lansen van ongeveer 5 M. lengte, met stevige, scherpe punten. Zoo
uitgerust, en bovendien met achterladers van groot kaliber gewapend,
tracht men tusschen de aan land rustende kudde en het water te komen,
maakt hierna door schreeuwen, schieten en andere geluiden, zooveel
leven als maar mogelijk is, en gaat, onder het zwaaien van de geweren,
knotsen en lansen, langzaam op de kudde af, die, door het ongewone
geraas verschrikt, zich in den regel verder landwaarts begeeft. Indien,
gelijk niet zelden gebeurt, een mannetje zich verweert, of door den
kring zijner vijanden tracht heen te breken, dan maakt meestal een
kogel, die hem de hersenen doorboort, een einde aan zijn leven,
of wordt hij door een lans, die hem in den bek gestooten wordt,
opgehouden en gedwongen op het achterste deel van het lichaam te gaan
zitten, waarna twee mannen met hunne zware eiken knotsen toesnellen en
hem door vele slagen op den kop verdooven of dooden. Het vermoorden
hunner metgezellen veroorzaakt zulk een schrik onder de dieren, dat
zij hun tegenwoordigheid van geest geheel verliezen en over elkander
heenklauteren, rollen en tuimelen, wanneer zij de onmogelijkheid inzien
om te vluchten. Onmiddellijk na de slachting begint men de dieren
af te spekken. De stukken spek worden met touwen aaneengebonden,
aan stevige touwen bevestigd en zoo naar het schip gesleept,
waar men ze in kleinere stukken verdeelt en in hiervoor geschikte
ketels uitkookt. Hierdoor wordt een traansoort verkregen, die als
smeermiddel hooger geschat wordt dan die van de Walvisschen. Het
zwarte, tranige, bijna oneetbare vleesch van het dier, heeft weinig
waarde; het hart wordt echter door de matrozen met smaak gegeten;
ook de lever verschaft aan deze volstrekt niet verwende lieden een
heerlijk maal, waarop, naar men bericht, een onoverwinnelijke, vele
uren lang aanhoudende slaperigheid volgt. De gezouten tong wordt
als een ware lekkernij beschouwd. De kortharige, stijve huid levert
een uitmuntend materiaal voor het overtrekken van groote koffers,
ook voor paardentuigen en ander zadelmakerswerk; zij zou echter nog
veel meer gebruikt worden, indien de grootste vellen wegens de vele
litteekens, die er op voorkomen, niet tevens de slechtste waren.
De Zee-olifanten zullen niet lang meer tot de bewoners der aarde
behooren. Zij kunnen zich voor hun wreeden vijand niet eens, zooals
de Walvisschen, in de ontoegankelijke gedeelten van den oceaan
terugtrekken; zij kunnen hun noodlot niet ontgaan, en moeten de
vervolging van den mensch, het onverzadelijkste van alle roofdieren,
verduren, totdat het laatste lid van hun geslacht bezweken zal zijn.
De tweede familie der orde--de _Walrussen_ (_Trichechidae_)--bestaat
uit slechts één geslacht (_Trichechus_), met slechts één soort,
de monsterachtigste van alle Robben. Wij noemen haar _Walrus_, de
Engelschen _Morse_ of _Sea-horse_, de Noorsche robbenslagers Rosmar, de
Lappen _Morske_ (_Trichechus rosmarus_). In geheel volwasssen toestand
heeft dit kolossale dier een lengte van 4.25 M., in zeldzame gevallen
misschien van 5 M., bij een omvang van 2.5 à 3 M. (soms zelfs 4 M.),
terwijl zijn gewicht 1000 KG. kan bedragen. Evenals bij de Zeehonden
is het langwerpige lichaam in het midden het dikst; van hier naar
achteren vermindert de dikte echter niet zoo sterk als bij de andere
Robben. Uit dit kolossale lichaam steken de ledematen als groote
lappen naar buiten en naar onderen uit, zoodat elleboogsgewricht
en kniegewricht zichtbaar zijn. Alle voeten hebben vijf teenen,
die korte, stompe klauwen dragen, welke achter iederen teentop
liggen. De staart is een onbeduidende huidplooi. De Walrus ontleent
zijn eigenaardig voorkomen echter niet zoozeer aan zijn romp, als aan
den betrekkelijk kleinen, ronden en door twee bolvormig gezwollen
tandkassen aan de bovenkaak monstrueus verdikten kop. De snuit is
zeer kort, breed en stomp, de bovenlip vleezig, in twee boogvormige
heften verdeeld, de onderlip daarentegen gezwollen. Aan weerszijden
van den snuit staan op dwarsrijen ronde, afgeplatte, hoornachtige,
van voren naar achteren langer wordende snorborstels; de grootste
zijn zoo dik als de schacht van een ravenpen en 10 cM. lang; er zijn
waarschijnlijk verscheidene honderden van deze haren. De neusgaten
zijn halvemaanvormig; de ver naar achteren geplaatste kleine, glanzige
oogen worden door vooruitstekende oogleden beschut. De gehooropeningen,
waaraan zelfs het geringste spoor van een oorschelp ontbreekt, zijn
aan het achterste deel van den kop gelegen.
