Voor de bewoners van het hooge noorden zijn de Zeehonden de

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

Vijfde Orde.

De Robben of Vinvoetigen (Pinnipedia).

In tegenstelling met de Walvisschen worden de Robben, hoewel ook

zij de zee bewonen, door den leek onmiddellijk als Zoogdieren

herkend. De ledematen, die ook bij hen nog ten getale van vier

voorkomen, slepen over den grond, maar zijn toch duidelijk begrensd

en goed herkenbaar. De vingers en de teenen, die altijd tamelijk

goed onderscheiden kunnen worden, zijn bij de meeste Robben volkomen

beweeglijk, en slechts door zwemvliezen verbonden, bij eenige weinige

soorten echter geheel en al door de huid omgeven en onbeweeglijk,

hoewel zij ook in dit geval aan de bovenzijde kleine nagels dragen,

en hieraan herkenbaar zijn. De vreemde indruk, dien de voeten maken,

berust grootendeels op den bouw der teenen, die alle in hetzelfde

vlak gelegen zijn, en waarvan de middelste de overige niet meer in

lengte en stevigheid overtreft. Overigens verschillen de Robben

door hun lichaamsbouw wel aanmerkelijk van alle tot dusver door

ons beschouwde Zoogdieren, maar kunnen toch te dezen aanzien

zeer goed met de Roofdieren, vooral met de Vischotters en Beren,

vergeleken worden. Op dezen grond worden de Vinvoetigen door sommige

dierkundigen met de Roofdieren in één orde vereenigd. De betrekkelijk

kleine kop is vrij duidelijk begrensd en herinnert aan dien van den

Vischotter en van den Beer. De neus onderscheidt zich door zijne

scheef geplaatste, spleetvormige neusgaten, die door de beweegbare

neusvleugels afgesloten kunnen worden; het oog is groot en met een

wenkvlies voorzien; het eveneens voor afsluiting geschikte uitwendige

oor eindelijk is slechts bij één familie eenigermate ontwikkeld; bij

de meeste Robben echter ontbreekt de oorschelp geheel. De korte en

dikke hals gaat onmiddellijk over in den meer of minder rolvormigen

romp, die naar achteren allengs dunner wordt; de staart is tot een

onbeduidend stompje verminderd. De dikke en stevige huid is meestal

alleen met gelijkmatig lang bovenhaar begroeid, dat zich menigmaal

bij wijze van manen verlengt, of is bovendien met meer of minder dicht

bijeenstaande wolharen bekleed. Het gebit en de inwendige lichaamsbouw

vertoonen, behoudens vele punten van overeenkomst met de gelijknamige

deelen der Roofdieren, een zeer bepaald karakter.

De wervelkolom herinnert aan die der Roofdieren; de halswervels zijn

duidelijk van elkander gescheiden en met zeer ontwikkelde uitsteeksels

voorzien. Het ruggedeelte bestaat uit 14 of 15, het lendegedeelte

uit 5 of 6 wervels; 2 à 7 wervels zijn tot het heiligbeen vergroeid,

9 à 15 wervels vormen den staart. De sleutelbeenderen ontbreken. De

beenderen van de ledematen onderscheiden zich door hun geringe lengte;

de beenderen van voorarm en onderbeen blijven steeds van elkander

gescheiden; de hand- en voetwortelbeenderen vertoonen geen afwijkingen

van den gewonen regel.

De Robben zijn over alle zeeën der aarde verbreid, hebben hunne

vertegenwoordigers zoowel in het zuidelijke als in het noordelijke

halfrond en komen zelfs voor in de groote binnenzeeën van Azië,

waarin zij gedeeltelijk gekomen zijn door de stroomen, die er van

uitgaan, en gedeeltelijk ook achtergebleven zijn, toen de gemeenschap

met andere zeeën werd afgesloten. In het noorden leven de meeste,

in het zuiden de meest in 't oogloopende soorten. Gewoonlijk geven

zij de voorkeur aan de nabijheid der kusten; vele ondernemen van tijd

tot tijd reizen van het eene deel der kust naar het andere; dikwijls

ook zwemmen zij de rivieren op. Op het land verkeeren zij slechts in

bijzondere omstandigheden, n.l. gedurende den voortplantingstijd en

terwijl zij nog zeer jong zijn; want hun eigenlijke woonplaats is en

blijft het water. Hier bewegen zij zich met het grootste gemak, terwijl

zij op het land zeer onbeholpen zijn. Met moeite klimmen zij van het

strand op de klippen of bij het drijfijs omhoog; op den vasten bodem

strekken zij zich op hun gemak uit, om zich in de zon te koesteren;

zoodra eenig gevaar hen bedreigt, ontvluchten zij het zoo schielijk

mogelijk in de voor hen zoo gastvrije diepte der zee. Zij verstaan

meesterlijk de kunst van zwemmen en duiken. Het is hun onverschillig,

of hun lichaam met de rugzijde naar boven of naar onderen ligt; zij

bewegen zich zelfs, zooals ik op grond van persoonlijke ervaringen

verzekeren kan, _achterwaarts_. Iedere wending en draaiing, in

't algemeen iedere verplaatsing in 't water, heeft met de grootst

mogelijke behendigheid plaats. "Met bewondering wordt men vervuld,"

schrijft _Haacke_, "wanneer men in de gelegenheid is Robben bij

de vischvangst na te gaan. In een ruimen bak van het Frankforter

aquarium, ziet men van uit de donkere, voor de toeschouwers bestemde

ruimte, hoe de Zeehonden hun uit levende Visschen bestaande prooi

vervolgen. Men verbaast zich over de zekerheid en snelheid, waarmede

zij door doelmatige, nauwkeurig afgemetene draaiingen, wendingen en

buigingen van iedere vin afzonderlijk, door het verlengen en verkorten

van den hals iedere beweging van den beangst door 't water schietenden

Visch weten mede te maken, hetwelk tot gevolg heeft, dat de prooi na

verloop van weinige oogenblikken in den muil van den Zeehond verdwijnt,

alsof zij er in opgezogen werd. Groot is ook de vaardigheid waarmede

onze Zeehonden, terwijl zij rechtop staan in 't water en naar den hen

voederenden oppasser uitzien, door een zachte beweging der achterste

ledematen zich op dezelfde plaats weten te houden." Op het land echter

strompelen zelfs die soorten, welke werkelijk nog gaan kunnen, met

moeite voort, terwijl alle andere op een hoogst eigenaardige, slechts

bij hen voorkomende manier zich voortbewegen. Zij doen dit bijna op

dezelfde wijze als sommige soorten van rupsen. De Zeehond, die zich

op het land van de eene plaats naar de andere wil begeven, gaat met

de borst op den grond liggen, kromt den romp als een Kat naar boven,

steunt dan op het achterste deel van het lichaam, d.w.z. ongeveer op

de flanken, en strekt vervolgens schielijk den romp, waardoor het

voorste deel van 't lichaam naar voren schuift. Zoo komt hij door

afwisselend het voorste en het achterste deel van het lichaam tegen

den grond te drukken, door zich afwisselend te krommen en te strekken,

betrekkelijk snel vooruit. De ledematen doen hierbij in 't geheel geen

dienst; zij moeten alleen dan medehelpen, wanneer het dier naar boven

klimt. Ook gebruikt hij ze op zeer behendige wijze om zich schoon

te maken, zich te krabben, zijn haar glad te strijken, ook wel om er

iets mede vast te houden, b.v. het jong aan de borst te drukken.

