruinzwart over, is aan den kop, den hals en het voorste gedeelte

van den romp gesprenkeld en neemt aan de onder- en binnenzijde van

de ledematen een lichtere tint aan. Oude wijfjes zijn kenbaar aan

hun zilvergrijze kleur. De jonge dieren hebben een zilvergrijs vel.

Weinige Robben bewonen zulk een uitgestrekt gebied als onze Zeebeer,

die zoowel aan de kusten van Zuidwest-Afrika en Patagonië, op de

Falklands-eilanden, op Nieuw-Zuid-Schotland en Zuid-Georgië als op

het St. Paulus-eiland in den Indischen Oceaan en de Pribylow-eilanden

in de Bering-zee gevonden wordt.

De Zeebeer bezoekt de verschillende eilanden en kusten, waar

hij geregeld aangetroffen wordt, uitsluitend ten behoeve van de

voortplanting; gedurende de overige maanden houdt hij zich voortdurend

in de volle zee op en doet daar verre reizen van het eene gebied naar

het andere. Uit onderzoekingen die gedurende vele opeenvolgende jaren

voortgezet zijn, blijkt echter, dat hij altijd weer naar de bekende

paringsplaatsen terugkeert. Als de tijd, waarin de Zeeberen aan den

vasten wal vertoeven, nadert--op de Pribylow-eilanden ongeveer in

het midden van April--, bemerkt men daar eerst eenige oude mannetjes,

die naar het schijnt, komen om het terrein te verkennen. Langzamerhand

volgen de overige hen na. Bij de keuze van een verblijfplaats op het

land gaan zij met groote omzichtigheid te werk, misschien hebben

zij deze gewoonte eerst aangenomen, nadat de ervaring hun geleerd

had, dat het noodig is, zich zooveel mogelijk in acht te nemen,

voor hun gevaarlijksten vijand, den mensch. Over het algemeen zoeken

zij eilanden op, en kiezen van de groote eilanden die gedeelten der

kusten uit, waar de branding bijzonder hevig is. De minst toegankelijke

rotsen, die zich maar weinig boven de hoogwaterlijn verheffen, dienen

hun hier tijdelijk tot woonplaats.

Twee of drie dagen na de landing brengt ieder wijfje één enkel jong ter

wereld, in hoogst zeldzame gevallen misschien twee. Evenals alle robben

komt de kleine Zeebeer in zeer ontwikkelden toestand en met geopende

oogen ter wereld; hij is bij de geboorte ongeveer 35 cM. lang. In de

eerste weken verlaten de wijfjes hare jongen hoogstens voor eenige

oogenblikken, daarna echter begeven zij zich langeren tijd achtereen

in de zee om voedsel te zoeken. Op het land vergezellen de jongen hare

moeders overal; in de eerste 4 à 6 weken zijn zij echter in 't zwemmen

geheel onbekwaam; zij zouden zonder eenige kans op redding verdrinken,

indien zij toevallig te water geraakten. Eerst na dien tijd leeren zij

het zwemmen langzamerhand; in het eerst gaat hun dit onhandig genoeg

af: zij trachten de zwembewegingen der volwassenen na te volgen,

maar krabbelen altijd zoo schielijk mogelijk weer uit de zee op het

land terug. Mettertijd neemt hun zelfvertrouwen toe; omstreeks het

midden van September zijn zij zeer behendige zwemmers geworden.

Wegens zijn uitmuntend vel is de Zeebeer een nog kostbaarder jachtdier

dan de overige leden zijner familie. De inboorlingen van de door

hem bezochte eilanden dooden hem trouwens ook om het vleesch, dat

een belangrijk bestanddeel van hun voeding uitmaakt en zelfs door

de Europeanen smakelijk wordt genoemd. Van oudsher waren het vooral

de vellen van de jonge Zeeberen, die den jager vergoeding voor zijn

moeite verschaften. Bij de jacht op deze dieren is men echter op even

kortzichtige en zinnelooze wijze te werk gegaan, als bij de jacht

op de andere Zeezoogdieren; binnen weinige jaren is er zulk een

ontzaglijk aantal van gedood, dat enkele vroeger door hen bewoonde

eilanden langzamerhand geheel ontvolkt werden. Tengevolge van later

ingevoerde, de jacht beperkende maatregelen, en vooral sedert Alaska

(met de Aleoeten en de noordwaarts van deze gelegen Pribylow-eilanden)

als territoor in de Vereenigde Staten opgenomen werd, is het aantal

Zeeberen weer eenigszins toegenomen, zoodat men er tegenwoordig

ieder jaar ongeveer 150.000 stuks kan buit maken, waarvan 100.000

alleen op de Pribylow-eilanden en 25000 op het Bering-eiland en het

Kopereiland, die bij de kust van Kamtschatka gelegen zijn en aan

Rusland behooren. De eerste van deze vellen komen te Londen op de

markt en brengen 5 dollars per stuk op. Nog altijd is dit artikel

een der belangrijkste van den geheelen pelterijhandel.