Het merkwaardigst is echter het gebit. Vóór aan den snuit worden de 6
snijtanden en 2 hoektanden die bij zeer jonge dieren in de bovenkaak
voorkomen, vervangen door twee kolossale hoektanden, die ver buiten den
bek uitsteken. Deze slagtanden worden dikwijls 80 cM., zeer zelden 90
cM. lang, en wegen dan gemiddeld 2 1/2 à 3 KG., soms zelfs 3 1/2 KG.;
volgens eenige berichtgevers zouden zij zelfs een gewicht van 7 of 8
KG. kunnen bereiken. De bijna volkomen onbehaarde, zeer dikke huid,
is niet slechts geplooid, maar bovendien zoo hard als kraakbeen;
zij is bij de ouden, evenals bij de jongen, meer of minder donker
lederkleurig. Over 't algemeen zijn de slagtanden van het wijfje
wel dunner, maar dikwijls tevens langer en fraaier dan die van het
mannetje, waaraan meer afslijting valt op te merken.
Reeds sedert eeuwen is de Walrus ons door afbeeldingen en
beschrijvingen bekend, die hem echter niet in zijn ware gedaante
voorstellen, en ook van zijn levenswijze een onjuist denkbeeld
geven. De Duitsche bisschop _Albertus Magnus_ gaf in 1265 van
dit dier een met fabels en overleveringen gekruide beschrijving,
waaraan de Noorsche bisschop _Olaus Magnus_ 30 jaren later maar
weinig wist toe te voegen. Een bisschop van Drontheim liet den kop
van een Walrus inzouten en zond dezen in 't jaar 1520 aan Paus Leo
X te Rome. Van dezen kop werd te Straatsburg een afbeelding gemaakt,
waarnaar _Conrad Geszner_ (1665) van den Walrus een tamelijk juiste
beschrijving heeft geleverd. _Martens_, een Hamburger zeevaarder,
die in het einde van de 17e eeuw den Walrus in de IJszee zag, geeft
van zijne ervaringen een goed en uitvoerig verslag; na dien tijd
neemt het aantal beschrijvingen toe en evenzoo onze bekendheid met
de levenswijze van het dier en de wijze waarop het gejaagd wordt.
Evenals zoovele andere dieren, is ook de Walrus, die nog in de
vijftiende eeuw geregeld op de Schotsche kusten aangetroffen
werd, langzamerhand door den mensch naar noordelijker streken
verdrongen. Alleen daar kan hij zich nog staande houden, waar aan het
steeds verder doordringen van de jagers der Noordpoolgewesten paal en
perk wordt gesteld door bezwaren, die slechts in enkele jaren tijdelijk
verminderen. Over het algemeen kan men zeggen, dat hij in alle,
rondom de Noordpool gelegen zeeën, ook thans nog voorkomt, maar zich
volstrekt niet in alle gedeelten van deze zeeën vertoont. Gedurende het
geheele jaar ontmoet men hem bij de noordelijke gedeelten van de Oost-
en Westkust van Groenland, in de Baffins-baai en in alle hiermede in
verbinding staande straten, sonden en bochten tot aan de Beringstraat,
die zijn oostelijk en westelijk verbreidingsgebied verbindt. In de
Beringstraat en de Beringzee kwam hij eenige jaren geleden betrekkelijk
veelvuldig voor. Hier was hij verder zuidwaarts verbreid dan in den
Atlantischen Oceaan, daar men hem op de kust van Alaska, en van de
Aleoeten vrij geregeld waarnam. Tegenwoordig is het aantal Walrussen
in deze zeeën veel verminderd. Nog bewonen deze dieren de kusten van
Nova Zembla en Spitsbergen en de geheele noordkust van Siberië.
