Nooit hadden de Harmonischen aan de verhevenheid van Christus en Zijn
leer getwijfeld. Hoewel vele geslachten vermeden hadden over de
leerstellingen zelve met elkaar te spreken, men elkaar verstaan had
door den stillen blik alleen en in en achter dien blik wist den
levenden Jezus Christus, zonder Wien geen goeds, schoons of redelijks
ter wereld mogelijk is en in Wien de menschheid gered is en eens
verlost zal worden, kwam men nu met het oog op het heil der volgende
geslachten, er toe, te trachten uit het Nieuwe Testament den nieuwen
Christus te doen verrijzen.
Want men besefte, dat dit Nieuwe Testament, opgeschreven door menschen,
die zelf in barbaarsche tijden leefden en kinderen van hun tijd en hun
voorvaderen waren, niet voor de eeuwen onveranderd dienen kon. Zoo goed
als er heel veel omtrent Christus niet in was gezegd of uitgezegd,
volgens Joh. 21:25 luidende: „En daar zijn nog vele andere dingen, die
Jezus gedaan heeft, welke zoo ze elk bijzonder geschreven werden, ik
achtte dat ook de wereld zelve de geschreven boeken niet zoude
bevatten,” zoo goed was er veel omtrent Christus in gezegd, dat de
Harmonische menschheid niet meer dienen kon. In Christus konden de
Harmonischen wel het Lam Gods zien, naar zijn onschuld en
liefelijkheid, zoo hij ook van zich zelf getuigde, dat hij alles van
den mensch in zich had, maar niet het Lam Gods, dat geofferd wordt. Zij
konden niet meer gelooven in een God, den Vader, die zijn zoon offert
voor de menschheid. Abraham had het offeren van zijn kind niet behoeven
te volbrengen. Wat dan aan Abraham zou kwijtgescholden zijn, ter wille
van de menschelijkheid, zou dat God aan zichzelf niet hebben onthouden
ter wille van de Goddelijkheid? Was Izak meer dan Christus? En zoomin
als men vrede had met het offeren van een ram door Abraham, zoo min had
men vrede met het offeren van het lam Christus. Zij konden geen vrede
hebben met uitdrukkingen als in Joh: 6:53–57, luidende: „Tenzij dan dat
gij het vleesch van den Zoon des menschen eet en zijn bloed drinkt, zoo
hebt gij geen leven in uzelve. Die mijn vleesch eet en mijn bloed
drinkt, die heeft het eeuwige leven en ik zal hem opwekken ten
uitersten dage; want mijn vleesch is waarlijk spijs en mijn bloed is
waarlijk drank. Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die blijft
in mij en ik in hem. Gelijkerwijs mij de levende Vader gezonden heeft
en ik leef door den Vader, alzoo die mij eet, dezelve zal leven door
mij.”
Deze kannibalen-beeldspraak kon niet meer dienen in het Rijk der
Harmonischen, waar sedert vele geslachten geen andere dranken bekend
waren dan water, oliën en vruchtensappen. Ook was het vleesch niet meer
zoo zwak, verdoemd en de stinkende oorzaak van velerlei zonden bij de
Harmonischen. Want het onderscheid tusschen het vleesch en de ziel was
veel verminderd nu het vleesch des menschen, reiner en zuiverder was
geworden, niet meer opgebouwd uit dierlijk vleesch en dierlijke zuivel,
maar uit geurende planten en vruchten, zoodat als de kinderen buiten
speelden, de vlinders zich op hun handen zetten, aangetrokken door de
bloemengeur van hun rein vleesch. Zelfs de faecaliën hadden niet meer
dien verpestenden stank, uit het vleesch-etende tijdperk, waarin zij
meer op die van den leeuw of den tijger geleken hadden, dan op die van
het schaap. Ja, zelfs de gestorven lichamen van de Harmonischen hadden
niet den afschuwelijken reuk van de ontbindende lijken van de menschen
uit het vleescheters-tijdperk. Zij geleken op appels, die tot rotting
overgingen. Men ervoer, dat de wormsoort die vroeger elk lijk hadden
verteerd, uitstierf, daar hij niet tot ontwikkeling kon komen in niet
met dierlijke stoffen gevoede lichamen.