Alle Robben zijn in hooge mate gezellig. Alleen ziet men ze bijna

nooit. Hoe eenzamer de streek is, des te talrijker zijn de door

hen gevormde kudden of familiën; hoe minder zij met den mensch in

aanraking komen, des te minder argwaan toonen deze dieren, die in de

bewoonde oorden buitengewoon schuw zijn.

De Robben hebben een nachtelijke levenswijze. Den dag brengen zij het

liefst op het land door; zij slapen, of koesteren zich in de zon. Hier

zijn zij juist het tegendeel van hetgeen zij in het water waren. Van

de behendigheid en vlugheid, waarvan zij de bewijzen leveren in het

natte element, bemerkt men op het land niets; zij vertoonen dan

integendeel het volmaakste beeld van de luiheid. Ieder voorval,

waardoor zij gestoord worden in hun gemakkelijke houding, is hun

hoogst onaangenaam; sommige soorten laten zich bijna niet op de vlucht

jagen. Met wellust strekken en rekken zij zich uit op hun leger, en

stellen afwisselend den rug, de zijden of de buikzijde van het lichaam

aan de vriendelijke zonnestralen bloot; zij knijpen de oogen dicht,

gapen en gelijken over 't geheel genomen meer op doode vleeschklompen

dan op levende dieren; het regelmatig openen en sluiten der neusgaten

is dan het eenige bewijs van leven. Als zij zich volkomen wel bevinden,

en in den voortplantingstijd, verzuimen zij het eten weken achtereen;

eindelijk drijft de honger hen weer naar de zee, waar hun intusschen

zeer vermagerd lichaam weldra weer rond en glad wordt. Volgens

_Haacke's_ onderzoekingen in Frankfort, kunnen zij minstens 6

weken lang honger lijden. De jongen zijn levendige, speelsche en

vroolijke schepsels, de ouden daarentegen dikwijls zeer knorrige,

door hun traagheid letterlijk verbasterde dieren. Men moet echter tot

hun verontschuldiging aanvoeren, dat zij door hun onbeholpenheid op

het land luier schijnen, dan zij werkelijk zijn. Wanneer een gevaar

hen bedreigt, gaan zij, zooals reeds opgemerkt werd, zeer haastig

en snel te water; als het gevaar hen echter te plotseling overvalt,

bevangen angst en schrik hen in zoo hooge mate, dat zij zuchten en

sidderen, en tevergeefs alle mogelijke moeite doen om aan den dood te

ontkomen. Bij het verdedigen van de wijfjes en de jongen daarentegen

geven sommigen, als het noodig is, bewijzen van grooten moed. Op

de eenzaamste eilanden zijn sommige soorten zoo onverschillig voor

vreemde bezoekers, dat zij deze rustig tusschen hen laten doorgaan,

zonder te vluchten; zij worden echter zeer voorzichtig, zoodra zij

den mensch als vernieler van de dierenwereld hebben leeren kennen.

Van hunne zintuigen valt op te merken, dat het gehoor uitmuntend is,

ondanks de ontbrekende of althans kleine oorschelpen; het gezicht

en de reuk daarentegen zijn minder ontwikkeld. Hun stem bestaat uit

heesche geluiden, die soms op het blaffen van een Hond, soms op het

bulken van een kalf of op het loeien van een Rund gelijken.

Elk Robbengezelschap is een familie. Het mannetje heeft altijd

verscheidene wijfjes. Ongeveer 6 à 12 maanden na de paring brengt

het wijfje één jong (zeldzamer twee) ter wereld. De kleintjes zijn

sierlijke en wakkere dieren.

De ouden en de jongen gevoelen veel liefde voor elkander; de moeder

beschut haar jong met gevaar haars levens tegen ieder gevaar. De vader

schept behagen in het vroolijk spel van zijn kind, en geeft dit te

kennen door een vergenoegd gebrom en geknor: door zijn lichaamsbouw is

hij niet in staat metterdaad aan het spel deel te nemen, maar volgt

het snel heen en weer glijden en de buitelingen van het jong met de

oogen. Na verloop van hoogstens 2 maanden zijn de jonge Robben zoover

ontwikkeld, dat zij gespeend kunnen worden. Zij groeien snel. Na 2

à 6 jaar zijn de Robben volwassen, op 25- à 40-jarigen ouderdom zijn

zij afgeleefd.

Dierlijke stoffen van allerlei soort, meestal echter Visschen en

Schaaldieren, vormen het voedsel van de Robben. Enkele soorten zijn,

naar men zegt, gevaarlijk voor verscheidene zeevogels en zelfs

voor andere Robben; deze worden door de kleinere Vinvoetigen niet

lastig gevallen. In Düsseldorf heeft men opgemerkt, dat de Zeehonden

plotseling alle eenden, waarmede zij een tijdlang vreedzaam denzelfden

vijver bewoonden, onder water trokken en doodden. Om hun uitmuntende

spijsvertering nog te bevorderen, slikken eenige Robben, op de wijze

van de Vogels, steenen door; andere vullen, als zij uitgehongerd zijn,

hun maag ingeval van nood met wieren.

De Robbenvangst is een meedoogenlooze slachting van weerlooze dieren,

en kan geen aanspraak maken op den naam van "jacht"; het zoogenaamde

"Robbenslaan" beschouwt men als geheel iets anders dan het edele

jagersbedrijf. Tusschen oud en jong, groot en klein wordt of werd

hierbij geen onderscheid gemaakt, alle werden gedood. Dit heeft ten

gevolge gehad, dat het aantal vertegenwoordigers van nagenoeg alle

soorten van Robben sterk verminderd is, en dat enkele soorten hun

volledigen ondergang te gemoet gaan. Op vele afgelegen eilanden,

die in de vorige eeuw talrijke kudden van deze dieren herbergden,

zijn hiervan thans slechts geringe overblijfselen te zien. Het

vet (de traan), de tanden en de huid van de Robben zijn gezochte

handelsartikelen; dit verklaart den vervolgingsijver van den mensch.