Weinige tientallen van jaren geleden trof men den Walrus binnen het
hierboven omschreven verbreidingsgebied, op sommige plaatsen althans,
nog in zeer grooten getale aan, soms bij troepen van vele duizenden,
welker gewicht volgens het getuigenis van de robbenslagers en andere
zeedieren-jagers groote massa's drijfijs, die zonder hen hoog boven den
waterspiegel zouden uitsteken, tot aan dit peil naar beneden drukte;
tegenwoordig ziet men slechts in gunstige omstandigheden nu en dan
honderden van deze dieren bijeen.
De eerste indruk dien de Walrus op den mensch maakt, is niet
gunstig. De oudste zeevaarders vinden hem even afschrikwekkend en
leelijk, als onze tegenwoordige reizigers. Onze Noordpoolreizigers
zeggen, dat, als aan eenig dier den naam "monster" toekomt, dit
dier de Walrus moet zijn; hij verdient dezen naam zoowel door zijn
uiterlijk, als door zijn demonische stem en door zijn onaangename
inborst. Zijn leven schijnt zeer eenvormig te zijn, misschien reeds,
omdat het verkrijgen van voedsel hem minder moeite en tijd kost, dan
aan andere Robben. Uit de onderzoekingen van _Malmgren_ en _Brown_
is gebleken, dat de Walrus zich uitsluitend met dierlijke stoffen
voedt. Beiden vonden in de maag van de door hen onderzochte exemplaren
voornamelijk een soort van Slijkmossel of Gaper (_Mya truncata_), die
in de noordelijke gedeelten van de IJszee alle banken en riffen bedekt,
en een Steenboorschelp (_Saxicava rugosa_). Zij zijn van oordeel,
dat de Walrus zijne kolossale tanden hoofdzakelijk gebruikt om de
bedoelde Schelpdieren van de rotsen los te maken of uit de slib bloot
te woelen. Bovendien verzwelgt hij niet alleen andere in zee levende
Ongewervelde dieren, maar ook de algen, die aan de schelpen der door
hem verorberde Weekdieren vastgehecht zijn, alsmede andere zeeplanten,
voorts zand en grind, gelijk ook vele andere Robben doen. Behalve
Ongewervelde zeebewoners vreet de Walrus trouwens ook Visschen, die
hij zelf vangt, en de overblijfselen van de Walvisschen en Zeehonden,
die door den mensch gedood zijn.
De Walrussen vereenigen zich tot gezelschappen, die een meer of
minder groot aantal leden hebben, al naar de geaardheid van de
door hen bewoonde kust. Sommige van deze gezelschappen bestaan
alleen uit mannetjes, de overige uit de wijfjes met hunne jongen,
zoolang deze nog gezoogd worden. Een enkele ijsschol draagt, naar de
noordpoolreizigers berichten, dikwijls 20 of meer Walrussen. Hunne
donker gekleurde lichamen zijn dicht bij elkander gelegen, de kop
wordt wegens de lange slagtanden zijwaarts gedraaid, of rust op het
lichaam van een der buren: "zoo zijn zij gewoon het grootste deel van
hun leven te verslapen, omdat het zien van de zon, die maandenlang
boven de kim blijft, en het hooren van het eentonig gedruisch van
de branding hun vervelen." Onder de leden van het gezelschap is er
minstens _één_, die de wacht houdt en die bij het opmerken van een
gevaar de overige wekt door zijn krachtige stem te laten weerklinken,
of ingeval van nood ook door een zachten stoot met de slagtanden,
waarna het geheele gezelschap zich gereed maakt tot de vlucht of tot
de verdediging van hun leven. Daar waar de Walrus den mensch nog
niet heeft leeren kennen, trekt een vreemd schip ternauwernood de
opmerkzaamheid van de schildwachten of van de bende in 't algemeen;
zelfs door een kanonschot krijgen zij geen argwaan, omdat alle aan
geknal gewoon zijn in de noordelijke zeeën, waar het ijs dikwijls
met een donderend geraas over groote afstanden barst.