CHAPTER 6

Zesde Orde.

De Insecteneters (_Insectivora_).

De Insecteneters zijn kleine zoolgangers, die door hun voorkomen

meestal sterk de aandacht trekken; zij onderscheiden zich door een

langwerpigen kop en een slurfvormig verlengden neus. Hun romp is

in den regel ineengedrongen; de voorste ledematen, bij eenige zeer

vreemdsoortig gebouwd, bieden bij de overige geen afwijkingen aan;

de achterste ledematen zijn bij velen lang; de zintuigen staan bij

sommige op een hoogen, bij andere op een lagen trap van ontwikkeling;

de bekleeding van het lichaam vertoont alle overgangen van een

fluweelachtig zachte vacht, tot een uit stekels bestaand kleed. In

het gebit komen alle drie soorten van tanden voor. Wat het aantal

en den vorm der snijtanden betreft, wijken de familiën en geslachten

belangrijk uiteen; de hoektanden bereiken bij sommige een aanzienlijke

grootte, en zijn bij andere kleiner dan de snijtanden; alleen de

maaltanden vertoonen bij de Insecteneters in zooverre overeenstemming,

dat de voorste eenspitsig, de achterste meerspitsig zijn. De voeten

hebben meestal vijf teenen, die echter, evenals de handwortel en

de voetwortel zeer verschillend ontwikkeld kunnen zijn. In hun

spierstelsel is vooral belangrijk de sterke ontwikkeling van de

algemeene huidspier, waardoor bij den Egel het samenrollen van het

lichaam en het oprichten der stekels wordt bewerkt. Men kan haar

verdeelen in: een ruggedeelte of kap, dat over de rugvlakte van kop,

hals en romp heengaat, een buikgedeelte, dat de buikvlakte, de zijden

van den romp en het bovenste gedeelte der ledematen bedekt, en den

neertrekker van de kap, die zich over den neus, de bovenlip en de

wangvlakte uitstrekt.

De Insecteneters zijn stompzinnige, brommige, wantrouwige, schuwe,

van eenzaamheid houdende, opvliegende dieren. Verreweg de meeste leven

onder den grond, gravend of woelend, of houden zich althans in zeer

diep verborgen schuilhoeken op; eenige bewonen echter het water,

andere leven in boomen. Door hun verbazingwekkende werkzaamheid

beperken zij aanmerkelijk de vermenigvuldiging van de schadelijke

Insecten en Wormen, van de Slakken en andere lagere dieren, zelfs van

vele kleine Knaagdieren. Zonder uitzondering zijn zij derhalve hoogst

nuttige werklieden in dienst van den mensch; zij worden echter alleen

door de deskundigen naar waarde geschat en geacht; het groote publiek

heeft van hen een afschuw. Men vervolgt deze kleine grondwerkers,

waar men ze ook ontmoet, wegens hun niet fraaie gestalte en hun

levenswijze, en vergeet hierbij geheel en al, wat zij uitrichten,

wie zij zijn. Geheel anders zal iemand handelen, die hun handel en

wandel nauwkeuriger onderzocht heeft. Deze merkt dan zooveel op, dat

hem aantrekt, dat hij zeer spoedig hun gemis aan schoonheid over het

hoofd ziet, en aan allen belangstelling toont en bescherming verleent.