Bijna alle Robben kunnen getemd worden, sommige worden bijna

huisdieren. Zij gaan uit en in, visschen in de zee en keeren vrijwillig

terug in de woning van hun verzorger, leeren dezen kennen en volgen hem

na als een Hond. Enkele heeft men zelfs voor de vischvangst afgericht.

De Orde der Robben wordt in drie zeer natuurlijke familiën

onderscheiden. Bovenaan staan de _Zeehonden_, die in 't geheel geen

oorschelp hebben en het vermogen om op de achterste ledematen te gaan,

volkomen missen. Een tegenstelling met hen vormen de _Oorrobben_, die

het minst van de landdieren afwijken, daar zij nog oorschelpen bezitten

en de achterste ledematen voor het loopen gebruiken. Tusschen deze

beide in staan de _Walrussen_, die wel is waar de oorschelp missen,

maar toch nog de achterste ledematen naar voren kunnen richten tot

steun voor den romp.

De _Zeehonden_ zijn veel algemeener verbreid dan alle overige Robben;

zij bevolken niet alleen de wereldzee, maar ook de groote binnenzeeën,

die door rivieren met den oceaan in gemeenschap staan of in overouden

tijd er deel van uitmaakten, zooals b.v. het meer van Baikal en

de Kaspische Zee. Zij bewonen alle aardgordels, maar zijn vooral

zoowel in de noordelijke als in de zuidelijke koude zone talrijk;

meer bepaaldelijk binnen den noordpoolcirkel is deze familie door

een belangrijk aantal soorten vertegenwoordigd. Op sommige kusten

zijn deze zeer ijverig vervolgde dieren nog zeer veelvuldig; over

't geheel genomen zijn zij nergens zeldzaam, hoewel een aanhoudende

vermindering van hun aantal niet ontkend kan worden.

In aard gelijken zij op de Oorrobben, van welke zij door hun wijze

van beweging op het land in niet geringe mate verschillen; zij zijn

n.l. niet in staat om evenals deze te gaan, maar kunnen zich slechts

een weinig voortschuiven. In het water zijn zij in hun element,

daar behoeven zij voor geen hunner verwanten onder te doen; zij zijn

meesters in het zwemmen en duiken. Met de snelheid van een roofvisch

schieten zij door het water en maken bliksemsnelle wendingen; ook

kunnen zij, zoolang het hun goeddunkt, op een en dezelfde plaats

blijven. Als zij zich met elkander vermaken willen, beschrijven zij

kringen, springen nu en dan met het geheele lichaam boven het water

uit, zitten elkander na onder allerlei plagerij, of spelen ieder voor

zich alsof zij dronken zijn, komen soms met den buik boven 't water,

zwemmen op den rug, draaien en wenden, rollen om en om, in een woord,

gedragen zich hoogst zonderling, verzuimen intusschen niet zelden alle

voorzorgsmaatregelen zoo volledig, dat een behendig jager of vanger,

zonder opgemerkt te worden, hen zoo nabij kan komen, dat hij ze met

een harpoen kan dooden.

Zij dalen tot op aanzienlijke diepten af en blijven in sommige

gevallen geruimen tijd onder water, niet zoo lang echter, als door

sommigen beweerd werd. Als zij niet vervolgd worden, stijgen zij

gemiddeld éénmaal in de minuut naar de oppervlakte om te ademen. Nu

kan het wel gebeuren, dat vervolgde Zeehonden zich drie of vier

minuten lang onder water ophouden; in geen geval echter zijn zij

in staat hier halve uren te blijven, zooals herhaaldelijk beweerd

en door velen geloofd werd. Ook _Fabricius_, die de bij Groenland

voorkomende Zeehonden uitvoerig beschreef, gelooft niet, dat een Rob

het langer dan 7 minuten onder water kan uithouden. De Zeehonden slapen

werkelijk in het water. Door eenige slagen met de vinvormige ledematen,

komen zij van tijd tot tijd met gesloten oogen aan den waterspiegel

om adem te halen, zakken hierna weder naar omlaag en herhalen deze

bewegingen, die naar het schijnt, onbewust geschieden, iedere maal,

dat zij behoefte aan lucht hebben. Uit tal van waarnemingen blijkt,

dat zij ook slapen kunnen, terwijl zij aan de oppervlakte van het

water liggen. De Groenlanders, die deze voor hen uiterst belangrijke

dieren zeer nauwkeurig hebben nagegaan, duiden elk hunner houdingen

in het water met een bepaalde uitdrukking aan, wijl zij uit deze

verschillende houdingen afleiden, of zij een drijvenden Zeehond al

of niet zullen kunnen naderen.

Hoewel de Zeehonden dagen en weken achtereen in de zee leven, en al

hunne zaken in 't water afdoen kunnen, begeven zij zich toch, als

zij uitrusten, slapen, of zich in de zon koesteren willen, gaarne aan

land. Met een enkelen ruk springen zij uit het water ver op het land,

door hunne uitgespreide achtervoeten met geweld en snel tegen elkander

te slaan. Alle Zeehonden zijn gewoon om, als zij angstig zijn, of in

gevaar verkeeren, voortdurend water uit te spuwen, misschien om hun weg

glad te maken. Hoe log hun gang ook zij, toch komen zij snel vooruit;

een loopend mensch moet zich wel een weinig inspannen, als hij een op

't land voortglijdenden Zeehond inhalen wil. Het achterste deel van

het lichaam van den Rob is even beweeglijk als de hals. De Zeehond kan

zich zoo draaien, dat van de voorste helft de rug, van de achterste

de buik naar boven gericht is, of omgekeerd; ook is hij in staat den

kop in alle richtingen te wenden.

Op hoogere breedten kiezen deze dieren, ook wanneer zij er niet toe

gedwongen zijn, bij voorkeur ijsschollen als hun slaapplaats uit, en

blijven hier, rustig uitgestrekt even lang liggen als op zuidelijker

breedten op het door de zon beschenen strand. De speklaag, die bij hen

de huid met de daaronder gelegen deelen verbindt, stelt hen in staat,

uren lang op zulk een koude oppervlakte te liggen, zonder al te veel

warmte af te geven en hierdoor ziek te worden.

De stem van de Zeehonden is soms een heesch geblaf, soms een geloei;

als zij toornig zijn, knorren zij als de Honden.