De bewegingen van den Walrus stemmen naar het schijnt nog het meest
met die van de Oorrobben overeen. Op het land is zijn beweging log en
onbehendig; hij kruipt echter niet, maar gaat, waarbij hij gelijktijdig
den linker achterpoot en den rechter voorpoot en vervolgens evenzoo de
beide andere pooten verplaatst. Zijn gang verschilt van dien der andere
overkruis loopende dieren, alleen hierdoor, dat hij van de voorpooten
de teenen, van de achterpooten echter de hiel naar voren richt. Bij
het beklimmen van steile ijsblokken maakt hij, naar men zegt, steeds
gebruik van zijne beide lange slagtanden, waarmede hij zich vasthaakt
in barsten en kloven, om vervolgens het zware lichaam op te trekken,
daarna den hals op nieuw te strekken, en op deze wijze voort te gaan,
tot hij de gewenschte ligplaats bereikt heeft. Als noodzakelijke
hulpmiddelen bij het gaan kan men de bedoelde tanden echter niet
beschouwen, daar de niet minder zwaarlijvige Oorrobben en Zee-olifanten
zonder zulke werktuigen een soortgelijken arbeid verrichten. Eerder
acht ik het waarschijnlijk, dat hij zich met behulp van de slagtanden
een weg door het drijfijs baant. Niet onwaarschijnlijk is het ook,
dat hij er de bijten mede maakt, die hij op gelijke wijze als de
overige Robben gebruikt en openhoudt. Ook bezigt hij zonder twijfel de
hoektanden tot het openwoelen van den grond, waarin hij zijn voedsel
zoekt. Te zijner verdediging dienen zij eveneens; menigmaal heeft
hij er zelfs de planken van een boot mede stuk geslagen. De Walrus
begeeft zich van het land naar het water door zich van hellingen af
te laten glijden, of ook door zich, gelijk andere Robben eveneens
doen, met een sprong in het water te storten. Evenals alle andere
leden van zijn orde beweegt hij zich hier even snel en behendig, als
hij op het land of op het ijs langzaam en onbeholpen is. Hij zwemt
uitmuntend, duikt tot op aanzienlijke diepten en is zeer zeker in
staat verscheidene minuten lang onder water te blijven. Een roeiboot
is niet in staat een zwemmende Walrus te achterhalen; van vermoeienis
schijnt hij niet te weten, hoe lang deze beweging ook duurt.
Zijn stem gelijkt soms op het loeien van een koe, soms op het zware,
grove geblaf van een Hond, maar kan, bij toorn, met recht gebrul
heeten. Gedurende den paartijd verneemt men zijn stem op zulk een
grooten afstand, dat Kapitein _Cook_ en zijne metgezellen hierdoor
bij nacht en nevel steeds van de nabijheid van de kust verwittigd
werden en de koers van het schip tijdig genoeg konden doen veranderen
om een botsing met het ijs te vermijden.
Over den gemoedsaard van den Walrus kan men, op grond van de tot
dusver opgedane ervaringen, moeielijk een oordeel uitspreken; wel mag
men het er voor houden, dat dit dier niet minder schrander is dan de
overige Bobben. Van de scherpte zijner zinnen zegt _Pechuel-Loesche_:
"Het gezicht is slecht, het gehoor reeds veel beter, maar uitmuntend
ontwikkeld is de reukzin, want zij krijgen in gunstige omstandigheden
minstens op een afstand van verscheidene honderden schreden de
lucht van de menschen; men moet dus, als men hen besluipen wil, zeer
zorgvuldig acht geven op den wind." Hoewel de Walrus zich bij zijn
eerste ontmoeting met den mensch zeer onverschillig toont, geeft
de ervaring hem weldra reden om een andere gedragslijn te volgen;
met kracht en verstand verzet hij zich dan tegen den beheerscher
der aarde. Een van zijne meest in 't oogloopende eigenschappen
is de nieuwsgierigheid, die trouwens aan alle Vinvoetigen eigen
is. Bovendien merkt men bij hem een bij de Robben ongewonen moed
op. Evenals met hunne vijanden vechten zij ook met elkander zeer
verwoed; dit geschiedt echter alleen in den paartijd, die gewoonlijk
in de laatste maanden van de lente valt. Omstreeks dezen tijd brullen
de mannetjes op ieder uur van den dag; bovendien vallen zij elkander
aan en scheuren met de slagtanden zulke diepe schrammen in de huid
van hunne tegenstanders, dat deze er even erbarmelijk uitzien, als
andere bij dergelijke tweegevechten gewonde Robben.