Men begon de woorden van de discipelen uit Joh. 6:60 te begrijpen,
zeggende: „Deze rede is hard, wie kan hetzelve hooren!” En het
antwoord, dat Christus zou gegeven hebben volgens Joh. 6:63: „De geest
is het, die levend maakt, het vleesch is niets nut: de woorden die ik
tot u spreek zijn geest en leven” bevredigden niet geheel meer. Want
wel kon verachting van het vleesch des menschen begrijpelijk zijn in
deze barbaarsche, oud-Joodsche maatschappij, waar de ontucht zoo groot
was, dat niet één uit het volk de overspelige vrouw waagde te
veroordeelen, maar in het Harmonische Rijk had men het gereinigde
vleesch van den mensch weer leeren liefhebben en eeren. Het vleesch
deed niet alleen geen zonden meer, maar ook de begeerte er naar was
uitgeroeid. Er was langzamerhand een heilig menschengeslacht gekweekt,
dat het middel niet tot doel had gemaakt, maar waarbij de gedachten
altijd waren gericht op het te komen kind en het daaruit weer te komen
kindskind—zoodat men in waarheid tot een menschengeslacht was gekomen.
De tien geboden waren als zoodanig vergeten daar niemand de geboden
noodig had—men deed de verboden daden niet alleen niet, maar het besef,
dat men ze zou kunnen doen, ontbrak zelfs. Wie zou stelen, daar hij
arbeidde, altijd overvloed had en verzorgd bleef tot zijn dood, daarbij
het besef hebbende, dat alleen wie matig blijft, van overvloed geniet.
Wie zou doodslaan, waar men zelfs geen schaap doodde. Wie zou
echtbreken, daar men uit liefde huwen kon als men volwassen was en de
eigen vrouw een even harmonisch beeld van dienende liefde en duurzame
aanvalligheid vormde als de vrouw van den ander en geen vrouw gezien
werd, niet omgeven door hare kinderen, gelijk een moedereend in de
sloot gevolgd door haar kiekens.
De geboden waren in den Harmonischen mensch tot werkelijkheden
geworden, in zijn gezuiverde onderbewustheid geworteld en men was geen
slachtoffer meer van de zonden van de voorgeslachten, maar vrucht van
de deugden der voorvaderen en voormoederen.
De zonde was overwonnen door den arbeid, zooals het begrip zonde
ontstaan was door de luiheid van den oosterling en de daaruit
voortspruitende stelsels van despotisme en slavernij. Van het
oogenblik, dat de arbeid erkend was geworden als de grootste zegen Gods
(in stede van den vloek Gods, zooals de luie slaaf had gemeend, die dat
eens had opgeschreven) was ook de oerbron van alle ondeugd en zonde, de
luiheid, gaan verdwijnen.
Zoo dan werd de Christusfiguur met liefdevolle zorg door de
Harmonischen ontdaan en bevrijd van de barbaarschheden, waarmede zijn
eerste nog zoo onvolmaakte beschrijvers, haar hadden belast. Men
ontdeed het Nieuwe Testament van alle verhalen omtrent de wonderen. Men
voelde het als een beleediging van den Christus, dat Hij nog andere
wonderen zou hebben gedaan dan het groote wonder der verkondiging van
de dienende liefde als levenswet. Het genezen van een blindgeborene,
die naar het zeggen van Johannes, levenslang blind zou geweest zijn,
opdat eens Christus hem tot een wonderdaad zou kunnen gebruiken, werd
als beleedigend voor de Christus-Gedachte beschouwd. Want indien
Christus één blinde zou genezen hebben, zou hij alle blinden hebben
genezen. En men had bij de Harmonischen ervaren, dat degenen, die
vroegen of de zoogenaamd door Christus genezen blindgeborene door eigen
schuld of de schuld der ouders, door zijn gruwelijke kwaal was bezocht,
iets van de oorzaak der blindheid hadden voorgevoeld.
Want bij de Harmonischen was de blindheid onbekend. De kinderen kwamen
niet uit besmette moeders ter wereld en behoefden geen
zilvernitraat-desinfectie na de geboorte. De kinderen werden niet
gedwongen van het zesde tot het zes-en-twintigste jaar daags uren
achtereen te schrijven en te lezen. Men toefde niet tot diep in den
nacht in oververlichte ruimten. Men leefde niet in nauwe straten. Men
verbleef niet in door rook en roet bezwangerde kamer- of zaalatmosfeer.
Men had niet de zonden van onderbewustheid en bewustheid gestadig in
den blik te verbergen. Men gebruikte geen felle kleuren voor huisraad,
kleeding of plakaat.
Het oog van den mensch was zuiver, open, klaar en straalde
welwillendheid, vriendschap en liefde uit. Brillen waren overbodig en
men sleep geen lenzen. Want het oog zag scherp en ver en goed en men
gevoelde, dat het gebruik van verrekijkers en hemelkijkers even
onzedelijk was als het gebruik van tooneelkijkers vroeger was geweest.
