„Zooals gij ze nu hier ziet, Horatio, zijn zij op het toppunt van hun
bloei.”
„Dus zij ook zullen ondergaan, ondanks hun hoogen trap van psychische
ontwikkeling en gemoedsbeschaving?”
„Ook zij zullen over het toppunt heen komen en ondergaan. Ik zal u naar
een verder tijdperk van de toekomstige ontwikkeling der menschheid op
aarde voeren. Kom mede, mijn vriend en volg mij.”
Het was prof. Leyden of hij thans de wereld in een verschiet van
geelgroen licht zag. Maar overigens vond hij niet veel verschil in de
landstreek.
„Dit zijn nog altijd de Harmonischen, niet waar Eumenia? Ten minste, ik
zie nog dezelfde groote huizen, dezelfde boomgaarden, hoewel nu in den
herfst en zwaar met vruchten beladen. Dezelfde moestuinen, siertuinen,
windmolens, gecultiveerde landen, schaapskudden en bosschen. Is het de
herfst, welke de sfeer zoo geel maakt?”
„Het is herfst nu mijn vriend. Maar deze herfst is honderden jaren na
de lente, welke gij te voren zaagt. De seconden-tikslag van uw aardsch
horloge klopt anders dan die van de jaren en de eeuwen. Toch is het u
maar een verschil van tijdsgevoel.
„Gij vraagt of het nog de Harmonischen zijn. Inderdaad, in naam zijn ze
het nog en zij meenen zelve ook nog, dat zij het zijn. Maar in waarheid
vormen zij slechts de versteende traditie van instellingen, die eens
levende en bloeiende waren. Uiterlijk is alles nog zoo als in den tijd
van den grooten bloei van het Harmonische Rijk. Innerlijk is de ziel
verdord.”
„Is in hen dan de Christus Idée niet levend gebleven en heeft zij zich
ook in hen niet verder ontwikkeld?”
„Mijn lieve vriend, ik kan u daarop niet veel antwoorden. Want ook ik
ben nog wordende en niet gaarne zou ik mijn eigen ontwikkeling
vertragen, door van meer te willen getuigen dan ik kan en mag. Maar wat
ik weet, zal ik u mededeelen. De eerste teekenen van den ondergang der
Harmonischen vertoonden zich als een ongewone voorspoedigheid. De
zorgvuldige opvoeding en opleiding door het voorgeslacht van het
nageslacht had ten gevolge, dat dit nageslacht een zeldzame graad van
volkomenheid bereikte. De kinderen behoefden bijna niets meer te
leeren. Alles scheen hun ingeboren. Zooals eens vroeger de menschen
zich tot ware monsters van intelligentie hadden ontwikkeld, omdat
geslacht na geslacht, intelligentie als het hoogst bereikbare voor den
mensch had beschouwd, ontwikkelden de menschen zich nu tot ware
monsters, als ik het zoo zeggen mag, van intuïtie. De vaardigheid reeds
van kleine meisjes in het weven, breien en de sierkunsten, van de
jongens in het timmeren, bouwen en allen landarbeid was buitengemeen.
Vroeger waren er nog wel eens jaren van misoogst geweest, waardoor dan
’s winters geteerd werd op geconfijte, ingemaakte of gejamde voorraden.
Maar thans was het opkomende geslacht zoover in de oogstbouw, dat er
ondanks ongunstige klimaatgesteldheden, toch elk jaar rijke oogsten
werden binnengehaald. Zoo werden bijvoorbeeld, wanneer het voorjaar te
vroeg warm werd, de bloesems zich vertoonden voor den tijd, dat de
nachtvorsten niet meer gevreesd behoefden te worden, alle boomgaarden
overdekt met in, uit suiker en aardappelmeel bereide, gelatine gedoopte
tulle. Aldus werd de koude geweerd en toch het licht niet afgesloten en
voorkomen, dat dagregens of nachtdauw op de bloesems bevroren en ze zoo
voortijdig zouden doen afvallen of dooden. De vele vogels zorgden, dat
de schadelijke insecten beperkt bleven. Ten aanzien van de verzorging
van de vruchtboomen, maar ook de boomen van de bosschen, kregen de
menschen een soort intuïtief begrijpen, dat het beste vergeleken kon
worden met het begrip voor de nooden van het dier, dat voor 1950
sommige vee- en paardenfokkers bezaten. Het was alsof tusschen de
psyche van den mensch en van den boom een zekere intuïtieve
verstandhouding was gekomen. Men voelde, wat de boom vroeg, wilde,
verlangde, wat hem deerde, wat hem bedreigde, wat hem lastig of wat hem
aangenaam was.
„En deze eigenschappen waren niet individueel maar communeel. Elkeen
had ze. Ook was het merkwaardig, hoe alle kinderen op elkaar gingen
gelijken. Ze hadden allen denzelfden bouw, dezelfde kleuren van haren
en oogen, hetzelfde soort geluid, dezelfde zangstemmen, zoodat zelfs de
vaders en moeders moeite begonnen te ondervinden, hun kinderen van
andermanskinderen te onderscheiden. Toen deze elkaar gelijkende
geslachten voort bleven gaan, op dezelfde wijze te voelen, te denken,
te eten, te drinken, te spelen, te leeren, te arbeiden, te zingen, zich
te vermaken, kwam er een doodende eenvormigheid in het Harmonische
Rijk. Maar daar in ieder persoon de persoonlijkheid het eigene had
verloren, merkte men dit niet. De menschenwereld begon te gelijken op
de mierenwereld. Een groote zorg voor het nageslacht bleef den menschen
kenmerken. Arbeiden was ieders lust en leven. Maar alles geschiedde
mechanisch en zooals vroeger het intellect, de „automatica” en de
automatische menschen had geschapen, zoo schiep nu de intuïtie, een
innerlijke automatische mechaniek, welke in haar gevolgen even
noodlottig werd.
„Want de geslachten kwamen niet meer tot verdere ontwikkeling. Het
waren eindelooze herhalingen van dezelfde soort op elkaar gelijkende
menschelijke wezens, die hun levens in een droomtoestand doorleefden.
„Het geheele „Rijk der Harmonischen” was zooals eens de Oud Egyptische
rijken als de dood in de pot. En inderdaad werden mannen en vrouwen,
meisjes en jongens, zoo passief, dat het vermogen ging ontbreken zich
aan veranderde uiterlijke omstandigheden aan te passen. Men deed alles
precies zoo als de voorvaderen het gedaan hadden. De gezangen waren als
formules geworden. De gebeden werden opgezegd, mechanisch zooals de
opgezette bromtol, bromt en afloopt.”