Na een draagtijd van ongeveer 12 maanden brengt het wijfje een enkel
jong ter wereld, waaraan het met de trouwste moederliefde gehecht is;
met groote zelfopoffering zorgt het voor de voeding en ontwikkeling
van haar kind en verdedigt het in tijd van nood met den moed en de
woede, die het Walrussengeslacht onderscheiden. Het kleine dier geeft
de duidelijkste bewijzen van kinderliefde en verlaat zijn moeder
ook na den dood niet. Als het jong gedood wordt, kan men rekenen op
den hardnekkigsten tegenstand en de onverzoenlijkste wraakzucht van
de moeder.
Walrussen, die zich op het strand of op een ijsveld bevinden,
zijn weinig te vreezen, omdat hun onbeholpenheid hen verhindert den
mensch met goed gevolg aan te vallen; in het water echter geven zij
duidelijke bewijzen van groote behendigheid en reusachtige kracht. Soms
vallen deze dieren zonder eenige aanleiding den mensch aan en dwingen
dezen tot een niet gewenschten strijd. De noordpoolreizigers _Payer_
en _Copeland_ geven van zulk een voorval de volgende levendige en
aanschouwelijke beschrijving: "Indien een van deze monsters een
boot ziet, verheft het zich verwonderd boven den waterspiegel, laat
onmiddellijk zijn alarmgeschreeuw, een bij schokken uitgestooten
geblaf hooren, zwenkt zoo schielijk mogelijk en zwemt naar het
vaartuig toe. Door zijn geschreeuw worden andere Walrussen aangelokt;
de slapende dieren, waarmede men bij het varen iedere botsing heeft
trachten te vermijden, worden gewekt, en na verloop van korten tijd
wordt de boot nagezwommen door een groot aantal van deze kolossale
beesten, die geweldig tieren en schijnbaar of in werkelijkheid ten
zeerste verbitterd zijn. Het is mogelijk, dat nieuwsgierigheid de
drijfveer is, die hen in beweging brengt; maar de vorm, waarin deze
zich openbaart, is wel zeer ongelukkig gekozen; er bestaat alle
grond voor het vermoeden, dat zij de boot willen doen kantelen, om
haar grondig te leeren kennen. Men moet zich dus gereed maken voor
den strijd, vooral omdat men weldra tot de overtuiging komt, dat het
niet mogelijk is te ontsnappen zelfs door het snelste roeien van vijf
man. De brullende bende Walrussen is nu nog maar op weinige schreden
afstands van de boot, die bespat wordt met het water, die zij duikend
en weer bovenkomend opwerpen. De eerste schoten knallen en werken als
olie in het vuur van hun woede. Een woeste strijd begint: sommigen
slaan met bijlen op de borstvinnen van de afschuwelijke sphinxen,
die hiermede de boot trachten om te werpen en te vernielen, anderen
verdedigden zich met lansen, of beuken met den scherpen kant der
roeiriemen op de dikke schedels der reusachtige monsters, of werpen
moeielijk verteerbare pillen in den als een afgrond wijd opengesperden
bek van de onophoudelijk brullende aanvallers. Een woest geschreeuw
vervult de lucht; de boot en hare verdedigers bewaren met moeite hun
evenwicht; het water schuimt en geraakt in hevige beweging; nieuwe
kampioenen rijzen plotseling uit de diepte op, of komen zwemmend
naderbij; andere zinken doodelijk getroffen naar de diepte, terwijl
het water door hun bloed gekleurd wordt. Het dreigend gevaar, dat de
boot zwaar beschadigd of omgekanteld zal worden door het gewicht van
een Walrus, die met de slagtanden den rand van het vaartuig omvat
houdt, kan dikwijls alleen door het toebrengen van een doodelijke
wonde aan den leidsman dezer even dappere, als volhardende dieren
afgewend worden."
De Europeaan gebruikt van den Walrus de huid, het vet en de tanden. De
huid wordt gelooid, het vet uitgekookt, de tanden worden als ivoor
verwerkt. Het grof vezelige, tranige vleesch wordt door de Europeanen
hoogstens in geval van nood gegeten; de tong wordt echter als
een smakelijk gerecht beschouwd. De volken van het hooge noorden
daarentegen weten van ieder lichaamsdeel van den Walrus partij
te trekken. Van de huid maken zij riemen, touwen en vischnetten,
gebruiken haar ook wel tot bekleeding van hunne zomerverblijven; van
de beenderen vervaardigen zij allerlei werktuigen; de pezen worden
ineengedraaid om als naaigaren dienst te doen; het vleesch is een
zeer geschat voedingsmiddel en het spek komt bij de spijsbereiding
of als brandstof te pas, zoodat eigenlijk geen enkel deel van het
dier ongebruikt blijft.