Het verkeer had uitsluitend over het land plaats. Verafgelegen eilanden
bleven onbezocht. Want het bevaren van zeeën en oceanen zou er toe
gedwongen hebben, menschenlevens in gevaar te brengen. Men bracht den
menschenbroeder niet gaarne noodeloos in gevaar. God zou, zooals hij
eens de landen door oceanen gescheiden had, ze weer tot elkaar brengen
als Hij den tijd daartoe gekomen achtte. Zouden zij, de Harmonischen,
die de Harmonie in zich voelden, ontkennen, dat in de geheele schepping
Gods, harmonie was, al konden zij die bij hun beperkt menschelijk
tijdsbegrip niet omvamen? Naar Zijn Rhythme vormde Hij Die Het Rhythme
was, de landen en zeeën en die zeeën te willen overvaren, overbruggen
of ondertunnelen was dat Rhythme aantasten en zondig. Wie arbeidde op
het land, had de zee niet noodig.
Eilanden behoorden onbewoond te blijven en naar het vaste land trok men
te voet.
Het werd ook beleedigend voor de Christus-Idée geacht, dat Christus
dooden weder tot het leven zou hebben opgewekt. Niet twijfelde men er
aan dat Hij de macht daartoe had gehad en nog had en zou blijven hebben
tot er geen dood meer zou zijn, maar een eeuwig leven in God, doch wel,
dat Hij die Macht zou gebruikt hebben. Want de bekeering van dengeen,
die door het aanschouwen van een wonder de Waarheid Christi leerde
erkennen, was waardeloos. En wien God had weggenomen van de aarde, zou
daar niet wederkeeren.
Ook het verhaal van de geheele lijdensgeschiedenis van Christus, achtte
men bij de Harmonischen in disharmonie met de Idée Christus. Indien zij
al plaats had gevonden, achtte men haar van weinig beteekenis. Alleen
de barbaarsche menschen uit het dierenetende tijdperk konden zooveel
waarde hechten aan de marteling en kruisiging van een persoon, die zijn
tijdsperiode zoovele eeuwen vooruit, het rhythmisch evenwicht verstoord
had en daaraan noodzakelijker wijze ten gronde was gegaan. Christus
zelf kon aan marteling en kruisiging weinig beteekenis gehecht hebben.
Hij wist waar Hij vandaan kwam en waar Hij heen ging. Hij wist, dat het
vervullen van elke plicht en taak, ook de zwaarste zooals de Zijne, een
voldoening geeft welke sterker is dan de smart, zooals ook de
voldoening door het vervullen van de arbeidsplicht en taak verkregen,
het gevoel van onlust doet verdringen door het gevoel van lust. De
Roeping overwint en vernietigt het lijden, door het tot een hoogere
vreugd te sublimeeren. Offeren is het beginsel van alle leven, maar
daardoor ook tevens de hoogere vreugde, die de ontwikkeling des levens
in zich omvat.
Zoo dan werd het verhaal van het lijden van Christus niet geschikt
geacht voor de opleiding in het Harmonische Rijk. Het altijd weer
opnieuw herhalen van de martel- en kruisigingsgeschiedenis, was telkens
een stimulans geweest voor de martel- en moordzucht in den mensch. Het
werd als disharmonisch gevoeld, het lijden van Christus te verhalen, af
te beelden of te bezingen, daar dit een naar den geest herhalen en
herscheppen van dat lijden was en dus een anti-Christelijke, van
moordzucht getuigende en moordzucht wekkende daad, welke Christus zelf
zeker tegengegaan zou hebben.
De bestudeering van het Christendom, zijn ontstaan en zijn kenbronnen,
in verband met voor-Christelijke documenten, attributen, opgravingen,
papyri, spijkerschrifttafels werd eveneens gevoeld als een
disharmonisch bedrijf en van even weinig eerbied voor God en Zijn
Boodschapper getuigend als het onderzoeken van het firmament met behulp
van kijkers.
En ten slotte kwam men tot de overtuiging, dat men den Christus niet
beter kon dienen, dan door inzichzelf zooveel mogelijk de Idée Christus
te ontwikkelen en Haar in zich op te nemen, zooals de tien geboden in
de psyche van de Harmonischen tot zuivere levensmanifestatie was
geworden.
Toen dan werd aangenomen, dat Christus dient, wie Christus liefheeft en
dat degeen, die Hem het meeste liefheeft, Hem het meeste kan begrijpen.
De weg tot Het Begrip werd gevonden in de dienende liefde.