De Zeehonden werden reeds door de ouden als hoog begaafde dieren

geschilderd. Hunne zinnen schijnen goed en tamelijk gelijkmatig

ontwikkeld te zijn. De neus en de ooren kunnen gesloten worden,

en zien er gedurende het leven soms als afgerond driehoekige gaten,

soms slechts als smalle spleten uit. De neusgaten worden bij elke

ademhaling geopend, hierna onmiddellijk weer gesloten, en blijven, ook

als het dier op het land rust, tot aan de volgende luchtverversching

samengeknepen; de ooren worden slechts in het water en ook hier

niet voortdurend gesloten. In het groote, weinig uitpuilende oog

vult het lichtbruine of donkerbruine regenboogvlies bijna de geheele

ruimte, die door de oogleden wordt vrijgelaten; het wit van 't oog

ziet men zelden. De pupil is niet rondachtig of langwerpig, maar

vierstralig. Opmerkelijk is de zielvolle uitdrukking van het oog van

den Zeehond, opmerkelijk is het evenzeer, dat hij, evenals andere

Robben, bij aandoeningen van allerlei aard, vooral echter bij het

gevoelen van smart, tranen vergiet. Als wij, en waarschijnlijk terecht,

het gezicht als de hoogst ontwikkelde zin van den Zeehond beschouwen,

mogen wij vermoedelijk het gehoor in de tweede plaats noemen. Het was

reeds aan de ouden bekend, dat hij van muziek en zang houdt; zooals

nieuwere waarnemers opmerkten, luistert hij met belangstelling naar

klokgelui en andere luide tonen. _Brown_ verhaalt, dat hij dikwijls

gezien heeft, hoe Zeehonden hunne koppen boven het water staken en met

aandacht luisterden, als de matrozen zongen bij het opwinden van het

anker. De kerk te Hoy op de Orkney-eilanden ligt in de nabijheid van

een smalle zandige bocht, die dikwijls door de Zeehonden bezocht wordt;

deze doen dit, naar het schijnt, niet alleen wegens de ligging van

dit deel der zee, maar ook wegens de kerkklokken, die een bijzondere

aantrekkingskracht op hen oefenen; dikwijls heeft men opgemerkt,

dat zij bij het luiden der klokken regelrecht op de kust afzwommen,

hunne oogen steeds gericht naar de streek, vanwaar de klokketonen

kwamen, en hiernaar verrukt en verwonderd bleven luisteren, zoolang

de klokken geluid werden.

Het is moeielijk een oordeel te vellen over de verstandelijke vermogens

der Zeehonden. Dat zij schrander zijn, is aan geen twijfel onderhevig;

toch gedragen zij zich dikwijls zoo dom en onnoozel, dat men niet weet,

wat men aan hen heeft. In weinig door menschen bewoonde en bezochte

gewesten zijn zij vermetel; gewoonlijk echter nemen zij de grootste

voorzichtigheid in acht, zoodra zij hun doodsvijand hebben leeren

kennen. Zeker is het, dat de waarschuwingen van oudere dieren door

de jongere ter harte genomen worden. Gevangen Zeehonden gevoelen

spoedig vriendschap voor hun verzorger; enkele worden zeer tam,

luisteren naar den naam, die men hun gegeven heeft, komen uit het

waterbekken, waarin zij zich gewoonlijk ophouden, nemen Visschen

aan uit de hand. Enkelen laten zich door iemand dien zij als vriend

beschouwen, betasten en streelen, geven hem een poot, en veroorloven

hem zelfs hun een vuist in den bek te steken, enz.

Naar het schijnt, zijn de Zeehonden voor alle dieren, die niet tot de

Visschen, Weekdieren of Schaaldieren behooren, tamelijk onverschillig;

het zou echter verkeerd zijn, dit op rekening van hun goedaardigheid

te stellen. Bij het zien van Honden worden de gevangene Zeehonden

steeds driftig, zij begroeten hen met een toornig gesnuif en trachten

ze te verjagen door de tanden op elkander te slaan.

Bijzonder liefderijk zijn zij, evenals alle Robben, voor hunne

jongen. Op velerlei wijzen spelen zij met hen, en verdedigen ze ook,

als hun gevaar dreigt, zelfs tegen sterkere vijanden.

Al naar de woonplaats van de Zeehonden heeft de paring in verschillende

maanden plaats. Ongeveer 9 1/2 maand daarna, in de maanden Mei, Juni

of Juli, werpt het wijfje één jong (zeldzamer twee); dit geschiedt

op eenzame, onbewoonde eilanden, liefst op zandige gedeelten van het

strand, in holen, ook wel op rotsblokken en desnoods op ijsvelden. De

jongen komen in volkomen ontwikkelden toestand ter wereld, zijn echter

met een dicht, wit, fijn haarkleed bedekt, dat hen bij 't zwemmen en,

nog meer bij 't duiken hindert, maar dat spoedig door het uit glad

neerliggende, stijve haren bestaande jeugdkleed vervangen wordt. Tot

aan dit tijdstip blijven de wijfjes bij de jongen op het land.

In den Hamburger dierentuin werd den 30en Juni, vroeg in den morgen,

een voldragen jong geboren; de oppasser, dien ik met de verzorging van

den Zeehond belast had, zag 's morgens bij zijn komst het jong reeds

naast de moeder in 't water spelen. Op het land vond ik het geheele

embryonale haarkleed van het pasgeboren dier, een niet onbelangrijke

hoop van zijdeachtig zachte, korte, maar golvende haren, die alle op

een plek van geringen omvang bijeen lagen. Het jong had geen spoor

van het wolhaar meer aan zich; zijn kleur geleek volkomen op die

van de moeder; de verschillende kleuren waren echter frisscher en

glanziger. De oogen keken helder en vroolijk de wereld in. Zelfs de

bewegingen van den jongen wereldburger waren reeds geheel die van

zijne ouders: in het water evenzoo uitmuntend door vlugheid, op het

land even onbehendig. Naar het scheen, had hij zich reeds in de eerste

uren van zijn leven alle begaafdheden van zijn geslacht eigen gemaakt,

zwom op den buik zoowel als op den rug, dook zonder moeite en langen

tijd achtereen, gedroeg zich in een woord als een volwassene. Het

was echter ook als een bijzonder goed ontwikkeld en merkwaardig

groot dier ter wereld gekomen. Het gelukte ons, den kleinen klant,

die reeds in staat was zich te verdedigen, nog op zijn geboortedag

te wegen en te meten: zijn gewicht bedroeg 8.75 KG., zijn lengte 85 cM.

De beide dieren leverden een zeer interessant schouwspel op. De moeder

was blijkbaar zeer in haar schik met haar spruit, en betoonde het in

alle opzichten de grootste genegenheid, terwijl het jong, vroegtijdig

wijs, zijn moeder scheen te begrijpen. Reeds in de eerste dagen

speelden zij met elkander, eerst in het water, later ook op het land.