Verscheidene Insecteneters houden een winterslaap en zouden niet

kunnen bestaan, indien de natuur niet op deze wijze voor hen gezorgd

had. Als de koude invalt, breekt er als 't ware een tijdperk van

stilstand aan in het leven der lagere dieren; duizenden en nogmaals

duizenden van de dieren, die aan onze Insecteneters tot voedsel

moeten dienen, slapen of zijn gestorven en hebben alleen hunne

eieren achtergelaten. Hierdoor wordt de aarde onbewoonbaar voor de

vijanden der Insecten; zij moeten, omdat zij niet trekken kunnen

als de Vogels, in zekeren zin het voorbeeld volgen van de dieren,

die voor hun levensonderhoud onontbeerlijk zijn. Zij trekken zich

in verborgen schuilhoeken terug, die zij gedeeltelijk zelf gemaakt

hebben, en vallen hier in een diepen winterslaap, waarin tijdelijk

althans bijna alle levensverschijnselen ophouden, en het lichaam

dus het noodige arbeidsvermogen behoudt voor het leven, dat zij na

hun ontwaken zullen leiden. Alleen die soorten slapen echter, welke

in mindere mate dan de overige leden der orde van roof leven, dus

zij, die, behalve dierlijke stoffen, ook plantaardig voedsel eten,

terwijl juist de ijverigste Insectenroovers hun handwerk zoowel in

den winter als in den zomer uitoefenen. Onder den sneeuw of onder de

aardoppervlakte, zoowel als op den bodem van het water, houdt het

leven, het rooven en het moorden ook zelfs in den winter niet op;

het spreekt van zelf, dat dit ook het geval is in de landen, waar

een altijddurende zomer heerscht, of waar althans geen winterkoude

alles doet verstijven.

De Insecteneters bewonen hoofdzakelijk de gematigde landen van

het noordelijk halfrond; zoowel in Zuid-Amerika als in Australië

ontbreken zij geheel. Waterrijke of op zijn minst vochtige bosschen,

kreupelboschjes, bouwlanden en tuinen zijn hunne meest gezochte

verblijfplaatsen; zij verlaten ze zoo goed als nooit. Hier jagen zij

stil en onhoorbaar; verreweg de meeste doen dit 's nachts, eenige

echter ook, als de zon schijnt.

Over de verdeeling der Insecteneters bestaan bij de dierkundigen

verschillende meeningen; wij onderscheiden ze in zes familiën en

voegen als, zevende familie ook nog een merkwaardig dier van den

Maleischen archipel--de Vliegende Maki--aan deze orde toe. De _Egels_

(_Erinaceidae_), die wij bovenaan plaatsen, zijn zoo eigenaardig, dat

een vluchtige beschrijving voldoende is om ze te herkennen. Het uit

36 tanden bestaande gebit en het stekelkleed zijn de belangrijkste

kenmerken van de weinige soorten, die wij als echte leden van deze

familie aannemen. Alle Egels hebben een ineengedrongen romp; de kop is

niet bijzonder lang, hoewel het aangezicht zich tot een snuit verlengt;

de oogen zijn middelmatig, de ooren tamelijk groot; de korte en dikke

pooten hebben plompe voeten; de voorste zijn altijd met vijf teenen

voorzien, de achterste in den regel ook, hoewel zij er bij uitzondering

maar vier hebben; de staart is kort; de huid van de bovendeelen is

met stijve, korte stekels, die van de onderdeelen met haar bekleed.