De leden van de derde familie onzer orde, de _Oorrobben_ (_Otariidae_),
onderscheiden zich van hunne verwanten in de volgende opzichten. De
rand van de gehooropening is voorzien met een kleine, doch goed
ontwikkelde oorschelp. De groote vinvormige ledematen komen duidelijk
uit het lichaam te voorschijn en zijn er goed van te onderscheiden;
een aan den rand gelobde huid strekt zich tot voorbij de teentoppen
uit, de zolen zijn kaal, de achterteenen nagenoeg gelijk van lengte, de
voorteenen nemen van binnen naar buiten in lengte af. Beide geslachten
verschillen aanmerkelijk in grootte, daar de mannetjes in den regel
minstens dubbel zoo lang en drie of vier maal zoo zwaar worden als
de wijfjes.
Alle tot dusver bekende soorten van deze familie komen in zoo hooge
mate met elkander overeen, dat men ze in één geslacht vereenigen
moet; alle hebben ook in hoofdzaak dezelfde levenswijze. Voornamelijk
bewonen zij den Stillen of Grooten Oceaan, leven zoowel aan de met
ijs omzoomde kusten van de Beringstraat als op het vasteland, dat de
Zuidpool omgeeft, en op de daarbij behoorende eilanden, in de gematigde
gordels, zoowel als onder de loodrecht gerichte stralen van de zon der
keerkringsgewesten; ginds ondernemen zij meer of minder uitgestrekte
verhuizingen, hier bewonen zij jaar in jaar uit hetzelfde gebied; op de
meeste plaatsen worden zij onophoudelijk en onmeedoogend vervolgd, van
enkele oorden zijn zij reeds verdreven door den hebzuchtigen mensch,
die om hun vel, vleesch en vet machtig te worden, reeds sedert eeuwen
jacht op hen maakt, en ze bij duizenden slacht.
Bijna iedere bezoeker van San Francisco weet te verhalen van den
Oorrob, dien de matrozen _Zeeleeuw_ (_Otaria Stelleri_) noemen, en
reeds sedert _Stellers_ tijd goed kennen. De mannelijke Zeeleeuw kan
een lengte van 4 M., een omvang van nagenoeg 3 M., en soms een gewicht
van nagenoeg 500 KG. bereiken. De wijfjes zijn aanmerkelijk kleiner,
worden geen 3 M. lang en zelden meer dan 200 KG. zwaar. Door den
bouw van den romp wijkt dit dier minder dan de overige soorten van
zijn familie van de Zeehonden af, toch kan het er, evenmin als deze,
mede verward worden; want behalve aan den karakteristieken vorm der
ledematen is het gemakkelijk te herkennen aan den langwerpigen kop en
langen hals en aan de fiere en gebiedende houding, die het aanneemt,
als het in een toestand van opgewondenheid verkeert. De kleur van de
oude mannetjes biedt veel afwisseling aan; op dezelfde rots vindt men
zwarte, gesprenkelde of roodachtig bruine, donkergrijze en lichtgrijze
exemplaren bijeen. De oude wijfjes zijn gewoonlijk lichtbruin van
kleur; de jongen zijn leikleurig of grijsachtig zwart. De huid is
met korte, aanliggende haren bezet. Bij een andere soort van Oorrob,
wiens verbreidingsgebied zich van de zuidspits van Zuid-Amerika
tot aan Grahamsland uitstrekt, en die vooral op Vuurland veelvuldig
voorkomt--bij de _Manendragende Zeeleeuw_ (_Otaria jubata_)--verlengt
het haar van den nek zich bij het volwassen mannetje tot betrekkelijk
korte manen. Bij de andere soorten van Zeeleeuwen komt deze aan
den Leeuw herinnerende eigenaardigheid niet voor, o.a. niet bij
den eerstgenoemden vorm, die de noordelijke helft van den Stillen
Oceaan bewoont, en niet veel verder zuidwaarts dan de Galapagos-
of Schildpadden-eilanden voorkomt.
Ook op hen wordt ijverig jacht gemaakt; hun spek levert traan, hun
huid dient op de Californische kust voor het bereiden van lijm. De
bewoners van Kamtschatka en Saghalin, van Alaska en de Aleoeten weten,
behalve van het vet en de huid, ook van de overige lichaamsdeelen
dezer dieren een nuttig gebruik te maken.