Voor de bewoners van het hooge noorden zijn de Zeehonden de

belangrijkste van alle dieren. Zonder de Robben zou de Groenlander

niet kunnen leven; van elk deel van hun lichaam trekt hij partij. Maar

ook wij, Europeanen, stellen het gladde, fraaie, waterdichte, vel op

hoogen prijs, en maken gebruik van de traan, ja zelfs van het vleesch

dezer dieren. Het is dan ook geen wonder, dat de Zeehonden in nagenoeg

alle zeeën zoo ijverig mogelijk vervolgd worden. De wijzen van jacht

en de vangst zijn meestal gelijk; het schietgeweer wordt hierbij zelden

gebruikt, in volle zee in 't geheel niet, omdat de gedoode Zeehond als

lood naar de diepte zinkt. Anders is het op sommige lievelingsplaatsen

van deze dieren op het strand. Aan de oostkust van het eiland

Rugen bevindt zich, naar _Schilling_ verhaalt, op een afstand van

verscheidene honderden schreden van de uiterste spits van het hooge

voorland een hoop rotsblokken, die bij gewonen waterstand meer dan 1

M. boven den waterspiegel uitsteekt. Op dezen klip liggen dikwijls

40 à 50 Zeehonden; zij zijn echter schrander genoeg om een boot

niet in hunne nabijheid te laten komen. Dikwijls gelukt het echter,

volgens _Schilling_, van uit de zee op de Zeehonden te schieten, als

men in een kleine boot, met halven wind, zonder gedruisch te maken

koers zet naar de dieren, die op de rotsen slapen. Bij aanhoudend

vriezend weer levert ook de jacht op het ijs soms goede uitkomsten op;

nimmer echter is zij veilig en soms zelfs zeer gevaarlijk. Wanneer

in de Oostzee ook de plaatsen waar strooming is, toegevroren zijn,

houden de Zeehonden hier kunstmatig gaten in 't ijs open, om met de

buitenlucht in gemeenschap te blijven en op het ijs te kunnen kruipen,

als zij slapen gaan. Iedere Zeehond maakt gewoonlijk zulk een opening,

soms ook verscheidene voor zijn uitsluitend gebruik. Naar deze bijten

sluipt men 's nachts op vilten schoenen, om het gedruisch van de

schreden te dempen; men moet echter zorgvuldig letten op weer en wind,

en steeds op zijn hoede zijn.

Aan de oostkust van Zweden heeft dit jachtbedrijf regelmatiger en

veelvuldiger plaats; gewoonlijk wordt hierbij de harpoen, zeldzamer

de buks gebruikt. Enkele Zweedsche zeejagers richten Honden af, die

op het ijs de Robben opsporen en zoo lang bezig houden, tot hunne

meesters er bij gekomen zijn. Op de Faröer jaagt men hoofdzakelijk

gedurende den tijd, waarin de Zeehonden zich met hunne jongen op het

land ophouden. Men noemt de plaatsen, waar de dieren hunne jongen

werpen, de "Later", en daarnaar de maanden, die voor de jacht geschikt

zijn de "Latertijd".

De Groenlanders verstaan misschien beter dan eenig ander volk de

kunst om Zeehonden te jagen; zeer zeker weten zij de lichaamsdeelen

van deze dieren op de meest verschillende wijzen te gebruiken. "De

Groenlanders," zegt _Fabricius_, "hebben er uitnemend slag

van, de roeiriemen zoo te bewegen, dat zij nagenoeg geen geluid

veroorzaken. Wanneer zij een Zeehond boven water zien komen, letten zij

nauwkeurig op zijne houding en bewegingen, om hieruit af te leiden, hoe

zij hem moeten aanvallen. Wanneer het dier geen kwaad ducht, trachten

zij het zooveel mogelijk te naderen om met juistheid den harpoen

te kunnen werpen. Gedurende het roeien moet zoomin de beweging van

de riemen als het vooruitschieten van de boot gedruisch veroorzaken,

zoodat de Zeehond niet in zijn rust gestoord wordt. Hiervoor zijn niet

weinig geoefendheid en behendigheid noodig; de jager bereikt zijn doel

deels door lange en diepe riemslagen, deels door de boot met zijn eigen

lichaam voort te bewegen; velen zijn hierin zoo ervaren, dat zij de

boot naast den Zeehond brengen, zonder dat deze het bemerkt. Is hij

daarentegen voorzichtig genoeg om nu en dan om te kijken, dan is de

jacht moeielijker, maar daarom toch niet hopeloos; het oogenblik waarin

hij onderduikt, moet worden afgewacht, om de boot snel vooruit te doen

schieten, den Zeehond achterna. Wanneer deze den kop boven 't water

steekt, moet de jager zoo stil mogelijk zijn, en zich vooroverbuigen of

achterover gaan liggen, om te maken, dat de boot voor een levenloos in

't water drijvend voorwerp aangezien wordt. Als de Zeehond in 't water

plast en gedurende dit spel, waarbij hij dikwijls zorgeloozer is dan

gewoonlijk, den jager aankijkt, dan fluit deze met den mond om hem nog

argeloozer te maken. Indien hij toch onderduikt, voordat men hem op

den afstand van een harpoenworp genaderd is, zoo let men er goed op,

in welke richting hij zich beweegt, verandert een weinig van plaats,

en kijkt voortdurend uit naar het punt, waar hij weer boven komt, en

zoo voort. Als men dan eindelijk op den rechten afstand gekomen is,

werpt men den harpoen naar hem, en de lijn volgt na. Daar de harpoen

weerhaken heeft, blijkt het dadelijk, of de Zeehond getroffen is of

niet, want deze kan in 't eerstgenoemde geval niet gemakkelijk weg

komen, maar zal het touw meer en meer afwikkelen. Dan is er geen

tijd te verliezen; de jager moet oogenblikkelijk de blaas die aan

het einde van de lijn bevestigd is over boord werpen, daar de boot

anders, als de lijn afgeloopen was, door den Zeehond met geweld zou

worden aangetrokken en licht zou kunnen omslaan. In zulk een geval

schiet de Groenlander er dikwijls het leven bij in; als de Zeehond

hem medesleept, en er geen andere jager in de nabijheid is, die hem

te hulp kan komen, is er voor hem geen redding mogelijk. Wanneer

hij echter de blaas overboord heeft kunnen werpen, is het grootste

gevaar voorbij. Het komt echter soms voor, dat de gewonde Zeehond moed

genoeg heeft om het dunne van huiden gemaakte bootje aan te vallen

en er een gat in te bijten; de jager geraakt hierdoor in gevaar van

te zinken. Men kan deze wijze van jagen daarom, in vele opzichten

gevaarlijk noemen; vele Groenlanders wagen zich er niet aan.