Deze familie is over Europa, Azië en Afrika verbreid. Bosschen en

weiden, bouwland en tuinen, uitgestrekte steppen zijn de voornaamste

verblijfplaatsen van hare leden. Hier slaan de Egels in het dichtste

struikgewas, onder heggen en holle boomen, tusschen wortels in

rotskloven, in verlaten holen van andere dieren en op andere plaatsen

hun leger op, of graven zelf korte holen. Zij leven gedurende

het grootste deel van het jaar eenzaam of bij paren en leiden een

zuiver nachtelijk leven. Eerst na zonsondergang ontwaken zij uit

hun sluimering en zoeken hun voedsel, dat bij de meeste uit planten

en dieren, bij eenige echter uitsluitend uit dieren bestaat. Ooft

en andere vruchten, sappige wortels, zaden, kleine Zoogdieren,

Vogels, Kruipende Dieren, Insecten en hunne larven, naakte Slakken,

Regenwormen enz. zijn de spijzen, waarmede de vrijgevige natuur hun

disch voorziet. Bij uitzondering wagen enkele soms een aanval op

grootere dieren en vervolgen b. v. Hoenderachtige Vogels of jonge

Hazen. Zij zijn langzame, logge en tamelijk trage, tot den bodem

beperkte insectenjagers, die bij het gaan met de geheele zool den

grond aanraken. Onder hunne zinnen staat de reuk bovenaan, maar ook

het gehoor is scherp, terwijl het gezicht en de smaak zeer weinig

ontwikkeld zijn en het gevoel voorbeeldeloos stomp is. Wat hunne

geestvermogens betreft, nemen de Egels een zeer lage plaats in. Zij

zijn vreesachtig, schuw en dom, maar tamelijk goedaardig, of liever

gezegd onverschillig, voor de omstandigheden waarin zij leven; zij

kunnen daarom gemakkelijk getemd worden. De wijfjes werpen 3 à 8

jongen, die bij de geboorte blind zijn; de moeder zorgt liefderijk

voor haar kroost en verdedigt het soms met een zekere soort van

moed, welke eigenschap zij in andere omstandigheden in 't geheel

niet openbaart. De meeste Egels hebben de gewoonte zich bij het

geringste gevaar als een bal ineen te rollen, om op deze wijze de

zachte gedeelten van hun lichaam tegen een mogelijken aanval te

beschutten. Deze houding nemen zij ook aan om te slapen. Zij, die

de noordelijke gewesten bewonen, brengen het koude jaargetijde in

onafgebroken winterslaap door; die welke in de keerkringsgewesten

leven, slapen gedurende het droge seizoen.

Het directe nut van deze dieren voor den mensch is zeer

gering. Tegenwoordig althans weet men met een gedooden Egel nagenoeg

niets aan te vangen. Grooter is echter de dienst, dien zij indirect

aan den mensch bewijzen door het verdelgen van een groot aantal

schadelijke dieren. Om deze reden verdienen zij, in plaats van de

verachting, die hen gewoonlijk treft, onze groote belangstelling en

de meest uitgebreide bescherming.

Wanneer op de eerste warme avonden, die de jonge, lachende lente ons

brengt, oud en jong zich naar buiten begeeft om nieuwe levensfrischheid

op te doen in de tuinen, plantsoenen en bosschen, die gedurende

den winter geen levensverschijnselen vertoonden, maar nu tot een

nieuw leven ontwaken, merkt de aandachtige hoorder misschien een

eigenaardig geritsel op in de dorre, afgevallen bladen, gewoonlijk

onder de dichtste heggen en struiken; hij zal ook, wanneer hij

stil blijft staan, weldra de oorzaak van dit geluid ontdekken. Een

klein, halfbolvormig dier, met een opmerkelijk ruig vel, komt uit

de bladen naar boven, speurt en luistert, en vangt onmiddellijk met

gelijkmatig trippelende schreden zijn wandeling aan. Als het nader

komt, aanschouwt men een zeer aardig, spits snuitje, als 't ware een

verfijnde nabootsing van den groveren en stevigeren varkenssnuit,

een paar heldere, vriendelijk rondkijkende oogjes en een stekelig

kleed, dat de geheele bovenkant van het lichaam bedekt, en zich ook

aan de zijden ver naar onderen uitstrekt. Ik stel u hiermede onzen,

of, laat ik liever zeggen, mijn lieven tuinvriend, den _Egel_ voor,

een wel is waar bekrompen, maar vriendelijke, eerlijke en trouwhartige

vent, die onbewust van schuld de wereld rondkijkt, en zich maar niet

voorstellen kan, hoe de mensch zoo gemeen kan zijn, hem die zich zoo

verdienstelijk maakt door het welzijn van anderen te bevorderen, niet

alleen allerlei scheldnamen toe te voegen, maar ook opzettelijk te

vervolgen, en hem zelfs, puur en alleen uit beestachtige moordlust,

dood te slaan.

De beschrijving van onzen _Egel_ (_Erinaceus europaeus_), die beter

nog onder den naam _Stekelvarken_ bekend is (in Overijsel heet hij

_Scherperhaas_, _Echel_ en _Eggel_, in Friesland _Stiekelbaarch_

en _Igel_, in Groningen _Swienigel_, in Drente _Egelkaar_), kan

kort zijn. Het geheele lichaam is zeer gedrongen, dik en kort,

de snuit spits en van voren ingekorven, de mond ver gespleten;

de ooren zijn breed, de zwarte oogen klein. Eenige weinige zwarte

snorharen staan in het gelaat tusschen de witachtig of roodachtig

gele, aan de zijden van neus en bovenlip echter donkerbruine haren;

achter de oogen ligt een witte vlek. Het haar aan den hals en aan den

buik is lichtrood, geelachtig grijs of witachtig grijs; de stekels

zijn in het midden geelachtig en aan den top donkerbruin; aan hun

oppervlakte komen fijne, overlangsche groeven voor ten getale van 24

of 25, daartusschen bevinden zich uitpuilende lijsten; het binnenste

weefsel van den stekel bestaat uit groote cellen. De lengte van het

dier bedraagt 25 à 30 cM., hieronder begrepen de 2.5 cM. lange staart;

de schouderhoogte is ongeveer 12 à 15 cM. Het wijfje onderscheidt zich

van het mannetje, behalve door een eenigszins belangrijker grootte,

door den spitseren snuit, den dikkeren romp en de lichtere, meer

grijsachtige kleur, bovendien is het voorhoofd bij haar gewoonlijk

niet zoo ver benedenwaarts met stekels bezet, waardoor de snuit

een weinig langer schijnt. Op sommige plaatsen onderscheidt men twee

verscheidenheden van den Egel: de "Hondsegel" heeft, naar men beweert,

een stomperen snuit, donkerder kleur en geringere grootte dan de

"Zwijnegel".

