Toen begon een vreemde ziekte in het „Rijk der Harmonischen” te
heerschen. Het geheugen, het vermogen van den mensch om gebeurtenissen
uit het verleden te bewaren, scheidde zich van het vermogen om die
gebeurtenissen met oordeel des onderscheids te rangschikken en aan
nieuwe gebeurtenissen te toetsen. Deze ziekte kwam over alle bewoners
te gelijk op dezelfde manier. Men was alleen nog in staat, dat te doen
wat men intuïtief kon volbrengen. Zoo kon men niet verder en in geen
andere richting loopen, dan vader en moeder hadden geloopen. Men kon
geen andere bewegingen meer maken, dan vader en moeder hadden verricht.
Men verloor het gevoel der persoonlijkheid en men moest het woord „ik”
gaan vervangen door „wij”, omdat men het besef van het begrip „ik” niet
meer had. Alle enkelvoudsvormen verdwenen uit de taal en men sprak nog
alleen in meervoudsvorm. Daarna volgde de onmogelijkheid om alleen iets
te doen of te ondernemen—zelfs niet te eten of te drinken. Als ze op ’t
land werkten, hielden allen op een zeker oogenblik tegelijk op en
gingen gezamenlijk drinken, hielden tegelijk weder met drinken op en
werkten weder gelijkelijk. Men trouwde zonder liefde, zonder
genegenheid, zonder voorkeur. Daartoe geleken allen te veel op elkaar,
innerlijk en uiterlijk. De kinderen der gezinnen konden verwisseld
worden, zonder dat de moeders het merkten. Men werd steeds spaarzamer
met woorden, daar ieder al te voren van den ander wist, wat hij zou
zeggen of opmerken, zooals dat voor 1950 wel eens bij de leden van zeer
oude huwelijksparen het geval was geweest, die in harmonie leefden en
niet door kijfpartijen elkaars vitaliteit opwekten!
Daar de vrouwen allen gelijkelijk tot de uiterste vrouwelijkheid waren
ontwikkeld, ontbrak tusschen de vrouwen onderling de persoonlijkheid
ontwikkelende wedijver, zoodat alle meisjes en vrouwen van dezelfde
onderworpen, passieve, weeke zachtaardigheid waren geworden en den man
geen prikkel tot verovering gaven noch de voldoening eener overwinning
schonken. Daar de mannen allen gelijkelijk tot de uiterste
mannelijkheid waren ontwikkeld, was er geen wederzijdsche, slechts
gemeenschappelijke oefening van geest en lichaam mogelijk geworden. En
wijl de vrouw geen belooning was voor uitnemendheid of ongewone
krachtsinspanning, bleven de mannen allen gelijkmatig en phlegmatiek.
Omdat alle persoonlijkheid was gaan ontbreken, ontbraken ook alle daden
uit de persoonlijkheid voortkomend. Niemand zondigde persoonlijk, maar
niemand deed ook persoonlijk iets goeds. Men had slechts communeele
deugden. Thans bleek waarom, wat vroeger onverklaarbaar was geweest,
aan Satan op aarde zooveel macht was gegeven. Alleen door een
persoonlijken strijd tegen Satan, kon zich de mensch immers van uit de
vele geroepenen tot een der weinige uitverkorenen opwerken. Zonder
persoonlijke zonde en de persoonlijke bestrijding daarvan, geen
persoonlijke deugd. Hooger leven kan zich slechts ontwikkelen door
persoonlijk de verzoeking te weerstaan en alleen in de worsteling met
Satan, kan de hoogere mensch geboren worden, de individueele mensch,
die de zwakken met zijn kracht dan kan steunen en voorthelpen, zelfs
zoo die zwakken zich in wanbegrip communeel tegen hem vereenigen. De
held, de kruisdrager voor de zwakheid en zonde der anderen, de
Verlosser en daardoor de Zaligmaker, het offer, het lam Gods, bleek
noodzakelijk voor het voortbestaan en zich verheffen van den
individueelen mensch.
De menschen werden in het Harmonische Rijk allen telepathen, daar de
communeele ziel de lichamelijke scheidingen, had overbrugd.
Toen kwamen er geslachten, die slechts eensylbige woorden gingen
spreken. Daarna geslachten, die slechts weinige klanken uitten. Ten
laatste geslachten, die evenals de boomen en de planten, geluidloos
leefden en doofstom werden. Men begreep elkaar voldoende door het
aanvoelen en den blik der groote, open, klare, eenvoudige, argelooze,
maar verwezen oogen. Het besef van den dood ging verdwijnen. Men stierf
zooals men ademhaalde, mechanisch, zonder vrees of verlangen. Niet
anders dan zooals een mier sterft in een mierenhoop.
Als gezinnen uitstierven, bleven de huizen onbewoond, want de jongeren
trokken volgens de verstarde traditie, altijd verder en bouwden nieuwe
woningen, ontgonnen nieuw land, legden nieuwe boomgaarden aan, die
precies op de vorige geleken.
En de leege huizen namen steeds in aantal toe, werden eerst aan de
uiterste grenzen, toen telkens meer binnenwaarts, in beslag genomen
door de ratten, de ratten, die de voorraden opvraten, zich
vermeerderden, ongedierte en ziekten medebrachten.
De Harmonischen wisten geen middel om ze te verdrijven. Ze trokken er
zelfs niet voor terug. Want zij hadden vergeten, hoe het sluipgas moest
gebruikt worden, zooals zij alles vergeten hadden, wat niet door hun
voorvaderen was onthouden.
En steeds meer trokken de nieuwe geslachten verder oostwaarts, het
westen aan de zich altijd meer vermeerderende ratten overlatend, die
grooter werden van stuk, gevaarlijker, driester....
Altijd maar meer ratten, groote, griezelige ratten, die opkropen tegen
de teenen, langs het lichaam, met kleine, snelle treedjes der roze,
genagelde pootjes en dan met snuffelende neusjes tot de keel kwamen, de
bekken met de fijne tandjes openden, zich in de keel der menschen
vastbeten en dan bloed begonnen te zuigen, zoet menschenbloed, dat een
vreemde geur had van vruchten, specerijen, en narcotica....