"Indien nu de getroffen Zeehond de blaas, die hij zelden onder water

kan trekken, met zich voortsleept, gaat men na, waarheen de blaas

zich begeeft, volgt haar na, en tracht den Zeehond met lansen af te

maken; de lansen hebben geen weerhaken, maar laten uit de wonde los en

drijven op het water, zoo vaak men ze naar den Zeehond werpt. Door deze

vele wonden en door het voortslepen van de groote met lucht gevulde

blaas wordt hij afgemat. Als men dan eindelijk vlak naast hem komt,

geeft men hem den laatsten, doodelijken slag met den gebalden vuist

op den neus, waardoor hij verdoofd wordt; als het noodig mocht zijn,

steekt men hem ook wel met het vangmes dood. Nu maakt men het dier

gereed om hem naar huis te kunnen sleepen. Vooreerst stopt men alle

wonden met houten proppen dicht, opdat het bloed niet verloren zal

gaan; daarna wordt lucht tusschen de huid en het vleesch geblazen,

opdat de buit des te beter zal drijven. Als men verscheidene Zeehonden

tegelijk vangt, moeten ze aan elkander bevestigd worden; een gelukkige

jager heeft er soms 4 of 5 naar huis te sleepen."

Alle Zeehonden zijn buitengewoon taai van leven; zij blijven alleen

dan op de plaats liggen, als een kogel in de hersenen doordringt, of

het hart treft. Behalve in den mensch hebben de Zeehonden een vijand

in den zeer behendigen Zwaardvisch, een Walvischachtig Zoogdier,

waarvoor alle kleine soorten van Robben in den grootsten angst

vluchten. Door het vraatzuchtige monster vervolgd, springen zij

verscheidene malen achtereen hoog boven het water uit, maken gebruik

van al hun vaardigheid in het zwemmen en duiken, trachten kleine

zeeëngten en ondiepe plaatsen te bereiken, springen op het land

en vergeten in hun doodsangst zelfs hun vrees voor den mensch. Ook

de IJsbeer vervolgt hen onophoudelijk en weet ze zeer behendig te

overmeesteren. Jonge Zeehonden hebben ook nog in de groote Roofvisschen

gevaarlijke vijanden.

De bewoners van de Poolgewesten gebruiken den geheelen Zeehond, niet

alleen de traan en het vel, zooals wij, maar bovendien het vleesch;

dit doen ook de Zweden en Noren. De darmen worden gegeten, of dienen,

nadat zij vooraf geopend, met veel moeite gereinigd en glad gemaakt

zijn, als vensters; ook worden zij voor 't maken van kleederen en

voorhangsels gebruikt. Bijzonder hoog schat men een uit dit materiaal

bijeengelapt opperkleed--de "kapisad" der Groenlanders--, omdat het

volkomen waterdicht is. Het met zeewater gemengde bloed wordt gekookt

en als soep of, nadat men het heeft laten bevriezen, als lekkernij

gebruikt; ook wordt het gekookte bloed vaak in den vorm van ballen

gebracht, die in de zon gedroogd en voor tijden van nood bewaard

worden. De ribben dienen als staven voor het uitspannen der vellen

of worden tot spijkers verwerkt, de schouderbladen gebruikt men als

spaden, uit de pezen vervaardigt men touw enz. Het vel, de traan

en het vleesch zijn echter ook voor de Groenlanders de voornaamste

producten van den Zeehond.

De Rob, wiens levensgeschiedenis de grondslag uitmaakte van het

voorafgaande algemeen overzicht, is onze Zeehond (ook wel _Rob_ en

_Zeerob_, in Zeeland _Dogge_ genoemd; de jongere exemplaren noemt

men wel eens _Zeekat_), bij de Duitschers heet hij _Seehund_, bij de

Engelschen _Seal_, bij de Franschen _Veaumarin_ (_Phoca vitulina_); in

de noordelijke zeeën is hij wijd en zijd verbreid; "langs onze geheele

kust, komt hij voor; bij de eilanden Texel, Vlieland, Terschelling,

Ameland, Schiermonnikoog, Rottum, in de Zeeuwsche stroomen, aan

den mond van de Maas is hij zeer algemeen; in de Zuiderzee, bij

Urk en Schokland dikwijls zeer talrijk, o. a. in December 1861 en

Januari 1862, toen zij in zulk een groot aantal zich daar ophielden,

dat zij onder de Haringen groote verwoestingen aanrichtten en aan

de visscherij afbreuk deden; volgens de visschers," schrijft _Van

Bemmelen_ in 1866, "is hun aantal sedert de laatste jaren toegenomen,

nadat (in Jan. 1857) het betalen van premiën voor elken gedooden

Zeehond heeft opgehouden. Tegenwoordig schijnt nog alleen stelselmatig

jacht op hem gemaakt te worden op Rottum en op de kust van Schouwen,

vooral te Bruinisse."

De lengte van het volwassen dier, van den snuit tot aan de spits van

den staart gemeten, wisselt af tusschen 1.6 en 1.9 M.; gewoonlijk

zijn de wijfjes merkbaar grooter dan de mannetjes. De kop is eirond

de snuit kort, het groote en donkere oog heeft een schrandere

uitdrukking, de oorschelp is alleen door een kleine, driehoekige

verhevenheid aangeduid, de met stijve snorharen bedekte bovenlip is

dik, maar zeer beweeglijk, de hals kort en dik, het lichaam van de

schouderstreek af tot aan den staart bijna gelijkmatig versmald. Het

haarkleed bestaat uit stijf en en glanzig bovenhaar; over 't algemeen

is het geelachtig grijs van kleur; de teekening wordt gevormd door

onregelmatige, maar over de geheele bovenzijde verdeelde vlekken,

welker kleur van bruinachtig tot zwart afwisselt.

De Zeehond is verbreid over alle noordelijke deelen van den

Atlantischen Oceaan en de geheele IJszee. Te beginnen bij de

Middellandsche Zee, waarin hij soms door den Straat van Gibraltar

binnendringt, bewoont hij alle Atlantische kusten van Europa, hieronder

begrepen de Oostzee; in den Botnischen en Finschen zeeboezem is

hij nagenoeg even talrijk als in de Sond met de Groote en de Kleine

Belt; ook komt hij voor in de Witte Zee; volgens sommige berichten

zelfs aan de kust van Noord-Siberië, en van de Beringstraat af tot

aan Californië; stellig heeft men hem waargenomen op Spitsbergen,

aan de beide kusten van Groenland, in de Davis-straat, de Baffins-

en Hudsons-baaien; langs de Noord-Amerikaansche kust begeeft hij zich

dikwijls tamelijk ver zuidwaarts; hij is volstrekt niet zeldzaam in de

Golf van Mexico; in enkele gevallen bezoekt hij zelfs de noordkust van

Zuid-Amerika. Uit zee dringt hij niet zelden zeer ver in de rivieren

door, en wordt dan dikwijls op grooten afstand van de kust gevonden,

soms zelfs in de steden; zoo b.v. twee malen in Leiden, waar men hem

dagen achtereen heeft zien zwemmen.