Het verbreidingsgebied van den Egel omvat niet alleen geheel Europa

met uitzondering van de koudste landen, maar ook het grootste

deel van Noord-Azië: men vindt hem in Syrië, zoowel als in West-

en Zuidoost-Siberië, en wel in een toestand die van groot welvaren

getuigt; want hij verkrijgt daar, evenals in de Krim, een veel

aanzienlijker grootte dan bij ons. In de Europeesche Alpen ontmoet

men hem tot aan den kromhoutgordel, enkele malen zelfs tot op een

hoogte van meer dan 2000 M. boven den waterspiegel. Hij komt zoowel

in vlakke als in bergachtige streken voor, in wouden, weiden, velden

en tuinen; in geheel West-Europa is hij eigenlijk nergens zeldzaam,

maar ook nergens veelvuldig. Veel talrijker is hij in Rusland, waar

hij, naar het schijnt, bijzonder ontzien wordt.

Een Egel is een potsierlijke gast en tevens een goede, vreesachtige

klant, die eerlijk en ordentelijk met moeite en arbeid door 't leven

gaat. Weinig geschikt voor het gezellig verkeer, leeft hij bijna

altijd alleen of hoogstens met zijn wijfje samen. Onder de dichtste

struiken, onder een hoop takkebossen of in een haag heeft ieder van

hen zich een legerplaats gezocht en deze op de gemakkelijkst mogelijke

wijze ingericht. Het is een groot nest, uit bladen, stroo en hooi

samengesteld, dat in een hol of ander dicht struikgewas aangelegd

wordt. Als er geen door andere dieren of door de natuur gemaakt hol

te vinden is, graaft de Egel zich met veel inspanning zelf een woning

en maakt hierin een nest. De woning is ongeveer 30 cM. diep, en met

twee uitgangen voorzien, de eene naar het zuiden, de andere naar

't noorden gericht. Hij verandert deze openingen echter, evenals de

Eekhoorn, vooral bij hevigen, noordelijken of zuidelijken wind. In

het hooge koorn maakt hij zich gewoonlijk eenvoudig een groot nest.

Als onze stekelige held onderweg een verdacht geluid hoort, blijft

hij staan, luistert en speurt; men bemerkt dan zeer duidelijk, dat

het reukzintuig elk der overige zintuigen, vooral dat van het gezicht,

verre overtreft. Niet zelden komt het voor, dat een Egel den jager "op

den aanstand" vlak voor de voeten loopt, daarna plotseling stilstaat,

om zich heen snuffelt en nu ijlings de vlucht neemt, voor zoover hij

het niet raadzamer acht, onmiddellijk een defensieve houding aan te

nemen, d. w. z. zich tot een bal ineen te rollen. Als dit geschied is,

bemerkt men niets meer van de oorspronkelijke gestalte van het dier;

het is een eivormig lichaam geworden, dat aan de eene zijde een kuiltje

vertoont, maar overigens aan alle zijden tamelijk regelmatig afgerond

is. Dit kuiltje leidt naar den buik en hiertegen zijn de snuit, de

vier pooten en de staart dicht aangedrukt. Terwijl het stekelkleed,

als het dier zich rustig beweegt, er netjes en glad uitziet, en de

duizend spitsen nagenoeg bij wijze van dakpannen over elkander liggen,

gaan zij overeind staan, als de Egel zich ineenrolt, en stralen in

alle richtingen uit, zoodat het dier in een vreeswekkenden stekelbal

veranderd is. Toch is het na eenige oefening niet moeielijk, ook dan

nog een Egel in de handen weg te dragen. Men geeft aan den bal den

stand, dien het dier bij het gaan zou innemen, strijkt de stekels

zachtjes van voren naar achteren terug en heeft er dan niet den

minsten last van.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 05: Robben; Hoofdstuk 06: Insecteneters · 第 3 / 7 段