Het eerste wat professor Leyden, toen hij de oogen opende bemerkte,
waren de zusters Maria en Martha, dezelfde brave, trouwe verpleegsters,
die samen al de vele dagen van zijn bewusteloosheid aan zijn ziekbed
bij hem hadden gewaakt en voor hem gezorgd.
Hij sloot de oogen vermoeid, opende ze na een poosje en een zachte
glimlach gleed streelend langs zijn mond, een zachte glimlach van geluk
en herkenning.
Want voor zijn bed stonden drie zijner collega’s.... zijn collega’s,
zijn echte, echte collega’s, professoren van de faculteit der medische
wetenschappen van de universiteit der stad Leiden.
„Hij heeft ons herkend en geglimlacht!” riep de oudste collega
verheugd. Het was de collega, die de apenklieren in zijn lichaam had
geplaatst.
„Hij is behouden!” zeide de tweede collega, die hem gedurende den
langen narcose toestand had geobserveerd en behandeld.
„Hij zal een „otium cum dignitate” kunnen genieten, mijn dappere,
humane en geleerde voorganger,” zeide de derde collega, die op het
denkbeeld was gekomen, de apenklieren weer uit het lichaam van zijn
collega te verwijderen, waarna de ziel van professor Leyden, het
lichaam bevrijd vindend van de levende, dierlijke psyche, weder in het
lichaam tot bewustheid was kunnen geraken, wat het terugkeeren tot het
bewustzijn, het ontwaken uit de narcose, ten gevolge had gehad. Deze
derde collega was te Amsterdam tot professor benoemd, met één stem
meerderheid, die van den edelachtbaren heer P. Utjesschepper, tot lid
van den gemeenteraad gekozen met het hoogste aantal stemmen. Thans
hoopte hij op een welverdiende promotie naar Leiden, ter vervulling van
de vacature ontstaan wegens het bereiken van den 70 jarigen leeftijd
door prof. Leyden.
Want de juridische faculteit als gewoonlijk, won haar pleit. Prof.
Leyden herstelde langzaam, maar hij herstelde. Toen men hem mededeelde,
dat hij slechts eenige dagen en nachten achtereen onder narcose was
gebleven, verwonderde hij zich eerst, maar hij had te veel in zijn
narcose-toestand vernomen omtrent de zonderlinge mogelijkheden van
veranderd tijdsbesef en tijdsbewustzijn, dan dat die verwondering lang
duurde.
Zijn eervol ontslag was vergezeld van zijn benoeming tot ridder in de
orde van den Nederlandschen Leeuw en een pensioen, waarmee zelfs een
opperman als loon zou tevreden zijn geweest en welks bedrag hij zich
eerst liet aanleunen, nadat door den Minister aan professor persoonlijk
was medegedeeld, dat ook de Rekenkamer er vrede mede had, daar men hem
als een opper-man der medische wetenschap had wenschen te beschouwen.
Nu gevoelde prof. Leyden zich gelukkig gestemd. En als alle gelukkige
menschen, het goede betrachtend naar beste weten, besloot hij mèt het
afstand doen van zijn professoraat, als medicus zijn animositeit tegen
de juridische faculteit te laten varen.
En zijn verdere levensjaren te wijden aan het eenige, dat hij meende
met een goed geweten te kunnen doen, ten einde hier op aarde als mensch
zijn menschelijke plicht te vervullen....
Te trachten, in zijn particuliere praktijk te komen tot het
jubileum-getal, de formule der formules:
200000
behandelde
patiënten
Want dit was de overtuiging, die prof. Leyden uit zijn ervaringen in
het rijk van de narcose had verkregen, dat elke menschenmaatschappij op
zichzelve volmaakt is, waarin ieder mensch persoonlijk naar beste
krachten tot zijn einde, in dienende liefde arbeidend, zijn plicht
vervult als een roeping!