De _Gewone Zeehond_ is trouwens niet de eenige aan onze kusten

voorkomende soort van Robben. Vermoedelijk treft men hier ook aan den

_Kleinen Zeehond_ (_Phoca foetida_) en misschien ook den _Klapmuts_

(_Cystophora cristata_, p. 245), wiens eigenlijk woongebied meer

noordelijk gelegen is. Behalve deze vindt men op de Duitsche kusten

ook nog vrij geregeld den _Grijzen Zeehond_ (_Halichoerus grypus_) en

zeldzaam den _Zeemonnik_ of _Monniksrob_ (_Stenorhynchus albiventer_),

die vooral in de Middellandsche zee aangetroffen wordt.

Een aan onzen Gewonen Zeehond verwante vorm, de _Kaspische Zeehond_

(_Phoca caspica_), leeft, zooals reeds uit zijn naam blijkt, afgesloten

van de gemeenschap met den Oceaan, in de Kaspische zee.

De _Zadelrob_, de "_Zwartzijde_" van de Denen en Noren (_Phoca

groenlandica_), verschilt van den Zeehond door den langeren en

platteren kop, het platter voorhoofd en den langwerpiger snuit,

alsmede door den bouw der hand. Bij het oude mannetje is de grondkleur

van de bovendeelen runkleurig grijs, soms lichter, soms donkerder,

terwijl de borst en de buik een verbleekte, roestkleurig getinte,

zilvergrijze kleur vertoonen; scherp steken hierbij af het voorste deel

van 't aangezicht (voorhoofd, wangen en snuit), welks kleur van donker

chocolade-bruin tot zwartachtig bruin afwisselt, en de langwerpige

hoefijzer- of liervormige rugteekening, die meer of minder duidelijk

begrensd en donkerder of lichter van kleur kan zijn. Bij enkele

exemplaren is het "zadel" bandvormig smal, bij andere aanmerkelijk

verbreed. Het wijfje verschilt, behalve door de geringere grootte,

ook door de kleur zoozeer van het mannetje, dat men het voor een

afzonderlijke soort gehouden en onder een anderen naam beschreven

heeft. Het sneeuwwitte haarkleed van de jonge Zadelrobben, wordt na

verloop van verscheidene jaren, door de wijzigingen, die bij iedere

haarwisseling optreden, aan dat van de ouders gelijk.

Het verbreidingsgebied van den Zadelrob is beperkt tot de hoogste

breedtegraden van het noorden, maar strekt zich misschien door de

Beringstraat tot in het noordelijkste gedeelte van den Stillen Oceaan

uit. Enkele exemplaren zijn op verschillende tijdstippen aan de kusten

van Lapland en Noorwegen, en zelfs in de Noordzee waargenomen.

Als vertegenwoordiger van de _Blaasrobben_ (_Cystophora_) beschrijven

wij het dier, dat bij den Robbenslager onder den naam van _Klapmuts_

(_Cystophora cristata_) bekend is. Het is een van de grootste Robben

van de IJszee. Vooral is hij kenbaar aan een blaasvormige uitbreiding

van de huid, die, bij het puntje van den neus beginnend, zich over

de geheele bovenzijde van den snuit en het grootste deel van de

bovenzijde van den kop uitstrekt. Deze blaas kan naar verkiezing met

lucht gevuld en geledigd worden; gevuld, heeft zij een lengte van 25

en een hoogte van 20 cM., en ziet er uit als een muts, die naar het

voorste deel van den kop is afgezakt; geledigd, is zij te vergelijken

met een overlangschen richel, die den neus in twee gelijke deelen

verdeelt. De kop is groot, de snuit dik en stomp, de romp is over

't geheel genomen als die van de andere Robben gebouwd. Het haarkleed

is bij de jonge dieren anders dan bij de volwassene, bij mannetjes en

wijfjes gelijk; het bestaat uit lang bovenhaar en dicht wolhaar; in den

regel is het aan de bovendeelen donker nootbruin of zwart van kleur en

met groote of kleine, ronde vlekken van nog donkerder kleur geteekend;

de onderdeelen zijn echter donkergrijs of roestkleurig zilvergrijs en

ongevlekt. De volwassen mannetjes bereiken een lengte van 2.3 à 2.5

M.; de wijfjes missen de blaas op den kop en zijn aanmerkelijk kleiner.

In vergelijking met de overige Zeehonden van de Noordelijke IJszee

bewoont de Klapmuts, naar het schijnt, een niet zeer uitgestrekt

gebied; nergens komt hij in groote getale voor. Naar _Fabricius_

bericht, is hij het veelvuldigst in de nabijheid van Groenland en

Newfoundland, zeldzamer aan de westkust van IJsland; aan verder

zuidwaarts gelegen kusten komt hij slechts enkele malen voor en is

dan waarschijnlijk verdwaald.

Volgens het overeenstemmend getuigenis van verschillende berichtgevers,

is deze soort een van de moedigste en strijdlustigste van alle

Zeehonden; de jacht op dit dier is daarom niet zelden gevaarlijk. Wel

maakt het, als het op het ijs ligt uit te rusten, den indruk van

onverschillig te zijn voor al wat er in de nabijheid gebeurt; het

staart dan met zijne groote, zwarte oogen tamelijk flauw in de verte;

ongetergd valt het trouwens andere wezens niet aan; het wordt echter

licht zeer opgewonden en is dan geneigd om een hevigen tegenstand

te bieden.

De _Zee-olifant_ (_Macrorhinus leoninus_) komt over 't geheel genomen

in vorm met de overige Robben overeen, maar overtreft hen alle door

zijn grootte; aan de Californische kust heeft men er gevonden, die

6.7 M. lang waren, de meeste zijn echter niet meer dan 5 M. lang. Dit

geldt alleen van de mannetjes, die ongeveer dubbel zoo lang zijn

als de wijfjes, en bovendien ruim driemaal zoo zwaar; het gewicht

van oude mannetjes wordt op niet minder dan 3000 KG. geschat. De

kop is groot, breed en eenigszins verlengd, de snuit is middelmatig

lang, tamelijk breed, naar voren eenigszins versmald en bijna recht

afgeknot, de bovenlip is met stevige donkerbruine snorborstels bezet,

die een lengte van 15 cM. kunnen bereiken; het oog is tamelijk groot,

rond, bolvormig uitpuilend; het oor is buitengewoon klein, men ziet er

eigenlijk niets anders van dan een rondachtig gat, dat niet eens door

een huidzoom omgeven is; de neus eindelijk verschilt aanmerkelijk bij

het mannetje en het wijfje. Dit lichaamsdeel, dat zulk een grooten

invloed heeft op de uitdrukking van het gelaat, is bij het wijfje

van gewonen vorm, maar verlengt zich bij het mannetje tot een slurf,

die aan den mondhoek begint en, van hier gemeten, ongeveer 40 cM. ver

vooruitsteekt; als het dier opgewonden is, kan het zijn slurf ongeveer

tweemaal zoo lang maken. De kleur van het haarkleed is niet alleen

verschillend naar den ouderdom en het geslacht, maar hangt ook af

van den tijd van 't jaar. Onmiddellijk na de haarverwisseling is de

voornaamste kleur van de huid blauwachtig grijs, later gaat deze in

lichtbruin over.

