XXIV.

Toen begon een vreemde ziekte in het „Rijk der Harmonischen” te

heerschen. Het geheugen, het vermogen van den mensch om gebeurtenissen

uit het verleden te bewaren, scheidde zich van het vermogen om die

gebeurtenissen met oordeel des onderscheids te rangschikken en aan

nieuwe gebeurtenissen te toetsen. Deze ziekte kwam over alle bewoners

te gelijk op dezelfde manier. Men was alleen nog in staat, dat te doen

wat men intuïtief kon volbrengen. Zoo kon men niet verder en in geen

andere richting loopen, dan vader en moeder hadden geloopen. Men kon

geen andere bewegingen meer maken, dan vader en moeder hadden verricht.

Men verloor het gevoel der persoonlijkheid en men moest het woord „ik”

gaan vervangen door „wij”, omdat men het besef van het begrip „ik” niet

meer had. Alle enkelvoudsvormen verdwenen uit de taal en men sprak nog

alleen in meervoudsvorm. Daarna volgde de onmogelijkheid om alleen iets

te doen of te ondernemen—zelfs niet te eten of te drinken. Als ze op ’t

land werkten, hielden allen op een zeker oogenblik tegelijk op en

gingen gezamenlijk drinken, hielden tegelijk weder met drinken op en

werkten weder gelijkelijk. Men trouwde zonder liefde, zonder

genegenheid, zonder voorkeur. Daartoe geleken allen te veel op elkaar,

innerlijk en uiterlijk. De kinderen der gezinnen konden verwisseld

worden, zonder dat de moeders het merkten. Men werd steeds spaarzamer

met woorden, daar ieder al te voren van den ander wist, wat hij zou

zeggen of opmerken, zooals dat voor 1950 wel eens bij de leden van zeer

oude huwelijksparen het geval was geweest, die in harmonie leefden en

niet door kijfpartijen elkaars vitaliteit opwekten!

Daar de vrouwen allen gelijkelijk tot de uiterste vrouwelijkheid waren

ontwikkeld, ontbrak tusschen de vrouwen onderling de persoonlijkheid

ontwikkelende wedijver, zoodat alle meisjes en vrouwen van dezelfde

onderworpen, passieve, weeke zachtaardigheid waren geworden en den man

geen prikkel tot verovering gaven noch de voldoening eener overwinning

schonken. Daar de mannen allen gelijkelijk tot de uiterste

mannelijkheid waren ontwikkeld, was er geen wederzijdsche, slechts

gemeenschappelijke oefening van geest en lichaam mogelijk geworden. En

wijl de vrouw geen belooning was voor uitnemendheid of ongewone

krachtsinspanning, bleven de mannen allen gelijkmatig en phlegmatiek.

Omdat alle persoonlijkheid was gaan ontbreken, ontbraken ook alle daden

uit de persoonlijkheid voortkomend. Niemand zondigde persoonlijk, maar

niemand deed ook persoonlijk iets goeds. Men had slechts communeele

deugden. Thans bleek waarom, wat vroeger onverklaarbaar was geweest,

aan Satan op aarde zooveel macht was gegeven. Alleen door een

persoonlijken strijd tegen Satan, kon zich de mensch immers van uit de

vele geroepenen tot een der weinige uitverkorenen opwerken. Zonder

persoonlijke zonde en de persoonlijke bestrijding daarvan, geen

persoonlijke deugd. Hooger leven kan zich slechts ontwikkelen door

persoonlijk de verzoeking te weerstaan en alleen in de worsteling met

Satan, kan de hoogere mensch geboren worden, de individueele mensch,

die de zwakken met zijn kracht dan kan steunen en voorthelpen, zelfs

zoo die zwakken zich in wanbegrip communeel tegen hem vereenigen. De

held, de kruisdrager voor de zwakheid en zonde der anderen, de

Verlosser en daardoor de Zaligmaker, het offer, het lam Gods, bleek

noodzakelijk voor het voortbestaan en zich verheffen van den

individueelen mensch.

De menschen werden in het Harmonische Rijk allen telepathen, daar de

communeele ziel de lichamelijke scheidingen, had overbrugd.

Toen kwamen er geslachten, die slechts eensylbige woorden gingen

spreken. Daarna geslachten, die slechts weinige klanken uitten. Ten

laatste geslachten, die evenals de boomen en de planten, geluidloos

leefden en doofstom werden. Men begreep elkaar voldoende door het

aanvoelen en den blik der groote, open, klare, eenvoudige, argelooze,

maar verwezen oogen. Het besef van den dood ging verdwijnen. Men stierf

zooals men ademhaalde, mechanisch, zonder vrees of verlangen. Niet

anders dan zooals een mier sterft in een mierenhoop.

Als gezinnen uitstierven, bleven de huizen onbewoond, want de jongeren

trokken volgens de verstarde traditie, altijd verder en bouwden nieuwe

woningen, ontgonnen nieuw land, legden nieuwe boomgaarden aan, die

precies op de vorige geleken.

En de leege huizen namen steeds in aantal toe, werden eerst aan de

uiterste grenzen, toen telkens meer binnenwaarts, in beslag genomen

door de ratten, de ratten, die de voorraden opvraten, zich

vermeerderden, ongedierte en ziekten medebrachten.

De Harmonischen wisten geen middel om ze te verdrijven. Ze trokken er

zelfs niet voor terug. Want zij hadden vergeten, hoe het sluipgas moest

gebruikt worden, zooals zij alles vergeten hadden, wat niet door hun

voorvaderen was onthouden.

En steeds meer trokken de nieuwe geslachten verder oostwaarts, het

westen aan de zich altijd meer vermeerderende ratten overlatend, die

grooter werden van stuk, gevaarlijker, driester....

Altijd maar meer ratten, groote, griezelige ratten, die opkropen tegen

de teenen, langs het lichaam, met kleine, snelle treedjes der roze,

genagelde pootjes en dan met snuffelende neusjes tot de keel kwamen, de

bekken met de fijne tandjes openden, zich in de keel der menschen

vastbeten en dan bloed begonnen te zuigen, zoet menschenbloed, dat een

vreemde geur had van vruchten, specerijen, en narcotica....

Nieuw Utopia · 第 29 / 30 题