Het verbreidingsgebied van den Zee-olifant omvat de zuidelijke

gedeelten van de wereldzeeën en strekt zich thans nog tot den 50en

graad Z.B. en misschien tot voorbij den zuidelijken poolcirkel

uit. Vroeger kwam hij aan de zuidspits van Amerika en bij de

daaronder gelegen eilanden voor, ook bij het eiland van Robinson,

Juan Fernandez, en aan de zuidelijke gedeelten van de Chileensche

kust, zoo ook bij Nieuw-Zeeland, Tasmanië en vele andere eilanden,

die op deze breedten gelegen zijn; op de meeste van deze plaatsen is

hij echter reeds geheel of bijna geheel uitgeroeid.

Door zijn levenswijze herinnert de Zee-olifant aan de Zee-leeuwen

en Zee-beren. Ook hij onderneemt ieder jaar reizen in het zuidelijk

deel van zijn verbreidingsgebied; zieke en zwakke exemplaren moeten

achterblijven, de gezonde reizen gezamenlijk. In Patagonië komen zij

bij groote troepen in September en October aan, dikwijls reeds in

Juni, en vertrekken tegen het einde van December weder om nog verder

zuidwaarts te trekken. Zoo lang zij zich aan land bevinden, geven zij

de voorkeur aan zand- en grindgrond, maar houden zich ook wel in zoet

water op. Uit den grooten hoop scheiden zich familiën af van 2 tot 5

leden; deze treft men steeds dicht tegen elkander aangedrongen in het

slijk of in de biezen slapend aan. Bij hoogen warmtegraad verkoelen

zij zich, door in het vochtige zand te gaan liggen; met de voorste

ledematen werpen zij dit zand ook op de bovendeelen van hun lichaam,

dikwijls zou men ze eerder voor hoopen zand dan voor levende dieren

houden; ook in dit opzicht herinneren zij dus aan de Dikhuidigen.

Hunne bewegingen op het land zijn zeer onbeholpen en vermoeien hen

zeer. Als zij zeer vet zijn, slingert de romp bij iedere schoksgewijze

beweging als een met gelei gevulde groote blaas heen en weer. Zoodra

zij een korten weg hebben afgelegd, zijn zij vermoeid en moeten

rusten; toch schuiven zij in Californië bij de 5 à 10 M. hooge

duinen op, en bereiken zelfs langs een zeer ongelijken weg plaatsen,

die 20 M. boven den zeespiegel gelegen zijn. In het water maken zij

veel beter figuur. Zij kunnen uitmuntend zwemmen en duiken, maken

plotselinge wendingen, gaan rustig op de golven liggen om te slapen,

laten zich drijven en maken ijverig en behendig jacht op de dieren, die

hun tot voedsel dienen, vooral Koppootige Weekdieren en Visschen. Ook

zij zwelgen wieren en steenen door. Zoo vond _Forster_ in de maag

van een Zee-olifant twaalf ronde steenen, ieder ter grootte van twee

vuisten, die zoo zwaar waren, dat hij zich niet kon voorstellen, hoe

de wanden van de maag aan zulk een groote drukking weerstand hadden

kunnen bieden.

Naar men meent, zijn de zintuigelijke vermogens dezer dieren weinig

ontwikkeld. Zij zijn traag en stompzinnig en laten zich niet licht

in hun rust storen. Zij worden zachtaardig en verdraagzaam genoemd,

omdat men ze nooit ongetergd andere dieren of menschen heeft zien

aanvallen. Kleine Robben, die tot een ander geslacht behooren,

en menschen, die een bad nemen, kunnen veilig in hun nabijheid

zwemmen. _Pernetty_ verhaalt, dat zijne matrozen wel op deze dieren

gereden hebben, als op Paarden, en ze, als zij te langzaam gingen,

door messteken tot een vluggere beweging aanspoorden. "De mannetjes",

zegt _K. von Steinen_, "staarden ons gewoonlijk met opengesperden muil

aan, maar gingen niet van hun plaats. Terwijl zij ons zoo vol stomme

verbazing aankeken, vertoonde zich op hun gelaat een wonderbaarlijk

komisch gebarenspel. Zij gaven hun ontevredenheid lucht door de

dikke neusopzwellingen op en neer te fronzen; zelfs de zwartgalligste

hypochonder zou een pijnlijk lachje niet hebben kunnen onderdrukken

bij het zien van de grimassen dezer met snorren versierde physionomiën;

vooral die van een kromneuzigen ouden heer maakten veel indruk."

Tien maanden na de paring, gewoonlijk in Juli of Augustus, in Patagonië

in 't begin van November, omstreeks één maand na hunne aankomst op de

eilanden, worden de jongen geworpen. Deze zijn bij de geboorte reeds

1.3. à 1.5 M. lang en 40 KG. zwaar; zij worden ongeveer 8 weken lang

door de moeder gezoogd en zorgvuldig opgepast. In de zevende of achtste

week van hun leven, komen zij voor 't eerst onder de leiding van de

moeder in de zee. De geheele troep verwijdert zich langzaam van den

oever en roeit dagelijks verder in zee op. De jongen volgen de ouden

op al deze tochten, maar moeten reeds na verloop van weinige maanden

geheel voor zichzelf zorgen. In het derde levensjaar ontwikkelt zich

bij het mannetje de slurf.

De mensch vervolgt de Zee-olifanten overal waar hij ze vindt. Vroeger

waren deze Robben op hunne eenzame eilanden voor alle vijanden

beveiligd. Ongeveer sedert den aanvang van deze eeuw vervolgt de

Europeesche robbenslager hen overal en neemt hun aantal snel af. Op

onmeedoogende wijze worden deze weerlooze schepsels uitgeroeid.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 05: Robben; Hoofdstuk 06: Insecteneters · 第 1 / 7 段